3d. Bijlagen_Stadsweiden-Randmeer _2023-09-20
Tekst van het document
Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. De groene buitenruimte van het plangebied met zijn bomen, struiken en open water vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Het is mogelijk dat het plangebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormt. Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd.
Aan de noordwestzijde van het plangebied is een doorlopende watergang aanwezig. Deze kan gebruikt worden als vliegroute. Daarom is dit onderzocht in 2019, waaruit bleek dat er geen vliegroute aanwezig was. De situatie is ten opzichte van 2019 niet veranderd, waardoor vastgesteld kan worden dat er geen vliegroute aanwezig is. Dit hoeft dan ook niet nader onderzocht te worden.
15
4.2.6
Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis in de omgeving van het plangebied voor. Volgens verspreidingsatlas.nl ligt het plangebied daarnaast ook in het leefgebied van de ringslang. Ringslang De ringslang is sterk gebonden aan waterrijke habitats. De soort komt voor ten noorden van de grote rivieren en wordt vooral aangetroffen in laagveengebieden, natte heideterreinen en waterrijke zandgronden. Maar de soort komt ook voor op verhoogde terreinen zoals dijken, spoorbanen of struwelen. Belangrijk hierbij is de aanwezigheid van natuurlijke oevers met open plekken en ruigte zodat deze zowel zongelegenheid als schuilplaatsen bieden. Veel meer dan andere in Nederland levende reptielen wordt de soort ook in bebouwde omgeving en in agrarisch gebied aangetroffen. Leefgebieden van de ringslang hebben meestal veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid.
Voor de voortplanting is de ringslang afhankelijk van warme, vochtige plekken zoals composterende bladhopen of andere rottende boomresten. In cultuurlandschap wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, zaagsel- en composthopen of speciaal voor de ringslang aangelegde broeihopen. Ringslangen overwinteren op vorstvrije plaatsen onder takkenbossen, struiken, in oude konijnenholen of in kelders (Creemers & van Delft). In het plangebied zijn geen natuurlijke oevers aanwezig en ook van ruigte is vrijwel geen sprake. Van een geschikt biotoop voor de ringslang is in het plangebied dan ook geen sprake. De soort is dan ook niet te verwachten in het plangebied. Levendbarende hagedis Het habitat van de levendbarende hagedis bestaat uit vochtige gebieden zoals natte heiden, drogere delen van moerassen of veengebieden, duinen, open bossen en bosranden. Heide en hoogveen zijn een voorkeurshabitat. De soort wordt ook vaak in bermen, dijken en langs spoorlijnen aangetroffen welke van grote betekenis zijn voor de uitwisseling tussen populaties. Ook in half-natuurlijke graslanden en ruigten kan de soort gedijen. Open plekken om te zonnen zijn een voorwaarde voor vestiging. Winterverblijven bestaan uit vorstvrije plekken in zeggepollen, zandholen of onder boomstronken (Creemers & van Delft, 2009). Het aanwezige groen in het plangebied wordt intensief beheerd.
Van aanwezigheid van geschikte habitat voor deze reptielsoorten is dan ook geen sprake. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook niet te verwachten. Adder, gladde slang, hazelworm en zandhagedis
16
De adder, gladde slang, hazelworm en zandhagedis komen verder enkel voor in natuurlijke gebieden. Van leefgebied voor deze soorten is in het plangebied dan ook geen sprake. Aanwezigheid van deze soorten is dan ook niet te verwachten. 4.2.7
Amfibieën Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig en komt voor op braakliggende terreinen en bouwlocaties. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de alpenwatersalamander en heikikker in de omgeving van het plangebied voor. Voor deze soorten is in het plangebied geen geschikt leefgebied aanwezig, met name vanwege de volledig beschoeide oevers. Aanwezigheid van beschermde amfibiesoorten is dan ook niet te verwachten.
4.2.8
Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl ligt het plangebied niet binnen het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper. Deze soort is in het plangebied dan ook niet te verwachten. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat voor de overige beschermde vissoorten, is aanwezigheid van deze soorten in het plangebied niet te verwachten.
4.2.9
Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent,
17
helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). Gezien het bovenstaande biedt het plangebied enkel voor de platte schijfhoren mogelijk geschikt leefgebied. Echter, volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komt deze soort niet in de omgeving van het plangebied voor. De soort is dan ook niet in het plangebied te verwachten. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat voor de overige soorten, zijn ook deze niet in het plangebied te verwachten.
4.3
Bescherming houtopstanden In het plangebied zijn enkele bomen aanwezig. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is de nieuwe situatie in het plangebied nog niet volledig duidelijk. Of de bomen wel of niet behouden blijven is dan ook nog onzeker. Daarom gaan we uit van het worstcasescenario dat de bomen gekapt zullen worden. Op deze mogelijk te kappen bomen is niet het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming voor beschermde houtopstanden van toepassing, omdat de bomen zich in een tuin bevinden.
18
5 5.1
Effectbeoordeling en advies vervolgtraject Mogelijke effecten op beschermde gebieden Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Echter, het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Veluwerandmeren) ligt wel maar op ongeveer 10 meter afstand. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied mogelijk. Zo kan bij eventuele sloop en nieuwbouw door de aanwezige machines stikstof worden uitgestoten. Daarnaast kan de verkeersaantrekkende werking door de plannen toenemen. Ook verkeer stoot stikstof uit. Ook zijn andere verstoringen als gevolg van de ontwikkeling niet op voorhand uit te sluiten. Bij de mogelijke bouw- en sloopwerkzaamheden kunnen bijvoorbeeld grote hoeveelheden geluid en licht geproduceerd worden. Dit kan verstoringen veroorzaken in het naastgelegen Natura 2000-gebied. Daarom is er een voortoets uitgevoerd. De resultaten hiervan worden in een aparte rapportage besproken. Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op maar enkele meters van het plangebied. De bescherming van het NNN kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in de GNN of GO ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur.
De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.2
Mogelijke effecten op beschermde soorten
5.2.1
Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.
19
Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.
5.2.2
Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond het plangebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen. Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten.
Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden. Jaarrond beschermde nesten In het plangebied bij het gebouw Randmeer zijn tijdens het veldbezoek meerdere huismussen aangetroffen. Deze brachten ook nestmateriaal naar de dakrand, dus er kan geconcludeerd worden dat hier nog nesten van huismussen aanwezig zijn. In 2020 is deze dakrand conform ontheffing ongeschikt gemaakt voor huismussen. Waarschijnlijk hebben de huismussen toch plekjes gevonden waar ze tussen kunnen kruipen en is het dak niet volledig ongeschikt gemaakt. Het dak dient dan ook nogmaals ongeschikt gemaakt te worden conform de reeds geldende ontheffing, voordat de bebouwing gesloopt wordt. Voor gierzwaluwen is de te slopen bebouwing nog steeds volledig ongeschikt, vanwege het ongeschikt maken dat conform de ontheffing in 2020 heeft plaatsgevonden.
20
5.2.3
Overige beschermde soorten Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht. Soorten, waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet aanwezig zijn bij de te slopen delen. De te slopen delen zijn nog steeds volledig ongeschikt, vanwege het ongeschikt maken dat conform de ontheffing in 2020 heeft plaatsgevonden. Doordat geen beschermde elementen aanwezig zijn bij de te slopen delen, zijn negatieve effecten op deze categorie beschermde soorten niet te verwachten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg.
5.3
Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
21
6
Conclusie Aan de Westeinde en Plantage te Harderwijk bevindt zich een woonzorgcomplex, dat grotendeels in beheer is door Habion. Habion heeft plannen voor ruimtelijke ingrepen op deze locatie. Het gaat hier om zowel renovatie als sloop en nieuwbouw. Deze quick scan natuur voorziet in een update van de quick scan natuur die in 2018 is uitgevoerd. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Randmeren ligt dicht in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwerandmeren is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling en de kleine afstand tot het plangebied niet uit te sluiten. Daarom is er een voortoets uitgevoerd. De resultaten hiervan worden in een aparte rapportage besproken. Verder blijkt uit de quick scan dat het Natuurnetwerk Nederland op enkele meters afstand van het plangebied ligt. Hierop is geen externe werking van toepassing. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.
Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Uit de quick scan blijkt verder dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. In het plangebied bij het gebouw Randmeer zijn tijdens het veldbezoek meerdere huismussen aangetroffen. Deze brachten ook nestmateriaal naar de dakrand, dus er kan geconcludeerd worden dat hier nog nesten van huismussen aanwezig zijn. In 2020 is deze dakrand conform ontheffing ongeschikt gemaakt voor huismussen. Waarschijnlijk hebben de huismussen toch plekjes gevonden waar ze tussen kunnen kruipen en is het dak niet volledig ongeschikt gemaakt. Het dak dient dan ook nogmaals ongeschikt gemaakt te worden, voordat de bebouwing gesloopt wordt. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig bij de te slopen delen. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg.
Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
22
23