CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening jeugdhulp 2023

gemeenteraad 6 december 2022, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststellen verordeningen Wmo en Jeugdhulp 202328.311 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen Artikel 2. Toegang algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af. Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een algemene voorziening aanwezig is die passend is. Dan kan het college daar naar verwijzen en de aanvraag voor de individuele voorziening dus afwijzen. Zie in dit verband ook artikel 23 e.v. van deze verordening. Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr.

3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen 49

Paragraaf 1. Voorzieningen Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen Zie de toelichting bij artikel 3 van deze verordening. Het college kan op grond van het tweede lid de in lid 1 genoemde voorzieningen nader uitwerken of specificeren. Artikel 5. Criteria individuele voorzieningen In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Lid 1 Bij het beoordelen van de problematiek wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouder(s) en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Onderdeel van die eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen is gebruikelijke hulp (zie voor dit begrip de toelichting bij artikel 1 lid 1 onderdeel d van deze verordening). Voor zover gebruikelijke hulp mag worden verwacht, hoeft geen jeugdhulpvoorziening te worden ingezet. In beleidsregels wordt verder uitgewerkt wanneer sprake is van gebruikelijke hulp. Een aanvullende verzekering wordt ook als onderdeel van het eigen probleemoplossend vermogen gezien.

Wanneer uit het onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is waarvoor de jeugdige/ouder(s) aanvullend verzekerd is, mag van hen verwacht worden dat ze die verzekering aanspreken. Voor zover de aanvullende verzekering onvoldoende vergoeding biedt, moet het college op grond van de jeugdhulpplicht aanvullen. Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening (onderdeel b). Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouder(s), dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen. Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als jeugdige of zijn ouder(s) gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel c). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo of Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer slechts een gedeelte van de ondersteuningsbehoefte opgelost kan worden door bijvoorbeeld het eigen netwerk of een voorliggende voorziening, het college nog steeds een voorziening zal moeten treffen voor de resterende ondersteuningsbehoefte. Dat volgt uit het gebruik van de zinsnede "voor zover" in de aanhef van deze bepaling.

Lid 3 Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel compenserend als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip compenserend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die 50

kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer compenserend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Als de jeugdige een compenserende voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening kan het college daarvoor een pgb verstrekken ter hoogte van de goedkoopst compenserende voorziening. De jeugdige kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen (CRvB 28-10-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:BK3321). Lid 4 Dit artikel verbiedt om individuele voorziening in te zetten, voordat er een voorziening is toegekend. Dit voorkomt dat jeugdige en/of zijn ouder(s) al afhankelijk zijn van bijvoorbeeld ondersteuning. Wat het onderzoek naar een individuele voorziening kan doorkruisen. Lid 6 Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening verder uit te werken in nadere regels en beleidsregels. Artikel 6. Aanvullende criteria individuele begeleiding ontwikkelingsgericht Begeleiding individueel wordt ingezet wanneer er sprake is van opgroei- en opvoedproblemen en/of een verstandelijke beperking. Begeleiding individueel biedt ondersteuning vanuit een onderbouwd en systeemgericht hulpverleningsplan. De jeugdige leert meer zelfstandig te worden door te oefenen met bepaalde vaardigheden en met aanbrengen ven structuur.

De begeleiding is gericht op het versterken van de opgroei- en opvoedsituatie om deze beter aan te laten sluiten op de ontwikkelingsbehoefte van de jeugdige. De begeleiding binnen dit perceel is gericht op het toepassen en inslijpen van (nieuwe) vaardigheden, gericht op (de herstel van) de ontwikkeling van het kind, dan wel het leren omgaan met de gevolgen van de problematiek en ter voorkoming van terugval. Door deze nieuw aangeleerde vaardigheden en gedrag, vindt ontwikkeling plaats bij de jeugdige en ouder(s)/opvoeder(s) in zowel de thuissituatie, op school als ook in de vrije tijd. Ouder(s)/opvoeder(s) zijn weer in staat om de opvoeding en ontwikkeling van het kind te waarborgen. Er wordt gekozen voor begeleiding individueel als de verwachting is dat de gestelde doelen het beste behaald kunnen worden door de inzet van individuele (systeemgerichte) begeleidingsmethodieken. Daarbij kan de zorgverlener in samenspraak met jeugdige en/of de ouder(s)/verzorger(s) de begeleiding in de thuissituatie aanbieden waarmee een positief effect beoogd wordt op de ontwikkeling van de jeugdige en/of de ouder(s)/verzorger(s), zijn gezin en zijn omgeving. Artikel 7. Aanvullende criteria begeleiding groep ontwikkelingsgericht Binnen de zorgvorm begeleiding groep Jeugd maken we onderscheid tussen begeleiding groep jeugd ontwikkelingsgericht en begeleiding groep jeugd respijtzorg.

Er wordt gekozen voor begeleiding groep jeugd ontwikkelingsgericht als de verwachting is dat in een groep beter de gestelde doelen kan/kunnen worden behaald. De sociale interactie in een groep; leren van elkaar en ook steun ervaren en tips krijgen van lotgenoten wordt in de groepsbegeleiding als instrument gebruikt. Daarnaast wordt er door 51

professionals een specifiek pedagogisch klimaat geboden, dat de ontwikkeling van de jeugdige stimuleert. Dagactiviteiten in groepsverband zijn bedoeld om jeugdigen die niet mee kunnen doen in het reguliere dagelijkse (werk)-/schoolleven, al dan niet met aanpassingen. Begeleiding groep ontwikkelingsgericht biedt activiteiten gericht op het oefenen, structureren en bestendigen van dagelijkse vaardigheden of handelingen en/of het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur. Begeleiding groep biedt ondersteuning vanuit een onderbouwd en systeemgericht hulpverleningsplan. Artikel 8. Aanvullende criteria begeleiding groep respijtzorg Dagactiviteiten (respijtzorg) in groepsverband zijn bedoeld om jeugdigen waarvan de ouder(s)/verzorger(s) ontlast moeten worden, in geval van (dreigende) overbelasting, of om de ouder(s)/verzorger(s) in langdurige zorgsituaties in staat te stellen de zorg vol te houden en (dreigende) overbelasting te voorkomen. Begeleiding groep respijtzorg wordt ingezet indien de ouder(s) of verzorger(s) ontlast moeten worden in de thuissituatie. Het betreft enkel respijtzorg ten aanzien van daginvulling en is zonder verblijf. Artikel 9. Aanvullende criteria basis GGZ De behandeling is gericht op het verminderen of voorkomen van verergering van psychische problemen, waardoor een blijvende verbetering in het (maatschappelijk) functioneren wordt gerealiseerd.

Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs en vrije tijd). De jeugdhulp wordt lokaal geboden en is zoveel als mogelijk lokaal gevestigd, wat betekent binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Hardenberg. Onder basis GGZ wordt verstaan: diagnostiek en behandeling van lichte tot matige, nietcomplexe psychiatrische problemen of stabiele chronische problematiek. De basis GGZ wordt ingezet voor milde of enkelvoudige psychische klachten of psychosomatische klachten. Het betreft doelgerichte, ambulante, kortdurende diagnostiek en behandeltrajecten gerichte psycho-educatie aan ouder(s), school en/of het kind jeugdige zelf. Daarnaast betreft het doorlopende ondersteuning bij chronische psychiatrische stoornissen wanneer de problematiek stabiel is en er geen behandeling (meer) nodig is en/of met een grote kans op herstel. Artikel 10. Aanvullende criteria specialistische GGZ Verwijzing naar de specialistisch GGZ geschiedt als sprake is van een hoog risico en/of hoge complexiteit bij vermoeden van een DSM5-benoemde stoornis. De jeugdige wordt individueel behandeld op grond van een DSM5-benoemde stoornis.

Jeugdhulp door de huisarts of de jeugdconsulent, de lokale toegang en/of behandeling in de Basis Jeugd-GGZ heeft onvoldoende resultaat geboden of zal naar verwachting onvoldoende 52

resultaat bieden, waardoor de inzet van Specialistische Jeugd-GGZ noodzakelijk is. Er is aantoonbaar en onderbouwd sprake van zwaarwegende GGZ problematiek die voorliggend is en eerst behandeld dient te worden voordat eventuele inzet van jeugdhulp mogelijk is. De behandeling is gericht op maatschappelijk herstel en op het verminderen of voorkomen van verergering van problemen, waardoor een blijvende verbetering in het functioneren wordt gerealiseerd. Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs en vrije tijd). De jeugdhulp wordt zo dichtbij mogelijk geboden. Onder specialistische GGZ wordt verstaan: diagnostiek en specialistische behandeling van (zeer) complexe psychiatrische aandoeningen. De hulpverlening wordt ambulant of indien nodig klinisch geleverd, er is altijd sprake van een multidisciplinaire aanpak. De specialistische GGZ betreft hulp aan kinderen, jongeren en gezinnen met meervoudige en/of complexe psychische problematiek. Het gaat om langdurende specialistische hulp, ondersteuning en behandeling van kinderen met ADHD in combinatie met autisme, gedragsproblemen, gezinsproblematiek en/of middelengebruik.

De inzet van specialistische GGZ wordt gezien als één behandeltraject. Het behandeltraject bestaat uit een deel diagnostiek en vervolgens de behandeling. Artikel 11. Aanvullende criteria medicatiecontrole Medicatiecontrole is bedoeld voor jeugdigen die, naast of aansluitend aan, de (psychologische) behandeling ondersteuning nodig hebben bij het instellen en eventueel wijzigen van psychofarmaca. Na het afronden van een behandeling Jeugd GGZ is het soms gewenst dat er een vorm van ondersteuning (nazorg bij het instellen van de medicijnen) beschikbaar blijft met een lage intensiteit. Hiermee wordt voorkomen dat de bereikte resultaten teniet worden gedaan. Het doel van deze nazorg is dat een jeugdige niet terugvalt en dat er indien van toepassing een stabilisatie ontstaat van de behaalde resultaten uit de oorspronkelijke behandeling. Artikel 12. Aanvullende criteria ambulante dagbehandeling Dagbehandeling is verblijf zonder overnachting in een groep. Ambulante dagbehandeling wordt ingezet bij ontwikkelings- en gedragsproblematiek voor jeugdigen en bij jeugdigen die door opgroei- en opvoedingsproblemen dreigen vast te lopen. De jeugdige is door verschillende redenen (tijdelijk) niet in staat om deel te nemen aan het reguliere dagelijkse onderwijs, kinderopvang of peuterspeelzaal.

Dagbehandeling biedt behandeling en begeleiding aan jeugdigen met (complexe) gedragsproblematiek in de leeftijd tot 18 jaar. De jeugdige heeft hulp en ondersteuning nodig bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Dagbehandeling heeft altijd een behandeldoel. Wanneer er geen primair behandeldoel is, valt de ondersteuning onder begeleiding jeugdigen. Behandeling versus begeleiding 53

De gemeente Hardenberg maakt bij de ondersteuning aan jeugdigen een onderscheid tussen behandeling en begeleiding. Behandeling is een doelgerichte beschreven en bewezen aanpak van een probleem gericht op herstel of opheffing van de beperking. Ook kan het doel zijn om een gedragsverandering bij de jeugdige te bewerkstelligen. Behandeling bestrijkt een afgebakende periode. Een probleem wordt aangepakt, indien mogelijk opgeheven of hanteerbaar gemaakt. Het gaat vaak om het aanleren van nieuwe vaardigheden. Het betreft de (medische) aanpak van een (psychische) stoornis en bijbehorende problemen op verschillende levensgebieden. Bij behandeling zijn de doelgroep, de doelen van de behandeling, indicaties en contra-indicaties beschreven. Er wordt methodisch gewerkt met beschreven en erkende en effectieve interventies. Bij begeleiding worden (in behandeling aangeleerde) nieuwe vaardigheden en inzichten verder intensief geoefend en eigen gemaakt. Begeleiding kan een langere periode worden ingezet. Aan een periode van begeleiding kan een behandeling aan vooraf gaan. Het is ook mogelijk om de begeleiding te starten gelijktijdig met de behandeling (zodat begeleiding en behandeling naast elkaar gedurende eenzelfde periode worden ingezet).

Zowel behandeling als begeleiding is zoveel mogelijk gericht op (het herstellen van en) vergroten van de zelfredzaamheid van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Bij deze jeugdigen is in betekenende mate sprake van verpleging, gedragsproblematiek of psychiatrische problematiek. Dagbehandeling wordt ingezet voor het stabiliseren van een gezonde en/of veilige opvoedsituatie, het verbeteren van de opvoedsituatie van een jeugdigen, het geheel of gedeeltelijk herstellen van de schoolgang van een jeugdige, het opheffen of verminderen van probleemgedrag en het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdigen en gezinnen. Ook levert het een bijdrage aan het herstel, genezing, ontwikkeling, stabiliseren en/of hanteerbaar maken van de hulpvraag of de beperking. De inzet van het product dagbehandeling geschied op basis van één of meerdere dagen of dagdelen per week op een dagbehandelingslocatie. Artikel 13. Aanvullende criteria ambulante jeugd- en opvoedhulp basis Onder jeugd- en opvoedhulp basis wordt verstaan: diagnostiek, behandeling en begeleiding van lichte tot milde ontwikkelings- en gedragsproblematiek in interactie met één of meerdere van de drie milieus (school, thuis, vrije tijd).

Het betreft begeleiding en/of behandeling bij het verbeteren van het psychosociaal functioneren van de jeugdige, het geven van een adequaat antwoord op de ontwikkelingsvragen van de jeugdige en het opheffen of verminderen van probleemgedrag en het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdigen en gezinnen. Het betreft doelgerichte, ambulante, kortdurende diagnostiek en behandeltrajecten gerichte op het stabiliseren dan wel stimuleren van een normale, gezonde en veilige ontwikkeling van jeugdigen.

Artikel 14. Aanvullende criteria ambulante jeugd- en opvoedhulp specialistisch Onder jeugd- en opvoedhulp specialistisch wordt verstaan: diagnostiek, behandeling en begeleiding van ernstige ontwikkelings- en gedragsproblematiek in interactie met één of meerdere van de drie milieus (school, thuis, vrije tijd). Het betreft begeleiding en/of behandeling bij het verbeteren van het psychosociaal functioneren van de jeugdige, het 54

geven van een adequaat antwoord op de ontwikkelingsvragen van de jeugdige en het opheffen of verminderen van ernstig probleemgedrag en het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdigen en gezinnen. Het gaat om langdurende specialistische hulp, ondersteuning en behandeling van jeugdigen met gedragsproblemen, gezinsproblematiek en/of middelengebruik gericht op het stabiliseren dan wel stimuleren van een normale, gezonde en veilige ontwikkeling van jeugdigen. Artikel 15 Aanvullende criteria scheidingshulpverlening Onder de ambulante jeugd- en opvoedhulp valt ook de specialistische scheidingshulpverlening. Hierbij gaat het om begeleiding bij het vormgeven van het ouder(s)chap tijdens en na een (complexe) echtscheiding. De doelstelling van deze vorm van scheidingshulpverlening is om (blijvende) schade bij minderjarige jeugdigen te voorkomen wanneer zij betrokken zijn bij een complexe echtscheidingssituatie. In deze situaties gaat het altijd om ouder(s) die spanning en conflict ervaren in het echtscheidingsproces. In 2021 is de gemeente Hardenberg een traject rondom ‘verantwoord ouder(s)chap in complexe echtscheidingssituaties’ gestart waaruit drie projecten zijn voortgekomen: Project I – informatieknooppunt relaties en scheiden Project II – ontwikkeling van een woonoplossing voor ouder(s) tijdens een echtscheiding Project III – leernetwerk echtscheidingen Artikel 16.

Criteria Dyslexiezorg Dyslexiezorg voor jeugdigen met ernstige dyslexie viel tot 1 januari 2015 onder de Zorgverzekeringswet en het regiem van de geestelijke gezondheidszorg. Met inwerkingtreding van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk geworden voor deze zorg en valt zij onder de noemer ‘jeugdhulp’. In de Jeugdwet (of het Besluit of Regeling Jeugdwet) is deze vorm van jeugdhulp niet nader afgebakend. Uit jurisprudentie blijkt dat jeugdige tussen 7 en 12 jaar met Ernstige Dyslexie op grond van de Jeugdwet in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor dyslexiebehandeling (Rb Zeeland-West Brabant, 14-12-2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8065). In dit artikel staan de criteria die gelden voor de voorziening van Dyslexiezorg. Ernstige Dyslexiezorg Wanneer de klachten bij kinderen zo ernstig en hardnekkig zijn dat er gespecialiseerde ondersteuning en behandeling nodig is, is er sprake van ernstige dyslexie. Met een ernstig probleem wordt bedoeld dat het woordniveau van het lezen en/of spellen lager is dan wat op grond van de ontwikkelingsleeftijd verwacht mag worden van het kind. Er moet sprake zijn van een significante achterstand met leeftijdsgenoten. De achterstand in lezen of spellen moet minimaal 6 maanden aanwezig zijn ondanks al extra geboden ondersteuning op lezen en spellen.

Richtlijn is dat in de diagnosefase, door de gedragswetenschapper, wordt onderzocht wat de uitvoerbaarheid is van behandeling bij comorbiditeit. Mocht de problematiek te complex zijn, dan volgt er (nog) geen indicatie voor gespecialiseerde dyslexiebehandeling vanuit de dyslexiezorg krachtens de Jeugdwet. Dit neemt niet weg dat ED in sommige gevallen gecombineerd ingezet kan worden met overige jeugdhulp. 55

Doelgroep Ernstige Dyslexie Onder de doelgroep verstaan we de kinderen van zeven (7) tot en met twaalf (12) jaar uit de gemeente Hardenberg, waarbij het lezen, spellen en/of zelf schrijven, gezien de leeftijd en het onderwijsniveau, moeizaam gaat terwijl het kind wel een gemiddelde intelligentie heeft. Er is alleen sprake van ED als er volgens het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (NKD) gehanteerde protocol (Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 3.0) een diagnose is gesteld en er geen andere oorzaken zijn gevonden die de lees-, spel- en/of schrijfproblemen kunnen verklaren. Artikel 17. Criteria vervoersvoorziening/vergoeding en artikel 18. passende vervoersvoorziening In deze artikelen is omschreven wanneer iemand in aanmerking komt voor vervoer van en naar een (individuele) voorzieningen. Een besluit omtrent het vervoer van en naar een jeugdhulpaanbieder moet worden genomen door het college (Rb Noord-Nederland, 8-82019, ECLI:NL:RBNNE:2019:3466). Voordat het vervoer ingezet wordt vanuit een individuele voorziening, wordt eerst gekeken wat de jeugdige zelf en/of zijn ouder(s) of netwerk kan. Op het moment dat er echt geen andere mogelijkheid bestaat dan openbaar vervoer, zelfstandig met de fiets of dat ouder(s) de jeugdige brengen naar de locatie, kan taxivervoer worden ingezet. Artikel 21.

Aanvraag Lid 1 Een jeugdige of ouder(s) kunnen een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat - op grond van artikel 4:1 van de Awb - een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college. Het college kan op grond van lid 5 nadere regels en beleidsregels vaststellen over de procedure voor de aanvraag. Lid 2 Als de jeugdige of zijn ouder(s) een pgb willen voor de individuele voorziening die nodig is, moeten ze daarvoor een budgetplan opstellen. Dat is geregeld in artikel 26 van deze verordening. Een goedgekeurd budgetplan is nodig om een individuele voorziening toe te kennen. Lid 4 Het familiegroepsplan (hier genoemd het persoonlijk plan) is erop gericht om ouder(s) en hun netwerk( met eventuele ondersteuning) in eigen kring de problemen op te kunnen laten lossen, in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd ( Rb Noord-Holland 8-2-2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:988). Lid 5 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen met betrekking tot de aanvraagprocedure.

56

Artikel 22. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of zijn ouder(s) plaatsvindt. Lid 1 De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen die in ieder geval aan de orde komen in het onderzoek. Indien de jeugdige of zijn ouder(s) al bij de gemeente bekend zijn, zullen een aantal zaken niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouder(s) voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige of zijn ouder(s) en hun situatie te krijgen. Het college zal in elke individuele situatie moeten beoordelen of jeugdhulp nodig is. Het is onvoldoende als het college alleen beoordeeld of hetgeen gevraagd wordt kan worden toegewezen (rb Oost-Brabant 9-2-2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:469).

Daarbij is het aan het college en niet aan de jeugdige of zijn ouder(s) om te beoordelen welke voorziening het meest passend is (rb Gelderland, 11-10-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5286). Het college moet bij het vaststellen van de behoefte aan jeugdhulp concreet nagaan wat de zorg dagelijks omvat (aard, frequentie, intensiteit, en tijdsduur van zorghandelingen) en of met al deze zorg ook het beoogde resultaat wordt bereikt (Rb Noord-Holland, 13-04-2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:2916). Lid 4 Van jeugdigen en/of ouder(s) mag verwacht worden dat zij na het aanvragen van jeugdhulp het college voorziet van de gegevens die nodig zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag en zo goed mogelijk meewerken aan het onderzoek (rb Noord-Holland, 13-62018,ECLI:NL:2018:4856). Om onderzoek te doen naar de noodzakelijk jeugdhulp op een adequate wijze te verrichten is medewerking van de aanvrager noodzakelijk, welke een inbreuk kan leveren op zijn gezinsleven. Van de aanvrager mag verwacht worden dat hij toestemming geeft tot deze inbreuk op zijn gezinsleven (Rb Overijssel, 27-9-2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:5286). Verder zal mee gewerkt moeten worden, als het nodig is voor het onderzoek.

Dat is bijvoorbeeld als het college het noodzakelijk acht om de jeugdige bij een zorgboerderij te obersveren om objectief vast te stellen of er jeugdhulp ingezet dient te worden (rb Overijssel 25-5-2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:1812). Lid 5 Uit het gesprek tussen de jeugdige en zijn ouder(s) en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het 57

gesprek aangegaan wordt met deze andere professionals of kan de jeugdige of ouder(s) zelf voor de nodige informatie uit deze domeinen zorgen. Lid 6 De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht wordt. De in lid 1 van deze bepaling genoemde onderzoeksvragen moeten ook terugkomen in het ondersteuningsplan. Lid 9 Ook de jeugdige en/ of zijn ouder(s) moet meewerken aan het onderzoek. Als de jeugdige, zijn ouder(s) of zijn huisgenoten niet willen meewerken aan het onderzoek, mag het college de aanvraag afwijzen (CRVB 16-1-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:224). Om dit op voorhand te voorkomen, is dit lid opgenomen. Wel moet het college zelf zo goed mogelijk onderzoek doen naar de feiten en omstandigheden, mocht een huisgenoot niet willen meewerken. Pas als dit onderzoek onvoldoende informatie oplevert, mag de aanvraag worden afgewezen (CRVB 17-10-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3102). Mocht de jeugdige en/ of zijn ouder(s) niet mee werken aan een medisch advies, dan kan de aanvraag worden afgewezen. Een buitenbehandelingstelling is niet mogelijk (CRVB 05-062013, ECLI:NL:CRVB:2012:CA2951).

Lid 11 Deze bepaling geeft het college de ruimte nadere regels vast te stellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze. Artikel 23. Toegang en besluit Lid 1 en 2 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verleningsbeschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouder(s) en de ingediende aanvraag. Lid 3 Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Lid 4 In artikel 2.6 lid 1 onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene 58

(vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouder(s). Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouder(s) de benodigde rechtsbescherming geboden. Lid 7 Deze bepaling regelt dat van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen 3 maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen 3 maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp.

Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen jeugdigen of ouder(s) niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening. Artikel 24. Toegang dyslexiezorg Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening voor dyslexiezorg geeft recht op diagnostisch onderzoek door een erkende dyslexiebehandelaar. Wanneer op basis van het onderzoek vastgesteld wordt dat het inderdaad om ernstige dyslexie gaat, kan de dyslexiebehandelaar ook gelijk verder met de behandeling. Bij ernstige dyslexiezorg gaat het om hardnekkige problemen bij het leren lezen, die ook met extra ondersteuning in de klas niet verholpen kunnen worden. Het onderzoek en de behandeling dient plaats te vinden conform de professionele (landelijk) standaard voor dyslexiezorg. Artikel 25. Inhoud en geldigheidsduur beschikking Bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, zal het college een schriftelijke beschikking afgeven. Hiertegen kan de jeugdige of zijn ouder(s) bezwaar en beroep indienen.

De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer beschikkingen die inhouden dat gesloten jeugdhulp nodig is of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet (zie artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb). De jeugdige of zijn ouder(s) moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de

59

jeugdige of zijn ouder(s) goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Hoofdstuk 3: De voorwaarden voor een persoonsgebonden budget Artikel 26. Voorwaarden pgb Als een jeugdige of ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een Pgb, bespreekt het college in ieder geval de punten die in dit artikel zijn benoemd met de jeugdige en/of zijn of haar ouder(s). Eerst zal onderzocht worden of zorg in natura passend is. Lid 1 Een voorwaarde voor toekenning van een pgb is dat de jeugdige of zijn ouder(s) zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de beschikbare zorg in natura niet passend achten. Dat met een pgb kan worden geschoven tussen verschillende zorgverleners en dat eiser met een pgb zelf de keuze kan maken kan worden geschoven tussen verschillende zorgverleners en dat jeugdige met een pgb zelf de keuze kan maken bij wie hij de zorg wil inkopen, leidt niet tot de conclusie dat de zorg in natura niet passend is (Rb NoordNederland 28-3-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092). Wordt de zorg niet passend geacht, dan wordt er nader onderzoek of aan de pgb verbonden voorwaarden kan worden voldaan.

Het college beoordeelt of de jeugdige en/of zijn ouder(s) of de pgb-beheerder in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Het college beoordeelt ook of de jeugdige en/of zijn ouder(s), vertegenwoordiger of zijn pgb beheerder de aan een pgb verbonden taken kan uitvoeren. Tevens wordt in dit artikel ingegaan op de inhoud van het budgetplan. Lid 1 t/m 5 Als een jeugdige/ouder(s) in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij een budgetplan opstellen en krijgt hij een bewuste keuzegesprek. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Artikel 8.1.1. lid 2 van de wet: Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: a. de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b.

de jeugdige of zijn ouder(s) zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en

60

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is. Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet. Hetgeen onder a,b en c is opgenomen in lid 1 t/m 4 van dit artikel. Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Een pgb kan ingezet worden voor hulp die verleend wordt door iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdige. Allereerst geldt dan dat voldaan moet zijn aan de wettelijke voorwaarden. Het college kan slechts een pgb verlenen als (artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet): gemotiveerd wordt dat het natura-aanbod niet passend is; verder moet worden aangetoond dat de hulp die wordt ingekocht van goede kwaliteit is.

Vooral de beoordeling van het laatste punt, de kwaliteit van de ingekochte hulp, kan bij de inzet van het sociaal netwerk soms reden zijn het pgb te weigeren. Het college moet dus altijd onderzoeken welke hulp de jeugdige nodig heeft. Het gaat dan niet alleen om de vorm, frequentie en duur. Ook moet beoordeeld worden of de situatie van de jeugdige professionele hulp noodzakelijk maakt, of dat de jeugdige de doelen ook kan bereiken als er hulp wordt geboden door iemand uit het sociaal netwerk. Als de beoordeling van de situatie van de jeugdige tot de conclusie leidt dat – gelet op zijn specifieke problematiek – alleen professionele hulp een doeltreffende oplossing voor de hulpvraag biedt, dan kan deze hulp niet door iemand uit het sociaal netwerk worden geboden. Professionele hulp (gecontracteerde of pgb-aanbieder) betekent immers niet alleen dat er aan de hand van bepaalde methoden wordt gewerkt en de betreffende professional de noodzakelijke diploma’s heeft, maar ook dat de professional objectief en onafhankelijk kan handelen. Een ouder(s) (of andere persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige) kan door zijn persoonlijke relatie met de jeugdige (meestal) niet volledig objectief en onafhankelijk handelen. De kwaliteit van de hulp die hij/zij de jeugdige kan bieden is in dat geval onvoldoende.

Lid 9 Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van GGZ-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. Lid 10 61

Uit jurisprudentie blijkt dat een pgb vanuit de Jeugdwet niet bedoeld is om gederfde inkomsten van de ouder(s) te vergoeden( Rb Zeeland-West Brabant, 13-8-2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:4956). Artikel 27. Aanvullende criteria pgb kwaliteitseisen informele hulp In artikel 8.1.1.1 lid 3. van de wet staat: Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp toe te kennen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn (artikel 2.3 Jeugdwet). Om die reden wordt onderscheid gemaakt tussen hulp die als gebruikelijk kan worden aangemerkt en bovengebruikelijke hulp. Bij gebruikelijke hulp gaat het om hulp waarbij het naar algemeen aanvaardbare maatstaven gangbaar wordt geacht dat ouder(s) en familieleden die aan de jeugdige bieden. Alleen bij bovengebruikelijke hulp kan aanspraak bestaan op een jeugdhulp-voorziening. Het gaat dan om hulp en zorg die substantieel intensiever is dan wat gemiddeld gebruikelijk is bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Artikel 28. Voorwaarden pgb-beheerder In dit artikel worden de voorwaarden beschreven waaronder een pgb-beheerder kan worden aangesteld.

Niet alle cliënten zijn in staat om zelf het persoonsgebonden budget te beheren. Een pgb-beheerder kan dan uitkomst bieden. Aan een pgb-beheerder dienen echter wel eisen te worden gesteld om te voorkomen dat de jeugdige of zijn ouder(s) de dupe wordt van verkeerd handelen van zijn of haar Pgb-beheerder. Artikel 30. Besteding pgb In dit artikel zijn een aantal kostenposten genoemd die wel en die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp. Lid 7 Uit jurisprudentie blijkt dat een pgb vanuit de Jeugdwet niet bedoeld is om gederfde inkomsten van de ouder(s) te vergoeden( Rb Zeeland-West Brabant, 13-8-2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:4956).

Lid 9 Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van GGZ-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. 62

Lid 13 Op grond van artikel 2.9 sub d van de Jeugdwet wordt in de verordening regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Een van deze regels is dat gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomsten niet worden geaccepteerd. De gemeente of de jeugdige moeten de aanbieder of de derde kunnen aanspreken op de geleverde ondersteuning, zonder te moeten vrezen voor verlies van de huisvesting van de jeugdige. Ook moet het de jeugdige vrij blijven staan te wisselen van aanbieder dan wel derde aan wie hij zijn pgb wenst te besteden. Dit ook gelet op mogelijke wijziging van de indicatie bij een verlengingsverzoek of heroverweging. Het contractueel samenbrengen van ondersteuning en huisvesting vertroebelt het toezicht op kwaliteit van ondersteuning en bemoeilijkt adequate handhaving. De aanbieder dan wel derde aan wie het pgb zal worden besteed, hebben dubbele financiële belangen die als oneigenlijk gebruik van de wet moeten worden aangemerkt. Het belang van de jeugdige dient altijd voorop te staan, ongeacht de leveringsvorm van de ondersteuning. Artikel 31. Hoogte pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet).

Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociaal netwerk. In deze verordening wordt het pgb-tarief voor informele hulp daarom vastgesteld op het wettelijk minimumloon (zie de toelichting bij lid 3). Lid 1 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor pgb-aanbieders die formele jeugdhulp bieden, die dus voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Moet de hoogte van het pgb zodanig hoog zijn dat het de keuze uit de meerdere aanbieders of leveranciers mogelijk maakt? Het antwoord van de Centrale Raad is nee. Daarbij overwegen zij dat de hoogte van het pgb niet toereikend hoeft te zijn om de geïndiceerde voorziening te kunnen aanschaffen bij iedere door de ontvanger van het pgb gewenste aanbieder of leverancier, ongeacht de prijs die de betreffende aanbieder voor die voorziening rekent (CRVB 19-09-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8897). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.

39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. De hantering van een pgb tarief dat 20 procent lager is dan het vergelijkbare zorg in natura, is in beginsel redelijk. Wel moet vaststaan dat met het verstrekte pgb-budget in dit specifieke geval de benodigde zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht, wil er sprake zijn van een zinvol alternatief voor zorg in natura (Rb Overijssel 0804-2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1194). 63

Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Voor het pgb tarief geldt net als voor de ZIN-tarief, dat het een reëel tarief moet zijn. Dit betekent dat onderbouwd moet kunnen worden dat het tarief dekkend is voor alle kosten die de pgbaanbieder redelijkerwijs moet maken om de zorg, volgens de door de gemeente gestelde condities, uit te voeren. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen professionele pgbaanbieders en informele ondersteuners (sociaal netwerk). Het ZIN-tarief is opgebouwd uit de volgende kostencomponenten: huisvesting, risico-opslag, overhead, werkgeverslast, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, onregelmatigheidstoeslag en loon. Een pgb-aanbieder, waaronder de ZZP’er, heeft minder kosten dan een ZIN-aanbieder. De overheadkosten zijn daarom van het ZIN-tarief afgetrokken. Om die reden wordt het pgb tarief voor een professionele aanbieder gesteld op 82%. Lid 2 In deze bepaling is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele gevallen. Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht.

Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, zal nagenoeg altijd aan deze voorwaarde zijn voldaan. Desalniettemin moet het college in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde hulp kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Lid 3 Bij het inzetten van een pgb binnen het sociale netwerk, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor de informele hulp wordt het tarief vastgesteld op het wettelijk minimumloon (Er is verwezen naar artikel uit de Regeling Langdurige Zorg, waar dit bedrag wordt genoemd). Hiermee is vast komen te staan dat de vergoeding voldoende toereikend is. De jeugdige of ouder(s) kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociaal netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend. Lid 4 De minister van VWS is van mening dat zorg en ondersteuning die vanuit sociale en morele overwegingen wordt verricht en vanuit een maatwerkvoorziening betaald wordt via een pgb, niet aangemerkt zou moeten worden als een arbeidsrelatie waarop de Wml van toepassing is.

Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk bestaat per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele hulp uit een pgb, zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen budgethouder(s) aan hun informele hulpverlener, vanuit het pgb een tegemoetkoming of vergoeding voor gemaakte kosten geven. Deze

64

tegemoetkoming/onkostenvergoeding valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht. De gemeente heeft ervoor gekozen om deze regeling toe te passen door aan budgethouder(s) die geen arbeidsrelatie met hun informele hulpverlener wensen, per kalendermaand een vaste tegemoetkoming en/of tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten te verstrekken. Deze tegemoetkoming valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht. De budgethouder(s) moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een budgethouder(s) mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De budgethouder(s) moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn informele hulpverlener, of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is. Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 32. Herziening, intrekking en terugvordering Lid 1 Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouder(s) het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb.

In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouder(s) met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. Lid 2 Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling. Verder breidt de verordeningsbepaling de herzienings/intrekkings-bevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.

Lid 3 65

In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder(s) (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.

Artikel 33. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Lid 1 Het is van belang dat jeugdigen en ouder(s) zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 13 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouder(s) hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen. Lid 2 In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder(s) aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder(s) moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder(s) aan te wijzen.

Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder(s) benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder(s) ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder(s) Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders. Het college stelt nadere regels vast over de taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder(s). De toezichthouder(s) is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.

66

Lid 3 In deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder(s) Jeugd (zie bijvoorbeeld artikel 5:14 Awb). Artikel 34.Toezichthouders In het eerste lid van dit artikel wordt voor het college de mogelijkheid geopend om toezichthoudende ambtenaren aan te wijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet 2015. In het tweede lid worden de bevoegdheden van de toezichthouders omschreven. Deze bevoegdheden zijn reeds in de Algemene wet bestuursrecht bepaald maar zijn hier voor de duidelijkheid opgenomen. Artikel 35. Afstemming met gezondheidszorg Lid 1 De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente – namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, en (licht)verstandelijk gehandicaptenzorg. De gemeente is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medisch specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet. Landurige (24-uurs) zorg vanwege (voornamelijk) verstandelijke en/of lichamelijke handicap, valt evenmin onder de verantwoordelijkheid van de gemeente.

De aanspraak op deze zorg is geregeld in de Wet langdurige Zorg (Wlz) en, voor zover het vooral somatische problematiek van minderjarigen betreft, in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Gelet op deze afbakening, is het van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (zie artikel 2.7 lid 5 Jeugdwet). Dit artikel beschrijft een aantal onderdelen waarop afspraken nodig zijn, namelijk op het gebied van de doorverwijzing naar (algemene en individuele) jeugdhulpvoorzieningen en op welke wijze een doorverwijzing uiteindelijk wordt vastgelegd in een schriftelijke beschikking voor de jeugdige en/of zijn ouder(s). Lid 2 Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert veelal het wettelijk kader van waaruit zorg geleverd wordt. GGZ-zorg bijvoorbeeld komt na het 18e jaar voor rekening van de Zvw. Om zoveel mogelijk continuïteit van zorg te kunnen bieden, maakt het college afspraken met de zorgverzekeraars en het CIZ (uitvoerder van de Wlz). Lid 3 Uit de Jeugdwet volgt dat het college een voorziening op grond van de Jeugdwet mag weigeren als er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een Wlzindicatie zou kunnen krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit (artikel 1.2 lid 1 sub c Jeugdwet).

In deze bepaling is geregeld dat indien dergelijke ‘gegronde redenen’ bestaan, het college in ieder geval zorgdraagt voor ondersteuning van het gezin in het aanvraagproces bij het CIZ. Pas als jeugdigen/ouder(s) weigeren hieraan medewerking te verlenen, kan het college de inzet van jeugdhulp

67

weigeren. Mits het college kan onderbouwen dat inderdaad aanspraak op Wlz-zorg zal bestaan en altijd het belang van het kind in het oog houdend. Artikel 36. Afstemming met gecertificeerde instellingen De gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. Dit artikel benoemt een aantal concrete onderwerpen waarover afspraken moeten worden gemaakt. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. De Jeugdwet stelt zo'n samenwerkingsprotocol ook verplicht (zie artikel 3.5 lid 3 Jeugdwet). Artikel 37. Afstemming met het justitiedomein In de strafrechtelijke beslissing– in het kader van een taakstraf of (gedragsbeïnvloedende) maatregel – kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. In de regel zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen zal de gecertificeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering hiervan. Gaat het om taakstraffen, dan is dat de RvdK.

Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts, of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings‐ en trainingsprogramma in het nazorgtraject. De gemeente is betrokken in het trajectberaad. Het is van belang dat de gemeente afspraken maakt met deze instanties, zeker ook als het gaat om de afhandeling van de proces‐verbalen van leerplicht. Deze afspraken zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK. Tevens worden afspraken hierover vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. Artikel 38. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht Veel kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf, waar ook voorschoolse educatie wordt geboden. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorziening en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de algemene (en individuele) voorzieningen op grond van deze verordening afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen. De Jeugdwet draagt de gemeente ook op te overleggen met het onderwijs bij het treffen van een individuele voorziening (zie artikel 2.7 Jeugdwet).

Elke school heeft daarom een contactpersoon bij het gemeentelijke jeugdteam, zodat waar nodig makkelijk en snel afstemming gezocht kan worden. Bij schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten zal hierbij tevens de leerplichtambtenaar worden betrokken (lid 2). Uiteraard worden de jeugdige/ouder(s) betrokken bij dit overleg en de gemaakte afspraken worden vastgelegd in het individuele ondersteuningsplan van de jeugdige (lid 3). Artikel 39. Afstemming met Veilig Thuis Veilig Thuis (het advies‐ en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling) is beschikbaar voor advies en consult voor professionals. Hoogwaardige specialistische kennis 68

is nodig bij bijvoorbeeld complexe situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling, eergerelateerd geweld, seksueel misbruik, achterlating of huwelijksdwang. Veilig Thuis kan passende hulp inschakelen. In het kader hiervan zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen. Artikel 40. Afstemming met Wmo‐voorzieningen Bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, vallen na het 18e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo. De gemeente is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig, minimaal een half jaar tevoren, bekeken wordt wat er gaat veranderen na het 18e jaar. Zodat de continuïteit van zorg geborgd is. Sommige ouder(s) van jeugdigen zullen ook te maken hebben met Wmo-ondersteuning (omdat zij minder valide en zelfredzaam zijn). Ook in die gevallen is een goede afstemming tussen voorzieningen voor de jeugdige en voor de ouder(s) gewenst. Artikel 41. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben, ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulpverlening kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang dit soort problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar de juiste hulp en armoedevoorzieningen te leiden.

Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht. Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 42. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen Het college kan de uitvoering van de wet door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11 lid 1 van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering, worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12014860/3