CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2023

gemeenteraad 6 december 2022, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststellen verordeningen Wmo en Jeugdhulp 202335.885 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Aansluitend daarop moet bij het hanteren van het primaat op basis van oudere Wvg- en Wmo-jurisprudentie ook rekening gehouden worden met de gevolgen voor de woonlasten, die een verhuizing voor de inwoner met zich meebrengt (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2008:BG3773). Die gevolgen moesten binnen de financiële draagkracht van 70

de betrokkene blijven, anders kon het primaat niet worden gehanteerd. Recente jurisprudentie is er niet op dit vlak, maar als deze lijn in de jurisprudentie wordt voortgezet, is er na invoering van het abonnementstarief weinig speelruimte. Een uitzondering zou mogelijk kunnen worden gemaakt bij een aanzienlijk groter woongenot in de nieuwe woning. Met name in situaties waarin wordt verhuisd van een koop- naar een huurwoning of andersom levert het rekening houden met de financiële aspecten wel ingewikkeld rekenwerk op: denk aan de woonlasten in verband met fiscale aspecten rond de koopwoning, opstalverzekering en andere financiële factoren, zoals huurtoeslag. Bij de besluitvorming moet rekening worden gehouden met een eventueel uit een medisch advies blijkende medisch verantwoorde termijn, waarbinnen een oplossing voor het betreffende woonprobleem moet worden gerealiseerd. Is (naar verwachting) niet tijdig een geschikte woning beschikbaar, dan kan het primaat niet worden gehanteerd, en zal aanpassing de enige passende oplossing zijn. Het feit dat iemand niet wil verhuizen, houdt niet in dat verhuizing geen passende oplossing kan zijn en er dus alsnog recht bestaat op een woningaanpassing. Sociale factoren kunnen bij de afweging een rol spelen.

Denk hierbij aan zaken als de voorkeur van de inwoner, diens binding met de woning zelf of de woonomgeving, de nabijheid van voor de betrokkene belangrijke voorzieningen. Denk hierbij ook aan school en werk (met name bij een eigen bedrijf aan huis). De nabijheid van vrienden, kennissen en familie kan een rol spelen bij de afweging, met name in situaties waarin aantoonbaar sprake is van substantiële mantelzorg. De sociale factor kan minder zwaar wegen, als dicht in de buurt van de huidige woning van de inwoner een geschikte of goedkoper aan te passen woning beschikbaar is, waardoor mantelzorg kan worden voortgezet. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaak langer te gebruiken dan aanpassingen aan koopwoningen. Deze huurwoningen kunnen opnieuw worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit kan in de afweging van belang zijn. De medische prognose kan ook een rol spelen. Als vaststaat dat de toestand van de inwoner naar verwachting zodanig zal verslechteren, dat de aanpassing slechts voor beperkte tijd kan volstaan, kan dat gegeven meewegen. Lid 4 De hoogte van deze vergoeding is overgenomen uit de eerdere verordening.

71

Artikel 6.8. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen Lid 1 en 3 Het algemene uitgangspunt dat een inwoner geen vervoersvoorziening krijgt, omdat hij met het openbare vervoer kan reizen, zodat deze zich voldoende lokaal kan verplaatsen, medemensen kan ontmoeten of op basis daarvan sociale contacten kan aangaan, is een terecht uitgangpunt volgens de Centrale Raad (CRVB 15-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV5448, CRVB 19-09-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7649). Wel moet de inwoner in staat zijn om het openbare vervoer te bereiken en ermee te kunnen reizen. Het feit dat het reizen met openbaar vervoer soms onbelaste kan zijn, doordat inwoner een half uur moet wachten, is geen reden dat openbaar vervoer niet passend is. Tenzij inwoner op grond van beperkingen niet in staat is om een half uur te kunnen wachten (CRvB 17-4-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1330). Als inwoner gewoon zelfredzaam is gebleken door gebruik van haar eigen auto (zonder aanpassingen), dan hoeft er niet op een andere wijze in de vervoersbehoefte te worden voorzien (CRvB 12-11-2014,ECLI:NL:CRVB:2014:3712). De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de inwoner in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972).

Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Ook hoeft het college geen doorslaggevende betekening toe te kennen aan de wens van inwoner als deze liever een aangepaste bruikleenauto wil om samen met zijn kinderen te reizen, als deze mogelijkheid ook bestaat ook op basis van het collectieve vervoer (CRVB 09-05-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Lid 2 Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een inwoner gemiddeld 1.500 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463, CRvB 06-06-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496). Als de inwoner een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de inwoner om dit aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen.

72

Lid 3 Dit lid houdt in dat wanneer een inwoner zich niet meer kan verplaatsen met zijn eigen auto/fiets (zonder aanpassingen) of met het openbaar vervoer (of dit niet kan bereiken) eerst gekeken wordt of hij of zij gebruik kan maken van het collectief vervoer en pas als dat niet mogelijk is wordt gekeken naar de mogelijkheden van een individuele maatwerkvoorziening zoals een autoaanpassing. Collectief vervoer is te beschouwen als een individuele maatwerkvoorziening als het niet voor iedereen toegankelijk is en men aan bepaalde voorwaarden moet voldoen om er gebruik van te kunnen maken. Het college beoordeelt eerst of de aanvrager, gelet op zijn (persoons)kenmerken en (vervoers)behoeften, recht heeft op deelname aan het collectief vervoerssysteem. Daarbij wordt per geval bekeken of collectief vervoer kan helpen bij het oplossen van de problemen bij het zich lokaal verplaatsen. Een collectief vervoersysteem biedt niet altijd een oplossing. Aanvragers kunnen diverse specifieke beperkingen hebben, waardoor collectief vervoer in hun situatie niet adequaat kan zijn. Als het CVV bijvoorbeeld voor mensen met ernstige beperkingen geen geschikte voorziening is zal een andere - individuele - oplossing moeten worden gezocht.

Het primaat houdt dus in feite niets anders in dan dat beleidsmatig voorrang wordt gegeven aan collectief vervoer boven de verstrekking van individuele maatwerkvoorzieningen. Het primaat van het collectief vervoer is in feite een uitwerking van het beginsel dat de goedkoopst-adequate voorziening wordt verstrekt. Lid 5 In dit lid zijn de uitgangspunten voor het collectieve vervoer opgenomen. In het belang van de reizigers, chauffeurs van rolstoelvoertuigen en de organisaties waarbinnen zij actief zijn, beschrijft de ‘Code Veilig Vervoer Rolstoelgebruikers’ (Code VVR) de (wettelijke) regels waaraan moet worden voldaan bij het vervoer van mensen die gebruik maken van een rolstoel. Het uitgangspunt van de code is dat rolstoelgebruikers zoveel als mogelijk op een vaste zitplaats worden vervoerd, de meest veilige plek. Voor sociale of medisch noodzakelijke begeleiding tijdens de rit moet de gebruiker zelf zorgen. De sociale begeleider betaalt het reizigersbijdrage. De medische begeleider betaalt geen bijdrage. Lid 6 Het college hoeft geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Voor de volledigheid is dit lid opgenomen, zodat voor de inwoner duidelijk is wanneer hij een beroep kan doen op Valys. Valys is een landelijk bovenregionaal vervoerssysteem voor mensen met beperkingen.

Het systeem is opgezet door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het systeem staat los van de Wmo 2015. Valys is bedoeld voor bovenregionaal sociaal-recreatief vervoer, en dus niet voor woon-werkverkeer, Wlz-vervoer en leerlingenvervoer. 73

Bovenregionaal betekent in dit geval dat de bestemming of het vertrekpunt van de reis op meer dan vijf openbaar vervoerzones van het woonadres ligt. Lid 7 en 8 Als een inwoner met beperkingen vaker zijn eigen auto (zonder aanpassingen) of taxi moet gebruiken omdat hij bijvoorbeeld op de fiets niet naar de winkel of dokter kan, kan hij meerkosten hebben ten opzichte van een inwoner (al dan niet zonder beperkingen) die wel de korte ritten met de fiets of lopend kan doen. Om deze inwoner tegemoet te komen in die meerkosten, kan hij een beroep op deze forfaitaire vergoeding. Dit betekent dat de bedragen niet zijn gekoppeld aan de werkelijke kosten. In de praktijk houdt dit bijvoorbeeld in dat men geen hoger bedrag ontvangt voor autokosten, als men in een duurder type auto rijdt. De hoogte van de tegemoetkomingen moet voldoende zijn om jaarlijks voldoende kilometers te rijden. Uit de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om jaarlijks minimaal 1.500 kilometer af te leggen, met een bandbreedte tot 2.000 kilometer. De tegemoetkoming hoeft niet voor elke auto passend te zijn en mag een gemiddelde zijn. Daarom is aangesloten bij de kilometerprijs alleen variabele kosten middenklasse uit de geldende Prijzengids Nibud. Iedere (twee) jaar wordt deze gids aangepast.

Door het bedrag op te nemen in het financieel besluit, kan dit bedrag sneller worden aangepast. Artikel 6.9. Aanvullende criteria voor rolstoelvoorziening Lid 1 In lid 1 is het opgenomen wanneer men in aanmerking komt voor een rolstoel. Om zelfredzaam te kunnen zijn en te kunnen participeren kan een rolstoel noodzakelijk zijn om zich te kunnen verplaatsen. Naast de algemene verordeningseisen, waaraan de aanvraag van een rolstoel moet worden getoetst, moet ook gekeken worden naar het specifieke verstrekkingsdoel voor rolstoelen. Rolstoelen zijn bedoeld voor het zittend verplaatsen in en rond de woning Er moet dus een medische noodzaak zijn om zich op die wijze te verplaatsen en de te verstrekken rolstoel moet dan ook voor dat doel geschikt zijn. Tevens moet er bijvoorbeeld ook geen recht op een rolstoel zijn via de ZvW. Lid 2 Omdat er diverse verschillende rolstoelen zijn, kan het college in nadere regels en/of beleidsregels uiteenschrijven wanneer welke inwoner in aanmerking komt voor welke rolstoel. Dit om ervoor te zorgen dat iedere inwoner met dezelfde hulpvraag, ook de juiste rolstoel krijgt.

74

Artikel 6.10. Aanvullende criteria voor sportvoorzieningen In de Wmo 2015 is, net zo min als in de Wmo (2007) specifiek iets opgenomen over sportvoorzieningen. Een sportvoorziening kan onder de Wmo 2015 in een individuele situatie wellicht noodzakelijk zijn voor iemand om te kunnen participeren als er geen of onvoldoende andere participatiemogelijkheden zijn. Dit moet dus onderzocht worden in de individuele situatie. De gemeente Hardenberg kiest voor een iets ruimer beleid, zodat een ieder die beperkingen heeft een vergoeding kan krijgen om zijn sportvoorziening aan te schaffen. Dat houdt in dat een ieder die door beperkingen niet kan sporten recht kan hebben op een sportvoorziening. Indien er recht bestaat kunnen inwoners een forfaitair bedrag voor drie jaar, inclusief onderhoud ontvangen. Forfaitair houdt in dat het te vergoeden bedrag los staat van het inkomen en los van de daadwerkelijke kosten van de aan te schaffen voorziening. Het doel is een bijdrage te leveren zodat inwoners met een handicap in de gelegenheid worden gesteld om aan recreatieve sportbeoefening te doen. Dit bedrag hoeft niet kostendekkend te zijn, maar moet wel voor iedereen gelijk zijn. Voor inwoners die (semi-) professioneel sporten geldt dat zij een beroep moeten doen op sponsoren of op een andere manier financiële middelen verwerven voor de aanschaf van hun sportmateriaal.

Daarnaast is het niet de bedoeling dat rolstoelen, die als dagelijks verplaatsingsmiddel zijn verstrekt, worden gebruikt voor het sporten. Artikel 6.11 aanvullende criteria huishoudelijke hulp In dit artikel is uiteengezet dat als de algemene voorziening huishoudelijke hulp niet passend is er een maatwerkvoorziening ingezet kan worden. Wanneer als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen de inwoner onvoldoende wordt ondersteund door de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. In het verlengde van de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp is hiervan alleen sprake als het gaat om regie bij het voeren van een huishouden en het verzorgen van de maaltijdvoorziening. Uit een zorgvuldig onderzoek, uitgevoerd door de gemeente, moet blijken dat een aanvullende maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Mogelijk dat algemene voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn, die een passende oplossing kunnen bieden. Te denken valt aan een boodschappenservice, een ramenwasser, maaltijdbezorging aan huis of ondersteuning via de zorgverzekering. Indien dit niet het geval is, kan ondersteuning vanuit de gemeente worden bezien. Regie bij het voeren van een huishouden Deze ondersteuning wordt ingezet wanneer de inwoner niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. Het overnemen van de regie over het huishouden kan 75

noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de inwoner of iemand in zijn omgeving verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissing neemt of als disfunctioneren dreigt. De resultaten die zijn opgenomen onder dit resultaatgebied zijn als volgt: De inwoner: •Beschikt over een geschikt en leefbaar huis; •Voert zelfstandig de regie over het huishouden en de uitvoering van huishoudelijke taken; •Beschikt over goederen voor primaire levensbehoeften (boodschappen); •Kan thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren, inclusief het bieden van primaire zorg en opvang; •Veroorzaakt geen overlast in de buurt. Maaltijdvoorziening Als blijkt dat de inwoner niet (meer) in staat is om zelf of met hulp van de omgeving zijn of haar maaltijd te verzorgen en voorliggende voorzieningen niet of onvoldoende tot de noodzakelijke oplossing leiden, kan hiervoor een maatwerkvoorziening worden ingezet. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag de broodmaaltijd wordt bereid en klaargezet en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. Hoofdstuk 7: De voorwaarden voor een persoonsgebonden budget Artikel 7.1. Voorwaarden pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. De voorwaarden en weigeringsgronden in dit artikel volgen direct uit artikel 2.3.6 Wmo 2015.

De beoordeling of er recht bestaat op een pgb is op grond van artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet voorbehouden aan het college. De aanspraak op een pgb is wettelijk bepaald voor de inwoner die dat wenst. Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een pgb. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden wordt voldaan. Opgemerkt wordt dat het college ook nog op grond van artikel 2.3.6, vijfde lid onder b, van de wet bevoegd is het pgb te weigeren. Het tweede lid van artikel 2.3.6 Wmo 2015 stelt dat: Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

76

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht (lees: inwonersgericht) worden verstrekt. Om bovenstaande punten uit a, b, en c te toetsen dient de inwoner onder andere een budgetplan op te stellen en gesprekken aan te gaan met het wijkteam (in samenspraak met de pgb-aanbieder c.q. informele ondersteuner). In lid 3 wordt hetgeen onder b en c uit artikel 2.3.6 lid 2 van de wet uitgeschreven. Dit houdt in dat de inwoner moet aangeven wat de kwaliteit is van de voorziening die hij wenst in te kopen. Ook dit moet worden opgenomen in het budgetplan. Wat betreft de kwaliteit van de zorg is het aan de budgethouder om te kiezen voor de door hem gewenste kwaliteit (CRvB 17-11-2009, ECLI:NL:2009:BK5008). Inwoner is in beginsel zelf verantwoordelijk voor inkoop van kwalitatief verantwoorde ondersteuning. Het college heeft echter wel een rol bij de beoordeling of sprake is van goede kwaliteit. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6 lid 3 Wmo 2015).

Omdat inwoners vaak kwetsbare personen betreffen, is als voorwaarde voor verstrekking van een pgb opgenomen dat de zorgverlener een VOG overhandigt en ook aantoont dat hij over de juiste afgeronde opleiding en diploma’s beschikt. Dit om te waarborgen dat de inwoner ook makkelijker de kwaliteit van de voorziening kan checken. Voor wat betreft de zorgaanbieders in natura volgt deze verplichting uit de gestelde kwaliteitseisen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135). De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van inwoner en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Omdat inwoners vaak kwetsbare personen betreffen, is als voorwaarde voor verstrekking van een pgb opgenomen dat bij (professionele) pgb-aanbieders een VOG overhandigt en een bewijsstuk/diploma’s dat de gekozen pgb-aanbieder beschikt over een afgeronde voor hulp of ondersteuning relevante beroepsopleiding. Voor wat betreft de zorgaanbieders in natura volgt deze verplichting uit de gestelde kwaliteitseisen.

Het college kan een pgb weigeren wanneer de deskundigheid voor het bieden van de benodigde ondersteuning ontbreek. De ondersteuning moet immers veilig, doeltreffend en inwonergericht verleend kunnen worden (CRvB 5-6-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1815). In lid 4 staat vervolgens uitgeschreven dat het college hetgeen uit lid 1,2 en 3 beoordeeld. Als het college akkoord is met het budgetplan en uit het bewuste keuzegesprek blijkt dat de inwoner of zijn pgb-beheerder pgb vaardig is, kan pgb worden ingezet. In lid 5 zijn de kwaliteitseisen opgenomen waar een pgb-aanbieder aan moet voldoen. Deze kwaliteitseisen komen overeen met de eisen die gesteld zijn aan de gecontracteerde 77

aanbieders. Reden hiervoor is dat de kwaliteit dan beter gewaarborgd is. Indien het college wil, kan hij op basis van dit lid 5 een kwaliteitscheck uitvoeren/opvragen bij de pgbaanbieders. Dit zal met name door de toezichthouder gebeuren. Lid 8 Budgethouder dient een arbeids- of zorgovereenkomst af te sluiten met de zorgverlener en in die overeenkomst alle gegevens van de zorgverlener moet staan (CRVB 24-07-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1308). Lid 9 Als inwoner op het standpunt staat dat hij niet het nut inziet van het invullen van een budgetplan en deze ook niet wil invullen, is dit een reden om een maatwerkvoorziening in natura toe te kennen in plaatst van een pgb (CRVB 24-07-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1308). Er wordt wel een hersteltermijn geboden als niet eenduidig blijkt dat de inwoner niet het pgb-budgetplan wil invullen, zodat voldaan is aan de regels uit de Awb. Artikel 7.2. pgb informele ondersteuner Het college moet regels stellen voor een pgb verstrekt vanuit het sociaal netwerk c.q. de informele ondersteuner. Deze regels gelden aanvullend op de regels uit artikel 7.1 van de verordening. Alvorens de inwoner een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem verwacht dat hij eerst een beroep doet op zijn familie en vrienden.

Er wordt geen Pgb verstrekt waarvan het gebruikelijk is dat de activiteiten door het sociaal netwerk worden verricht, zoals het ondernemen van (sociale) activiteiten met de inwoner, het doen van de boodschappen, het verrichten van lichte huishoudelijke taken, het verlenen van eenvoudige hulp bij de administratie, het maken van afspraken met specialisten en het vervoeren naar artsen e.d. Artikel 7.3 Voorwaarden pgb-beheerder Het beheren van het pgb kan door zowel de inwoner als door een pgb-beheerder worden uitgevoerd. Indien de pgb-beheerder het pgb gaat beheren, dan zijn de regels over het pgb beheer waar inwoner wordt genoemd van overeenkomstige toepassing op de pgbbeheerder. Aan de pgb-beheerder worden in dit artikel eisen gesteld. Niet iedereen is in staat om naar behoren een pgb te beheren. In dit artikel wordt beschreven in welke gevallen geen pgb mogelijk is. Een inwoner met schulden komt niet in aanmerking voor een pgb. De Centrale Raad stelt namelijk dat het risico van beslaglegging en daarmee het risico dat het pgb niet zal worden besteed aan de voorziening waarvoor het is toegekend, hieraan ten grondslag ligt. Dat een inwoner door middel van betalingsregelingen schulden aflost en er geen sprake is van financieel wanbeheer, doet hier niet aan af (CRVB 30-04-2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1440).

Een beoogd zorgverlener mag niet het pgb beheren van de inwoner, omdat hij niet voldoende afstand en kritisch de beheerstaken nuitvoeren (CRVB 22-8-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2803 en CRVB 5-6-2019, ECLI:NL:CRVB:2018:1815). 78

Artikel 7.5. Besteding pgb Lid 1 In dit lid zijn een aantal kostenposten genoemd waar het pgb aan besteed mag worden. Lid 2 Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de inwoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers‐ of opvangvoorzieningen. Lid 4 Dit lid noemt een aantal kostenposten die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Lid 5 Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. Lid 7 Dit artikel verbiedt om pgb in te zetten, voordat er een maatwerkvoorziening is toegekend.

Dit voorkomt dat inwoners al afhankelijk zijn van bijvoorbeeld ondersteuning. Wat het onderzoek naar een maatwerkvoorziening kan doorkruisen. Lid 11 Op grond van artikel 2.1.3 lid 4 van de Wmo 2015 wordt in de verordening regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Een van deze regels is dat gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomsten niet worden geaccepteerd. De gemeente of de inwoner moeten de aanbieder of de derde kunnen aanspreken op de geleverde ondersteuning, zonder te moeten vrezen voor verlies van de huisvesting van de inwoner. Ook moet het de inwoner vrij blijven staan te wisselen van aanbieder dan wel derde aan wie hij zijn pgb wenst te besteden. Dit ook gelet op mogelijke wijziging van de indicatie bij een verlengingsverzoek of heroverweging. Het contractueel samenbrengen van ondersteuning en huisvesting vertroebelt het toezicht op kwaliteit van ondersteuning en bemoeilijkt adequate handhaving. De aanbieder dan wel derde aan wie het pgb zal worden besteed, hebben dubbele financiële belangen die als oneigenlijk gebruik 79

van de wet moeten worden aangemerkt. Het belang van de inwoner dient altijd voorop te staan, ongeacht de leveringsvorm van de ondersteuning. Lid 12 e.v. Deze leden zijn opgenomen om aan pgb-aanbieders of informele ondersteuner die fraude plegen of gepleegd hebben of niet integer zijn geen pgb te verstrekken. Dit ter bescherming van de inwoners. Artikel 7.6. Hoogte pgb begeleiding, huishoudelijke hulp en informele ondersteuner In dit artikel wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Lid 2 Moet de hoogte van het pgb zodanig hoog zijn dat het de keuze uit de meerdere aanbieders of leveranciers mogelijk maakt? Het antwoord van de Centrale Raad is nee. Daarbij overwegen zij dat de hoogte van het pgb niet toereikend hoeft te zijn om de geïndiceerde voorziening te kunnen aanschaffen bij iedere door de ontvanger van het pgb gewenste aanbieder of leverancier, ongeacht de prijs die de betreffende aanbieder voor die voorziening rekent (CRVB 19-09-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8897). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.

39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. De hantering van een pgb tarief dat 20 procent lager is dan het vergelijkbare zorg in natura, is in beginsel redelijk. Wel moet vaststaan dat met het verstrekte pgb-budget in dit specifieke geval de benodigde zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht, wil er sprake zijn van een zinvol alternatief voor zorg in natura (Rb Overijssel 0804-2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1194). Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Voor het pgb tarief geldt net als voor de ZIN-tarief, dat het een reëel tarief moet zijn. Dit betekent dat onderbouwd moet kunnen worden dat het tarief dekkend is voor alle kosten die de pgbaanbieder redelijkerwijs moet maken om de zorg, volgens de door de gemeente gestelde condities, uit te voeren. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen professionele pgbaanbieders en informele ondersteuners (sociaal netwerk).

Het ZIN-tarief is opgebouwd uit de volgende kostencomponenten: huisvesting, risico-opslag, overhead, werkgeverslast, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, onregelmatigheidstoeslag en loon. Een Pgb-aanbieder, waaronder de ZZP’er, heeft minder kosten dan een ZIN-aanbieder. De overheadkosten zijn daarom van het ZIN-tarief afgetrokken. Om die reden wordt het pgb tarief voor een professionele aanbieder gesteld op 82%. Voor de informele ondersteuner wordt het tarief vastgesteld op het wettelijk minimumloon (Er is verwezen naar artikel uit de Regeling Langdurige Zorg, waar dit bedrag wordt genoemd). Hiermee is vast komen te staan dat de vergoeding voldoende toereikend is. 80

Lid 4 Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). Tegelijkertijd moet het pgb toereikend moet zijn om de zorg en ondersteuning in te kopen (artikel 2.3.6 lid 1 van de wet). Het college moet daarom in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde voorziening kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen voorziening bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Dit uitgangspunt sluit aan bij jurisprudentie over de hoogte van het pgb (CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO). 7.7. Hoogte pgb woningaanpassingen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen. In dit artikel wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet).

De situatie waarin het door de inwoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers‐ of opvangvoorzieningen. Voor vervoers- en woonvoorzieningen geldt dat het pgb in ieder geval niet meer bedraagt dan het bedrag dat het college zelf verschuldigd zou zijn. Dit is in overeenstemming met artikel 2.3.6, vijfde lid onder a, van de wet (vergelijk ook CRVB:2012:BX8897). Het college kan het pgb vaststellen op basis van de goedkoopste offerte zodat de hoogte van het pgb op objectieve wijze kan worden vastgesteld.

Artikel 7.7 lid 5 Het college hoeft geen keuzevrijheid te bieden tussen collectief vervoer en een pgb, indien het college op grond van een toegespitste kostenberekening in voldoende mate aannemelijk maakt dat bij keuzevrijheid de kosten vervoersvoorzieningen ingevolge de Wmo substantieel zullen stijgen en het bestaansrecht van een collectief vervoersysteem ernstig in gedrang komt (CRvB 14-07-2019, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3256). De gemeente Hardenberg verwacht dat een substantieel deel van de deelnemers aan het collectief vervoer gebruik gaat maken van het pgb indien er sprake is van een keuzemogelijkheid tussen het collectief vervoer en een pgb en daarmee het systeem van het collectieve 81

vervoer wordt ondergraven. Dit is een reden om geen pgb toe te kennen(CRVB 28-10-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK250 t/m 2504). Hoofdstuk 8: Bijdrage in de kosten De gemeente mag van inwoner een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In dit hoofdstuk zijn de regels over deze bijdrage in de kosten opgenomen. Artikel 8.1. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Lid 1 Het college vraagt een bijdrage in de kosten aan de inwoner, zolang hij gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of het pgb. Lid 2 In dit lid is geregeld voor welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen het zogenaamde abonnementstarief van € 19,- per maand geldt. Uit de wet volgt dat het abonnementstarief verplicht is voor algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie is er in belangrijke mate sprake van persoonlijke hulpverlening, is arbeid verreweg de grootste kostencomponent, is de continuïteit van de band tussen inwoner en hulpverlener belangrijk voor de ondersteuning van de inwoner en wordt er langdurig gebruik gemaakt van de voorziening. Voorbeelden zijn begeleiding en huishoudelijke hulp.

De gemeente kan er daarnaast voor kiezen ook andere algemene voorzieningen onder het abonnementstarief te brengen. Het abonnementstarief is verder verplicht voor alle maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van beschermd wonen, de maatwerkvoorziening opvang of andere bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorzieningen. De bijdragen voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen worden vastgesteld conform het uitvoeringsbesluit (lid 5). Daarnaast wordt het collectief vervoer op grond van het uitvoeringsbesluit worden uitgezonderd van het abonnementstarief. Het gaat niet om (mobiliteits)hulpmiddelen zoals een aangepaste fiets of een scootmobiel. Reden voor deze uitzondering is dat er bij deze vormen van vervoer per rit lage prijzen worden gevraagd en het gebruik in veel gevallen incidenteel is. In artikel 8.2 is daarom een afzonderlijke bepaling opgenomen over de hoogte van de bijdrage in de kosten voor het vervoer. Lid 3 Op grond van het uitvoeringsbesluit is er voor een rolstoel geen bijdrage verschuldigd. Ook zijn de financiële tegemoetkomingen uitgesloten van een eigen bijdrage. 82

Lid 8,9,10 en 11 Vanaf 2020 hoeft er, vanwege de invoering van het abonnementstarief, niet meer voor alle voorzieningen gecontroleerd te worden of de bijdrage de kostprijs te boven gaat. In lid 8 t/m 11 is uitgelegd hoe de kostprijs tot stand komt. Lid 12 Aan jeugdigen tot 18 jaar kan uitsluitend een bijdrage in de kosten worden opgelegd voor een woningaanpassing. Voorwaarde voor het kunnen vragen van deze bijdrage in de kosten, is dat dit door de gemeenteraad als zodanig in de verordening is bepaald. Lid 13 De gemeente moet in de verordening bepalen door welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening voor opvang wordt vastgesteld en geïnd. Artikel 8.2. Afwijkende eigen bijdrage Mijn taxi op Maat Het college is bevoegd om een eigen bijdrage op te leggen. De toekenning van die mogelijkheid tot het gebruik van de kortingspas door het college ter compensatie van een persoon met een beperking bij het zich lokaal verplaatsen betreft volgens het CRVB een maatwerkvoorziening. De Centrale Raad is van oordeel dat een ingevoerd systeem van collectief vervoer met een Wmo-kortingspas voor Wmo-gerechtigden niet in strijd is met de Wmo. Wel dient bij dit systeem in acht worden genomen dat de eigen bijdrage van de inwoner niet meer bedraagt dan de kostprijs van de collectieve voorziening.

Dit staat in het vorige artikel in lid 8 beschreven (CRvB 19-10-2016, ECLI:NL:2016:4018 en CRvB 29-052013, ECLI:NL:CRVB:2013,CA1448). Hoofdstuk 9: Bestrijding misbruik Artikel 2.1.3 van de wet verplicht de gemeente om bij verordening regels vast te stellen in verband met de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk wordt hier uitvoering aan gegeven. Om niet-gebruik, misbruik en oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening in natura of een pgb te voorkomen is het allereerst van belang dat de inwoner op de hoogte is van zijn rechten en plichten. Op basis van dit artikel wordt de inwoner hier op een begrijpelijke manier over geïnformeerd. Het college heeft vervolgens de mogelijkheid om periodiek te onderzoeken of er aanleiding is om de beslissing om een maatwerkvoorziening in natura of een pgb te verstrekken te heroverwegen (artikel 2.3.9 van de wet). Als hier aanleiding toe is, kan het college op grond 83

van artikel 2.3.10 van de wet de beslissing vervolgens herzien of intrekken. Als het college een beslissing intrekt omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, dan kan het college overgaan tot het vorderen van geldswaarde van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening in natura of pgb (artikel 2.4.1 lid 1 van de wet). De maatwerkvoorziening kan worden ingetrokken als de inwoner de verplichtingen uit de bruikleenovereenkomst niet nakomt of deze overeenkomst door de leverancier wordt beëindigd (CRvB 17-05-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:18000). Hoofdstuk 10: Kwaliteit en veiligheid De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen ligt bij de gemeente en de aanbieders. De gemeente moet in de verordening regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). Ook is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening (artikel 2.6.6 van de wet). In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 10.1.

Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning De gemeente moet in de verordening bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135). De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van inwoner en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In lid 1 zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Op grond van lid 2 kan het college dit verder uitwerken door nadere regels of beleidsregels te stellen. Het in lid 3 genoemde jaarlijkse inwoner ervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de wet. In lid 4 is een verwijzing naar bijlage 1 gemaakt. Dit zijn de eisen die de gemeente Hardenberg stelt aan al zijn aanbieders die diensten leveren(gecontracteerd of via pgb). Artikel 10.2.

Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Algemeen Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, lid 1 van de wet). In artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is

84

dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. De verplichting in het uitvoeringsbesluit om een reële prijs te hanteren, ziet alleen op diensten. Het kan daarbij zowel gaan om diensten in het kader van een algemene voorziening als diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. Het college moet bij de prijsstelling o.a. rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening. Die specifieke eis geldt alleen voor diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. In het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (lid 2 en 3 van artikel 21). Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen 9 over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs. Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten.

Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing. Daarmee gelden die bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

Bijvoorbeeld Handreiking aanbesteding Wmo, de wet Basistarieven en als onderdeel daarvan het Hulpmiddel onderbouwing bepaling tarief. Publicatie ActiZ, Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2013 en de Code verantwoordelijk marktgedrag thuisondersteuning (Kamerstukken II 2014/15, 34 104, nr. 70, blg-576970).

9

85

Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs moet gebruiken. De vastgestelde reële prijs moet daarvoor zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Het college moet de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet). Overigens kan het college in afwijking hiervan een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4 lid 3van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis, zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs.

De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college moet ongeldige inschrijvingen ter zijde leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs.

In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2 Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen 86

degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Lid 3 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. Lid 4 Hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is hierop niet van toepassing. Artikel 10.3. Meldingsregeling calamiteiten en geweld De aanbieder moet bij de toezichthoudend ambtenaar onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Onder 'calamiteit' wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een inwoner heeft geleid.

Onder 'geweld bij de verstrekking van een voorziening' wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een inwoner en lichamelijk en geestelijk geweld jegens een inwoner, door een beroepskracht dan wel door een andere inwoner met wie de inwoner gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft. Het college een of meerdere toezichthouders aanwijzen die toezicht houden op de naleving van de wet (artikel 6.1 van de wet). In aanvulling hierop regelt dit artikel dat het college een regeling opstelt over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 10.4 Toezichthouders In het eerste lid van dit artikel wordt aan het college de bevoegdheid toegekend om toezichthouders aan te stellen. In het tweede lid worden de bevoegdheden van de toezichthouders omschreven. Deze omschrijving is op zich overbodig omdat de bevoegdheden van de toezichthouder ook zijn omschreven in de Algemene wet bestuursrecht. Er is voor de duidelijkheid toch gekozen om deze opsomming op te nemen in dit artikel. Het doel is om inwoners niet onnodig te belasten, maar als uit signalen blijkt dat er onderzoek nodig is, dan zal de toezichthouder deze bevoegdheden inzetten.

87

Hoofstuk 11: jaarlijkse waardering mantelzorgers Artikel 11. Jaarlijkse waardering mantelzorgers In deze bepaling staat wat de jaarlijkse waardering is die de gemeente geeft aan mantelzorgers. Het moet gaan om mantelzorgers van inwoners in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de wet). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Verder is het begrip ‘inwoners’ breder dan alleen personen gebruik maken van Wmoondersteuning. Het kan ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben, maar waar geen Wmo-voorziening is uitgekomen. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. Hoofdstuk 12: Klachten en medezeggenschap Dit hoofdstuk bevat een verplichting voor de aanbieders om te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten en voor de medezeggenschap van inwoners. Ook wordt er invulling gegeven aan de manier waarop ingezetenen, waaronder inwoners en hun vertegenwoordigers, inspraak hebben in de uitvoering van de wet door de gemeente. Artikel 12.1 Klachtregeling In lid 2 is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Op grond van de wet (artikel 2.1.3 lid 2 onder e) is het verplicht in de verordening te bepalen voor welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners is vereist.

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat inwoner en in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De inwoner kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of een gebrek aan deskundigheid. Daarvoor staat de klachtenprocedure van de gemeente open. Is de inwoner echter niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan moet hij zich in beginsel tot die aanbieder wenden. Artikel 12.2. Medezeggenschap bij aanbieders In de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van inwoner en over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de wet). Dit is uitgewerkt in lid 1 van deze bepaling. In lid 2 staan een aantal instrumenten die het college kan inzetten om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 12.3. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting in artikel 2.1.3 lid 3 van de wet om in de verordening te bepalen op welke manier ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering 88

van de wet. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Inbreng van inwoner en hun vertegenwoordigers wordt echter extra aangestipt. Zij weten door hun ervaring immers als geen ander welke drempels er zijn en hoe deze weggenomen kunnen worden. Daarom is het van belang dat zij al vanaf het begin van de beleidsontwikkeling volledig worden betrokken. Daarbij moet onder andere gelet worden op de diversiteit van de doelgroep. Met lid 3 wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Hoofdstuk 13: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 13.1 Nadere regels en Hardheidsclausule Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in alle niet voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening (niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken inwoner. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel.

Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. Het ligt op de weg van de inwoner om feiten te stellen en aannemelijk te maken waaruit moet blijken dat de hardheidsclausule moet worden toegepast(CRB 22-12-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:Bo9526). Het college is, indien een inwoner zich daarop beroept, vervolgens wel gehouden om zich een gemotiveerd oordeel te vormen over de hardheidsclausule (CRvB-02-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4344). Artikel 13.3. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. In lid 2 is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten en plichten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Op basis van lid 3 worden aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld. Op basis van lid 4 wordt op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de oude verordening beslist op basis van die verordening. Op basis van lid 5 kan hier echter van worden afgeweken als het voor de inwoner voordeliger is om op basis van deze verordening te beslissen. Artikel 13.4. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening wordt aangehaald. 89

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12014864/2