CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening jeugdhulp 2023

gemeenteraad 6 december 2022, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststellen verordeningen Wmo en Jeugdhulp 202328.311 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

VERORDENING JEUGDHULP Gemeente Hardenberg 2023 De raad van de gemeente Hardenberg, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; gelezen het advies van de Participatieraad Sociaal Domein Hardenberg van 4 juli 2022; overwegende dat: - de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; - het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt; - het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: - de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; - de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; - de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; - de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; - de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; - de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering

en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; - het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp Hardenberg 2023. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouder(s); b. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet. c. budgethouder(s): de jeugdige en/of zijn ouders die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Jeugdwet en of zijn pgb-beheerder;

1

d. budgetplan: door de jeugdige en/of zijn ouders ingediend inhoudelijk plan met begroting en doelen voor de invulling van het pgb. Uit het plan en het (bewuste keuze)gesprek dient te blijken dat de inwoner of zijn pgb-beheerder in staat is om het pgb te beheren en dat de zorg en ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht veilig, doeltreffend en inwonergericht wordt verstrekt; e. cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. f. fraude: het opzettelijk en structureel onjuist handelen, en daarmee handelen in strijd met de geldende regelgeving, met het oog op eigen of andermans financieel gewin; g. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders; h. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; i.

individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouder(s) toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt; j. informele hulp(verlener) is: - als de hulp wordt verleend door het sociaal netwerk van de jeugdige, anders dan beschreven in lid 1 onder p, is sprake van informele hulp; - als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige, is altijd sprake van informele hulp. k. ondersteuningsplan: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren; l. nadere regels: nadere regels Jeugdhulp Hardenberg 2023. m. ouder(s): gezaghebbende ouder(s), adoptieouder(s), stiefouder(s) of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder(s); n. persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder(s), dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; o.

persoonlijk plan (in de Jeugdwet ook wel Familiegroepsplan genoemd): hulpverleningsplan of plan van aanpak, opgesteld door de ouder(s), samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; p. pgb-aanbieder: Van een pgb-aanbieder is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de budgethouder(s): - personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over afgeronde

2

relevante opleidingen/diploma’s, zoals genoemd in bijlage 1, die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; - personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over afgeronde relevante opleidingen/diploma’s, zoals genoemd in bijlage 1, die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; - personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. q. Samen Doen team: een team van medewerkers: - consulenten die het voorliggend veld goed kennen. Zij leveren informatie en advies. Ze gaan met jeugdige en/of zijn ouders op zoek naar oplossingen vanuit het eigen netwerk of in de eigen omgeving. Ook leveren zij (indien nodig) kortdurende ondersteuning (maximaal 5 gesprekken) waarna de jeugdige en/of zijn ouder(s) weer zelfstandig verder kan. - consulenten met kennis van wet- en regelgeving op het gebied van de Jeugdwet.

Zij ondersteunen jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het maken een ondersteuningsplan, bepalen of er inzet van maatwerk nodig is en zo ja met welke doelen en hoeveel tijd daarvoor nodig is. Zij begeleiden jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het proces om hun veerkracht te zoeken. Indien nodig vervullen ze de rol van casusregisseur, organiseren een multidisciplinair overleg en bewaken van de afstemming en de voortgang. - consulenten met kennis van wet- en regelgeving op het gebied van jeugd & gezin. Zelfde als bij punt 2 maar dan voor jeugd en gezin met aandacht voor veilig en gezond opgroeien. r. sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder(s) een sociale relatie onderhoudt; s. Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; t. VOG: Verklaring Omtrent het Gedrag, mag bij aanvang werkzaamheden door gecontracteerde of pgb-aanbieder niet ouder zijn dan drie maanden; u. wet: Jeugdwet. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen Artikel 2.

Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouder(s).

3

Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. Preventie, inclusief advies en voorlichting; b. Lichte (opvoed)ondersteuning; c. Jeugdgezondheidszorg, maatwerkdeel; d. Maatschappelijk werk; e. Vertrouwenspersoon; f. Veilig Thuis; g. Mantelzorgondersteuning. 2. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen Paragraaf 1. Voorzieningen Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen 1. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. Begeleiding individueel ontwikkelingsgericht; b. Begeleiding groep ontwikkelingsgericht; c. Begeleiding groep respijtzorg; d. Jeugdbescherming en reclassering; e. Basis GGZ; f. Specialistische GGZ; g. Medicatiecontrole; h. Ambulante dagbehandeling; i. Ambulante jeugd- en opvoedhulp basis; j. Ambulante jeugd- en opvoedhulp specialistisch; k. Scheidingshulpverlening; l. Kortdurend verblijf; m. Pleegzorg; n. Forensische zorg; o. Crisisopvang; p. Residentiele hulp; q. Residentieel verblijf voor jeugdigen; r. Gesloten Jeugdzorg; s. Ernstige dyslexie; t.

Vervoer: - Het college beoordeelt op welke wijze de jeugdige, in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, vervoerd kan worden van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden; - Het college kan bij nadere regeling bepalen onder welke voorwaarden een beroep kan worden op een vervoersvoorziening en de hoogte van de tarieven. 2. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

4

Artikel 5. Criteria individuele voorzieningen 1. Jeugdigen of ouder(s) kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: a. binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder wordt verstaan: i. gebruikelijke hulp van ouder(s) en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; ii. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten of een andere voorliggende voorziening. b. door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; c. door gebruik te maken van een andere voorziening. 2. De individuele voorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek uit artikel 22, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin een jeugdige in staat wordt gesteld tot: a. Gezond en veilig op te groeien; b. Te groeien naar zelfstandigheid; c. Voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 3. Recht op een individuele voorziening bestaat slechts voor zover deze als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. 4. De jeugdhulp die ingezet is voordat er een individuele voorziening wordt toegekend, komt niet in aanmerking voor vergoeding. 5.

Het college kan nadere regels en beleidsregels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en tweede lid. Artikel 6. Aanvullende criteria individuele begeleiding ontwikkelingsgericht In aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan een jeugdige en/of ouder(s)/opvoeder(s) individuele begeleiding ontwikkelingsgericht krijgen als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: a. een hulpvraag van de jeugdige, het gezin en/of de omgeving, die niet door algemene voorzieningen opgepakt kan worden, en/of; b. geen of nauwelijks veiligheidsrisico’s: de veiligheid van de jeugdige, ouder(s) en/of ambulant begeleider kan voldoende gewaarborgd worden, en/of; c. een redelijk tot matig inzicht in de eigen beperkingen bij de jeugdige en/of; d. niet geëscaleerde vragen en problemen, en/of; e. een matig tot goede voorspelbaarheid van de hulpvraag. Onverwachte hulpvragen zijn planbaar en uitstelbaar tot volgende contactmomenten of telefonisch contact tijdens kantooruren. 1. Begeleiding individueel is gericht op: a. Het vergroten van de zelfredzaamheid van de jeugdige en/of ouder(s)/opvoeder(s); b. Het versterken van de opvoedsituatie, de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige. Artikel 7. Aanvullende criteria begeleiding groep ontwikkelingsgericht 1. In aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan begeleiding groep ontwikkelingsgericht worden ingezet: 5

a. voor jeugdigen die hulp en groepsbegeleiding nodig hebben om tot maatschappelijke participatie te komen, de schoolgang te herstellen/starten en te profiteren van effecten op hun welbevinden en welzijn; b. voor jeugdigen waarbij de verwachting is dat in een groep beter de gestelde doelen kan/kunnen worden behaald. De sociale interactie in een groep; leren van elkaar en ook steun ervaren en tips krijgen van lotgenoten wordt in de groepsbegeleiding als instrument gebruikt; c. voor jeugdigen die geen indicatie hebben of kunnen krijgen vanuit voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz)); d. voor jeugdigen die vanwege een ziekte of beperking niet naar de reguliere kinderopvang of school kan; e. voor jeugdigen die zonder dagactiviteiten moeten verblijven in een instelling of waarbij de thuissituatie onhoudbaar en/of onveilig is. 2. Onder begeleiding groep ontwikkelingsgericht wordt niet verstaan: a. een reguliere dagstructurering die in de woon-/verblijfssituatie wordt geboden; b. een welzijnsactiviteit zoals zang, sport en spel, uitstapjes en dergelijke; c. eerstelijns vaktherapieën of ondersteuning van een opvangvraagstuk. Artikel 8. Aanvullende criteria begeleiding groep respijtzorg 1. In aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan een jeugdige na onderzoek begeleiding groep respijtzorg ontvangen als hij: a.

een ouder(s)/verzorger(s) heeft die moet worden ontlast, indien er risico is op overbelasting; b. de overbelasting niet kan worden opgelost met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of een voorliggende voorziening; c. de ondervonden beperkingen ten aanzien van de opgroei- en opvoedproblemen en/of een verstandelijke beperking niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en vrijwilligers, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen en met algemeen gebruikelijke zaken of diensten kan verminderen of kan wegnemen; d. geen indicatie heeft of kan krijgen vanuit voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz)); e. vanwege een ziekte of beperking niet naar de reguliere kinderopvang of school kan; f. zonder dagactiviteiten moet verblijven in een instelling of thuis een onveilige of onhoudbare situatie zou ontstaan. 2. Onder begeleiding groep respijtzorg wordt niet verstaan: a. een reguliere dagstructurering die in de woon-/verblijfssituatie wordt geboden en eerstelijns vaktherapieën; b. ondersteuning bij een opvangvraagstuk. Artikel 9. Aanvullende criteria basis GGZ 1. In aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan een jeugdige in aanmerking komen voor basis GGZ als er sprake is van: a. (het vermoeden van) een DSM 5-benoemde stoornis, en/of; b.

lichte problematiek met relatief weinig kernsymptomen maar wel voldoende om een diagnose te stellen, en/of: 6

c. klachten waarbij de jeugdige een zekere belemmering in het dagelijks functioneren ervaart, en/of; d. kernsymptomen behorend bij het ziektebeeld en daarnaast aanvullende symptomen, en/of: e. waarneembare beperkingen in het dagelijks functioneren, en/of: f. lage tot matige risicofactoren, en/of: g. een aanwijzingen die duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, zelfdoding, (huiselijk) geweld of automutilatie, en/of; h. duidelijke klachten/symptomen of een latent risico op gevaar, maar er staan beschermende factoren tegenover zoals adequate coping, werk of structurele daginvulling en een steunsysteem waarop men dagelijks kan terugvallen voor toezicht, hulp/ondersteuning, praktische en emotionele steun, en/of; i. een lage complexiteit. 2. De behandeling is gericht op: a. het vergroten en bestendigen van de zelfredzaamheid en regie van de jeugdige en de (pleeg)ouder(s)/verzorger(s) in de thuissituatie en/of op school / het persoonlijk leven (bijvoorbeeld via therapie en/of psycho-educatie); b. het versterken van de opvoedsituatie, zodat de opvoeding, de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd zijn. Artikel 10. Aanvullende criteria specialistische GGZ 1. In aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan een jeugdige in aanmerking komen voor specialistische GGZ als er sprake is van: a.

(het vermoeden van) een DSM 5-benoemde stoornis, en/of; b. ernstige problematiek, en/of; c. uitval en/of substantiële beperkingen in het dagelijks functioneren (bijvoorbeeld niet naar school kunnen), en/of; d. hoge risicofactoren, en/of; e. duidelijke aanwijzingen (ook intuïtief) die kunnen duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, suïcide, (huiselijk) geweld of automutilatie, en/of; f. hoge complexiteit. 2. De behandeling is gericht op: a. het versterken de jeugdige van het netwerk (systeem) van de jeugdige, zodat het systeem adequaat weet om te gaan met het gedrag van de jeugdige en hem positief kan ondersteunen in zijn ontwikkeling; b. het verminderen van de psychische klachten met behulp van specifieke therapieën en interventies. Het gaat hier om de inzet van gerichte en bewezen werkzame behandelingen, met gedragsverandering als doel; c. het beperken van de gevolgen van het ziektebeeld, zowel directe (lichamelijke problemen, zelfverwaarlozing, suïcidaliteit) als indirect (sociale schade); d. het voorkomen van terugval en recidive; e. wanneer mogelijk en passend afschalen naar Basis GGZ, de jeugdconsulent bij de huisarts, de huisarts en/of naar begeleiding; f. een behandeling die zorgvraaggericht is in plaats van productgericht.

Hiermee wordt van aanbieder verwacht dat zij zo is toegerust, dat zij in staat is om alle zorgvragen 7

die binnen de specialistische jeugd GGZ vallen behandeld kunnen worden. Er is daarbij geen sprake van één leidend principe binnen de behandeling. Artikel 11. Aanvullende criteria medicatiecontrole Jeugdigen die in het kader van hun behandeling gebruik maken van medicijnen waarbij na de behandeling nog controle op de medicijnen dient plaats te vinden, kunnen in aanmerking komen voor medicatiecontrole. Artikel 12. Aanvullende criteria ambulante dagbehandeling 1. In aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan de jeugdige in aanmerking komen voor ambulante dagbehandeling als er sprake is van: a. een gediagnosticeerde (licht) verstandelijke beperking, en/of; b. frequente escalaties door overprikkeling, en/of; c. een beperkt niveau van functioneren binnen minimaal enkele levensdomeinen (als individu, als gezinslid, met leeftijdsgenoten, in de vrijetijdsbesteding en op school),en/of; d. een (ernstig vermoeden van een) beneden gemiddelde intelligentie, eventueel met bijkomende psychiatrische problematiek of gedrag, en/of; e. een verstoorde of gestoorde ontwikkeling, waarbij veelal ook beperkingen in lichamelijke en/of cognitieve functies spelen, en/of; f. ernstige opvoedingsproblemen en gedragsproblematiek en/of; g. van ouder(s) die niet beschikken over voldoende opvoedstrategieën voor hun kind met (bovengenoemde) problematiek, en; h. een te verwachten behandeleffect. 2.

Ambulante dagbehandeling is gericht op: a. het ontwikkelen en aanleren van cognitieve en emotionele vaardigheden, waarbij de mogelijkheden van de jeugdige optimaal worden benut, zodat een zo zelfstandig mogelijk niveau van functioneren bereikt kan worden; b. herstel of voorkoming van verergering van gedragsproblemen, op herstel en/of het aanleren van vaardigheden of gedrag en het realiseren van een blijvende verbetering in het functioneren. De behandeling kan ook gericht zijn op het verbeteren van de interactie binnen het systeem. Het gaat hierbij om gerichte professionele interventies; c. voorspelbaar (hanteerbaar) maken van het gedrag en het goed inschatten van de risico’s als gevolg van de problematiek. Het vergroten van de zelfredzaamheid en beschermende factoren en het verkleinen van risicofactoren van de jeugdige en ouder(s). Artikel 13. Aanvullende criteria ambulante jeugd- en opvoedhulp basis 1. In aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan een jeugdige in aanmerking komen voor ambulante jeugd- en opvoedhulp basis als er sprake is van: a. lichte tot milde opgroei-, opvoed- en/of gedragsproblemen. b. een (licht) verstandelijke beperking met een niet complexe psychische stoornis en/of mild probleemgedrag. c. een licht verstandelijke beperking met probleemgedrag. De jeugdige is meestal jonger dan 16 jaar. De ouder(s)/verzorger(s) en hun omgeving ervaren

8

opvoedingsproblemen. Deze problemen kunnen voortkomen uit een (licht) verstandelijke beperking van de ouder(s)/verzorger(s). Artikel 14. Aanvullende criteria ambulante jeugd- en opvoedhulp specialistisch 1. In aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan een jeugdige in aanmerking komen voor ambulante jeugd- en opvoedhulp specialistisch als er sprake is van: a. Ernstige opgroei-, opvoed- en/of gedragsproblemen. b. Een (licht) verstandelijke beperking met een psychische stoornis en ernstig probleemgedrag. c. Een licht verstandelijke beperking met ernstig probleemgedrag. Het kind is meestal jonger dan 16 jaar. De ouder(s)/verzorger(s) en hun omgeving ervaren opvoedingsproblemen. Deze problemen kunnen voortkomen uit een (licht) verstandelijke beperking van de ouder(s)/verzorger(s). Artikel 15. Aanvullende criteria scheidingshulpverlening 1. Scheidingshulpverlening is gericht op: a. ouder(s) en jeugdigen in de leeftijd van 0 t/m 18 jaar die in een complexe echtscheiding zijn verwikkeld en waarbij de omgang niet naar behoren verloopt, en/of; b. gezinnen waar psychiatrische problemen (bij ouder(s) en/of jeugdigen) een rol speelt en/of waar huiselijk geweld heeft gespeeld, en/of; c. herordening van het gezin na scheiding. 2. Scheidingshulpverlening bestaat uit twee afzonderlijke producten: a.

Ouder(s)chapsbemiddeling is gericht op het vinden van een passende vorm van ouder(s)chap na een (complexe) echtscheiding. b. Omgangsbegeleiding en contactherstel ouder(s)/kind: gericht op ouder(s) en kind(eren) om hen te laten ervaren dat omgang mogelijk is gedurende en na een echtscheiding en als positief ervaren kan worden. Artikel 16. Criteria dyslexiezorg 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg, bestaande uit: a. diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie, b. behandeling van ernstige dyslexie. 2. Een jeugdige komt in aanmerking voor diagnostiek en/of behandeling van ernstige dyslexie indien: a. hij ingeschreven staat op een basisschool; b. zeven jaar of ouder(s) is, maar de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt; c. de basisschool de stappen doorlopen heeft zoals beschreven in de door het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (NKD) gehanteerde protocol (Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 3.0). Artikel 17. Criteria vervoersvoorziening/vergoeding 1. in aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan een vervoersvoorziening worden toegekend wanneer:

9

a. het gaat om een vervoersvraag voor een jeugdige die een indicatie heeft voor een individuele voorziening jeugdhulp, en; b. er sprake is van een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid, en; c. het voor de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) niet mogelijk is om op eigen (financiële) kracht en eigen verantwoordelijkheid (al dan niet gedeeltelijk en/of met behulp van het eigen netwerk) het vervoer te organiseren, en; d. er geen andere regeling/voorziening is waarvan de jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening, en; e. geen passende jeugdhulpvoorziening op kortere afstand beschikbaar is. 2. Bij de toekenning houdt het college altijd rekening met de te reizen afstand, leeftijd van de jeugdige, veiligheid en de unieke eigenschappen van de jeugdige. 3. Het college kan van het eerste lid afwijken wanneer de jeugdige of ouder(s) kunnen aantonen dat begeleiding door henzelf of door andere personen uit de naaste omgeving leidt tot ernstige benadeling. Artikel 18. Passende vervoersvoorziening 1. Als aan de criteria onder artikel 17 is voldaan bepaalt het college welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) het meest passend is. 2. De volgende vormen worden onderscheiden op volgorde van afweging: a. Voorzieningen ter bevordering van de zelfredzaamheid van de jeugdige teneinde vervoer in natura overbodig te maken; b.

een vergoeding voor openbaar vervoer indien de jeugdige zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kan maken; c. een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding indien door de ouder(s) wordt aangetoond dat de jeugdige niet in staat is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken of indien de jeugdige zelf kan leren reizen met openbaar vervoer; d. kilometervergoeding indien de ouder(s) of iemand uit het sociaal netwerk de jeugdige zelf vervoeren of laten vervoeren, op basis van het maximale belastingvrije kilometertarief; e. aangepast vervoer (taxivervoer) indien voorgaande mogelijkheden niet tot de opties behoren. 3. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling van de vergoeding, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening dan wel vergoeding. 4. Het college betrekt bij de afwegingen over de toekenning van een vervoersvraag de mogelijkheden die er voor een jeugdige zijn om zelfstandig te leren reizen. 5. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen betreffende deze vervoersvoorziening. Artikel 19. Jeugdbescherming Een maatregel die de rechter dwingend oplegt wanneer een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige (ernstig) wordt bedreigd en vrijwillige hulp niet (voldoende) helpt.

10

Artikel 20. Jeugdreclassering Hulpverlening voor jongeren tussen 12 en 23 jaar, die met politie en/of justitie in aanraking zijn gekomen en/of de leerplichtwet hebben overtreden (schoolverzuim). De begeleiding kan doorlopen tot de jongere 23 jaar is, indien de jongere minderjarig was bij het plegen van het strafbare feit. Hoofdstuk 2: Aanvraag en onderzoek Artikel 21. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een individuele voorziening kan schriftelijk worden ingediend bij het college of het Samen Doen Team. 2. Als een jeugdige of ouder(s) de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een ingevuld budgetplan in, als bedoeld in artikel 26 van deze verordening. 3. Het college wijst in de ontvangstbevestiging de jeugdige en/of zijn ouder(s) op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. 4. Het college wijst de jeugdige en zijn ouder(s) op mogelijkheid om binnen 14 dagen een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouder(s) daarom verzoeken draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een persoonlijk plan. 5. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening. Artikel 22. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan 1.

Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouder(s) en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; g. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; h. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; i. hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s). 2. Als een persoonlijk plan is opgesteld, wordt dit bij het onderzoek betrokken. 3.

Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 4. Voor of tijdens het gesprek verschaft de jeugdige of zijn ouder(s) het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover hij op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De jeugdige of 11

zijn ouder(s) verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 5. Het college kan, met instemming van de jeugdige of zijn ouder(s), informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp. 6. Het college en de jeugdige en/of zijn ouder(s) leggen de zaken genoemd in het eerste lid vast in het ondersteuningsplan. 7. Met toestemming van de jeugdige en/of zijn ouder(s) worden in het ondersteuningsplan afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de doelen van het ondersteuningsplan met de jeugdige en/of zijn ouder(s), het Samen Doen team en de jeugdhulpaanbieder besproken worden. 8. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) over de mogelijkheid van het gebruik van een vertrouwenspersoon. 9. Het college is bevoegd om in het belang van het onderzoek: a. De jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) op te roepen om in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem of hen te bevragen. b. Als dit nodig is voor het onderzoek, de jeugdige, zijn ouder(s), zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten op te roepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. c.

Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. 10. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) afzien van een gesprek als de hulpvraag van jeugdige en/of zijn ouder(s) en de compensatie daarvan voldoende duidelijk is. 11. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Artikel 23. Toegang en besluit 1. Het college legt de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van een individuele 2.

3.

4.

5.

voorziening vast in een beschikking. Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag, evenals het onderzoek en het daaruit volgende ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 22. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking als bedoeld in artikel 25. Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering 12

van jeugdreclassering. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 25. 6. Jeugdigen of hun ouder(s) die menen een beroep te kunnen doen op een overige voorziening, kunnen zich rechtstreeks hiertoe wenden. 7. De jeugdige of zijn ouder(s) moeten zich binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel binnen 3 maanden zijn begonnen met de besteding van het pgb aan het doel waarvoor het is verstrekt. Artikel 24. Onderzoek en toegang dyslexiezorg 1. De ouder(s) van de jeugdige kunnen via de website van de gemeente een aanvraag indienen voor een individuele voorziening dyslexiezorg. 2. De school en ouder(s) dienen de aanvraag aan te vullen met bewijsstukken. Dit dossier omvat ten minste: - Anamnese op basis van de gegevens van de ingevulde vragenlijst door ouder(s); - Anamnese op basis van de gegevens uit het leerling dossier in de ingevulde vragenlijst door de school/intern begeleider; - (CITO) scores uit het leerlingvolgsysteem van de school; - Handelingsplannen van de remedial teaching/extra ondersteuning op school waarin beschreven wordt: duur (minimaal 6 maanden), frequentie en inhoud van de ondersteuning. 3.

Het college kent een individuele voorziening voor dyslexiezorg toe door middel van een besluit dat toegang geeft tot: - diagnostiek, om vast te stellen of sprake is van ernstige dyslexie; - behandeling, indien uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige dyslexie. 4. Het college neemt het besluit als bedoeld in het derde lid op grond van het verzoek tot een zorgtoewijzing van de dyslexieaanbieder na een controle van het leerlingdossier van de basisschool door de poortwachter dyslexiezorg. 5. Het college kan nadere regels en beleidsregels stellen met betrekking tot de werkwijze van de poortwachter dyslexiezorg en de eisen waaraan het leerlingdossier dient te voldoen. Artikel 25. Inhoud en geldigheidsduur beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt vastgelegd: a. welke individuele voorziening verstrekt wordt, wie de jeugdhulp gaat bieden en wat het beoogde resultaat of doel daarvan is; b. de termijn van 3 maanden waarbinnen de jeugdige of zijn ouder(s) zich moet melden bij een jeugdhulpaanbieder dan wel het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 23 lid 7; c. of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt, en indien van toepassing; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; e. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking. 2. Het ondersteuningsplan maakt deel uit van de beschikking. 3.

Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking naast de in lid 1 genoemde zaken bovendien: a. de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; 13

c. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Het besluit tot toekenning van een individuele voorziening wordt afgegeven: a. als het gaat om zorg in natura: met een geldigheidsduur tot het moment waarop de betrokken jeugdhulpaanbieder de jeugdhulp heeft beëindigd en het college hiervan op de hoogte heeft gesteld; b. als het gaat om een pgb: met een in het besluit vastgestelde geldigheidsduur. 5. Bij het besluit wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouder(s) op grond van de wet, de verordening, nadere regels en beleidsregels. 6. Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en kan hierover nadere regels en beleidsregels vaststellen. Hoofdstuk 3: De voorwaarden voor een persoonsgebonden budget Artikel 26. Voorwaarden pgb 1. Het uitgangspunt is dat jeugdigen en ouder(s) een voorziening in natura krijgen. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening en de hulp zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dan kan dat alleen als een voorziening in natura niet passend is. 2.

Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) in aanmerking wil komen voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, beoordeelt het college of wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zoals omschreven in artikel 8.1.1. van de wet. 3. Het college beoordeelt of de jeugdige en/of zijn ouder(s), eventueel met behulp van zijn pgb-beheerder, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen en het uitvoeren van de aan een pgb verbonden taken. De jeugdige en/of zijn ouder(s) of zijn pgb- beheerder dient ten minste aan te geven dat: a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; b. de voorgenomen pgb-aanbieder of informele hulp van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; c. op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; d. indien van toepassing; De informele hulp minimaal gelijkwaardig of aantoonbaar beter is dan van een professionele hulpverlener; e. hij overziet zijn eigen situatie, dan wel die van de jeugdige, en heeft een duidelijk beeld van de zorgvraag en de belangen en hulp die jeugdige nodig heeft; f. waarom de individuele voorziening in redelijkheid geschikt is om het doel of resultaat te behalen waarvoor het pgb is verstrekt; g.

indien van toepassing; wie de jeugdige of zijn ouder(s) heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; h. de jeugdige, ouder(s) of zijn pgb-beheerder op de hoogte is van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb, of weet die zelf bij de desbetreffende instanties (online) te vinden; i. de jeugdige, ouder(s) of zijn pgb-beheerder in staat is om een overzichtelijke pgbadministratie bij te houden, waardoor hij inzicht heeft in de bestedingen van het pgb; 14

j. de jeugdige, ouder(s) of zijn pgb-beheerder voldoende vaardig is om te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of het zorgkantoor, de SVB en zorgverleners; k. de jeugdige, ouder(s) of zijn pgb-beheerder in staat om is zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een pgb-aanbieder of informele hulp te kiezen en kan ook motiveren waarom deze geschikt is; l. de jeugdige, ouder(s) of zijn pgb-beheerder in staat is om afspraken te maken en vast te leggen, en om dit te verantwoorden aan verstrekkers van het pgb; m. de jeugdige, ouder(s) of zijn pgb-beheerder kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; n. de jeugdige, ouder(s) of zijn pgb-beheerder de inzet van een pgb-aanbieder of informele hulp kan coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. de jeugdige, ouder(s) of zijn pgb-beheerder in staat is om als werk- of opdrachtgever de pgb-aanbieder of informele hulp aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; j. de jeugdige, ouder(s) of zijn pgb-beheerder voldoende juridische kennis heeft over het werk- of opdrachtgeverschap of weet deze kennis te vinden; k. er geen sprake is van een omstandigheid zoals genoemd in artikel 28 lid 2 van de verordening. 4.

De informele hulp of de pgb-aanbieder legt met de jeugdige en/of zijn ouder(s) en eventueel met behulp van hun pgb-beheerder, ten aanzien van het waarborgen van de kwaliteit van de hulp het volgende vast in het budgetplan: a. of de jeugdige en/of zijn ouder(s) in staat is tot waardering van zijn eigen belangen; b. hoe de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; c. welke zorgverlener de zorg gaat verlenen; d. wie de directe zorgverlener(s) is. Wordt gekozen voor een pgb-aanbieder dan dient een VOG te worden aangeleverd bij het budgetplan, niet ouder dan 3 maanden voor aanvang werkzaamheden. e. wat de deskundigheid is van de directe zorgverlener(s) en of deze over een afgeronde voor de hulp relevante opleiding/diploma beschikt zoals genoemd in bijlage 1. Hiervan moet een bewijs worden meegeleverd als de zorgverlener een pgbaanbieder betreft; f. of de directe zorgverlener staat ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. g. wie de directe zorgverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid; h. welke doelen of resultaten behaald moeten worden; i.

op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening veilig, doeltreffend en jeugdige en/of zijn ouder(s)gericht is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt; j. op welke wijze de jeugdige en/of zijn ouder(s) een juiste administratie gaat bijhouden;

15

k. op welke wijze de jeugdige en/of zijn ouder(s) een contract aangaat met de pgbaanbieder; l. hoe hij omgaat met geconstateerde onjuistheden; m. op welke wijze de zorg gecontroleerd wordt; n. welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; o. waar en wanneer de hulp gaat plaatsvinden; p. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 5. Bij een informele ondersteuner dient de jeugdige, zijn ouder(s) of pgb-beheerder aan te tonen dat: de jeugdige een gelijkwaardig of beter resultaat kan behalen als iemand uit het sociale netwerk de zorg verleent, en als dit leidt tot volwaardige dienstverlening die passend is aan de hulpvraag van de jeugdige. 6. Het college beoordeelt of de jeugdige en/of zijn ouder(s) of zijn pgb-beheerder in staat is om het pgb te beheren en de hulp die de jeugdige en/of zijn ouder(s) met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. Het pgb-beheer en de kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het bewuste keuzegesprek en het budgetplan zoals omschreven in lid 1 t/m 5. 7.

De kwaliteit van de met het pgb ingekochte professionele hulp voor jeugdhulp voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare hulp leveren, hierbij moeten pgb-aanbieders en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht, voldoen aan de (kwaliteits)criteria zoals genoemd in bijlage 1, en: a. ingeschreven staan in het handelsregister(conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007); b. adequaat opgeleid personeel in dienst hebben met een afgeronde voor de hulp relevante opleiding zoals genoemd in bijlage 1; c. een VOG van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers) kunnen overleggen, niet ouder dan 3 maanden; d. beschikken over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem dat voldoet aan de landelijke eisen (minimaal ISO-9001 versie 2015 of gelijkwaardig); e. een verklaring betalingsgedrag belastingdienst kunnen tonen; f. een afschrift van de meest recente jaarrekening - of in het geval van een ZZP’er een balans en een winst- en verliesrekening -kunnen tonen; g. verzekerd zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid; h. aangesloten zijn bij een beroepsvereniging; 8. Een pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle voorwaarden, als genoemd in hoofdstuk 3, om in aanmerking te komen voor een pgb en: a.

er geen weigeringsgrond van toepassing is zoals omschreven in artikel 30; b. in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde doel of resultaat; c. er op geen enkele manier druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 9. Het niet voldoen aan de kwaliteitseisen heeft tot gevolg dat het college de aanvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) voor hulp in de vorm van een pgb afwijst. Het college kan de pgb-aanbieder een waarschuwing met een redelijke hersteltermijn geven, of de pgbaanbieder niet (langer) accepteren in het kader van een pgb. 16

10. De jeugdige en/of zijn ouder(s) of zijn pgb-beheerder dient een arbeids-of zorgovereenkomst af te sluiten met de pgb-aanbieder of informele ondersteuner. 11. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) of zijn pgb-beheerder niet (volledig) het budgetplan (of andere relevante formulieren) invult of niet meewerkt aan de gesprekken omtrent het pgb wordt, na het bieden van een hersteltermijn, geen pgb verstrekt. Artikel 27. Voorwaarden pgb voor informele hulp 1. Naast de voorwaarden uit artikel 26 van deze verordening, gelden voor de informele hulp ook de voorwaarden uit dit artikel. 2. Voordat een jeugdige of zijn ouder(s) een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem verwacht dat hij eerst een beroep doet op zijn eigen kracht, familie en vrienden. Er wordt geen pgb verstrekt wanneer het gebruikelijk is dat de activiteiten door de wettelijke vertegenwoordigers dan wel het sociaal netwerk worden verricht gelet op de leeftijd van de jeugdige, zoals: a. (sociale) activiteiten ondernemen met de jeugdige; b. toezicht houden bij jeugdigen tot 12 jaar; c. toezien op inname van medicijnen; d. 1 à 2 dagen per week oppassen door een familielid zoals opa of oma; e. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met specialisten; f. vervoer naar afspraken met specialisten; g. vervoer naar school bij jeugdigen tot 12 jaar. 3.

Indien hulp en zorg noodzakelijk is die substantieel intensiever is dan wat gemiddeld gebruikelijk is bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd, dan kan het college een individuele voorziening toekennen voor de hulpvraag zoals genoemd onder lid 2. 4. Geen Pgb voor hulp door het sociale netwerk wordt ingezet, indien er sprake is van overbelasting bij de persoon die de hulp wil gaan verlenen. Artikel 28. Voorwaarden pgb-beheerder 1. Het beheren van het pgb kan door zowel de jeugdige en/of zijn ouder(s) als door een pgb-beheerder worden uitgevoerd. Indien de pgb-beheerder het pgb gaat beheren, dan zijn de regels over het pgb beheer waar jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt genoemd van overeenkomstige toepassing op de pgb-beheerder. 2. Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. ernstige verslavingsproblematiek; c. aangetoonde fraude begaan in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; h. twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid, zoals opgenomen in artikel 26. 3.

Naast hetgeen dat bepaald is in het vorige lid wordt een pgb-beheerder alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien:

17

4. 5. 6. 7.

a. hij eerste of tweedegraads bloed-of aanverwant is van de jeugdige en/of zijn ouder(s), tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven om het beheer te laten uitvoeren door iemand die tot het sociaal netwerk behoort; b. hij door de rechtbank is aangesteld als mentor, curator of bewindvoerder; c. hij niet tevens de pgb-aanbieder of informele hulp is van de hulp die met het pgb wordt ingekocht. De pgb-beheerder is in ieder geval niet tevens de pgb-aanbieder of informele hulp, diens vast/flexibel personeel, diens organisatie adviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon (de combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is gezien de belangenverstrengeling onwenselijk en niet toegestaan); d. er geen sprake is van een (financiële) relatie tussen de pgb-beheerder en de pgbaanbieder of informele hulp; e. er geen sprake is van belangenverstrengeling tussen de pgb-beheerder en de pgbaanbieder of informele hulp; f. er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd; g. hij de belangen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) voldoende kan behartigen zoals omschreven in artikel 26; h. hij de jeugdige en/of zijn ouder(s) ondersteunt van aanmelding tot evaluatie van zorg, de rechten van de jeugdige en/of zijn ouder(s) beschermt en ook integraal aanspreekpunt is; i.

hij de aan een pgb verbonden taken kan uitvoeren zoals omschreven in artikel 26. Als pgb-beheer plaatsvindt door een professional, zoals een bewindvoerder, dan dient deze zijn diensten aan te bieden tegen marktconform tarief. Het college kan vragen om een bewijs van betaling. De pgb-beheerder heeft minimaal 1 keer per maand contact met de jeugdige en/of zijn ouder(s) en zorgverlener. Indien de vertegenwoordiger een bemiddelingsbureau is, moet het tevens het Per Saldo opgestelde keurmerk dragen. Dit keurmerk wordt beheerd door het Keurmerkinstituut. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om een pgbbeheerder aan te dragen. Indien geen geschikte pgb-beheerder wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een pgb worden afgewezen.

Artikel 29. Evalueren zorg 1. Iedere 6 maanden vindt er een evaluatiegesprek plaats tussen de zorgverlener en de jeugdige en/of zijn ouder(s) en eventueel de pgb-beheerder. 2. Van dit evaluatiegesprek wordt een evaluatieverslag opgesteld. 3. Het college kan voorwaarden stellen aan het evaluatieverslag. 4. Het evaluatieverslag wordt opgestuurd naar het college. Artikel 30. Besteding pgb 1. De pgb budgethouder mag vanuit het budget de volgende uitgaven doen: - Alle bijkomende kosten voor de zorgverleners, zoals de werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoedingen, zoals reiskostenvergoedingen voor woon- werkverkeer, verlofregelingen en pensioenvoorziening.

18

- Vervoerskosten, als er sprake is van begeleiding met een indicatie voor vervoer van en naar de plek waar de begeleiding wordt geboden. De vergoeding voor deze kosten bedraagt maximaal het gehanteerde tarief die de gemeente heeft vastgesteld bij gecontracteerd aanbieders. 2. Het pgb mag niet worden besteed aan kosten voor: a. bemiddeling (tussenpersonen of belangenbehartigers); b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. feestdagenuitkering, overlijdensuitkering of een eenmalige uitkering; e. alle overige reiskosten behalve de vervoerskosten als genoemd in lid 1 (in welke vorm dan ook); f. huur, eten en drinken; g. contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo); h. het volgen van cursussen over het pgb; i. kosten van informatiemateriaal; j. alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Wmo valt; k. alle zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening/ en of algemeen gebruikelijke voorziening vallen; l. eigen bijdrage van het CAK; m. behandeling binnen de JGGZ, als gekozen is voor een informele hulp; n. activiteiten die niet onder de Jeugdwet vallen( activiteiten/uitstapjes etc.). o. tolken (de gemeente verwacht dat een aanbieder intercultureel kan werken); p. ondersteuning die ingezet wordt in het buitenland. q. Loondoorbetaling bij ziekte; r. overige bijkomende kosten. 3.

Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 4. Onverminderd artikel 8.1.1, tweede en vierde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. 5. Een pgb kan niet worden toegekend als het gaat om jeugdigen met een kinderbeschermingsmaatregel, jeugdreclassering of jeugdigen die zijn opgenomen in een gesloten accommodatie met een machtiging. 6. Een pgb beperkt kan niet worden toegekend als de zorg door het sociaal netwerk niet aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. 7. Het pgb niet is bedoeld als inkomensvoorziening of tegen inkomensderving. Dit wordt anders wanneer als een keuze moet worden gemaakt tussen het verlenen van jeugdhulp of het verkrijgen van inkomen. De financiële consequenties voor de zorg van de jeugdige worden meegenomen bij de beoordeling om wel of geen pgb toe te kennen. 8. het pgb is niet bedoeld om opvoedondersteuning voor de ouder(s) in te kopen indien de ouder(s) over onvoldoende opvoedcapaciteiten beschikken. 9. Een pgb wordt niet toegekend voor, de op het individu toegesneden voorzieningen in het gedwongen kader, behandeling, voorzieningen tweedelijns GGZ, crisisopvang of crisishulp. 10. Een combinatie van zorg in natura en pgb binnen één individuele voorziening is niet mogelijk.

19

11. Een pgb wordt geweigerd voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. 12. Om de kwaliteit van de ondersteuning te waarborgen mag een hulpverlener die via het pgb wordt ingehuurd, nooit meer dan 40 uur per week ondersteuning verlenen. Dit geldt zowel voor een pgb-aanbieder als informele hulp. 13. Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. 14. Het is een jeugdige, zijn ouder(s) of pgb-beheerder niet toegestaan om met een aanbieder een vast maandloon overeen te komen dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan pgbaanbieder of informele ondersteuner plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van jeugdige en/of zijn ouder(s) tot overlegging aan SVB van een door jeugdige en/of zijn ouder(s) geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette zorg. 15. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een pgb-aanbieder die fraude heeft gepleegd. 16.

Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een zorgverlener indien er twijfels zijn over de integriteit van de zorgverlener, wat zich in ieder geval voordoet indien de zorgverlener: a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; e. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f. zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgbaanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. 17. Verstrekking in de vorm van pgb vindt niet of niet langer plaats als: a.

op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de jeugdige, zijn ouder(s) en/of zijn pgb-beheerder problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb; b. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden; c. er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking; d. er naar het oordeel van het college niet is voldaan aan artikel 26 lid 6 van deze verordening. Artikel 31. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor pgb-aanbieders bedraagt 82% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het door de jeugdige en/of zijn 20

ouder(s) ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 2. Indien het op basis van lid 1 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht en bedraagt nooit meer dan de kostprijs van de in betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente beschikbare individuele in natura. 3. De hoogte van het pgb voor informele hulp is maximaal het tarief per uur voor een niet professionele zorgverlener zoals in artikel 5.22, lid 1 van de Regeling langdurige zorg is vermeld, en tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald. 4. Bij jeugdhulp die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 8ab lid 1 Regeling Jeugdwet bedraagt het pgb: a. de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab lid 1 van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het budgetplan van de jeugdige/ en of ouder(s) kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming, en/of; b. de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 8ab lid 1 van de Regeling Jeugdwet.

De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud. 5. Het college besluit jaarlijks over indexering van de verschillende bedragen, die het vastlegt in het financieel besluit Wmo en Jeugd. Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 32. Herziening, intrekking en terugvordering 1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. 2. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten; d.

de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb; e. de jeugdige of zijn ouder(s) de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet gebruikt, niet binnen drie maanden gebruikt of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd.

21

3.

Als het college een besluit op grond van het tweede lid onderdeel a heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb.

Artikel 33. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik 1. Het college informeert jeugdigen en ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 3. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 34. Toezichthouders 1. Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de Jeugdwet. 2. De aangewezen toezichthouder is belast met: a. de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; b. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; c. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de jeugdige en/of zijn ouders of pgb-beheerder; d. vorderen van identificatie; e. inzage van documenten en toegang tot gegevens; f. het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen); g.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12014860/3