3d. Bijlagen_Stadsweiden-Randmeer _2023-09-20
Tekst van het document
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
Harderwijk, Westeinde / Plantage
Gemeente Harderwijk
Datum: 17 maart 2022 Projectnummer: 190223.02
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Het plan Leeswijzer
3 3 5
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
6
2.1 2.2 2.3 2.4
Stedelijke ontwikkeling Verzorgingsgebied Behoefte Bestaand stedelijk gebied
6 7 8 14
3
Conclusie
16
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 Bro lid 2 vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en is verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
1.2
Het plan Op het perceel aan de Westeinde / Plantage in Harderwijk, welke kadastraal bekend staat als 'HDW00 D 9446', is in de huidige situatie Woonzorgcentrum Randmeer en sociale woningbouw gesitueerd. De bebouwing is verouderd en voldoet niet meer aan de hedendaagse kwaliteitseisen. Het voornemen bestaat om het perceel te herontwikkelen, waarbij zowel sloop-nieuwbouw als renovatie is beoogd. Het plangebied bevindt zich direct ten westen van het stadscentrum van Harderwijk in de provincie Gelderland. Het plangebied is gesitueerd in de bestaande woonwijk Stadsweiden en maakt onderdeel uit van de subwijk Kruithuis. Op de navolgende kaarten is de locatie globaal aangeduid.
3
Globale ligging plangebied (rode arcering) bron: pdokviewer.pdok.nl
Globale begrenzing plangebied (rode arcering) bron: pdokviewer.pdok.nl
In de huidige situatie zijn er in totaal 141 appartementen aanwezig binnen het plangebied, waarvan er 101 worden gesloopt. Dat betekent dat 40 appartementen behouden blijven. Door de sloop van 101 appartementen ontstaat ruimte voor de bouw van twee nieuwe appartementengebouwen, die samen 156 appartementen herbergen, waarmee het toekomstige aantal woningen in het plangebied op 196 komt. Per saldo worden er dus 55 nieuwe wooneenheden toegevoegd. Het totale toekomstige programma binnen het plangebied ziet er als volgt uit: Woningtype
Kenmerk
Aantal
Sociale huurappartementen Sociale huurappartementen Vrije sector huurappartementen
Bestaand Nieuw Nieuw
40 78 78
Totaal
196
4
Afname van zorg Met voorliggende ontwikkeling wordt het mogelijk gemaakt om in zelfstandige woningen, onzelfstandig te wonen. Dit geldt voor alle appartementen binnen het plangebied, gezien het voornemen om te voorzien in ‘gespikkeld wonen’. Dat wil zeggen dat de appartementen van de zorgpartij zich verspreid over de gebouwen bevinden. Daardoor heeft het zorgconcept een karakter dat uitnodigt tot flexibiliteit en dynamiek. Gezien de aanwezigheid van liften geldt dat alle appartementen binnen het plangebied levensloopbestendig te noemen zijn. De afname van zorg betekent in praktische zin dat ouderen met een meer of mindere zorgvraag zo lang mogelijk in een thuissituatie kunnen blijven wonen. Deze vorm van verzorgd wonen wordt verder vorm gegeven conform het concept ‘Liv Inn’. Het plangebied wordt voorzien van een ‘hart’, waarin verschillende gezamenlijke leefruimtes een plaats krijgen. 67 appartementen worden in eerste instantie specifiek toegewezen aan de Zorggroep NoordwestVeluwe.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst bepaald worden of en, zo ja, waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het markt- of verzorgingsgebied bepaald. Daarna volgt de toetsing of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.
5
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
2.1
Stedelijke ontwikkeling
2.1.1
Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgens de Nota van Toelichting (2017) “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”.
2.1.2
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de toevoeging van 55 appartementen binnen de bebouwde kom van Harderwijk. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie1 dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarentegen wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling2. Het plangebied heeft grotendeels de bestemming ‘Maatschappelijk’. Binnen deze bestemming is juridisch-planologisch vastgelegd dat maatschappelijke voorzieningen en bijbehorende voorzieningen zijn toegestaan.
De beoogde ontwikkeling van maximaal 55 extra wooneenheden in het plangebied, evenals de functiewijziging van de 40 te renoveren appartementen, voorziet in de ontwikkeling van meer dan 12 woningen. Daarom wordt de ontwikkeling gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, meer specifiek een woningbouwlocatie.
2.1.3
Conclusie Gelet op het voorgaande is voorliggende ontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze toets vindt in dit document plaats.
1 Zie hiervoor o.a. de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015
(ECLI:NL:RVS:2015:2921). 2 Zie hiervoor o.a. de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953).
6
2.2
Verzorgingsgebied
2.2.1
Algemeen Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan die ontwikkeling worden beschreven. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie en de omvang daarvan.
2.2.2
Toetsing Inleiding Hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland bevat onder andere regels inzake wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, veehouderij, grond- en drinkwater, natuur en landschap en energie. Voor voorliggend bouwplan is het dan ook noodzakelijk om te kijken welke regels ten aanzien van wonen zijn vastgelegd. De Omgevingsverordening van de provincie Gelderland regelt in artikel 2.2.1.1 dat nieuwe woningen enkel zijn toegestaan wanneer deze passen binnen het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio. De gemeente Harderwijk vormt samen met 7 andere gemeenten (Elburg, Ermelo, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek en Putten) de regio Noord-Veluwe. Binnen deze regio vindt onderlinge afstemming plaats over woningbouwontwikkelingen. Verhuisbewegingen De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het marktgebied. Het marktgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende regio of gemeente.
Wanneer de verhuisbewegingen voor de gemeente Harderwijk worden geanalyseerd, blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat ongeveer de helft van alle gevestigde personen Harderwijk uit de gemeente zelf afkomstig is. Tabel: Totaal aantal verhuisbewegingen gemeente Harderwijk in 2020
Verhuisbewegingen Harderwijk
Aantal
Aandeel (%)
Binnen gemeente Harderwijk
2.776
48,9%
Vanuit andere gemeenten
2.587
45,6%
Vanuit het buitenland Totaal aantal verhuizingen
311
5,5%
5.674
100 %
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Daarnaast zijn er in eerste instantie vooral verhuisrelaties met de gemeenten uit de regio Noord-Veluwe, zoals de gemeenten Ermelo, Nunspeet en Putten, en gemeenten uit Flevoland, zoals Zeewolde, Dronten en Almere. Opvallend is dat Harderwijk, ondanks de geografische afstand, ook relatief grote verhuisrelaties met Westerwolde, en Cranendonck heeft. Vermoedelijk hangt dit samen met de asielzoekerscentra die daar
7
gevestigd zijn. Navolgende tabel laat de meest relevante verhuisbewegingen naar de gemeente Harderwijk vanuit andere gemeenten zien. Tabel: Verhuisbewegingen naar Harderwijk naar herkomst in 2020
Gemeente Ermelo
Aantal 338
Aandeel 13,1%
Westerwolde
258
10,0%
Zeewolde
167
6,5%
Nunspeet
116
4,5%
Arnhem
95
3,7%
Amersfoort
85
3,3%
Putten
85
3,3%
Dronten
77
3,0%
Lelystad
77
3,0%
Cranendonck
71
2,7%
Elders
1.218
47,1%
Totaal
2.587
100%
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek
2.2.3
Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat het marktgebied zich primair richt op de gemeente Harderwijk. Gelet op de aard, omvang en ligging van de beoogde ontwikkeling, geldt de verwachting dat de woningbouwontwikkeling geen bovengemeentelijke aantrekkingskracht heeft.
2.3
Behoefte
2.3.1
Algemeen Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen de planperiode van het bestemmingsplan voorziet in een behoefte binnen het verzorgingsgebied. Bij het bepalen van de behoefte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte van belang.
2.3.2
Kwantitatieve behoefte Kwantitatieve huishoudensontwikkeling De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door de demografische ontwikkelingen die binnen het marktgebied spelen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal huishoudens. Voor de gemeente Harderwijk geldt dat er voor de periode 2015-2040 een toename van ongeveer 4.000 huishoudens wordt geprognotiseerd.
8
Huishoudensprognose gemeente Harderwijk 25000 20000
19264
20425
22384
23000
23394
21452
2025
2030
2035
2040
15000 10000 5000 0 2015
2020
Huishoudensprognose 2015-2040 gemeente Harderwijk (Bron: Prognose Provincie Gelderland 2017 (Primos 2016 Gelderse variant))
Woningmarktonderzoek, gemeente Harderwijk Companen heeft voor de gemeente Harderwijk een woningmarktanalyse uitgevoerd die inzicht geeft in de ontwikkeling van de woningbehoefte. Hieruit blijkt dat voor de periode tot 2025 een toename verwacht wordt van zo’n 2.600 huishoudens; 260 per jaar. In de daaropvolgende periode tot 2030 wordt een vergelijkbare toename verwacht van 1.250 huishoudens, 250 per jaar. Ook in de jaren daarna zal het aantal huishoudens toenemen, zij het in een steeds gematigder tempo. Regionale woonagenda en Woondeal regio Noord-Veluwe De gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Nunspeet, Oldebroek en Putten werken sinds 2018 samen in de Samenwerking Noord-Veluwe (SNV). In de periode hiervoor gebeurde dat vanuit de Regio Noord-Veluwe (RNV). De gemeenten in NoordVeluwe werken samen op het terrein van wonen en hebben hiertoe de Regionale Woonagenda Samenwerking Noord-Veluwe 2019-2022 opgesteld. Dit is de opvolger van de eerdere Regionale Woonvisie. De Regionale Woondeal Noord-Veluwe 2022-2030 betreft een doorvertaling van deze afspraken tussen het Rijk en provincie naar gemeentelijk niveau. De regiogemeenten hebben een verdeling afgesproken volgens onderstaand schema.
9
Gemeentelijke woonvisie 2017-2027 De gemeentelijke woonvisie borduurt voort op de genoemde woningmarktanalyse van Companen. De navolgende tabel geeft inzicht in de kwantitatieve (en kwalitatieve) uitbreidingsbehoefte.
Tabel: Kwantitatieve en kwalitatieve uitbreidingsbehoefte 2015-2025
In de woonvisie wordt gesteld dat het totale planaanbod uitkomt op ruim 3.400 woningen. Naast de plannen in enkele uitbreidingswijken, liggen er ook plannen voor ruim 1.000 woningen in de rest van de gemeente. Er is dus sprake van een overcapaciteit in het totale planaanbod. De woonvisie maakt hierbij wel nadrukkelijk de nuancering dat gesproken wordt over plannen en planaanbod. Het is nog lang niet zeker dat al deze woningen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Een zekere overcapaciteit is dus zeker gewenst, aangezien het voorzienbaar is dat er enkele plannen uiteindelijk niet - of veel later - daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd. De passages in de woonvisie die waarschuwen voor een overschot aan bouwplannen moeten gelezen worden met onderstaande nuancering in gedachten. • Allereerst maken de berekeningen geen onderscheid tussen harde en zachte bouwplannen. De verwachting is dat een aanzienlijk deel van de bouwplannen uiteindelijk niet of na de afgesproken termijn wordt gerealiseerd. Dat risico geldt het sterkst voor plannen in de goedkopere prijssegmenten. • Een aanzienlijk deel van de bouwplannen in het sociale huursegment heeft een tijdelijk karakter. Zo zijn in de berekeningen 100 tijdelijke units meegerekend. Deze woningen worden na tien jaar verwijderd.
• Naar verwachting is de werkelijke behoefte aan sociale huurwoningen groter dan de behoefteraming doet voorkomen. Dat heeft te maken met een cumulatie van maatschappelijke en beleidsmatige ontwikkelingen. Zo hebben de partijen in de regio ambitieuze afspraken gemaakt over een verbetering van de slaagkansen in de sociale huursector. Naast afspraken over de toewijzing van woningen en maatregelen om doorstroming te bevorderen, vraagt dit om een snelle uitbreiding van het aanbod. Daarnaast is de handhaving op de recreatieparken in een stroomversnelling geraakt. Een deel van de niet-legale bewoners doet (alsnog) beroep op een sociale huurwoning. Ook zien we een verhoogde instroom van woningzoekenden uit Randstedelijke regio’s. Tot slot zien we dat de uitstroom uit de sociale huursector stagneert. Voor scheefwoners zijn onvoldoende betaalbare alternatie-
10
•
ven beschikbaar waardoor zij langer dan noodzakelijk een sociale huurwoning bezethouden. Met een statistische wachttijd van meer dan vijf jaar, is de behoefte aan extra sociale woningen evident.
Uit de uitvoeringsagenda behorende bij de gemeentelijk woonvisie volgt het volgende beeld:
Periode 2015 tot 2025 2025 tot 2030
Behoefte (uitvoeringsagenda) woonvisie 3.385 1.250
Planaanbod * 3.641 ** 591 *stand per 7 mei 2020 ** inclusief 183 woningen locatie Randmeer (netto toevoeging)
In de periode 2015 tot 2025 ligt het nu bekende planaanbod hoger dan de behoefte volgens de woonvisie. De gemeente Harderwijk verwacht, gelet op de nuanceringen zoals gepresenteerd in het voorgaande, echter nog wel enige vertraging in de planontwikkeling. Het uiteindelijke aantal op te leveren woningen in de periode 2015 tot 2025 zal daarom zeker de behoefte niet gaan overschrijden. Met inbegrip van die constatering ziet de gemeente Harderwijk voor de periode 2025 tot 2030 nog ruimte voor het toevoegen van voorliggend plan. Hittekaart woningmarkt De afgelopen tijd is er in de media steeds meer aandacht voor de toenemende druk op de woningmarkt, voornamelijk in het Randstedelijk gebied. Zo is ook een ‘hittekaart’ van de woningmarkt 2022 verschenen.
Hittekaart van de woningmarkt 2022, met Harderwijk zwart omlijnd (Bron: BPD)
Een hoge score op de hittekaart kenmerkt zich door hoge prijzen en of veel huizenverkopen, maar ook een sterke (verwachte) huishoudensgroei. Amsterdam, Utrecht en Den Haag zijn de meest populaire woonlocaties volgens de hittekaart. De hittekaart laat zien dat de vraag op de woningmarkt zich geleidelijk als een olievlek uitbreidt van de Randstad richting de provincie. De gemeente Harderwijk is op de hittekaart ook aangemerkt met een hoge score (plaats 76 van 352) en kent dan ook een hoge druk op de woningmarkt. 11
Conclusie Gelet op de positieve huishoudensprognose, de druk op de woningmarkt in Harderwijk en de woningbouwopgave van ca. 2.600 tot 2.900 woningen, zoals blijkt uit de regionale en gemeentelijke woonvisie, is er sprake van een duidelijke kwantitatieve behoefte. Uit de woonvisie blijkt dat sprake is van een grote kwantitatieve opgave om de woningvoorraad in Harderwijk te vergroten, gelet op de druk op de woningmarkt en de groei van het aantal huishoudens. Het huidige planaanbod in Harderwijk kent een zekere overcapaciteit. Hierbij moet wel meteen de nuancering worden gemaakt dat enige overcapaciteit gewenst is, omdat niet te verwachten is dat alle plannen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Dit geldt met name in de goedkopere prijssegmenten. 2.3.3
Kwalitatieve behoefte Kwalitatieve huishoudensontwikkeling Naast de kwantitatieve behoefte, bepaalt ook de kwalitatieve behoefte de woningvraag. De kwalitatieve behoefte richt zich op doelgroepen, woningtypen, prijsklassen en dergelijken. Deze behoefte is sterk afhankelijk van de huishoudensopbouw qua leeftijd en samenstelling. Voor de gemeente Harderwijk is in de Gelderse Woningmarktmonitor een huishoudensprognose naar leeftijd en samenstelling voor de periode 2015-2040 weergegeven.
Huishoudensprognose naar leeftijd en samenstelling 2015 - 2040 (Bron: Prognose Provincie Gelderland 2017 (Primos 2016 Gelderse variant))
Uit deze gegevens valt op dat de oudere en kleinere huishoudensvormen in de gemeente Harderwijk de komende jaren het sterkst zullen stijgen. Ook de groep gezinnen kent een positieve prognose tot aan 2040. Regionale woonagenda De regionale woonagenda 2019-2022 van de regio Noord-Veluwe kent een duidelijk doel wat betreft het thema ‘wonen en zorg’: Stimuleren dat ook mensen in de regio met een zorgvraag prettig en zoveel mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Het kan daarbij gaan om mensen met een fysieke beperking (veelal ouderen), maar ook om mensen met een verstandelijke beperking of psychische kwetsbaarheid. Tevens wordt de zoektocht naar woningen van mensen met een zorgvraag als een van de belangrijkste trends gezien in de regionale woonagenda. Evenals de zoektocht naar speciale woonvormen. Gemeentelijke woonvisie Harderwijk
12
De woonvisie Harderwijk doet duidelijke uitspraken over de kwalitatieve woningbouwbehoefte. In de navolgende tabel (bewerking door SAB) is de geconstateerde woningbouwbehoefte (zie ook de paragraaf 2.3.2) geconfronteerd met het bestaande planaanbod, zoals beschreven in de woonvisie. Woningtype
Behoefte
Bestaand planaanbod
Saldo
Absoluut
Percentueel
Absoluut
Percentueel
Sociale huur
410
14%
655
19%
-5%
Vrije sectorhuur
660
22%
582
16%
6%
Koop
1.915
64%
2.215
64%
0%
Totaal
2.985
100%
3.453
100%
Ondanks het feit dat Harderwijk moet waken voor een overschot aan bouwplannen, blijft de bouwproductie in een aantal segmenten achter bij de behoefte. In de woonvisie staan deze segmenten beschreven. Het gaat om koopwoningen tot € 200.000,-, huurwoningen tot € 850,- en huurwoningen onder de liberalisatiegrens. Daarnaast gaat het om woningen voor mensen met een niet-courante woonvraag. Denk aan woningen die rolstoel-geschikt zijn, woonwagenstandplaatsen of woningen voor mensen met een bijzondere of overlastgevende manier van leven. Het woonbeleid is erop gericht de bouw van dit type woningen te stimuleren. In de woonvisie is eveneens het woonbeleid opgenomen. Wat betreft de verschillende woningtypen geldt het volgende beleid: • Sociale huur: Het sociale huursegment verdient aandacht vanwege haar maatschappelijke relevantie. • Vrije sector huur: In het particuliere huursegment wordt geconstateerd dat het totaal plannen voor huurwoningen tot € 850 achterblijft bij de vraag. • Koop tot 200.000 euro: Ondanks de veelheid aan woningbouwplannen wordt geconstateerd dat het aanbod koopwoningen tot € 200.000 achterblijft bij de vraag. • Koop boven 275.000 euro: Wat betreft de (middel)dure koop wordt geconstateerd dat het planaanbod de behoefteraming ruim overstijgt.
De gemeente Harderwijk vindt de voorliggende ontwikkeling passend in kwalitatief opzicht, gezien de aantallen woningen in de sociale sector en de middeldure sector. Tenslotte is de locatie nabij de binnenstad bijzonder geschikt voor ouderenhuisvesting en daar speelt dit initiatief geheel op in. Conclusie Onderhavig plan past binnen de kaders van het woonbeleid. Het draagt bij aan de uitbreiding van het aanbod sociale huurwoningen, het aanbod vrije sector huur en de vraag naar woningen voor mensen met een niet-courante woonvraag, waarbij de mogelijkheid bestaat tot de afname van zorg, conform het Liv inn concept. Ten slotte wordt verouderde, niet-duurzame huisvesting ingewisseld voor moderne, duurzame (gasloze) huisvesting. Dit tezamen maakt dat voorliggend plan in grote mate beantwoordt aan de kwalitatieve behoefte zoals geformuleerd in de regionale en gemeentelijke woonvisie. Ten slotte laat de huishoudensprognose zien dat Harderwijk in de komende decennia zal vergrijzen. Het woningenbestand dient hierop voorbereid te zijn. Met voorliggende ontwikkeling wordt hieraan bijgedragen. Dit tezamen maakt dat
13
voorliggend plan uitvoering geeft aan het woonbeleid van de gemeente op kwalitatief gebied. 2.3.4
Conclusie behoefte De ontwikkeling van het plangebied ten behoeve van woningbouw sluit danig aan op de woningbehoefte in de regio en gemeente. Tevens maakt het plan onderdeel uit van de woningbouwafspraken en wordt aangesloten op de gemeentelijke volkshuisvestelijke beleidsafspraken. De ontwikkeling voorziet daarom in een behoefte binnen het verzorgingsgebied.
2.4
Bestaand stedelijk gebied
2.4.1
Algemeen Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur
Naast de criteria uit de definitie moet de geldende bestemming ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied. 2.4.2
Toetsing Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Harderwijk. De gronden van het plangebied kennen een maatschappelijke bestemming en zijn (nog) in gebruik als vestigingslocatie van woonzorgcentrum Randmeer en aanleunwoningbouw. De omgeving van het plangebied is vrijwel volledig gevormd door woningen, maatschappelijke voorzieningen en andere stedelijke functies. Dit tezamen maakt dat, gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom het plangebied en de ter plaatse geldende bestemmingen, wordt geconcludeerd dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied ligt. Bovendien kan gezien de heersende functies in de omgeving van het plangebied en het karakter van de locatie gesteld worden dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling op deze locatie past. Momenteel is de omgeving van het plangebied immers ook al vrijwel volledig ingericht ten behoeve van wonen. Ook wordt de ontwikkeling ruimtelijk gezien ingepast in de ruimtelijke structuren van de omgeving door de structuur van het plangebied te handhaven en de locatie groen in te richten.
14
2.4.3
Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling wordt voorzien in bestaand stedelijk gebied. De geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied. Gezien dit feit is het niet noodzakelijk en niet zinvol om alternatieve locaties te zoeken.
15
3
Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte en vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats. Daarmee wordt de ontwikkeling als haalbaar geacht voor wat de betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.
16
Bureau voor Archeologie Rapport 891 Plantage en Westeinde, Harderwijk, gemeente Harderwijk: een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase
2
Colofon titel:
Bureau voor Archeologie Rapport 891. Plantage en Westeinde, Harderwijk, gemeente Harderwijk: een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase
auteur:
R. Barth
autorisatie:
A. de Boer (KNA senior prospector)
datum:
3 april 2020
ISSN:
2214-6687
© Bureau voor Archeologie Koningsweg 244 Utrecht T 030 245 18 95 E info@bureauvoorarcheologie.nl I https://www.bureauvoorarcheologie.nl
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
3
Administratieve gegevens Projectnummer
2019111901
Provincie
Gelderland
Gemeente
Harderwijk
Plaats
Harderwijk
Toponiem
Plantage en Westeinde
Centrum locatie (m RD)
170.420; 484.270 (x; y)
Omvang plangebied
12.080 m2
ARCHIS onderzoeksmeldingsnummer
4787241100 (ABO)
Soort onderzoek
een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase
Opdrachtgever
SAB, D. de Bruijn
Uitvoerder
Bureau voor Archeologie, A. de Boer en R. Barth (rapportage, veldwerk).
Kaartblad
26H
(RO) kader onderzoek
Aanvraag omgevingsvergunning
Periode van uitvoering
Maart 2020
Bevoegde overheid
Gemeente Harderwijk Postbus 149 3840 AC Harderwijk
Deskundige namens bevoegde overheid
Omgevingsdienst Noord Veluwe M. Wispelwey
Status goedkeuring bevoegde overheid
Onbekend
Beheerder en plaats van documentatie
Digitale documentatie: ARCHIS en E-Depot Vondstdocumentatie: geen vondsten
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
4
Figuur 1: Het plangebied, tevens onderzoeksgebied (rood; www.opentopo.nl).
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
5
Inhoudsopgave 1 2 3 4 5
6 7 8 9
Samenvatting...............................................................................................7 Inleiding.......................................................................................................8 1.1 Doelstelling en vraagstelling.................................................................8 Situatie, Beleid en beoogde ingrepen..........................................................9 2.1 Onderzoeksgebied en toekomstig gebruik............................................9 2.2 Huidige situatie...................................................................................10 Aardwetenschappelijke en historische context...........................................11 3.1 Mogelijke verstoringen........................................................................12 Archeologische en bouwhistorische waarden............................................13 4.1 Gespecificeerde verwachting..............................................................15 Booronderzoek..........................................................................................17 5.1 Inleiding..............................................................................................17 5.2 Methode..............................................................................................17 5.3 Resultaten en bodemkundige
interpretatie..........................................18 5.4 Archeologische interpretatie................................................................19 Waardestelling en Selectieadvies..............................................................20 Conclusie...................................................................................................21 Advies........................................................................................................23 Literatuur...................................................................................................24 Figuren......................................................................................................26 Bijlage 1: Boorbeschrijvingen.....................................................................48
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
6
Lijst met Figuren Figuur 1: Het plangebied, tevens onderzoeksgebied (rood; www.opentopo.nl).....4 Figuur 2: Luchtfoto 2018.....................................................................................26 Figuur 3: Foto plangebied vanaf Westeinde (Google Street View)......................26 Figuur 4: Archeologisch beleidskaart Harderwijk uit 2011 (Gemeente Harderwijk 2011)..........................................................................................................27 Figuur 5: Ontwerptekening plangebied 28 oktober 2019.....................................28 Figuur 6: Topografische kaart met bouwjaren BAG.............................................29 Figuur 7: Bestemmingsplan Stadsweiden - Kruithuis uit 2014 (“http://www.ruimtelijkeplannen.nl”)............................................................30 Figuur 8: geologische overzichtskaart 1 : 250.000 (De Mulder 2003).................31 Figuur 9: Detail bodemkaart Harderwijk 1 : 10.000 (Stichting voor Bodemkartering 1948)......................................................................................................... 32 Figuur 10: Geomorfologische kaart (Alterra 2004; Ten Cate e.a. 1968)..............33 Figuur 11: Hoogte-reliëfkaart (Kadaster en PDOK 2014).
Hoogtewaarden in meters NAP................................................................................................34 Figuur 12: Hoogte-reliëfkaart detail (Kadaster en PDOK 2014). Hoogtewaarden in meters NAP................................................................................................35 Figuur 13: 26G-1955 en 26H-1957-Ermelo / Harderwijk / Putten........................36 Figuur 14: Stadsplattegrond Harderwijk omstreeks 1575 (Van Deventer 1545).. 37 Figuur 15: Kaart Vesting Harderwijk omstreeks 1660 (noorden naar links; Guiccardini 1660).......................................................................................38 Figuur 16: Kadastraal minuutplan 1811-1832 in HISGIS (“HISGIS Gelderland” 2019).........................................................................................................
39 Figuur 17: Topografisch militaire kaart 1850........................................................40 Figuur 18: 352-847-HARDERWIJK-1931 en 353-851-HIERDEN-1932...............40 Figuur 19: 26H-1963-Ermelo / Harderwijk / Putten..............................................41 Figuur 20: 26H-1991-Ermelo / Harderwijk / Putten..............................................41 Figuur 21: Luchtfoto Royal Air Force 6 februari 1945, vlucht 158, foto 3020 (RAF 1940)......................................................................................................... 42 Figuur 22: Archeologische terreinen (rood), vondstlocaties (geel) en zaken (blauw) uit ARCHIS (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2020)............43 Figuur 23: Boorpuntenkaart met verspreiding archeologische indicatoren..........44 Figuur 24: Boorprofielen noordwesten plangebied..............................................45 Figuur 25: Boorprofielen midden plangebied.......................................................46 Figuur 26: Boorprofielen zuidoosten plangebied.................................................47
Lijst met Tabellen Tabel 1: Aardkundige waarden............................................................................11 Tabel 2: Bekende archeologische waarden tot ca. 500 m van het plangebied.. . .15
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
7
Samenvatting Bureau voor Archeologie heeft een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd voor bouwwerkzaamheden aan de Plantage en Westeinde te Harderwijk. De vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische waarden bij de voorgenomen ontwikkeling? Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied. De beoogde ingreep bestaat uit de sloop van de noordelijke vleugel en noordoostelijke appartementencomplex van Zorgcentrum Randmeer. Vervolgens worden drie nieuwe appartementencomplexen gerealiseerd. Bij de aanleg van de funderingen vinden graafwerkzaamheden plaats tot ongeveer 80 cm onder maaiveld. Deze graafwerkzaamheden vinden plaats over 2.830 m². In het plangebied zijn twaalf boringen gezet tot in de schone C-horizont. De bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een A-horizont van variërende dikte (eerdlaag) op grondig dekzand. In het dekzand zijn geen resten van bodemvorming aanwezig. Het plangebied is verstoord tot dieptes tussen 30 en 145 cm onder maaiveld (0,86 en 1,78 m NAP). Waarschijnlijk zijn dit ophogingslagen gerelateerd aan de bouw van Zorgcentrum Randmeer in de tweede helft van de 20e eeuw.
Op het dekzand is bewoning mogelijk in het Laat-Paleolithicum. Deze bewoning vindt met name plaats op dekzandruggen. Echter, het plangebied had vóór de vorming van de eerdlaag vermoedelijk een natte, relatief lage ligging. De kans dat resten gerelateerd aan landbouwsamenlevingen aanwezig zijn wordt als laag ingeschat. De eerdlaag in het plangebied is waarschijnlijk relatief laat in het plangebied opgebracht (Nieuwe Tijd) om de gronden geschikt te maken als tuingrond. Op kaartmateriaal uit de 16e eeuw tot en met 1953 is het plangebied onbebouwd. De baksteen- en aardewerkfragmenten zijn waarschijnlijk met het plaggendek in het plangebied opgebracht. In het noorden van het plangebied staat op het kadastraal minuutplan uit 18111832 een weg afgebeeld. Tijdens het booronderzoek zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van deze weg aangetroffen. Naar verwachting worden bij de voorgenomen bodemingrepen geen archeologische resten verstoord. Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de beoogde ontwikkelingen
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
8
1
Inleiding Bureau voor Archeologie heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de bouw van appartementen aan de Plantage en Westeinde te Harderwijk. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning Het ligging van het plangebied is weergegeven in fig. 1. Vanwege de regels uit het geldende bestemmingsplan moet voor de beoogde ontwikkeling een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 4000,1 in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1). Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een booronderzoek in de karterende fase. Met de bevindingen wordt aan het einde van het rapport een advies gegeven hoe bij het project rekening kan worden gehouden met archeologische waarden.
1.1
Doelstelling en vraagstelling Het doel van het veldonderzoek is het controleren en verfijnen van de archeologische verwachting zodat een beslissing genomen kan worden over hoe met eventuele archeologische waarden rekening moet worden gehouden bij de voorgenomen werkzaamheden. Het veldonderzoek is uitgevoerd als booronderzoek (IVO – O) en betreft de verkennende fase. Met het verkennende veldonderzoek wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. De volgende onderzoeksvragen zijn in dit onderzoek gebruikt: 1. Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen? 2. Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde? 3. Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? 4. Zijn potentiële archeologische niveaus aanwezig, en zo ja, wat is de aard, diepteligging en verbreiding hiervan? 5. Indien (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn: a) Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? b) Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische waarden?
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
9
2
Situatie, Beleid en beoogde ingrepen
2.1
Onderzoeksgebied en toekomstig gebruik Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied staat afgebeeld in fig. 1. Het plangebied ligt in de gemeente Harderwijk in de gelijknamige plaats. De locatie ligt aan de straten Plantage en Westeinde. Het plangebied is 130 m lang en 95 m breed en heeft een omvang van 12.080 m2. Het plangebied ligt op het terrein van zorgcentrum Randmeer (fig. 2 en 3). Het plangebied wordt in het westen begrensd door de Veluwerandmeer “Wolderwijd”. Ten noorden van het plangebied ligt de historische stadskern van Harderwijk. Ten zuiden en oosten van het plangebied liggen woonwijken. Overheidsbeleid In het gebied geldt een vastgesteld gemeentelijk archeologisch beleid (fig. 4). Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart uit 2011 heeft het noorden van het plangebied een hoge archeologische verwachting in verband met de ligging in een attentiezone van 100 m rondom de binnenstad van Harderwijk. Het beleid is dat bij ingrepen van meer dan 50 m² en waarbij dieper wordt gegraven dan 30 cm onder maaiveld rekening gehouden moet worden met archeologische waarden. De rest van het plangebied heeft een lage archeologische verwachting. Het beleid is dat bij ingrepen van meer dan 5.000 m² en waarbij dieper wordt gegraven dan 30 cm onder maaiveld rekening gehouden moet worden met archeologische waarden. Ontwerp c.q.
inrichtingsplan De beoogde ingreep bestaat uit de sloop van de noordelijke vleugel en noordoostelijke appartementencomplex van Zorgcentrum Randmeer (fig. 5). Vervolgens worden drie nieuwe appartementencomplexen gerealiseerd. De westelijke complex is 50 m lang, 20 tot 30 m breed en heeft een omvang van ongeveer 1.090 m². De zuidelijke complex is 47 m lang, 19 m breed en heeft een omvang van ongeveer 940 m². De noordoostelijke complex is 40 m lang, 19 m breed en heeft een omvang van ongeveer 800 m². Rondom de appartementencomplexen worden parkeerplaatsen aangelegd. Aard en omvang van de toekomstige verstoring Bij de aanleg van de funderingen vinden graafwerkzaamheden plaats tot ongeveer 80 cm onder maaiveld. De graafwerkzaamheden vinden plaats over 2.830 m². Milieutechnische condities Op de bodemkwaliteitskaart van Noord Veluwe ligt het plangebied in ontgravingsklasse Landbouw/natuur en bodemfunctieklasse wonen. De risico op het overschrijden van de interventiewaarde is laag. Grondwaterpeil De actuele grondwaterstand in het plangebied kan worden afgeleid uit de grondwatertrap op de bodemkaart. De grondwatertrap in het plangebied is onbekend omdat het plangebied als bebouwd gekarteerd staat. Ten zuidwesten Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
10 van Harderwijk varieert de grondwatertrap langs de Wolderwijd tussen II en III. Bij beide grondwatertrappen staat de gemiddeld hoogste grondwaterstand ondieper dan 40 cm onder maaiveld. Bij grondwatertrap II staat de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 50 en 80 cm onder maaiveld. Bij grondwatertrap III staat de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 80 en 120 cm onder maaiveld. De grondwaterstand zal door de beoogde ingrepen waarschijnlijk niet veranderen. Consequentie van de ingrepen Door uitvoeren van graafwerkzaamheden kunnen mogelijk archeologische resten worden vergraven.
2.2
Huidige situatie Bebouwing en functie In het plangebied staan drie gebouwen van zorgcentrum Randmeer. Deze hebben volgens Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) een bouwjaar van 1960, 1984 en 1999 (fig. 6).1 Bestemmingsplan Een verbeelding van het bestemmingsplan is opgenomen in fig. 7. Het plangebied ligt in bestemmingsplan Stadsweiden – Kruithuis uit 2014. In het noorden van het plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde Archeologie 1. Dit betekent dat bij ingrepen met een omvang van meer dan 50 m² waarbij de bodem dieper dan 30 cm onder maaiveld wordt verstoord een rapport moet worden overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. In de rest van het plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde Archeologie 3. Dit betekent dat bij ingrepen met een omvang van meer dan 5.000 m² waarbij de bodem dieper dan 30 cm onder maaiveld wordt verstoord een rapport moet worden overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld.
1
Kadaster 2013
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
11
3
Aardwetenschappelijke en historische context De aardkundige gegevens staan samengevat in tabel 1. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Noordelijk zandgebied', in de landschapszone dekzandvlakten.2 Volgens de geologische overzichtskaart bestaat de bodemopbouw uit fluvioperiglaciale afzettingen (smeltwaterafzettingen bestaande leem en zand uit de Formatie van Boxtel) die zijn afgedekt door dekzand (Laagpakket van Wierden; fig. 8). De fluvioperiglaciale afzettingen zijn gevormd tijdens de laatste ijstijd met het ontdooien van sneeuw. Doordat het water de permanent bevroren bodem niet kan doordringen wordt het afgevoerd over het land, waarbij leem en zand wordt afgezet. Omdat er weinig begroeiing is heeft wind vrij spel en wordt het landschap bedekt door een pakket opgestoven zand (dekzand). Boorprofielen uit het DINOloket bevestigen dat de bodemopbouw bestaat uit zand. Volgens de detail bodemkaart van Harderwijk bevinden zich in het merendeel van het plangebied zwarte enkeerdgronden (fig. 9; 3C en 3D). Deze zijn in het noorden van het plangebied 75 tot 90 cm dik en in het zuiden van het plangebied 60 tot 75 cm dik. Langs het noordwesten van het plangebied (kust) bevinden zich mangelgronden met gleij in de zode (31A) en kleigronden (K3A). Op de geomorfologische kaart staat het plangebied als bebouwd gekarteerd (fig. 10).
Ten zuiden van de bebouwde kom van Harderwijk ligt een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (2M9). Ongeveer 2 km ten zuidoosten van het plangebied ligt een gordeldekzand-glooiing (4H9). Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) ligt het plangebied tussen 1,8 en 2,3 m NAP (fig. 11 en 12). Rondom de bebouwing in het westen van het plangebied ligt het maaiveld ongeveer 40 cm hoger dan de rest van het plangebied. Vermoedelijk is het maaiveld opgehoogd bij de bouw van de zorgcentrum. In 1957 ligt het plangebied rond 1,4 m NAP (fig. 13). Dit betekent dat het maaiveld mogelijk 40 tot 90 cm is opgehoogd. Verder richting het zuiden ligt het maaiveld in 1957 rond 1,6 m NAP. Bron
Situatie plangebied, omschrijving
Geologie (fig. 8)
Geologische Overzichtskaart 1 : 250 000:3 • Bx6: Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6)
Bodemkunde (fig. 9)
• • •
3C / 3D: Zwarte enkeerdgronden 31A: Mangelgronden K3A: Kleigronden
Geomorfologie (fig. 10)
•
bebouwd
AHN (fig. 11 tot en met 13) Tussen 1,8 en 2,3 m NAP. Ten opzichte van 1957 vermoedelijk met 40 tot 90 cm opgehoogd
Tabel 1: Aardkundige waarden. Op het dekzand is bewoning mogelijk in het Laat-Paleolithicum. Bewoning in deze periode vindt met name plaats op hoge dekzandruggen en -koppen. In het 2 3
Rensink e.a. 2015 De Mulder 2003
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
12 oostelijke grondgebied van gemeente Harderwijk zijn op meerdere locaties vuursteenvondsten en aardewerk aangetroffen uit de periode Mesolithicum tot en met IJzertijd. Over de ontstaansgeschiedenis van Harderwijk is weinig bekend. De nederzetting krijgt in 1231 stadsrechten. Vóór deze periode ligt in de omgeving van Harderwijk het Vroonhoeve Selhorst. Dit is een herenhof met kleine nederzetting. Vermoedelijk heeft deze vroonhoeve buiten de stadsmuur bij de Luttekepoort gelegen.4 Eind 16e eeuw wordt de middeleeuwse stadsmuur vervangen door nieuwe vestingwerken. Aan de zuidwestkant van de vesting wordt bolwerk “Corten Doodt” aangelegd, in het zuiden begrensd door de nog bestaande Diepe Gracht. Deze liggen direct ten noorden van het plangebied.4 Op historisch kaartmateriaal uit de 16e en 17e eeuw en op het kadastraal minuutplan uit 1811-1832 is het plangebied onbebouwd (fig. 14 tot en met 16). Door het noorden van het plangebied loopt een pad. In 1832 is het plangebied grotendeels in gebruik als landbouwgrond. De westelijke helft van het plangebied ligt op de strand van de Zuiderzee. Tussen de strand en het landbouwgrond ligt een strook weiland. In 1850 staat ten noorden van het plangebied een badhuis (fig. 17). In 1931 staat de weg die door het plangebied loopt niet meer afgebeeld (fig. 18).
Op topografische kaarten uit 1963 en later staat in het plangebied bebouwing (19 en 20). Op de luchtfoto van de Royal Air Force uit 1945 is het plangebied onbebouwd (fig. 21). Ten noorden van het plangebied, waar in 1850 een badhuis staat, staat nog steeds bebouwing. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van militaire waarden.
3.1
Mogelijke verstoringen Het plangebied is opgehoogd bij de bouw van het zorgcentrum in de 20e eeuw.
4
https://www.hendrikvangrietjen.nl/oudheidkundig-jaarboek-deel1/
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
13
4
Archeologische en bouwhistorische waarden Archeologische terreinen, vondstlocaties en zaken staan weergegeven in fig. 22 en staan toegelicht in tabel 2. De belangrijkste bevindingen worden in de lopende tekst samengevat. In het plangebied liggen geen archeologische waarnemingen en geen (delen van) archeologische terreinen. Het plangebied is niet eerder archeologisch onderzocht. Direct ten noorden van het plangebied ligt de binnenstad van Harderwijk (AMKterrein 13.211). het plangebied wordt in het noorden begrensd door de “Diepe gracht”. Deze vestinggracht is gegraven omstreeks 1600. Ten zuiden van het plangebied zijn bij de Wethouder Jansenlaan en ziekenhuis St. Jansdal twee booronderzoeken en een archeologische begeleiding uitgevoerd (zaken 2.043.373.100, 2.084.610.100 en 2.114.297.100). Bij de begeleiding (zaak 2.043.373.100; ongeveer 70 m ten zuidoosten van het plangebied) zijn in het noorden van het onderzochte terrein meerdere greppels en kuilen uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. Een spoor van een brede, ondiepe sloot is geïnterpreteerd als mogelijke bermsloot van een laatmiddeleeuwse weg. In de overige sporen zijn geen structuren zichtbaar. Uit het booronderzoek bij Wethouder Jansenlaan 82 (zaak 2.084.610.100; ongeveer 100 m ten zuiden van het plangebied) blijkt dat de bodemopbouw bestaat uit dekzand op grindrijke smeltwaterafzettingen.
In het dekzand zijn humus- en roestvlekken zichtbaar. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten. Bij het booronderzoek bij ziekenhuis St. Jansdal (zaak 2.114.297.100; ongeveer 200 m ten zuidoosten van het plangebied) bestaat de bodemopbouw uit dekzand. In enkele boringen is vastgesteld dat het dekzand is verspoeld. Op deze locaties is in het zand fijn grind aanwezig. Ook op deze locatie zijn in het dekzand humus- en roestvlekken aanwezig. Dit zijn aanwijzingen voor de natte omstandigheden die kenmerkend zijn voor lagere delen van het dekzandlandschap. Alleen in het noorden is een vrijwel intact cultuurdek aanwezig. In dit deel zijn mogelijk greppels en kuilen aangetroffen. In een van deze mogelijke sporen is een houten paal aangetroffen. In het Wolderwijd staan twee vondstmeldingen geregistreerd (1.144.298 en 1.068.723). Dit zijn niet-archeologische vondsten die gedaan zijn met metaaldetector. De vondsten bestaan met name uit munten en sieraden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. In het plangebied zijn geen bekende militaire erfgoedwaarden aanwezig.5 In het plangebied staan geen bekende (ondergrondse) bouwhistorische waarden geregistreerd.6 Archeologische terreinen 13.211 - Harderwijk - CENTRUM - Terrein van archeologische waarde Terrein met daarin de historische kern van Harderwijk. De oudste vermelding van de stad is in 1231.
Waarschijnlijk is Harderwijk ontstaan in de buurt van de vismarkt. Hier zou de 'vicus' Klein-Selhorst hebben gelegen, behorend aan de kapittel van St. Marie te Utrecht. Hier zou ook de voormalige parochiekerk, gewijd aan St.-Nikolaas, hebben gestaan. In Harderwijk was ook een Minderbroederklooster. Dit klooster kreeg in 1290 van het kapittel van St. Marie de grond waar zij al op gevestigd was in eigendom. Resten van dit klooster liggen op de plaats van de huidige markt. De 5 6
Stichting RAAP 2017; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2016 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2017
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
14 ommuring aan de zeezijde dateert waarschijnlijk uit de 14de eeuw. Aan de landzijde zijn nog in de St. Annastraat, beide zijden van het busstation aan de Doelenstraat en aan de noordzijde van de Smeepoortstraat muurresten aanwezig. Omstreeks 1600 zijn de grachten gegraven en aardwallen voor de muren gelegd en bij de poorten aan de landzijde bolwerken gebouwd. Zaken (incl. evt. bijbehorende vondsten) 2.043.373.100: Harderwijk, Wethouder Jansenlaan, begeleiding Archeologische begeleiding van bouwwerkzaamheden. Tijdens de archeologische begeleiding zijn in totaal 26 sporen aangetroffen, bestaande uit greppels en kuilen. Deze lagen alle in het uiterste noorden van het terrein, in een strook van ca. 55 meter lang en ca. 8 meter breed. Op de rest van het onderzoeksterrein was de bodemopbouw grondig verstoord en zijn geen sporen waargenomen. De sporen zijn op basis van aardewerk gedateerd in de Late Middeleeuwen (13 e tot 14e eeuw). Structuren, zoals boerderijen of andere gebouwen, konden niet worden herkend in de aangetroffen sporen. In de coupes die van de greppels en kuilen gemaakt zijn, blijkt dat het om slechts zeer ondiepe sporen gaat. Vermoedelijk is een groot deel van de sporen in (sub-) recente tijd afgetopt. Aan de noordoostelijke kant lag een zeer breed spoor (spoor 21). In het profiel was duidelijk te zien dat het een ondiepe sloot betreft.
Op het vlak bleek de grens van deze sloot echter minder duidelijk waarneembaar te zijn. Mogelijk gaat het om een bermsloot. Resten van de weg zijn niet aangetroffen. 7 Op deze locatie zijn de volgende vondsten geregistreerd: • 2 stuks, keramiek, steengoed - Westerwalds, Nieuwe Tijd Vroeg - Nieuwe Tijd Midden • 4 stuks, keramiek, grijsbakkend gedraaid aardewerk, Late Middeleeuwen B • 2 stuks, keramiek, Majolica:kom, Late Middeleeuwen B - Nieuwe Tijd Midden • 1 stuks, keramiek, Proto-steengoed, Late Middeleeuwen A - Late Middeleeuwen B • 1 stuks, keramiek, witbakkend geglazuurd aardewerk, Late Middeleeuwen B - Nieuwe Tijd Laat • 8 stuks, keramiek, kogelpot, Vroege Middeleeuwen C - Late Middeleeuwen B • 8 stuks, keramiek, roodbakkend geglazuurd aardewerk, Late Middeleeuwen A - Nieuwe Tijd Laat • 8 stuks, keramiek, steengoed, Late Middeleeuwen B - Nieuwe Tijd Vroeg • 9 stuks, keramiek, hutteleem, Neolithicum - Nieuwe Tijd Laat 2.084.610.100: Harderwijk, Wethouder Jansenlaan 82, boring Booronderzoek naar aanleiding van nieuwbouw. De diepere ondergrond in het plangebied bestaat uit lichtgeelgrijze, leemarme, grindrijke smeltwaterafzettingen. Deze zijn vanaf 1,3 m -Mv aangetroffen. Ze worden afgedekt door een ongeveer 60 cm dikke laag lichtgeelgrijs leemarm dekzand. In dit matig siltige zand komen verschillende zandfracties en fijn grind voor.
De In enkele gevallen tekenen zich in dit dekzand humus- en ijzervlekken af. Dit zijn aanwijzingen dat de ondergrond altijd zeer nat is geweest. De bodem is in het gehele plangebied tot circa 1 m -mv verstoord. In één boring is slootvulling aanwezig van een sloot die op de kadastrale kaart van 1832 is aangegeven. Verder zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische resten.8 2.114.297.100: Harderwijk, ziekenhuis St. Jansdal, boring Booronderzoek naar aanleiding van de bouw van een parkeergarage. De natuurlijke ondergrond van het plangebied bestaat uit dekzand. Veelal tekenen zich in het dekzand humusvlekken af en incidenteel zijn plantenresten aangetroffen. Voorts is geconstateerd dat de geologische ondergrond in delen van het plangebied bestaat uit verspoeld dekzand. De humusvlekken en plantenresten alsmede het voorkomen van verspoeld dekzand zijn aanwijzingen voor de natte omstandigheden die de lagere delen van het dekzandlandschap kenmerken. De afdekkende bodemlagen zijn veelal recent verstoord. Alleen in het noordelijke deel van het plangebied is een vrijwel intact 50 cm dik cultuurdek aangetroffen. De bodem in dit deel van het plangebied kan worden aangemerkt als lage enkeerdgrond. In het noordwesten zijn mogelijke greppels en/of kuilen aangetroffen met baksteenpuin en mortel. In een van deze sporen is een houten paal waargenomen.
Deze sporen en vondsten vormen zijn aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten. 9 Vondstlocaties los 1.144.298: Harderwijk, Niet-archeologisch: metaaldetector 7 8 9
Huis in ’t Veld en Blom 2004 Van den Berghe 2006 Ringenier 2006
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
15 Op deze locatie is de volgende vondst geregistreerd: • 1 stuks, goud, ring, Late Middeleeuwen B: Een religieuze gouden Middeleeuwse ring met Inscriptie H C. - De ring is gedateerd 13/14e eeuw. - De steen die verwerkt is in de ring is vermoedelijk Toermalijn of vulkanische steen. De ring is gevonden in het water m.b.v. metaaldetector 1.068.723: Harderwijk, Veluwemeer, Niet-archeologisch: metaaldetector Op deze locatie zijn de volgende vondsten geregistreerd: • 1 stuks, koper, aes, Laat Romeinse Tijd B • 30 stuks, brons, gesp, Late Middeleeuwen • 2 stuks, brons, sieraad, Late Middeleeuwen • 2 stuks, tin, pelgrimsinsigne, Nieuwe Tijd Vroeg • 1 stuks, metaal, stempel, Nieuwe Tijd Vroeg: Zilveren lakzegelstempel in vorm van roofvogelklauw; op stempel draakjes? • 1 stuks, brons, gewicht, Nieuwe Tijd Vroeg • 14 stuks, metaal, munt, Late Middeleeuwen B • 1 stuks, tin, pelgrimsinsigne, Nieuwe Tijd Vroeg: Devotiepenning; voorzijde: Maria met kind; keerzijde: Christus • 14 stuks, zilver, munt, Late Middeleeuwen A - Late Middeleeuwen
Tabel 2: Bekende archeologische waarden tot ca. 500 m van het plangebied.
4.1
Gespecificeerde verwachting Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Noordelijk zandgebied', in de landschapszone dekzandvlakten. Op het dekzand is bewoning mogelijk in het laat paleolithicum. Harderwijk is vermoedelijk gesticht in de Late Middeleeuwen. De nederzetting krijgt in 1231 stadsrechten. Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Harderwijk heeft het noorden van het plangebied een zeer hoge archeologische verwachting. Dit deel ligt in een attentiezone van 100 m rondom de historische stadskern. Deze attentiezone is vastgesteld omdat op historisch kaartmateriaal ook buiten de stadsmuren bebouwing staat. Het zuiden van het plangebied heeft een lage verwachting in verband met de ligging aan de kust van de voormalige Zuiderzee. Op de 16e eeuwse stadsplattegrond van Harderwijk ligt in het noorden van het plangebied een oost-west georiënteerde weg. Op deze kaart is het plangebied onbebouwd. Langs de uitvalswegen van Harderwijk ten oosten van het plangebied staan molens en boerderijerven afgebeeld. Op basis van de Bonnebladen is de weg na 1931 niet meer aanwezig. 1: Datering Paleolithicum tot en met Nieuwe Tijd.
2: Complextype Archeologische resten uit de periode van jagers, verzamelaars en eerste boeren, de periode van landbouwsamenlevingen en de periode van staatssamenlevingen gerelateerd aan bewoning, economie, infrastructuur, rituelen en begravingen. Op de 16e eeuwse stadsplattegrond van Harderwijk ligt in het noorden van het plangebied een oost-west georiënteerde weg. Op basis van Bonnebladen is deze weg na 1931 niet meer aanwezig.
Bureau voor Archeologie Rapport 891
Harderwijk Plantage en Westeinde
16 3: Omvang Archeologische resten gerelateerd aan bewoning uit genoemde perioden kunnen worden beschouwd als vlakelementen met variabele omvang (klein tot groot). Sommige complextypen kunnen zich ook als puntelementen manifesteren (begravingen, depots) of als lijnelementen (wegen, watergangen, percelering). 4: Diepteligging Vanaf het maaiveld. 5: Gaafheid en conservering (fysieke kwaliteit) De grondwatertrap is onbekend. Ten zuiden van Harderwijk in de buurt van de Wolderwijd varieert de grondwatertrap tussen II en III. Indien het plangebied in een van deze grondwatertrappen ligt betekent dit dat de conservering van eventuele archeologische resten gezien de hoge grondwaterstand, goed zal zijn. Handgevormd aardewerk uit de periode van vroege landbouwsamenlevingen of ouder is, zeker aan het oppervlak, weinig resistent. Om deze reden moet er rekening mee worden gehouden dat het aardewerk sterk is gefragmenteerd of zelfs volledig is vergaan. Over de gaafheid en conservering van eventuele sporen en artefacten zijn verder geen nadere gegevens bekend. 6: Locatie Hele plangebied. 7: Uiterlijke kenmerken (prospectie kenmerken): Archeologische resten uit de periode van jagers, verzamelaars en eerste boeren kenmerken zich door een spreiding van hoofdzakelijk vuursteenvondsten.
Archeologische resten uit de periode van landbouwsamenlevingen en de periode van staatssamenlevingen kenmerken zich door de aanwezigheid van een archeologische laag. Dit is een doorwerkte laag bestaande uit het oorspronkelijke sediment dat is vermengd met archeologische indicatoren zoals bot-, houtskoolen aardewerkfragmenten. 8: Mogelijke verstoringen Bij de bouw van de zorgcentrum is waarschijnlijk het maaiveld opgehoogd. Door bouw- en sloopactiviteiten kunnen archeologische resten zijn vergraven. Specificatie LS05 van de BRL4000 verplicht dat aansluitend op het formuleren van de gespecificeerde verwachting een onderzoeksstrategie wordt opgesteld om deze verwachting te toetsen aan de feiten gebruik makend van het stroomdiagram van protocol 4003 Inventariserend veldonderzoek. Aanbevolen wordt echter om eerst een verkennend booronderzoek uit te voeren om te aard en intactheid van het bodemprofiel nader te bepalen.