1. Rapport RKP Varende historische schepen Harderwijk (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Een koproer of kopschroef kan dan behulpzaam zijn. Aan de overzijde van de Lelyhaven zijn ligplaatsen in boxen voorzien voor kleine recreatievaartuigen. De historische schepen moeten in de Lelyhaven voorzichtig manoeuvreren. Deze bruggen hebben een doorvaartbreedte van 6 meter. Vanwege de knik in het vaarwater voor de brug is 28 meter de maximale scheepslengte15. De Lelyhaven wordt aan beide zijden bebouwd met woningen. Vanwege de gewenste rust en de beperkte manoeuvreerruimte is er in de Lelyhaven geen ligplaats voor historische passagiersvaartuigen en voor historische vaartuigen die nog als bedrijfsvaartuig gebruikt worden. Het streefbeeld voor de historische schepen die hier ligplaats in kunnen nemen, wordt gekenmerkt door een wat robuustere vormgeving, die past bij de iets jongere historische schepen, zoals een motorvrachtschip, sleepboot, dienstvaartuig of reddingsboot en incidenteel een gemotoriseerd zeilschip. Dit zijn in de regel stalen schepen. In de Lelyhaven kunnen ook enkele opduwertjes liggen. Een opduwer of opdrukker is een klein duw- en sleepbootje. Deze opduwertjes werden in de eerste helft van de twintigste eeuw gebruikt als bijboot van tjalken en klippers, en worden daarom ook als historische schepen aangemerkt. Gezien hun afmeting, lengte 3 à 4 meter, en hun voormalige functie passen deze schepen goed in de Lelyhaven.
De opduwers kunnen assisteren bij het manoeuvreren van de grotere historische schepen in deze haven. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een sleepboot, beurtschip en spits.
15 De maatvoering voor een veilige doorvaart van bruggen is opgenomen in de Havenregeling, die gaat over het gebruik,
het beheer van en de veiligheid in de havens.
29
Criteria schepen in Lelyhaven16 Algemeen • Schepen zijn van een type kenmerkend voor de Nederlandse (binnen)wateren en geschikt om te varen; • Het schip past in de maat en schaal van de omgeving; • De vormgeving past in de traditie van de Nederlandse scheepsbouw en is zorgvuldig met oog voor detail; • De vormgeving is evenwichtig en alzijdig met aandacht voor verhoudingen en symmetrie in de lengterichting; • Aanpassingen en voor de vaart noodzakelijke toevoegingen in vorm, maat en schaal zijn afgestemd op het (oorspronkelijke) type schip. Romp • • • •
De romp heeft een vorm passend bij het (oorspronkelijke) type schip met daarbij passende verhoudingen tussen lengte, breedte en hoogte; De romp heeft herkenbare stevens, is gezeegd en heeft doorgaande lijnen zonder onderbrekingen; De romp is gesloten van karakter en wordt niet aangetast door er delen uit te zagen ten behoeve van bijvoorbeeld ramen of toegangen; Eventuele openingen ten behoeve van daglicht zijn uitgevoerd als patrijspoorten met bescheiden afmetingen en in plaatsing afgestemd op het type, de maten en de lijnen van het schip.
Opbouw 16 De criteria zijn algemene maatstaven. Bij wijze van uitzondering blijft het mogelijk om in individuele gevallen
bestuurlijk hiervan af te wijken.
30
• •
• •
• • • • • •
De opbouw past bij het type en de verhoudingen van het (oorspronkelijke) schip met de daarbij behorende hoogteverschillen; Schepen hebben een hoofdopbouw met een beperkte hoogte en zijn afgestemd op het type en hebben: - een voordek van tenminste 2,00 meter; - een achterdek van tenminste 0,50 meter; - doorgaande gangboorden van tenminste 0,20 meter breedte, die ter plekke van de stuurhut onderbroken kunnen zijn; Roef en stuurhut beslaan samen niet meer dan 30% van de scheepslengte, waarbij voor de stuurhut op zich een maximum geldt van 15%; Ramen en deuren in de wanden van de opbouw volgen de zeeg met één doorgaande lijn, zijn afgestemd op de vormgeving van het scheepsdeel waarin zij zich bevinden en sluiten niet direct aan op gangboord of dak; Daken volgen de lijnen van de romp (zeeg) en zijn in de breedterichting licht gebogen of hellend met een maximum van 15 graden; Eventuele dakramen zijn plat aangebracht met een hoogte inclusief kozijn van niet meer dan 0,10 meter; Koekoeken aanbrengen op het dak van de opbouw in de lengteas van het schip met een hoogte van niet meer dan 0,25 meter; Een stuurhut heeft een gesloten onderkant en is daarboven voorzien van transparante ramen; Geen hekken, kooien en dergelijke (uitgezonderd relingen voor de veiligheid); Afvoerpijpen steken in beginsel niet meer dan 1m boven het dak of dek.
Materiaal en kleur • De romp en opbouw inclusief onderdelen zoals kozijnen zijn van metaal of hout (geen golfplaat of kunststof); • Daken zijn van hout of metaal dan wel voorzien van zeildoek, zorgvuldig gedetailleerde bitumen/EPDM of begroeiing; • Het glas is helder en doorzichtig (uitgezonderd beloopbaar glas); • Schilderwerk is uitgevoerd in gedekte kleuren (voor de opbouw eventueel wittinten) met indien gewenst kleuraccenten passend bij het schip; • De romp en de opbouw verschillen van kleur of zijn gescheiden door een kleuraccent. Overig • Een reclame in de vorm van een naamsvermelding: - een bescheiden bord bevestigd tegen de opbouw; - een plank geplaatst op de luikenkap of roef; - op de den geschilderde letters; - nautisch verplichte gegevens. Referentiebeelden
Sleepboot
Luxe motor
Spits
Opduwer
31
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Register Varend Erfgoed Nederland en RVEN-pas Verplichte veiligheidscertificaten Meetbrief Documentatie en archivering Waarderingscriteria bouwkunst RCE Waarderingscriteria scheepsbouwkunst ErfgoedWerf Gegevens vaartuig voor objectbeschrijving Scheepstypen Scheepsonderdelen
32
Bijlage 1. Register Varend Erfgoed Nederland Het Register Varend Erfgoed Nederland (RVEN) is een onafhankelijk register dat wordt bijgehouden door de Federatie Varend Erfgoed Nederland (FVEN) en beheerd door de Register Commissie - register@fven.nl. Alle schepen, die aan de toelatingscriteria voldoen, kunnen in het register worden ingeschreven. Na registratie krijgt de scheepseigenaar een RVEN-pas met een registratienummer. De gebruikelijke weg om een historisch schip in het RVEN op te nemen, is een aanmelding bij een behoudsorganisatie die is aangesloten bij de FVEN. Deze behoudsorganisatie regelt ook de verlengingen van de inschrijving en eventuele wijzigingen in de scheepsgegevens en het plaatsen van foto’s.
De volgende behoudsorganisaties zijn aangesloten bij de FVEN en hebben hun registers aangesloten bij het RVEN: Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten SSRP Vereniging BotterBehoud VBB Landelijke Vereniging tot Behoud van het Historisch Bedrijfsvaartuig LVBHB Vereniging Klassieke Scherpe Jachten VKSJ Stichting tot Behoud van Authentieke Stoomvaartuigen en Motorsleepboten BASM Vereniging van Booteigenaren “Oude Glorie” VBOG Vereniging De Motorsleepboot VDMS Vereniging tot behoud van de Zalmschouw VBZ Nederlandse Vereniging tot Behoud van Zeilwherries “Het Zeilend Scheehout” NVBZ Stichting Behoud Hoogaars SBH Nautische Vereniging Oude Reddings Glorie NVORG Stichting KotterZeilen SKZ Stichting Langedijk Waterrijk SLW Zweedse Klassieker Club ZKC Maritiem Museum, Rotterdam Zuiderzeemuseum, Enkhuizen (collectie) Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam (collectie)
33
Bijlage 2. Verplichte veiligheidscertificaten Vanaf 1 januari 2019 moeten veel binnenschepen voor het varen op Europese wateren een geldig certificaat van onderzoek hebben. Deze verplichting staat in de Binnenvaartwet hoofdstuk 3, paragraaf 1. Aanvragen voor een certificaat kunnen worden ingediend bij klassenbureaus en keuringsinstanties. De certificaatplicht geldt voor de volgende typen schepen: • • • • • • • • •
Binnenschepen met een lengte vanaf 20 meter Hecht aan elkaar verbonden schepen met een lengte vanaf 20 meter Binnenschepen waarvan het product van lengte, breedte en diepgang tenminste 100 m3 bedraagt Sleepboten, duwboten of sleepduwboten; Passagiersschepen; Veerponten voor bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen (exclusief bemanning); Veerboten; Drijvende werktuigen; Binnenschepen die gevaarlijke stoffen als bedoeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervoeren en binnenschepen die bij deze schepen langszijde ligplaats mogen nemen.
Certificaten hebben een beperkte geldigheid en moeten, afhankelijk van het type schip en type certificaat, iedere tweeënhalf, vijf of zeven jaar verlengd worden. Er zijn verschillende soorten binnenschipcertificaten: • • • • •
Certificaat van Onderzoek voor de Rijn (CvO-R) Communautair Binnenvaartcertificaat voor Binnenschepen (CBB) Unie Binnenvaartcertificaat Aanvullend communautair Binnenvaartcertificaat voor Binnenschepen (ACBB) Duwbijlage
De standaardeisen waaraan een certificaat-plichtig binnenschip moet voldoen, zijn in Europees verband vastgesteld in de ES-TRIN, de ‘Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen’. Hierin zijn de bouw, de inrichting en de uitrusting van binnenschepen uitgewerkt. Deze technische eisen staan voor Nederland beschreven in de Binnenvaartregeling hoofdstuk 3. De ES-TRIN bevat in hoofdstuk 24 een hoofdstuk ‘Bijzondere bepalingen voor traditionele vaartuigen’. Deze bijzondere bepalingen bieden een opening om, indien een vaartuig door zijn aard niet aan de standaardvoorschriften kan voldoen én de moeite van het behouden waard is, afwijkende of bijkomende bepalingen vast te stellen die een gelijkwaardige veiligheid waarborgen. Een voorwaarde om van dit hoofdstuk gebruik te maken is dat een ‘erkend deskundige’ heeft geadviseerd dat vaartuig te erkennen als ‘traditioneel vaartuig’. Als erkend deskundige heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de Stichting Adviesorgaan Traditionele Vaartuigen aangewezen. Als een eigenaar haar of zijn vaartuig wil laten erkennen als ‘traditioneel vaartuig’, moet zij of hij onderzoek doen en verschillende documenten opstellen.
Meer informatie hierover is te lezen via de volgende link: https://adviesorgaan-traditionele-vaartuigen.nl/certificering-op-hoofdlijnen/
34
Bijlage 3. Meetbrief Een meetbrief is een certificaat waarin de hoofdafmetingen van een schip vermeld staan. Voor vrachtschepen staat ook de tonnenmaat vermeld. Op het Nederlandse binnenwater moet een binnenschip dat te boek gesteld is, voorzien zijn van een meetbrief. Voor Nederlandse schepen werd deze tot 2012 afgegeven door de ScheepsMetingsDienst en na die tijd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De meetbrief geeft aan wat de waterverplaatsing en de inzinking van een schip is, waarmee de diepgang wordt bepaald. Een meetbrief vervalt wanneer een binnenschip een verbouwing ondergaat of van bestemming en functie verandert. Veel voormalige binnenschepen hebben nog wel een vervallen meetbrief aan boord, waaruit veel scheepsgegevens afgelezen kunnen worden. Een geldige meetbrief is alleen verplicht voor beroepsvaartuigen die geregistreerd moeten zijn bij het Kadaster. Voor voormalig beroepsvaartuigen en pleziervaartuigen is een meetbrief niet verplicht. Zie voor een voorbeeld de meetbrief van de Friese tjalk Harmonie: https://www.debinnenvaart.nl/binnenvaarttaal/index.php?afbeeldingen2=meetbrief_harmonie
35
Bijlage 4. Documentatie en archivering Scheepseigenaren hebben vaak al de nodige documentatie over hun historische schip verzameld. Deze documentatie is niet alleen bruikbaar om een objectbeschrijving te kunnen opstellen, maar ook een waardevolle bron voor het beoordelen van de cultuurhistorische waarde. De documentatie is daarmee ook onderdeel van de cultuurhistorische waarde van een historisch schip en het is van belang om deze documenten goed te archiveren. Naast de scheepsbouwhistorische en technische gegevens is het ook van belang om de veranderingen die zijn toegepast aan het schip en de functie daarvan vast te leggen. Deze hangen vaak samen met de sociale en functionele historie van het schip.
De scheepseigenaar kan zich daarbij een aantal vragen stellen, zoals: waarvoor is het schip gebouwd, voor welke functie, hoe lang heeft het deze functie gehad, wanneer en waarom hebben er functieveranderingen plaatsgevonden en wie waren toen de eigenaren van het schip? Wat is de naam van het schip nu en wat waren de eerdere namen en welke betekenis hadden die? Zijn er nog bepaalde typische kenmerken zichtbaar aan het schip van een eerdere functie of gebeurtenis? Waar heeft het schip vooral gevaren en gelegen? Heeft het schip bijzondere situaties meegemaakt, bijvoorbeeld tijdens de Tweede Wereldoorlog of de Watersnoodramp? Welke relatie heeft het schip met Harderwijk? Er staan een scheepseigenaar diverse boeken, websites en archieven ter beschikking, die behulpzaam kunnen zijn om een scheepsbiografie – een levensbeschrijving – te maken van het eigen historische schip. Hieronder zijn een aantal vindplaatsen opgenoemd: •
Snijder, G.L., De maat genomen, Varend erfgoed in de liggers van de Scheepsmetingsdienst, Achtergrond van de scheepsmetingen en een praktische handleiding voor de meetgegevens. Uitgeverij Aeolus, Alphen aan den Rijn, 2015, ISBN 978-90-814366-0-1.
•
Snijder, G.L., Droge kost voor natte geschiedenis; ABC voor scheepshistorisch onderzoek met uitgewerkte voorbeelden. Uitgeverij Aeolus, Alphen aan den Rijn, aeolus@shipmail.nl, ISBN 978-90814366-3-2.
•
Historisch Kenniscentrum Harderwijk – Samenwerkingsverband tussen de Historische Vereniging Herderewich, Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe met beeldbank Harderwijk, Stadsmuseum Harderwijk – https://www.hkharderwijk.nl/
•
Maritiem digitaal NL – De gezamenlijke database van een aantal maritieme musea met informatie over voorwerpen en literatuur - https://www.maritiemdigitaal.nl/
•
Maritiem Portal – Informatie over de maritieme geschiedenis van Nederland in een internationale context en heden, verleden en toekomst - https://maritiemportal.nl/
•
Visserijregister – De gegevens van vissersschepen werden vanaf 1911 vastgelegd en worden bewaard bij het Nationaal Archief in Den Haag. De gegevens zijn online in te zien https://www.zuiderzeecollectie.nl/zoeken?qs=visserijregister
•
Delpher – In deze database zijn ruim 130.000.000 pagina’s uit Nederlandse kranten, boeken en tijdschriften te lezen en via trefwoorden te doorzoeken, waaronder scheepsberichten en tewaterlatingen - https://www.google.com/search?client=firefox-b-d&q=delpher
•
Historische vereniging Herderewich – behoudt de kennis van de geschiedenis van Harderwijk http://www.herderewich.nl/herderewich_organisaties.html
36
•
Hanzestad Harderwijk – toeristische informatie over de geschiedenis en het heden van Harderwijk, waaronder rondwandelingen met stadsgidsen langs de havens https://www.heerlijkharderwijk.nl/
37
Bijlage 5. Waarderingscriteria voor bouwkunst De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft een standaard ontwikkeld voor het waarderen van bouwkunst. Daarmee kunnen de monumentale waarden van een gebouw helder en eenduidig vastgesteld worden. De waardering speelt een leidende rol bij het aanwijzen van een gebouw als monument én bij het wijzigen van het beschermde gebouw. De waardering is gebaseerd op vijf hoofdcriteria die zijn onderverdeeld in subcriteria. De vakgebieden kunst en geschiedenis vormen de basis van de waardering van het gebouwde erfgoed. Maar daarnaast spelen ook geestelijke, geografische, sociaaleconomische, bestuurlijke en technische ontwikkelingen een rol in de waardering, naast gaafheid en zeldzaamheid. Ieder monument heeft een eigen palet van waarden. I. Cultuurhistorische waarden 1. belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) culturele, sociaal- economische en/of bestuurlijke/beleidsmatige en/of geestelijke ontwikkeling(en); 2. belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) geografische, landschappelijke en/of historisch-ruimtelijke ontwikkeling; 3. belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) technische en/of typologische ontwikkeling(en); 4. belang van het object/complex wegens innovatieve waarde of pionierskarakter; 5. belang van het object/complex wegens bijzondere herinneringswaarde.
II. Architectuur- en kunsthistorische waarden 1. bijzonder belang van het object/complex voor de geschiedenis van de architectuur en/of bouwtechniek; 2. bijzonder belang van het object/complex voor het oeuvre van een bouwmeester, architect ingenieur of kunstenaar; 3. belang van het object/complex wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp; 4. belang van het object/complex wegens het bijzondere materiaalgebruik, de ornamentiek en/of monumentale kunst; 5. belang van het object/complex wegens de bijzondere samenhang tussen exterieur en interieur(onderdelen). III. Situationele en ensemblewaarden 1. betekenis van het object als essentieel (cultuurhistorisch, functioneel en/of architectuurhistorisch en visueel) onderdeel van een complex; a. bijzondere, beeldbepalende betekenis van het object voor het aanzien van zijn omgeving; b. bijzondere betekenis van het complex voor het aanzien van zijn omgeving, wijk, stad of streek; 2. a. bijzondere betekenis van het complex wegens de hoogwaardige kwaliteit van de bebouwing in relatie tot de onderlinge historisch-ruimtelijke context en in relatie tot de daarbij behorende groenvoorzieningen, wegen, wateren, bodemgesteldheid en/of archeologie; b. bijzondere betekenis van het object wegens de wijze van verkaveling/inrichting/voorzieningen. IV. Gaafheid en herkenbaarheid 1.
belang van het object/complex wegens de architectonische gaafheid en/of herkenbaarheid van ex- en/of interieur; 2. belang van het object/complex wegens de materiële, technische en/of constructieve gaafheid;
38
3. belang van het object/complex als nog goed herkenbare uitdrukking van de oorspronkelijke of een belangrijke historische functie; 4. belang van het complex wegens de waardevolle accumulatie van belangwekkende historische bouwen/of gebruiksfasen; 5. belang van het complex wegens de gaafheid en herkenbaarheid van het gehele ensemble van de samenstellende onderdelen (hoofd- en bijgebouwen, hekwerken, tuinaanleg e.d.); 6. belang van het object/complex in relatie tot de structurele en/of visuele gaafheid van de stedelijke, dorpse of landschappelijke omgeving. V. Zeldzaamheid 1. belang van het object/complex wegens absolute zeldzaamheid in architectuurhistorisch, bouwtechnisch, typologisch of functioneel opzicht; 2. uitzonderlijk belang van het object/complex wegens relatieve zeldzaamheid in relatie tot één of meer van de onder I t/m III genoemde kwaliteiten.
39
Bijlage 6. Waarderingscriteria voor scheepsbouwkunst De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft een standaard ontwikkeld voor het waarderen van bouwkunst. Deze standaard is in dit document vertaald voor het waarderen van scheepsbouwkunst. Daarmee kunnen de cultuurhistorische waarden van een vaartuig helder en eenduidig vastgesteld worden. De waardering is gebaseerd op vijf hoofdcriteria die zijn onderverdeeld in subcriteria. De vakgebieden scheepsbouw en geschiedenis vormen de basis van de waardering van het gebouwde erfgoed. Maar daarnaast spelen ook geestelijke, geografische, sociaaleconomische, bestuurlijke en technische ontwikkelingen een rol in de waardering, naast gaafheid en zeldzaamheid. Ieder traditioneel vaartuig heeft een eigen palet van waarden. 1.
Cultuurhistorische waarden 1.1. Belang van het vaartuig als bijzondere uitdrukking van een culturele, sociaaleconomische, bestuurlijke, beleidsmatige en/of geestelijke ontwikkeling; 1.2. Belang van het vaartuig als bijzondere uitdrukking van een geografische, waterstaatkundige en/of historisch-ruimtelijke ontwikkeling; 1.3. Belang van het vaartuig als bijzondere uitdrukking van een technische en/of typologische ontwikkeling; 1.4. Belang van het vaartuig wegens innovatieve waarde of pionierskarakter; 1.5. Belang van het vaartuig wegens bijzondere herinneringswaarde.
2.
Ontwerp- en scheepsbouwwaarde 2.1. Bijzonder belang van het vaartuig voor de geschiedenis van het scheepsontwerp en/of de scheepsbouwtechniek; 2.2. Bijzonder belang van het vaartuig voor het oeuvre van een scheepsontwerper, scheepsbouwmeester, ingenieur of kunstenaar, 2.3. Belang van het vaartuig wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp; 2.4. Belang van het vaartuig wegens het bijzondere materiaalgebruik, de ornamentiek en/of de monumentale detaillering; 2.5. Belang van het vaartuig wegens de bijzondere samenhang tussen exterieur en interieur(onderdelen).
3.
Situationele en ensemblewaarden 3.1. Betekenis van het vaartuig als essentieel (cultuurhistorisch, functioneel en/of scheepsbouwhistorisch en visueel) onderdeel van een complex; 3.2. Bijzondere, beeldbepalende betekenis van het vaartuig voor het aanzien van zijn omgeving, wijk, stad of streek; 3.3. Bijzondere betekenis van het vaartuig wegens de hoogwaardige kwaliteit van het vaartuig in relatie tot de onderlinge historisch-ruimtelijke context en in relatie tot de daarbij behorende omgevingskenmerken, ruimtelijke inrichting, voorzieningen, wateren, wegen, waterstaatkundige werken en/of archeologie.
4.
Gaafheid en herkenbaarheid 4.1. Belang van het vaartuig wegens scheepsbouwkundige gaafheid en/of herkenbaarheid van exterieur en/of interieur; 4.2. Belang van het vaartuig wegens de materiële, technische en/of constructieve gaafheid; 4.3. Belang van het vaartuig als nog goed herkenbare uitdrukking van de oorspronkelijke of een belangrijke historische functie; 4.4. Belang van het vaartuig wegens de waardevolle accumulatie van belangwekkende historische scheepsbouw- en/of gebruiksfasen;
40
4.5. Belang van het vaartuig wegend de gaafheid en herkenbaarheid van het gehele ensemble van de samenstellende onderdelen; 4.6. Belang van het vaartuig in relatie tot de structurele en/of visuele gaafheid van de stedelijke, dorpse, landschappelijke of waterstaatkundige omgeving. 5.
Zeldzaamheid 5.1. Belang van het vaartuig wegens absolute zeldzaamheid in ontwerp-historisch, scheepsbouwkundig, typologisch of functioneel opzicht; 5.2. Uitzonderlijk belang van het vaartuig wegens relatieve zeldzaamheid in relatie tot één of meer van de onder 1 t/m 3 genoemde kwaliteiten.
ErfgoedWerf ……………………………… 21 december 2018
41
Bijlage 7. Gegevens vaartuig voor objectbeschrijving Feitelijke gegevens Objectnaam Registratienummer(s) Meetbrief of Zeebrief SI Certificaat CvO of CBB Register Varend Erfgoed Nederland
Naam vaartuig Brandmerk (eerste teboekstelling) Nummer(s) en datum van afgifte Afgegeven door … op datum ... Afgegeven door ... op datum ... Ingeschreven als Varend Erfgoed op datum ... onder registratienummer ...
Type Soort vaartuig Categorie Bouw Bouwjaar Werf van aanbouw Opdrachtgever
Scheepswerf ... in ... met Bouwnummer ...
Functie en gebruik Vaargebied Oorspronkelijke functie
Periode oorspronkelijk gebruik Volgende functies en periodes van hergebruik
Het vaartuig is gebouwd met een hoofd- en nevenfunctie: • Hoofdfunctie als ... • Nevenfunctie als ... Het vaartuig is voor deze oorspronkelijke functie gebruikt van ... tot ... • Op datum ... verkocht aan ... met als functie ... • Op datum ... verkocht aan huidige eigena(a)r(en) met als functie ...
Technische gegevens Maten en gewichten
Romp Opbouw Dek
Lengte over alles Lengte tussen de loodlijnen Breedte Diepgang gemiddeld Diepgang bij grootste inzinking Hoogte boven water tot het vlak van ledige diepgang Waterverplaatsing bij gemiddelde diepgang incl. huid Tonnage – laadvermogen - waterverplaatsing Bunkercapaciteit gasolie Bunkercapaciteit smeerolie Bunkercapaciteit drinkwater Bunkercapaciteit vuilwater Materiaal en bouwwijze: ... Materiaal en bouwwijze: ... Materiaal ...
m. m. m. m. m. m. ton M3 kuub kuub kuub kuub
42
Indeling
Oorspronkelijk
Nu
Ruim Voordek Achterdek Stuurhuis Roef Techniek Machinekamer Hoofdmotor
Luchtflessen (Indien aanwezig) Motoruitlaat met expansiestuk Aggregaat 1(Indien aanwezig)
Aggregaat 2 (Indien aanwezig)
Compressor Lenspomp Hydrofoor Smeeroliepomp Smeerolie voorraadtank Schakelkast Kachel Boiler Ventilatie
Motor, merk en type, aantal cilinders, motornummer... Dit is wel/niet de oorspronkelijke motor. Motorvermogen ... PK (... Kw) Snelheid bij dit vermogen ... knoop (... km/u) ... l. inhoud, ... bar Wel/niet ontdaan van asbest Op welke wijze geïsoleerd ... Merk, type, vermogen, motornummer... Bouwjaar..., ingebouwd op datum ... Dit is wel/niet het oorspronkelijke aggregaat. Merk, type, vermogen, motornummer... Bouwjaar..., ingebouwd ... Dit is wel/niet het oorspronkelijke aggregaat. Merk, type ... Merk, type, aandrijving ... Merk, type … Merk, type … … liter 12V, 24V, 230V en/of 400V Merk, type … Merk, type … Merk, type ...
Techniek Stuurhuis of Stuurstand Stuurinrichting Gyrokompas Navigatie AIS Autopiloot Boordcomputer Marifoon Telegraaf Radar
Ketting, tandwielkast, helmhout, hydraulisch, anders ... Dit is wel/niet de oorspronkelijke stuurinrichting. Merk, type ... Merk, type … Merk, type … Merk, type … Merk, type … Merk, type … Merk, type ... Dit is wel/niet de oorspronkelijke telegraaf. Merk, type …
Tuigage Mast Giek Gaffel Bezaansmast Bezaansgiek
Materiaal … en lengte Materiaal … Materiaal … Materiaal … Materiaal …
43
Bezaansgaffel Boegspriet of kluiverboom Grootzeil Fok Kluiver Bezaan Zwaarden Lieren Bokkepoten
Materiaal … Materiaal … Materiaal … Materiaal … Materiaal … Materiaal … Materiaal … Aantal … en type … Materiaal …
Bijboot Boot en motor
Merk, type ... Dit is wel/niet de oorspronkelijke bijboot met eventueel motor.
Veiligheidsmiddelen Brandblussers Reddingsvesten Reddingsboot Anker(s)
Aantal en soort: CO2, poeder, schuim of aerosol: ... Aantal … … Aantal en type …
44
Bijlage 8. Scheepstypen – algemeen overzicht
BINNENVAARTSCHEPEN
Aak (foto …………………..)
Aak De aak is een niet op een steven gebouwd zeilend of gesleept vrachtschip. Het opvallendste kenmerk van een aak is dat de brede overnaadse huidgangen in het voorschip en het achterschip bij elkaar worden gehouden zonder gebruik te maken van een stevenbalk. De vlakgangen in de kop lopen tot aan het dek of bovenboord toe op. Dit deel noemt men de heve. Aken zijn vrij licht gebouwd en hebben geen stuiten en weinig zeeg. Aan de achtersteven is een doossteven bevestigd voor het aanhangen van het roer. Aken werden eerst in hout, later in ijzer en daarna in staal gebouwd. Met aken werd alle voorkomende (bulk)vracht over de binnenwateren vervoerd. De aak is een verzamelnaam voor vele ondersoorten. Deze werden genoemd naar het gebied waar het schip was gebouwd of naar het soort lading waarvoor het schip werd gebruikt. Diverse ondersoorten bestaan inmiddels niet meer. Van een aantal ondersoorten zijn nog wel exemplaren bewaard gebleven, waaronder:
Hagenaar (foto …………………..)
Hagenaar De Hagenaar was eerst een verzamelnaam voor verschillende aken die vaak op Den Haag voeren, maar werd later vooral gebruikt als naam voor een aak waarvan de maten waren afgestemd op de maatvoering van de Wagenbrug in Den Haag. De Wagenbrug was een vaste brug, die eerder 2.40 m hoog was, maar na 1928 slechts 2.30 m. De bovenkant van de helmstok, de bovenkant van de mastkoker en de bovenste punten van de stevens lagen in een één lijn om onder de smalle en lage Wagenbrug door te kunnen. Daartoe moest dan ook nog het bovenstuk van de anker- en strijklier opklapbaar zijn. Veel onderdelen zoals zwaarden, strijkklampen en de schildpadblokken van de zwaardlieren waren vaak wegneembaar. Daartoe konden enkele centimeters gewonnen worden, wat belangrijke winst opleverde. Dit type schip vervoerde vooral bouwmaterialen door de grachten van Den Haag. Het type is veel gebouwd eind 19e, begin 20e eeuw, eerst als zeilschip, later werden ze veelal gemotoriseerd. Hasselteraak De Hasselteraak werd gebouwd in de steden in Noordoost Overijssel, zoals Hasselt, Zwartsluis, Kampen en Dedemsvaart. Ze werden vooral gebruikt voor het vervoer van turf, maar ook wel voor zand, grind en voor de ‘wilde vaart’, oftewel het varen waar er maar lading te verschepen is.
45
Hasselteraak (foto …………………..)
Kagenaar De Kagenaar is een kleine aak, die goedkoop te bouwen was. In Zuid-Holland was het een populair vaartuig in de land- en tuinbouw. Een Kagenaar werd meestal niet gezeild maar ‘gewogen’. Dat wil zeggen dat het scheepje werd voortbewogen met een weegboom, een lange stok die in een uitsparing op het achterschip gestoken kon worden. De schipper liep op de kant en duwde met de weegboom het schip vooruit. Kagenaar (foto …………………..)
Rietaak De rietaak werd gebruikt voor het snijden en vervoeren van riet, dat vooral werd gebruikt als dakbedekking of voor rietmatten.
Rietaak (foto …………………..)
IJsselaak De IJsselaak werd specifiek gebouwd voor de vaart op de Hollandse IJssel en was bedoeld voor het vervoer van zand en grind.
IJsselaak (foto …………………..)
Zandaak De zandaak werd gebruikt voor het vervoer van zand. Ze werden vaak gebouwd voor het baggerbedrijf.
Zandaak (foto …………………..)
Stevenaak De stevenaak was bedoeld voor de vaart op de rivieren en was een snel rivierzeilschip. De stevenaak behoort eigenlijk niet tot de aken, omdat het geen heve heeft, maar een wat spits toelopend en naar voren stekend en uitwaaierend voorschip. Een stevenaak wordt ook wel een Rijnschip of Rivierschip genoemd.
Stevenaak (foto …………………..)
46
Dekschuit (foto …………………..)
Dekschuit en Motordekschuit Dekschuit is de algemene term voor een schip zonder eigen voortstuwing en zonder tuigage. Het vrij vlakke dek ligt gelijk met de bovenzijde van de romp en is van voor- tot achtersteven gesloten. Wel bevinden zich in het dek toegangsluiken tot het inwendige van de romp. Dekschuiten waren vooral in gebruik als ‘lichter’ om lading van zeeschepen naar de binnenstad te vervoeren. Ze zijn nog veel in gebruik voor opslag in steden, bijvoorbeeld van bouwmateriaal. De dekschuit kan ook als drijvende werkvloer worden gebruikt. Een motordekschuit is een dekschuit met eigen voorstuwing. Motordekschuiten hebben een gesloten dek en weinig zeeg en zijn meestal voorzien van een rond achterschip. De machinekamer bevindt zich voor de stuurhut op het achterschip. De stuurhut heeft meestal een wegklapbare bovenkant en is over het algemeen voorzien van een horizontaal stuurwiel. Vaak bevindt zich op het voorschip een roefje. Motordekschuiten zijn gebouwd als werkschepen waarop lading aan dek kon worden gezet, veelal bouwmaterialen of machines.
Kast (foto …………………..)
Klipper (foto …………………..)
Kast De kast is een vrij groot stalen vrachtschip met een steile voorsteven en een geveegd achterschip met rechtopstaand hek. Kasten hebben alleen op het voor- en achterschip een boeisel; langs het gangboord loopt een voetreling. De kast werd in eerste instantie gebouwd als zeilschip of als sleepschip, maar later ook als motorschip. De schipper bestelde de maat van het schip aan de hand van de lengte van de sluizen in het gewenste vaargebied. Een bekend type kast is de Friese maatkast. De maten daarvan waren afgestemd op de maten van de sluis van Stavoren. Een ander bekend type is de Kempenaar, die geschikt was om te varen in de Belgische Kempen. Klipper De klipper heeft een S-bocht in de voorsteven. De klipper is een snel zeilschip met een vooruitstekend en uitwaaierend voorschip en een geveegd achterschip. Het roer wordt door het dek gestoken, waardoor je kon sturen met een stuurrad in plaats van met een helmstok. Klippers zijn ontworpen voor de vrachtvaart en werden aan het eind van de 19e eeuw gebouwd in ijzer en later in staal. Klippers waren voor de bulkvaart in gebruik op de rivieren, de Zeeuwse stromen en de Wadden. Kenmerkend voor Zeeuwse klippers is het rechtopstaande hek. Klippers met een naar buiten vallend hek zijn vaak Friese klippers.
47
Klipperaak (foto …………………..)
Kotter (foto …………………..)
Kraak (foto …………………..)
Luxe motor (foto …………………..)
Klipperaak De klipperaak heeft de kop van een klipper, maar een vol en rond achterschip, met een aangehangen in plaats van met een doorgestoken roer. Zo werd meer ruimte in het achterschip gecreëerd voor bewoning en werd meer laadvermogen verkregen. De klipperaak werd voor dezelfde doeleinden gebruikt als de klipper, het varen met bulkgoed. Er zijn vele varianten klipperaken gebouwd, maar de meest voorkomende was de ‘klipper met paardenkont’. Dit schip had een bolle, wat tjalkachtige achterkant. Ook de kop van een klipperaak werd vaak wat minder vooruitspringend. De kop van een klipperaak is vaak wat voller en plomper, soms bijna stomp. Kotter Een kotter is oorspronkelijk een S-spant zeilschip, dat vooral voor de zeevisserij is gebruikt. Ze werden eerst in hout gebouwd en later van staal. De oudere typen zijn slanke schepen met een hoge scherpe steile steven en meestal een geveegd achterschip met een naar buiten vallend boeisel. De modernere kotters zijn gebouwd als motorschip. Op viskotters is meestal duidelijk de lettercode van de thuishaven en een volgnummer zichtbaar, naast de naam van het schip. Kraak De kraak is een ijzeren of stalen vrachtschip met een steile voorsteven en een geveegd achterschip. Kraken zijn gebouwd als zeilschip en ook als sleepschip. Meest opvallende kenmerk van een kraak is dat de voorsteven boven het berghout naar binnen knikt.
Kraken werden vaak gebouwd met een lage kruiphoogte. Het waren vaak paviljoenschepen. Kraken werden vooral op ZuidHollandse werven gebouwd en waren in gebruik als bulkschip op de binnenwateren en de rivieren. Er zijn nog maar weinig kraken bewaard gebleven. Luxe motor en Beurtmotor De luxe motor en de beurtmotor zijn vrachtschepen, die vanaf ongeveer 1910 veel zijn gebouwd. Het was het eerste type schip dat specifiek gebouwd werd voor voortstuwing met een verbrandingsmotor, terwijl voorheen vracht vervoerd werd met zeilschepen en stoomschepen. De term ‘luxe motor’ komt van de relatief grote roef met comfortabele woning die in het achterschip gerealiseerd kon worden. Deze waren aanmerkelijk groter dan de krappe lage roefjes van de zeilende vrachtvaarders van die tijd. Scheepsmotoren waren vrij prijzig, zodat alleen de rijkere schippers zich een dergelijk schip konden veroorloven. Luxe motor Een luxe motor heeft een vrij scherpe verticale voorsteven, een flinke zeeg en een geveegd achterschip. Het scherpe voorschip en de geveegde kont lijken nog op de sleepschepen en stoomschepen, maar het schip heeft meer zeeg. De kop ligt flink hoger dan het achterschip. Eerst werden luxe motoren nog gebouwd met een
48
hulptuig, zodat zij zo nodig een zeil konden bijzetten. Veel luxe motoren waren voorzien van een hijstuig met zelflosser, zodat ze zonder gebruik te hoeven maken van een kraan op de wal zelf hun lading konden laden en lossen.
Beurtmotor (foto …………………..)
Beurtmotor Een speciaal type luxe motor is de beurtmotor. Met deze schepen werden veel lijndiensten (beurtvervoer) onderhouden. Vaak had de beurtmotor een breed en zwaar uitgevoerd berghout. Meestal had de beurtmotor een groot voordek, zodat lading los aan dek kon worden geplaatst. In de regel had een beurtmotor een hijstuig, waarmee het zelf lading kon laden en lossen. Ponton Een ponton is een rechthoekig drijflichaam met een plat dek en zonder opbouw. Meestal werden zij gebouwd als platform, bijvoorbeeld voor een drijvende kraan of bok, een baggermolen of als opslag voor gereedschap of als werkplatform. Pontons zijn vaak verbouwd tot woonark.
Ponton (foto Beunbakken.nl)
Sleepboot (foto …………………..)
Sleepboot De sleepboot of kortweg sleper is een schip dat aanvankelijk is gebouwd om zeilende vrachtschepen tegen wind en stroom in te kunnen slepen. Sleepboten zijn robuuste schepen met een scherpe steile voorsteven, een oplopende zeeg en een sterk geveegd achterschip met een steil naar binnen vallend hek. Op het achterdek staat een ‘beting’, waaraan de sleeplijnen worden bevestigd. Een beting is een zeer sterke bolder, een H-vormige constructie van twee verticale buizen en een horizontale buis. Sleepboten zijn voorzien van een grote en sterke motor. Sleepboten met een versterkte kop worden in de winter gebruikt als ijsbreker. Tegenwoordig worden sleepboten veel gebruikt om grote schepen de haven in te slepen. In binnenhavens worden ook duw- en sleepvletten gebruikt als sleepboot of werkschip, bijvoorbeeld om duwbakken te verplaatsen. Amsterdammertje Een bekend type vrij slanke sleepboot is het Amsterdammertje. Dit is een typische havensleepboot die door zijn lage kruiplijn ook in de Amsterdamse grachten kon worden ingezet.
Amsterdammertje (foto …………………..)
49
Opduwer Een ander type sleepboot is de opduwer. Dit zijn kleine motorbootjes van 4 tot 7 meter, die begin 20e eeuw veel gebouwd zijn om zeilende vrachtschepen voort te duwen. Opduwers fungeerden zo eigenlijk als externe scheepsmotor.
Opduwer (foto …………………..)
Snik (foto …………………..)
Spits (foto …………………..)
Snik Een snik is een open, platboomd vaartuig, dat geboomd, getrokken of gezeild kon worden. De snik is eeuwenlang vooral gebruikt als trekschuit voor het vervoer van mensen en goederen langs de vele kanalen die Nederland rijk is. Het was lange tijd het belangrijkste vervoermiddel van ons land. Een snik is een houten en later een stalen scheepje met een vrijwel rechte, sterk voorovervallende voorstevenbalk en weinig zeeg. Snikken kwamen vooral veel voor in Groningen, Friesland en Holland. Men kende daarom de Groninger snik, de Friese snik en de Hollandse snik. De Groninger snik voer met name in de maren (vaarwegen) op het Hoge Land en in de Veenkoloniën met turf en stukgoed. De Friese snik was meestal uitgevoerd als zeilschip, om ook de Friese meren over te kunnen steken. In Zeeland en Brabant kende men ook zeilende snikken, die werden gebruikt om verse vis vanaf grotere vissersschepen landinwaarts te transporteren. De snikken die specifiek werden gebouwd voor passagiersvervoer hadden over de volle breedte van het schip van voor tot achter een roef, zodat de passagiers ook met koud en nat weer droog konden zitten. Er zijn weinig originele snikken bewaard gebleven. Wel zijn er enkele replica’s gebouwd, zodat mensen kunnen ervaren hoe het varen met een trekschuit in z’n werk gaat. Spits De spits is een type vrachtschip afkomstig uit België.
Het is een ijzeren of stalen vrachtschip (voorheen ook in hout of met een houten vlak gebouwd) met een steile voorsteven, een bol voorschip en bol achterschip met doossteven en aangehangen roer, bij sleepspitsen vaak een ‘klaproer’. De spits is soms voorzien van een koproer. Het zijn lange relatief smalle schepen met een groot vrachtruim in verhouding tot de breedte. Spitsen hebben weinig zeeg. Zij worden nog veel gebruikt in Zuid-Nederland, België en Noord-Frankrijk. De maatvoering is afgestemd op de kanalen in België en de sluizen in Frankrijk en bedraagt meestal 38 tot 39 meter in de lengte en 5 meter in de breedte. Spitsen zijn gebouwd als sleepschip of jaagschip en later als motorschip. Ook de spitsen werden als maatschip gebouwd. Elk type spits heeft zijn eigen kenmerken. Zo onderscheiden we bijvoorbeeld de Maasspits, de Verdunspits, de La Louvièrespits, de Moerbekespits, de Tielrodespits en nog veel meer typen Belgische spitsen. Deze spitsen zijn vaak uitgerust met een woning in de roef voorzien van
50
fraaie ornamenten, zoals houtsnijwerk, schilderingen en versierd glas. Daarnaast bestaan ook de Hollandse spits en de Franse spits. Want ook op Nederlandse werven werden spitsen gebouwd, zoals bijvoorbeeld herkenbaar is in de naam van het type Dedemsvaartse spits.
Steilsteven (foto …………………..)
Tjalk (foto …………………..)
Steilsteven De steilsteven is één van de laatste typen zeilende vrachtschepen. Later zijn de steilstevens veelal gemotoriseerd. Een steilsteven is een schip met een recht naar beneden vallende voorsteven, vandaar de naam, en een bol achterschip, de zogenoemde paardenkont. Meestal hadden steilstevens stalen zwaarden en niet veel zeeg. Het achterschip is voorzien van een doossteven en een aangehangen roer. Het bolle achterschip zorgde voor meer ruimte voor de woning en tegelijkertijd voor meer laadvermogen. Een steilsteven is relatief breed ten opzichte van de holte. Steilstevens waren in gebruik als bulkschip, vooral voor het vervoer van turf. Tjalk De tjalk was lange tijd het meest voorkomende type zeilende vrachtschip in Nederland. De naam werd al in de 17e eeuw gebruikt om schepen met ronde boeg aan te duiden. Eerst werd de tjalk gebouwd in hout, maar later in ijzer en daarna in staal. Kenmerkend zijn een rechthoekige dekvorm en de fraai gebogen ronde voor- en achtersteven. Verdere kenmerken zijn invallende boeisels bij voor- en achterschip, een breed berghout, zwaarden en een aangehangen roer aan een doossteven. Tjalken waren door heel Nederland in gebruik als vrachtschip, maar iedere provincie had zijn eigen kenmerken. Het scheepstype kent vele uitvoeringen. Zo bestaat onder andere de Drentse tjalk, de Groninger boltjalk, het Friese skûtsje en de Hollandse tjalk.
Zowel zeetjalken als binnenvaarttjalken komen voor. Zeetjalken waren vooral bestemd voor de kustvaart, tot aan Noorwegen toe.
Groninger boltjalk (foto …………………..)
Een variant op de tjalk was de in Noord-Nederland bekende bol of bolschip. Dit was eveneens een zeilschip, maar eenvoudiger uitgevoerd dan een tjalk, met minder zeeg, minder hoge en ronde stevens, een smal berghout. Ook de bol wordt onderscheiden in ondersoorten, zoals de Groninger bol, de platte bol en de bolle met boord.
Fries Skûtsje (foto …………………..)
51
Veerpont Veerponten werden en worden gebruikt voor het overzetten van mensen, dieren en vervoermiddelen. Sommige veerponten zijn verbouwd tot woonboot, vaak met een aangepaste opbouw erop.
Veerpont (foto …………………..)
Westlander …………………..)
Bijboot (foto …………………..)
Westlander De westlander is een ondiep en laag gebouwd schip voor de smalle vaarten, korte bochten en lage bruggen in het poldergebied van het Westland. Een westlander heeft een kenmerkende puntige voorsteven die uitloopt in een kort ijzeren uitsteeksel, een uitlopende doossteven. Tot de familie van de westlander behoort ook de bok. De westlanders waren veelal in gebruik als akkerschuiten voor het vervoer van groente en fruit uit het Westland naar de steden. Er waren zeilende en motorwestlanders, maar een kenmerkende manier van voortbewegen is ook het ‘wegen’. Hiertoe zat er een sleuf, de ‘wegering’ in het achterdek, waar de schipper een lange stok, de weegboom in kon steken, om het scheepje zodoende lopend op de kant voort te kunnen duwen. Bijboten Bijboten zijn kleine bootjes, die bedoeld zijn om vooral op binnenvaart- of zeeschepen meegenomen te worden, of als volgboot achter kleinere schepen en jachten te worden gesleept. Bijboten dienen als reddingboot, werken aan de buitenkant van het schip, vervoer naar of van de wal, en het uitbrengen van het anker. Ook in de staand want visserij werden bijboten gebruikt om fuiken, lijnen, kubben of ankerkuilen uit te zetten of op te halen. Er zijn zeer veel typen bijboten, die vaak plaatselijk in kleine series gebouwd werden.
Bijboten werden vroeger vooral gebouwd in hout, later in ijzer en staal, maar tegenwoordig ook in polyester en in rubber. Vaak zijn bijboten gebouwd als roeiboot of gewrikte boot, maar zeilende bijboten kwamen ook voor. Tegenwoordig zijn bijboten veelal uitgerust met een buitenboordmotor. Bijboten worden op historische schepen vaak meegenomen hangend aan de davit of met behulp van de davit op het roefdak of de luikenkap gezet. De bekendste bijboot is de ‘schippersvlet’. Andere bekende typen zijn de Hollandse boot, de schouw, de Brabantse boot, de jol, de Beenhakker, de vlieger en de sloep.
52
Motorjacht (foto …………………..)
Jacht Motorjachten en zeiljachten zijn aanvankelijk kleine scheepjes, speciaal gebouwd voor de pleziervaart. Meestal zijn zij gebouwd van dunne staalplaat, later ook van polyester. Jachten werden zowel door werven als in eigen beheer gebouwd. Begin 20e eeuw was een plezierjacht slechts voor weinigen weggelegd. Inmiddels komen er zeer veel typen en maten motorjachten en zeiljachten voor en is de watersport een populaire vrijetijdsbesteding geworden.
VISSERSSCHEPEN
Vissersschepen (foto RTV Oost, …………………..)
Rond de grote rivieren, de Zeeuwse wateren en het IJsselmeer (Zuiderzee) zijn veel typen vissersschepen gebouwd, voorheen van hout, later van staal en nog later ook van polyester. Bekende typen zijn de aak, bol, bons, botter, kwak, schouw, boeier, jol, hoogaars en hengst. Voor zover deze voormalige vissersschepen nog behouden zijn gebleven, zijn de meeste later verbouwd als recreatievaartuig. Sommige typen, zoals de Lemster aak, worden naar oud model nieuw nagebouwd als recreatie- of wedstrijdvaartuig. Aak De aak als naam voor een vissersschip van de Zuiderzee en de Wadden komt het eerst voor in 1798 maar zijn geen aken in de algemene betekenis van een platbodem binnenvaartvrachtschip. Zij hebben ook geen algemeen voorkomende kenmerken, maar zijn een mengvorm van de schokker en de rondgebouwde Friese scheepjes als de boeier. Bekende varianten zijn de Lemster aak en de Wieringer aak.
Lemsteraak (foto YachtFocus)
Vollenhovense bol (foto …………………..)
Bol De bol, ook wel bolletje genoemd, is een klein rondbodemd vissersscheepje dat pas na 1900 ontstond. Daarbij was het uitgangspunt een bons, maar met het lijnenplan van een botter. De diepgang was klein, waardoor het een geschikt vaartuig was om binnen te komen bij extreem laag water door oostenwind (veel havens aan de oostkant van de Zuiderzee hadden hier last van). De bol was oorspronkelijk niet langer dan 8 meter en werd gebruikt voor de ansjovisvangst op de Zuiderzee. Het scheepje is typisch rond (bol) gebouwd en werd genoemd naar de thuishaven: Vollenhovense bol, Enkhuizer bol, Wieringer bol etc. In Enkhuizen werd de bol ook wel aalboot genoemd. Voor de pleziervaart wordt het type nog steeds gebouwd.
53
Bons De bons is een kleine schokker met bolle wangen, waarvan de mast wat verder naar achteren staat en de steven iets minder schuin is dan de schokker. Het zijaanzicht van een bons doet enigszins aan een botter denken. Alle schepen die de vroegere Zuiderzee bevoeren lijken echter op elkaar. Per vissersplaats of -gebied werden wijzigingen aangebracht en gebruikte men eigen benamingen. De bons is geschikt voor ondiep water en kwam vooral voor in Elburg en Vollenhove. Bons (foto …………………..)
Botter (foto Harderwijksezaken.nl)
Jol (foto SSRP)
Kubboot (foto …………………..)
Botter Een botter heeft een hoge kop en een laag sterk geveegd achterschip. Het is een al lang bestaand type vissersvaartuig met een licht V-vormig vlak, met een net uitspringende kiel en hoekige kimmen die overgaan in bol naar buiten lopende zijden, waarvan het boeisel boven het berghout naar binnen valt. Een opvallend kenmerk is een zeer grote fok, die nodig was om de netten te slepen, maar moeilijk te hanteren bij overstag gaan. Botters visten op de voormalige Zuiderzee, maar werden ook gebruikt voor de kustvisserij op de Noordzee. Ze worden beschouwd als snelle vaarders en een van de meest elegante Nederlandse vissersschepen. Botters voeren doorgaans in span met een net tussen twee schepen in. Na de aanleg van de Afsluitdijk zijn veel botters verloren gegaan. Enkele tientallen worden door liefhebbers behouden. Een deel van deze botters wordt verhuurd voor de vaart met passagiers. Jol Vissersjollen zijn kleine, handzame karveel gebouwde, dus gladboordige scheepjes om op aal en ansjovis te vissen. De vissersjollen waren geschikt voor het vissen met staand want, vooral voor vissers met een kleine beurs die zich geen botter of een aak met een vlet konden veroorloven. Een jol had geen bun en geen vlet dat gesleept moest worden, maar had in de kuip ruimte voor de netten, de beug. De jollen werden gezeild met een grootzeil zonder giek.
Voor het ‘schieten’ en ‘halen’ van de beug (de netten) op zee werd de gaffel gegeid en het grootzeil met de geilijn om de mast gebonden, waarna de kuip vrij was om er te werken. Vanaf 1930 werden er ook jollen gebouwd als jacht. Kubboot Een kubboot is een open houten roeiboot op spanten voor het uitzetten en binnenhalen van palingkubben. Kubben waren korte, van wilgenteen gevlochten korven [Zuiderzee] of van garen gebreide fuiken [Zeeland]. De korfkub werd geaasd met spiering en verzwaard met stenen aan een schuin in de bodem gestoken stok gehangen, waarbij de korf schuin op de bodem rustte en aan de onderkant een kleine opening overbleef waardoor de paling naar binnen kon zwemmen. De bovenkant was afgesloten door een houten dekseltje. De netkub die veel meer leek op een gewone fuik werd door stokjes opengehouden en met meerdere aan een lange lijn op de getijdestroom vastgelegd. Kubbevisserij zag je buiten de
54
Zuiderzee en Zeeland ook op de Hollandse plassen. Kwak De kwak is en type botter, die vooral gebouwd werd in Volendam. De kwak is een slag groter en minder gezeegd dan de andere Zuiderzeebotters. Een kwak viste met een zakvormig net, de kwakkuil, op garnalen of paling.
Kwak (foto …………………..)
Pluut (foto …………………..)
Punter (Foto …………………..)
Pluut Een pluut werd gebruikt voor de visserij, maar daarnaast ook als waterschip. Waterschepen brachten vers water naar de talloze bierbrouwerijen van destijds. Een pluut heeft veel weg van een schokker en was afkomstig uit het Gelderse deel van de Zuiderzee, dat ook wel Zuidwal werd genoemd (Harderwijk, Spakenburg). Maar ook aan de Oostwal in Blokzijl, Vollenhove, Hasselt en Kampen waren ze te vinden. Een pluut is overnaads gebouwd, met zware rechte stevenbalk, kleiner dan de schokker, slanker, minder zeeg en met een breder vlak. De pluut voerde een smal gaffelzeil en soms een grote botterfok. De pluut is duidelijk ook verwant aan bons en botter. Pluten waren met de Staverse jol de enige Zuiderzeeschepen zonder zwaarden, maar er waren later ook typen met zwaarden. De zware pluten werden ook ingezet om zeeschepen over de ondiepte van Pampus te trekken. Punter Een punter is een slank platbodemd open vissersbootje voor de binnenwateren, maar ook voor de Oostwal van de Zuiderzee. Het voerde een sprietzeil zonder giek en is sterk verwant aan de grundel. De punter werd en wordt veel gebruikt in het waterrijke Noordwest-Overijssel door de boeren, maar was tegelijkertijd een vervoermiddel. Veevervoer, verhuizingen en zelfs begrafenissen gingen per punter.
Elke streek had z'n type; de Gieterse-, de Kamper-, de Beulakermeer punter, de Noordwesthoekpunter en zelfs zeepunters met kajuit. Giethoorn is het meest bekend geworden om de punter, en nog steeds is "punteren" een jaarlijkse trekpleister voor toeristen. Heden ten dage worden vooral elektrisch aangedreven punters voor verhuur aangeboden en ze worden nog steeds gebouwd door o.a. scheepswerf Schreur in Giethoorn, maar nu met gaffelzeil.
55
Schokker (foto LVBHB)
Schouw (foto TopBoats)
Schokker Een schokker is een aan de botter verwant platboomd vissersvaartuig. De naam stamt waarschijnlijk van het eiland Schokland. De schokker kenmerkt zich door de sterk naar binnen vallende boorden en de ronding van de berentanden (de verticale balkjes tegen het boeisel als geleiding voor de ankertros). De voorsteven van de schokker maakt een hoek van ongeveer 45 graden met de waterlijn. Schokkers stonden bekend om hun enorme zeewaardigheid en tot omstreeks 1875 voerden sommige schokkers zelfs twee masten, de grote met een sprietzeil en stagfok, de bezaansmast met een bezaantje. Urker vissers voeren ermee, maar ook Elburg had een grote vloot van kleine schokkers. Daar werden ze bons genoemd. De laatste bons, de EB39, is in Spakenburg gerestaureerd. Schouw De schouw is een vissersscheepje met een kenmerkende platte zeshoekige voor- en achtersteven. De voor en achter omhoog gebogen bodem sluit boven de waterlijn niet aan op de zijden, maar aan een bord. Dit was eenvoudiger en dus goedkoper van constructie. Op het boeisel staat een vrijwel zeegloos zetboord. Daarmee is de schouw een karakteristiek scheepje met een gestrekte lijn. Er zijn verschillende typen schouwen. Schouwen zijn veel gebruikt door boeren en kooplieden voor het vervoer van vee en goederen. Tegenwoordig worden schouwen steeds meer gezien als plezierjacht en zijn ze zeer geliefd om de goede zeileigenschappen.
ZEESCHEPEN Baggerschip Baggerschepen zijn speciaal ontworpen om materiaal van de bodem op te nemen en naar een andere plaats te vervoeren. Baggerschepen worden onder andere gebruikt om havens en vaargeulen aan te leggen en op diepte te houden. Een oud type is de emmerbaggermolen en een bekend type op zee is de sleephopperzuiger. Baggerschip (foto Baggermuseum Sliedrecht)
Coaster (foto …………………..)
Coaster of kustvaarder Een coaster of kustvaarder is een handelsschip voor het vervoer van vracht langs de kust tot 35 zeemijl uit de kust. Veel coasters zijn gebouwd op Groninger werven voor de vaart op de Zuiderzee, de Waddenzee, de Oostzee en de vaart op Engeland. Kustvaarders hadden een lengte van maximaal 75 m een laadvermogen van maximaal 500 brutoregisterton (brt) en werden gebruikt voor de kleine handelsvaart. Ze vervoerden vooral bouwmaterialen en hout. De Groninger coasters hadden als bijnaam ‘little grey devils’, omdat het kleine en handige schepen waren die op veel plaatsen konden komen.
56
Tankschip (foto Zandcee)
Lichtschip (foto …………………..)
Logger (foto …………………..)
Loodsboot (foto Scheepvaartwest)
Koopvaardijschip De koopvaardijvloot bestaat uit diverse soorten handelsschepen, zoals bulkschepen, stukgoedschepen, tankschepen, containerschepen en roroschepen. De scheepstypen zijn aangepast aan het soort lading, zoals bulk, natte lading, containers of auto’s. Nederland heeft nog altijd een sterke maritieme positie, zowel op het gebied van scheepsbouw als van rederijen. De schaalvergroting zorgde voor een voortdurende ontwikkeling naar steeds grotere schepen. Lichtschip Een lichtschip is ontworpen als drijvende vuurtoren. Een lichtschip is daarmee een lichtbaken dat andere schepen waarschuwt voor zandbanken of andere obstakels of gevaarlijke gebieden. Een lichtschip is op een bepaalde positie verankerd. Lichtschepen hebben doorgaans geen eigen voortstuwing, maar wel motoren voor het opwekken van elektriciteit voor de lampen van de vuurtoren op het schip. Lichtschepen konden bemand of onbemand zijn. Lichtschepen hebben doorgaans een signaalrode kleur. Sinds de jaren ’80 zijn er geen lichtschepen meer als lichtbaken in functie. Logger Een logger is een zeevissersvaartuig voor de vangst van haring, dat rond 1850 in Nederland bekend werd. Eerder werden loggers gebouwd van hout, later van staal. Een logger viste met de vleet aan een lijn. Loggers waren snelle zeilschepen met een logger- of kottertuig.
Een logger heeft een kenmerkende vorm met een steile steven, gestrekte romp en een sterk overhangend achterschip. Later werden de loggers gemotoriseerd. Ze waren de opvolgers van de houten bomschuiten, die op het strand getrokken werden om hun lading vis te lossen. Inmiddels zijn de loggers vervangen door trawlers. Loodsboot Een loodsboot is een boot die een loods aan boord van een zeeschip brengt. De loods brengt het zeeschip veilig een zeehaven binnen. Een loodsboot heeft een vaste positie op zee en heeft diverse loodsen en loodsjollen aan boord. Een loodsjol is een kleine boot die de loods naar een zeeschip brengt. Vroeger werden de jollen geroeid, later werden ze voorzien van een motor. Tegenwoordig vaart de loods ook wel met een snelle motorboot, een loodstender, vanuit de haven naar een zeeschip toe om het de haven in te begeleiden. Een loodsboot is een stabiel zeewaardig schip met een flinke verblijfsaccommodatie voor de bemanning. Op het dek is ruimte voor de loodsjollen en voor kranen om de jollen van en aan boord te hijsen. Loodsboten kunnen uitgerust zijn met een mitrailleur of boordkanon ter verdediging van het zeegat.
57
Marineschip (foto …………………..)
Reddingsboot (foto …………………..)
Marineschip De Nederlandse marine kent veel typen marineschepen en oorlogsschepen, zoals kruisers, torpedobootjagers, kanonneerboten, torpedoboten, fregatten, korvetten, patrouillevaartuigen, landingsvaartuigen, mijnenleggers, mijnenvegers, duikboten, transportschepen, bevoorradingsschepen en vliegdekschepen. Doorgaans worden deze schepen, na dienst gedaan te hebben voor de Nederlandse marine, afgestoten en verkocht aan de marine van andere landen. Alleen niet-strategische schepen kunnen verkocht worden aan particulieren. Marineschepen zijn doorgaans grijs of zwart gekleurd en meestal voorzien van wapens. Reddingsboot Een reddingsboot is een boot die is ontworpen voor het redden van mensen en schepen in nood. Door de tijden heen zijn er roeireddingsboten, zeilreddingsboten en motorreddingsboten gemaakt. De grootte en het type is afhankelijk van het gebruik en het soort vaarwater waarvoor ze zijn bedoeld. Er zijn open reddingssloepen, halve en geheel gesloten reddingsboten, vrijvalreddingsboten en zelf richtende reddingsboten. Reddingsboten zijn vaak opvallend signaalkleurig oranje. Dienstvaartuig De Nederlandse dienst Rijkswaterstaat kent diverse typen dienstvaartuigen, zoals patrouillevaartuigen, werkschepen, charters en tonnenleggers. Doorgaans worden deze schepen na het einde van hun technische en/of economische levensduur verkocht, soms ook aan particulieren.
Tonnenlegger (foto …………………..)
Schoener Een schoener is een zeegaand zeilschip met 2 of meer masten, waarbij de achterste mast doorgaans langer is dan de voorste. De romp van een schoener heeft een S-spant met een diep stekende kiel. Rond 1900 zijn vooral in Groningen veel schoeners gebouwd voor de kustvaart. Na 1920 werden deze zeilende vrachtschepen vervangen door motorvrachtschepen. Schoener (foto VollwertBIT)
Trawler Een trawler is een vissersschip voor de vangst van diverse soorten zeevis. Eerst viste een trawler met scheerborden aan beide zijden, die het net uithielden. Deze trawlers werden zijtrawlers genoemd. Tegenwoordig gebruiken vissers hektrawlers, waarbij het net aan de achterkant van het schip overboord wordt gezet. Hektrawlers zijn voorzien van vriesinstallaties om de vis aan boord te koelen en conserveren. Trawler (foto …………………..)
58
Wad- en Sontvaarder (foto …………………..)
Wad- en Sontvaarder Een voorloper van de coasters was de Wad- en Sontvaarder, die vooral tussen 1900 en 1925 werden gebouwd. Het laadvermogen lag tussen de 125 en 250 ton. Het waren motorschepen, soms nog met een hulpzeil, die vooral op Groninger scheepswerven gebouwd zijn. Het type lijkt op de luxe motor, maar heeft een hoger boeisel met spuigaten of kantelkleppen en een hogere kop en kont, tegen overslaand zeewater. Het waren binnenschepen die ook dicht onder de kust konden varen tot aan de Oostzee toe.
59
Bijlage 9. Scheepsonderdelen Historische schepen beschikken niet alleen over een historische romp, maar ook over een historische opbouw en een meestal grote hoeveelheid kenmerkende onderdelen. Bijgaand een omschrijving van de meest voorkomende historische scheepsonderdelen, gegroepeerd naar de functie die zij hebben.
Romp De scheepsromp is het drijflichaam van een schip. De romp is doorgaans van hout, ijzer, staal en in bijzondere gevallen ook van ferrocement of beton gemaakt. Een scheepsromp bestaat uit diverse onderdelen, die hieronder omschreven zijn. Spanten Een spant is een houten of stalen balk of profiel, waaruit de romp van een schip is opgebouwd. Spanten worden op regelmatige afstand van elkaar bevestigd en vormen zo een spantenraam, het geraamte van een schip. Elke spant wordt op maat gebogen, zodat een vloeiende rompvorm ontstaat. Scheepshuid De scheepshuid wordt gevormd door houten huiddelen of huidplanken, of door stalen huidplaten of huidgangen, die aan de spanten zijn bevestigd. Houten huiddelen worden daartoe in de juiste kromming gebracht door ze krom te branden. Stalen huidplaten worden in de juiste kromming gebogen. Stalen huidplaten kunnen aan de spanten bevestigd worden door ze met klinknagels vast te klinken of door ze vast te lassen. Veel oude schepen die nog voor de Tweede Wereldoorlog zijn gebouwd, zijn nog geklonken. Berghout, boeisel en potdeksel Het berghout is een horizontale stevige plaat of strip, die op het breedste deel van de romp bevestigd is en die als stootrand dient. Het bovenste gedeelte van de scheepsromp boven het berghout heet het boeisel, ook wel boeiing of verschansing genoemd.
Het boeisel wordt aan de bovenzijde afgewerkt met een potdeksel, een horizontale rand langs de bovenzijde van de romp. Dekken en gangboorden De dekken en gangboorden zijn de horizontale loopvlakken die bevestigd zijn aan de romp. Schepen hebben doorgaans een voordek en een achterdek en aan de zijkanten van het laadruim een gangboord. Zeilschepen hebben vaak ook een mastdek.