CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels, toelichting en bijlagen bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Vliermansweg 2-4 Ane'

gemeenteraad 12 maart 2024, gemeente HardenbergBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Vliermansweg 2-4 Ane'28.335 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Zo zijn de grootschalige, open heide- en veenontginningslandschappen aangewezen als agrarische ontwikkelingsgebieden, omdat landbouw de functie is die het best bij de gebiedskenmerken past. In de kleinschaliger gebieden wordt daarnaast ook veel ruimte geboden voor andere functies, zoals wonen, natuur en recreatie. Het beleid kent een functionele gebiedsgerichte benadering. Dat wil zeggen dat in de gebieden die primair zijn aangewezen voor de landbouw zeer terughoudend wordt omgegaan met de toepassing van rood voor rood. Daar wordt de “nee, tenzij” benadering toegepast. Het gaat dan om de gebieden die in de visienota Buitengebied zijn aangewezen als agrarisch ontwikkelingsgebied, te weten: Bergentheim-Zuid, Dedemsvaart-Zuid, Slagharen-De Krim en Westerhuizingerveld. In de overige gebieden wordt de “ja, mits” benadering toegepast. Deze benadering houdt in dat in agrarische ontwikkelingsgebieden wel schuren als landschapsontsierend kunnen worden aangemerkt maar dat in deze gebieden geen nieuwe woningen worden toegestaan, vanwege de mogelijke belemmering voor de landbouwontwikkeling.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 28

3.3.2.3 Landschapsontsierend Het belangrijkste uitgangspunt voor het bepalen van de landschapsontsierendheid van een gebouw is dat een erf niet op zichzelf staat, maar een eenheid vormt met het landschap. De eenheid tussen het erf en zijn omgeving komt tot uiting in stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur van het gebied (hoe gaat het erf op in zijn omgeving). Per landschapstype verschilt de stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur. Of een gebouw landschapsontsierend is, moet worden bezien in relatie tot de gebiedskenmerken (uit de LIK en de welstandsnota) en wordt bepaald door een aantal kenmerken, te weten: het volume; de vorm van het gebouw; het materiaalgebruik; het kleurgebruik; de uitstraling; de situering op het erf; de passendheid bij de overige bebouwing op het erf. Daarnaast kan een gebouw ook als landschapsontsierend worden aangemerkt als het geen (potentiële) gebruikswaarde meer heeft. Een gebouw waarvan aannemelijk is gemaakt dat het niet voor andere (economische) doeleinden geschikt is heeft namelijk geen gebruikswaarde, komt leeg te staan, verloedert en wordt daarmee vanzelf landschapsontsierend.

3.3.2.4 Sloop en aantal woningen Voor de toepassing van het beleid Erven met kwaliteit geldt het uitgangspunt dat per locatie alle landschapsontsierende gebouwen worden gesloopt en alle bijbehorende erfverhardingen, mestplaten, kuilvoersilo’s e.d. worden opgeruimd. Bij de berekening van de (minimaal) te slopen oppervlakte blijft per bestaande woning 150 m2 aan gebouwen en overkappingen buiten beschouwing, omdat deze oppervlakte als bij de woning behorend bouwwerk mag blijven staan of worden teruggebouwd en daarom niet blijvend wordt gesaneerd. Bebouwing waarop deze regeling van toepassing is, moet blijvend worden gesloopt. Dat houdt in dat de mogelijkheid tot herbouw wordt wegbestemd. Dat kan bijvoorbeeld door de agrarische bestemming, met bijbehorend bouwvlak om te zetten in een woonbestemming. Voor de inrichting van het erf moet een ruimtelijk kwaliteitsplan worden gemaakt. Het aantal woningen dat mag worden gebouwd is afhankelijk van de te slopen oppervlakte aan landschapsontsierende bebouwing. Hierbij gelden de volgende maatvoeringen.

3.3.2.5 Locatie nieuwbouw Deze regeling gaat in de eerste plaats uit van de bouw van de nieuwe woning(en) op het eigen erf, dat wil zeggen op het erf van de slooplocatie. Dit uitgangspunt komt voort uit de gebiedsgerichte benadering: de slooplocatie en de ontwikkellocatie moeten zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. De bouw van de compensatiewoning moet daarom bij voorkeur op het bestaande erf plaatsvinden en als dat niet lukt in hetzelfde gebied. Deze benadering is ook opgenomen in de structuurvisie Kwaliteitsimpuls landschap. Er zijn echter slooplocaties waar de inpassing van een nieuwe woningbouwkavel ter plekke niet mogelijk of gewenst is. Bijvoorbeeld door de ligging in een agrarisch ontwikkelingsgebied, de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf in de directe omgeving of omdat het erf er zich, door zijn opbouw, niet voor leent. Daarnaast kan de eigenaar er zelf voor kiezen om af te zien van herbouw op de eigen locatie. In die gevallen kan elders in de gemeente een bouwlocatie worden toegekend, al dan niet via de uitgifte van een

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 29

sloopbewijs. De gemeente wil voorkomen dat het buitengebied “dichtslibt” met woningen. Dat zou ten koste gaan van het groene karakter van het buitengebied. Daarom wordt het uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe bouwkavels moeten aansluiten op bestaande bebouwing. Daarmee wordt bedoeld: een locatie op een bestaand erf in het buitengebied, in lintbebouwing of in, danwel direct aan, een dorp of buurtschap. Om landschappelijke redenen zijn echter geen nieuwe erven gewenst in het beekdallandschap en het essen- en hoevenlandschap, daar kan dus alleen op bestaande erven worden gebouwd. De begrenzing van een bestaand erf wordt bepaald door de feitelijke situatie en niet door de juridische begrenzing van de (woon)bestemming. 3.3.2.6 Eén erf-gedachte Bij de erfinrichting hanteert de gemeente de één erf-gedachte. De één erf-gedachte houdt in dat zowel de nieuwe inrichting van het erf als de nieuwe bebouwing op het erf bijdragen aan het behoud en zo mogelijk het versterken van de oude erfstructuur. Het karakter van het agrarische erf moet ook na functieverandering nog beleefbaar zijn. Vaak leidt de één erf-gedachte er toe dat er sprake is van één gezamenlijke inrit en van een centraal erf, van waaruit de verschillende woningen en bijgebouwen bereikbaar zijn, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn.

Vanuit de één erf-gedachte moet in elk geval worden voorkomen dat er tussen de woningen schuttingen of gesloten hagen worden aangebracht, waardoor er visueel gescheiden erven ontstaan. 3.3.2.7 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' Wat betreft het perceel aan de Vliermansweg 2, ligt het plangebied in een gebied waar compensatiewoningen passend zijn (het essen- en hoevenlandschap). De woningen worden gebouwd op de slooplocatie binnen het bestaande erf. Zoals al aangegeven worden in de gewenste situatie twee compensatiewoningen gerealiseerd, waarvan één twee-onder-een-kapwoning en één vrijstaande woning. Deze bestaan uit een vrijstaande woning en een schuurwoning met daarin twee wooneenheden. De compensatiewoningen dienen ingepast te worden. Samen met de bestaande woning moet het een passende eenheid vormen. De woningen zijn compact gesitueerd rond een centraal erf. Hiermee is sprake van een onregelmatige erfopbouw met losse strooiing van de gebouwen op het erf, zoals passend is binnen het essen- en hoevenlandschap. Ook is hiermee sprake van de één-erfgedachte. De te slopen schuren hebben geen gebruikswaarde en zijn voorzien van asbest. Door het ontbreken van de gebruikswaarde beginnen de gebouwen te vervallen.

Er is hiermee sprake van landschapsontsierende bebouwing, de bedrijfsgebouwen passen qua volume, uitstraling en situering op het erf niet in het essen- en hoevenlandschap. De totale oppervlakte van de te slopen schuren bedraagt 2.802 m2 (netto 2.652 m2). Midden op het erf staat nog de oorspronkelijke boerderij. Deze woning is niet als landschapsontsierend aan te merken en blijft dus behouden. De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' aangegeven open te staan voor andere woonvormen dan vrijstaande compensatiewoningen. De bouw van een twee-onder-één-kapwoning is mogelijk in combinatie met een gereduceerde sloopopgave. Als voorwaarde voor de extra wooneenheid moet er dan wel meer gesloopt worden. In samenspraak met de gemeente is afgestemd dat in dit geval met de extra sloop van 425 m2 asbesthoudende landschapsontsierende bebouwing de ontwikkeling in balans is, dit is 50% van de normale sloopopgave van 850 m2. Opgeteld bij de minimale sloopnorm van 850 m2 voor beide compensatiewoningen, dient er in dit geval dus in totaal 425 m2 aan extra landschapsontsierende bebouwing te worden gesloopt voor de tweekapper. Totaal maakt dit 850 + 850 + 425 = een sloopnorm van 2.125 m2. De rest gaat in een voucher. Wat betreft het perceel aan de Vliermansweg 4 is enkel sprake van de functiewijziging van 'agrarisch' naar 'wonen'.

Deze functiewijziging gaat gepaard met een goede landschappelijke inpassing. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit'.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 30

3.3.3

Visienota Buitengebied Hardenberg

3.3.3.1 Algemeen De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het nieuwe ruimtelijke beleid voor het totale buitengebied van de gemeente Hardenberg geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied. De ruimtelijke visie zoals vastgelegd in de visienota heeft de basis gevormd voor de bestemmingsplannen “Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid” en “Buitengebied Hardenberg”. De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zoals verwoord in de 'Visienota Buitengebied' zijn: Op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies; Het vergroten van de leefbaarheid van het platteland; Het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Deze hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald: 1. een thematische benadering van het buitengebied (8 thema's); 2. een gebiedsgerichte benadering van het buitengebied; 3. uitgangspunt hierbij: de landschapstypen en de visuele landschapskenmerken; 4. een ontwikkelingsgerichte wijze van bestemmen. 3.3.3.2 Thematische benadering - visie voor wonen De visie voor de 8 thema's wordt hierna weergegeven, in dit geval is voor het thema 'wonen' van belang.

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van het thema 'wonen' is gericht op: Behoud van een gevarieerd woningaanbod in het buitengebied, zowel qua inhoud van de woningen als qua verschijningsvorm; De afstemming van de maximale inhoudsmaat van woningen in het buitengebied op de gebiedskenmerken; Het bieden van ruime mogelijkheden voor inwoning; Het bieden van de mogelijkheid om aan vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen een woonfunctie toe te kennen; waarbij ruimere mogelijkheden gelden naarmate meer oppervlakte aan landschapsontsierende bedrijfsgebouwen worden afgebroken; Het tegengaan van permanente bewoning van recreatiewoningen; Het bieden van ruimte voor opvulling van open gaten in bebouwingslinten met woningbouw of kleinschalige bedrijvigheid. 3.3.3.3 Gebiedsgerichte benadering - Collendoorn, Gramsbergen-Zuid, Radewijk Onderhavig plangebied is gelegen in het gebied ‘Collendoorn, Gramsbergen-Zuid, Radewijk’. In de Visienota worden op hoger niveau gebiedskenmerken beschreven en ontwikkelingsrichtingen aangegeven. Het landschapstype ter plaatse is essen- en kampenlandschap, dit is te zien aan de kleinschaligheid, het licht glooiende landschap en een kronkelend patroon van wegen. De huidige ontwikkelingen in het gebied richting zich vooral op de (kleinschalige) landbouw, bedrijvigheid en wonen.

De ontwikkelingsrichting, gericht op de toekomst, gaat uit van versterking van de huidige situatie en daarom wordt er gestreefd naar een gemengd gebied. De functies die hierbij behoren zijn economie, (verbrede) landbouw en wonen. In afbeelding 3.6 is een uitsnede van de visiekaart weergegeven, waarop de locatie met een rode ster is aangeduid.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 31

Afbeelding 3.5: Uitsnede visiekaart Visienota Buitengebied (Bron: Gemeente Hardenberg) 3.3.3.4 Toetsing van het initiatief aan de Visienota Buitengebied Hardenberg Voor de ontwikkeling is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, zodat de ontwikkeling op een adequate wijze wordt ingepast in het landschap. De omliggende gebiedskenmerken zijn hierbij leidend geweest. In deze toelichting wordt ook aangetoond dat de ontwikkeling geen belemmering met zich meebrengt voor omliggende functies en dat het milieubelang zorgvuldig is afgewogen. Met het initiatief wordt aangesloten bij het perspectief om op duurzaam en efficiënte wijze ruimte te scheppen voor de verschillende functies. Dit bestemmingsplan voorziet in de wijziging van de bestemming van twee voormalig agrarisch erven ten behoeve van een woonfunctie. Tevens wordt door sloop van vervallen bebouwing op het perceel aan de Vliermansweg 2 de leefbaarheid van het platteland vergroot. Tenslotte kan worden geconcludeerd dat wordt bijgedragen aan het streven om landschapsontsierende bedrijfsgebouwen te slopen, dit sluit aan bij de hoofdambitie op het platteland leefbaar te houden en de ruimtelijke kwaliteit te vergroten. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met de 'Visienota Buitengebied gemeente Hardenberg'.

3.3.4 LIK (Landschap Identiteit Kaart) en Ontwikkelingsvisie - Noordelijke stadsrandzone Hardenberg 3.3.4.1 Inleiding De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald zoals de specifieke kenmerken en kwaliteiten. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken. Er zijn in totaal zeven deelgebieden, het plangebied ligt in deelgebied: Noordelijke stadsrandzone Hardenberg. Dit is in afbeelding 3.7 weergegeven. Het plangebied is met de rode ster aangegeven.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 32

Afbeelding 3.6: Uitsnede LIK (Bron: Gemeente Hardenberg) 3.3.4.2 Methodiek LIK's De gemeente Hardenberg wil regie voeren op de ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarbij wil de gemeente een meer richtinggevende rol gaan innemen, gericht op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit is echter een breed begrip, dat deels subjectief van aard is. In de Visienota Buitengebied is dit gedefinieerd als “eigen identiteit”. De identiteit van het gebied komt voort uit de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen. In de LIK is daarom een onderscheid gemaakt tussen de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen. Deze landschapstypen zijn op een overzichtskaart opgenomen (zie de afbeelding 3.7). Vervolgens is voor het gebied een schema opgesteld, waarin een overzicht is opgenomen van de aanwezige waardevolle en storende kenmerken. Ook zijn de kansen of juist bedreigingen voor deze kenmerken omschreven. De schema's ten aanzien van de landschapstypen zijn opgenomen in het volledige LIK. 3.3.4.3 Ontwikkelingsvisie Essen- en hoevenlandschap Voor dit type landschap is een swot-analyse opgesteld waarin de sterke/zwakke punten alsmede de kansen en bedreigingen worden genoemd.

Hieronder enkele sterke punten van het gebied: Bebouwing: oude agrarische bebouwing in buurtschappen Engeland en Ane; Routing: kronkelige wegen; Verkaveling: grootschalige en grillige verkaveling van de essen; Beplantingspatronen: wegbeplanting, houtwallen op randen van de essen; Erven: onregelmatige erfopbouw met losse strooiing gebouwen op het erf, grote bomen verstrooid op het erf; Massa/ruimte en reliëf: open bolle essen, kleinschalig landschap, steilranden van de essen; Grond-/landgebruik: agrarisch; Functie & activiteit: agrarische bedrijven en voormalige boerderijen met wonen en

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 33

werken; Licht & donkerte: essen zelf niet belicht; Natuur: hoge biodiversiteit omgeving Ane. Als kansen voor dit gebied worden benoemd: herstel oude beplatingspatronen door vrijwillige kavelruil en het verbeteren van de landschappelijke inpassing van erven. 3.3.4.4 Toetsing van het initiatief aan het LIK Voorliggend plan heeft betrekking op een Rood voor Rood ontwikkeling waarbij ter compensatie van sloop twee woningen worden toegevoegd aan het perceel aan de Vliermansweg 2, waarvan één twee-onder-een-kapwoning en één vrijstaande woning. De omzetting van de huidige bestemming naar een passende woonbestemming voor drie wooneenheden heeft daarnaast een positieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving aangezien de landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt en de nieuwe woning landschappelijk wordt ingepast. Daarmee vindt tevens de aanleg van erfbeplanting plaats. Ook de functiewijziging van het perceel aan de Vliermansweg 4 van 'agrarisch' naar 'wonen' gaat gepaard met een landschappelijke inpassing, wat een positieve invloed heeft op de ruimtelijke kwaliteit. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er voldaan wordt aan het LIK. 3.3.5

Woonvisie

3.3.5.1 Algemeen Het Programma Wonen is op 26 maart 2019 door de gemeenteraad van Hardenberg vastgesteld. Het programma legt de woonambities voor de langere termijn vast, maar voorziet daarnaast in concrete maatregelen voor de eerstvolgende twee jaar. 3.3.5.2 Ambitie: rust en ruimte, met oog voor elkaar ook in de toekomst In de gemeente Hardenberg is het al jaren goed wonen, werken en leven. Door de ligging in het groene Vechtdal en de vele aantrekkelijke kleine kernen ervaren inwoners en bezoekers de rust, ruimte en veiligheid die de gemeente Hardenberg kenmerkt. Tegelijkertijd zijn er met Hardenberg en Dedemsvaart twee stedelijke kernen waar de werkgelegenheid zich concentreert en alle voorzieningen te vinden zijn. Demografen verwachten dat het aantal inwoners en huishoudens van de gemeente Hardenberg het komende decennium zal blijven groeien. In tegenstelling tot de situatie in de meeste andere Nederlandse plattelandsgemeenten is nieuwbouw noodzakelijk om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen. Volgens de prognoses is er in de gemeente Hardenberg de komende tien jaar behoefte aan ruim 1.600 nieuwe woningen. Natuurlijk zijn er wel verschillen tussen de diverse kernen.

Zo zijn ‘steden’ Hardenberg en Dedemsvaart in trek als woonlocatie, ook voor huishoudens van buiten onze gemeente en zijn de dorpen en buurtschappen vooral gewild bij de lokale bevolking en rustzoekers van buitenaf. De afgelopen jaren is, mede door de ladder voor duurzame verstedelijking, sterk ingezet op woningbouw op locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Het bouwen van woningen op inbreidingslocaties is een goed streven, als dat betekent dat de kwaliteit van het gebied en de woonkwaliteit daarmee vergroot wordt. Voor de kleine kernen ligt de focus voornamelijk op het realiseren van twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. 3.3.5.3 Buitengebied Met name in de kleinere kernen en buitengebieden bevinden zich grote boerderijen op grote kavels. Vanwege het grote onderhoud en het (te) grote oppervlak worden deze woningen steeds minder aantrekkelijk voor een zelfstandig huishouden. Door de mogelijkheid van woningsplitsing te vergroten kunnen we deze ruime woningen geschikt maken voor meerdere (kleine) huishoudens

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 34

3.3.5.4 Toetsing van het initiatief aan de woonvisie Dit plan voorziet in de bouw van een vrijstaande woning en een twee-onder-een-kapwoning. Door in plaats van een vrijstaande woning een twee-onder-een-kapwoning te realiseren, is de woning ook aantrekkelijk voor kleinere huishoudens en wordt met dit initiatief ook aan de vraag van kleine huishoudens voldaan. Met dit initiatief wordt ingespeeld op de concrete, lokale behoefte. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie. 3.3.6

Welstandsnota

3.3.6.1 Inleiding De gemeenteraad heeft op 3 december 2013 de Welstandsnota Buitengebied vastgesteld. Deze nota zet in op “het leggen van verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, tussen oud en nieuw, tussen snel en traag, tussen stad en land, tussen rood en groen, tussen opbrengsten en kosten". De ambitie is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten waarbij elk project bijdraagt aan de versterking van de beeldkwaliteit van de leefomgeving. Daarmee zullen de verschillende kernen zich meer onderscheiden en krijgt elke kern haar eigen kleur (terug). De gemeente wil meer vrijheid voor burgers creëren. Dit wordt bereikt door kaders te stellen 'waar het er toe doet' en andere delen van de gemeente regelvrij te maken. Een en ander komt tot uiting in de toekenning van drie niveaus (zie navolgende). Op de belangrijke plekken wordt door middel van welstand en bestemmingsplan gestuurd. De laag gewaardeerde plekken zijn welstandsvrij. Voor deze gebieden is het bestemmingsplan (of de beheersverordening) maatgevend. De Welstandsnota maakt onderscheid naar de volgende niveaus: Niveau 0 (laag): Geen eisen ten aanzien van welstand. Beeldkwaliteit wordt geregeld in het bestemmingsplan (of de beheersverordening).

Niveau 1 (midden) Specifieke ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit, gericht op behoud van belangrijkste gebiedskenmerken van architectonische of stedenbouwkundige aard. Inzet van een globale vorm van welstand met planbegeleiding naast het bestemmingsplan (of de beheersverordening). Niveau 2 (hoog): Hoge ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit, bij gebieden en/of locaties met een hoge architectonische en stedenbouwkundige waarde. Inzet van welstand met een intensieve vorm van planbegeleiding naast het bestemmingsplan (of de beheersverordening). Voor het plangebied geldt welstandniveau 1. Belangrijk voor dit gebied zijn de volgende punten: Erfstructuur De landschappelijke structuur, de positie en oriëntatie van bebouwing op het erf in de directe omgeving zijn richtinggevend bij nieuwbouw. De bebouwing sluit aan op de losse erfstrooiing (soms landschapsgekeerd: met de achterzijde naar de weg). Hoofdvorm De hoofdmassa is eenvoudig vormgegeven (zadelkap met lage gootlijn) en passend (qua maat en schaal) tussen de bebouwing in de omgeving. Gevels Alle gevels richting de omgeving zijn representatief vormgegeven. De architectuur is afgestemd op de bebouwing uit de omgeving en reageert op de streekeigen gebiedskenmerken. Bij verbouw aan (voormalige) boerderijen blijft het onderscheid tussen voor- en achterhuis (woongedeelte en schuur) zichtbaar.

In geval van een uitbreiding, verbouw of renovatie wordt deze afgestemd op het bestaande bouwwerk. De gevelcompositie, de plaats, de afmetingen en verhoudingen van gevelopeningen zijn

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 35

zorgvuldig op elkaar afgestemd. Materiaal, kleurgebruik en detaillering De detaillering en het kleur- en materiaalgebruik is afgestemd op de bebouwing uit de omgeving. Het materiaalgebruik sluit aan op het kleurenpallet van het omringende landschap. Donkere tinten, reliëf (geen vlakke plaat), niet glimmend. Bij voorkeur donker hout en riet. Toelaatbaar voor schuren. Dak: donkergrijze golfplaat of vergelijkbare uitstraling. Wanden: damwandbeplating, steen, beton, hout of vergelijkbare uitstraling in donkere kleuren. Reclame Reclame is toegestaan in bescheiden vorm (2x1m) zorgvuldig vormgegeven en afgestemd op de architectuur en gerelateerd aan de bebouwing of de entree van het erf. Erfafscheidingen Gebouwde erfafscheidingen respecteren het landschap door een ingetogen vormgeving. Utilitaire bouwwerken (masten, bruggen, duurzame elementen etc.) Situering, vorm, detaillering, kleur en materiaalgebruik reageren op de locatie ter plekke en de bijbehorende landschappelijke en bebouwingsstructuren. 3.3.6.2 Toetsing van het initiatief aan 'Welstandsnota' en 'Beeldkwaliteitsplan' Het uiteindelijke bouwplan van de woningen zal ter toetsing aan de welstandscommissie van de gemeente worden voorgelegd. Ten behoeve van de te realiseren schuurwoning is een beeldkwaliteitsparagraaf opgesteld. Deze is als bijlage bij de regels opgenomen en zal de welstandsnota voor deze woning vervangen.

De schuurwoning zal dan ook aan de gestelde beeldkwaliteitseisen worden getoetst. 3.3.7

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 36

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer & parkeren en het besluit milieueffectrapportage.

4.1

Geluid

4.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2

Situatie plangebied

Het verrichten van een akoestisch onderzoek is in het voorliggende geval niet noodzakelijk voor de bestaande woning binnen het plangebied, omdat de functie van de bestaande bedrijfswoning de functie ‘wonen’, niet wijzigt. Daarnaast is in artikel 76 van de Wgh bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. In dit geval worden er wel drie geluidsgevoelige objecten toegevoegd, namelijk de compensatiewoningen. Hierna wordt achtereenvolgens op de aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai ingegaan. 4.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied binnen stedelijk gebied of buitenstedelijk gebied. Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Dedemsvaartseweg (80 km/uur). Daarom is voor het plangebied een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de woningen, inclusief aftrek, 40 dB bedraagt. Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 37

4.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorlijn of een gezoneerd bedrijventerrein. De aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' vormen van ook geen belemmering voor dit planvoornemen. Voor de invloed van individuele bedrijvigheid op dit plan wordt verwezen naar paragraaf 4.5 van deze toelichting. 4.1.3

Conclusie

Het onderdeel geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In dit geval is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In de volgende paragraaf wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als Bijlage 3 opgenomen. 4.2.2

Situatie plangebied

Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. In de grondwatermonsters Pb1wm1 en Pb7wm1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. Voormalig dieseltank 1 In het bovengrondmengmonster BM6 is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Voormalig dieseltank 2 In het bovengrondmengmonster BM7 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb4wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Dieseltank 3 In het bovengrondmengmonster BM8 is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. In het grondwatermonster Pb7wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Dieselmotor en opslag reinigings- en ontsmettingsmiddelen In het bovengrondmengmonster BM9 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb10wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Conform besluit bodemkwaliteit wordt de boven- en ondergrond geclassificeerd als Altijd toepasbaar, met uitzondering van de grond ter plaatse van 'voormalige dieseltank 1' en 'dieseltank 3'.

Aangezien geen partijkeuring conform het Besluit Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Bbk als indicatief beschouwd te worden. Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden. Bij afvoer van grond

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 38

zal dit wellicht in een later stadium moeten worden uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM2, MM3 en MM4 is analytisch geen asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten in de mengmonsters MM1 en MM5 zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Druppelzones De mengmonsters van DZ1, DZ3, DZ4 en DZ6 zijn licht asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. De concentratie van mengmonster DZ2 blijft onder de interventiewaarde (100 mg/kg ds), hierdoor is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Het gewogen asbestgehalte in het mengmonster van DZ5 is hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Formeel geeft deze druppelzone aanleiding tot nader onderzoek. Echter kan de verontreiniging in overleg met bevoegd gezag zonder nader onderzoek gesaneerd worden middels een BUS-melding. De sterk verontreinigde druppelzone mag voor sanering niet worden geroerd als gevolg van sloop- en grondwerkzaamheden.

Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding te worden opgesteld, dat door het bevoegd gezag dient te zijn goedgekeurd. Het verrichten van bodemsaneringen mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. In de uitgevoerde SEM-analyses is geen asbest aangetoond en er zijn ook geen vezels aangetroffen. Er is geen sprake van 'onaanvaardbare risico's buiten'.

4.2.3

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt, na sanering van de druppelzone, geschikt geacht voor het beoogde gebruik. De sanering van de grond onder druppelzone DZ5 wordt met een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de regels.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 39

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Echter zijn in de nabije omgeving meerdere inrichtingen aanwezig waarbij er uitstoot van fijnstof plaatsvindt. Gelet op de ligging van het plangebied ten opzichte van deze inrichtingen is door BJZ.nu een onderzoek naar de luchtkwaliteit ter plaatse uitgevoerd. Het volledige rapport is in Bijlage 4 opgenomen. Hieronder worden de conclusies weergegeven. De emissie van fijn stof door de omliggende veehouderij is achterhaald door middel van betreffende milieudossiers en vastgestelde emissiefactoren. Met een model is de immissie op het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit de Wet milieubeheer, de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’ en de ‘Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit’. De berekende fijn stofimissie voor PM10 bedraagt ten hoogste 15,5900 ìg/m3. Voor PM2,5 is het hoogste berekende rekenresultaat 8,5262 ìg/m3. Deze rekenresultaten behoren tot rekenpunt 6.

Voor PM10 geldt dat het 24-uursgemiddelde op de rekenpunten twee tot en met vijf zeven keer per jaar wordt overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit de Wet milieubeheer. Voor de concentratie PM10 en PM2,5 is de verwachting dat over een aantal jaar zal worden voldaan aan het advies van de WHO. Voor de rekenpunten twee tot en met vijf wordt aan de advieswaarde van de WHO ten aanzien van PM10 al voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van bijbehorend plan. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 40

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie in en bij het plangebied

4.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is voor het plangebied een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. 4.4.2.2 Situatie plangebied In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied met een rode ster op een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 41

Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl) Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Opgemerkt wordt dat ten westen van het plangebied op circa 450 meter afstand twee hogedruk leidingen van de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. liggen. Buisleiding met nummer 240676 heeft een diameter van 10 inch en een werkdruk van 95 bar. Bij dergelijke gasleidingen bedraagt de 1% letaliteitsgrens (aandachtsgebied groepsrisico) 160 meter. De 100% letaliteitsgrens bedraagt 80 meter. De buisleiding met nummer 240702 heeft een werkdruk van maximaal 66 bar en een diameter van 10 inch. Bij dergelijke gasleidingen bedraagt de 1% letaliteitsgrens (aandachtsgebied groepsrisico) 150 meter. De 100% letaliteitsgrens bedraagt 70 meter. Op 490 meter afstand ten westen van het plangebied ligt nog een hogedruk leiding van de NAM. Deze heeft een diameter van 8 inch en een werkdruk van 52 bar.

Bij dergelijke gasleidingen bedraagt de 1% letaliteitsgrens (aandachtsgebied groepsrisico) 120 meter. De 100% letaliteitsgrens bedraagt 60 meter. In voorliggend geval ligt het plangebied ruim buiten deze grenzen en is het nader verantwoorden van het groepsrisico niet noodzakelijk.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 42

4.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 43

Milieucategor Richtafstanden tot omgevingstype ie rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m 4.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie 'wonen' vormt geen milieubelastende functie. In dit geval worden er uitsluitend woonfuncties gerealiseerd. De kleinschalige bedrijvigheid aan de Vliermansweg 4 is ondergeschikt aan de functie wonen. Het bedrijf gaat goed samen met woonfuncties. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. 4.5.3.2 Interne werking In de nabijheid van het plangebied liggen enkele agrarische bedrijven. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur.

Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. Gezien het voornemen, de planologische omzetting van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en het oprichten van de compensatiewoningen, is het van belang te toetsen of dit vanuit milieutechnisch oogpunt haalbaar is. In de volgende tabel wordt nader op de in de nabijheid aanwezige bedrijven en bijbehorende richtafstanden ingegaan. Hierbij is gemeten tussen de grens die de milieugevoelige woning toelaat en de grens waar de milieubelastende activiteit plaats kan vinden (grens woonbestemmingsvlak/grens (agrarisch) bouwvlak). Het aspect 'geur' is zoals aangegeven buiten beschouwing gelaten en wordt in paragraaf 4.6 behandeld. Adres Type bedrijf Richtafstanden Daadwerkelijke afstand Revensweg 3, Agrarisch 50 m geluid, 30 m Circa 420 m Ane bouwvlak stof, 0 m gevaar max. categorie 3.2 (200 m geur) (intensieve veehouderij pluimvee)

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 44

Nieuwlandweg 3, Agrarisch 30 m stof en geluid, Circa 300 m Ane bouwvlak 0 m gevaar (100 m max. categorie 3.2 geur) (grondgebonden veehouderij) NAM locatie Nutsbedrijf/gaswinni 300 m geluid Circa 450 m Hardenberg 4 ngslocatie max categorie 4.2 De Vaart 53, Ane Bouwbedrijf: b.o. > 100 m geluid, 30 m Circa 660 m 2.000 m2 max stof, (10 m geur) categorie 3.2 Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt de richtafstand (het aspect 'geur' buiten beschouwing latend) voor de (agrarische) bedrijven gehaald. Ter plaatse van het plangebied is daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten en de bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 4.5.4

Conclusie

Er wordt aan de richtafstanden (het aspect 'geur' buiten beschouwing latend) voor de (agrarische) bedrijven voldaan. Het aspect milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Geur

4.6.1

Algemeen

4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht.

De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Bij een gemeentelijke verordening kunnen andere maximale geurbelastingen en minimale afstanden worden vastgesteld. Van deze mogelijkheid heeft de gemeenteraad van de gemeente Hardenberg in 2009 gebruik gemaakt. Op basis van de Geurverordening Hardenberg gelden onder voorwaarden andere waarden, waarbij een gebiedsindeling in acht is genomen. Voor de locatie van de compensatiewoning geldt een norm van 14 OUE/m3 en onder voorwaarden een minimale afstand van 25 meter.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 45

4.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.6.2

Situatie plangebied

De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied diverse (intensieve) veehouderijen. Het gaat in dit geval om de compensatiewoningen in het kader van Rood voor Rood. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 14.2 lid 2) worden compensatiewoningen in het kader van Rood voor Rood en voormalige agrarische bedrijfswoningen (in combinatie met het buiten werking stellen van een agrarisch bedrijf) gelijk gesteld aan bedrijfswoningen. In deze gevallen dient rekening te worden gehouden met een minimale (vaste) afstandsnorm van 50 meter, ook voor intensieve veehouderijen. De intensieve veehouderijen worden dan ook geenszins beperkt, aangezien aan de vaste afstand van 50 meter wordt voldaan en er in alle gevallen reeds woningen op een kortere afstand van de betreffende bedrijven gelegen zijn dan de beoogde woningen in het plangebied. Echter wenst de gemeente wel inzicht te verkrijgen in het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Hiertoe is een agrarisch geuronderzoek uitgevoerd, waarin onderzoek is gedaan naar zowel de voorgrondbelasting (geurbelasting van individuele intensieve bedrijven) als de achtergrondbelasting (totale geurbelasting van alle intensieve bedrijven in een straal van 2 kilometer rondom het plangebied.

Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is als Bijlage 5 opgenomen. Beoordeling woon- en leefklimaat Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de veehouderij aan de Revensweg 3 bedraagt de voorgrondgeurbelasting ten hoogste 1,0 OUE/m3 ter plaatse van het plangebied. Het woon- en leefklimaat is qua voorgrondgeurbelasting ter plaatse van het plangebied volgens de berekening en de gegevens uit tabel 1 als ‘goed’ te kwalificeren. De achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 3,50 OUE/m3. Volgens tabel 1 is het woonen leefklimaat qua achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied te kwalificeren als ‘goed’. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de achtergrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘goed’. Aan het bevoegd gezag van de gemeente Hardenberg is de afweging of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. 4.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 46

4.7

Ecologie

4.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.7.2

Gebiedsbescherming

4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Vecht- en Beneden Reggegebied' ligt op circa 10,8 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gronden die tot NNN behoren liggen op circa 1,7 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. 4.7.3

Soortenbescherming

4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 6. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. 4.7.3.2 Situatie plangebied Het plangebied is geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door vogels, vleermuizen en amfibieën uitsluitend benut als foerageergebied. Grondgebonden zoogdieren bezetten mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rusten voorplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Vliermansw eg 2-4 Ane | PAGINA 47

gedood worden, dienen ze verjaagd of weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. 4.7.4

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8

Archeologie & cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft de archeologische verwachtingen in haar grondgebied verwerkt in dubbelbestemmingen in de bestemmingsplannen. Op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" is het plangebied voorzien van een dubbelbestemming archeologie. Op het westelijk gelegen gedeelte van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' van toepassing. Binnen deze dubbelbestemming vinden geen werkzaamheden plaats. Op de oostkant van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing.

Hiervoor geldt dat onderzoek benodigd is wanneer werkzaamheden plaatsvinden die een oppervlakte boven de 500 m2 beslaan en dieper reiken dan 50 cm. In voorliggend geval wordt de boerderijwoning gerealiseerd binnen deze dubbelbestemming. De woning blijft onder de onderzoeksgrens van 500 m2. Tevens wordt de woning deels gebouwd op de locatie van de te slopen schuur. De gronden zijn daarom deels reeds verstoord door de bestaande bebouwing en erfverharding. Er is daarom geen archeologisch onderzoek benodigd. 4.8.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13860202/2