Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2023
Tekst van het document
op welke manier en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;
•
op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld;
•
door welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget voor opvang wordt vastgesteld en geïnd;
•
welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten;
•
voor welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners vereist is;
•
voor welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is;
•
op welke manier ingezetenen, waaronder inwoners of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;
•
op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente.
Ook moet de gemeente per verordening regels stellen (artikel 2.1.3 lid 3 en 2.6.6 lid 1 van de wet): •
om het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te bestrijden;
•
ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de Wmo voorzieningen die het college door derden laat uitvoeren. Hierbij moet rekening gehouden worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
8 Wat er in de verordening moet worden opgenomen volgt al uit de wet. Het opnemen van deze passage is daarom
optioneel.
48
Daarnaast kan de gemeente in de verordening (artikel 2.1.4 lid 1, lid 2, lid 3, lid 4 en lid 6, artikel 2.1.4a lid 1, lid 2, lid 3, lid 5 en lid 6 artikel 2.1.5 lid 1, artikel 2.1.7 en artikel 2.3.6 lid 4 van de wet): •
bepalen dat een inwoner een bijdrage in de kosten verschuldigd is voor het gebruik van een algemene voorziening (uitgezonderd inwonerondersteuning) een maatwerkvoorzieningen dan wel een persoonsgebonden budget;
•
de hoogte van de bijdrage voor het gebruik van een algemene voorziening vaststellen. Hierbij kan de hoogte van de bijdrage per soort voorziening verschillen of kan een korting worden bepaald per in de verordening omschreven categorie van inwoners;
•
algemene voorzieningen aanwijzen, waaronder in ieder geval die voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener, waarvoor het abonnementstarief geldt;
•
bepalen dat de hoogte van het abonnementstarief voor één of meerdere algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten tezamen op een lager bedrag dan € 19,- wordt vastgesteld, wordt verlaagd tot nihil voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van inwoners, indien het inkomen over een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven tijdsperiode van de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoners tezamen niet meer bedraagt dan een bij verordening vastgesteld bedrag;
•
bepalen op welke wijze de kostprijs wordt berekend voor algemene voorzieningen waarvoor een andere bijdrage dan het abonnementstarief geldt en voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel, een woningaanpassing of een bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorziening. De bijdrage gaat de kostprijs van de voorziening niet te boven;
•
bepalen dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget verschuldigd is zolang de inwoner van de voorziening gebruik maakt onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend;
•
de hoogte van de bijdrage vaststellen van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget;
• bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
49
Belang zorgvuldige procedure Er moet steeds een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om: • de hulpvraag van de inwoner, zijn behoeften, situatie en de gewenste resultaten helder te krijgen; • de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner te inventariseren; • te achterhalen welk oplossingen de inwoner zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, een beroep op andere wetten en algemeen gebruikelijke voorzieningen. • te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan of dat een maatwerkvoorziening nodig is en welke voorziening dan (goedkoopst) compenserend is voor de beperkingen van de inwoner. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Als de procedure goed wordt uitgevoerd, moet deze steeds tot een juiste beslissing leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Als de inwoner van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan.
De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van inwoner op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Mandaat college De Wmo 2015 en deze verordening bepalen dat veel zaken door het college gedaan worden. In de praktijk worden deze zaken niet door het college zelf gedaan, maar (in mandaat) door deskundige ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij doen dit namens het college. Het college kan taken die in de wet en verordening aan haar worden opgedragen, mandateren aan ondergeschikten of niet-ondergeschikten op grond van de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de inwoner (ten aanzien van een voorziening) mandateren aan een aanbieder. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.
50
Artikelsgewijs Hoofdstuk 1: Begrippen In hoofdstuk 1 wordt uitgelegd wat er verstaan wordt onder de begrippen die gebruikt worden in deze verordening. Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1 onder a. algemeen gebruikelijke voorziening: Bij de beoordeling of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de inwoner, draait het om het beantwoorden van de vraag of de inwoner ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. De in deze bepaling opgenomen criteria volgen uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). Het is de vraag wat precies verstaan moet worden onder een 'inkomen op minimumniveau'. Zolang hier niet meer jurisprudentie over is verschenen, gaan we er vanuit dat het gaat om een inkomen op bijstandsniveau heeft. Het is hierbij niet van belang of de betreffende inwoner een inkomen op minimumniveau heeft. Het draait om de vraag of de voorziening in algemene zin financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Lid 1 onder b. andere voorziening: Een andere voorziening is een voorziening die de inwoner kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Lid 1 onder g.
financiële tegemoetkoming: De Centrale Raad van Beroep (12-02-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:39) maakt met deze uitspraak duidelijk dat financiële tegemoetkomingen onder de Wmo 2015 mogelijk zijn. Naast naturavoorzieningen kunnen dus net als voorheen (forfaitaire) tegemoetkomingen worden verstrekt. Als daarmee maar een passende bijdrage wordt geboden aan zelfredzaamheid en participatie. Een financiële tegemoetkoming wordt alleen ingezet als er geen natura voorziening kan worden ingezet. Denk hierbij aan de verhuiskostenvergoeding of meerkosten gebruik eigen auto. Deze kan niet anders dan in een financiële vorm worden ingezet. Vandaar dat deze mogelijkheid in de verordening is opgenomen. Lid 1 onder k. ondersteuningsplan: Dit ondersteuningsplan gebruik het Samen Doen team om tezamen met de inwoner het afwegingskader uit de Wmo te doorlopen en de hulpvraag van de inwoner op te lossen. Dit verslag kan ook al aanvraag dienen als blijkt dat een maatwerkvoorziening benodigd is. Wel moet daarvoor aan de criteria van een aanvraag uit artikel 4:1 e.v. van de Awb zijn voldaan.
51
Lid 1 onder l. hoofdverblijf: Omdat er bij het begrip ingezetene wordt gesproken over hoofdverblijf, is hier verduidelijkt wat hier onder wordt verstaan. Deze term moet zijn gedefinieerd in de verordening (Rb Noord-Holland 25-11-2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11535). Lid 1 onder n. hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerst onderzoekt wat de hulpvraag van inwoner is. Wanneer de inwoner zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk. Lid 1 onder o. informele ondersteuning/ondersteuner: Deze bepaling geeft aan wat er wordt verstaan onder de niet-professionele hulpverlener ook wel informele hulp genoemd. Informele ondersteuning is dan alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk, is altijd sprake van informele ondersteuning. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 onder u van deze bepaling. Dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele ondersteuner.
De achtergrond daarvan is dat ook personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Lid 1 onder p. inwoner: Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 2209-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend. Lid 1 onder q. melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de inwoner de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de inwoner zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Lid 1 onder s.
persoonlijk plan: In het plan kan de inwoner – al dan niet samen met zijn sociale netwerk – de hulpvraag 52
nader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van inwoner versterken. Lid 1 onder u. pgb-aanbieder: In deze bepaling wordt aangeven wat wordt verstaan onder een professionele aanbieder die op grond van een pgb zorg levert, ook wel de pgb-aanbieder genoemd. Deze aanbieder moet aan dezelfde kwalitatieve eisen voldoen als gecontracteerde aanbieders zoals genoemd in hoofdstuk 7 en bijlage 1 van de verordening. Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele (pgbaanbieders) en informele ondersteuning. Voor pgb-aanbieders geldt het hogere pgb-tarief en voor informele ondersteuning geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele ondersteuning is , kortweg, sprake als de ondersteuning verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. Lid 2 Het aantal definities van artikel 1 is beperkt omdat de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.
Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de inwoner de gemeente om hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de Wmo 2015. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de inwoner geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de inwoner zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echter ook mogelijk dat de inwoner na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. De regels die van belang zijn voor de melding en aanvraag-fase zijn opgenomen in het volgende hoofdstukken. Artikel 2.1. Melding De inwoner doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij het Samen Doen team (CRVB 07-2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8871). De melding kan door of namens de inwoner worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de inwoner als vertegenwoordiger kan optreden. 53
In lid 2 is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de melding bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Vanwege de registratie en zorgvuldigheid kiest de gemeente hier wel voor. Hoofdstuk 3: onderzoek en verslaglegging Artikel 3.1. Onderzoek Bij het onderzoek zal in samenspraak met de inwoner en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene voorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een maatwerkvoorziening. Het college heeft hier een actieve taak in en kan niet afwachtend zijn, maar ook op de inwoner rust een even grote verantwoordelijkheid om het college van de nodige informatie te voorzien (CRVB 10-122018, ECLI:NL:CRVB:2008:BG6612). Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht.
Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de inwoner (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger) wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de inwoner en de thuissituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de inwoner (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger). Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen (CRvB 21-03-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819): Stap 1 - inventariseer de hulpvraag Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus en onderbouwd in kaart Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving.
54
Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Als de problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en de eigen mogelijkheden zijn Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de wet in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost Slechts voor zover die eigen mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Lid 1 onder g Als duidelijk is dat de inwoner nog reële behandelmogelijkheden heeft op grond van de Zorgverzekeringswet mag op grond van de Wmo verwacht worden dat hij van deze behandelingsmogelijkheden gebruik maakt en zich te volle inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen (CRVB, 16-05-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1444).
Lid 5 Ook de inwoner moet meewerken aan het onderzoek. Als de inwoner of zijn huisgenoten niet willen meewerken aan het onderzoek, mag het college de aanvraag afwijzen (CRVB 161-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:224). Om dit op voorhand te voorkomen, is dit lid opgenomen. Wel moet het college zelf zo goed mogelijk onderzoek doen naar de feiten en omstandigheden, mocht een huisgenoot niet willen meewerken. Pas als dit onderzoek onvoldoende informatie oplevert, mag de aanvraag worden afgewezen (CRVB 17-10-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3102). Mocht inwoner niet mee werken aan een medisch advies, dan kan de aanvraag eveneens worden afgewezen. Een buitenbehandelingstelling is niet mogelijk (CRVB 05-06-2013, ECLI:NL:CRVB:2012:CA2951). Artikel 3.2. Het ondersteuningsplan In lid 1 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van wat er besproken is. In de wet is bepaald dat het college de inwoner de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken. In lid 4 is bepaald dat als de inwoner niet binnen zes weken zijn ondersteuningsplan retour stuurt, het college kan beslissen dat de melding niet meer in behandeling wordt genomen.
Reden hiervoor is dat na zes weken de situatie dusdanig veranderd kan zijn, dan het college een nieuw onderzoek wil doen om vast te stellen of de afwegingen uit het eerdere onderzoek nog wel kloppend zijn. Om een (nieuwe) onderzoekstermijn te waarborgen is 55
deze bepaling opgenomen. Is er niets veranderd in de situatie, dan kan uiteraard gewoon worden aangesloten bij het eerdere onderzoek. Hoofdstuk 4: Aanvraag maatwerkvoorziening en afhandeling maatwerkvoorziening Dit hoofdstuk bevat de regels op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Artikel 4.1. Aanvraag Lid 1 stelt dat een aanvraag schriftelijk moet worden ingediend bij het college of het Samen Doen team. Het schriftelijkheidsvereiste vloeit voort uit artikel 4:1 Awb. Verder heeft het de voorkeur dat de inwoner bij het Samen Doen team zijn aanvraag indienen. De meldingen komen daar namelijk ook binnen en het onderzoek wordt door het Samen Doen team uitgevoerd. Om het proces eenvoudige en duidelijk te houden kan de aanvraag daarom ook bij het Samen Doen team worden ingediend. Het Samen Doen team kan ook bij eventuele opmerkingen sneller schakelen met de inwoner. Op het moment dat de inwoner zijn aanvraag inlevert bij het Samen Doen team, dan geldt deze datum als aanvraagdatum. Uiteraard is de inwoner ook vrij om rechtstreeks een aanvraag bij het college te doen. Lid 2 geeft aan wat het college als aanvraag ziet. Een ondersteuningsplan moet ondertekend worden, zodat voldaan is aan de vereisten aan een aanvraag zoals gesteld in artikel 4:2 Awb.
Lid 2 onder b is opgenomen om de inwoner de ruimte te bieden om een aanvraag in te dienen als zij het niet eens zijn met de oplossing die het Samen Doen team biedt. Indien de inwoner graag een maatwerkvoorziening wenst, terwijl het Samen Doen team op een voorliggende oplossing uitkomt, moet de inwoner de mogelijkheid worden geboden om een aanvraag te kunnen indienen. De inwoner kan dan kiezen voor een ondersteuningsplan waar een verkort aanvraagformulier onder zit. Op dit aanvraagformulier kan de inwoner dan aangeven: Waarom hij het niet eens is met de voorgedragen oplossing en welke maatwerkvoorziening hij wenst. De inwoner tekent het aanvraagformulier dan voor het doen van een aanvraag, zodat aan de vereisten uit artikel 4:2 Awb is voldaan. Ook dit ondersteuningsplan kan als aanvraag worden ingediend bij het Samen Doen team, zodat het proces eenvoudig en eenduidig blijft. Verder kan het Samen Doen team direct de eventuele opmerkingen van de inwoner beoordelen. Blijkt dat dit nieuwe informatie is, dan kan het Samen Doen team opnieuw met de inwoner in gesprek gaan. Tot slot wordt hiermee de gang naar de rechter gewaarborgd voor de inwoner (bezwaar en beroep). Lid 3 is een bepaling die uit de wet voortvloeit ( art. 2.3.2 lid 1 en 9 van de wet) en hier ter verduidelijking opgenomen.
56
Artikel 4.2. Toegang en besluit Lid 1 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat na de melding heeft plaatsgevonden, de door de inwoner ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde criteria voor de maatwerkvoorziening. Op het moment dat de inwoner het niet eens is met de inhoud van de beschikking kan hij hierin tegen bezwaar (en beroep). Lid 2 Deze bepaling regelt dat van een inwoner wordt verwacht dat binnen 3 maanden de indicatie wordt ‘verzilverd’ door zich te melden bij de aanbieder of het pgb te besteden. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig gewijzigd is, dat eigenlijk een nieuwe beoordeling nodig is. Voldoet de inwoner niet aan deze voorwaarde, dan kan dit aanleiding zijn om de maatwerkvoorziening in te trekken. De inwoner voldoet dan niet aan de voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb (artikel 2.3.10 van de wet). Artikel 4.3. Inhoud beschikking De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert.
In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. Hoofdstuk 5: Algemene voorzieningen In dit hoofdstuk zijn de criteria en resultaten voor de algemene voorziening huishoudelijke hulp opgenomen. De inwoner is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor een schoon en leefbaar huis. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. Voor gebruikelijke hulp (de normale, dagelijkse zorg op basis van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de huisgenoten waarmee een gezamenlijke huishouden worden gevoerd), wordt vanuit de gemeente geen of minder ondersteuning bij het schoonhouden of organiseren van het huishouden geboden. Vrijwillige ondersteuning door bijvoorbeeld een mantelzorger, gaat ook voor op de ondersteuning van de gemeente. Gebruikelijke zorg houdt in dat bij de aanwezigheid in het huishouden van een persoon die de huishoudelijke taken kan overnemen in beginsel geen hulp bij het huishouden wordt toegekend. Die gang van zaken is gebaseerd op de gedachte dat een huishouden in beginsel een gezamenlijke verantwoordelijk is voor het verrichten van alle noodzakelijke taken. Daar waar de één minder kan, moet de ander inspringen: communicerende vaten dus. Bij het onderzoek of de partner van de belanghebbende (of andere huisgenoten) in staat is tot het 57
verrichten van huishoudelijke werkzaamheden, moet beoordeeld worden of sprake is van (dreigende) overbelasting van de partner van belanghebbende, waarbij aandacht moet worden besteed aan zijn draaglast en draagkracht (CRvB 03-03-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9930). Ook huisgenoten zijn verplicht om mee te werken aan het door het college in te stellen onderzoek, aangezien dit van belang kan zijn voor duiding van eventuele gebruikelijke zorg. Als medewerking door de huisgenoten geweigerd wordt, dan kan de aanvraag niet zonder meer worden afgewezen, maar moet het college nog wel kijken wat het zelf op een andere wijze aan te weten kan komen. Is dat te weinig om een goede beslissing te kunnen nemen, dan verplaatst zich het zwaartepunt naar de kring van de belanghebbende (CRvB 25-072011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7382). De omstandigheid dat een huisgenoot, van wie gebruikelijke zorg kan worden verwacht, de desbetreffende huishoudelijke taken niet verricht en de belanghebbende zich genoodzaakt voelt daarvoor een derde in te schakelen, komt voor zijn rekening en risico (CRvB, 18-052011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090). Van jongvolwassenen tussen de 18 en 23 jaar mag verwacht worden dat zij huishoudelijke taken over kunnen nemen.
Zij worden geacht om in ieder geval 4,5 uur aan huishoudelijke werkzaamheden te kunnen besteden, ondanks dat zij bijvoorbeeld een opleiding en bijbaan hebben (CRvB 16-09-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3198). Indien eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp en mantelzorg of vrijwilligershulp geen of onvoldoende oplossing bieden, kan de gemeente ondersteuning bieden in de vorm van de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp. De inwoner kan de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp afnemen bij een aanbieder waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten voor het leveren van de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp. De aanbieder onderzoekt of de inwoner voldoet aan de toegangscriteria voor de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp door middel van een intakegesprek. Het intakegesprek leidt tot een werkplan. In dit werkplan worden de resultaatafspraken opgenomen. Het werkplan wordt zowel door de inwoner als de aanbieder ondertekend. Het werkplan dient aan de gemeente te worden verstrekt. Artikel 5.2. Resultaten van de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp lid 1. Schoon en leefbaar huis Het resultaat van de ondersteuning is dat de inwoner beschikt over een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als dagelijks in gebruik zijnde slaapkamer, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap.
De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. De taken binnen de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp richten zich op het uitvoeren van het lichte en zware schoonmaakwerk. Het gaat om een mix van de volgende activiteiten binnen de bovengenoemde vertrekken: 58
stof afnemen, stofzuigen, dweilen, opruimen, reinigen van ramen binnen, keuken opruimen en schoonmaken, afwassen, bed verschonen en schoonmaken van het sanitair. Wanneer een inwoner vanwege medische belemmeringen (bijvoorbeeld door ernstige fysieke beperkingen, medische beperkingen waardoor een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is, of medische beperking die leiden tot een snellere vervuiling van het huis) extra noodzakelijke schoonmaak nodig heeft, dan wordt dit vanuit de algemene voorziening uitgevoerd. lid 2.Wasvoorziening Ondersteuning vanuit dit resultaat wordt geboden voor het wassen van beddengoed en linnengoed en het beschikken over schone kleding wanneer de inwoner een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van zijn kleding. De verzorging van de was zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het wassen, het drogen, strijken van de bovenkleding, vouwen van de was en terugleggen van de was in de garderobekast. Hiervoor mag gebruik worden gemaakt van een algemene of voorliggende voorziening, zoals bijvoorbeeld een was- en strijkservice. Hoofdstuk 6: Maatwerkvoorzieningen Artikel 6.1. Algemene criteria In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om een maatwerkvoorziening te kunnen krijgen.
Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie of, bij een inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, van problemen bij het zich handhaven in de samenleving. Daarnaast moet duidelijk zijn dat oplossingen die de inwoner zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te compenseren. Bij gebruikelijke hulp moet het college telkens weer een zorgvuldige afweging maken en daarbij rekening houden met de noodzaak tot ondersteuning en de specifieke omstandigheden van de aanvrager, waaronder zijn persoonskenmerken en zijn gezinssituatie (CRvB 10-10-2018, ECLI:N:CRVB:2018:3243). Op basis van lid 4 kan het college nadere regels en beleidsregels stellen. Het college kan bijvoorbeeld uitwerken welke regels gelden voor de beoordeling van de vraag of sprake is van eigen kracht of gebruikelijke hulp.
Artikel 6.2. Voorwaarden en weigeringsgronden Lid 1 Voorzieningen die het college op grond van deze verordening worden verstrekt, moeten zowel compenserend als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip compenserend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen die 59
kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer compenserend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de gebruiker. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau, wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Als de inwoner een compenserende voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening kan het college daarvoor een pgb verstrekken ter hoogte van de goedkoopst compenserende voorziening. De inwoner kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen (CRvB 28-10-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:BK3321). Lid 2 Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de inwoner. Verder mag een voorziening die antirevaliderend werkt, omdat het niet doeltreffend is en niet is gericht op het opheffen of verminderen van de beperkingen, worden geweigerd (ECLI:NL:CRVB:2013:2254).
Lid 3 onder a Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Hardenberg en daar dus hun hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Dit lid is gebaseerd op artikel 1.2.1 Wmo 2015. Lid 3 onder b Uit de wet blijkt niet dat andere wetten(zoals de WLZ of Zorgverzekeringswet) voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo. Wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de inwoner niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 van de wet). Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien.
De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is. Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de inwoner daar echt aanspraak op heeft.
60
Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of als vaststaat dat inwoner daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Lid 3 onder c Het college kan de aanvraag afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de inwoner verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als de inwoner geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner een rol. Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Lid 3 onder d De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele inwoner. Voor het treffen van voorzieningen die gericht zijn op meerdere ingezetenen, zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Lid 3 onder e Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie.
Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij inwoners die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de inwoner. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Inwoner kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet.
Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten.
61
Lid 3 onder g Van een inwoner mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een inwoner gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. De Wmo 2015 geeft ten aanzien van de voorzienbaarheid niet meer ruimte dan onder de Wmo 2007. Er mag nog steeds niet van een inwoner gevraagd worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22-08-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603). Van inwoners mag wel verwacht worden dat ze bij het betrekken van een nieuwe woning rekening houden met hun beperkingen. In de jurisprudentie wordt dit bevestigd (CRvB 2810-2015, nr. 14/3463Wmo). De Centrale Raad oordeelde dat de inwoner al ten tijde van de verhuizing naar de huidige woning had kunnen voorzien dat op een zeker moment aanpassingen nodig zouden zijn (aanvraag terecht geweigerd).
Lid 3 onder h Dit artikel is opgenomen in verband met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 augustus 2018 ECLI:NL:CRVB:2018:2603 waarin het aangeeft dat de Wmo 2015 inderdaad ruimte biedt om van burgers te verlangen dat ze bij een verhuizing rekening houden met hun beperkingen én de redelijkerwijs te verwachten progressie daarvan. Maar, tot op zekere hoogte. De Raad stelt dat de gemeente níet van een burger kan verlangen om preventief maatregelen te nemen en investeringen te doen, omdat zijn gezondheid later misschien verslechtert, waardoor hij dan misschien maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. Dit artikel dient dan ook niet te regide te worden toegepast. Lid 3 onder i Dit lid is een herhaling van hetgeen in artikel 2.3.5, zesde lid van de wet is gesteld. Stelregels is dat als aan iemand die een Wlz-indicatie heeft of kan krijgen geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 hoeft te worden verstrekt. Op deze regel gelden wel een aantal uitzonderingen, die liggen vast in artikel 8.6a Wmo 2015. Lid 3 onder j en k Hier wordt gedoeld op de situatie dat de inwoner een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren.
Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor inwoner niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid 62
en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Lid 4
Voor een hulpmiddel dat een inwoner in bruikleen heeft op basis van zorg in natura (ZIN) geldt dat de leverancier eigenaar is van het hulpmiddel. Bij een hulpmiddel waarvoor een WA-verzekering afgesloten dient te worden sluit de leverancier een WA-verzekering af. De WA-verzekering van het hulpmiddel geldt in Nederland en in andere Europese landen op de groene kaart. Schade aan het hulpmiddel is niet verzekerd en komt voor rekening van de leverancier, hierin wordt onderscheid gemaakt tussen incidentele schade en schade door oneigenlijk gebruik. Bij klein grensverkeer in Duitsland is schade aan het hulpmiddel ook voor rekening van de leverancier. Bij klein grensverkeer geldt over het algemeen dat het verblijf korter is dan 24 uur en het gaat om onder andere het doen van boodschappen of een bezoek aan familie of vrienden. Incidentele schade is door een ongeluk of een ongelukkige situatie is ontstaan. Schade door oneigenlijk gebruik van het hulpmiddel kan op de inwoner worden verhaald door de leverancier. Dit is bijvoorbeeld het geval als een hulpmiddel structureel zonder adequate bescherming in de buitenlucht wordt gestald of als er zonder toestemming van de leverancier eigenstandig aanpassingen aan het hulpmiddel worden gedaan.
Voordat er schade kan worden verhaald op de inwoner wordt deze a) aangesproken door de leverancier, worden er b) afspraken gemaakt met inwoner om het oneigenlijk gebruik te stoppen, wordt er vervolgens c) een dossier opgebouwd en d) afstemming gezocht met de gemeente. Indien een inwoner het hulpmiddel wil meenemen naar het buitenland voor bijvoorbeeld een vakantie of familiebezoek dient de inwoner de leverancier hierover te informeren, zodat de leverancier het hulpmiddel kan verzekeren, klein grensverkeer naar Duitsland uitgezonderd. De inwoner geeft dit minimaal zes weken van te voren aan bij de leverancier, zodat deze het hulpmiddel kan verzekeren voor schade aan het hulpmiddel. De kosten voor de verzekering in het buitenland worden doorbelast aan de inwoner. Inwoners die een hulpmiddel hebben op basis van een pgb of deze in eigendom verstrekt hebben gekregen zijn zelf verantwoordelijk voor de verzekering en schade aan het hulpmiddel, zowel in Nederland als in het buitenland, zie ook artikel 7.5 lid 3 van deze verordening. Lid 5 Dit lid spreekt voor zich.
63
Artikel 6.3 en 6.4. Aanvullende criteria individuele begeleiding en groep Begeleiding Wmo omvat alle vormen van ondersteuning en begeleiding aan inwoners die gericht zijn op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. De gemeente Hardenberg wil vanuit de beleidsvisie sturen op het vergroten van de veerkracht. Veerkracht is ruimer dan de zelfredzaamheid. Veerkracht is het vermogen om je aan te passen aan stress of tegenslag, waar je dan misschien zelfs sterker uit kan komen.Het gaat bij veerkracht niet enkel over het terugveren naar de oorspronkelijke situatie maar ook om het vermogen om door te groeien. De inwoner wordt ondersteund bij het verkennen van zijn of haar mogelijkheden op één of meer levensgebieden, waarbij wordt gekeken hoe de veerkracht vergroot kan worden. Begeleiding Wmo is gericht op het beter hanteren van de uitdagingen in het leven en de mogelijkheden van de inwoner te verruimen. De inwoner leert meer zelfstandig te worden door te oefenen met bepaalde vaardigheden en met aanbrengen van structuur. Ook maatschappelijke participatie is een doelstelling van begeleiding. Begeleiding kan ook gericht zijn op het voorkomen van verwaarlozing of opname in een instelling. Bij begeleiding Wmo vormen de inwoner en zijn mogelijkheden het uitgangspunt.
De begeleiding biedt passende ondersteuning, aansluitend op de beperking en de mogelijkheden van de inwoner. De doelen van de inwoner staan voorop. Dit wordt vastgelegd in een hulpverleningsplan met een daaraan gekoppeld tijdspad. Dit plan omvat zowel de omvang van de in te zetten begeleiding als de doelen van de ondersteuning. Op vaste momenten wordt het nut en de noodzaak van de begeleiding geëvalueerd. De begeleiding Wmo is onder te verdelen in vier (4) ondersteuningsvormen: 1. Begeleiding Individueel ontwikkelingsgericht* 2. Begeleiding Individueel stabilisatiegericht 3. Begeleiding Groep ontwikkelingsgericht ** 4. Begeleiding Groep belevingsgericht *Er wordt gekozen voor begeleiding individueel als de verwachting is dat de gestelde doelen het beste behaald kunnen worden door de inzet van individuele (systeemgerichte) begeleidingsmethodieken. Daarbij kan de gecontracteerde of pgb-aanbieder of informele ondersteuner in samenspraak met de inwoner de begeleiding in de thuissituatie aanbieden waarmee een positief effect beoogd wordt op de ontwikkeling van de inwoner, zijn gezin en zijn omgeving. ** Er wordt gekozen voor begeleiding groep als de verwachting is dat in een groep beter de gestelde doelen kunnen worden behaald.
De sociale interactie in een groep; leren van elkaar en ook steun ervaren en tips krijgen van lotgenoten wordt in de groepsbegeleiding als instrument gebruikt. 64
Onder ontwikkelingsgericht wordt verstaan: Een inwoner (en zijn/haar omgeving) leert/(leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structuren en daar zo veel mogelijk regie over te voeren. Het participatieniveau wordt ontwikkeld en/of verhoogd naar zelfstandigheid. Onder stabilisatie wordt verstaan: Een inwoner in staat stellen op zijn hoogst haalbare niveau van participatie en zelfredzaamheid te blijven, door het creëren van stabiliteit en het stimuleren van participatie, zelfredzaamheid en terugval te voorkomen. Onder belevingsgericht wordt verstaan: Recreatieve activiteiten die een bijdrage leveren aan het welbevinden van de inwoner. Artikel 6.3 lid 1 en 2 Begeleiding omvat individuele activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner zodat hij zo lang als mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Bij individuele begeleiding gaat het niet om de overname van taken, maar om de ondersteuning ervan.
Individuele ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van inwoners, voor zover de inwoner in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie. Bij zelfredzaamheid moet gedacht worden aan het vermogen om algemene dagelijkse levensverrichtingen zelfstandig te kunnen uitvoeren, zoals participatie, sociale contacten, gezondheid of persoonlijke verzorging. Het kan ook gaan om psychosociale zelfredzaamheid: het vermogen tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties zoals thuis, in relatie met vrienden, vrijetijdsbesteding en een zinvolle daginvulling zoals school of werk. Individuele begeleiding is gericht op het beter hanteren van de uitdagingen in het leven en de mogelijkheden van de inwoner te verruimen. De inwoner leert meer zelfstandig te worden door te oefenen met bepaalde vaardigheden en met aanbrengen ven structuur. Daarnaast kan individuele begeleiding gericht zijn op het aanbrengen en activeren van dagstructuur en het stabiliseren, op orde brengen of handhaven van de situatie.
Artikel 6.3 lid 3 en 4 en artikel 6.4 lid 4 Op grond van artikel 2.1.3 lid 4 van de Wmo 2015 wordt in de verordening regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Een van deze regels is dat gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomsten niet worden 65
geaccepteerd. De gemeente of de inwoner moeten de aanbieder of de derde kunnen aanspreken op de geleverde ondersteuning, zonder te moeten vrezen voor verlies van de huisvesting van de inwoner. Ook moet het de inwoner vrij blijven staan te wisselen van aanbieder dan wel derde aan wie hij zijn pgb wenst te besteden. Dit ook gelet op mogelijke wijziging van de indicatie bij een verlengingsverzoek of heroverweging. Het contractueel samenbrengen van ondersteuning en huisvesting vertroebelt het toezicht op kwaliteit van ondersteuning en bemoeilijkt adequate handhaving. De aanbieder dan wel derde aan wie het pgb zal worden besteed, hebben dubbele financiële belangen die als oneigenlijk gebruik van de wet moeten worden aangemerkt. Het belang van de inwoner dient altijd voorop te staan, ongeacht de leveringsvorm van de ondersteuning. Artikel 6.3 lid 4 en 4 en artikel 6.4 lid 5 Dit lid verbiedt om pgb in te zetten, voordat er een maatwerkvoorziening is toegekend. Dit voorkomt dat inwoners al afhankelijk zijn van bijvoorbeeld ondersteuning. Wat het onderzoek naar een maatwerkvoorziening kan doorkruisen.
Artikel 6.4 lid 1 en 2 Dagactiviteiten in groepsverband zijn bedoeld om inwoners die niet mee kunnen doen in het reguliere dagelijkse werk-/schoolleven, al dan niet met aanpassingen, een activerende en zinvolle besteding van de dag te bieden of geen zelfstandige invulling hebben van hun dag. Dagactiviteiten dragen bij aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner, zodat deze langer in de eigen leefomgeving kan blijven. De inwoner wordt actief betrokken en de dagactiviteiten verlenen hem zingeving. De dagactiviteiten kunnen worden ingezet om een dag invulling of dagstructuur te hebben en mensen te ontmoeten. Ze kunnen naast belevingsgericht ook ontwikkelingsgericht zijn. Begeleiding groep kan worden ingezet ter ontlasting van de mantelzorger en met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen laten wonen. De noodzakelijke begeleiding zodat de inwoner kan deelnemen aan dagactiviteiten, is inbegrepen. Zo nodig kan een inwoner ook in aanmerking komen voor het vervoer naar de locatie. Artikel 6.4 lid 3 Voor het vervoer van en naar groepsbegeleiding zijn ook criteria opgesteld. Waar een inwoner zelfstandig of op eigen kracht (bijvoorbeeld met een scootmobiel) naar de groepsbegeleiding kan, is dat voorliggend op een aanvullende indicatie vervoer. Op het moment dat de inwoner dat niet lukt, zal het vervoer worden geregeld.
Artikel 6.5. aanvullende criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang De gemeente Zwolle is centrumgemeente voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen en voert (nu nog) deze voorzieningen uit. Deze bepaling is letterlijk overgenomen uit de Wmo verordening van de gemeente Zwolle.
66
Artikel 6.6. Aanvullende criteria woonvoorzieningen Lid 1 In dit lid wordt omschreven dat moet voldaan zijn aan de criteria uit artikel 6.1 en 6.2 en op welke criteria een woonvoorziening moet zijn gericht. Bij de beoordeling van de melding moet de passendheid van de hele woning van inwoner in aanmerking worden genomen (CRVB 31-07-2013, ECLI:NL:CRVB:2019:315). Lid 2 Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Hardenberg en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. De inwoner kan alleen de woning laten aanpassen, waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Ook bij co-ouderschap is er sprake van één hoofdverblijfplaats. Daarbij is de inschrijving in het Basisregistratiepersonen(Brp) leidend. Een woningaanpassing bij de andere ouder is niet noodzakelijk (Rb Gelderland 16- 06-2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3589). Lid 3 onder a Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding.
Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304). Lid 3 onder b Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen (CRvB 02-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4344). Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de inwoner te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. lid 3 onder c Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. In de Wmo speelt de eigen verantwoordelijkheid van burgers een grote rol. Indien inwoners mogelijkheden hebben om zelf voor een oplossing te kunnen zorgen, dan mag dit verwacht worden. Bijvoorbeeld door rekening te houden met extra kosten voor het aanpassen van de nieuwe woning, ook al is bij het afsluiten van de koopovereenkomst daar (nog) geen rekening mee is gehouden (CRVB 21-05-2012,ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810).
67
Lid 3 onder d Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de inwoner goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de inwoner geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek( CRvB 03-07-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:818). Lid 3 onder e Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.
De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de inwoner geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de inwoner mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Lid 3 onder f Als een inwoner verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen.
Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van inwoner meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien inwoner verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de inwoner om aan de hand van controleerbare 68
gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO, CRVB 28-09-2019, ECLI:CRVB:2019:2951 e.a. Lid 3 onder g Dit lid is opgenomen ter verduidelijking. Lid 4 In de Wmo 2015 is de hoofdregel dat maatwerkvoorzieningen voor Wlz-geïndiceerden kunnen worden geweigerd, zie artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015. Maar er kan wel een woonvoorziening worden getroffen van het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager een hoofdverblijf heeft in een WLZ-instelling (CRvB 22-09-2010, ECLI:NLCRVB:2010:BO0285). Met bezoekbaar maken wordt bedoeld dat het voor iemand die woonachtig is in een Wlzinstelling mogelijk wordt gemaakt bijvoorbeeld zijn ouderlijk huis te bezoeken. Dit betreft een bovenwettelijke voorziening. Deze voorziening is dus niet bedoeld voor thuiswonende Wlz – geïndiceerde, maar een intramurale WLZ bewoner. Meestal gaat het om aanvragen voor aanpassingen aan de ouderlijke woning vanwege het bezoek van een gehandicapt kind, woonachtig in een Wlz-instelling, maar dat hoeft niet. Bezoekbaar maken is in feite een uitzondering op de regel dat geen woonvoorzieningen worden verstrekt aan een Wlz-bewoner. Andere dan de in verordening opgenomen verplichtingen rond het bezoekbaar maken heeft de gemeente niet, juist omdat het gaat om een bovenwettelijke voorziening.
De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. Lid 5 Bij bezoekbaar maken gaat het gewoonlijk om het bereikbaar maken van de woning zelf, de woonkamer en het toilet. Het gaat niet verder dan het bereikbaar maken. De inwoner krijgt een forfaitaire tegemoetkoming gehanteerd die gelijk is aan het bedrag voor een tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten. Deze tegemoetkoming hoeft niet geheel kostendekkend te zijn. De hoogte van deze vergoeding is overgenomen uit de eerdere verordening en zal jaarlijks worden geïndiceerd.
69
Artikel 6.7. aanvullende criteria woonvoorzieningen en woningaanpassingen In dit artikel is het primaat van verhuizen opgenomen. Het verhuisprimaat is geoorloofd, mits daarmee een passende oplossing wordt geboden in een concreet geval (CRVB 27-032013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5696 en CRvB 02-08-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2602). Uitgangspunt bij iedere aanvraag voor een woningaanpassing is de vraag of en in hoeverre de inwoner een probleem heeft met de zelfredzaamheid of meer specifiek het normale gebruik van de woning. Daarbij is het belangrijk om ‘breed’ te kijken naar de problematiek van de inwoner en ook de prognose mee te nemen. Dit blijkt ook uit de jurisprudentie (zie ECLI:NL:CRVB:2013:1261). Immers, inwoners moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen, dit staat in de aanhef van de wet en in artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015. Als problemen bij het normale gebruik van een woning niet met hulpmiddelen kunnen worden opgelost, blijven er in principe twee oplossingsrichtingen over: 1. een woningaanpassing; 2. verhuizing naar een passende of goedkoper passend te maken woning. Soms is aanpassing vanwege bijvoorbeeld technische redenen of vergunningseisen c.q een monumentenstatus van een woning niet mogelijk; soms is het heel duur. Verhuizing zal - vanuit het financieel perspectief van de gemeente gezien - meestal de goedkoopst-passende oplossing zijn.
Het primaat is in feite een nadere uitwerking van de algemene verordeningsregel dat in beginsel de goedkoopst-passende voorziening wordt verstrekt. In beginsel geeft de gemeente dus de voorkeur aan verhuizing als oplossing, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten. Verhuizing zal dus een passende bijdrage moeten bieden aan de zelfredzaamheid en het zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen van de inwoner. Formeel kan de gemeente de inwoner niet dwingen tot verhuizing. Maar het hanteren van het primaat kan een passende oplossing zijn, waarmee de gemeente aan haar verplichtingen uit de wet voldoet. Het niet accepteren van deze oplossing door de inwoner betekent niet dat daardoor alsnog recht op een woningaanpassing in de reeds bewoonde woning bestaat. Een uiterst zorgvuldige afweging is noodzakelijk bij de besluitvorming, omdat er aan de kant van de inwoner zwaarwegende belangen kunnen spelen. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (zie artikel 3:4 Awb). Dit wordt ook wel het evenredigheidsbeginsel genoemd.