Verordening jeugdhulp 2023
Tekst van het document
controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft; h. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgbbeheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie. 4. Een ieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. Hoofdstuk 5. Afstemming met andere voorzieningen Artikel 35. Afstemming met gezondheidszorg Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel g van de wet en artikel 23 lid 4 van deze verordening, plaatsvindt. 2. Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader. 3. Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 1.
22
Artikel 36. Afstemming met gecertificeerde instellingen 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de gecertificeerde instellingen. 2. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over: a. het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de wet, b. het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; c. de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt, d. hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden. 3. Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5 lid 3 lid van de wet. Artikel 37. Afstemming met het justitiedomein 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de wet. 2.
Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 16 lid 3 van deze verordening en het protocol bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de wet. Artikel 38. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 1. Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het Samen Doen team. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 1 genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren. 3. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Artikel 39. Afstemming met Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen. Artikel 40. Afstemming met Wmo‐voorzieningen 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen dan wel ouder(s) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg onder zijn verantwoordelijkheid
23
wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt. Dit geldt bij de inzet verlengde jeugdhulp tot uiterlijk 23 jaar. Artikel 41. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen Het college draagt zorg dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouder(s) helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen –zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen - te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen. Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 42. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 43.
Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet. 2. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve ondersteuning van jeugdigen. 3. Gecontracteerde en/of pgb aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 4. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve jeugdondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 5. Gecontracteerde en/of pgb aanbieders van jeugdhulp melden calamiteiten en geweldsincidenten, naast de melding bij de landelijke toezichthouder(s), ook bij een door het college aan te wijzen ambtenaar van de gemeente Hardenberg. 6. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
24
Hoofdstuk 7. Klachten en medezeggenschap Artikel 44. Klachtregeling 1. Het college hanteert de vastgestelde gemeentelijke klachtenregeling voor de afhandeling van klachten, voor zover de klacht betrekking heeft op professionals werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit betreft dan o.a. de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Gecontracteerde en/of pgb aanbieders van individuele voorzieningen zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van jeugdigen of ouder(s). 3. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 45. Medezeggenschap bij aanbieders 1. Gecontracteerde en/of pgb aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van jeugdigen over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 46. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid 1. Er is een Participatieraad voor de advisering bij de uitvoering van de wet. 2.
De Participatieraad bestaat uit leden die in staat zijn de belangen van de ingezetenen, waaronder in ieder geval, jeugdigen en ouder(s) en hun vertegenwoordigers, in relatie tot de uitvoering van de wet in voldoende mate te behartigen. 3. De Participatieraad, bedoeld in het eerste lid: a. wordt door het college betrokken bij de beleidsvoorbereiding en evaluatie; b. is bevoegd om uit eigen beweging het college te voorzien van advies ten aanzien van de uitvoering van de wet; c. wordt periodiek uitgenodigd voor een overleg over de uitvoering van de wet; d. is bevoegd om onderwerpen voor het overleg aan te dragen. 4. Het college draagt er zorg voor dat de Participatieraad tijdig in het bezit is van alle informatie die noodzakelijk is voor het overleg met de gemeente of om zijn adviesrol naar behoren uit te oefenen. Hierbij wordt aansluit gezocht bij de termijnen zoals genoemd in de verordening van de Participatieraad. Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Artikel 47. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe jaarlijks aan de gemeenteraad en de participatieraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.
25
Artikel 48. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 49. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De verordening maatschappelijk ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2020 wordt ingetrokken. 2. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de verordening maatschappelijk ondersteuning en Jeugdwet gemeente Hardenberg 2020, tot het moment dat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van de verordening jeugdhulp gemeente Hardenberg 2023 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform de genoemde verordening in het eerste lid. 4. De beslissingen op bezwaarschriften tegen besluiten die op grond van de verordening maatschappelijk ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2020 zijn genomen, daarvoor blijven de regels uit de verordening genoemd in lid een geldig. 5. Van lid 3 en 4 kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken, indien de regels uit Verordening jeugdhulp gemeente Hardenberg 2023 gunstiger uitpakken. Artikel 50. Inwerkingtreding en citeertitel 1.
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Hardenberg 2023. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardenberg van 6 december 2022.
De raad voornoemd, De griffier,
de voorzitter,
F.G.S. Droste
M.W. Offinga
26
Bijlage 1: Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers Het college is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan burgers. Ook als de hulp wordt geboden via een pgb. De zorgaanbieders dienen te werken met deskundig personeel en moeten kwalitatief goede zorg bieden, waarin de jeugdige en/of zijn ouder(s) en zijn netwerk centraal staan. In deze bijlage staan (aanvullende) kwaliteitseisen, naast die de relevante wetgeving noemt, waaraan deze pgb zorgaanbieders aan moeten voldoen. Deze eisen zijn ook aan de gecontracteerde aanbieders gesteld om de kwaliteit van de zorg te waarborgen. Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt de pgb-aanbieder bedoeld. Algemene eisen 1. Zorgaanbieder voldoet aan de regels zoals vastgelegd in de Zorgbrede Governance code. Zorgaanbieder is op de hoogte van de regels van deze code en handelt conform deze code. 2. Zorgaanbieder verleent hulp of ondersteuning met inachtneming van de eisen die volgens de algemeen aanvaarde professionele standaard aan Zorgaanbieder worden gesteld. De bij de zorgaanbieder in dienst zijnde medewerkers houden zich aan de voor hen geldende beroepscode. 3. Zorgaanbieder stelt zich op de hoogte van de laatste relevante ontwikkelingen, kwaliteitseisen en wet- en regelgeving op landelijk niveau en handelt ernaar (oa.
Jeugdwet, Wmo, Wtza, Wlz, Zvw en Wet Bibob). 4. Zorgaanbieder neemt kennis van: • Het Hardenbergse Model voor Ondersteuning; • De actuele beleidsregels en verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Hardenberg. Zorgaanbieder onderschrijft de beleidsmatige uitgangspunten en handelt ernaar. Zorgaanbieder conformeert zich aan wijzigingen in beleid en lokale wet- en regelgeving. 5. Zorgaanbieder salarieert maximaal overeenkomstig de Wet Normering Topinkomens en bijbehorende nadere regelingen. 6. Zorgaanbieder dient op werkdagen minimaal van 09.00 – 17.00 uur telefonisch bereikbaar te zijn voor het college. Uitvoering/levering ondersteuning 7. Zorgaanbieder behandelt jeugdige en/of zijn ouder(s) en medewerkers van het college op een respectvolle wijze en zet geen zogenoemde agressieve verkooptechnieken in. 8. De zorgaanbieder signaleert veranderingen in de situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en zijn omgeving/sociale netwerk met mogelijk gevolgen voor de mate van de inzet voor de jeugdige en/of zijn ouder(s). Zorgaanbieder bespreekt deze veranderingen in de situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Vervolgens meldt jeugdige en/of zijn ouder(s) of zorgaanbieder deze verandering in de situatie bij het college. 9. Zorgaanbieder zoekt actief naar mogelijkheden om hulp of ondersteuning af te schalen.
Dat wil zeggen verkorten van ondersteuningsduur, complexiteit of 27
intensiteit (bijvoorbeeld door inzet van voorzieningen uit het voorliggend veld, vrijwilligers en eigen netwerk van de jeugdige en/of zijn ouder(s)). De hulp of ondersteuning is gericht op ontwikkeling, blijvende participatie en/of stimulering van de zelfredzaamheid, passend bij de levensfase van de jeugdige en/of zijn ouder(s). 10. Zorgaanbieder draagt zorg voor gelijkwaardige vervanging (continuïteit en kwaliteit) bij afwezigheid van de (ingehuurde) medewerker van zorgaanbieder, bijvoorbeeld door verlof of ziekte. 11. Zorgaanbieder zal het Hulpverleningsplan (zonder vertrouwelijke informatie) of na toestemming van de jeugdige en/of zijn ouder(s) aan het college te verstrekken. 12. Zorgaanbieder treedt op als casusregisseur. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het opstellen, bewaken, structureren en coördineren van de uitvoering van het hulp of ondersteuning. Hierbij draagt de zorgaanbieder zorg voor een effectieve en efficiënte samenwerking op operationeel niveau. De casusregisseur draagt zorg voor de continuïteit en kwaliteit van de hulp of ondersteuning. Daar waar hapering of stagnatie optreedt meldt de zorgaanbieder dit bij het college en vindt waar nodig afstemming plaats tussen het college en zorgaanbieder. Het college heeft dan de verantwoordelijkheid om het proces weer op gang te brengen. 13.
Als de Jeugdige en/of zijn ouder(s) overgaat naar een andere zorgaanbieder, zorgt zorgaanbieder voor een soepele, professionele overdracht naar deze (nieuwe) zorgaanbieder, waarbij de continuïteit van de hulp of ondersteuning is gewaarborgd. Zorgaanbieder draagt terstond, maar uiterlijk binnen één (1) week na de overdracht het dossier van de Jeugdige en/of zijn ouder(s)Jeugdige en/of zijn ouder(s) compleet en kosteloos over aan deze zorgaanbieder en neemt daarbij de privacywetgeving in acht. 14. Hulp of ondersteuning die wordt ingezet voordat een maatwerkvoorziening is verstrekt zal niet worden vergoed. Indien de looptijd van de maatwerkvoorziening is verstreken en deze niet is vervangen door een nieuwe maatwerkvoorziening, wordt de hulp of ondersteuning niet vergoed. Hulpverleningsplan 15. De zorgaanbieder maakt met jeugdige en/of zijn ouder(s) duidelijke werkafspraken over de levering van de hulp of ondersteuning, vastgelegd in een Hulpverleningsplan. Basis voor dit Hulpverleningsplan is het Ondersteuningsplan dat door de het college wordt opgesteld of de verwijzing van een derde. Dit Hulpverleningsplan voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: •
•
•
•
Het Hulpverleningsplan wordt samen met (een wettelijk vertegenwoordiger van) de Jeugdige en/of zijn ouder(s) opgesteld en aan de Jeugdige en/of zijn ouder(s) verstrekt. Zorgaanbieder laat contacten met derden verlopen via de persoon die daarvoor is vermeld in het Hulpverleningsplan, tenzij door bijzondere omstandigheden. Zorgaanbieder genoodzaakt hiervan af te wijken. Het Hulpverleningsplan dat de zorgaanbieder maakt, moet aansluiten op de doelen die in het Ondersteuningsplan of een verwijzing van derde zijn geformuleerd. Het Hulpverleningsplan wordt minimaal één keer per jaar met de Jeugdige en/of zijn ouder(s) en/of de vertegenwoordiger van de jeugdige en/of zijn 28
ouder(s) besproken. In het Hulpverleningsplan wordt dit vastgelegd. Bijstellingen en veranderingen in het Hulpverleningsplan worden schriftelijk vastgelegd. • De hulp of ondersteuning wordt conform het gemaakte Hulpverleningsplan geboden. Het Hulpverleningsplan vertaalt de opdracht in concrete werkafspraken: welke hulp of ondersteuning ontvangt de jeugdige en/of zijn ouder(s), op welke dagen en tijdstippen (passend in zijn dagweekprogramma) gedurende de bepaalde looptijd. • Het Hulpverleningsplan beschrijft hoe de ondersteuning wordt vormgegeven en afgestemd met eventuele mantelzorgers en hoe het eigen netwerk van de Jeugdige en/of zijn ouder(s) daar waar mogelijk een actieve rol speelt of gaat spelen in het ondersteuningsproces. • Het Hulpverleningsplan beschrijft hoe de inzet van voorzieningen uit het voorliggend veld een bijdrage kunnen (gaan) leveren in het hulp of ondersteuningsproces. • Indien delen van de hulp of ondersteuning worden uitgevoerd door anderen dan de zorgaanbieder, dan wordt dit in het Hulpverleningsplan vermeld. Beëindiging hulp of ondersteuning 16. Zorgaanbieder sluit de hulp of ondersteuning af met een eindevaluatie welke is ondertekend door jeugdige en/of zijn ouder(s). In de eindevaluatie worden de gestelde doelen en resultaten vanuit het Hulpverleningsplan geëvalueerd. Kwaliteit 17.
De zorgaanbieder dient bij methodieken en interventies in te zetten die onafhankelijk zijn onderzocht en daarbij effectief zijn bevonden. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van interventies en methodieken die zijn opgenomen en beschreven in een van volgende databanken: • Movisie: Databank Effectieve Sociale Interventies. • Nederlands Jeugd Instituut: Databank Effectieve Jeugdinterventies. • Trimbos Instituut: Databank Erkende interventies GGZ. • Vergelijkbaar: Een interventie die beschikt over een vergelijkbare onafhankelijke beoordeling en erkenning. De zorgaanbieder is verplicht de in het kader van de hulp of ondersteuning in te zetten methodieken op te nemen in het Hulpverleningsplan. Indien het gaat om een (nieuwe) interventie of methodiek die niet is opgenomen en beschreven in één van de in het bovenstaand beschreven databanken, heeft het college het recht de methodiek te verifiëren en accorderen. 18. Zorgaanbieder is bekend met het gedachtegoed van Positieve gezondheid en werkt vanuit dit gedachtegoed.
29
19.
De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de hulp of ondersteuning van goede kwaliteit is. Hulp of ondersteuning wordt in elk geval: • Veilig, doeltreffend, doelmatig en jeugdige en/of zijn ouder(s) gericht verstrekt. • Afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en op andere vormen van hulp of ondersteuning of hulp die de jeugdige en/of zijn ouder(s) ontvangt. • Systeemgericht aangeboden, er is een naadloze verbinding tussen de hulp of ondersteuning voor de Jeugdige en/of zijn ouder(s) en zijn gezin, het sociale netwerk en directe leefomgeving (thuis, in de wijk, op school, werk, dagbesteding enzovoort). Het is van belang dat bij gezinnen met jeugdigen altijd naar het hele systeem wordt gekeken. 20. Als zorgaanbieder inschat dat het waarschijnlijk is dat een jeugdige en/of zijn ouder(s) in aanmerking komt voor hulp of ondersteuning op grond van een andere wet, en deze ondersteuning nodig is om tot een oplossing van de hulp- of ondersteuningsvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) te komen, begeleidt zorgaanbieder de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het aanvragen hiervan of spreekt zij met de reeds betrokken zorgaanbieder af dat de zorgaanbieder hierin begeleidt. 21.
Zorgaanbieder en indien van toepassing onderaannemers en/of samenwerkende partijen werken mee aan van toepassing zijnde inspecties door de daarvoor aangewezen organisaties en geven opvolging aan aanbevelingen die hieruit naar voren komen. Zorgaanbieder dient het college over de aanbevelingen te informeren en dient concreet aan te geven indien aanbevelingen de hulp of ondersteuning aan de Jeugdige en/of zijn ouder(s) van het college raakt. 22. Zorgaanbieder voldoet daarnaast aan de gestelde eisen ter bevordering van de rechtspositie van de Jeugdige en/of zijn ouder(s), waaronder in ieder geval: • het afhandelen van klachten; • het organiseren van medezeggenschap; • het verantwoorden van de naleving van gestelde kwaliteitseisen. Personeel 23. Levering geschiedt door inzet van voldoende gekwalificeerde medewerkers en – voor zover van toepassing - op basis van een voor Zorgaanbieder geldende cao. 24. Zorgaanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ van personen die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met Jeugdige en/of zijn ouder(s). De VOG mag niet ouder zijn dan drie (3) maanden bij aanvang van de werkzaamheden van de medewerker.
Zorgaanbieder verlangt van haar werknemers een nieuwe VOG op het moment dat redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat daar aanleiding toe is. 25. Zorgaanbieder beperkt voor de Jeugdige en/of zijn ouder(s) zoveel mogelijk het aantal wisselingen van medewerkers die hulp of ondersteuning leveren. Inzet vrijwilligers 26. Indien zorgaanbieder gebruik maakt van vrijwilligers bij de hulp of ondersteuning van de jeugdige en/of zijn ouder(s), draagt hij er zorg voor dat de kwaliteit en betrouwbaarheid van de hulp of ondersteuning wordt geborgd. 27. De zorgaanbieder faciliteert en begeleidt de ingezette vrijwilligers. 30
28.
Vrijwilligers met jeugdige en/of zijn ouder(s) contact dienen in ieder geval te beschikken over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’. 29. Zorgaanbieder garandeert dat vrijwilliger met Jeugdige en/of zijn ouder(s) contact: • Een getekende geheimhoudingsverklaring indient; • De Nederlandse taal beheerst; • Zich kan legitimeren als vrijwilliger van zorgaanbieder; • Een klantvriendelijke, hulpvaardige en servicegerichte instelling heeft; • De culturele achtergrond, geloofsovertuiging en/ of leefwijze van de Jeugdige en/of zijn ouder(s) respecteert. Inzet onderaannemers 30. Inzet van onderaannemers is alleen toegestaan indien de Het college hier schriftelijk toestemming voor heeft gegeven. Hulp of ondersteuning die is geleverd door een onderaannemer waarvoor deze toestemming ontbreekt, kan niet in rekening worden gebracht bij Het college. Inzet coöperaties 31. Het college gaat ten aanzien van coöperaties aanvullende voorwaarden stellen met betrekking tot de inzet van de leden van de coöperatie. Deze liggen in lijn met hetgeen van hoofd-onderaannemers gevraagd wordt. Op hoofdlijnen is dat: • Het college gaat er van uit dat de coöperatie alleen integere coöperatieleden inschakelt. • Het college kan de integriteit van coöperatieleden toetsen. Het college kan voorwaarden verbinden aan deze goedkeuring.
Samenwerking 32. De zorgaanbieder zorgt voor een goede samenwerking met medewerkers van andere relevante organisaties onder andere: gezondheidszorg, begeleiders op school, thuiszorg. Klachtenregeling en cliëntervaringsonderzoek 33. Zorgaanbieder draagt zorg voor een adequate klachtenprocedure vergelijkbaar met de procedure zoals omschreven in de artikelen 13 t/m 17 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: WKKGZ), welke voorziet in een snelle en correcte afhandeling van klachten van Jeugdige en/of zijn ouder(s). Zorgaanbieder is tevens aangesloten bij een onafhankelijk geschilleninstantie. 34. Zorgaanbieder draagt actief bij aan een cliënttevredenheidsonderzoek Menselijke Maat. Meldplichten 35. Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Zorgaanbieder hanteert een ‘meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’ en bevordert het gebruik en de kennis van de Meldcode onder medewerkers. Indien er sprake is van onveiligheid (in het kader van de Meldcode), dan stelt de Zorgaanbieder een veiligheidsplan op. Zorgaanbieder wijst ten minste één aandachtsfunctionaris aan die lid is van de landelijke vakgroep aandachtsfunctionarissen kindermishandeling (LVAK). Deze aandachtsfunctionaris waarborgt de implementatie van de Meldcode. Deze functionaris is aanspreekpunt voor de zorg- en 31
veiligheidspartners in het kader van de aanpak van huiselijk geweld en participeert in het ontwikkelplan huiselijk geweld en kindermishandeling van de het college Hardenberg. Ook is de aandachtsfunctionaris bekend met de specialisten die kunnen worden ingeschakeld voor specifieke vormen van huiselijk geweld. Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) Zorgaanbieder meldt datalekken bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Calamiteiten en geweldsincidenten Zorgaanbieder is bekend en handelt conform de vigerende calamiteitenprotocollen van de IGJ en het college. Zorgaanbieder meldt calamiteiten en geweldsincidenten 1 zo spoedig mogelijk (uiterlijk binnen drie (3) werkdagen) bij Het college en – waar het gaat om zorg of ondersteuning op grond van de Jeugdwet – aan de IGJ. Dit in verband met de coördinatie van (dreigende) maatschappelijke onrust 2 en/of (verwachte) media-aandacht. Ontslag medewerker wegens disfunctioneren Zorgaanbieder die zorg of ondersteuning op grond van de Jeugdwet biedt doet binnen drie (3) werkdagen melding bij de IGJ bij ontslag van een medewerker wegens disfunctioneren. Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) Zorgaanbieder meldt signalen over (vermoedens van) fraude, financiële fouten, kwaliteitsproblemen of ongewenste werkwijzen bij het LMZ. 36.
Zorgaanbieder stelt het college binnen vijf (5) werkdagen op de hoogte van: • Meldingen van zorgaanbieder bij de Autoriteit Persoonsgegevens; • Meldingen van zorgaanbieder bij de IGJ/Wmo-toezicht; • Elk onderzoek dat door een derde (o.a. het college, toezichthouder(s) van andere colleges, Justitie, Belastingdienst etc.) wordt gestart naar Zorgaanbieder; • Elke maatregel die een derde treft jegens Zorgaanbieder; • Feiten en omstandigheden waarbij sprake is/zal zijn van maatschappelijke onrust en/of media-aandacht; • Feiten en omstandigheden die tot een afwijking van de bepalingen uit deze bijlage of tot (gedeeltelijke) niet nakoming van deze bijlage zouden kunnen leiden. Bedrijfsvoering 37. De zorgaanbieder voert een deugdelijke administratie, waarbij in ieder geval inkomsten, uitgaven, verplichtingen, jeugdige en/of zijn ouder(s) dossiers en verantwoording te herleiden zijn naar bron en bestemming. 1 Een calamiteit is een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg
en die tot de dood van of een ernstig schadelijk gevolg voor een Jeugdige en/of zijn ouder(s) heeft geleid. Een geweldsincident is: seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt, alsmede geweld jegens een cliënt, door iemand die in dienst of in opdracht van een instelling of opdrachtnemer van een instelling werkzaam is, dan wel door een andere Jeugdige en/of zijn ouder(s) met wie de Jeugdige en/of zijn ouder(s) gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een instelling verblijft. 2 Maatschappelijke onrust staat hierbij voor ‘het verschijnsel waarbij één of enkele incidenten plaatsvinden die leiden tot subjectieve en/of objectieve problemen op het gebied van openbare orde en veiligheid’.
32
38.
De zorgaanbieder heeft schriftelijk vastgelegd welke organen van de Zorgaanbieder bevoegd zijn ten aanzien van welk onderdeel of aspect van de bedrijfsvoering. 39. De zorgaanbieder heeft schriftelijk en inzichtelijk vastgelegd hoe de hulp of ondersteuning wordt georganiseerd. Daarbij wordt gemeld van welke andere bedrijven of dochterondernemingen gebruik wordt gemaakt en wat de aard is van de relaties met die andere verbanden, waaronder begrepen verantwoordelijkheden, taken en beslissingsbevoegdheden. 40. De activiteiten van de zorgaanbieder in het kader van de maatwerkvoorziening worden in de bedrijfsadministratie financieel onderscheiden van andere activiteiten van de zorgaanbieder. 41. Het college mengt zich niet in deze ondernemingsvrijheid, tenzij de bedrijfsvoering en/of de financiële situatie van de organisatie de continuïteit en de kwaliteit van de hulp of ondersteuning in gevaar brengt. Van een gevaar voor de continuïteit is sprake indien in eenzelfde boekjaar sprake is van een negatief eigen vermogen én een negatief financieel resultaat.
Om de kwaliteit van de ondersteuning te waarborgen dient de zorgaanbieder te voldoen aan onderstaande voorwaarden: • aan bestuurders, toezichthouder(s), aandeelhouder(s), personeelsleden of derden worden geen leningen verstrekt die geen verband houden met de te leveren ondersteuning en/of niet verstrekt zijn met zekerheidsstelling en tegen marktconforme rente en voorwaarden; • de zorgaanbieder huurt geen vastgoed van bestuurders, toezichthouder(s), aandeelhouder(s), personeelsleden of derden tegen voor de regio en de branche niet marktconforme voorwaarden; • de zorgaanbieder neemt geen diensten of leveringen van bestuurders, toezichthouder(s), aandeelhouder(s), personeelsleden of derden af tegen voor de branche niet marktconforme voorwaarden; • de zorgaanbieder draagt geen management-, consultatie- of franchisevergoedingen af aan bestuurders, toezichthouder(s), aandeelhouder(s), personeelsleden of derden tegen voor de branche niet marktconforme voorwaarden; de Zorgaanbieder onttrekt geen bedragen aan de bedrijfsvoering op een voor de branche niet gebruikelijke, niet integere, dan wel niet marktconforme wijze. 42. Zorgaanbieder conformeert zich aan het principe ‘zorggeld moet worden besteed aan zorg’. Het college hanteert daarbij het uitgangspunt dat zorgaanbieder 5% van het voorwerp van de Opdracht reserveert voor reserves.
Bij significante afwijkingen zal Het college in gesprek gaan met Zorgaanbieder over de kwaliteit en de rechtmatigheid van de geleverde en gedeclareerde hulp of ondersteuning en de herkomst van het hoge of lage nettoresultaat. Goed werkgeverschap, -het collegeschap en passende beloning 43. Zorgaanbieder past de relevante cao’s toe. Zorgaanbieder kiest ten behoeve van het realiseren van één (1) werkgever, gelet op zijn taken en de werkingssfeerbepaling in de cao’s, een passende cao. Dit betekent niet dat cao’s geharmoniseerd moeten worden, maar dat er één dominante cao is. 44. Zorgaanbieder stelt medewerkers die worden ingehuurd als payroll- of uitzendkracht gelijk wat betreft de beloning conform wet Waadi. Daarmee hebben 33
deze inhuurkrachten recht op de eindejaarsuitkering en de levensloopbijdrage, naast de andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de uitzend-cao(ABU). 45. Zorgaanbieder geeft invulling aan het begrip goed werkgeverschap (denk aan zorgvuldig, sociaal, transparant en controleerbaar). Het college beschouwt in ieder geval verloop (uitstroom fte/totaal fte), verzuim (aantal ziektedagen medewerkers / totaal aantal beschikbare dagen medewerkers) en de tevredenheid en ontwikkeling van medewerkers als indicatoren voor goed werkgeverschap. Zorgaanbieder streeft naar duurzame inzetbaarheid van medewerkers en zet zich in om verzuim te voorkomen. 46. Zorgaanbieder voldoet aan de wetgeving omtrent arbeidsomstandigheden. Zorgaanbieder zorgt voor de veiligheid, gezondheid en welzijn van medewerkers conform de Arbo-eisen. Zorgaanbieder draagt zorg voor een actief HR beleid voor het werven en deskundig en vitaal houden van medewerkers. Deskundigheid medewerkers Ambulante jeugdhulp 47. Zorgaanbieder werkt conform de wettelijke norm van verantwoorde werktoedeling.
De norm verplicht de zorgaanbieder van jeugdhulp en jeugdbescherming (gecertificeerde instellingen) tot: • daar waar de norm van verantwoorde werktoedeling dat vereist werken met medewerkers geregistreerd in het ‘Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ)´ of ´Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG)´register; • het toedelen van taken aan medewerkers rekening houdend met hun specifieke kennis en vaardigheden; • het ervoor zorgen dat medewerkers kunnen werken volgens de voor hen geldende professionele standaard. Zorgaanbieder heeft in ieder geval een geregistreerde gedragswetenschapper, in dienst of ter beschikking heeft, die voldoet aan de geldende beroepscodes.
34
48.
Het is voor een zorgaanbieder mogelijk om in het kader van de hulp een nietgeregistreerde medewerker in te zetten in combinatie met een geregistreerde medewerker, of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde medewerker. Indien een zorgaanbieder een niet-geregistreerde medewerker wenst in te zetten, stelt het college de volgende eisen: • De inzet van een niet-geregistreerde medewerker doet geen afbreuk aan de kwaliteit van de hulp. De niet-geregistreerde medewerker beschikt minimaal over een afgeronde en voor de hulp relevante beroepsopleiding op mbo-4 niveau. Inzet van medewerkers met een afgeronde voor de hulp relevante beroepsopleiding 3 niveau mbo-2 en mbo-3 is slechts mogelijk in de volgende situaties: o Het in beperkte mate uitvoeren van ondersteunende werkzaamheden onder direct toezicht van een geregistreerde medewerker. o De inzet als ervaringsdeskundige onder direct toezicht van een geregistreerde medewerker. • Er zijn duidelijke schriftelijke afspraken gemaakt over de taken en verantwoordelijkheden tussen de niet-geregistreerde en geregistreerde medewerker. Het is voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) duidelijk welke geregistreerde medewerker de regie voert en het aanspreekpunt is. Begeleiding jeugdigen Begeleiding individueel kan niet op hetzelfde tijdstip worden ingezet als begeleiding groep, Jeugd GGZ, dagbehandeling, jeugd- en opvoedhulp, residentiële zorg.
De verschillende vormen van jeugdhulp kunnen wel naast elkaar worden ingezet. Begeleiding groep wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. Het tarief voor begeleiding groep betreft een integraal tarief, waar ook (indien nodig) de afstemming met ouder(s) onder valt. Begeleiding groep ontwikkelingsgericht wordt verleend door minimaal één medewerker volgens de norm verantwoorde werktoedeling op maximaal 5 jeugdigen. Begeleiding groep respijtzorg wordt verleend door minimaal één medewerker volgens de norm verantwoorde werktoedeling op maximaal 6 jeugdigen. Zorgaanbieder zorgt dat de locatie voor begeleiding groep waar hulp plaatsvindt, voldoet aan alle relevante wet- en regelgeving (bestemmingsplan). Waar nodig heeft het college de vereiste vergunningen verstrekt om ter plaatse hulp te bieden. De locatie is aangepast aan (de kwetsbaarheid van) de doelgroep.
3 Zie opleidingseisen verderop in bijlage 1.
35
55. 56.
57.
Jeugd GGZ Behandeling vindt zoveel mogelijk plaats in de thuissituatie en/of leefomgeving van de jeugdige. Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is negen (9) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale Samen Doen team. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan negen maanden) kan alleen in nauw overleg met het Samen Doen team en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag. Bij Jeugd GGZ behandeling is een regiebehandelaar verplicht op basis van het Model Kwaliteitsstatuut GGZ. In onderstaand overzicht wordt weergegeven welke professionals GGZ als regiebehandelaar mogen fungeren. Daarbij is een onderscheid gemaakt in regiebehandelaars in een vrijgevestigde praktijk en in een GGZ-instelling. Het overzicht is gebaseerd op het Model Kwaliteitsstatuut GGZ. Basis GGZ Vrijgevestigde • GZ- psycholoog praktijk • Psychotherapeut • • • • • GGZ Instellingen
• • • • • • •
• •
Klinisch psycholoog Klinisch neuropsycholoog Psychiater Orthopedagoog generalist Kinder- en jeugdpsycholoog GZ- psycholoog Psychotherapeut Klinisch psycholoog Klinisch neuropsycholoog Psychiater Verslavingsarts Verpleegkundig specialist GGZ Orthopedagoog generalist Kinder- en jeugdpsycholoog Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige 36
58.
59.
60.
61.
Specialistische GGZ Vrijgevestigde • Psychotherapeut praktijk • Klinisch psycholoog • Klinisch neuropsycholoog • Psychiater GGZ Instellingen • GZ- psycholoog • Psychotherapeut • Klinisch psycholoog • Klinisch neuropsycholoog Psychiater • Verslavingsarts • Verpleegkundig specialist GGZ Orthopedagoog generalist • Kinder- en jeugdpsycholoog • Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige • Physician Assistant De taken en verantwoordelijkheden van de regiebehandelaar staan expliciet beschreven in het Model Kwaliteitsstatuut GGZ. aanbieder van Jeugd GGZ dient zich hieraan te houden. De medicatiecontrole is een standaardpakket, te weten maximaal vierhonderd (400) minuten op jaarbasis. Medicatiecontrole wordt naar inzet gedeclareerd. Ambulante dagbehandeling jeugdigen Ambulante dagbehandeling jeugdigen wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. De maximale inzet is 8 dagdelen per week. Ambulante dagbehandeling jeugdigen duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is negen (9) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale Samen Doen team. zorgaanbeiderr zorgt dat de dagbehandellocatie voor ambulante dagbehandeling jeugdigen waar behandeling plaatsvindt, voldoet aan alle relevante wet- en regelgeving.
Waar nodig heeft het college de vereiste vergunningen (meldingen) verstrekt om ter plaatse behandeling te bieden. De locatie is aangepast aan (de kwetsbaarheid van) de doelgroep. 37
62.
63. 64.
65.
66.
Er is minimaal één WO-opgeleide gedragswetenschapper bij de behandeling betrokken. Naast de direct betrokken gedragswetenschapper is een tweede professional voor consultatie en multidisciplinair overleg beschikbaar en hier wordt periodiek casusgericht overleg mee gevoerd. Hiermee wordt voldaan aan het vier-ogenprincipe.
Ambulante jeugd- en opvoedhulp (J&O) Behandeling vindt zoveel mogelijk plaats in de thuissituatie en/of leefomgeving van de jeugdige. Er is minimaal één WO-opgeleide gedragswetenschapper bij de behandeling ambulante jeugd – en opvoedhulp jeugdigen en scheidingshulpverlening betrokken. Naast de direct betrokken gedragswetenschapper is een tweede professional voor consultatie en multidisciplinair overleg beschikbaar en hier wordt periodiek casusgericht overleg mee gevoerd. Hiermee wordt voldaan aan het vier-ogenprincipe. Een behandeling in het kader van de jeugd- en opvoedhulp duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is negen (9) maanden. Eventuele verlenging kan alleen in overleg met het Samen Doen team. Beeldvormend/handelingsgericht diagnostisch onderzoek of observatieonderzoek is in de regel onderdeel van de behandeling. Uiterlijk na deze periode van onderzoek worden de behandeldoelen opgesteld, met een daaraan gekoppelde behandeltermijn. Zorgaanbieder, de jeugdige en de ouder(s)/ verzorger(s) maken o.a. afspraken over de te behalen doelen, de inzet (duur) van de behandeling jeugdhulp en tussen – en eindevaluatie. Binnen de indicatie kunnen zij samen invullen hoe lang en hoe vaak er contact is en hiervoor een planning maken.
Voor echtsscheidingshulpverlening kunnen de volgende functies of functies vergelijkbaar met onderstaande in worden gezet vanuit het functieboek jeugdzorg (CAO jeugdzorg) 4 : • Jeugdzorgwerker A en B • Gedragswetenschapper A en B (coaching en intervisie) Daarnaast kan de directe begeleider altijd een gedragswetenschapper consulteren (minimaal wo-niveau). Begeleide omgang op therapeutisch niveau wordt uitgevoerd door jeugdhulpverleners die ervaring hebben opgedaan met een uitgewerkte
4 https://www.jeugdzorg-werkt.nl/bijlage-11-cao-functieboek-met-losse-bijlagen
38
module begeleide omgang op therapeutisch en professioneel niveau in samenwerking met de Raad voor de Kinderbescherming. Opleidingseisen De gemeente stelt eisen aan de deskundigheid van medewerkers Wmo begeleiding en jeugdhulp zoals hierboven opgenomen. Medewerkers moeten beschikken over een afgeronde voor de hulp of ondersteuning relevante beroepsopleiding. Onder een relevante beroepsopleiding wordt in ieder geval verstaan: 1. Middelbaar Beroepsonderwijs: • MBO relevante opleidingen volgens bijgevoegd overzicht (op basis van CREBO). •
MBO niet relevante opleiding maar middels EVC traject Vakbekwaamheidsbewijs behaald.
•
Relevante Associate Degree-opleiding wordt beschouwd als een MBO opleiding tenzij aantoonbaar in CAO anders ingeschaald.
2. Hoger Beroepsonderwijs: • HBO relevante opleiding volgens bijgevoegd overzicht (op basis van SKJ). •
HBO relevante opleiding volgens bijgevoegd overzicht (op basis van CROHO).
•
HBO niet relevante opleiding maar middels EVC traject Vakbekwaamheidsbewijs behaald.
•
Met een correct SKJ-registratienummer, afgegeven na 1-1-2019, kan iemand aantonen een relevante HBO-opleiding te hebben genoten.
•
Bij een relevant HBO-master diploma dient een relevant HBO-Bachelor diploma te worden aangeleverd.
3. Universitair Onderwijs: • WO relevante opleiding volgens vastgesteld CROHO schema. •
WO niet relevante opleiding maar middels EVC traject Vakbekwaamheidsbewijs behaald.
•
Bij een relevant WO-master diploma dient een relevant Bachelor diploma te worden aangeleverd.
4. EVC/Vakbekwaamheidsbewijs Wanneer een medewerker niet over een relevant MBO- en/of HBO-diploma beschikt kan via een EVC-traject bij een erkende EVC-aanbieder aangetoond worden dat de medeweker door middel van werkervaring wel vakbekwaam is. Het Nationaal Kenniscentrum EVC beheert en onderhoudt het register inzake de EVC procedures van erkende EVC aanbieders. Via een procedure voor het Erkennen van jouw Verworven Competenties (EVC) wordt aan de hand van een erkende EVC standaard precies 39
in kaart gebracht wat je daarvan aan kennis en vaardigheden in huis hebt. Er wordt gekeken naar wat je in de praktijk hebt (bij)geleerd en dit alles wordt vastgelegd in een uitgewerkt persoonlijk ervaringscertificaat. Met een Ervaringscertificaat kun je vervolgens de Examenkamer vragen om een vakbekwaamheidsbewijs af te geven. Voor meer informatie: Website Nationaal Kenniscentrum EVC: https://www.ervaringscertificaat.nl/ Website Examenkamer: https://www.examenkamer.nl/ 5. Buitenlandse diploma’s: Buitenlandse diploma’s of andere vorm van validering van formeel onderwijs worden slechts geaccepteerd onder overleggen van een door namens de Nederlandse overheid door SBB of Nuffic afgegeven diplomavergelijking of waardering. 6. Buitenlandse Vakbekwaamheidsbewijs: Buitenlandse bewijzen van vakbekwaamheid en andere vormen van validering van informeel en non formeel leren en vakvolwassenheid worden slechts geaccepteerd onder overleggen van een door namens de EVC convenant partners door het Nationaal Kenniscentrum EVC afgegeven verklaring inzake vakvolwassenheid en/of vakbekwaamheid. 7. Aanvullende eisen: Bij Jeugd dient gewerkt te worden volgens de norm verantwoorde werktoedeling. 5 Bij de uitvoering van Jeugdhulp is een SKJ of BIG registratie verplicht zoals genoemd in artikel 4.1.6 Jeugdwet en artikel 5.1.1. Besluit Jeugdwet.
Er kan slechts een niet geregistreerde professional worden ingezet indien aannemelijk wordt gemaakt dat de kwaliteit van de uit te voeren taak niet nadelig wordt beïnvloed. 8. Onderwijsregisters: MBO: CREBO: Centraal Register Beroepsonderwijs HBO: CROHO: Centraal Register Hoger Onderwijs WO: CROHO: Centraal Register Hoger Onderwijs DUO: Register van op naam gestelde diploma’s Opleidingen MBO- CREBO register Crebo nummer 10431 10433 10743 91430 92661 92662 92670 92660
Crebo naam Sociaal Dienstverlener Sociaal Pedagogisch Werker Sociaal Pedagogisch Werker 4 (SPW 4) Medewerker gehandicaptenzorg niveau 4 Maatschappelijke Zorg (Persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg) Maatschappelijke Zorg (Persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen) Sociaal-maatschappelijk dienstverlener (Sociaalmaatschappelijk dienstverlener) Maatschappelijke Zorg 4
Niveau 4 4 4 4 4 4 4 4
5 Zie hiervoor Kwaliteitskader Jeugd: kwaliteitskader-Jeugd-v2.1.pdf (skjeugd.nl)
40
25474 25479 92601 92602 10742 10744 92650 92611 92612
Agogisch medewerker GGZ Thuisbegeleider MBO-Verpleegkundige (Geestelijke Gezondheidszorg) MBO-Verpleegkundige (Gehandicaptenzorg) Sociaal Pedagogisch Werker 3 (SPW 3) Sociaal Dienstverlener (SD) Maatschappelijke Zorg (Medewerker maatschappelijke zorg) Verzorgende (Geestelijke Gezondheidszorg) (incl. BIGregistratie) Verzorgende (Gehandicaptenzorg) (incl. BIG-registratie)
4 4 4 4 3 3 3 3 3
Opleidingen HBO – WO – CROHO register Croho nummer 34507 81006 30114 4075 34075 6853 70193 70193 60260 66604 60077 60076 60216 66581 40019 49146 35158 44113 66607 34617
Croho naam
Internationale naam
HBO Toegepaste Psychologie HBO Toegepaste Psychologie HBO Applied Psychology HBO Jeugdpsychologie HBO Jeugdpsychologie HBO psychologie vanuit biologisch en cognitivistisch perspectief HBO M Master in Toegepaste Psychologie voor professionals HBO M Toegepaste Psychologie voor Professionals WO Psychologie (incl. NIP-registratie of SKJ-master) WO Psychology (incl. NIP-registratie of SKJ-master) WO Social Psychology (incl. NIPregistratie of SKJ-master) WO Psychologie en Geestelijke Gezondheid (incl. NIP-registratie of SKJ-master) WO Gezondheidszorg Psychologie (incl. NIP-registratie of SKJ-master) WO Medische Psychologie (incl. NIPregistratie of SKJ-master) HBO M Jeugdzorg HBO M Master Interprofessioneel werken met Jeugd HBO Pedagogiek HBO M Pedagogiek WO Pedagogische Wetenschappen (incl. NVO-registratie) HBO Sociaal Pedagogische Hulpverlening 41
81032 81028 34116 34608 44116 49500 70161 40101 34616 34610 34585 34644 49303 49108 39199 70118 39283
HBO Sociaal Pedagogische Hulpverlening HBO Social Work (voorheen Sociale Academie) HBO Social Work (voorheen Sociale Academie) HBO Sociaal Werk HBO M Social Work HBO M Social Work (joint degree) HBO M Social Work & Innovation HBO M Health Care and Social Work HBO Maatschappelijk Werk en Dienstverlening HBO Culturele en Maatschappelijke Vorming HBO Psychomotorische Therapie en Bewegingsagogie HBO Vaktherapie HBO M Vaktherapie HBO M International Master of Arts Therapies HBO Counselling HBO M Contextuele Hulpverlening HBO Verpleegkunde
B Social Work and Social Services
B Arts Therapies B Arts Therapies M Arts Therapies M International Master of Arts Therapies B Counselling
Opleidingen o.b.v. SKJ registratie Naam opleiding hbo-bachelor Social Work hbo-bachelor Pedagogiek hbo-bachelor Maatschappelijk werk en dienstverlening (MWD) hbo-bachelor Sociaal pedagogische hulpverlening (SPH) hbo-bachelor Toegepaste psychologie (TP) getuigschrift master Jeugdzorg vakbekwaamheidsbewijs ‘vakbekwame hbo jeugd en gezinsprofessional’ branchecertificaat jeugdzorgwerker hbo-bachelor met certificaat maatwerktraject hbo-bachelor Culturele en maatschappelijke vorming (CMV) hbo-bachelor Creatieve therapie hbo-bachelor Vaktherapie hbo-bachelor Godsdienst pastoraal werk hbo-bachelor Theologie (Fontys) hbo Inrichtingswerk hbo Jeugdwelzijnswerk 42
hbo Kreatief Educatief Werk hbo Cultureel werk hbo Maatschappelijk werk (MW) hbo Ortho agogisch hbo Orthopedagogiek hbo Ecologische pedagogiek akte Pedagogiek MO-A hbo Psychologie hbo SJW hbo Psychosociaal Werk hbo Kinderverzorging en opvoeding hbo-bachelor Social Work profiel Zorg hbo-bachelor Social Work profiel Welzijn en Samenleving wo-master psychologie wo-master (ortho)pedagogiek
43
44
Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2023 Algemene toelichting Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige of ouder(s) dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk). De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: • over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen; • met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; • over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; • over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; • over de wijze waarop
ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet; • ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen. Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een 45
deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouder(s) gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouder(s) kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouder(s) deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 3 en artikel 4. Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: • via de gemeente. • via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI). • na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. • via Veilig Thuis (het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling: AMHK). Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder(s) kan binnenkomen bij het Samen Doen team van de gemeente. Het Samen Doen team zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is.
Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college daartoe een besluit af. Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet).
Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. 46
Toegang via Veilig Thuis (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: AMHK) Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouder(s) tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats. Dit betekent dat voorafgaand geen onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of ouder(s). Voor een algemene voorziening is in beginsel geen verleningsbeschikking nodig (zie ook artikel 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene dan wel vrij toegankelijke voorzieningen.
Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is en bovendien ook binnen de Wmo 2015 wordt gehanteerd, is deze overgenomen in de verordening. Lid 1 onderdeel b: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Lid 1 onderdeel c: budgethouder(s) De budgethouder(s) is degene die op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Aangezien zowel jeugdigen als ouder(s) jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige of om de ouder(s). Op het moment dat een pgb-beheerder het pgb gaat beheren, is hij de budgethouder. Lid 1 onderdeel g: gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouder(s) vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. Voor de interpretatie van het begrip gebruikelijke hulp worden beleidsregels opgesteld. 47
Lid 1 onderdeel i: individuele voorziening Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouder(s) toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is een individuele beoordeling en ook een verleningsbeschikking nodig. Lid 1 onderdeel j: informele hulp(verlener) Deze bepaling geeft aan wat er wordt verstaan onder de niet-professionele hulpverlener ook wel informele hulp genoemd. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 onder p van deze bepaling. Dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder(s). Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp is dan alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk. Lid 1 onderdeel k: ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is het resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de hulpvraag van jeugdigen en/of ouder(s).
Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Lid 1 onderdeel n: persoonsgebonden budget (pgb) Een jeugdige of ouder(s) kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige of ouder(s) zelf de benodigde hulp inkopen. Deze begripsomschrijving benadrukt dat het in deze verordening gaat om het persoonsgebonden budget dat verleend kan worden op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. Lid 1 onderdeel p: pgb-aanbieder In deze bepaling wordt aangeven wat wordt verstaan onder een professionele aanbieder. Deze aanbieder moet aan dezelfde kwalitatieve eisen voldoen als gecontracteerde aanbieders, zoals genoemd in hoofdstuk 3,6 en 7 van deze verordening en bijlage 1. Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele(pgbaanbieders) en informele hulp. Voor pgb-aanbieders geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is , kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep.
De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de
48
hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de budgethouder(s) komt. Lid 1 onderdeel r: sociaal netwerk Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder(s) regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een jeugdige of ouder(s) zich meldt met een ondersteuningsvraag. Lid 1 onderdeel s: Veilig Thuis In de Jeugdwet wordt het begrip 'advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling' gebruikt. Inmiddels is hiervoor de naam Veilig Thuis in gebruik. In de verordening wordt daarom laatstgenoemde term gebruikt. Lid 2 Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.