CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

2.1 Buitengebied - Van Goorswegje_Toelichting-gecomprimeerd

Commissie Stad & Omgeving 19 september 2024, gemeente HarderwijkBij agendapunt: 20.30 uur Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje22.070 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Omdat het hier gaat om de bouw van woningen is het besluit gevoelige bestemmingen niet aan de orde en vormt dit ook geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Dit plan sluit aan bij het milieubeleid en geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmering worden verwacht. 4.5.6 Bedrijven Bij de ontwikkeling van gebieden wordt met behulp van de systematiek uit de VNG uitgave “Bedrijven en milieuzonering” (uitgave 2009) bepaald binnen welke straal bedrijven invloed hebben op de omgeving en met welke milieuaspecten (zoals geluid, gevaar, e.d.) rekening gehouden dient te worden. In de VNG uitgave zijn voor de diverse SBI-codes deze zogenoemde milieuzones bepaald ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen. Aan de ene kant wordt hiermee bepaald of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij omliggende gevoelige objecten. Aan de andere kant wordt bekeken of eventuele nieuwe gevoelige objecten de omliggende bedrijven niet beperken. Naast de geadviseerde milieuzonering op basis van de VNG uitgave kunnen er ook afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Uitgangspunten De VNG uitgave gaat uit van twee omgevingstypen: een rustige woonwijk/buitengebied of een gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van matige tot sterke functiemenging, waar bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies aanwezig zijn.

Voor een gemengd gebied zijn de milieuzones kleiner dan voor een rustige woonwijk of buitengebied. In dit advies is vanwege de ligging in het buitengebied van Hierden uitgegaan van een rustige woonwijk. 4.5.7 Conclusie bedrijven voor het plangebied Door de Omgevingsdienst Noord Veluwe is aan de hand van een stappenplan onderzocht of ter plaatse van de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat te garanderen is, nu deze locaties in de directe nabijheid van Lorentz zijn gelegen (zie Bijlage 6). Uit dit onderzoek blijkt dat de beide locaties zijn gelegen binnen de contour van Lorentz I en II, wanneer wordt uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Verdere beschouwing van de aanwezige bedrijven leert dat er geen feitelijke bedrijven zijn gevestigd die invloed hebben op het plangebied. Deze bedrijven hebben een lagere milieucategorie dan mogelijk zou zijn op basis van de afstand tot de plangebieden. Op Lorentz III zijn ook geen feitelijke bedrijven aanwezig die invloed hebben op het plangebied. Hier is nog beperkt ruimte voor nieuwvestiging van bedrijven. Onderzoek laat zien dat de bedrijven op Lorentz I en II niet worden belemmerd door de beoogde plannen. De feitelijke woningen zijn al bepalend voor de ontwikkelingen op Lorentz I en II. Binnen Lorentz III kunnen potentiële bedrijven met milieucategorie 5.1 wel belemmerd worden. Dit is echter zeer

28

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 beperkt, omdat de contour slechts over een zeer klein deel van het perceel tussen van Goorswegje 17 en 19 is gelegen. Vanwege de ligging van deze contour over dit deel van het plangebied, kan niet zonder meer een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. In voorliggend plan is dit opgelost door geen milieugevoelig object (woning) binnen deze contour toe te laten door het bouwvlak daarbuiten te situeren. Gesteld kan worden dat de bedrijven geen belemmering vormen voor dit plan er een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. 4.5.8 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (ggo), zoals een woning. In de Wet geurhinder en veehouderij gelden verschillende normen, afhankelijk of de locatie al dan niet is gelegen in een concentratiegebied of binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij beschermt geurgevoelige objecten tot een maximaal toegestaan niveau (norm) van geurbelasting. In de Wet geurhinder en veehouderij wordt onderscheid gemaakt in twee soorten dieren: dieren waarvoor een geuremissiefactor (uitgedrukt in odeur units per seconde) is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv).

Met behulp van deze geuremissiefactor kan de geurbelasting op een ‘geurgevoelig object’ (ggo) worden berekend en worden getoetst aan de geurnorm. Deze dieren noemen we verder odeur unit-dieren, afgekort als OU-dieren. dieren waarvoor géén geuremissiefactor is bepaald. Voor deze dieren geldt een minimaal te respecteren afstand (‘vaste afstand’) tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van een ‘geurgevoelig object’ (ggo). Deze dieren noemen we verder vaste afstand dieren, afgekort als VAdieren. De gemeente Harderwijk ligt in een concentratiegebied zoals bedoeld in de Meststoffenwet. Er is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wet geurhinder en veehouderij biedt om, binnen bandbreedtes, af te wijken van de wettelijke normen. Wettelijk geldt voor de beoogde plannen in de gemeente Harderwijk, nu deze zijn gelegen buiten de bebouwde kom, de volgende normstelling voor OU-dieren: 14 OUE/m3 98 percentiel voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom; Voor VA-dieren gelden de minimaal aan te houden afstanden. Volgens de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen het emissiepunt van het dierenverblijf voor het huisvesten van VA-dieren en de buitenzijde van een geurgevoelig object minimaal: 100 meter voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom.

4.5.9 Conclusie Geur Voor de locaties van de beoogde woningen is een geuronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 7 en Bijlage 8) om te kunnen vaststellen of ter plaatse van de nieuwe woningen kan worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Daarbij zijn de veehouderijen binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied in beschouwing zijn genomen. Ook is onderzocht of de veehouderijen door de ontwikkelingen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Conclusie van het onderzoek is dat het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondgeurbelasting te kwalificeren is als goed tot zeer goed. Daarnaast maakt de bouw van de beoogde woningen geen inbreuk op de milieurechten en planologische geurruimte van omliggende veehouderijen, Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 4.5.10 Bodemkwaliteit Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Er dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele

29

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Verkennend bodemonderzoek Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek maakt als Bijlage 9 deel uit van de toelichting van dit bestemmingsplan. 4.5.11 Conclusie bodem voor het plangebied Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond (kwik) en in het grondwater (koper en nikkel) overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve formeel verworpen. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de woonbestemming van de percelen aan het Van Goorswegje wordt geconcludeerd dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu, op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de woonbestemming van het terrein.

4.5.12 Externe veiligheid Wettelijk kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een

30

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid In 2015 is de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Harderwijk vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau.

Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid. 4.5.13 Conclusie externe veiligheid Dit bestemmingsplan maakt de bouw van twee vrijstaande en een twee-onder-een-kap woning mogelijk. Nu deze woningen volgens artikel 1 van het Bevi als 'kwetsbaar object' worden gekwalificeerd, is externe veiligheid voor deze ontwikkelingen relevant.

Uitsnede van de EV-signaleringskaart_NL

De plannen voor de nieuwe woningen passen binnen de normen van het Bevi, Bevb en het Bevt.

31

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 De afbeelding hiervoor laat zien dat er in de buurt van het plangebied (rode cirkels) de volgende relevante risicobronnen aanwezig zijn Een buisleiding zijnde een aardgasleiding (40 bar) met aan weerszijden de veiligheidsafstand van 50 meter. Een hoogspanningsleiding (150 kV) , met aan weerszijden een indicatieve magneetveldzone van 105 meter. De aardgasleiding ligt op en dusdanig grote afstand van het plangebied dat deze niet relevant is. Gezien de ligging van het plangebied in de indicatieve zone (0,4 µT ), is onderzoek gedaan naar de elektromagnetische straling van de hoogspanningsleiding en de mogelijke relevantie daarvan voor de nieuw te bouwen woningen (zie Bijlage 10 en Bijlage 11). Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat het optredende magneetveld maximaal 0,06 µT bedraagt. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de streefwaarde van 0,4 µT zoals beschreven. De gemeten waarde bedraagt slechts 15% van deze streefwaarde. Ondanks dat binnen de indicatieve zone van 105 m wordt gebouwd, is de magnetische veldsterkte veel lager dan de streefwaarde van 0,4 µT. De aanwezigheid van de hoogspanningsleidingen zijn dus niet belemmerend voor de beoogde woningbouw. Op circa 1400 meter van het plangebied ligt de spoorlijn Amersfoort-Hattem. Dit is een transportroute voor gevaarlijke stoffen.

Over dit spoor worden brandbare vloeistoffen, brandbaar gas, toxische vloeistoffen en/of toxisch gas vervoerd. Er is een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter gemeten vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel voor het doorgaand verkeer. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). Door een ongeval op het spoor kan bij een ketelwagen gevuld met een toxisch gas of toxisch vloeistof de aansluiting van de afsluiter afbreken. Er ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van het toxische gas of vloeistof vrijkomt. De toxische vloeistof verspreidt zich over het spoorbed, dampt uit en er ontstaat een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt. De toxische wolk kan bij lage concentraties worden geroken. Hogere concentraties veroorzaken vergiftiging. Hierdoor kunnen personen in de omgeving slachtoffer worden. De omvang van de giftige wolk is afhankelijk van de inrichting van de omgeving en de weersomstandigheden. In dit kader is het advies van de Veiligheidsregio Noord-Oost Gelderland als volgt: De zelfredzaamheid van de aanwezige personen zo groot mogelijk te laten zijn, door gebruik te maken van NL-alert. Zorg te dragen dat het ventilatiesysteem goed functioneert.

Om te kunnen schuilen voor een toxisch scenario, is het noodzakelijk dat bewoners in zo'n situatie naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en dat de eventueel aanwezige mechanische ventilatie handmatig door de gebruikers kan worden uitgezet. Deze maatregel kunt u borgen in de vergunningverlenings-procedures van diverse objecten. Zorg te dragen voor een goede informatievoorziening aan de aanwezige personen, opdat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. Hierbij kan gedacht worden aan de voorlichtings-campagnes als 'Denk vooruit'/ 'Wees Voorbereid'. Toekomstige bewoners te attenderen op deelname aan 'Stan the CPR-network'. Dit is een hulpsysteem waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren (met AED), in afwachting van een ambulance. Deelname aan Stan the CPR-network kan levens redden. Initiatiefnemer wordt vezocht uitvoering aan dit advies te geven en de bewoners van de nieuwe te bouwen woning van dit advies in kennis te stellen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 4.5.14 M.e.r.-beoordeling Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in: 1.

activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.); 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige

32

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.). Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld. Wanneer het plan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde die in onderdeel D is opgenomen, wordt overschreden. Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Deze wijziging impliceert dat vanaf die datum een toets uitgevoerd moet worden of belangrijke nadelige milieugevolgen in verband met een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. (milieueffectrapportage)-beoordeling gehanteerd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarde blijven (en daarmee dus niet m.e.r.-plichtig zijn). De voorgenomen ontwikkeling maakt de bouw van vier woning mogelijk.

Deze ontwikkeling valt onder de categorie D11.2 ´de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen´. Een stedelijk ontwikkelingsproject valt onder een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De bouw van vier woningen op een relatief kleine oppervlakte valt onder deze drempel en is daarmee niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders) beslist of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten of dat een m.e.r. moet worden opgesteld. Omdat er bij voorliggend plan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht wordt een vormvrije m.e.r. toegepast. Het belang van de vormvrije m.e.r. is dat al in een vroeg stadium wordt beoordeeld of het plan of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. In de vormvrije m.e.r. dient het navolgende te worden beschreven: de kenmerken van de activiteit; de plaats waar de activiteit plaatsvindt; de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie); de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben.

4.5.15 Conclusie m.e.r -beoordeling voor het plangebied Het gaat hier om de bouw van vier woningen gelegen in een overwegend groene omgeving. Het plangebied ligt op ruimte afstand van de dichtstbijgelegen Natura 2000 gebieden Veluwerandmeren en de Veluwe. Uit Hoofdstuk 4 van deze toelichting blijkt voldoende dat er vanuit deze zeer kleinschalige ontwikkeling geen sprake is van concrete nadelige milieugevolgen waardoor er een uitgebreide m.e.r. beoordeling is vereist. Voor de vormvrije m.e.r. beoordeling is voor dit bestemmingsplan gebruik gemaakt van alle onderzoeken die ten grondslag liggen aan dit bestemmingsplan en de daaruit voortvloeiende conclusies. De conclusies uit deze onderzoeken sluiten nadelige milieugevolgen als gevolg van dit bestemmingsplan uit. Deze onderzoeken worden samen met dit hoofdstuk uit deze toelichting beschouwd als de zogenaamde aanmeldnotitie op basis waarvan het college heeft besloten dat er geen M.E.R.-procedure doorlopen hoeft te worden. Dit ontwikkeling brengt geen (significant) negatieve effecten met zich mee waardoor er een milieueffectrapportage opgesteld hoeft te worden.

33

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

4.6

Verkeer en parkeren

4.6.1 Algemeen Het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Harderwijk is opgenomen in het Verkeersstructuurplan (VSP). Het VSP is in december 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Harderwijk en het plan bestaat uit een deel Mobiliteitsvisie en een deel Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan. Het VSP geeft aan dat de prioriteit wordt gegeven aan het aanpakken en voorkomen van verkeersonveilige situaties. Op 23 mei 2013 is door de gemeenteraad een Parkeernormennota vastgesteld. Deze Parkeernormennota is een uitwerking van de vastgestelde visie op parkeren in Harderwijk (GVVP). De Parkeernormennota dient tevens als uitbreiding/toevoeging aan de parkeerfondsregeling. Omdat er geen wettelijke, door de rijksoverheid vastgestelde en voorgeschreven parkeernormen bestaan, heeft de gemeente Harderwijk besloten om de parkeernormen in één document vast te stellen met normen die specifiek toepasbaar zijn voor de situaties binnen de gemeente Harderwijk. Deze parkeernormen worden gebruikt bij het berekenen van de parkeerbehoefte bij voorzieningen als woningen, scholen, winkels, kantoren en bedrijven. Het vaststellen van deze parkeernormen is onder meer voor burgers, projectontwikkelaars en de gemeente Harderwijk zelf van belang. Door het vaststellen is het namelijk voor iedere belanghebbende duidelijk en inzichtelijk welke parkeernormen voor een bepaalde functie gehanteerd worden.

Hierdoor ontstaat eenduidigheid in het parkeernormenbeleid. 4.6.2 Conclusie voor het plangebied Voor woningen geldt een gemiddelde van zeven motorvoertuigbewegingen per dag. De verkeersaantrekkende werking van de nieuw te bouwen woningen is zeer beperkt, het aantal motorvoertuigbewegingen zal in de nieuwe situatie enigszins toenemen. Problemen op het Van Goorswegje worden niet verwacht. Het parkeren bij de nieuwe woningen vindt plaats op eigen erf. In het plangebied is voldoende ruimte voor de benodigde parkeerruimte van twee parkeerplaatsen (parkeernorm 1,8 parkeerplaatsen per burgerwoning) per woning. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

34

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

Een bestemmingsplan bepaalt hoe de gronden gebruikt mogen worden, of er ergens gebouwd mag worden en wat voor bebouwing dat mag zijn. Het gaat om het toelaten van bepaalde gebruiksmogelijkheden (toelatingsplanologie). De grondgebruiker (zoals eigenaar, huurder) mag de functie die het bestemmingsplan geeft uitoefenen. Dit houdt in dat de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een aangewezen bestemming daadwerkelijk te realiseren, maar ook dat de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen die in strijd is met de gegeven bestemming, of in strijd met het bestemmingsplan mag bouwen. 5.1.1 Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden gelezen en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels voor het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. In de volgende paragraaf wordt een nadere uitleg gegeven over de regels in het bestemmingsplan. 5.1.2 Regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt. Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels bepaald. 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Elk artikel kent de volgende opzet: eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw-en/of gebruiksregels. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook om algemene regels gaat, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

Behalve bestemmingen zijn er binnen het bestemmingsplan aanduidingen te onderscheiden. Deze aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen over het gebruik of het bouwen. Functieaanduidingen en bouwaanduidingen worden opgenomen in het artikel van de bestemming waarin ze voorkomen. Gebiedsaanduidingen hebben een eigen artikel omdat deze aanduidingen zich meestal over meerdere bestemmingen uitstrekken. In een bestemmingsplan kunnen regels worden opgenomen inzake afwijking van het bestemmingsplan bij omgevingsvergunning. Deze afwijkingen van de regels zijn bedoeld om de nodige flexibiliteit in het plan te brengen, zodat kan worden gereageerd op onvoorziene omstandigheden. Het gaat daarbij om relatief kleinschalige ruimtelijke ingrepen.

35

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

5.2

Bestem m ingsbepalingen

5.2.1 Wonen Binnen deze bestemming vormt wonen de hoofdfunctie, waarbij er een bouwvlak is opgenomen waarbinnen de woning gebouwd kan worden. Voor de woning geldt een maximum oppervlakte, goot- en bouwhoogte. Ook is het oppervlak aan bijbehorende bouwwerken begrensd. 5.2.2 Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden Deze bestemming geldt zowel voor het grasland grenzend aan het perceel tussen Van Goorswegje 17 en 19. Met de toekenning van deze bestemming is het gebruik beperkt tot agrarisch grondgebruik en zijn bouwmogelijkheden uitgesloten. Hiermee wordt aangesloten op het achterliggend gebied met open karakter.

5.3

Handhaving

Met het vaststellen van het bestemmingsplan zijn de werkzaamheden niet beëindigd. De instandhouding en ontwikkeling van een kwalitatief hoogwaardige woonomgeving vereist, dat er daarna, ook op het gebied van de handhaving, de nodige activiteiten worden verricht.

Handhavingsbeleid bouwen, ruimtelijke ordening en milieu De gemeente Harderwijk gunt iedereen zijn of haar vrijheid om te doen en laten wat hij of zij wil. Echter, daar waar de vrijheid van de één die van een ander schaadt, moet worden ingegrepen. In de vorm van kaderstelling in verschillende nota's legt de gemeente vast wat de spelregels zijn. Handhaving van deze regels is essentieel in het bewaken van orde, regelmaat én veiligheid in een leefgemeenschap. Als de handhaving onvoldoende is, verliezen de regels hun kracht. En daarom geldt: Vertrouwen waar het kan, handhaven waar het moet! Milieu Het milieu is misschien wel de meest collectieve 'ruimte' die er is. Een goed milieu is essentieel voor een gezonde leefomgeving. Omdat een goed milieu zo belangrijk is, moeten de regels die daarvoor zijn, strak worden nageleefd. Het streven is om te zorgen voor een duurzame leefomgeving waar huidige en toekomstige generaties gezond kunnen wonen. Ruimtelijke ordening Een stad is een levend organisme en heeft behoefte aan evenwicht in de ordening van schaarse ruimte. De samenleving en ruimte moeten zo goed mogelijk met elkaar in harmonie zijn. Omdat ruimtelijke ordening vaak grote objecten betreft, is handhaving erg belangrijk. Het nalaten van deze taak zou leiden tot een onevenwichtige stad, waar wonen, werken en infrastructuur niet op elkaar zouden zijn afgestemd.

Bouwen Bouwen en veiligheid zijn termen die hand in hand behoren te gaan. Iedereen in het bezit van een valide bouwvergunning heeft het recht om te bouwen conform de verleende vergunning. Veiligheid is een belangrijk argument om bouwvoorschriften te handhaven. Zodra er sprake is van een overtreding is het de plicht van de gemeente of brandweer een handhavingsprocedure te starten. Deze kan soms heel urgent zijn als er sprake is van overtreding die bijvoorbeeld de brandveiligheid in de weg staat. Een goede naleving van de regels verkleint de kans op ernstige calamiteiten. Een ander punt is welstand. Met name de stijl van het vooraanzicht van een pand is bepalend voor de sfeer en uitstraling van een buurt. Als deze stijl niet aansluit bij de uitstraling die in de buurt gewenst is, dan moet er worden ingegrepen. Richtlijnen voor welstand zijn daarom nodig. Naleving van deze regels is net zo hard nodig. Op deze manier draagt ook een stijlvolle welstand bij aan een evenwichtige stad die voor iedereen

36

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 aangenaam is. Nota integrale toezicht en handhaving In Harderwijk geldt de Nota integrale toezicht en handhaving. Deze nota geeft onder andere inzicht en antwoord op wat de gemeentelijke doelstellingen zijn en welke toezicht- en handhavingsonderwerpen daarbij horen. Daarnaast wordt ingegaan op wat de bouwstenen zijn voor het jaarlijkse uitvoeringsprogramma integraal toezicht/handhaving en hoe dat in de praktijk plaatsvindt. Toezichthouders controleren of inwoners en ondernemers zich houden aan regels. Toezicht heeft een belangrijk preventief karakter. Door toezicht te houden kan een overtreding worden voorkomen. Als men weet dat ergens op gelet wordt, is men minder geneigd regels te overtreden. Handhaving gaat een stap verder dan toezicht. Bij handhaving schrijft het gemeentebestuur iemand aan om een overtreding te beëindigen. Het gemeentebestuur neemt een handhavingsbesluit. Deze is gericht op herstel. Bij integraal toezicht en handhaving vindt het toezicht plaats op basis van gestelde prioriteiten en doelen waarbij de prioriteit leidend is voor de frequentie van het toezicht. Toezichthouders hebben een signaalfunctie voor elkaar. En waar dit mogelijk/wenselijk is, wordt samen toezicht/controle uitgevoerd.

Door dit vooraf met de verschillende afdelingen af te stemmen wordt integrale samenwerking gestimuleerd. Dat levert efficiencyvoordelen op maar ook een afname van de toezichtlast voor inwoners en ondernemers.

37

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

38

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht de gemeenteraad om voor ‘een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan’ het kostenverhaal te verzekeren. Dit kan door het vaststellen van een exploitatieplan of door het sluiten van een overeenkomst van grondexploitatie. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) kan worden gesteld dat met het voorliggende bestemmingsplan een aangewezen bouwplan mogelijk wordt gemaakt. Met de initiatiefnemers van dit plan is een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst komt de ontwikkeling en realisatie van de initiatieven voor rekening en risico van de initiatiefnemers. De door de gemeente gemaakte en te maken plan- en apparaatskosten evenals de mogelijk uit te keren tegemoetkomingen in schade (planschade) worden door de initiatiefnemers aan de gemeente vergoed. In deze exploitatieovereenkomst is het kostenverhaal geregeld. Het kostenverhaal is hierdoor anderszins verzekerd. Hierom hoeft geen exploitatieplan vastgesteld te worden bij vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad. Geconcludeerd wordt dat het bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje economisch uitvoerbaar is.

39

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

40

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak

Hoofdregel uit de Inspraakverordening Harderwijk 2007 is dat elk bestuursorgaan over zijn eigen bevoegdheden besluit of al of niet inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van het gemeentelijk beleid. Dit betekent dat ook voor een bestemmingsplan een besluit moet worden genomen over het al of niet toepassen van inspraak. In een aantal gevallen hoeft geen inspraak plaats te vinden, bijvoorbeeld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een zeer beperkt grondgebied (de zogenaamde postzegelplannetjes). De ontwikkeling waar dit bestemmingsplan voor opgesteld is, betreft een ontwikkeling van vier woningen op perceelsniveau. Gelet hierop wordt dit bestemmingsplan aangemerkt als een postzegelplan waarover geen inspraak hoeft plaats te vinden.

7.2

Vooroverleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet in het kader van het overleg als bedoeld in art. 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening overleg worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Gelet op het feit dat het hier gaat om een lokale ontwikkeling van woningen op perceelsniveau, is er geen sprake van een relevantie voor omliggende gemeenten, worden er geen rijksbelangen geschaad en is er geen sprake van een provinciaal belang. Gelet hierop is gemeend het wettelijk vooroverleg achterwege te kunnen laten. Er is wel informeel overleg gevoerd over dit plan met betrokken ketenpartners. Resultaten van dat overleg zijn verwerkt in dit plan.

7.3

Participatie

Initiatiefnemers hebben beide de beoogde plannen voorgelegd aan direct omwonenden, waarbij een toelichting is gegeven en een verslag is opgemaakt. Omwonenden geven aan begrip te hebben voor de wens voor nieuwe woningen, maar vinden het ook jammer een stukje weiland te zien verdwijnen. Aandacht is gevraagd voor de te planten bomen in verband met privacy, zonlicht en zicht, bereikbaarheid van percelen en is verzocht om groene erfafscheidingen toe te passen. Ook is er door omwonenden minder positief gereageerd op het aantal en de hoogte van de woningen tussen de nummers 13 en 15 en de situering van het bijbouw op het perceel naast nummer 19. In dit laatste geval is gezamenlijk gezocht naar een oplossing.

7.4

Zienswijzen

Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Buitengebied - Van Goorswegje' heeft met ingang van 28 december 2023 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen, zoals voorgeschreven in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3:4 Algemene wet bestuursrecht. Tijdens deze termijn is aan iedereen gelegenheid geboden om schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken bij de gemeenteraad. Dit is op 27 december 2023 bekend gemaakt in het Gemeenteblad. De stukken waren voor 1 januari 2024 raadpleegbaar op www.ruimteliikeplannen.nl en zijn sinds 1 januari 2024 raadpleegbaar via de website 'Regels op de kaart'.

Er zijn zes zienswijzen ingediend over het bestemmingsplan 'Buitengebied - Van Goorswegje'. In de 'Commentaarnota zienswijzen en ambthalve wijzigingen (bijlage Bijlage 12) zijn deze zienswijzen behandeld. Naar aanleiding van de zienswijzen is dit bestemmingsplan op de in deze commentaarnota benoemde punten aangepast.

41

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

42

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Bijlagen bij de toelichting

43

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

44

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Bijlage 1 Beleidskader Water

45

Beleidskader Water De Europese Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Sinds 1 november 2003 is er een wettelijke verplichting om een watertoets uit te voeren bij ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt wat de gevolgen zijn van een ruimtelijke ontwikkeling voor het waterbeheersysteem en op welke wijze de ruimtelijke ontwikkeling en het waterbeheer op elkaar worden afgestemd. Waterwet

De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit heeft geresulteerd in één vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden aangevraagd. Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)

In 2003 is door het Rijk, de provincies (IPO), de waterschappen (Unie van Waterschappen) en de gemeenten (VNG) het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend in navolging op het advies Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het doel van het NBW is om rekening houdend met klimaatverandering, zeespiegelrijzing, bodemdaling en verstedelijking het watersysteem op orde te hebben in 2015 en richting 2050 op orde te houden. Het tegengaan van wateroverlast is een belangrijk onderdeel van het waterbeheer. De werknormen uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) geven aan in welke mate (frequentie) wateroverlast wordt geaccepteerd (kans op inundatie vanuit oppervlaktewater).Deze normen zijn afhankelijk van het grondgebruik en het streven vanuit het NBW om in 2015 aan deze normering te voldoen. Om wateroverlast te voorkomen en problemen af te wentelen op benedenstroomse gebieden is in het NBW de strategie vasthouden –bergen-afvoeren uit het advies WB21 aangehouden. Het landelijke beleid streeft ook naar verbetering van de waterkwaliteit en ecologie als integraal onderdeel van het water. De voorkeursstrategie schoonhouden, scheiden, zuiveren is daarbij een belangrijke leidraad. De aanpak van diffuse bronnen zoals bouwmaterialen (duurzaam bouwen), het gebruik van bestrijdingsmiddelen en het wegverkeer zijn bij onder andere het afkoppelen van hemelwater belangrijke aandachtspunten.

De aanleg van natuurvriendelijke oevers, het vergroten van trek- en paaimogelijkheden van vis, een natuurlijker peilbeheer en het stimuleren van de groei van waterplanten dragen bij aan het verbeteren van waterkwaliteit en ecologie.

1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: De Omgevingsagenda. Voor Oost-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waar Regio Harderwijk onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio. De NOVI-gebieden. Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (klimaatadaptatie)

Met het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is door de overheden afgesproken om vanaf 2020 ruimtelijke adaptatie een integraal onderdeel uit te laten maken van het beleid. Het Deltaplan versnelt en intensiveert de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen, met als doel om Nederland voor 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht te hebben. Daarvoor wordt de methodiek van ‘weten, willen, werken’ gehanteerd volgens de werkwijze die in 2014 in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken. Nationaal Water Programma 2022-2027

Water speelt een belangrijke rol bij de 4 prioriteiten voor de fysieke leefomgeving zoals het Rijk die stelt in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De prioriteiten bestaan uit samenhangende opgaven waarin water steeds een belangrijke rol speelt. Het beleid van de NOVI met betrekking tot deze 4 prioriteiten is in het nationaal waterplan verder uitgewerkt. 2

Water en de bodem vormen het leidende principe bij de ruimtelijke inrichting van Nederland. Al bij het ontwerpen wordt bedacht hoe de inrichting meerdere doelen kan dienen en de natuurlijke processen in het gebied kan versterken. Daarbij wordt het water zo veel mogelijk vastgehouden of tijdelijk geborgen en alleen als het niet anders kan afgevoerd. Daarnaast worden oplossingen gekozen om zo zuinig mogelijk om te gaan met het beschikbare water. Het NWP kent drie hoofdambities; 1. Een veilige en klimaatbestendige delta; Naast het beschermen van Nederland tegen overstromingen wordt er veel aandacht besteed aan het aanpassen aan het veranderende klimaat; klimaatadaptatie. Nederland moet in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust zijn ingericht. 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; Waarbij een toekomstbestendige zoetwatervoorziening centraal staat. Er wordt zuinig omgegaan met het beschikbare zoete water. Zoetwater wordt zo veel mogelijk vastgehouden voor toekomstig gebruik en bij schaarste wordt het water slimmer verdeelt. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur; Er wordt voorkomen dat verontreinigende stoffen in grondwater of oppervlaktewater terecht komen. Natuur en biodiversiteit in en rond het water wordt versterkt. Regionaal Waterprogramma 2021-2027 Gelderland

De provincie werkt aan een gaaf Gelderland, waar inwoners prettig en veilig kunnen wonen, werken en ontspannen. En waar we de natuur en omgeving beschermen en ontwikkelen. Water speelt hierin een grote rol. Water om te drinken, over te varen, in te zwemmen. Water voor landbouw, natuur en landschap. Water dat ook een risico is en kan zorgen voor overstromingen. Samen met haar partners bereidt de provincie zich voor op het watersysteem van de toekomst. Een watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland en dat zelf ook van waarde is: schoon, bestand tegen het veranderende klimaat en met genoeg soorten planten en dieren. De omgevingsvisie Gaaf Gelderland kent 7 thema’s, waarin water een belangrijke rol speelt; Vestigingsklimaat; Voldoende water van voldoende kwaliteit is belangrijk als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie. Daarom inzet op onder andere efficiënt en effectief grondwatergebruik via grondwaterbeheer, voorraadbeheer en besparen. Wonen; Water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit. Bereikbaarheid; Er wordt gestreefd naar een goede ontsluiting over water, waarbij ook in tijden van laag water de beroepsvaart de vaarwegen goed kan bevaren.

Biodiversiteit; Voldoende water van voldoende kwaliteit voor (beschermde) planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer van water, oevers, onderhoudspaden, keringen en groene bergingen, doorgaan met verdrogingsbestrijding Klimaatadaptatie;

3

Het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge perioden, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen van wateroverlast en bescherming tegen overstromingen Energietransitie; Het bodem- en watersysteem biedt onder andere mogelijkheden voor zonnevelden op water, waterkracht, bodemenergie, aardwarmte en aquathermie. Zuiniger gebruik maken van water als grondstof voor een vermindering van het energieverbruik voor koelen, verwarmen etc. Circulaire Economie; Water als (herbruikbare) grondstof. Water is een belangrijke grondstof, door te zorgen dat deze schoon blijft, kan water goed hergebruikt worden Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe

Het waterschap Vallei en Veluwe werkt aan een waardevolle leefomgeving voor iedereen, in een constant veranderende wereld. Met het blauw omgevingsprogramma wordt nadrukkelijk de samenwerking met inwoners en de maatschappelijke partners van het waterschap opgezocht. Zo wordt er gezamenlijk gewerkt aan het bouwen van een duurzame en waardevolle leefomgeving. Een leefomgeving waarin voldoende schoon water beschikbaar is. Waar inwoners beschermd worden tegen overstromingen, vanuit de rivieren maar ook door hevige lokale neerslag. De sponswerking van de bodem wordt verbeterd en er wordt ingezet op het versterken van de natuurwaarden en vergroten van de biodiversiteit. Gebiedsprogramma Noord-Veluwe Het Blauw Omgevingsprogramma kent 4 gebiedsprogramma’s, waaronder het gebiedsprogramma Noord-Veluwe. Hierin wordt samen gewerkt aan een samenhangende en natuurlijke randmeerkustzone, met veilige dijken, een dynamisch buitenwater en een robuust wateryssteem van de Veluwerand. De grondwateraanvulling wordt gestimuleerd door te zoeken naar manieren om de zoetwatervoorraad op de Veluwe te vergroten. Zoals via een ander bos- en natuurbeheer. De kwaliteit van de leefomgeving wordt versterkt door de ontwikkeling van (klimaat)robuuste en natuurlijke beeksystemen, zoals de Hierdense Beek van bron tot monding. De kernen, waaronder Harderwijk, hebben een eigen ruimtelijke groei-ambitie.

Door hier de waterprincipes van maximaal schoonhouden en water als ordenend principe toe te passen, worden deze kernen robuuster gemaakt. Door combinaties te zoeken met de andere opgaven, recreatieve kansen van de randmeerkust te benutten en te streven naar robuuste ecologische verbindingen, wordt er gewerkt aan een gezonde en duurzame leefomgeving. Keur en Waterschapsverordening

De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende gemalen, stuwen en sluizen. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de regels van het waterschap die op dit moment in de keur staan, opgenomen in de opvolger: de Waterschapsverordening. De Keur Het waterschap heeft als taak om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Om deze doelen te kunnen realiseren beschikt het waterschap over een eigen verordering, die van oudsher de Keur heet. De Keur kent ‘verboden’ en ‘geboden’ voor de manier van gebruik, onderhoud en inrichting van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende

4

kunstwerken en het grondwater. Deze gebods- en verbodsbepalingen in de Keur zijn algemeen van aard. Via de algemene regels en via beleidsregels zijn deze bepalingen verder uitgewerkt. Algemene regels en beleidsregels Om veel tijdrovende en enigszins onnodige vergunningsprocedures te voorkomen zijn de meest voorkomen werkzaamheden – die onder voorwaarden kunnen worden toegestaan – gereguleerd via de algemene regels. Daar waar bij een ingreep in het watersysteem niet aan de algemene regels kan worden voldaan bestaat de mogelijkheid een vergunning aan te vragen voor de werkzaamheden / werken. Zuiveringskring Afvalwaterketen Plan WHEP 2016-2023 (ZAP WHEP)

Het ZAP is een gezamenlijk plan van gemeenten Harderwijk, Ermelo en Putten alsmede Waterschap Vallei en Veluwe en heeft de status van het (wettelijk verplicht) verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP). In het plan zijn de volgende beleidsmatige uitgangspunten gedefinieerd voor de wettelijke gemeentelijk zorgplichten stedelijke afvalwater, hemelwater en grondwater: Stedelijk Afvalwater Uitgangspunt voor stedelijk afvalwater zijn de wettelijke verplichtingen Wet milieubeheer art. 10.33. Stedelijk afvalwater bestaat uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De zorgplicht voor stedelijk afvalwater kent in vergelijking met de andere zorgplichten weinig vrijheid: inzamelen, transporteren en zuiveren (door het waterschap) is verplicht. Hemelwater Op het gebied van hemelwater is de belangrijkste opgave de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen. We doen dit door aanpassingen van onze systemen en door meer gebruik te gaan maken van de openbare ruimte voor opvang en verwerking van hemelwater. Vanuit de Waterwet artikel 3.5 zijn gemeenten verantwoordelijk voor een doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater.

Deze verantwoordelijkheid geldt alleen zolang degenen die zich wil ontdoen van hemelwater niet redelijkerwijs de mogelijkheid heeft om het hemelwater zelf in de bodem of op een oppervlaktewater te lozen. Uitgangspunten hierbij zijn: •

• • •

Perceeleigenaar is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor inzameling en verwerking van hemelwater (infiltratie op eigen terrein). Indien dit redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden verwacht, zal de gemeente de zorgplicht over moeten nemen. Perceeleigenaren van bestaande bebouwing worden gestimuleerd om hemelwater van de vuilwater riolering af te koppelen. Bij eventuele reconstructie: hemelwater van openbaar gebied afkoppelen van riolering, tenzij dit niet doelmatig blijkt te zijn. Bij eventuele nieuwe grootschalige ontwikkelingen (inbreiding en/of herinrichting): hemelwater bij voorkeur lokaal inzamelen en verwerken (infiltratie of lozing op oppervlaktewater), tenzij dit niet doelmatig blijkt te zijn (bijvoorbeeld bij ongeschikte bodemsamenstelling, hoge grondwaterstand of bestaand dicht stedelijk gebied).

Om het afstromend hemelwater schoon te houden worden geen uitlogende materialen gebruikt bij de woningbouw en in de openbare ruimte (straatmeubilair en dergelijke). Op nieuwe bouwlocaties zal alleen het huishoudelijk afvalwater worden aangesloten op de gemeentelijke riolering. Voor het hemelwater moet een andere wijze van afvoeren worden gevonden. Hiervoor bestaan in principe twee mogelijkheden, namelijk infiltratie in de bodem en lozing op het oppervlaktewater. Grondwater De bewoner heeft de verplichting om overtollig grondwater op eigen terrein te verwerken (waterwet art. 3.6). De gemeente heeft een regierol wat inhoudt dat in overleg met degene die overlast ervaart er wordt gekeken naar een mogelijke oplossing. 5

Uitgangspunten hierbij zijn: • • •

•

•

• •

de perceeleigenaar: verwerkt grondwater op eigen terrein en zorgt voor een waterdicht pand. de gemeente: neemt meldingen in ontvangst en zoekt naar een oplossing. alleen als geen enkele andere partij een oplossing kan of hoeft te bieden, dan neemt de gemeente maatregelen. Er worden alleen maatregelen genomen als sprake is van structurele grondwateroverlast die de gemeente op een doelmatige manier kan oplossen. het waterschap; neemt peilbesluiten en beïnvloedt hiermee de grondwaterstand. Vooral buiten de bebouwde kom speelt het waterschap hiermee een belangrijke rol. Ook verleent het waterschap vergunning voor kleinere grondwateronttrekkingen. de provincie: verleent vergunningen voor grotere industriële grondwateronttrekkingen, onttrekkingen voor de drinkwatervoorziening en onttrekkingen voor een bodemenergiesysteem. Ook werkt de provincie aan natuurontwikkeling. Vooral als ergens sprake is van verdroging zal grondwater voor de provincie een belangrijk onderwerp zijn. Bij nieuwbouw ligt het maaiveld minimaal 0,7 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand, tenzij een hogere grondwaterstand voor de beoogde functie gewenst is. Bij nieuwbouw ligt de bodem van de kruipruimte minimaal 0,2 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand.

Grondwaterneutraal bouwen Voor de bouw van eventuele ondergrondse ruimten (kelders) moet de grondwaterstand gedurende de uitvoeringsperiode mogelijk worden verlaagd. De constructie van de kelder(s) moet zodanig waterdicht worden uitgevoerd dat na de bouw in de gebruiksfase geen (permanente) grondwaterstandverlaging nodig is. Tevens betekent dit ook, dat bij nieuwbouw het vloerpeil (bijvoorbeeld ophogen) of de bouwwijze (bijvoorbeeld kruipruimte loos) moet worden afgestemd op de grondwaterstand, zodat er geen permanente drainage nodig is. Om grondwateroverlast te voorkomen moet er een watertoets worden uitgevoerd.

6

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

52

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Bijlage 2 Archeologisch onderzoek

53

Bijlage 1

Boring:1

Boring:2

Referentievlak: N.A.P. Maaiveldhoogte: 3.0694

X: 173025,66 Y: 485170,62 307

0

Referentievlak: N.A.P. Maaiveldhoogte: 3.0608 weiland A-HORIZONT Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, DRBR, Edelmanboor, diffuus, bouwvoor

25

0

X: 173013,32 Y: 485190,07 306

weiland A-HORIZONT Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, DRBR, Edelmanboor, diffuus, bouwvoor

25 266

262

50

C-HORIZONT Zand, matig fijn, zwak siltig, matig grindhoudend, GE, Edelmanboor, Onderin meer grind

75

50

251

75 216

AC-HORIZONT Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, brokken leem, GEBR, Edelmanboor, Rommelig, diffuus C-HORIZONT Zand, matig fijn, zwak siltig, LIGE, Edelmanboor

207

100

Boring:3

Boring:4

Referentievlak: N.A.P. Maaiveldhoogte: 2.9812

X: 173000,65 Y: 485209,35 298

0

Referentievlak: N.A.P. Maaiveldhoogte: 3.0173 weiland A-HORIZONT Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, DRBR, Edelmanboor, diffuus, bouwvoor

25

0

X: 172981,12 Y: 485212,59 302

weiland A-HORIZONT Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, BR, Edelmanboor, scherp, bouwvoor

25

253

50

243

75 208

AC-HORIZONT Zand, matig fijn, zwak siltig, LIBRGE, Edelmanboor, scherp

50

Zand, zeer fijn, zwak siltig, weinig grind, LIGE, Edelmanboor

75

252

232

212

C-HORIZONT Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGE, Edelmanboor Zand, matig fijn, zwak siltig, matig grindhoudend, GE, Edelmanboor

Projectcode:

2022-0479E

Boormeester: Projectleider:

L. Soetens Arjan Hullegie

Projectnaam:

Van Goorswegje

Schaal:

1: 30

getekend volgens NEN 5104

Bijlage 1

Boring:5

Boring:6

Referentievlak: N.A.P. Maaiveldhoogte: 2.881

X: 172993,44 Y: 485195,03 288

0

Referentievlak: N.A.P. Maaiveldhoogte: 3.0376 weiland A-HORIZONT Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, DRBR, Edelmanboor, bouwvoor

25

0

238

75

208

304

weiland A-HORIZONT Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, DRBR, Edelmanboor, diffuus, bouwvoor

25

248

50

X: 173005,68 Y: 485175,39

264

AC-HORIZONT Zand, zeer fijn, sterk siltig, zwak humeus, matig ijzerhoudend, BRGE, Edelmanboor, Rommelig C-HORIZONT Zand, zeer fijn, zwak siltig, weinig grind, LIGE, Edelmanboor

50 244

75

100

AC-HORIZONT Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, BRGE, Edelmanboor, Rommelig C-HORIZONT Zand, zeer fijn, zwak siltig, LIGE, Edelmanboor

204

Projectcode:

2022-0479E

Boormeester: Projectleider:

L. Soetens Arjan Hullegie

Projectnaam:

Van Goorswegje

Schaal:

1: 30

getekend volgens NEN 5104

Legenda (conform NEN 5104)

grind

klei Grind, siltig

geur Klei, zwak siltig

geen geur zwakke geur

Grind, zwak zandig

matige geur

Klei, matig siltig

sterke geur Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

matige olie-water reactie sterke olie-water reactie

Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10

Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000 Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

Zand, uiterst siltig

>10000

monsters

geroerd monster

overige toevoegingen

ongeroerd monster

zwak humeus volumering

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Bijlage 3 Natuurwaarden onderzoek

81

v.r,

v'ecofect

ļjSţţř.ijĩffliļŵ í

^‘.'./V'-v-^.

',WS-:«VÍÍ

Ĩp'íCa,' v " -. y - vií

ģdSļ

ál;Msüi • •V:

w

z ŵr fTüľa*4v'-‘’

VAN GOORSWEGJE 13-15 EN 17-19

HIERDEN QuickScan Wet natuurbescherming

PLan: Nieuwbouw

Datum: Project:

12 september 2023 QS51115.1

QUICKSCAN 51115 GOORSWEGJE 13-15 EN 17-19 HIERDEN

INHOUD 1. CoLofon

3

2. Samenvatting en advies

4

3. InLeiding

5

3.1

Aanleiding

5

3.2

PLanLocatie

5

4. Kader en methode

8

4.1

WetteLijk kader

8

4.2

Onderzoeksmethode

12

4.3

Toepasbaarheid

13

5. Gebiedsbescherming

14

5.1

Natura 2000

14

5.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

16

5.3

Stikstofdepositie

17

6. Soortbescherming

18

6.1

FLora

18

6.2

Fauna

19

6.3

Houtopstanden

27

Verantwoording

28

BijLagen

29

ecofect

2

QUICKSCAN 51115 GOORSWEGJE 13-15 EN 17-19 HIERDEN

1. Colofon Onderzoek

QuickScan natuurtoets

Document

QS51115.1

Datum

12 september 2023

Locatie

Van Goorswegje 13-15 en 17-19, Hierden

Opdrachtgever

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=31023fed-35de-4d44-9e5a-220194b4b28f