CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

achtergrondinfo: Harderwijk en de Omgevingswet - Impactanalyse uit 2017.pdf

Commissie Ruimte 13 april 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Informatie Bestuurlijke Routekaart Omgevingswet20.923 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Veel programma´s hebben in eerste aanleg een sectoraal karakter in aansluiting op sectorale normen en Europese richtlijnen.

20

Situatie Harderwijk Harderwijk kent op dit moment niet veel specifieke programma’s. Alleen in het Groenplan en het Gemeentelijke Verkeers- en Vervoersplan zijn uitvoeringsprogramma’s opgenomen. Daarnaast bestaat er een aantal documenten die in de toekomst wellicht een programma kunnen zijn zoals de Energieke Stad en de Havenvisie. Analyse De gemeente Harderwijk werkt tot dusver weinig tot niet met het instrument programma. Wel is een aantal documenten aanwezig dat in de toekomst als programma volgens de Omgevingswet aangeduid en uitgewerkt kan worden. Ook zullen delen van de 14 beleidsvisies opgaan in een programma. De Omgevingswet geeft de mogelijkheid om in plaats van meerdere programma’s zoveel mogelijk de uitwerking van de doelen uit de omgevingsvisie op te nemen in een integraal programma. Zowel bestuurlijk (afstemming tussen Raad en College) als ambtelijk (hoe richt de organisatie het proces in van het bewaken van de integraliteit en afstemming tussen de (sectorale) programmadoelen) moet verder worden verkend hoe dit met de nodige samenhang kan worden ingericht. Uiteindelijk zal een keuze moeten worden gemaakt of en welke programma’s onder de Omgevingswet worden vorm gegeven.

5.4

Omgevingsplan

Huidig kader Verschillende wetten schrijven voor dat de gemeente plannen en verordeningen kunnen of moeten maken binnen het domein van de fysieke leefomgeving. Zo stelt artikel 3.1 Wro ‘De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.’ In artikel 3.1 lid 2 staat ook dat elke 10 jaar een bestemmingsplan moet worden herzien. Het is de bedoeling dat bij elke herziening een zoekproces start om alle belangen te leren kennen en integraal af te wegen en keuzes te maken hoe en waar functies duurzaam tot hun recht komen (optimale ruimtegebruik). Gemeenten hebben, al dan niet verplicht gesteld door de wet, een groot aantal verordening binnen het domein van de fysieke leefomgeving. Daarbij kan gedacht worden aan monumentenverordeni ngen, kapverordeningen, Algemene Plaatselijke Verordening, etc. Velen daarvan zijn gebaseerd op artikel 149 van de Gemeentewet, maar verordeningen kunnen ook op specifieke wetten (bijvoorbeeld Woningwet) zijn gebaseerd. Het instrument omgevingsplan in de Omgevingswet Op grond van de Omgevingswet moet elke gemeente één gebiedsdekkend plan voor de leefomgeving maken.

In het Omgevingsplan worden de bestemmingsplannen, een groot aantal gemeentelijke verordeningen en beleidsregels, waaronder die voor welstand, en een deel van de regelgeving voor milieubelastende activiteiten geïntegreerd. Omdat alle plannen digitaal moeten zijn is het mogelijk een gebiedsdekkend plan te maken waar alle regels op het terrein van de fysieke leefomgeving worden geïntegreerd. Zo zullen daarin onder a ndere worden opgenomen locatie gebonden regels en vergunningvereisten zoals die nu voorkomen in de algemene plaatselijke verordening, bomenverordening, monumentenverordening of reclameve rordening. Hierdoor ontstaat een inzichtelijk, eenduidig en transparant set van regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Voor burgers en bedrijven is een groot voordeel dat zij slechts te maken krijgen met één omgevingsplan (of verordening in geval van provincie of waterschap) per bestuurs-

21

laag, die op termijn online eenvoudig toegankelijk wordt (naar voorbeeld van www.ruimtelijkeplannen.nl). Onderdelen van het omgevingsplan kunnen ook voor een deelgebied worden herzien, zodat flexibiliteit voor het bestuur behouden blijft. Het herzien van een omgevingsplan heeft een permanent karakter. De wet legt de verplichting op om het Omgevingsplan eens in de 5 jaar aan te passen als er een omgevingsvergunning is afgegeven die blijvend inbreuk maakt op het Omgevingsplan. De ve rwachting is dat met grote regelmaat een dergelijke vergunning wordt afgegeven en daarmee een continue inspanning noodzakelijk is om het plan actueel te houden. Die wens om het Omgevingsplan continue, of in ieder geval met grote regelmaat te actualiseren zou ook kunnen ontstaan doordat er in de loop van de tijd veel meldingen worden ingediend die invloed hebben op de fysieke leefomgeving. Gemeenten, en zo ook de gemeente Harderwijk, hebben nu vaak tientallen bestemmingsplannen of beheersverordeningen. Deze verschillen inhoudelijke in bijvoorbeeld gehanteerde begrippen of fo rmuleringen, terwijl de intentie is om hetzelfde te regelen. Vaak heeft dat te maken met het moment van totstandkoming van het plan of de betrokkenheid van verschillende adviesbureaus.

De overgang van bestemmingsplannen (inclusief beheersverordeningen) en lokale verordeningen naar samenhangende omgevingsplannen met alle regels over de fysieke leefomgeving is daarom een forse opgave. Tijdens de overgangsfase zullen de gemeenten de tijd hebben om hun bestemmingspla nnen en verordeningen volledig om te bouwen naar een omgevingsplan dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving. Gedacht wordt aan een periode van maximaal tien jaar, aansluitend bij de actualisatietermijn voor bestemmingsplannen en beheersverordeningen op grond van de Wro. Overigens is in die periode ook een ombouw nodig voor de locaties waar – zonder de Omgevingswet – gekozen had kunnen worden voor het verlengen van het bestemmingsplan of de beheersverordening. Aanpak tijdens de overgangsfase Tijdens de overgangsfase zal de gemeente voor elke locatie binnen haar grondgebied het omgevingsplan moeten wijzigen. Dit gaat geleidelijk, al mag deze fase niet te lang duren en ten hoogste tien jaar omvatten. Stap voor stap, zoals hieronder aangegeven en toegelicht ‘groeit’ een gemeente toe naar één Omgevingsplan voor de gehele gemeente.

22

Overgang naar Omgevingsplan

Situatie Harderwijk RO-beleid Het RO-beleid komt sectoraal tot stand. Het team waar ruimtelijke ordening onder valt is verantwoordelijk voor situaties waarin afwijkingen van het bestemmingsplan en/of waar een herziening van het bestemmingsplan voor nodig is. Er zijn op dit moment 16 WRO bestemmingsplannen. Dit betreft overwegend reststrookjes of infrastructuur. De gemeente is opgedeeld in grofweg 15 grote gebieden (meestal wijken), waarvoor elk een actueel bestemmingsplan geldt. De oudste van deze plannen zijn in 2008 vastgesteld. Op al deze plannen gelden inmiddels ca. 25 partiële herzieningen. Voor de ontwikkelingsgebieden (Waterfront, Harderweide) gelden diverse plannen. Voor de komende twee jaar staan in ieder geval de volgende grotere, integrale herzieningen op stapel: Frankrijk – Walstein,

23

Zuidelijk Stadsrand en Lorentz III. De plannen verschillen in opzet en systematiek van elkaar. Een harmonisatieslag daarop is gewenst. Gelet op het aantal vastgestelde plannen per jaar (de outcome is over de afgelopen drie jaar gemi ddeld acht plannen per jaar) en het aantal beschikbare ambtelijke uren kan worden aangenomen dat in Harderwijk een gemiddeld plan ongeveer 325 uur aan ambtelijke inzet vraagt. Er worden overigens maar beperkt uren geschreven. Daardoor is er geen inzicht in hoeveel uren inzet per fase van het bestemmingsplanproces wordt gepleegd. Dit betekent dat het begeleiden van een beste mmingsplanproces bij een uurtarief van € 90 ongeveer € 30.000 bedraagt. Daar staat een gemiddeld legesbedrag van ca. 9.000 per jaar tegenover*). Bij alle plannen/projecten waarvoor een herziening bestemmingsplan nodig is worden anterieure overeenkomsten afgesloten waarin plankosten in rekening worden gebracht, gebaseerd op de bedragen uit de legesverording. Dit is niet kostende kkend. Gemeten over de afgelopen twee jaar is gebleken dat de gemiddelde doorlooptijd van een bestemmingsplanproces 24 maanden is. Er is daarbij gemeten vanaf het eerste moment (principe besluit, projectplan etc.) tot en met de vaststelling. Het gaat hier om een gemiddelde. Individuele bestemmingsplanprocessen verschillen van een half jaar tot enkele jaren.

Verordeningen De gemeente Harderwijk kent in ieder geval 40 verordeningen en beleidsregels die betrekking hebben op de fysieke Leefomgeving. Een groot aantal is daarop direct te herkennen zoals beleidsregels met betrekking tot verkeer en vervoer, parkeren, monumenten, kappen van bomen, groenbeheer, bed en breakfast, terrassen, evenementen, etc. Daarnaast is er een aantal beleidsregels die vooral vallen binnen het Domein Samenleving, maar die een duidelijke impact hebben op de fysieke Leefomgeving. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld sportaccomodatiebeleid, onderwijshuisvestingsbeleid. Een overzicht van plannen en regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving is weergegeven in bijlage 8.3. Een van de belangrijkste verordening in deze is de APV. De APV van Harderwijk volgt nauwgezet de standaard van de VNG en is overeenkomstig in 2014 voor het laatst aangepast. Een nieuwe aanpassing staat op stapel. Dat gaat o.a. over het exploitatiestelsel en de exploitatievergunning voor ondernemers. Deze aanpassing wordt breed met stakeholders opgepakt. De meeste van de bovengenoemde beleidsregels en verordeningen zijn helder en goed belegd in de organisatie en kennen een eigenaar, zoals het Gemeentelijke Verkeers- en vervoersplan, de kapverordening en de monumentenverordening.

Voor een aantal is dat minder helder, zoals het beleid bed en breakfast, fietsenstalling, gebruik tweede woning, reclamemasten, etc. Dat geldt ook voor een aantal heel specifieke beleidsregels zoals bijvoorbeeld ‘het parkeren van grote voertuigen aan de Daltonstraat’. De kennis van de verschillende aspecten zit verspreid in de organisatie.

5.5

Vergunningverlening en algemene rijksregels

Huidig kader Het instrument omgevingsvergunning bestaat sinds 2010 en is voortgekomen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Naast de Wabo zijn onder andere de Wet milieubeheer, de Woningwet en gemeentelijke verordeningen (APV) van toepassing. Algemene regels zijn ook bekend, onder andere via het Bouwbesluit en het Activiteitenbesluit en vanuit lokale verordeningen. Vanuit het taakveld milieu is de tendens naar minder vergunningen en meer algemene regels al geruime tijd bekend. Opgemerkt moet worden dat het taakveld vergunningverlening evenals toezicht en handhaving momenteel sterk in beweging is. Naast de Omgevingswet spelen een nieuw wettelijk stelsel van kwaliteitsborging in de bouw en de Wet VTH-taken (kwaliteitscriteria). De Wet kwaliteits-

24

borging voor het bouwen is recent door de minister ingediend bij de Tweede Kamer. De Wet VTHtaken is per 1 april 2016 in werking getreden en de uitvoeringsregelgeving onder de Wet VTH-taken zal naar verwachting op korte termijn volgen. Via de Invoeringswet wordt de Wet VTH-taken ingebouwd in de Omgevingswet. Vergunningverlening en de Omgevingswet Uitgangspunt van de Omgevingswet is zoveel mogelijk te volstaan met het stellen van algemene rijksregels, waardoor voor de initiatiefnemer van een activiteit geen voorafgaande toestemming is vereist. Hiermee wordt de lastendruk beperkt. Wanneer de potentiële impact van een activiteit op de fysieke leefomgeving groot is en de specifieke situatie bij het beoordelen van deze gevolgen een rol speelt, is echter toch een beoordeling vooraf door een bestuursorgaan noodzakelijk over de toelaatbaarheid van de activiteit. In dat geval is voor de activiteit op grond van de Omgevingswet een omgevingsvergunning vereist.

De omgevingsve rgunning integreert en harmoniseert de vergunningverlening voor bestaande vergunningplichtige activiteiten uit de domeinen bouw, milieu, cultuurhistorie en ruimtelijke ordening met de watervergunning uit de Waterwet, de ontgrondingenvergunning uit de Ontgrondingenwet, de vergunningen of ontheffingen op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Spoorwegwet (artikel 19), het wetsvoorstel voor de Wet lokaal spoor (artikel 12) en de Wet luchtvaart (artikel 8.12) en de vergunning voor archeologische rijksmonumenten uit de Monumentenwet 1988 (artikel 11). Ook wordt een deel van de vergunningplichtige activiteiten over beschermde gebieden en soorten geïntegreerd, zoals thans al in geïntegreerde vorm opgenomen in de Wabo en de Wet natuurbescherming. Tot slot wordt een aantal vergunningenstelsels uit lokale verordeningen in de omgevingsvergunning ingevoegd, vergelijkbaar met de wijze waarop dit nu onder de Wabo is geregeld. Het wetsvoorstel bevat geen andere activiteiten dan thans al het geval is in de diverse te integreren wetten. Het ui tgangspunt van de Omgevingswet is, net als van de Wabo, dat een initiatiefnemer zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wanneer een vergunning aanvraagt. Daarbij kan de aanvrager voor meerdere vergunningplichtige activiteiten tegelijk één aanvraag indienen of dit los en gespreid in de tijd doen.

Met het vereiste van onlosmakelijke samenhang beperkt de Wabo in artikel 2.7, eerste lid, de aanvrager gedeeltelijk in deze flexibiliteit. Voor zogeheten onlosmakelijke activiteiten geldt onder de Wabo dat deze tegelijk in één aanvraag moeten worden aangevraagd. Onder de Wabo wordt het werken met het vereiste van onlosmakelijke samenhang echter niet altijd eenvoudig gevonden. Met regelmaat komt in de rechtspraak dan ook de vraag aan de orde in hoeverre activiteiten wel of niet onlosmakelijk zijn. De geboden faseringsregeling is bovendien procedureel complex en beperkt alsnog de vrijheid van de aanvrager om een vergunning voor onlosmakelijke activiteiten in meer dan twee fasen te verkrijgen. Daarom werd, ondanks de faseringsregeling, een gebrek aan flexibiliteit ervaren. Deels wordt hie raan tegemoetgekomen met een wijziging van de Wabo waarmee de mogelijkheid wordt geboden om de omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan los en vooruitlopend op een bouwactiviteit te kunnen aanvragen. Nu met de Omgevingswet meer vergunningplichtige activiteiten aan het stelsel van de omgevingsvergunning worden toegevoegd, wordt het aantal combinaties van onlosmakelijke activiteiten dat zich kan voordoen alleen maar groter. Hierdoor zou de regeling bewerkelijker worden, de flexibiliteit minder en de praktische toepassing ingewikkelder.

Vandaar dat het vereiste van onlosmakelijk samenhang niet wordt overgenomen in de Omgevingswet. Een andere dimensie aan vergunningverlening onder de Omgevingswet is dat gemeenten de mogelijkheid krijgen om in het omgevingsplan zelf vergunningplichten in het leven te roepen. De grondslag hiervoor zal via de Invoeringswet Omgevingswet in de Omgevingswet worden opgenomen. De ge-

25

meente kan hiermee zelf bepalen of voor een bepaalde activiteit een vergunning nodig is. Eveneens in de Invoeringswet zal geregeld worden dat de vergunningplicht voor bouwactiviteiten gesplitst worden in een vergunning met het oog op technische regels voor een bouwwerk en een vergunning met het oog op de regels van het omgevingsplan. Situatie Harderwijk De gemeente Harderwijk heeft de taken ten aanzien van vergunningverlening en algemene regels grotendeels ondergebracht in het domein Ruimte. APV-vergunningverlening is ondergebracht bij Samenleving. De gemeentelijke vergunningverleners beschikken allen over minimaal HBO werk- en denkniveau. De milieuvergunningverlening ligt bij de Omgevingsdienst Noord-Veluwe (ODNV). De samenwerking met de ODNV wordt door beide partijen als goed ervaren. De ODNV heeft geen opdracht en daarmee geen uren om zich voor te bereiden op de Omgevingswet. ODNV moet opdracht en budget krijgen om zich op de Omgevingswet voor te bereiden en ook mee te denken in het i mplementatieproces binnen de gemeente. De feitelijke proceduretermijnen bij vergunningverlening zijn niet inzichtelijk te maken. Wel is te achterhalen binnen welke termijnen de vergunningen in de afgelopen jaren zijn verleend. De cijfers die dit oplevert zeggen echter weinig over de mate waarin termijnen worden gehaald.

In deze cijfers zijn namelijk zowel de reguliere als uitgebreide procedure opgenomen. Daarnaast blijkt hieruit niet welke termijnen verdaagd zijn en hoe lang de opschortende termijn(en) tijdens de procedure zijn geweest. De gemeente zet de laatste jaren vooral in op het proces van vooroverleg voorafgaand aan een formele aanvraag. De ervaring is dat bij aanvragen waarbij vooroverleg is gepleegd de doorlooptijden korter zijn. Verder is de ervaring dat aanvragers hun aanvraag zo minimaal mogelijk indienen en vervolgens afwachten met welk aanvullingsverzoek de gemeente komt. In veel gevallen is het nodig om aanvullende gegevens te vragen. Het algemene beeld is dat de wettelijke termijnen worden gehaald. Als de doorlooptijden lang zijn is daar een oorzaak voor aan te wijzen, die veelal buiten de gemeente ligt. De ODNV handelt 80% van de vergunningprocedures binnen de wettelijke termijn af. In geval van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets gaat het zelfs om 86% van de gevallen die binnen de termijn worden afgehandeld. Opgemerkt moet worden dat het hier de adviezen van de ODNV betreft welke binnen de termijn plaatsvinden. De afhandeling van de procedure vindt plaats door de gemeente. Naast de afhandeling van het milieudeel van omgevingsvergunningen adviseert de ODNV ook als het gaat om milieuaspecten (bodem, geluid) bij het verlenen van de overige omgevingsvergunningen.

De wens om te versnellen zit meer op de RO procedures en minder op vergunningen. Analyse De gemeentelijke vergunningverlening voor het domein fysieke leefomgeving is al volledig ondergebracht in het Domein Ruimte. Uitzonderingen hierop zijn het onderdeel APV/bijzondere wetten dat bij Samenleving is ondergebracht en vergunningen met betrekking tot riool, inrit, kap en telecom die bij Stadsbedrijf zijn ondergebracht. Dat geeft korte lijnen en goede mogelijkheden om de vergunningverlening integraal op te pakken. Ook de afstemming met de ODNV verloopt goed. Aandachtspunt in het kader van vergunningverlening is dat de termijnen waarbinnen vergunningen worden verleend onvoldoende inzichtelijk zijn (doorlooptijd vs. wettelijke termijnen). Het verdient aanbeveling dit nader te verkennen, mede omdat onder de Omgevingswet weliswaar minder vergunningen verleend hoeven worden, maar wel vaker de reguliere in plaats van de uitgebreide procedure op basis van de Algemene wet bestuursrecht zal gelden. Ook de afstemming met het waterschap (in geval van s amenloop met omgevingsvergunning voor water) en externe adviseurs zoals de brandweer, GGD

26

(nieuw als partner vanwege de raakvlakken fysieke leefomgeving en gezondheid en de weigeringsgrond vanwege gezondheidsrisico’s die met de Omgevingswet wordt geïntroduceerd) en de externe constructeur vragen om aandacht. In de op te stellen omgevingsvisie en vervolgens in het omgevingsplan zal de gemeente moeten bepalen hoe zij om wil gaan met de mogelijkheid van binne nplanse vergunningplichten in het omgevingsplan. Dit hangt samen met de vraag in hoeverre in het omgevingsplan met open normen gewerkt gaat worden.

5.6

Toezicht en handhaving

Huidig kader Voor toezicht en handhaving geldt hetzelfde kader als voor vergunningverlening en algemene regels. Zie hiervoor paragraaf 5.5. Toezicht en handhaving en de Omgevingswet Het hoofdstuk handhaving van de Omgevingswet (18) is grotendeels ontleend aan de huidige bepalingen over handhaving in de Wabo. In hoofdstuk 18 zal bij de invoering van de wet ook de wet VTHtaken (kwaliteitscriteria) een plek krijgen. De Wet VTH-taken betreft een wijziging van de Wabo die in april 2016 in werking is getreden. Naast de Wet VTH taken speelt nog de mogelijke privatisering van kwaliteitsborging. De memorie van toelichting bij hoofdstuk 18 meldt ten aanzien van private borging van regelnaleving dat dit in combinatie met daarop afgestemd overheidstoezicht kunnen worden ingezet waar dit mogelijk en verantwoord is. De Omgevingswet maakt het vanwege minder vergunningen en meer a lgemene regels noodzakelijk na te denken over handhaving en de manier waarop de gemeente toezicht en handhaving vormgeeft. Situatie Harderwijk De gemeente beschikt over een in 2014 vastgesteld handhavingsbeleid dat een looptijd heeft tot en met 2018. Het handhavingsbeleid heeft de titel ‘Vertrouwen waar het kan, handhaven waar het moet’. De uitgangspunten van het handhavingsbeleid sluiten goed aan bij het gedachtegoed achter de Omgevingswet.

Met name gaat het dan om de volgende uitgangspunten:  De gemeentelijke organisatie wil een professionele handhavingsorganisatie zijn met goed opgeleide medewerkers die een eenduidige werkwijze hebben. De nadruk ligt op preventie, gedragsbeïnvloeding en het neerleggen van verantwoordelijkheden waar deze horen te liggen.  De medewerkers stellen zich actief op door te vertellen welke regels er zijn en welk doel deze regels hebben.  Wij gaan ervan uit dat inwoners eerst elkaar op hun gedrag aanspreken en dat ondernemers open communiceren over hun bedrijfsvoering. Ieder kent en neemt zijn verantwoordelijkheid.  Er is vertrouwen in elkaar en goed naleefgedrag leidt tot verminderd toezicht. Bij het schaden van dit vertrouwen treedt de gemeente daadkrachtig op.  Toezicht, controle en handhaving is geen doel maar een middel om onze bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid te nemen: ‘Vertrouwen waar het kan, handhaven waar het moet.’ Toezicht en handhaving is ondergebracht bij de ODNV voor wat betreft de milieutaken. De overige toezichts- en handhavingstaken voor de fysieke leefomgeving zijn ondergebracht bij het domein Ruimte, Bijzondere wetten en het toezicht op de openbare ruimte bij BOA’s.

Aandachtspunt is dat bij het toezicht (muv het milieudomein, bouwen en gebruik) sprake is van een piepsysteem waarbij uitsluitend op basis van klachten of verzoeken van collega’s toezicht plaatsvindt. Dit laatste is ondergebracht bij het team stadstoezicht van het Stadsbedrijf. Vanuit het domein Ruimte ligt het toezicht accent op bouwen en gebruik (bestemmingsplannen). Handhaving van de APV is onderge-

27

bracht bij stadstoezicht. De diverse gemeentelijke toezichthouders, ODNV, brandweer en politie hebben een structureel wekelijks overleg. De samenwerking wordt als goed ervaren, men weet elkaar snel te vinden indien nodig. De toezichthouders functioneren op HBO, respectievelijk MBO+ niveau. De beleidsmedewerkers en juridisch medewerkers allen minimaal op HBO-niveau. De bij de gemeente achtergebleven taken voldoen alleen door samenwerking met andere partijen aan de kwaliteitscriteria. De gemeente zit hier wat afwachtend in vanwege de relatie met het wetsvoorstel kwaliteitsborging voor het bouwen (WKB). De gevolgen van het wetsvoorstel WKB zijn nog slechts globaal in beeld gebracht. De gemeente maakt gebruik van BWT4All en Corsa en verder wordt gewerkt met excel en een mapstructuur binnen Windows Verkenner. Analyse Uitgangspunt van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk algemene regels te stellen waardoor het aanvragen en verlenen van omgevingsvergunningen minder vaak nodig is. Ook het aantal gevallen waarin een melding ingediend moet worden zal mogelijk afnemen. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop toezicht en handhaving door de gemeente en de ODNV wordt uitgevoerd. Meer algemene regels vraagt wel meer van de toezichthouders/handhavers dan de situatie met meer vergunningen.

Met name zal de toezichthouder in staat moeten zijn om de invulling door de initiatiefnemer van doelvoorschriften te beoordelen. Bereikt de initiatiefnemer/ondernemer met de ingezette middelen het beoogde doel? Daarnaast is de verwachting dat toezicht integraler zal worden. Aandacht is nodig voor de handhaafbaarheid van de breed gestelde regels. Dit betekent dat de toezichthouder integraler moe t kunnen werken en denken. De toezichthouder dient voldoende kennis van de vakgebieden binnen de fysieke leefomgeving te hebben. Daarnaast dient hij/zij competenties te hebben die passen bij een andere wijze van werken die de Omgevingswet met zich meebrengt. Samengevat stelt een goede uitvoering van de Omgevingswet andere en zwaardere eisen aan de toezichthouder en vraagt de wet deels om andere competenties. Er treedt een verschuiving op van vergunningverlening naar toezicht en handhaving. Dit leidt zeker tot een verschuiving van vergunningverlening naar enerzijds de planvorming (het omgevingsplan) en anderzijds toezicht en handhaving. Op basis van de nu beschikbare informatie is nog niet te duiden wat de exacte verschuiving zal zijn en of aanpassing van de beschikbare capaciteit noodzakelijk zal zijn. De private bouwplantoetsing en meer algemene regels leiden ertoe dat de gemeente minder gegevens ontvangt bij bouwplannen en vestiging van bedrijven.

Wil de gemeente dit wel goed in beeld houden, vanwege de borging van een gezonde en veilige leefomgeving, maar ook vanwege zaken als OZB en BAG dan zal een andere wijze van toezicht ingezet moeten worden. Daarbij kan gedacht worden aan een meer gebieds/wijkgerichte of themagewijze manier van werken. Integraal en/of meer gebiedsgericht werken gebeurt in Harderwijk momenteel nog beperkt. Tenslotte moet voor het hele domein voldaan worden aan de kwaliteitscriteria op basis van de Wet VTH-taken.

5.7

Dienstverlening

Huidig kader Het belangrijkste doel van overheidscommunicatie is te voldoen aan het recht van de burger op i nformatie van de overheid. Dit recht ligt vast in de Grondwet en de Wet Openbaarheid van Bestuur. De overheid moet deze informatie actief openbaar maken. Ook hebben burgers recht op communicatie door en met de overheid. Burgers kunnen informatie vragen van de overheid, meedenken, hun mening geven of een klacht uiten. Het is belangrijk dat zij de overheid eenvoudig kunnen benaderen voor informatie. Dit betekent dat de overheid informatie geeft over de werking van de overheid en de

28

besluitvormingsprocessen, nieuw beleid aankondigt en uitlegt en burgers betrekt in verschillende fasen van het proces van beleidsvorming. De Algemene wet bestuursrecht stelt kaders hoe een besluit moet worden voorbereid, hoe het moet worden bekendgemaakt en binnen welke termijnen besluiten moeten worden genomen. Op basis van sommige bijzondere wetten gelden extra bepalingen. Gemeenten doen daar in zijn algemeenheid nog een schepje bovenop door in hun inspraakverordening, voordat zij een besluit in concept opstellen, inspraak verplicht te stellen. Met betrekking tot de fysieke leefomgeving kennen de verschillende bijzondere wetten als de Wabo, de Wro, de Monumentenwet, etc. specifieke voo rschriften om er voor te zorgen dat alle belangen goed bekend zijn bij het bevoegd gezag en deze ten behoeve van besluitvorming integraal kunnen worden afgewogen. Daarnaast is overleg bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen via bijvoorbeeld klankbordgroepen ‘gebakken’ in de wijze waarop projecten worden voorbereid. Vaak is vooroverleg en consultatie over beleidsvorming een beschreven onderdeel van projectmatig werken, soms in de vorm van een communicatieplan. Dienstverlening en de Omgevingswet De Omgevingswet is sterk gericht op dienstverlening. Een van de belangrijkste principes is vertro uwen.

Dat betekent onder andere dat de burger er op moet kunnen vertrouwen dat zijn belang wordt meegenomen in de integrale afweging om te komen tot een besluit. Besluitvorming onder de Omgevingswet moet net zo zorgvuldig als onder het huidige stelsel. Dienstverlening raakt verder sterk aan de verbeterdoelen van de Omgevingswet: voorspelbare besluitvorming, snellere en betere beslui tvorming en integraliteit. De Omgevingswet streeft na om het makkelijker en inzichtelijker te maken voor de burger: de burger moet met één muisklik kunnen zien welke publiekrechtelijke regelingen op zijn perceel van toepassing zijn. Die transparantie geeft hem meer en gemakkelijker mogelijkheden om zijn belang daarin te herkennen en kenbaar te maken.

Vier verbeterdoelen van de Omgevingswet

29

Situatie Harderwijk Cultuurverandering De gemeente heeft bij de organisatieverandering in 2015 vooral aandacht gehad voor de structuurverandering en heeft geen separaat cultuurtraject uitgevoerd. Daar wordt sinds eind 2016 wel vol op ingezet. Het directieteam van Harderwijk heeft daarvoor een kader ontwikkeld, met een routekaart en mensen in de organisatie verantwoordelijk gemaakt voor de uitvoering daarvan. De ambitie is een geheel nieuwe manier van werken en andere rol van de overheid. Zij wil meer ‘denken vanuit kansen en mogelijkheden’ en de burger faciliteren bij initiatieven. Belangrijk element binnen die cultuuro mslag is om elkaar aan te spreken op ieders rol en verantwoordelijkheid. Rolvastheid wordt regelmatig als een probleem ervaren, al begint dat bij het duidelijk definiëren van de rollen. De cultuuromslag bouwt voort op een eerder ingezette koers om medewerkers meer zelfstandigheid te geven. Het volledig zelfstandig laten werken is, in ieder geval binnen het Domein Ruimte, niet goed uit de verf gekomen. Voor een deel ligt dat aan de mensen die soms minder zelfstandig zijn dan gedacht. Voor een ander deel heeft dat te maken met het feit dat de medewerkers zich niet vrij voelden om zelfstandig te handelen. Dit kwam vooral aan het licht bij incidenten. Leidinggevenden grepen dan in en bepaalden de koers hoe te handelen.

De veranderoperatie staat op gespannen voet met de erv aren werkdruk. Er is veel werk onderhanden en met zorg wordt gekeken hoe de verschillende veranderprogramma’s die veel tijd vragen vorm en inhoud moeten krijgen. De organisatie heeft daar overigens wel aandacht voor. Zo is binnen het domein Ruimte de functie van teamleider geïntroduceerd die meer aandacht voor de mens en de kwantiteit en kwaliteit van de werkvoorraad moet hebben. Ook wordt sinds kort gewerkt met zogenaamde focusteams. Hierdoor is er meer aandacht voor de verbindingen tussen vakdisciplines en kijkt men meer over de eigen grenzen van het vakgebied heen. Het besef dat er een cultuuromslag nodig is leeft breed in de organisatie, al ziet men wel in dat de weg naar een andere cultuur lang is en alleen geleidelijk zal kunnen gaan. Onderkend wordt ook da t over begrippen als regiegemeente en faciliterende overheid ook andere beelden bestaan bij betro kkenen. Belangrijk is dat daarover vanuit een heldere en goed geformuleerde visie duidelijkheid wordt gegeven. De cultuuromslag vraagt om ander gedrag. Sinds begin 2017 faciliteert de Harderwijk Academie de organisatie bij leren en ontwikkelen, waarbij houding en gedrag centraal staan. De Harderwijk Academie ondersteunt mede bij het ontwikkelen van het gewenste gedrag.

De komst van de Omgevingswet wordt als een katalysator gezien om binnen het Domein Ruimte de aandacht voor cultuurverandering concreet vorm te geven. De verandering wordt vormgegeven va nuit een visie op dienstverlening. Begin 2016 is daarvoor een koers ingezet en is budget vrijgemaakt. Onderstaande plaatje is een uitsnede van het overzicht van ‘De visie op dienstverlening van Harderwijk’.

30

Visie op dienstverlening Harderwijk

Dienstverlening aan de burger Bij grote strategische plannen binnen het ruimtelijk domein faciliteert de gemeente veel in inspraaken informatieavonden. Deze avonden worden matig en vaak door dezelfde mensen bezocht. Het normenkader dat de gemeente hanteert bij de ontwikkeling van plannen is niet altijd helder. Voor burgers en aanvragers van vergunningen is het daarom niet altijd voorspelbaar of iets mogelijk is en waarom het niet of wel mogelijk is. De wijkbeheerder speelt bij de voorbereiding van een vergunningverlening en de uitvoering van beleid een steeds nadrukkelijker rol. Zo schouwt hij of conform de voorwaarden de vergunning is nageleefd en of er schade is vast te stellen. Van de burger wordt steeds meer gevraagd. Grote professionele partijen kunnen dat prima aan. Zij huren daarvoor een adviesbureau in. Bijvoorbeeld bij evenementen zijn veel organisatoren vrijwilligers die het evenement erbij organiseren. Voor hen is dat soms moeilijk en zij vragen de gemeente om hulp en faciliteiten. De gevraagde ondersteuning kan de gemeente op dit moment maar beperkt leveren. Het is de bedoeling dat de burger/aanvrager veel beter inzicht krijgt in het behandelproces van zijn zaak. De gemeente Harderwijk gaat daarvoor over op het Liber-zaaksysteem. Analyse Dienstverlening heeft absoluut de aandacht van bestuur, management en ambtenaren. Men beseft dat het anders moet, anders kan.

Daarvoor wordt sterk ingezet op een verandering van cultuur: ander gedrag en ontwikkeling van vaardigheden. Deze wil om te veranderen is niet direct ingegeven door de komst van de Omgevingswet, maar kent een eigen dynamiek. De verandering wordt getrokken door de gemeentesecretaris, die daarvoor een eigen programma heeft ontwikkeld. Het programma is vooral intern gericht, daar waar de Ow ook een grote verandering van de samen-

leving vraagt. Geconstateerd is dat het programma die moet leiden tot de gewenste verandering niet is afgestemd met doelen van de Omgevingswet. Het lijkt ons opportuun en essentieel om dat wel te doen, zeker omdat het uitrollen van het programma ook nog aan het begin staat. Belangrijk speerpunt zou kunnen zijn om de stijl van leiding geven/besturen meer in overeenstemming te brengen de wil om een andere betrokkenheid van burger. Weliswaar verschilt het per onderwerp, maar vaak hanteert het bestuur bij beleidsontwikkeling nu nog een participatieve stijl. Dan

31

kun je niet anders verwachten dan dat de burger zich opstelt als adviseur. Wil je de burger meer mee laten beslissen of wil je samenwerken dan zal de stijl van besturen daarop moeten worden veranderd.

5.8

Informatievoorziening

Huidig kader De informatievoorziening van een organisatie is het integrale architectuurconcept van mensen, mi ddelen en maatregelen, gericht op het voldoen aan de informatiebehoefte van die organisatie. Op dit moment is in het omgevingsrecht sprake van informatie die op diverse plaatsen en via verschillende lokketten benaderbaar is. Er is weinig samenhang en geen eenduidigheid in de wijze waarop een en ander georganiseerd is. Gegevens zijn niet altijd beschikbaar, bruikbaar en bestendig. In de navo lgende afbeelding is het verschil tussen de situatie nu en het eindbeeld onder de Omgevingswet (in 2024 als het digitaal stelsel geheel gereed is) weergegeven.

32

2019

Digitaal Stelsel Omgevingswet

Informatievoorziening en de Omgevingswet De informatievoorziening wordt sterk geraakt door de Omgevingswet. Om de Omgevingswet uit te kunnen voeren is een goede digitale ondersteuning noodzakelijk. Om deze reden werkt de rijksove rheid samen met de andere overheden aan het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Dit heeft conseque nties voor de processen en dus voor de informatiebehoefte van deze processen. Bestaande voorzieningen als OLO, AIM en Ruimtelijke Plannen worden (deels) vervangen door het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Bovendien levert het DSO, faciliterend aan de omgevingswet, additionele ondersteuning (data en functionaliteit) aan gemeenten en gebruikers. De informatiearchitectuur die nodig is voor het ondersteunen van de processen t.b.v. de Omgevingswet zal forse wijzigingen o ndergaan. Dit zal op termijn leiden tot de implementatie van nieuwe standaarden, aansluiten op nieuwe voorzieningen en inpassen van nieuwe systemen. Voor veel bedrijfsprocessen binnen de omgevingswet biedt zaakgericht werken toegevoegde waarde. De ambitie van de Omgevingswet is dat zowel de initiatiefnemer, de belanghebbende als het bevoegd gezag een gelijkwaardige informatiepositie krijgen.

In 2024 zijn alle relevante beschikbare informatie zowel over de van toepassing zijnde wet- en regelgeving als de gegevens over de fysieke omgevingskwaliteit ter plaatse, met één klik op de kaart beschikbaar en begrijpelijk te tonen. Tenslotte is de gemeente bronhouder van een aantal belangrijke basisregistraties zoals de Basisr egistratie Adressen en Gebouwen (BAG) en WOZ. Daarmee is de gemeente verantwoordelijk voor de juistheid, actualiteit en volledigheid van de basisgegevens. De gemeentelijke beheerders zijn hierbij nog sterk afhankelijk van vergunningverlening. Nu als gevolg van de Omgevingswet het aantal ve rgunningsvrije gebouwen zal toenemen, is de beheerder voor zijn taak aangewezen op andere instrumenten om de gegevens in de basisregistraties actueel te houden. De gevolgen van de Omgevingswet zijn landelijk (door VNG/KING) verkend in het project Verkenning Informatievoorziening Omgevingswet (VIVO Gemeenten). Deze rapportage is in juni 2016 openbaar geworden. Provincies en waterschappen hebben een vergelijkbaar traject doorgelopen. Project VIVO Gemeenten kent aanbevelingen zowel voor het landelijke niveau (het programma Digitaal Stelsel Omgevingswet), voor collectief gemeentelijke projecten als aanbevelingen die relevant zijn voor individuele gemeenten. Uit VIVO blijkt dat bij gemeenten veel draagvlak bestaat voor een collectieve aanpak.

Uit het sociaal domein is geleerd dat actief gestreefd moet worden naar standaardisatie op procesniveau.

33

De Omgevingswet wordt gezien als een ‘driver’ voor ontwikkelingen waar gemeenten al mee bezig zijn. Het gaat dan om zaken als participatie, ontschotting, zaakgericht werken, ketensamenwerking, sta ndaardisatie en opschaling en hergebruik. Een belangrijke aanbeveling is om te zorgen dat de bedrijfsprocessen vanaf 2018 digitaal en zaakgericht uitgevoerd kunnen worden. Vanuit VNG/KING worden ook de softwareleveranciers geïnformeerd en betrokken in verband met de noodzakelijke aanpassing van relevante gemeentelijke applicaties. Op dit moment zijn er twee trajecten die gemeenten ondersteunen als vervolg op VIVO: de interbestuurlijke uitvoering informatievoorziening (UIVO-I) en de collectief gemeentelijke (UIVO-CG). Onder UIVO-I (Uitvoering InformatieVoorziening Omgevingswet-Interbestuurlijk) vallen onderwerpen die nauw samenhangen met de invoering van de Omgevingswet, zoals zaakgericht werken in de keten, samenwerkingsruimte, ketenprocessen, Product- en Diensten Catalogus, archivering. Met de onderwerpen die interbestuurlijk zijn werken de overheden samen. Via UIVO-CG (Collectief Gemeenten) onderzoekt VNG/King wat ze collectief voor gemeenten kunnen organiseren. Situatie Harderwijk Voor informatievoorziening en ICT werkt de gemeente Harderwijk samen met de gemeenten Zeewolde en Ermelo in het samenwerkingsverband ‘Meerinzicht’.

De gemeenten beschikken over een gezamenlijk informatiebeleid 2017 – 2021. De Omgevingswet komt in dit informatiebeleid al nadrukkelijk aan de orde, zowel uit het oogpunt van informatievoorziening als vanuit dienstverlening. Het informatiebeleid 2017 – 2021 verwoordt de impact van de Omgevingswet als volgt:  grote eisen aan, effecten op informatievoorziening qua architectuur, processen, rollen en ICT;  sterke interactie met zowel andere organisaties, individuele burgers, wijkcomités enz.;  niet onderschatten van wat op niveau van inrichting van organisatie en informati evoorziening gedaan moet worden;  integraliteit staat voorop, niet meer het vakgebied. Van buiten naar binnen i.p.v. andersom;  beleidsmatig goed nadenken wat koers is op ruimtelijk gebied;  vergelijkbaar met sociaal domein qua type uitdaging, niet in transitie wel in transformatie. Harderwijk maakt gebruik van diverse applicaties van Centric en van andere leveranciers. Applic aties die gebruikt worden zijn: Dezta Suite (Roxit), Corsa, Geoweb, ESRI, BRIS warenhuis en BWT4All. Voor vergunningverlening wordt geen specifiek pakket gebruikt, de gemeente gebruikt de teksten van Infomil en BWT4All. Daarnaast wordt ook gebruik gemaakt van excellbestanden en (bij vergunningverlening) een mappenstructuur in Windows verkenner en Google for Business. De werkvoorraad wordt op diverse wijzen bewaakt.

De gemeente werkt sinds 1 jaar papierloos. Papieren versies worden wel bewaard en gearchiveerd. Invoering van zaaksysteem Liber per voorjaar 2017 moet een volgende verbeterslag opleveren. Ook bij de systemen voor Beheer Openbare Ruimte is een harmonisatietraject doorlopen: GISIB. Meerinzicht heeft een taakstelling om te bezuinigen meegekregen. Applicaties harmoniseren is een middel daarvoor. Meerinzicht biedt ook basis om gezamenlijk aan te sluiten op het DSO. De wens is om zoveel mogelijk gezamenlijk op te pakken. Er is nog geen contact met de leveranciers over de Omgevingswet geweest. De gemeente heeft nog geen budget vrijgemaakt voor de aanpassing van de informatievoorziening aan de Omgevingswet. De Omgevingsdienst Noord Veluwe maakt gebruik van Squit XO en van de (milieu)voorschriften op de website van Infomil. De ODNV beschikt niet over een specifiek voorschriftenpakket voor het opstellen van de vergunningen. Voor de ODNV treedt de gemeente Nunspeet op als gastheer voor ICT. Informatie-uitwisseling met ketenpartners vindt nog grotendeels plaats per mail.

34

Analyse De gemeente Harderwijk werkt voor ICT samen in Meerinzicht verband. De Omgevingswet is binnen Meerinzicht goed in beeld als het gaat om ICT en informatievoorziening. De ontwikkelingen worden gevolgd. De bedoeling is dat Meerinzicht leidt tot harmonisatie van applicaties van de drie gemeenten waardoor tevens een besparing zal worden bereikt. Invoering van de Omgevingswet zal vragen om een nog nader te bepalen investering in de aanpassing van systemen of het aanpassen van bestaande applicaties. Zaakgericht werken wordt ingevoerd in het voorjaar van 2017. Duidelijk is al wel dat er voor de gemeente Harderwijk nog een deel van de informatievoorziening overblijft dat niet in het DSO wordt geboden en Meerinzicht zal moeten invullen. Zo zal de gemeente moeten beschikken over de benodigde basisvoorzieningen voor e-overheid zoals aansluiting op de berichtenbox, koppeling met landelijke voorzieningen en basisregistraties en het ondersteunen van digitale identificatiemogelijkheden. Waarschijnlijk kan de gemeente een gro ot deel van haar behoeften afdekken met wat er binnen DSO wordt ontwikkeld. Voor de rest moeten eigen voorzieningen, waarbij vanwege de randvoorwaarden (bijvoorbeeld eisen aan compliancy op standaarden) timing essentieel is. De verwachting is dat medio 2017 een nadere detaillering en tijdfasering wordt aangegeven vanuit VNG/King.

Belangrijke vragen in de voorbereiding op het Digitaal Stelsel Omgevingswet zijn welke taken door de Omgevingsdienst uitgevoerd worden en welke i nformatie-uitwisseling met de gemeente daarbij hoort. Ditzelfde geldt voor de informatie-uitwisseling met ketenpartners. Ook dient gekeken worden of de basisregistraties de benodigde kwaliteit hebben. Het informatiebeleid heeft een looptijd van 2017 – 2021 terwijl het Digitaal Stelsel Omgevingswet vanaf 2024 volledig operationeel zal zijn. Gaandeweg 2017 kan overwogen worden of het zinvol is om het informatiebeleid (in ieder geval voor wat betreft de fysieke leefomgeving) uit te breiden tot 2024 zodat de scope van het DSO volledig gedekt kan worden. Tenslotte is het vrijmaken van voldoende financiële middelen voor Meerinzicht om de Omgevingswet te implementeren noodzakelijk.

5.9

Financiën

Landelijk kader De Omgevingswet heeft ook in financiële zin consequenties voor de gemeente Harderwijk. De Omgevingswet brengt enerzijds kosten voor de implementatie met zich mee, anderzijds zijn baten te verwachten wanneer de Omgevingswet eenmaal is ingevoerd. VNG, IPO, UVW en de minister van Infrastructuur en Milieu hebben op 21 april 2016 een financieel akkoord gesloten over de invoering van de Omgevingswet. Een belangrijk onderdeel van het akkoord is dat de te behalen baten voor gemeenten niet worden afgeroomd door uitname uit het gemeentefonds. Een ander belangrijk o nderdeel van het akkoord is dat alle partijen zelf verantwoordelijk zijn voor de invoeringskosten in de eigen organisatie, zoals het volgen van opleidingen, organisatie- en cultuurveranderings-trajecten en aansluiting van eigen digitale voorzieningen op het landelijke digitale stelsel. De hoofdlijnen van het akkoord zijn als volgt:  De eenmalige investeringskosten voor de bouw van het digitale stelsel, het in te richten i nformatiepunt en de invoeringsondersteuning worden betaald door het Rijk.  De besparingen door de invoering van de Omgevingswet komen ten gunste van ieder van de betrokken partijen. Het Rijk zal niet afromen door uitnamen uit het gemeentefonds.

 Gemeenten gaan meebetalen aan de structurele uitvoeringskosten van het digitale stelsel en een centraal informatiepunt over de Omgevingswet voor overheden. De jaarlijkse onderhoudskosten worden door alle partijen gedragen volgens een verdeelsleutel op basis van de

35

 

huidige werklast in het fysieke domein: 19 % Rijk, 70 % gemeenten, 6 % provincies, 5 % waterschappen. Om de kosten beheersbaar te houden, is een maximumbedrag afgesproken voor het digitaal stelsel. Dit bedrag is afhankelijk van de ambitie. Bij de keuze voor het huidige niveau voor digitale dienstverlening is dat voor alle gemeenten gezamenlijk maximaal 18 miljoen euro per jaar. Bij keuze voor een uitgebreid digitaal stelsel dat overheden ontzorgt bij de uitvoering van de Omgevingswet is dat voor gemeenten maximaal 40 miljoen euro per jaar. Voor de kostenbeheersing is afgesproken dat de koepels samen met het Rijk businesscases maken en duidelijke go/no go-momenten worden ingebouwd voor de uitvoeringsstappen van het digitale stelsel. Alle partijen zijn zelf verantwoordelijk voor de eigen invoeringskosten (transitiekosten in het akkoord), zoals het volgen van opleidingen, organisatie- en cultuurveranderings-trajecten en aansluiting van eigen digitale voorzieningen op het landelijke digitale stelsel. Er komt een onderzoek naar de wijze waarop het fysieke domein in de toekomst kan worden gefinancierd en naar alternatieve financieringsmogelijkheden voor het fysieke domein. Daarin worden ook de gevolgen van de verschuiving naar minder vergunningverlening en meer toezicht en handhaving onder de Crisis- en herstelwet bekeken.

Dit is belangrijk voor gemeenten omdat zij door deze verschuiving minder legesinkomsten ontvangen maar wel meer kosten maken voor toezicht en handhaving. Gemeenten krijgen voldoende mogelijkheden om kosten van publieke voorzieningen te verhalen bij plankostenprocedures. Ook is afgesproken om de bestaande gemeentelijke mogelijkheden tot kostenverhaal bij grondexploitatie in de AMvB’s op te nemen.

Situatie Harderwijk In de Kadernota 2017 – 2020 heeft de gemeente een bedrag van € 75.000 in 2017 en € 50.000 in 2018 opgenomen voor implementatie van de Omgevingswet. Voor de kadernota 2018-2021 zijn aanvullend middelen aangevraagd tot een totaal van € 295.000 in de komende drie jaar. Daarnaast zijn interne uren beschikbaar. Ook is er een structureel budget van € 50.000 per jaar voor actualisering van bestemmingsplannen. Overige kosten lopen via Grex bestemmingsplannen (uren=algemene dienst). Overige plannen worden gefinancierd uit GREX of kostenverhaal. Op het moment dat er een principeovereenkomst ligt vinden geen activiteiten meer plaats tot er een vergoeding op basis van anterieure overeenkomst ligt(uren al dan niet algemene dienst). Naar aanleiding van de impactanalyse en de visie van de gemeente ten aanzien van de invoering van de Omgevingswet wordt er een implementatieplan geschreven. In dat implementatieplan zal worden ingegaan op welke stappen ondernomen moeten worden om te komen tot een goede invoering van de Omgevingswet. Het gaat dan vooral om organisatie, capaciteit, financiën en planning. Het streven is om medio 2017 een implementatieplan te hebben. Overigens moet opgemerkt worden dat het op te stellen implementatieplan geen statisch document zal zijn.

Onderdeel van het implementatieplan zal een monitoring, regelmatige voortgangsrapportages en een periodieke bijstelling van het impleme ntatieplan zijn. De Omgevingswet is nog volop in ontwikkeling zodat periodieke bijstelling op basis van nieuwe informatie en voortschrijdende inzichten noodzakelijk zal zijn. Analyse Op basis van wat op dit moment bekend is over de Omgevingswet is het moeilijk om een goed beeld te vormen van het benodigde budget voor implementatie van de Omgevingswet. Om een handvat te bieden voor de voorjaarsnota 2017 van gemeenten zal VNG begin februari met een financieel model (een rekentool) komen, waarmee aan de hand van een aantal kentallen en aansluitend bij de gemeentebegroting een berekening kan worden gemaakt van zowel de benodigde investeringen als de exploitatielasten tot 2024 (het jaar dat het stelsel volledig in werking is).

36

6

Conclusies en aanbevelingen

6.1 

6.2 

6.3  

Cultuur Ontwikkel een programma voor verandering van cultuur (gedrag en vaardigheden) en integreer dat met het programma voor Cultuurverandering en de Harderwijk Academie. Belangrijke elementen daarin zijn:  Werk bewust aan het vertrouwen, het geven van meer verantwoordelijkheid aan de burger,  Ga meer uit van de initiatiefnemer en minder intern gericht. Een belangrijke verandering is om niet meer uit te gaan van eigen specialisme, maar vanuit de opgave en het gezamenlijke doel dat men wil nastreven (integraal werken); Ga met elkaar in gesprek om eenzelfde beeld van het begrip integraliteit te ontwikkelen.  Zorg voor een heldere verantwoordelijkheidsstructuur tussen cultuurverandering en de aan te stellen projectmanager Ow.  Zorg voor meer transparantie in het besluitvormingsproces en de afwegingen die daarbinnen worden gemaakt.

Persoonlijke ontwikkeling Besteed aandacht aan het gebruik van de ruimere mogelijkheden van bestuurlijke afwegingsruimte. Doe dit zowel met Raad en College als met ambtenaren. Belangrijk hierbij is om aandacht te hebben voor motivering en de kwaliteit die de medewerker in huis moet hebben om dat te kunnen formuleren. Stimuleer zowel individueel als hiërarchisch leiderschap. Individueel in de zin van hoe organiseer je je eigen werk, pak je je eigen verantwoordelijkheden en spreek je collega’s aan op hun taak en verantwoordelijkheid. Daarnaast hiërarchisch leiderschap door meer sturing op inhoud en coördinatie/prioritering op het onderhanden werk. De Harderwijk Academie kan hierbij faciliteren. Maak een opleidingsplan, met daarbij aandacht voor de meest wenselijke wijze van ople iden. Bij het opleiden gaat het zowel om competenties als om vakinhoudelijke aspecten van de Omgevingswet. Opleiding en training is zowel voor ambtenaren als voor bestuur en raad noodzakelijk. In 2018 moet ook de nieuwe raad goed meegenomen worden. Train de trainer is in het verleden bijvoorbeeld als minder succesvol ervaren.

Bestuur en organisatie Werk de gekozen veranderstrategie nader uit en bepaal hoe in deze veranderstrategie de externe focus samenleving, initiatiefnemers en ketenpartners nader vorm te geven). Neem College en Raad regelmatig mee in de voortgang van de implementatie en organiseer enkele werkateliers om College en Raad hun rol onder de Omgevingswet en de onderlinge afstemming verder te laten verkennen. Zorg ervoor dat alle betrokkenen, gemeente en initatiefnemers zich meer bewust zijn van de ureninzet en kosten. Wees zakelijk en duidelijk naar de initiatiefnemer door vooraf de uren in te schatten en duidelijke afspraken over de gemeentelijke inspanning maken met de initiatiefnemer. Volg nauwgezet de ICT ontwikkeling in het kader van de digitale stelsel, bijvoorbeeld door participatie in UIVO-CG en/of UIVO-I (vanuit Meerinzicht en vanuit de gemeente). Waarschijnlijk kan de gemeente een groot deel van de behoeften afdekken via het DSO. Overige voorzieningen kunnen getroffen worden op het moment dat de randvoorwaarden (bijvoor-

37

   

  

 

6.4 

  

6.5  

beeld eisen aan compliancy op standaarden) daarvoor duidelijk zijn. Voor implementatie van het DSO door Meerinzicht dienen middelen beschikbaar te worden gesteld. Ook de wijze van informatie-uitwisseling met de ketenpartners, bedrijven en burgers verdient aandacht. Stem af met de eigen samenwerkingsorganisaties (in ieder geval Meerinzicht, ODNV, de gemeenten Ermelo en Zeewolde, de provincie, het Waterschap, de Veiligheidsregio, en de GGD) over de doelen die in het kader van de implementatie van de Ow worden nagestreefd. Er moet opdracht worden verleend aan MIZ en ODNV om zichzelf voor te bereiden op de Ow, vooral in relatie tot hoe Harderwijk zich daarop voorbereid. Maak de implementatie van de Omgevingswet onderdeel van bestaande processen, zoals de PenC cyclus. Stel een projectmanager aan om het proces te bewaken en te fungeren als trekker en aanjager. Richt processen efficiënter en doelmatiger en in het licht van de doelen van de Ow in. Maak een duidelijker verschil in verantwoordelijkheden tussen inhoud en proces, bijvoorbeeld senioren dragen bij aan de kwaliteit van de inhoud van het werk en de teamleider voor het proces en de monitoring op het onderhanden werk. Breng de werkvoorraad goed in beeld zodat de (ervaren) werkdruk ook beter in beeld komt en hierop actie kan worden ondernomen.

Onderzoek de mogelijkheden om de doorlooptijden van de verschillende deelprocessen binnen het Omgevingsrecht te verkorten. Zorg voor een structurele, eenduidiger en integrale afstemming van verzoeken om afwijking of herziening bestemmingsplan (incl. Legalisatieonderzoeken ihkv toezicht/handhaving), betrek hierbij de huidige WKI en WGB, door instellen van regie (of omgevings)kamer. Zorg ervoor als organisatie dat er voldoende capaciteit is om de implementatie van de Ow, lees de activiteiten van de routekaart, te kunnen uitvoeren. Stel een controller ‘integraal werken’ aan die tot taak heeft om het integraal werken te bevorderen, beleg dit bij concerncontrol.

Dienstverlening Ga als gemeente in gesprek met de bevolking over de rol van de gemeente en de rol van initiatiefnemers en belanghebbenden in de integrale afweging en de wijze waarop de gemeente hen kan faciliteren. Zet het traject deregulering intensief en concreet door. Voer omgevingscoaches in die dienstverlenend aan de voorkant van een formeel proces initiatiefnemers faciliteren bij het vormgeven van hun plannen. Zorg voor transparantere informatieverstrekking aan de voorkant van het proces zodat de initiatiefnemer en de ambtenaar over dezelfde informatie beschikken. Dit sluit aan bij de doelstellingen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Maak om dit te bereiken gebruik van de faciliteiten die het DSO biedt.

Toezicht en handhaving Verken nader welke eisen en competenties de omgevingswet stelt aan toezichthouders/handhavers en zet in op het opleiden en trainen van deze medewerkers. Zorg voor doorontwikkeling van integraal handhaven. De capaciteit verschuift gedeeltelijk van vergunningverlening naar planvorming en naar toezicht en handhaving. Meer vergunningvrije situaties betekent dat de gemeente minder gegevens beschikbaar krijgt. Dit vraagt om een andere en slimme manier van toezicht, gebiedsgericht en met gebruikmaking van in andere bronnen beschikbare gegevens.

38

6.6 

 

  

 

Harderwijk zal de gevolgen van de Wet VTH-taken en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen verder in kaart moeten brengen.

Instrumenten Begeleid meer aan de voorkant van het proces en voer naar het voorbeeld van wijkmanagement binnen het sociale domein, de Omgevingscoach in. Dit is een ambtenaar die de initiatiefnemer en zijn professional begeleid aan de keukentafel om te komen tot volwaardige en ontvankelijke bouwplannen. Bepaal ter voorbereiding op de Omgevingsvisie vanuit de Structuurvisie 2031 en het sectoraal beleid de belangrijkste beleidsdoelen die nagestreefd moeten worden. In 2018, na installatie van de nieuwe raad, werken aan een Omgevingsvisie. Doe dit met een brede projectgroep waarin alle specialismen betrokken zijn en stel een projectleider aan die vooral procesmatig sterk is en niet noodzakelijkerwijs kennis van één van de vakgebieden heeft. Zorg eerst voor een gedeeld beeld van integraliteit. Een aandachtspunt is dat de omgevingsvisie in voldoende mate moet aansluiten op de (sectorale) tactische beleidsdocumenten. Deze link is tussen structuurvisie en het tactisch beleid nu te dun. Voorgesteld wordt de voorbereiding van de omgevingsvisie (plan van aanpak) door huidig college te laten oppakken en de omgevingsvisie uiteindelijk door de nieuwe Raad te laten vaststellen. Bundel ook datgene wat in programma’s wordt opgenomen zoveel mogelijk tot één programma. Dit draagt bij aan de inzichtelijkheid. Overweeg om alle vergunningstelsels onder te brengen bij het domein Ruimte.

Experimenteer door in nieuwe bestemmingsplannen bestaande beleidsregels voor de fysieke leefomgeving te presenteren en voer een pilot Omgevingsplan uit voor een bepaald gebied in de gemeente. Pas projectmatig werken meer toe bij het ontwikkelen van visies en plannen. Maak een plan van aanpak om bestemmingsplannen te harmoniseren.

39

7 Nummer

Routekaart 2017-2018 Start

Niveau

Actie

Toelichting

Aantekening

Het projectplan geeft inzicht in de projectorganisatie, de financiële middelen en de verbinding met de lijnorganisatie. In het projectplan moeten de acties uit de routekaart worden gekoppeld aan deelprojecten en verantwoordelijk medewerkers. Er moet aandacht zijn voor werkdruk en borging van de benodigde inzet. In verband met voorjaarsnota met spoed oppakken!

interne voorbereiding en deelname plus externe inzet

De projectmanager is integraal verantwoordelijk voor het verandertraject in het kader van de verdere implementatie van de Omgevingswet en heeft een mandaat om beslissingen te nemen. De projectmanager moet beschikken over politiek-bestuurlijke affiniteit over de breedte van het vraagstuk en affiniteit hebben met de gekozen veranderstrategie.

2017: 45 werkzame weken * 24 uur

2017 1

Q2

Operationeel

informeren collega's

2

Q2

Operationeel

3

Q2

Strategisch

Reserveren budget in begrotingen 2018 en 2019 op basis van het begin februari beschikbare financieel model Aanstellen van een projectmanager Omgevingswet.

40

interne gesprekken

4

Q3

Strategisch

Opstellen projectplan en monitoringsplan

5

Q3

Tactisch

Inrichting van een Omgevingskamer

6

Q3

Operationeel

7

Q3

Tactisch

Inrichten van een Omgevingscoach Opstellen en afstemming Cultuurprogramma’s

8

Q3

Operationeel

MIZ en ODNV opdracht geven om zichzelf voor te bereiden op de Ow, vooral in relatie tot hoe Harderwijk zich daarop voorbereid

41

Het projectplan geeft inzicht in de projectorganisatie, decommunicatie, financiële middelen en de verbinding met de lijnorganisatie. In het projectplan moeten de acties uit de routekaart worden gekoppeld aan deelprojecten en verantwoordelijk medewerkers. Er moet aandacht zijn voor werkdruk en borging van de benodigde inzet. Een monitoringsplan beschrijft op welke wijze de resultaten (output) van projecten en de baten (outcome) van het project worden gemeten. Eenduidige en integrale afstemming van verzoeken

het opstellen door PM: 6 gesprekspartners, 2 gesprekken, plus voorbereidingstijd, bundelen van informatie en redigeren raportage. De uitvoeringsparagraaf vraagt aparte inzet: ambtelijke inzet (minimaal 5 leden 100 uur) en geld. De leden zijn linkinPin in de werkgroepen

Profiel, taken en verantwoordelijkheden

aparte werkgroep: 3* leden, 20 uur

Stel een Cultuurprogramma Omgevingswet op en integreer dit met het programma van de Cultuurverandering en de Harderwijk Academie

afstemmingsgesprekken, bundelen informatie en redigeren door projectmanager. Orientatie op de mogelijkheden

aparte werkgroep: 3* leden, 40 uur + externe begeleider

9

10

Q3

Q3

Tactisch

tactisch

Afstudeeronderzoek: Hoe betrek je belanghebbenden bij de ontwikkelingen rondom de omgevingswet en hoe houd je ze betrokken. Specifiek gericht op de burger, bedrijven en de politiek. Wat kunnen wij als gemeente bieden om een initiatiefnemer te faciliteren in het kader van co-creatie en het creëren van draagvlak in de omgeving. ---Doel van het project is het geven van advies en het doen van aanbevelingen. Als dit ook moet leiden tot een daadwerkelijk eindproduct dan moeten we daar aansluitend afspraken over maken. in beeld brengen wat de gevolgen zijn van de Wet VTH en de Wet Kwaliteitsborging voor de organisatie(stuctuur)

42

Dit betreft het afstudeeronderzoek van Frank van der Spek in het kader van de opleiding HBO Rechten.

aparte werkgroep: 3* leden, 40 uur

11

Q4

Strategisch

Opstellen plan van aanpak Omgevingsvisie

12

Q4

Tactisch

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=eaa33db4-59a5-45b2-8e90-89a5029dd70d