3d. Bijlagen_Stadsweiden-Randmeer _2023-09-20
Tekst van het document
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
17
5
Booronderzoek
5.1
Inleiding Het plangebied staat afgebeeld in fig. 1. In het plangebied is een ontwikkeling voorzien waarbij grondwerkzaamheden zijn voorzien. Daardoor worden mogelijk archeologische waarden verstoord. Voor de beoogde ontwikkeling is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Op basis daarvan is een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd. Het veldonderzoek is uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1,10 in het bijzonder het hoofdstuk ”protocol 4003 inventariserend veldonderzoek overig”. Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens specificatie “VS03 Uitvoeren booronderzoek”. Het onderzoek is gerapporteerd volgens specificatie “VS05 Opstellen standaardrapport IVO - O/P”. Het onderzoeksgebied voor het booronderzoek is hetzelfde als het plangebied. Het veldonderzoek bestond uit een inventariserend veldonderzoek (specificatie VS03), verkennende fase. De boringen zijn gezet met het doel de bodemopbouw te verkennen. Met de verkenning wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee kunnen kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd.
Deze methode is toegepast omdat nog onvoldoende informatie over de bodemopbouw beschikbaar is om te kunnen beslissen of en welk type karterend onderzoek eventueel uitgevoerd kan worden.
5.2
Methode De werkwijze in het veld was als volgt: Boortype:
7 cm Edelmanboor.
Aantal boringen:
twaalf.
Boordiepte:
De boringen zijn gezet tot in de schone C-horizont.
Grid:
De boringen zijn zo goed mogelijk geplaatst in een verspringend 30 m x 35 m grid. Het grid was onregelmatig vanwege bebouwing, begroeiing en verhardingen.
Waarnemingswijze: Het sediment is met de hand bemonsterd en met het blote oog onderzocht. Relevante archeologische lagen zijn bovendien gezeefd met een zeef met 4 mm maaswijdte. De opgeboorde grond is systematisch uitgelegd op een plastic zeil. Representatieve uitgelegde boorprofielen zijn gefotografeerd. Classificatie bodemtextuur en archeologische indicatoren: De opgeboorde grond is beschreven op basis van de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1 (ASB 1.1), dit omvat NEN 5104.11 10 SIKB 2018 11 Bosch 2008; Nederlands Normalisatie Instituut 1989 Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
18 Locatie bepaling X en Y: De X en Y coördinaten van de boringen zijn bepaald ten opzichte van de lokale topografie. Hoogte bepaling: De Z coördinaat is na afloop van het veldwerk bepaald aan de hand het AHN.12 De gegevens zijn digitaal in het veld geregistreerd. Het veldwerk is uitgevoerd op 23 maart 2020 door A. de Boer (KNA Senior Prospector) en R. Barth (junior archeoloog). Voorgaand aan het veldwerk is een plan van aanpak opgesteld. Het plan van aanpak is voorgelegd aan en goedgekeurd door de deskundige van de bevoegde overheid. Het Plan van Aanpak is geregistreerd in ARCHIS3.
5.3
Resultaten en bodemkundige interpretatie De locaties van de boringen zijn in fig. 23 weergegeven. De boorgegevens staan in Bijlage 1. Met de gegevens zijn schematische doorsnedes gemaakt. Deze is weergegeven in fig. 24 tot en met 26. Al het opgeboorde bodemmateriaal is kalkloos. Onder andere op basis van de textuur, kleur en bijmengingen kunnen de volgende lagen worden onderscheiden, van ondiep naar diep: Laag 1: geroerd In de grasvelden en tuinen (alle boorprofielen behalve 4, 7 en 11) is een 20 tot 65 cm dik modern bouwvoor aanwezig. In het hele plangebied is onder de klinkerverhardingen en de moderne bouwvoor de bodem verstoord tot dieptes tussen 30 en 145 cm onder maaiveld (0,86 en 1,78 m NAP). Waarschijnlijk zijn dit ophogingslagen gerelateerd aan de bouw van verzorgingscentrum Randmeer. Laag 2: A-horizont Zwak tot matig grindig, sterk humeus, zwak siltige zand, kleiig zand en sterk zandige klei. Deze laag is aanwezig in alle boorprofielen. De laag is 35 tot 145 cm dik. De top van de laag ligt tussen 30 en 145 cm -mv (0,86 en 1,78 m NAP). In de laag zijn baksteenfragmenten aanwezig. In boorprofielen 8 en 10 zijn één fragment industrieel wit aardewerk en twee fragmenten roodgeglazuurd aardewerk uit de Nieuwe Tijd (16e tot 18e eeuw) aangetroffen. Op basis van lithologische samenstelling en stratigrafische ligging wordt de laag als oude Ahorizont geïnterpreteerd.
Laag 3: C-horizont Zwak siltig, zwak grindig grijs zand met roestvlekken. Deze laag is aanwezig in alle boorprofielen. De top van de laag ligt tussen 110 en 240 cm onder maaiveld (-0,24 en 0,89 m NAP). De basis van het pakket ligt beneden de einddiepte van de boringen. Op basis van lithologische samenstelling en stratigrafische ligging wordt de laag als C-horizont geïnterpreteerd. Er zijn archeologische indicatoren aangetroffen in de vorm van baksteenfragmenten en aardewerkfragmenten. De verspreiding van archeologische indicatoren staat weergegeven in fig. 23. Er zijn geen vondsten verzameld. De grondwaterstand tijdens het onderzoek bevond zich tussen 120 en 240 cm onder maaiveld. 12 Kadaster en PDOK 2014 Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
19
5.4
Archeologische interpretatie Op het dekzand is bewoning mogelijk in het Laat-Paleolithicum. Deze bewoning vindt met name plaats op dekzandruggen. In het plangebied zijn in enkele boorprofielen in de C-horizont roestvlekken aanwezig. In de meeste boorprofielen is het dekzand grindig, wat aan kan duiden dat het dekzand verspoeld is. Ook zijn in het plangebied er geen resten van bodemvormingen aangetroffen. Dit zijn aanwijzingen dat het dekzandlandschap in het plangebied vóór de vorming van het plaggendek een relatief lage en natte ligging heeft. Archeologische onderzoeken ten zuiden van het plangebied aan de Wethouder Jansenlaan en ziekenhuis St. Jansdal ondersteunen het beeld van een lage, natte ligging van het dekzandlandschap. Sinds de (Late) Middeleeuwen ligt het plangebied aan de kust van de Zuiderzee. De kans dat resten gerelateerd aan landbouwsamenlevingen aanwezig zijn, wordt als laag ingeschat. De eerdlaag in het plangebied is waarschijnlijk relatief laat in het plangebied opgebracht (Nieuwe Tijd) om de gronden geschikt te maken als tuingrond. Op kaartmateriaal uit de 16e eeuw tot en met 1953 is het plangebied onbebouwd. De baksteen- en aardewerkfragmenten zijn waarschijnlijk met het plaggendek in het plangebied opgebracht. Rond de locatie van boorprofielen 4, 8 en 12 (noorden van het plangebied) staat op het kadastraal minuutplan uit 1811-1832 een weg afgebeeld.
Tijdens het booronderzoek zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van deze weg aangetroffen.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
20
6
Waardestelling en Selectieadvies Conform KNA 4.1 vormt een waardestelling (VS06) en selectieadvies (VS07) van vindplaatsen onderdeel van een standaardrapport (VS05). Er zijn echter geen vindplaatsen aangetroffen. Er is daarom geen waardestelling mogelijk en er is geen selectieadvies opgesteld.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
21
7
Conclusie De onderzoeksvragen kunnen als volgt worden beantwoord: 1. Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen? De beoogde ingreep bestaat uit de sloop van de noordelijke vleugel en noordoostelijke appartementencomplex van Zorgcentrum Randmeer. Vervolgens worden drie nieuwe appartementencomplexen gerealiseerd. De westelijke complex is 50 m lang, 20 tot 30 m breed en heeft een omvang van ongeveer 1.090 m². De zuidelijke complex is 47 m lang, 19 m breed en heeft een omvang van ongeveer 940 m². De noordoostelijke complex is 40 m lang, 19 m breed en heeft een omvang van ongeveer 800 m². Rondom de appartementencomplexen worden parkeerplaatsen aangelegd. Bij de aanleg van de funderingen vinden graafwerkzaamheden plaats tot ongeveer 80 cm onder maaiveld. Deze graafwerkzaamheden vinden plaats over 2.830 m². 2. Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde? Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Noordelijk zandgebied', in de landschapszone dekzandvlakten. De bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een A-horizont van variërende dikte (eerdlaag) op grindig dekzand. In het dekzand zijn geen resten van bodemvorming aanwezig. 3.
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Het plangebied is verstoord tot dieptes tussen 30 en 145 cm onder maaiveld (0,86 en 1,78 m NAP). Waarschijnlijk zijn dit ophogingslagen gerelateerd aan de bouw van Zorgcentrum randmeer in de tweede helft van de 20e eeuw. Onder de verstoring ligt in het hele plangebied een dikke eerdlaag (30 tot 145 cm dik). 4. Zijn (aanwijzingen voor) archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is naar verwachting de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Op het dekzand is bewoning mogelijk in het Laat-Paleolithicum. Deze bewoning vindt met name plaats op dekzandruggen. Echter heeft het plangebied vóór de vorming van de eerdlaag vermoedelijk een natte, relatief lage ligging. De kans dat resten gerelateerd aan landbouwsamenlevingen aanwezig zijn wordt als laag ingeschat. De eerdlaag in het plangebied is waarschijnlijk relatief laat in het plangebied opgebracht (Nieuwe Tijd), om de gronden geschikt te maken als tuingrond. Op kaartmateriaal uit de 16e eeuw tot en met 1953 is het plangebied onbebouwd. De baksteen- en aardewerkfragmenten zijn waarschijnlijk met het plaggendek in het plangebied opgebracht. In het noorden van het plangebied staat op het kadastraal minuutplan uit 1811-1832 een weg afgebeeld.
Tijdens het booronderzoek zijn geen (duidelijke) aanwijzingen voor de aanwezigheid van deze weg aangetroffen. Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
22 5. Indien (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn: a) Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? Naar verwachting worden bij de voorgenomen ingrepen geen archeologische waarden verstoord b) Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische waarden? Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
23
8
Advies Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Bovenstaande vormt een selectieadvies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (gemeente Harderwijk) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijk omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet uit 2015. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Harderwijk.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
24
9
Literatuur Alterra. 2004. “Geomorfologische Kaart Nederland (GKN) Landsdekkend digitale bestand”. Wageningen. van den Berghe, K.J. 2006. “Plangebied Wethouder Jansenlaan 82, gemeente Harderwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek”. RAAP notitie 1551. Amsterdam: RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. https://dx.doi.org/10.17026/dans-zsb39f2. Bosch, J.H.A. 2008. “Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1: Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2”. 2008-U-R0881/A. Deltares-rapport. ten Cate, J.A.M., B. de Lange, G.C. Maarleveld, Stichting voor Bodemkartering, en Geologische Stichting. 1968. “Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000: Kaartblad no. 26 West (Harderwijk)”. Wageningen: Stichting voor Bodemkartering. de Mulder, E.F.J. 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhof: Groningen [etc.]. van Deventer, J. 1545. “Stadsplattegronden van de Noord Nederlandse Steden (Planos de ciudades de los Países Bajos Parte III [Manuscrito])”. http://bdh-rd.bne.es/viewer.vm?id=0000015403. Gemeente Harderwijk. 2011. “Archeologiebeleid 2011- 2015”. Google Street View. “Street View”. https://maps.google.nl/. Guiccardini. 1660. “Harderwick”. Amsterdam: Jacob van Meres. https://proxy.archieven.nl/0/8B323CD17C514F3799760B546307443E. “HISGIS Gelderland”. 2019. https://hisgis.nl/projecten/gelderland/.
“http://www.ruimtelijkeplannen.nl”. Huis in ’t Veld, J.Y., en M.C. Blom. 2004. “Een archeologische begeleiding (AB) aan de Wethouder Jansenlaan te Harderwijk (Gld.)”. ARC-Rapporten 2004–01. Groningen: ARC. https://doi.org/10.17026/dans-2xv-x47q. Kadaster. 2013. “BAG-Viewer”. http://bagviewer.geodan.nl/index.html. Kadaster, en PDOK. 2014. “AHN2 en 3 - WCS service”. http://nationaalgeoregister.nl. Kerkhoven, A. A., en H.G. Pape. 2014. “Frisialaan 5, Harderwijk (gemeente Harderwijk). Een archeologisch inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)”. Transect-rapport 516. Utrecht: Transect. https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl/Archis3/Zaakdocumenten/245/245 5097/afm/. Klerks, K. 2016. “Archeologisch booronderzoek Stationslaan 112 te Harderwijk in de gemeente Harderwijk”. Econsultancy Archeologisch Rapport 2061.001. Doetinchem: Econsultancy BV. https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl/Archis3/Zaakdocumenten/400/400 6505/afm/. Nederlands Normalisatie Instituut. 1989. Geotechniek: classificatie van onverharde grondmonsters. Delft: Nederlands Normalisatie-instituut. RAF. 1940. “Wageningen UR GeoPortal: RAF aerial photographs”. 1945. http://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf. Rensink, E., H.J.T. Weerts, M. Kosian, H. Feiken, en B.I. Smit. 2015. “Archeologische Landschappenkaart van Nederland. Methodiek en kaartbeeld”. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
https://doi.org/10.17026/dans-xf6-ywnd. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 2016. “Kaart van verdedigingswerken, Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
25 alle linies en stellingen”. https://landschapinnederland.nl/bronnen-enkaarten/militaire-landschapskaart. ———. 2017. “Rijksmonumentenregister”. Cultureelerfgoed.nl. https://cultureelerfgoed.nl/monumentenregister. ———. 2020. “Archis3 - Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed”. https://archis.cultureelerfgoed.nl/#/login. Ringenier, H. 2006. “Plangebied Zorgfront, Ziekenhuis St. Jansdal en Reactivering ZNWV, gemeente Harderwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek”. RAAP notitie 1579. Amsterdam: RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. https://dx.doi.org/10.17026/dans-xu5-jvpk. SIKB. 2018. “BRL 4000: Beoordelingsrichtlijn Archeologie, versie 4.1”. SIKB. https://www.sikb.nl/doc/BRL4000/BRL%20SIKB%204000%20Archeologie %20versie%204_1.pdf. Stichting RAAP. 2017. “Indicatieve Kaart Militaire Waarden (IKME)”. december 22. Stichting voor Bodemkartering. 1948. “Detailkaart van de gemeente Harderwijk”. Wageningen: Stiboka. https://images.wur.nl/digital/collection/coll25/id/844/ rec/1. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen, en M. Verbruggen. 2012. “Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek”. SIKB.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
26
Figuren
Figuur 2: Luchtfoto 2018.
Figuur 3: Foto plangebied vanaf Westeinde (Google Street View).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
27
Figuur 4: Archeologisch beleidskaart Harderwijk uit 2011 (Gemeente Harderwijk 2011).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
Figuur 5: Ontwerptekening plangebied 28 oktober 2019.
29
1999 1984 1999 1960
1998
1985
Figuur 6: Topografische kaart met bouwjaren BAG.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
30
Figuur 7: Bestemmingsplan Stadsweiden - Kruithuis uit 2014 (“http://www.ruimtelijkeplannen.nl”). In het verlichte deel geldt dubbelbestemming waarde archeologie 1.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
31
Figuur 8: geologische overzichtskaart 1 : 250.000 (De Mulder 2003).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
32
3C
Figuur 9: Detail bodemkaart Harderwijk 1 : 10.000 (Stichting voor Bodemkartering 1948).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
33
2M13
2M13
4H9 2M9 2M9
Figuur 10: Geomorfologische kaart (Alterra 2004; Ten Cate e.a. 1968).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
34
Figuur 11: Hoogte-reliëfkaart (Kadaster en PDOK 2014). Hoogtewaarden in meters NAP.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
35
Figuur 12: Hoogte-reliëfkaart detail (Kadaster en PDOK 2014). Hoogtewaarden in meters NAP.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
36
Figuur 13: 26G-1955 en 26H-1957-Ermelo / Harderwijk / Putten.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
37
Figuur 14: Stadsplattegrond Harderwijk omstreeks 1575 (Van Deventer 1545).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
38
Figuur 15: Kaart Vesting Harderwijk omstreeks 1660 (noorden naar links; Guiccardini 1660). Het plangebied ligt buiten het kaartbeeld (rode pijl).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
39
Figuur 16: Kadastraal minuutplan 1811-1832 in HISGIS (“HISGIS Gelderland” 2019).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
40
Figuur 17: Topografisch militaire kaart 1850.
Figuur 18: 352-847-HARDERWIJK-1931 en 353-851-HIERDEN-1932.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
41
Figuur 19: 26H-1963-Ermelo / Harderwijk / Putten.
Figuur 20: 26H-1991-Ermelo / Harderwijk / Putten.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
42
Figuur 21: Luchtfoto Royal Air Force 6 februari 1945, vlucht 158, foto 3020 (RAF 1940).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
43
Figuur 22: Archeologische terreinen (rood), vondstlocaties (geel) en zaken (blauw) uit ARCHIS (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2020).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
BST1 BST1; AWF1
BST1
BST1
BST1 BST1
BST1
BST1
BST2
BST1 BST1; AWF1 BST1
Figuur 23: Boorpuntenkaart met verspreiding archeologische indicatoren.
45
Figuur 24: Boorprofielen noordwesten plangebied.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
46
Figuur 25: Boorprofielen midden plangebied.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
47
Figuur 26: Boorprofielen zuidoosten plangebied.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
Bijlage 1: Boorbeschrijvingen nr. grens (cm - mv) grond boven
bijmenging mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen
antropogene bijmengingen
horizonten boortype
overig
onder
1
grondwaterstand tijdens boring: 120 (cm - mv) beschrijver: R. Barth 0
20 zand
zwak siltig; zwak grindig; zwak humeus
matig fijn grijs
kalkloos
20
55 zand
zwak siltig; matig grof lichtkalkloos zwak grindig bruin-grijs
55
130 zand
sterk matig grof donker- kalkloos humeus; grijs-bruin zwak siltig; matig grindig
130
200 zand
zwak siltig; matig grof zwart matig grindig; sterk humeus
200
210 zand
zwak siltig; matig fijn donkermatig grindig grijs
7cm- Edelman matig grote spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
7cm- Edelman basis geleidelijk; matig grote spreiding; zand matig afgerond weinig baksteen
A-horizont
7cm- Edelman kiezel 2cm; matig grote spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
kalkloos
A-horizont
7cm- Edelman matig kleine spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman matig grote spreiding; zand matig afgerond
2
grondwaterstand tijdens boring: 240 (cm - mv) beschrijver: A. de Boer 0
40 zand
matig matig grof donker- kalkloos humeus; grijs-bruin zwak siltig; zwak grindig
40
110 zand
zwak siltig; matig grof bruin-grijs kalkloos zwak grindig
110
190 zand
zwak siltig; zwak grindig; matig
matig grof donkergrijs
kalkloos
7cm- Edelman matige spreiding; zand matig afgerond; basis scherp
spoor baksteen
7cm- Edelman basis scherp; matige spreiding; omgewerkte grond; opgebrachte grond; zand matig afgerond A-horizont
7cm- Edelman matige spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk; veel grijze vlekken
nr. grens (cm - mv) grond boven
bijmenging mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen
antropogene bijmengingen
horizonten boortype
overig
onder humeus
190
240 zand
matig matig grof donkerhumeus; grijs zwak siltig; zwak grindig
kalkloos
A-horizont
7cm- Edelman mogelijk oude bodem; matige spreiding; zand matig afgerond; basis scherp
240
270 zand
zwak siltig; matig grof grijs matig grindig
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman zand matig afgerond; matig grote spreiding
3
grondwaterstand tijdens boring: 180 (cm - mv) beschrijver: A. de Boer 0
20 zand
matig humeus; zwak siltig
matig fijn donkergrijs
kalkloos
7cm- Edelman spoor bruine vlekken; zand matig afgerond; matige spreiding; basis scherp
20
40 zand
zwak siltig
matig fijn lichtkalkloos bruin-grijs
7cm- Edelman basis scherp; zand matig afgerond; matige spreiding
40
145 zand
zwak siltig
matig grof bruin
kalkloos
7cm- Edelman basis scherp; matige spreiding; zand matig afgerond; omgewerkte grond; spoor grijze vlekken
145
170 klei
sterk zandig; sterk humeus
zwart
kalkloos
170
185 zand
kleiig; sterk humeus
matig grof zwart
185
200 zand
200
225 zand
spoor baksteen
A-horizont
7cm- Edelman top oude bodem; basis geleidelijk
kalkloos
A-horizont
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding; basis geleidelijk
zwak siltig; matig grof grijs zwak grindig
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; matige spreiding; zand matig afgerond; spoor grijze vlekken
zwak siltig; matig grof grijs matig grindig
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding
4
grondwaterstand tijdens boring: 170 (cm - mv) beschrijver: A. de Boer 0
7 geen monster
7
20 zand
overig zwak siltig
matig grof licht-bruin kalkloos
klinker
7cm- Edelman basis scherp; cunetzand; zand matig afgerond; matige spreiding
nr. grens (cm - mv) grond boven
bijmenging mediaan kleur
kalk
kalkloos
nieuwvormingen
antropogene bijmengingen
horizonten boortype
overig
onder
20
30 zand
zwak siltig; matig humeus
matig grof donkergrijs
spoor baksteen
30
70 zand
zwak matig grof bruin humeus; zwak siltig; zwak grindig
kalkloos
7cm- Edelman matige spreiding; zand matig afgerond; basis scherp
70
90 zand
zwak siltig; zwak grindig; matig humeus
matig grof donkerbruin
kalkloos
7cm- Edelman matige spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
90
155 zand
sterk matig grof donkerhumeus; grijs matig siltig; zwak grindig
kalkloos
155
190 zand
zwak siltig; matig grof grijs zwak grindig
190
220 zand
zwak siltig; matig grof grijs matig grindig
A-horizont
7cm- Edelman baksteenfragment rood 1 cm; matige spreiding; zand matig afgerond; basis scherp
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matig grote spreiding
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman zand afgerond; matig grote spreiding
5
spoor baksteen
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding; basis scherp
grondwaterstand tijdens boring: 170 (cm - mv) beschrijver: A. de Boer opmerking algemeen: verplaatst naar noorden; boring staat 5 m van gevel 0
25 zand
matig humeus; zwak siltig
matig grof donker- kalkloos bruin-grijs
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding; basis geleidelijk
25
45 zand
zwak siltig; matig fijn licht-grijs kalkloos zwak grindig
7cm- Edelman basis geleidelijk; matige spreiding; zand matig afgerond
45
70 zand
zwak humeus; zwak siltig
matig grof donker- kalkloos grijs-bruin
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding; basis geleidelijk
70
115 zand
sterk humeus; zwak siltig
matig fijn donker- kalkloos grijs-bruin
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding; basis scherp
115
135 zand
zwak siltig
zeer grof licht-grijs kalkloos
7cm- Edelman basis scherp; zand matig
nr. grens (cm - mv) grond boven
bijmenging mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen
antropogene bijmengingen
horizonten boortype
overig
onder afgerond; matige spreiding
135
170 klei
sterk zandig; sterk humeus
zwart
kalkloos
170
185 zand
zwak siltig; matig grof zwart zwak grindig; sterk humeus
185
200 zand
zwak siltig; zwak humeus
200
225 zand
zwak siltig; matig grof licht-grijs kalkloos matig grindig
spoor baksteen
A-horizont
7cm- Edelman mogelijk oude bodem; basis geleidelijk
kalkloos
A-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matige spreiding
matig grof lichtkalkloos spoor roestvlekken bruin-grijs
C-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matige spreiding
C-horizont
7cm- Edelman matige spreiding; zand matig afgerond
6
grondwaterstand tijdens boring: 150 (cm - mv) beschrijver: R. Barth 0
25 zand
zwak humeus; zwak siltig
matig grof bruin-grijs kalkloos
25
65 zand
sterk matig grof donker- kalkloos humeus; bruin-grijs zwak siltig; zwak grindig
65
90 zand
zwak siltig
90
120 zand
zwak siltig; matig grof donkermatig grijs grindig; sterk humeus
120
140 zand
sterk matig grof donker- kalkloos humeus; bruin-grijs zwak siltig; matig grindig
140
190 zand
zwak siltig; matig grof donkermatig grijs grindig; sterk
7cm- Edelman zand matig afgerond; matig grote spreiding; basis geleidelijk spoor baksteen
7cm- Edelman baksteenspikkel oranje; zandbrok grijs; spoor zandbrokjes; matig grote spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
matig grof licht-grijs kalkloos
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matig grote spreiding
kalkloos
kalkloos
spoor baksteen
A-horizont
7cm- Edelman matig grote spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
A-horizont
7cm- Edelman matig grote spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
A-horizont
7cm- Edelman matig grote spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
nr. grens (cm - mv) grond boven
bijmenging mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen
antropogene bijmengingen
horizonten boortype
overig
onder humeus
190
210 zand
zwak siltig
matig grof bruin-grijs kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman zand matig afgerond; matig grote spreiding
7
grondwaterstand tijdens boring: 170 (cm - mv) beschrijver: A. de Boer 0
7 geen monster
overig
7
30 zand
zwak siltig
30
80 zand
matig matig grof donker- kalkloos humeus; bruin-grijs zwak siltig; zwak grindig
spoor baksteen
80
155 zand
kleiig; sterk humeus
matig grof zwart
kalkloos
spoor baksteen
155
180 zand
zwak siltig
matig grof grijs
180
200 zand
zwak siltig; matig grof grijs matig grindig
matig grof licht-bruin kalkloos
klinker
7cm- Edelman basis scherp; zand matig afgerond; matige spreiding 7cm- Edelman matige spreiding; metalen strip op 70 cm -mv; opgebrachte grond; zand matig afgerond; basis geleidelijk; veel grijze vlekken A-horizont
7cm- Edelman baksteen rood spikkels; zand matig afgerond; matige spreiding; basis geleidelijk
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matige spreiding
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding
8
grondwaterstand tijdens boring: 170 (cm - mv) beschrijver: A. de Boer 0
20 zand
matig humeus; zwak siltig
matig grof donker- kalkloos grijs-bruin
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding; basis scherp
20
30 zand
zwak siltig
matig grof licht-bruin kalkloos
7cm- Edelman basis scherp; zand matig afgerond; matige spreiding
30
80 zand
matig matig grof donker- kalkloos humeus; grijs-bruin zwak siltig; zwak grindig
7cm- Edelman matige spreiding; omgewerkte grond; zand matig afgerond; basis geleidelijk; spoor grijze vlekken
80
150 zand
sterk humeus; kleiig; zwak
7cm- Edelman aardewerkfragment wand tweezijdig geglazuurd roodbakkend 1 cm niet
matig fijn donkergrijs
kalkloos spoor roestvlekken spoor baksteen; spoor A-horizont aardewerkfragmenten
nr. grens (cm - mv) grond boven
bijmenging mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen
antropogene bijmengingen
horizonten boortype
onder grindig
verzameld; aardewerkfragment industrieel wit 2 mm dik niet verzameld; matige spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
150
170 zand
zwak siltig
matig fijn grijs
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matige spreiding; spoor grijze vlekken
170
190 zand
zwak siltig
matig grof grijs
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matige spreiding
190
200 zand
zwak siltig; matig grof grijs matig grindig
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman zand matig afgerond; matig grote spreiding
9
10
overig
grondwaterstand tijdens boring: 150 (cm - mv) beschrijver: A. de Boer opmerking algemeen: verplaatst naar perkje ten zuidwesten 0
15 zand
zwak siltig; matig humeus
matig fijn donkerbruin
kalkloos
15
30 zand
zwak siltig
matig grof licht-grijs kalkloos
30
50 zand
kleiig; sterk humeus
matig fijn zwart
kalkloos
50
160 zand
kleiig; zwak matig fijn zwart grindig; sterk humeus
160
180 zand
180
225 zand
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding; basis scherp 7cm- Edelman basis scherp; zand matig afgerond; matige spreiding spoor baksteen
A-horizont
7cm- Edelman baksteen rood spikkels; spoor bruine vlekken; zand matig afgerond; matige spreiding; basis geleidelijk
kalkloos
A-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matige spreiding
zwak siltig; matig grof grijs zwak grindig
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matige spreiding
zwak siltig; zeer grof grijs matig grindig
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding grondwaterstand tijdens boring: 160 (cm - mv) beschrijver: A. de Boer opmerking algemeen: verplaatst naar perk ten oosten
nr. grens (cm - mv) grond boven
bijmenging mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen
antropogene bijmengingen
horizonten boortype
overig
onder
0
50 zand
matig humeus; zwak siltig
matig fijn donker- kalkloos grijs-bruin
spoor baksteen
7cm- Edelman baksteen rood spikkels; zand matig afgerond; matige spreiding; basis geleidelijk
50
60 zand
zwak siltig
matig grof licht-grijs kalkloos
7cm- Edelman basis scherp; zand matig afgerond; matige spreiding
60
130 zand
zwak siltig; matig humeus
matig fijn donker- kalkloos spoor roestvlekken spoor baksteen; spoor A-horizont bruin-grijs aardewerkfragmenten
7cm- Edelman spoor bruine vlekken; spoor schelpmateriaal; aardewerkfragment wand 1 zijde geglazuurd op 80 cm -mv niet verzameld; baksteen rood spikkels; baksteenfragment 1cm; zand matig afgerond; matige spreiding; basis geleidelijk
130
180 zand
zwak siltig
matig fijn grijs
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matige spreiding
180
200 zand
zwak siltig; matig grof grijs matig grindig
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding
11
grondwaterstand tijdens boring: 140 (cm - mv) beschrijver: R. Barth 0
8 geen monster
overig
8
30 zand
zwak siltig
30
80 zand
sterk matig grof donker- kalkloos humeus; bruin-grijs zwak siltig; zwak grindig
spoor baksteen
A-horizont
7cm- Edelman matig grote spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
80
140 zand
zwak siltig; matig grof zwart zwak grindig; sterk humeus
spoor baksteen
A-horizont
7cm- Edelman matig grote spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
140
170 zand
zwak siltig
matig grof lichtkalkloos bruin-grijs
C-horizont
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matig grote spreiding
170
180 zand
zwak siltig; zeer grof lichtkalkloos zwak grindig bruin-grijs
C-horizont
7cm- Edelman matig grote spreiding; zand matig afgerond
matig grof licht-grijs- kalkloos bruin
kalkloos
klinker; basis scherp
7cm- Edelman basis geleidelijk; zand matig afgerond; matig grote spreiding
nr. grens (cm - mv) grond boven
bijmenging mediaan kleur
kalk
nieuwvormingen
antropogene bijmengingen
horizonten boortype
overig
onder
12
grondwaterstand tijdens boring: 120 (cm - mv) beschrijver: A. de Boer opmerking algemeen: verplaatst naar gras noorden van pad 0
10 zand
matig humeus; zwak siltig
matig grof donker- kalkloos grijs-bruin
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding; basis scherp
10
30 zand
zwak siltig
matig grof grijs
kalkloos
7cm- Edelman basis scherp; zand matig afgerond; matige spreiding
30
65 zand
zwak siltig; sterk humeus
matig grof donkergrijs
kalkloos
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding; basis scherp
65
75 zand
zwak siltig; zeer grof licht-bruin kalkloos matig grindig
75
110 zand
sterk matig grof donkerhumeus; grijs zwak siltig; zwak grindig
kalkloos
spoor baksteen
A-horizont
7cm- Edelman baksteen rood spikkels; matige spreiding; zand matig afgerond; basis geleidelijk
110
125 zand
zwak siltig
matig fijn grijs
kalkloos
spoor baksteen
C-horizont
7cm- Edelman baksteenspikkel rood; basis geleidelijk; zand matig afgerond; matige spreiding; spoor grijze vlekken
125
170 zand
zwak siltig
matig fijn grijs
kalkloos
C-horizont
7cm- Edelman zand matig afgerond; matige spreiding
7cm- Edelman basis scherp; matige spreiding; zand matig afgerond
Coördinaten van de boringen: nr.
X (m RD)
Y (m RD)
Z (cm NAP)
1
170358
484249
228
2
170382
484286
216
3
170410
484298
231
4
170432
484323
214
5
170388
484243
222
6
170406
484257
230
7
170441
484291
215
8
170461
484308
204
9
170396
484207
208
10
170429
484228
205
11
170448
484255
193
12
170475
484283
199
Quick scan natuur
Harderwijk, Westeinde/Plantage
Habion
Datum: 7 april 2022 Projectnummer: 190223.02
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2
Aanleiding Plangebied
3 3
2
Wettelijk kader
5
2.1 2.2 2.3
Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden
6 7 8
3
Onderzoeksmethode
9
3.1 3.2
Deskundigheid Werkwijze
9 9
4
Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten
10
4.1 4.2 4.3
Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Bescherming houtopstanden
10 11 18
5
Effectbeoordeling en advies vervolgtraject
19
5.1 5.2 5.3
Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Beschermde houtopstanden
19 19 21
6
Conclusie
22
Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader Bijlage 2. Foto’s van het plangebied
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de Westeinde en Plantage te Harderwijk bevindt zich een woonzorgcomplex, dat grotendeels in beheer is door Habion. Habion heeft plannen voor ruimtelijke ingrepen op deze locatie. Het gaat hier om zowel renovatie als sloop en nieuwbouw. Het is verboden bij een ruimtelijke ontwikkeling de natuurwet- en regelgeving te overtreden. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is. In 2019 is al een quick scan natuur uitgevoerd in het plangebied. Uit deze quick scan bleek dat aanvullend onderzoek naar verschillende soorten nodig was. Derhalve is in 2019 nader onderzoek verricht naar deze soorten. Hieruit bleek dat essentiële elementen van de huismus, gierzwaluw, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis aanwezig zijn. Hiervoor is een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd en deze is door de provincie Gelderland in 2020 verleend (zaaknummer 2020006224). Van voornoemde quick scan zal de houdbaarheid verstreken zijn bij de geplande vaststelling van het bestemmingsplan. Vandaar voorziet deze quick scan in een update van de vorige quick scan. De verleende ontheffing is wel nog geldig, tot en met 30 september 2026.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het besluitgebied bevindt zich in Harderwijk (provincie Gelderland). De omgeving van Harderwijk kenmerkt zich door de Veluwerandmeren Wolderwijd en Veluwemeer aan de noordwestzijde en de Veluwe aan de zuidoostzijde. De directe omgeving van het besluitgebied kenmerkt zich door een brede watergang aan de zuidwestzijde, de Westeinde aan de zuidoostzijde, de Plantage aan de noordoostzijde, en het Zeepad aan de noordwestzijde. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.
3
Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Google Maps. Bewerking: SAB.
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Meerstaete (lichtblauw) blijft in zijn huidige staat behouden. Westeinde (paars) wordt enkel gerenoveerd. Bron: Google Maps. Bewerking: SAB.
4
Op 28 maart 2022 is een veldbezoek uitgevoerd. Het besluitgebied bestaat uit meerdere woonzorgcomplexen: − Meerstaete: Westeinde 16-22abcd. Dit complex is opgetrokken uit baksteen en bestaat deels uit twee bouwlagen en deels uit zes bouwlagen. Het blijft in zijn huidige staat behouden. Hieraan vinden geen werkzaamheden plaats (in vorige afbeelding lichtblauw omcirkeld) − Westeinde: Westeinde 26-72. Dit complex is opgetrokken uit baksteen en bevat drie bouwlagen met een pannendak. Het wordt enkel gerenoveerd (paars op vorige afbeelding). − Randmeer: Westeinde 14. Dit complex is opgetrokken uit baksteen en bestaat deels uit drie bouwlagen en een kap en deels uit vijf bouwlagen en een kap. Het wordt gesloopt. − Plantage: Plantage 84-124. Dit complex heeft dezelfde bouw als Westeinde. Het wordt gesloopt. − Klaverblad: Plantage 96, 98, 112, 114. Dit complex heeft dezelfde bouw als Westeinde. Het wordt gesloopt. Naast de bebouwing is aan de noordwestzijde een brede watergang aanwezig. Daarnaast zijn gazons met bomen en/of struiken aanwezig. Ook bevinden zich parkeerplaatsen, voornamelijk aan de oostzijde van de aanwezige bebouwing. Zie bijlage 2 voor afbeeldingen die een impressie van het plangebied weergeven. 1.2.2
Toekomstige situatie In de huidige situatie zijn er in totaal 141 appartementen aanwezig binnen het plangebied, waarvan er 101 worden gesloopt. Dat betekent dat 40 appartementen behouden blijven. Door de sloop van 101 appartementen ontstaat ruimte voor de bouw van twee nieuwe appartementengebouwen, die samen 156 appartementen herbergen, waarmee het toekomstige aantal woningen in het plangebied op 196 komt. Per saldo worden er dus 55 nieuwe wooneenheden toegevoegd. Zie navolgende afbeelding voor een mogelijke toekomstige situatie.
Mogelijke toekomstige situatie van het plangebied met daaronder nog het grondvlak zichtbaar. Hierop is te zien welke delen behouden blijven. Bron: Peters & Lammerink Architecten. 5
2
Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.
2.1
Gebiedsbescherming
2.1.1
Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die de instandhoudingsdoelstellingen kunnen schaden. Als een plan of project mogelijk negatieve effecten kan hebben op Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve effecten zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante effecten niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.
2.1.2
Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal.
De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren.
6
De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep. De provincie Gelderland vindt het verder van belang dat rustgebieden voor winterganzen geschikt blijven voor ganzen. De provincie stuurt daarom op het behoud van de openheid en de rust in deze gebieden. Ook zijn weidevogelgebieden aangewezen. De provincie wil hier een landbouwpraktijk stimuleren en in stand houden die rekening houdt met weidevogels. Beschermde weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden liggen voornamelijk in de GO en voor het overige deel in het GNN. De provinciale regels met betrekking tot natuur hebben geen externe werking.
2.2
Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.
Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.
7
2.3
Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.
8
3 3.1
Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.
3.2
Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 21 maart 2022, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 23 maart 2022, bij droog, zonnig weer met een temperatuur van ongeveer 11 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.
Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.
9
4
Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.
4.1
Ligging beschermde gebieden Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren, Veluwe en Arkemheen in de omgeving van het plangebied. Deze liggen respectievelijk op een afstand van 10 meter, 2,5 kilometer en 10,7 kilometer.
1
2
3 Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. 1: Veluwerandmeren, 2: Veluwe, 3: Arkemheen. Bron: Natura 2000 Network Viewer. Bewerking: SAB.
Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk (zowel GNN, GO als verbindingszone) bevindt zich op enkele meters van het plangebied. Specifiek aangewezen weidevogelgebied ligt op een afstand van 5,6 kilometer. Rustgebieden voor winterganzen liggen niet in de buurt van het plangebied.
10
Globale ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. Bron: Provincie Gelderland. Bewerking: SAB.
4.2
Aanwezigheid beschermde soorten
4.2.1
Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het plangebied zijn gebouwen aanwezig en ook zijn groen en watergangen aanwezig. Het plangebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.
4.2.2
Vogelrichtlijnsoorten Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw, tortel en spreeuw. Tijdens het veldbezoek is ook vastgesteld dat een spreeuw en een kauw een nest hebben in het plangebied. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende
11
dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2017c). In het plangebied bij het gebouw Randmeer zijn tijdens het veldbezoek meerdere huismussen aangetroffen. Deze brachten ook nestmateriaal naar de dakrand, dus er kan geconcludeerd worden dat hier nog nesten van huismussen aanwezig zijn. Eind 2020 is deze dakrand conform ontheffing (zaaknummer 2020-006224) ongeschikt gemaakt voor huismussen. Waarschijnlijk hebben de huismussen toch plekjes gevonden waar ze tussen kunnen kruipen en is het dak niet volledig ongeschikt gemaakt. Het dak dient dan ook nogmaals ongeschikt gemaakt te worden conform de voorschriften van de ontheffing, voordat de bebouwing gesloopt wordt. Deze ontheffing is nog geldig tot 30 september 2026. Conform de ontheffing zijn de huismuskasten aan de Westeinde nog steeds aanwezig. Gierzwaluwen Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen.
Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017b). De bebouwing is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van kieren in muren of onder dakpannen die een geschikte nestlocatie van de gierzwaluw kunnen zijn. In 2020 zijn conform ontheffing de te slopen gebouwen in het plangebied ongeschikt gemaakt voor gierzwaluwen door middel van borstels. De gebouwen zijn gecontroleerd of deze nog ongeschikt zijn en dit is het geval. De borstels waren nog aanwezig bij kieren in de muren en onder dakranden. Het voorkomen van gierzwaluwen bij de te slopen gebouwen kan dan ook uitgesloten worden. Conform de ontheffing zijn de vijf gierzwaluwkasten aan de liftschacht van de Meerstaete nog steeds aanwezig. Slechtvalk De slechtvalk nestelt op hoge gebouwen. In het plangebied is hoge bebouwing aanwezig. De bebouwing biedt daarom mogelijk geschikte nestlocatie voor deze vogelsoort. Echter, volgens verspreidingsgegevens van SOVON nestelt de slechtvalk niet in de wijde omgeving van het plangebied. Aanwezigheid van een nest van deze vogelsoort is daarom ook niet te verwachten.
Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Bij voorkeur zijn die snelstromend, maar hij broedt ook aan zwak of zelfs nauwelijks stromend water. De grote gele kwikstaart nestelt graag vlakbij stromend water in een nis in een muur of
12
onder een brug of bij boomwortels in oevers. Ze maken ook gebruik van speciale nestkasten. In het plangebied is wel open wateren aanwezig, maar van optimaal leefgebied is geen sprake. Ook is langs het open water geen geschikte nestlocatie aanwezig. Aanwezigheid van een nest van deze vogelsoort is dan ook niet te verwachten. Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil), in holtes in bomen en in gebouwen in het buitengebied (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. 4.2.3
Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen het kluwenklokje, muurbloem en stofzaad in de omgeving van het plangebied voor. In het plangebied is sprake van voedselrijke en regelmatig bewerkte grond in een stedelijke omgeving. Bovengenoemde beschermde en alle andere beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht.
4.2.4
Grondgebonden zoogdieren Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor 13
hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de bever, boommarter, bunzing, damhert, das, edelhert, eekhoorn, hermelijn, otter, steenmarter, waterspitsmuis, wezel, wild zwijn en wolf in de omgeving van het plangebied voor. Het terrein bestaat uit bebouwing, intensief beheerde tuinen met een afwisseling van grasveld, struiken, bomen en watergangen waarvan de oevers volledig beschoeid zijn. Dit alles bevindt zich in een stedelijke omgeving. Alle genoemde soorten behalve de steenmarter komen niet in een dergelijke omgeving voor. De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing.
Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). Tijdens het veldbezoek is de bebouwing gecontroleerd op aanwezigheid van voor de steenmarter geschikte holtes. Deze zijn niet aangetroffen. Daarnaast wordt het aanwezige groen intensief beheerd, zodat de steenmarter ook hier geen verblijfplaatsen kan vinden. 4.2.5
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Daarnaast kunnen de franjestaart, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011).
Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017a, Dietz et al. 2011). In 2020 zijn conform ontheffing de te slopen gebouwen in het plangebied ongeschikt gemaakt voor vleermuizen. De gebouwen zijn ge-
14
controleerd of deze nog ongeschikt zijn en dit is het geval. Exclusion flaps en borstels voor het buitenhouden van vleermuizen zijn nog steeds in goede staat aanwezig. Het voorkomen van gebouwbewonende vleermuizen bij de te slopen gebouwen kan dan ook uitgesloten worden. Conform de ontheffing zijn de tijdelijke kasten aan de Meerstaete en Westeinde nog steeds aanwezig. Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het plangebied staan verschillende bomen. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Deze zijn niet aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken.