Bijlage 3 PvE P7 Harderwijk
Tekst van het document
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
31 / 68
5.419
Bij het ontwerp dient overlast van autoverlichting richting omliggende woningen waar mogelijk voorkomen te worden.
5.4.3 Aspecteisen Vormgeving 5.420 Waar horizontale vloeren zijn voorzien van een afwerkingslaag (coating), bestaat deze tenminste uit een primer, een membraan, een slijtlaag en een sluitlaag. 5.421 Waar horizontale vloeren niet zijn voorzien van een afwerkingslaag (coating) worden ze glad (monoliet) afgewerkt. 5.422 Onoverdekte vloeren worden afgewerkt met een epoxyhars tenminste bestaande uit een primer, een membraan, een slijtlaag en een sluitlaag. 5.423 Parkeerplaatsen worden gemarkeerd door middel van vloermarkering in de vorm van gesloten lijnmarkering. Ook rechthoekige ‘parkeerkleedjes’ zijn toegestaan. De (RAL)kleur van de belijning en parkeerkleedjes is nader te bepalen door Opdrachtgever en kan per verdieping verschillen. 5.424 De parkeerplaatsen voor mindervaliden en elektrische auto’s worden duidelijk zichtbaar gemarkeerd met van toepassing zijnde bebording conform RVV 1990 en een vloermarkering. 5.425 Parkeerplaatsen in het afgescheiden deel voor bewoners dienen oplopend genummerd te zijn. Indien de onderste parkeervloer (begane grond) bestaat uit een opneembare elementenverharding, is de nummering in de elementenverharding verwerkt met behulp van een cijfertegel. 5.426 Indien de onderste parkeervloer (begane grond) bestaat uit een opneembare elementenverharding, zijn de markeringen in de elementenverharding verwerkt.
De elementenverharding waarin de markeringen worden aangebracht, dienen duidelijk te contrasteren met de overige elementenverharding. Toelichting: het aanbrengen van de markeringen d.m.v. een coating of wegenverf op de elementenverharding is niet toegestaan. Verificatie: de eventuele elementenverharding van de parkeervloer op de begane grond en de hierin aan te brengen markering dienen vooraf te worden bemonsterd zodat beoordeeld kan worden of het contrast voldoende groot is.
5.5
Afgescheiden bewonersgedeelte
5.5.1 Functionele eisen 5.501 De Parkeervoorziening bevat een fysiek afgescheiden bewonersgedeelte op de begane grond welke uitsluitend voor (voertuigen van) bewoners toegankelijk is. De parkeerplaatsen in het afgescheiden bewonersgedeelte voldoen aan dezelfde eisen als alle overige parkeerplaatsen, tenzij hiervoor expliciet een aanvulling of afwijking is opgenomen. 5.502 Het afgescheiden bewonersgedeelte is voor voetgangers niet anders dan via de entrees voor bewoners te bereiken of te verlaten. De entrees voor bewoners zijn gepositioneerd zoals vastgelegd in het Principe-ontwerp. 5.503 De entrees voor bewoners zijn selectief toegankelijk door middel van loopdeuren met deurlezers welke onderdeel zijn van het PMS (directielevering). 5.504 Het afgescheiden bewonersgedeelte is voor voertuigen niet anders dan via de in- en uitrit voor bewoners te bereiken of te verlaten. Deze interne in- en uitrit voor bewoners zijn gepositioneerd zoals vastgelegd in het Principe-ontwerp. 5.505 De in- en uitrit voor bewoners zijn selectief toegankelijk door middel van geautomatiseerde hekwerken welke onderdeel zijn van het PMS (directielevering). Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
32 / 68
5.506
5.507 5.508
5.6
De Parkeervoorziening biedt de noodzakelijke ruimte en voorzieningen voor het plaatsen van geautomatiseerde hekwerken en loopdeuren. Noodzakelijke opstelruimte voor voertuigen bij geautomatiseerde hekwerken, dient zich buiten de hoofdroute te bevinden en mag geen vertraging veroorzaken bij de verkeersafwikkeling in de Parkeervoorziening. De verkeersinrichting voor voertuigen en voetgangers dient te functioneren zonder gebruik te maken van het afgescheiden bewonersgedeelte. Alle parkeerplaatsen in het afgescheiden bewonersgedeelte dienen voorbereid te zijn op het inrichten als laadplaats.
Serviceruimte
5.6.1 Functionele eisen Bieden ruimte 5.601 De serviceruimte is gesitueerd op de begane grond conform het Principe-ontwerp en heeft een bruto vloeroppervlak dat is afgestemd op het te verwachten maximale aantal gebruikers, dat zich op de piekmomenten voor de in de serviceruimte opgestelde betaalautomaten (onderdeel PMS) bevindt. Toelichting: Wachtende bezoekers (= niet abonnementhouders) mogen de doorgang van overige gebruikers van de Parkeervoorziening niet hinderen. Het niet hinderen van de doorgang is geborgd wanneer voor elke betaalautomaten 2 m2 beschikbaar is buiten de verkeersruimte/-zone voor voetgangers. 5.602 De serviceruimte biedt ruimte aan tenminste 2 betaalautomaten. 5.603 De serviceruimte maakt geen onderdeel uit van het Hoofdtrappenhuis en dient een fysiek afgescheiden ruimte te zijn. Afwikkelen gebruikers 5.604 De toegang tot de serviceruimte is geen obstakel zijn voor mindervaliden, de loopdeuren zijn voorzien van een deurautomaat. 5.6.2 Raakvlakeisen Intern 5.605 De serviceruimte heeft een directe ruimtelijke relatie met het Hoofdtrappenhuis, de sanitaire voorzieningen en de parkeervloer (begane grond). 5.6.3 Aspecteisen Vormgeving 5.606 De buitenwanden en de wanden van de serviceruimten die grenzen aan publiekstoegankelijke ruimten zijn tenminste voor 70% transparant.
5.607 De vloeren van de serviceruimte zijn voorzien van tegelwerk, niet-transparante (delen van) wanden zijn voorzien van tegelwerk tot een hoogte van 1,20 meter, daarboven zijn de wanden geschilderd met een afwasbare kwaliteit muurverf. 5.608 Het plafond van de serviceruimte is vlak afgewerkt en geschilderd met een afwasbare buitenkwaliteit muurverf.
5.7
Hellingbanen
5.7.1 Functionele eisen Geleiden gebruikers
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
33 / 68
5.701 5.702 5.703 5.704
Rijbanen op een hellingbanen zijn eenrichtingsverkeer. Meerdere rijbanen op één hellingbaan met tegengestelde rijrichtingen zijn fysiek van elkaar gescheiden. Hellingbanen zijn recht, het toepassen van spiraalvormige hellingbanen ‘wokkels’ is niet toegestaan. De rechtstand na een hellingbaan is minimaal 5 m. Ter plaatse van overgangen en parkeerwegen is voldoende ruimte beschikbaar om te garanderen dat elkaar tegemoetkomende automobilisten voldoende manoeuvreerruimte hebben zonder dat de automobilisten elkaar kunnen hinderen.
Afvoeren (hemel)water 5.705 Onoverdekte hellingbanen of hellingbanen waarop inregenen mogelijk is, zijn onderaan de hellingbaan, over de volledige breedte van de hellingbaan, voorzien van een overrijdbare afvoergoot. 5.7.2 Raakvlakeisen Intern 5.706 De hellingbanen hebben een directe ruimtelijke relatie met de parkeervloer Extern 5.707 De Parkeervoorziening voorkomt overlast van autoverlichting die direct op de gevel van omliggende woningen schijnt. 5.7.3 Aspecteisen Veiligheid 5.708 Om het zicht vanaf en naar de hellingbanen te garanderen zijn de wanden van de hellingbanen voor zover zij zich boven de rijweg van de hellingbaan bevinden voor minimaal 70% transparant. 5.709 Een hellingbaan dient onder alle weersomstandigheden haar functie te behouden, ongeacht het gebruik van smelt-/dooizouten of soortgelijke middelen. 5.710 De Parkeervoorziening dient het voor voetgangers onlogisch en onaantrekkelijk te maken om een hellingbaan te betreden.
5.8
Hoofdtrappenhuis
5.8.1 Functionele eisen Bieden ruimte 5.801 De Parkeervoorziening bevat één Hoofdtrappenhuis. Het Hoofdtrappenhuis is een stijg- en daalpunt dat alle parkeervloeren in de Parkeervoorziening voor voetgangers met elkaar verbindt. 5.802 Het Hoofdtrappenhuis bevindt zich, conform het Principe-ontwerp, aan de zuidwestzijde (Ouwe Scherpstraat) van de Parkeervoorziening. Afwikkelen gebruikers 5.803 Het Hoofdtrappenhuis, en de daarin opgenomen trappen inclusief bordessen, is ruim van opzet en biedt voldoende capaciteit om het aantal gebruikers eenvoudig af te kunnen wikkelen. De vrije breedte van trappen en bordessen (gemeten tussen de leuningen) bedraagt tenminste 1,40meter. 5.804 Het hoofdtrappenhuis is voorzien van tenminste twee liften.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
34 / 68
Geleiden gebruikers 5.805 Loopdeuren die toegang bieden tot het hoofdtrappenhuis hebben een minimale vrije breedte van 1,20 meter in verband met de gewenste toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers en voetgangers met bagage. 5.806 Loopdeuren die toegang bieden tot het Hoofdtrappenhuis op een verdieping waarop MiVaplaatsen zijn gesitueerd, zijn voorzien van een loopdeuren met een deurautomaat of een automatische schuifdeur. 5.807 De loopdeuren zijn minimaal voor 70% transparant. 5.808 De loopdeuren zijn afsluitbaar en zijn zelfsluitend (dranger o.i.d.). 5.809 In de trappenhuizen en aan de buitenzijde van de trappenhuizen (naast de toegangsdeur) is een verdiepingsaanduiding aangebracht die op afstand leesbaar is. De (RAL)kleur van de verdiepingsaanduiding is nader te bepalen door Opdrachtgever en kan per verdieping verschillen. Borgen veiligheid 5.810 Het Hoofdtrappenhuis moet voldoen als vluchtweg en kent een WBDBO van tenminste 60 minuten. 5.811 De trappen zijn voorzien van doorgaande leuningen aan beide zijden van de trap. Toelichting: Indien een hekwerk wordt toegepast aan de binnenzijde van de trap kan dit als leuning dienen. 5.812 In het Hoofdtrappenhuis dient de helling van een trap maximaal 33 graden te zijn, de optreden van de trap zijn minimaal 15 centimeter en maximaal 18 centimeter en de aantreden zijn ten minste 30 centimeter.
5.813 Alle traptreden zijn voorzien van een antislipbeveiliging. 5.814 Het Hoofdtrappenhuis is tenminste per twee verdiepingen voorzien van één Evac-Chair. 5.8.2 Raakvlakeisen Extern 5.815 Het Hoofdtrappenhuis heeft op de begane grond een directe ruimtelijke relatie met de voetgangers in- en uitgang (hoofdentree). Intern 5.816 Het Hoofdtrappenhuis heeft op de begane grond een directe ruimtelijke relatie met de serviceruimte en op alle verdiepingen met de parkeervloer. 5.817 Het Hoofdtrappenhuis heeft op alle verdiepingen een directe ruimtelijke relatie met de liften. 5.818 De aansluiting van de vloer van de trappenhuizen op de vloer van een parkeerniveau dient vloeiend te verlopen en mag geen obstakel vormen. Het hoogteverschil mag maximaal 5 mm te bedragen 5.8.3 Aspecteisen Vormgeving 5.819 Het Hoofdtrappenhuis is als zodanig herkenbaar. Toelichting: voor gebruikers van de Parkeervoorziening is duidelijk zichtbaar welk trappenhuis onderdeel uit maakt van de hoofdroute naar de binnenstad en/of het Dolfinarium. 5.820 Het Hoofdtrappenhuis heeft voldoende toetreding van daglicht. De wanden grenzend aan de parkeervloer zijn tenminste voor 70% transparant en tenminste 1 wand grenzend aan de buitengevel is voor 50% transparant. 5.821 De trappen en bordessen in het Hoofdtrappenhuis zijn van beton.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
35 / 68
Comfort 5.822 Het hoofdtrappenhuis is geheel wind- en waterdicht (met uitzondering van voorzieningen t.b.v. ventilatie) Beheer- en onderhoudbaarheid 5.823 Aan de binnenzijde van de trappenhuizen worden vloeren, wanden, trappen en plafonds voorzien van een afwerking die onderhoudsarm en eenvoudig te reinigen is. 5.824 Ten behoeve van schoonmaak is het hoofdtrappenhuis voorzien van een op de vuilwaterriolering (VWA) aangesloten put in de onderste vloer en een (vanuit de exploitatieruimte) te schakelen WCD op iedere verdieping.
5.9
Neventrappenhuis
5.9.1 Functionele eisen Bieden ruimte 5.901 De Parkeervoorziening bevat tenminste één neventrappenhuis. Het neventrappenhuis is een stijg- en daalpunt dat alle parkeervloeren in de Parkeervoorziening voor voetgangers met elkaar verbindt. Afwikkelen gebruikers 5.902 Het neventrappenhuis, en de daarin opgenomen trappen inclusief bordessen, is ruim van opzet en biedt voldoende capaciteit om het aantal gebruikers eenvoudig af te kunnen wikkelen. De vrije breedte van trappen en bordessen (gemeten tussen de leuningen) bedraagt tenminste 1,40meter. Geleiden gebruikers 5.903 De toegang tot een neventrappenhuis geschiedt op alle verdiepingen met behulp van loopdeuren. 5.904 Loopdeuren die toegang bieden tot een neventrappenhuis hebben een minimale vrije breedte van 1,20 meter. 5.905 De loopdeuren zijn minimaal voor 70% transparant. 5.906 De loopdeuren zijn afsluitbaar en zijn zelfsluitend (dranger o.i.d.). 5.907 In het neventrappenhuis en aan de buitenzijde van de trappenhuizen (naast de toegangsdeur) is een verdiepingsaanduiding aangebracht die op afstand leesbaar is. De (RAL)kleur van de verdiepingsaanduiding is nader te bepalen door Opdrachtgever en kan per verdieping verschillen. Borgen veiligheid 5.908 Het neventrappenhuis moet voldoen als vluchtweg en kent een WBDBO van tenminste 60 minuten. 5.909 De trappen zijn voorzien van doorgaande leuningen aan beide zijden van de trap.
Toelichting: Indien een hekwerk wordt toegepast aan de binnenzijde van de trap kan dit als leuning dienen. 5.910 In het neventrappenhuis dient de helling van een trap maximaal 33 graden te zijn, de optreden van de trap zijn minimaal 15 centimeter en maximaal 18 centimeter en de aantreden zijn ten minste 30 centimeter.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
36 / 68
5.911 5.912
Alle traptreden zijn voorzien van een antislipbeveiliging. Een neventrappenhuis is tenminste per twee verdiepingen voorzien van één Evac-Chair.
5.9.2 Raakvlakeisen Extern 5.913 Een neventrappenhuis heeft op de begane grond een directe ruimtelijke relatie met de parkeervloer en een nevenentree. Intern 5.914 Een neventrappenhuis heeft op alle verdiepingen een directe ruimtelijke relatie met de parkeervloer. Toelichting: Indien een afgesloten bewonersgedeelte direct aan een neventrappenhuis wordt gerealiseerd, dient een neventrappenhuis hiertoe alleen bewoners toegang te verlenen, zonder dat dit beperkingen oplevert voor de overige bezoekers van en naar de betreffende parkeervloer. 5.9.3 Aspecteisen Vormgeving 5.915 Een neventraphuis heeft voldoende toetreding van daglicht. De wanden grenzend aan de parkeervloer zijn tenminste voor 70% transparant en tenminste 1 wand grenzend aan de buitengevel is voor 50% transparant. 5.916 De trappen en bordessen in het neventrappenhuis zijn van beton. Comfort 5.917 Het neventrappenhuis is geheel wind- en waterdicht (met uitzondering van voorzieningen t.b.v. ventilatie) Beheer- en onderhoudbaarheid 5.918 Aan de binnenzijde van de trappenhuizen worden vloeren, wanden, trappen en plafonds voorzien van een afwerking die onderhoudsarm en eenvoudig te reinigen is. 5.919 Ten behoeve van schoonmaak is het neventrappenhuis voorzien van een op de vuilwaterriolering (VWA) aangesloten put in de onderste vloer en een (vanuit de exploitatieruimte) te schakelen WCD op iedere verdieping.
5.10 Noodtrappenhuizen 5.10.1 Functionele eisen Bieden ruime 5.1001 De Parkeervoorziening is uitsluitend voorzien van noodtrappenhuizen indien noodzakelijk. Toelichting: Noodtrappenhuizen zijn door de Opdrachtgever niet gewenst. Uitgangspunt is dat de positionering van hoofd- en nevenentree(s) voldoende vluchtwegen bieden. Indien afzonderlijke noodtrappenhuizen noodzakelijk zijn, voldoen ze aan de hier gestelde eisen. Geleiden gebruikers 5.1002 De toegangen tot de noodtrappenhuizen zijn voorzien van een loopdeur. 5.1003 De toegangen tot de noodtrappenhuizen hebben een minimale vrije breedte van 1 meter in verband met de gewenste toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers. Borgen veiligheid
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
37 / 68
5.1004 Noodtrappenhuizen zijn alleen toegankelijk in geval een noodsituatie van kracht is. 5.1005 Een noodtrappenhuis is op tenminste per 2 verdiepingen voorzien van een Evac-Chair. Faciliteren beheer 5.1006 Alle deuren in een noodtrappenhuis zijn voorzien van alarmering met een akoestisch signaal en voorzien van doormelding zodat oneigenlijk gebruik door de beheerder kan worden geregistreerd. 5.10.2 Raakvlakeisen Extern 5.1007 Het noodtrappenhuis heeft op de begane grond een directe ruimtelijke relatie met de omgeving. Intern 5.1008 Het noodtrappenhuis heeft op alle verdiepingen een directe ruimtelijke relatie met de parkeervloer. 5.10.3 Aspecteisen Vormgeving 5.1009 De noodtrappenhuizen/vluchtwegen zijn dusdanig vormgegeven dat hun functie duidelijk is. Toelichting: Een noodtrappenhuis mag niet worden aangezien voor een hoofd- of neventrappenhuis.
5.11 Sanitaire voorziening 5.11.1 Functionele eisen Bieden ruimte 5.1101 De Parkeervoorziening is voorzien van een openbaar toegankelijk toilet dat geschikt is voor heren, dames en mindervaliden. 5.1102 De Parkeervoorziening dient te beschikken over een toiletsysteem van Sanitronics dat voldoet aan de in Bijlage 9: ‘Specificatie toiletsysteem Sanitronics’ gestelde eisen. 5.1103 De toiletruimte heeft conform Bijlage 9: ‘Specificatie toiletsysteem Sanitronics’ een binnenmaat van 2800 x 4500 mm en dient aan drie zijden gesloten te zijn, m.u.v. eventuele sparingen, en aan één zijde open. Geleiden gebruikers 5.1104 De toegangen tot de toiletten in het toiletsysteem zijn onderdeel van het toiletsysteem. 5.11.2 Raakvlakeisen Intern 5.1105 De toiletruimte heeft een directe ruimtelijke relatie met de serviceruimte. 5.1106 De open zijde van de toiletruimte grenst aan de serviceruimte. Toelichting: in de dimensionering en inrichting van de serviceruimte is rekening gehouden met toegangsdeuren die de serviceruimte indraaien.
5.12 Exploitatieruimte 5.12.1 Functionele eisen Bieden ruimte
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
38 / 68
5.1201 De exploitatieruimte is een specifieke technische ruimte waarin de volgende installaties zijn ondergebracht: a. het ISRA-punt / afmontage glasvezelnetwerk; b. centrale apparatuur van het parkeermanagementsysteem (PMS), incl. aansturing dynamisch verwijssysteem en VMS; c. de centrale noodverlichtingskast; d. de hoofdaardrail; e. de besturingen/storingssignaleringen van alle technische installaties; f. aansluiting data; g. aansturing laadpunten, incl. loadbalancing. 5.1202 De exploitatieruimte biedt ruimte voor het plaatsen van een 19” kast ten behoeve van het PMS, incl. aansturing dynamisch verwijssysteem en VMS. De afmetingen van deze 19” kast bedragen 1000 mm (diep) x 800 mm (breed) x 2000 mm (h). Aan beide zijden van de 19” kast dient tenminste 800 mm vrije ruimte te zijn voor het wisselen van componenten. 5.1203 Er wordt 1 exploitatieruimte gerealiseerd ten behoeve van alle bovenstaande installaties. Borgen veiligheid 5.1204 De exploitatieruimte wordt als een apart brandcompartiment uitgevoerd met een WDBDO van 60 minuten.
5.13 Technische ruimten 5.13.1 Functionele eisen Bieden ruimte 5.1301 Voor verschillende installaties worden daartoe benodigde bouwkundige ruimten gerealiseerd. Ten minste voor de volgende installaties en functies wordt een aparte technische ruimte gerealiseerd: a. de hoofdverdeelinrichting; b. de onderverdeelinrichtingen; c. installaties t.b.v. PV-panelen d. de containers/tijdelijke opslag afval (oppervlakte 3,0 x 4,0 meter); e. de veeg-/schoonmaakmachine (oppervlak 3,0 bij 4,0 meter), voorzien van een afsluitbare dubbele deur met een dagmaat van ten minste 2,20 x 2,20 meter; f. een kleine, afsluitbare technische ruimte (werkkast) op de begane grond, onder meer voorzien van een watertappunt en een lage uitstortgootsteen. g. het parkeermanagementsysteem (PMS) en VMS (exploitatieruimte); Toelichting : Indien Opdrachtnemer ruimte biedt aan overige technische installaties, dan dient hij zorg te dragen voor daartoe benodigde technische ruimten in de Parkeervoorziening. Ten behoeve van de uitbreiding van de energievoorziening dient rekening gehouden te worden met een ruimte reservering. Faciliteren beheer 5.1302 In de ruimte voor de veeg-/schoonmaakmachine zijn een watertappunt en een lage uitstortgootsteen aanwezig, die bruikbaar dienen te zijn als de schoonmaakmachine in de ruimte geparkeerd staat. Tevens is een voeding aanwezig voor het opladen van de veeg/schoonmaakmachine.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
39 / 68
5.1303 Voor de veeg-/schoonmaakmachine moet in de ruimte voor de veeg-/schoonmaakmachine een uitstortmogelijkheid aanwezig zijn. Deze wordt aangesloten op een voorbezinkbak welke is aangesloten op het riool. Voor deze voorbezinkbak gelden de volgende eisen: a. rechthoekige of vierkant vloeistofdichte bak van beton met een inhoud van ten minste 0,5 m3 en afgedekt met een uitneembaar rooster; b. afvoerwater uit de voorbezinkbak dient via een overloop plaats te vinden met een doorsnede van ten minste 100 mm; c. de overloopbuis moet aan de zijde van de voorbezinkbak worden voorzien van een uitneembare bladvanger of vergelijkbare voorziening; d. het rooster van de voorbezinkbak moet geschikt zijn om te worden overreden met een veeg-/schoonmaakmachine van ten minste 1.500 kg; e. de voorbezinkbak en slibvang-/pompput moeten buiten de looproute worden aangebracht (bijvoorbeeld onder de opstelplaats van de veeg-/schoonmaakmachine); f. de voorbezinkbak en slibvang/-pompput moeten bereikbaar zijn voor lediging door een zuigwagen met slang. 5.1304 De ruimte voor de containers/tijdelijke opslag afval is voorzien van stootbeveiliging in de vorm van een stootrand, zodat de vuilcontainers niet de wanden kunnen beschadigen. 5.1305 De Parkeervoorziening beschikt over een bouwkundig afsluitbare werkkast/ruimte die voldoet aan de volgende eisen: a. minimaal oppervlakte van 2 m2 BVO; b.
afsluitbaar; c. voorzien van een waterslang 10 m op haspel; d. voorzien van lange wand met (2 à 3) schappen 40 à 50 cm diep t.b.v. opslag schoonmaakartikelen. Borgen veiligheid 5.1306 De technische ruimten worden als een apart brandcompartiment uitgevoerd met een WDBDO van 60 minuten. 5.13.2 Raakvlakeisen Extern 5.1307 De ruimtelijke reservering voor de technische ruimte(n) voor uitbreiding van de energievoorziening grenst aan de gevel aan de noordzijde. De locatie is van buitenaf benaderbaar voor het plaatsen of vervangen van een transformator. Intern 5.1308 De technische ruimten hebben een directe ruimtelijke relatie met de parkeervloer. 5.13.3 Aspecteisen Vormgeving 5.1309 De technische ruimten zijn afgewerkt met coating op de vloer en drempelloos toegankelijk.
5.14 Fietsenstalling 5.14.1 Functionele eisen Bieden ruimte
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
40 / 68
5.1401 De Parkeervoorziening omvat een fietsenstalling die gelegen is op de begane grond. De Fietsenstalling bevindt zich, en wordt ontsloten aan de zuidwestzijde (Ouwe Scherpstraat) van de Parkeervoorziening, zoals is opgenomen in het Principe-ontwerp. 5.1402 De capaciteit van de fietsenstalling bedraagt tenminste 30 fietsparkeerplaatsen, zonder gebruik te maken van etagerekken. 5.1403 De capaciteit van de fietsenstalling dient eenvoudig uitbreidbaar te zijn tot 60 fietsparkeerplaatsen (zonder etagerekken), zonder dat dit negatieve gevolgen heeft voor de routing en werking van de Parkeervoorziening. 5.1404 De fietsenstalling heeft een minimale vrije hoogte van 2,75 meter. Toelichting: Indien de vrije hoogte niet gerealiseerd kan worden onder de constructie, dient de fietsenstalling verdiept te worden aangelegd. Afwikkelen gebruikers 5.1405 De fietsenstalling is afgesloten van de rest van de Parkeervoorziening en is uitsluitend vanaf de buitenzijde van de Parkeervoorziening toegankelijk. 5.1406 Een hoogteverschil tussen maaiveld en het vloerpeil van de fietsenstalling dient overbrugd te worden middels een hellingbaan in de vloer met een hellingshoek van maximaal 10 graden. Toelichting: Een trap van en naar de toegang is niet toegestaan. 5.1407 De toegang tot de fietsenstalling geschiedt middels een loopdeur.
5.1408 De loopdeur van de fietsenstalling voldoet aan de volgende eisen: a. maat deuropening: minimale vrije breedte van 1,20 meter; b. afsluitbaar; c. het openen van de loopdeur vanaf de buitenzijde geschiedt al dan niet in combinatie met een autorisatie van het PMS. De loopdeur is hiertoe voorzien van aansluitmogelijkheden vanuit het PMS; d. de loopdeur beschikt over een modus zonder beperkingen voor het openen vanaf de buitenzijde en een modus voor eenmalig openen. De schakeling tussen beide modi is mogelijk vanuit het PMS; e. het openen van de loopdeur vanaf de binnenzijde is zonder beperkingen mogelijk; f. ten minste 70% Transparant; g. zelfsluitend (deurdranger o,i.d.). Afvoeren hemelwater 5.1409 De vloer moet aan redelijke eisen voor de afwatering voldoen. Plasvorming in de fietsenstalling is niet toegestaan. Vormgeving 5.1410 De afscheiding van de fietsenstalling van de binnenzijde van de Parkeervoorziening bestaat uit een doorlopend spijlenhekwerk dat zich 10 cm boven de vloer bevindt. Het spijlenhekwerk is niet overklimbaar. Toelichting: Voor zover de fietsenstalling zich in of direct achter de gevel bevindt, mag de (afscheiding van de) fietsenstalling het gevelbeeld niet verstoren. 5.1411 Eigenaar is verantwoordelijk voor het plaatsen van fietsparkeersystemen. De positionering van verlichting, kabels en leidingen, e.d.
mogen een optimale inrichting van de fietsenstalling niet belemmeren.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
41 / 68
5.15 Dak 5.15.1 Functionele eisen Bieden ruimte 5.1501 De Parkeervoorziening is voorzien van een dak over de volledige oppervlakte. Het dak voldoet aan de volgende eisen: a. belemmert het functioneren van de onderliggende parkeervloer niet; b. dient minimaal eenzelfde vrije doorrijhoogte en doorloophoogte op de onderliggende parkeervloer mogelijk te maken als op de overige parkeervloeren; c. plaatst geen kolommen in de parkeervakken; d. levert anderszins geen beperking op van de kolomvrije overspanning (parkeerstrook parkeerweg – parkeerstrook) op de onderliggende parkeervloer; 5.1502 Het dak is voorbereid op het plaatsen en installeren van PV panelen op 70% van het dakoppervlak en op het plaatsen van een groen (mos/sedum) dak op 30% van het dakoppervlak. De Parkeervoorziening voorziet in (de ruimte voor) de hiervoor benodigde installaties en voorzieningen voor beheer en onderhoud. Afdragen belasting 5.1503 De dakconstructie dient de permanente en variabele belasting van de plaatsing van PV panelen en hiervoor benodigde installaties en het groene dak te kunnen dragen en af te dragen aan de constructie van de Parkeervoorziening. Afvoeren hemelwater 5.1504 Het dak heeft voldoende afschot en afvoercapaciteit voor het afvoeren van hemelwater. Toelichting: Op de dakconstructie dient al het hemelwater opgevangen en afgevoerd te worden binnen het volume van het gebouw.
Plasvorming, met een maximale diepte van 5mm, mag alleen optreden direct na een regenbui. Indien het dak is ingericht voor waterberging, kan van deze eis worden afgeweken. Hiervoor is instemming van de Opdrachtgever noodzakelijk. 5.15.2 Aspecteisen Betrouwbaarheid 5.1505 De Parkeervoorziening dient een betrouwbaarheid van het dak te bieden, waarbij het risico op lekkage gereduceerd is tot ten hoogste 1 keer per 10 jaar. Onderhoudbaarheid 5.1506 De Parkeervoorziening dient een optimale onderhoudbaarheid van het dak te bieden, waarbij inspecties gedurende de levensduur zijn gereduceerd tot ten hoogste eens per jaar. 5.1507 De Parkeervoorziening dient het betreden van het dak, voor beheer en onderhoud van (het dak en op het dak) te plaatsen PV panelen en installaties en beplanting, eenvoudig mogelijk te maken voor bevoegden middels een vaste en afsluitbare verbinding. Voor onbevoegden is het onmogelijk het dak te betreden. Veiligheid 5.1508 De Parkeervoorziening dient het betreden van het dak voor beheer en onderhoud mogelijk te maken voor bevoegden. De toegang tot het dak vanaf de onderliggende bouwlaag is niet gesitueerd direct op, in of aan een parkeervak, parkeerweg of rijbaan.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
42 / 68
5.1509 De toegang tot het dak is dusdanig ingericht en voldoende groot om op veilige wijze een PV paneel van en naar het dak te kunnen verplaatsen. 5.1510 De Parkeervoorziening dient op het dak te voorzien in de benodigde voorzieningen om veilig te kunnen werken, zoals o.a. valbeveiliging. 5.1511 Eventueel toe te passen dakbedekking en dakislolatie op het dak van de Parkeervoorziening dient ‘FM approved’ gecertificeerd te zijn en te voldoen aan eisen van de verzekeraar van de Eigenaar. Vormgeving 5.1512 De inrichting van het dak is gericht op beleving/zicht vanaf de bovenste parkeervloer als ook beleving/zicht vanaf omliggende bebouwing. Toelichting: Uitgangspunt is dat de PV-panelen in het midden van het dak gesitueerd worden en de groene delen aan de randen van het dak. Comfort 5.1513 Het dak dient waterdicht te zijn.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
43 / 68
6. Parkeervoorziening – E-installaties 6.1
Algemene eisen
6.1.1 Functionele eisen Borgen veiligheid 6.101 De energievoorziening voldoet aan de NEN1041: Hoog- en middenspanningsinstallaties en NEN1010: Laagspanningsinstallaties en NEN-EN-IEC 62446-1:2016/A1:2018. Schakel- en verdeelinrichtingen voldoen aan de NEN10439-1. 6.102 De Parkeervoorziening is voorzien van een aardingsinstallatie; 6.103 De gemeenschappelijke leidingwegen voldoen daar waar functiebehoud (testtype 1) noodzakelijk is aan de NEN-ENIEC 61537: Kabelbaansystemen en kabelladdersystemen voor het onderbrengen van elektrische leidingen en de NPR 2576. 6.104 Kabels en leidingen voor data en elektriciteit zijn van elkaar gescheiden. 6.105 Kabelgoten en ladderbanen zijn thermisch verzinkt (klasse 5); 6.106 Water- en afvoerleidingen door technische ruimten (en exploitatieruimte) met elektra zijn niet toegestaan. Faciliteren beheer 6.107 In de technische ruimte voor de veeg-/schoonmaakmachine zijn 2 dubbele wandcontactdozen met randaarde alsmede een 380V-aansluiting aangebracht; 6.108 In de afsluitbare werkkast met watertappunt en afvoergootsteen zijn 2 dubbele wandcontactdozen met randaarde aangebracht; 6.109 Op de parkeervloer is per 2.500 m2 vloeroppervlak tenminste 1 wandcontactdoos geplaatst. Wandcontactdozen in het publiektoegankelijke gedeelte van de Parkeervoorziening zijn afzonderlijk geschakeld.
Toelichting: De wandcontactdozen zijn bedoeld voor schoonmaakwerkzaamheden, beheer en onderhoud. Om oneigenlijk gebruik te voorkomen dient de beheerder de wandcontactdozen eenvoudig te kunnen afschakelen vanuit de exploitatieruimte bij afwezigheid. 6.110 In de exploitatieruimte is een synoptisch- en signaleringspaneel geplaatst waaruit installaties (op afstand) kunnen worden gemonitord, bediend en bestuurd via het gebouwbeheersysteem. Met LED’s en tekst worden alle statusmeldingen van de installaties weergegeven. 6.1.2 Raakvlakeisen Intern 6.111 De meterkast heeft een directe ruimtelijke relatie met de exploitatieruimte. 6.1.3 Aspecteisen Betrouwbaarheid 6.112 De elektrotechnische installaties en (onder)delen daarvan hebben een technische levensduur van tenminste: a. Energievoorziening normaal bedrijf: 30 jaar; b. Noodstroomvoorziening: 15 jaar; c. Verlichting: 20 jaar (excl. lampen), ESVA (dimbaar) 15 jaar; d. Brandmeldinstallatie: 15 jaar;
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
44 / 68
e. Ontruimingsinstallatie: 15 jaar; f. Gebouwbeheersysteem: 15 jaar; g. PV panelen + installatie: 15 jaar h. Laadinfrastructuur: 15 jaar; i. Kabels en kabelwegen: 30 jaar. Vormgeving 6.113 Alle installaties en daartoe behorende bekabeling, met uitzondering van de technische ruimten en exploitatieruimte, zijn zodanig gemonteerd dat ze geen visueel storende elementen vormen. Toelichting: De situering van kabels en leidingen mag geen nadelig effect hebben op het gebruik of de beleving van de Parkeervoorziening. Kabels en leidingen zijn niet gemonteerd op kolommen, tenzij hiervoor een technische noodzaak is. Onderhoudbaarheid 6.114 Leidingen dienen uit zicht te worden aangebracht in alle ruimten van de Parkeervoorziening behalve in de technische ruimten en de exploitatieruimte; 6.115 Alle kabels en leidingen in publiekstoegankelijke ruimten, met uitzondering van de parkeervloer, worden ingesloten in de wanden/vloeren/plafonds; 6.116 Voor alle in de wanden/vloeren/plafonds ingesloten kabels en leidingen geldt: a. ingesloten kabels en leidingen traceerbaar moeten zijn. Hiertoe worden alle tracées vastgelegd in tekeningen; b. kabels en leidingen zonder destructieve werkzaamheden zijn te verwijderen, te vervangen en toe te voegen; c. alle buizen minimaal 20% extra ruimte hebben voor eventuele uitbreidingen.
6.117 Voor alle overige aangebrachte kabel- en leidinggoten geldt dat deze minimaal 20% extra ruimte hebben voor eventuele uitbreidingen.
6.2
Energievoorziening
6.2.1 Functionele eisen Bieden ruimte 6.201 De Parkeervoorziening voorziet in de plaatsing van een middenspanningsinstallatie. Het betreft een inpandig (aan de noordgevel te positioneren) betreedbaar station ten behoeve van de omgeving. De Parkeervoorziening voldoet aan alle hieraan door de netbeheer te stellen eisen, zie ook Bijlage 10: ‘Specificaties Middenspanningsinstallatie’. 6.202 De Parkeervoorziening voorziet inpandig (aan de noordgevel) in de plaatsing van een transformator met een vermogen van 630kVA (directielevering) en de plaatsing en inrichting van de klantruimte conform allen hieraan door de netbeheerder te stellen eisen. De hoofdverdeelkast is voorzien in de Exploitatieruimte. Toelichting: De netbeheerder heeft vooralsnog een aansluitmoment in 2029 afgegeven. Indien het aansluitmoment niet gewijzigd wordt, dient de Parkeervoorziening aangesloten te worden op een (of mogelijk twee) zakelijke aansluiting van 3x80A. Toelichting: De voorbereiding van de plaatsing van de trafo omvat alle benodigde voorzieningen en de bouwkundige werken om te kunnen voldoen aan de alle
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
45 / 68
door de netbeheerder gestelde eisen (zoals bijv. een kabelkelder). De specificaties van de te plaatsen transformator worden door de Eigenaar tijdig beschikbaar gesteld. 6.203 De Parkeervoorziening dient voorbereid te zijn op de (ruimtelijke reservering voor de) plaatsing van een 2e transformator ten behoeve van de uitbreiding van de laadpunten in de Parkeervoorziening. Deze transformator dient inpandig geplaatst te kunnen worden aan de noordgevel van de Parkeervoorziening direct naast de eerste trafo. Toelichting: De voorbereiding van de plaatsing van een 2e trafo omvat de ruimtelijke reservering en bouwkundige werken om op termijn te kunnen voldoen aan de alle door de netbeheerder gestelde eisen (zoals bijv. een kabelkelder). Toelichting: De voorbereiding van laadpunten omvat niet de aanleg van een technische ruimte en benodigde bekabeling (data + elektriciteit), maar wel de voorbereiding van het volledige kabeltracé inclusief mantelbuizen met trekdraad vanaf de beoogde locatie van een tweede transformator tot de locaties van de aanvullende laadpunten. Borgen veiligheid 6.204 De hoofdverdeling en de secties zijn beveiligd met een overspanningsbeveiliging. 6.205 De voedingskabels van brandpreventieve voorzieningen worden uitgevoerd met functiebehoud bij brand van tenminste 60 minuten.
Faciliteren beheer 6.206 De energievoorziening heeft voldoende capaciteit voor alle installaties, elektrische laadinfrastructuur en andere voorzieningen in de Parkeervoorziening die elektrische voeding nodig hebben. De energievoorziening is toekomstvast (30 jaar). Toelichting: Alle elektrische installaties in de Parkeervoorziening, met uitzondering van de laadinfrastructuur, moet in de aanvangssituatie kunnen functioneren met een aansluiting van 3x80A. 6.207 De energievoorziening heeft een reservecapaciteit van minimaal 20%. Toelichting: deze reservecapaciteit hoeft niet te worden gerekend over het benodigde vermogen ten behoeve van de elektrische laadinfrastructuur. 6.208 Alle toe te passen voedingskabels en bijbehorende verdeelinrichtingen hebben een reserve capaciteit van minimaal van 20%. 6.209 In de exploitatieruimte worden tenminste 8 wandcontactdozen aangebracht verdeeld over minimaal twee groepen. 6.210 De Parkeervoorziening dient te voorzien in een elektra aansluiting voor het toiletsysteem conform Bijlage 9: ‘Specificatie toiletsysteem Sanitronics’. 6.211 De installaties dienen zo te functioneren dat de installaties afzonderlijk per verdieping kunnen worden bestuurd en bediend. Toelichting: het is mogelijk om één of meerdere verdiepingen buiten gebruik te stellen terwijl de andere verdieping(en) in gebruik blijven.
6.2.2 Raakvlak eis Extern raakvlak 6.212 De Parkeervoorziening dient te kunnen worden aangesloten op de middensspanningsinstallatie aan de noordzijde van de Parkeervoorziening. 6.2.3 Realisatie-eisen 6.212 De energievoorziening komt tot stand in overeenstemming met netbeheerder.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
46 / 68
6.213
De aanvraag voor de aansluiting door de netbeheerder wordt door Opdrachtnemer verzorgd, hieraan verbonden kosten komen voor rekening van de Eigenaar.
6.3
Noodstroomvoorziening
6.3.1 Functionele eisen 6.301 De Parkeervoorziening dient te beschikken over een noodstroomvoorziening die bij spanningsuitval het veilig verlaten van de Parkeervoorziening mogelijk maakt. 6.302 De noodstroomvoorziening is centraal of decentraal en biedt tenminste capaciteit voor het noodverlichtingssysteem, speedgate, mechanische ventilatie (indien aanwezig), (automatische schuif)deuren, de liften en overige objecten voor zover die noodzakelijk zijn voor het veilig uit gebruik nemen van de Parkeervoorziening. Toelichting: de noodstroomvoorziening is gericht op de veiligheid van de gebruikers en beheerders in geval van een calamiteit. Bij spanningsuitval treedt het ontruimingssysteem in werking. Onderdeel hiervan is het voorkomen van nieuwe inrijders door het sluiten van de speedgate op de ingaande rijstroken. Het parkeermanagementsysteem en het toiletsysteem beschikken over een eigen noodstroomvoorziening. 6.303 In het geval een centrale noodstroomvoorziening wordt toegepast, beschikt de noodstroomvoorziening minimaal over 20% reservecapaciteit.
6.4
PV-panelen
6.401
De Parkeervoorziening is energieneutraal – met uitzondering van de laadpunten. De hiervoor benodigde energie wordt opgewekt door middel van op het dak te plaatsen PV-panelen. Toelichting: Opdrachtnemer plaatst tenminste het aantal PV-panelen dat noodzakelijk is om de Parkeervoorziening – met uitzondering van de laadpunten – energieneutraal te maken. Verificatie: Opdrachtnemer toont door middel van een berekening aan hoeveel PVpanelen geplaatst dienen te worden om de Parkeervoorziening – op jaarbasis – energieneutraal te maken. De Parkeervoorziening is voorbereid op het installeren van extra PV-panelen tot een maximum van 70% van het volledige dakoppervlak. Toelichting: De Parkeervoorziening maakt het mogelijk dat de capaciteit van de PVpanelen wordt uitgebreid zonder dat ingrijpende (bouwkundige) werkzaamheden noodzakelijk zijn. Hiervoor wordt o.a. rekening gehouden met de capaciteit van verdeelinrichting, kabelbanen en -goten, (dak)doorvoeren, sparingen en fysieke ruimte voor installaties. De PV-panelen zijn zo gepositioneerd en geschakeld dat het rendement van de panelen wordt geoptimaliseerd. Toelichting: indien op een deel van de PV-panelen schaduw kan optreden, dient een parallelschakeling toegepast te worden.
Verificatie: een serieschakeling is toereikend indien door middel van een TCOberekening over de levensduur van de PV-panelen wordt aangetoond dat een parallelschakeling niet gunstiger is. De PV-panelen voldoen tenminste aan de onderstaande eisen: a. Een minimaal vermogen van 320 Watt-piek (Wp) per stuk en uitsluitend een positieve vermogenstolerantie;
6.402
6.403
6.404
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
47 / 68
b. c.
6.405
6.406
6.407
6.5
Een minimale efficiency van 18%; Een lineaire vermogensgarantie, waarbij na 10 jaar nog minimaal 90% van het vermogen gegarandeerd is na 25 jaar nog minimaal 80%; d. Een productgarantie hebben van minimaal 10 jaar; e. Voldoen aan de normen zoals gesteld in IEC 61215 voor kristallijne zonnepanelen of IEC 61646 voor dunne film panelen; f. Voldoen aan de normen zoals gesteld in IEC 61730; g. Beschikken over een datasheet die is opgesteld conform NEN-EN 50380; h. Beschikken over een geldige CE-markering; i. Afkomstig zijn van een fabrikant met een Tier-1 label, met een bewezen track record van minimaal 5 jaar en met een aanzienlijk marktaandeel in Europa en eigen vestigingen in Europa; j. Afkomstig zijn van een fabrikant die aangesloten is bij PV CYCLE of een vergelijkbare regeling voor afvalbeheer van zonnepanelen. Verificatie: onderdeel van de verificatie is een datasheet van de aangeboden zonnepanelen en geldige IEC-certificaten. De omvormers ten behoeve van de PV-panelen voldoen aan de onderstaande eisen: a. Een minimaal omvormerrendement van 97%; b. Een productgarantie van minimaal 10 jaar; c. Voldoen aan IEC 62109; d. Afkomstig van een fabrikant met een bewezen track record van minimaal 5 jaar en met een aanzienlijk marktaandeel in Europa en eigen vestigingen in Europa.
Verificatie: onderdeel van de verificatie is een datasheet van de aangeboden omvormers en geldige IEC-certificaten. De omvormers zijn geschikt voor de locatie(s) waar ze worden geplaatst, worden niet op een brandbare ondergrond geplaatst en worden zo geplaatst dat er een zo klein mogelijke kans is op beschadiging door vernieling, weersomstandigheden of anderszins. De (installatie behorende bij de) PV-panelen en de plaatsing hiervan voldoen aan de hieraan door de verzekeraar van de Eigenaar te stellen eisen. Zie bijlage 11: ‘Eisen verzekeraar Eigenaar m.b.t. PV panelen’.
Verlichting
6.5.1 Functionele eisen Verlichten garage 6.501 De Parkeervoorziening is voorzien van een (nood)verlichtingsinstallatie. 6.502 De verlichtingsinstallatie maakt gebruik van LED verlichting en wordt uitgevoerd conform NEN-EN-12464 (ex. 1890) en voldoet tenminste aan de NEN2443. 6.503 De noodverlichting wordt uitgevoerd conform NEN1838, NEN1010, bouwbesluit, NEN-EN7010 (vluchtwegaanduiding) en de voorschriften van de brandweer. 6.504 In aanvulling op de eisen uit het Bouwbesluit treedt de noodverlichting bij stroomuitval onmiddellijk in werking. 6.505 De verlichting van de diverse onderdelen van de Parkeervoorziening voldoet gemiddeld ten minste aan het verlichtingsniveau zoals weergegeven in onderstaande tabel met een gelijkmatigheidsindex van 0,5. Verificatie: het verlichtingsniveau en de gelijkmatigheidsindex dient te worden aangetoond door middel van een lichtberekening.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
48 / 68
Gebied
Gem. lux-niveau
Meetlocatie
In-/uitrit, entree, overdag
200
Op 1 m hoogte
In-/uitrit, entree, nacht
100
Op 1 m hoogte
Lift
100
Vloerniveau
Parkeerapparatuur
200
Apparatuur niveau
Rijbanen
100
Op 1 m hoogte
Parkeerwegen
100
Op 1 m hoogte
Oversteekplaatsen, waar voetgangersroutes parkeerwegen of rijbanen kruisen
200
Op 1 m hoogte
Parkeervakken/-stroken
100
Op 1 m hoogte
Trappenhuizen
100
Vloerniveau
Betaalautomaten
300
Apparatuur niveau
Noodverlichting
1
Vloerniveau
Technische ruimten
250
Vloerniveau
Tabel 2: Vereist verlichtingsniveau
6.506 6.507
6.508
Het lichtniveau dient te worden geregeld met een verlichtingsmanagementsysteem vanuit de Exploitatieruimte. Ook handbediening is mogelijk. Het intelligente verlichtingsmanagementsysteem zorgt er onder meer voor dat het verlichtingsniveau op tijdstippen waarop dit gewenst is gedempt kan worden of kan worden uitgeschakeld en automatisch wordt ingeschakeld op het moment dat een gebruiker de Parkeervoorziening of een deel daarvan betreedt. Tenminste wordt hierbij onderscheid gemaakt in de volgende onderdelen, per verdieping: a. parkeervloeren b. in- en uitrit voertuigen c. openbare entrees voetgangers d. serviceruimte e. (Hoofd)trappenhuis f. noodtrappenhuis De verlichting in de exploitatieruimte en overige technische ruimten is handmatig geschakeld.
6.5.2 Aspecteisen Betrouwbaarheid 6.509 De lichtbronnen zijn individueel vervangbaar en hebben een minimale levensduur van 50.000 branduren. Verificatie: Door middel van een berekening en/of referentie aantonen dat minimale levensduur wordt behaald. Onderhoudbaarheid 6.510 De verlichtingsarmaturen betreffen opbouwarmaturen en worden dusdanig gesitueerd dat bij het remplaceren minimale hinder ontstaat bij gebruikers. Vormgeving 6.511 De positionering van de armaturen dient zoveel mogelijk de rijrichting te ondersteunen en in het parkeergedeelte worden geplaatst op de scheiding van parkeerstroken en parkeerwegen
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
49 / 68
6.512
en/of bij dubbele parkeervakken aan de kopzijde tussen de parkeervakken, evenwijdig aan de rijstroken. De verlichtingsarmaturen in de Parkeervoorziening dienen slagvast (minimaal IK10) en spuitwaterdicht (IP 65 afspuitbaar) te worden uitgevoerd.
6.5.3 Raakvlakeis Extern 6.513 De Parkeervoorziening dient onnodige overlast door verlichting voor de omliggende woningen te voorkomen. Toelichting: Het direct uitschijnen van koplampen van voertuigen vanaf de parkeervloeren en hellingbanen dient voorkomen te worden. Ook direct licht op de gevels van omliggende woningen vanuit verlichtingsarmaturen dient geminimaliseerd te worden.
6.6
Brandmeld- en ontruimingsinstallatie
6.6.1 Functionele eisen Borgen veiligheid 6.601 De Parkeervoorziening dient te voorzien in een gecertificeerde ontruimingsinstallatie welke voldoet aan de gestelde eisen door bevoegd gezag. 6.602 De Parkeervoorziening dient voorzien te zijn van een gecertificeerde brandmeldinstallatie met als bewakingsomvang ‘volledige bewaking’, uitgaande van automatische branddetectie in de gehele Parkeervoorziening. Toelichting: Wanneer bevoegd gezag en de Veiligheidsregio akkoord zijn, dient de Opdrachtgever de toe te passen gelijkwaardigheid te accorderen. 6.603 De Parkeervoorziening dient voorzien te zijn van een doormelding van de brandmeldinstallatie naar een PAC of eigen meldsysteem (ten behoeve van eigen organisatie) en RAC (ten behoeve van het brandalarm in nader overleg met de Veiligheidsregio te bepalen).
6.7
Laadpunten
6.7.1 Functionele eisen Bieden ruimte 6.701 De Parkeervoorziening dient tenminste 8 van de publiek toegankelijke parkeerplaatsen voor voertuigen te voorzien van een elektrische oplaadpunt met een maximaal laadvermogen van 22kW per laadpunt. Toelichting: De laadpunten betreffen een directielevering. Uitgangspunt zijn laadpalen met 2 laadpunten per laadpaal. 6.702 De Parkeervoorziening dient tenminste aanvullend 135 van de publiek toegankelijke parkeerplaatsen voor voertuigen voor te bereiden op het plaatsen van een elektrisch oplaadpunt. Toelichting: Onder voorbereiding wordt o.a. begrepen dat de energievoorziening, inclusief de hoofdverdeelkast, in de Parkeervoorziening voldoende groot is, dat rekening is gehouden met de benodigde ruimtereserveringen in de technische ruimte(n), en dat alle voorzieningen in de Parkeervoorziening aanwezig zijn om de aanvullende laadpunten aan te kunnen sluiten zonder dat hiervoor haken breekwerkzaamheden, dan wel andere ingrijpende maatregelen, noodzakelijk zijn.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
50 / 68
6.703
Specifiek dient rekening gehouden te worden met de (ruimtelijke reservering voor de) plaatsing van een tweede transformator in de Parkeervoorziening aan de noordgevel van de Parkeervoorziening. Voorbereiding van de werkzaamheden omvat niet de aanleg van benodigde bekabeling (data + elektriciteit), maar wel de voorbereiding van het volledige kabeltracé inclusief mantelbuizen met trekdraad. Deze eis ontslaat Opdrachtnemer niet van verplichting om te voldoen aan eventuele (verdergaande) vereisten van het Bouwbesluit op dit punt. De Parkeervoorziening dient aanvullend alle parkeerplaatsen in het afgescheiden deel voor bewoners voor te bereiden op het plaatsen van een elektrisch oplaadpunt. Deze voor te bereiden laadpunten tellen niet mee voor de, te realiseren en voor te bereiden, aantallen publiek toegankelijke laadpunten.
6.7.2 Aspecteisen Borgen veiligheid 6.704 De laadpunten in de Parkeervoorziening hebben een maximaal laadvermogen van 22 kW (230V AC 50Hz/32A/3-fase), het laadvermogen is voor elk van de laadpunten afzonderlijk softwarematig in te stellen. Het daadwerkelijke op enig moment beschikbare laadvermogen per laadpunt wordt bepaald door een systeem van loadbalancing. Toelichting: Door middel van loadbalancing verdeelt het systeem het op enig moment binnen de aansluiting van de Parkeervoorziening beschikbare vermogen over het aantal in gebruik zijnde laadpunten met een laadbehoefte. Zodanig dat wanneer het beschikbare vermogen het toelaat bij elk afzonderlijk laadpunt het maximale laadvermogen van 22kW/u geladen kan worden. 6.705 De energievoorziening in de Parkeervoorziening dient te beschikken over een minimaal gereserveerd vermogen van 3,7kW/u per aangesloten laadpunt. Toelichting: Indien alle in de Parkeervoorziening geïnstalleerde laadpunten gelijktijdig in gebruik zijn, dient bij elk laadpunt afzonderlijk met een snelheid van 3,7kW/u geladen kunnen worden. 6.706 De toegepaste stopcontacten zijn conform IEC62196 Type II; 6.707 Als laadprotocol geldt dat het opladen plaats vindt volgens het Mode 3 laadprotocol conform IEC61851; De laadpunten zijn interoperabel, parkeerders moeten kunnen laden met een eigen laadpas. Ook ad-hoc laden moet mogelijk zijn.
6.708 De situering van de laadpunten in de garage en de genomen brandveiligheidsmaatregelen voldoen aan de voorschriften van Bevoegd gezag. Dit stelt tenminste de volgende eisen aan de laadpunten: a. de laadpunten dienen te zijn beveiligd met een deugdelijke aanrijdbeveiliging; b. de laadpunten dienen te worden geïnstalleerd door een erkend elektrotechnisch installateur; c. bij de toegang tot de Parkeervoorziening dient een noodknop te worden gerealiseerd om bij calamiteiten de hele laadvoorziening uit te kunnen schakelen; d. bij de toegang tot de Parkeervoorziening dient inzichtelijk te worden gemaakt waar de elektrische laadpunten zich in de Parkeervoorziening bevinden, dat een centrale afschakeling aanwezig is en waar deze zich bevindt; e. de aanwezige brandbestrijdingsinstallatie houdt rekening met de aanwezige laadplaatsen en de geplande uitbreiding van het aantal laadplaatsen;
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
51 / 68
f.
6.709
6.710
bij een brandmelding dient de gehele laadvoorziening automatisch afgeschakeld te worden. De Parkeervoorziening dient te voldoen aan door Bevoegd gezag voorgeschreven (bouwkundige) voorzieningen in verband met brand en verkeersveiligheid met betrekking tot elektrische laadpunten en aansluitkasten. De (installatie behorende bij de) laadpunten en de plaatsing hiervan voldoen aan de hieraan door de verzekeraar van de Eigenaar te stellen eisen. Zie bijlage 12: ‘Eisen verzekeraar Eigenaar m.b.t. laadpunten’.
Faciliteren beheer 6.711 Elk laadpunt is met een voedingskabel én een kabel voor dataverkeer aangesloten op de exploitatieruimte, zodat communicatie ten behoeve van beheer en loadbalancing mogelijk is.
6.8
Gebouwbeheersysteem
6.8.1 Functionele eisen Faciliteren beheer 6.801 De Parkeervoorziening is voorzien van een gebouwbeheersysteem, dat het mogelijk maakt om alle systemen en installaties in de Parkeervoorziening centraal aan te sturen/te bedienen/te monitoren en te laten communiceren vanuit de exploitatieruimte. 6.802 Het gebouwbeheersysteem slaat data op, zodat de historie van de verschillende systemen en installaties kan worden nagezien. Data worden opgeslagen van tenminste 7 dagen en kunnen in die 7 dagen ingelezen worden. 6.803 Het gebouwbeheersysteem maakt het mogelijk de systemen en installaties van de Parkeervoorziening per verdieping (parkeervloeren) en object apart te kunnen beheren. 6.804 Het gebouwbeheersysteem kan functioneel (incl. visualisatie) volledig worden doorgeschakeld naar een centrale meldkamer buiten de Parkeervoorziening.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
52 / 68
7. Parkeervoorziening – W-installaties 7.1
Algemeen
7.1.1 Functionele eisen Borgen veiligheid 7.101 De Parkeervoorziening dient te voldoen aan de eisen zoals deze door het bevoegd gezag worden gesteld. Toelichting: Door bevoegd gezag en/of veiligheidsregio op te leggen nadere eisen dienen door Opdrachtnemer in acht genomen te worden. 7.102 Niet overdekte hellingbanen, of hellingbanen waarop inregenen mogelijk is, dienen onder alle weersomstandigheden hun functie te behouden, niet uitgaande van de mogelijkheid tot aanbrengen van smelt-/dooizouten (en soortgelijke middelen). Indien daartoe een hellingbaanverwarming wordt toegepast dient deze: a. alleen per rijstrook uit twee sporen van minimaal 1 meter te bestaan; b. volledig zelfstandig te functioneren; c. instelbaar te zijn voor wat betreft buitentemperatuur en de luchtvochtigheid. Toelichting: Opdrachtgever beschouwt de toepassing van hellingbaanverwarming niet als de voorkeursoplossing. Verificatie: Een vergelijkende berekening van verschillende oplossingen waaruit blijkt dat de Total Costs of Ownership van de voorgestelde oplossing gedurende 40 jaar het meest voordelig is. Afvoeren water 7.103 De Parkeervoorziening dient te zijn voorzien van een waterafvoersysteem in alle parkeervloeren en het dak.
7.104 In geval water van de parkeervloeren wordt afgevoerd middels lijnafvoeren mogen deze op parkeervloeren niet worden aangebracht in de rijbanen, parkeerwegen of tussen de parkeerplaatsen (lengterichting). 7.1.2 Aspecteisen Betrouwbaarheid 7.105 De werktuigbouwkundige installaties en (onder)delen daarvan hebben een technische levensduur van tenminste: a. hemelwaterafvoer: 30 jaar; b. vuilwaterafvoer: 30 jaar; c. drinkwaterinstallaties: 30 jaar; d. klimaatinstallaties: 20 jaar, e. regeltechniek: 15 jaar, f. pompen: 10 jaar, g. koelunits: 10 jaar, h. ventilatoren: 15 jaar. Onderhoudbaarheid 7.106 Vloerroosters voor het afvoeren van hemel- of vuilwater zijn van een afneembaar gietijzer rooster voorzien.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
53 / 68
7.107
In elke afvoer wordt een ontstoppingsstuk aangebracht. Verzamelputten en hoofdputten zijn inspecteerbaar en reinigbaar.
Vormgeving 7.108 Alle installaties en daartoe behorende leidingen, met uitzondering van de droge blusleidingen en leidingen in de technische ruimten en exploitatieruimte, zijn zodanig gemonteerd dat ze geen visueel storende elementen vormen. 7.109 De verzamel- en standleidingen worden dusdanig aangebracht dat ze geen visuele belemmering vormen en geen belemmering zijn voor de functie van de ruimten waarin ze zijn aangebracht. 7.110 Standleidingen worden dusdanig aangebracht dat ze niet aanrijdbaar zijn. Comfort 7.111 De trappenhuizen, serviceruimte(n), de liften, sanitaire voorziening en de exploitatieruimte worden door middel van verse buitenlucht op overdruk gehouden. 7.112 De technische ruimte ten behoeve van de veeg-/schrobmachine is voorzien van mechanische ventilatie vanwege de mogelijkheid van een veeg-/schrobmachine met verbrandingsmotor. 7.113 In de sanitaire voorziening dient een binnenklimaatvoorziening te worden opgenomen die zorg draagt dat de voorziening goed kan blijven functioneren en comfortabel in gebruik is. Onafhankelijk van de buitentemperatuur. 7.114 In de exploitatieruimte en alle technische ruimten dient een binnenklimaatvoorziening te worden opgenomen die aansluit op het goed kunnen blijven functioneren van de in de ruimte opgestelde, of nog op te stellen, apparatuur.
Rekening houdend met de warmteproducties van deze apparatuur 7.115 De temperatuur in de hierna genoemde ruimten dient de volgende grenzen niet te overschrijden: a. Laagspanningsruimte, middenspanningsruimte, hoofdverdeelruimte maximaal 40°C; b. Transformatorruimte maximaal 40°C; c. Exploitatieruimte maximaal 25°C (bij 28°C buitentemperatuur); d. Sanitaire voorziening maximaal 25°C (bij 28°C buitentemperatuur). 7.116 De sanitaire voorziening, exploitatieruimte en technische ruimten, met uitzondering van de ruimte(s) voor containers/tijdelijke opslag afval, hebben een minimale temperatuur van 15°C Celsius. 7.117 Toe te passen verwarmingselementen worden vast aangesloten door middel van een afschakelbare thermostaat die op het element zelf is aangesloten. Aansluiten via wandcontactdozen en een losse kabel met een stekker is niet toegestaan. 7.118 In de exploitatieruimte en technische ruimten worden tevens hygrostaten voor het aansturen van de verwarmingselementen aangebracht.
7.2
Hemelwater
7.2.1 Functionele eisen Afvoeren water 7.201 Het water van het dak van de Parkeervoorziening wordt afgevoerd middels een afvoersysteem dat is aangesloten op de omgeving. Toelichting: Het hemelwater van het dak dient geloosd te worden op het oppervlaktewater van de Lelyhaven, aan de noordzijde van de Parkeervoorziening.
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
54 / 68
Toelichting: 7.202 7.203
7.204
7.3
Opdrachtgever bepaalt op een later moment de exacte locatie waar het afvoersysteem dient aan te sluiten op de omgeving (systeemgrens). De verzamel- en standleidingen worden dusdanig aangebracht dat zij op maximaal twee (2) punten samenkomen, vanwaar wordt afgewaterd naar de omgeving. De afvoercapaciteit van de hemelwaterafvoer van alle afvoerputten en afvoergoten dient te worden berekend volgens de geactualiseerde grafiek van Braak met een overschrijdingskans van eens per 250 jaar. Het is niet toegestaan dat water een afvoergoot passeert Voor de afvoer van hemelwater worden idealiter geen afvoerpompen gebruikt. Voor zover afvoerpompen niet voorkomen kunnen worden, dient een alternerende schakeling op de afvoerpompen toegepast te worden. Verificatie: Indien Opdrachtnemer voorstelt afvoerpompen toe te passen, toont zij dat aan afvoerpompen onvermijdelijk zijn.
Vuilwaterafvoer
7.3.1 Functionele eisen Afvoeren water 7.301 Het water van de parkeervloeren en overige functies in de Parkeervoorziening dient te worden afgevoerd middels een afvoersysteem dat is aangesloten op vuilwaterriolering in de omgeving. De afvoercapaciteit is voldoende voor afvoer van alle inregening, lekwater van voertuigen, de sanitaire voorzieningen en water dat wordt gebruikt om de Parkeervoorziening te reinigen. 7.302 Indien een olie- en benzineafscheider (OBAS) is vereist door bevoegd gezag, dient deze te worden toegepast. De OBAS: a. bevindt zich op een eenvoudig bereikbare plek waar deze geleegd kan worden door een zuigwagen met slang, en onderhouden kan worden, zonder het functioneren van de Parkeervoorziening te beperken. b. heeft voldoende capaciteit om alle vuilwater van de Parkeervoorziening te kunnen verwerken. 7.303 Direct bij de in-/uitgang voor voertuigen wordt in het overdekte gebied over de volledige breedte van de ingang en de uitgang een afvoergoot geplaatst. 7.304 Op de onderste vloer van alle (nood)trappenhuizen is een afvoerput aanwezig om hemelwater en vuilwater te kunnen afvoeren. 7.305 In een liftput is een afvoerput aanwezig om hemelwater en vuilwater te kunnen afvoeren. Faciliteren beheer 7.306 De vuilwaterafvoer biedt van ten minste de volgende meldingen het signaal aan: a. status informatie met betrekking tot normaal bedrijf b.
storingen van de schakelbare onderdelen van de pompinstallatie(s) voor riolering en hemelwaterafvoer, indien aanwezig 7.307 In de bouwkundige ruimte t.b.v. de veeg-/schoonmaakmachine is in de vloer een uitstortmogelijkheid aanwezig. Deze is aangesloten op een voorbezinkbak welke is aangesloten op de vuilwaterafvoer. De voorbezinkbak voldoet aan de volgende eisen: a. Rechthoekige of vierkant vloeistofdichte bak van beton met een inhoud van ten minste 0,5 m3 en afgedekt met een in de zijwanden in te laten afneembaar rooster; b. Afvoerwater uit de voorbezinkbak dient via een overloop plaats te vinden met een doorsnede van ten minste 100 mm;
Programma van Eisen Versie CONCEPT v0.740i
55 / 68
c. d. e. f.
7.4
De overloopbuis moet aan de zijde van de voorbezinkbak worden voorzien van een uitneembare bladvanger of vergelijkbare voorziening; Het rooster van de voorbezinkbak moet geschikt zijn om te worden overreden met een veeg-/schoonmaakmachine van ten minste 1.500 kg; De voorbezinkbak en slibvang-/pompput moeten buiten de looproute worden aangebracht (bijvoorbeeld onder de opstelplaats van de veeg-/schoonmaakmachine); De voorbezinkbak en slibvang/-pompput moeten bereikbaar zijn voor lediging door een zuigwagen met slang.
Watertappunt
7.4.1 Functionele eisen Faciliteren beheer 7.401 Op de begane grond is een watertappunt met uitstortgootsteen aanwezig in een bouwkundig afsluitbare kast/ruimte met: a. een mengkraan, aangesloten koud en warm tapwater door middel van een elektrische boiler van 20 liter 7.402 Op de begane grond is een watertappunt met uitstortgootsteen aanwezig in een bouwkundig afsluitbare ruimte ten behoeve van de veeg-/schoonmaakmachine met: a. een aansluiting op het watertappunt van de aanwezige waterslang 10 m op haspel. 7.403 Het tapwatersysteem dient te voorzien in tapwater met de volgende capaciteit per aftappunt: a. de uitstortgootsteen 0,167 l/s, warm en koud water; b. het warmwatertoestel, 0,083 l/s, koud water. 7.404 De tapwatervoorziening dient legionellabesmetting te voorkomen. 7.405 De Parkeervoorziening dient voorzieningen te treffen zodat de tappunten, stortpunten en waterleidingen niet kunnen bevriezen.