Regels en toelichting bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106 Slagharen
Tekst van het document
4.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorlijn of een gezoneerd bedrijventerrein. De aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' vormen van ook geen belemmering voor dit planvoornemen. Voor de invloed van individuele bedrijvigheid op dit plan wordt verwezen naar paragraaf 4.5 van deze toelichting. 4.1.3
Conclusie
Met in achtneming van het verkrijgen van hogere waarden inzake wegverkeerslawaai voor de woningen en het toepassen van voldoende gevelwering (dan wel het uitvoeren van de gevels als dove gevels), vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In dit geval is door Dumea een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van beide locaties. In de volgende subparagraaf wordt hier nader op ingegaan. De volledige rapportage zijn als Bijlage 4 en Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. 4.2.2
Situatie plangebied
Verkennend bodemonderzoek Herenstraat 106 In de bovengrondmengmonsters BM1 en BM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. Tevens is in het grondwatermonster de concentratie koper verhoogd aangetroffen ten opzichte van de tussenwaarde. Naar aanleiding van deze verhoging is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster (Pb1wm2) blijkt dat er wederom een matige verhoging koper is aangetroffen in het grondwatermonster. De verhoging koper in beide grondwatermonsters (Pb1wm1 en Pb1wm2) geven formeel aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Echter zijn er een aantal redenen om af te zien van een nader onderzoek: Er is geen eenduidige bron voor de verhogingen aan te wijzen; In de boven- en ondergrond zijn geen verhogingen koper aangetroffen.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 28
Zware metalen worden vaker verhoogd aangetroffen in het grondwater en kunnen van nature verhoogd voorkomen Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Verkennend bodemonderzoek Herenstraat 79a In de bovengrondmengmonsters BM1 en BM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. Tevens zijn in het grondwatermonster de concentraties koper en zink verhoogd aangetroffen ten opzichte van de tussenwaarde. Naar aanleiding van deze verhogingen is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster (Pb1wm2) blijkt dat er lichte verhogingen koper en zink zijn aangetroffen in het grondwatermonster. Zware metalen worden vaker verhoogd aangetroffen in het grondwater en kunnen van nature verhoogd voorkomen. Tevens kunnen zware metalen in concentratie sterk fluctueren.Nader onderzoek naar de verhogingen koper en zink in het grondwater wordt niet zinvol geacht. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.
De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.3
Conclusie
Op basis van onderhavig onderzoeken wordt een nader bodemonderzoek voor deze locaties niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 29
noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende aannemelijk is dat dit zal blijken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is. Afstand tot te toetsen 70 m 80 m 90 m 100 m 120 m 140 m 160 m plaats Totale emissie in g/jr 324.000 387.00 473.00 581.00 817.00 1.075.0 1.376.00 0 0 0 0 00 0 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer.
Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
4.3.2.1 Externe werking van het plan Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.2.2 Interne werking van het plan Op basis van de "grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland", welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. De gegevens voor het plangebied worden weergegeven in onderstaande tabel: Paramet Achtergrondwaar Achtergrondwaar Grenswaard WHO Voldoet er de [µg/m3] 2020 de [µg/m3] 2030 e [µg/m3] advieswaarde (ja/nee) [µg/m3] Stikstofd 8,5 5,5 40 15 ja ioxide NO2 Zwevend 9,6 11,6 40 10 ja e deeltje s PM10 Zwevend 7,3 5,6 25 5 nee e deeltje s PM2,5 Uit de tabel blijkt dat aan de grenswaarden voor NO2, PM2,5 en PM10 wordt voldaan. Ook aan de advieswaarden van de van de WHO voor de achtergrondconcentratie van alle parameters met uitzondering van PM2,5 wordt voldaan.
De verwachting is echter dat de lucht steeds schoner wordt waardoor ook in de toekomst zal worden voldaan.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 30
4.3.3
Vuistregel veehouderijen
Ten aanzien van de fijnstof afkomstig van veehouderijen in de omgeving, wordt opgemerkt dat in de omgeving van het plangebied een aantal intensieve veehouderijen liggen die van belang kunnen zijn voor de bijdrage van fijnstofconcentratie op het plan. Om dit in beeld te brengen is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als Bijlage 6 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De emissie van fijn stof door de omliggende veehouderijen is achterhaald door middel van betreffende milieudossiers en vastgestelde emissiefactoren. Met een model is de immissie op het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit de Wet milieubeheer, de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’ en de ‘Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit’. De emissie van fijn stof door de omliggende veehouderij is achterhaald door middel van betreffende milieudossiers en vastgestelde emissiefactoren. Met een model is de immissie op het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit de Wet milieubeheer, de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’ en de ‘Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit’. De berekende fijn stofimissie voor PM10 bedraagt ten hoogste 14,94 ìg/m3. Voor PM2,5 is het hoogste berekende rekenresultaat 8,22 ìg/m3. Voor PM10 geldt dat het 24-uursgemiddelde 6 keer per jaar wordt overschreden.
Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit de Wet milieubeheer. Voor de concentratie PM2,5 is de verwachting dat over een aantal jaar zal worden voldaan aan het advies van de WHO. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van bijbehorend plan. 4.3.4
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van bijbehorend plan. 4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 31
kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
4.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Beide locaties zin met de blauwe ster aangeduid. 4.4.2.2 Situatie plangebied In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied op een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Afbeelding 4.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Zoals op de afbeelding zichtbaar is, liggen in de nabijheid van het plangebied drie risicobronnen. Het betreffen een tankstation en twee locaties waar propaan of een ander brandbaar gas wordt opgeslagen. In geen geval ligt één van de locaties van het plangebied echter binnen een gebied waarbinnen een nadere verantwoording van het groepsrisico of plaatsgebonden risico nodig is. Een nader onderzoek naar externe veiligheid is dan ook niet nodig. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 32
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Beide locaties van het plangebied liggen in een lint, waarin naast woningen verscheidene bedrijfsfuncties voorkomen. Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategor Richtafstanden tot omgevingstype Richtafstanden tot omgevingstype ie rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 33
3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 4.5.3
100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie 'wonen' vormt geen milieubelastende functie. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende functies. 4.5.3.2 Interne werking Woning nabij nummer 106 In de omgeving van deze locatie liggen een aantal bedrijfsbestemmingen. Het gaat om de bedrijfsbestemmingen aan de Herenstraat 81 en 89. Deze bedrijfsbestemmingen liggen beide op circa 30 meter afstand tot de woning. Ter plaatse zijn respectievelijk een motorzaak en een groothandel in hout- en bouwmaterialen aanwezig.
De motorenzaak (nummer 81) is op basis van de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' aan te merken als een bedrijf in milieucategorie 2, waarvoor op basis van gemengd gebied een richtafstand van 10 meter geldt. De groothandel in hout- en bouwmaterialen is op basis van de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering een bedrijf in milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. In beide gevallen wordt aan de richtafstand voldaan, waardoor ter plaatse van het plangebied ten aanzien van deze bedrijven een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten is. De bedrijven worden omgekeerd niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Woning nabij nummer 79a In de omgeving van deze locatie liggen een aantal bedrijfsbestemmingen. Het gaat om de bedrijfsbestemmingen aan de Herenstraat 81 en 79a. Deze bedrijfsbestemmingen liggen op respectievelijk 90 en 30 meter afstand tot de woning. Ter plaatse zijn respectievelijk een motorzaak en detailhandelszaak in de verkoop van motoren aanwezig. Beide bedrijven zijn op basis van de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' aan te merken als bedrijven in milieucategorie 2, waarvoor op basis van gemengd gebied een richtafstand van 10 meter geldt. In beide gevallen wordt aan de richtafstand voldaan, waardoor ter plaatse van het plangebied ten aanzien van deze bedrijven een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten is.
De bedrijven worden omgekeerd niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Agrarische bedrijven In de nabijheid van beide locaties liggen een aantal agrarische bedrijven. Wat betreft de agrarische bedrijven in de omgeving geldt dat op basis van het bestemmingsplan binnen de bouwvlakken zowel grondgebonden als (bestaande) intensieve veehouderijen zijn toegestaan. Intensieve veehouderijen hebben de hoogste milieucategorie van de diverse typen agrarische bedrijvigheid. Een intensieve veehouderij heeft een milieucategorie van maximaal 4.1 (bijvoorbeeld het fokken en houden van varkens). Wanneer het aspect 'geur'
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 34
buiten beschouwing wordt gelaten, geldt een grootste richtafstand van 30 danwel 50 meter voor het aspect geluid. Voor grondgebonden geldt een grootste afstand van 30 meter voor het aspect 'geluid'. In de volgende tabel zijn de bedrijven binnen een straal van circa 1 kilometer weergegeven. Hierbij is gemeten tussen de grens die de milieugevoelige nieuwe woning (de compensatiewoningen) toelaat en de grens waar de milieubelastende activiteit plaats kan vinden (grens woonbestemmingsvlak/grens agrarisch bouwvlak). Adres Type bedrijf Richtafstand Daadwerkelijke afstand tot nr. 106 (links) en 79a (rechts) in meters Geert Migchelsweg Grondgebonden 50 m 300 450 16b, Slagharen agrarisch bedrijf Herenstraat 100, Grondgebonden 50 m 330 81 Slagharen agrarisch bedrijf Kronkelweg 39, Grondgebonden 50 m 690 540 Slagharen agrarisch bedrijf Kronkelweg 43, Grondgebonden 50 m 430 250 Slagharen agrarisch bedrijf Moeshoekdwarsweg Intensieve veehouderij 50 m 880 830 5, Slagharen Rondweg 45, Grondgebonden 50 m 940 880 Schuinesloot agrarisch bedrijf Troostenweg 2b, Grondgebonden 50 m 940 1.005 Schuinesloot agrarisch bedrijf Tweede Blokweg 14, Intensieve veehouderij 50 m 1.008 940 Slagharen Tweede Blokweg 18, Grondgebonden 50 m 440 240 Slagharen agrarisch bedrijf Witmanweg 23b, Grondgebonden 50 m 620 510 Slagharen agrarisch bedrijf Zoals te zien is wordt ten aanzien van alle bedrijven aan de
richtafstand voldaan. Ter plaatse van beide locaties van het plangebied is daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten en de bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 35
gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Bij een gemeentelijke verordening kunnen andere maximale geurbelastingen en minimale afstanden worden vastgesteld. Van deze mogelijkheid heeft de gemeenteraad van de gemeente Hardenberg in 2009 gebruik gemaakt. Op basis van de Geurverordening Hardenberg gelden onder voorwaarden andere waarden, waarbij een gebiedsindeling in acht is genomen. Voor de locatie van de compensatiewoning geldt een norm van 8 Ou[E]/m3 en onder voorwaarden een minimale afstand van 25 meter. 4.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen.
Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.6.2
Situatie plangebied
De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied een aantal (intensieve) veehouderijen. In de tabel in paragraaf 4.5.3.2 is dit weergegeven. In deze tabel blijkt dat ten aanzien van de grondgebonden veehouderijen in alle gevallen ruimschoots aan de vaste afstand van 30 danwel 50 meter wordt voldaan. Voor de compensatiewoningen geldt dat deze allemaal op minimaal 50 meter van omliggende veehouderijen wordt gerealiseerd. Echter wenst de gemeente wel inzicht te verkrijgen in het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Daarom is het aspect 'geur' ten aanzien van de intensieve veehouderijen middels een geuronderzoek nader uitgewerkt middels een geuronderzoek. Het onderzoek is als Bijlage 7 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de dominante veehouderij aan de Geert Migchelsweg 18 bedraagt de voorgrondgeurbelasting ten hoogste 0,8 OUE/m3 ter plaatse van het plangebied. Het woon- en leefklimaat qua voorgrondgeurbelasting ter plaatse de compensatiewoning naast 106 is volgens de berekening en de gegevens uit tabel 1 als ‘goed’ te kwalificeren en ten opzichte van de andere compensatiewoningen ‘zeer goed’.
De achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 2,91 OUE/m3. Volgens tabel 1 is het woonen leefklimaat qua achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied te kwalificeren als ‘goed’. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de achtergrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘goed’.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 36
4.6.3
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde (Nederlandse) Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 9,3 kilometer. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 (zie: AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is 'Vecht en Beneden-Regge' op een afstand van circa 11,3 kilometer. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is.
Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Gezien de grote afstand (meer dan 10 kilometer) in relatie tot de kleine schaal van de ontwikkeling kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Een stikstofberekening wordt dan ook niet nodig geacht. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een van de pijlers van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN dient te worden voorzien van een passende bestemming. Het NNN heeft geen schaduwwerking. Voor naastliggende gronden gelden geen beperkende bepalingen vanwege de ligging naast NNN.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 37
4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.7.3.2 Situatie plangebied In dit geval worden de woningen gerealiseerd op gronden die momenteel als agrarische grond in gebruik zijn. De gronden worden intensief beheerd en onderhouden. Daarnaast is er met de ontwikkeling geen sprake van verwijderen van groen. Een quickscan ecologie wordt dan ook niet nodig geacht. 4.7.4
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen. 4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft de archeologische verwachting verwerkt in de dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Ter plaatse van de te bouwen woningen gelden deels archeologische dubbelbestemmingen. Het gaat om de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5'. Beide woningen komen volledig ter plaatse waar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' geldend is. Een archeologisch onderzoek is nodig bij ingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 cm.
Daar is geen sprake van, temeer omdat de gronden ter plaatse van de nieuwe gebouwen al verstoord zijn door bestaande (te slopen) bebouwing. Een archeologisch onderzoek kan dan ook achterwege gelaten worden. 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rek ening is gehouden” dient te bevatten.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 38
4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. 4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1
Algemeen
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de mogelijke extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiervoor kunnen berekeningen worden uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte. 4.9.2
Verkeersgeneratie
Met dit initiatief worden er drie woningen gebouwd. Een vrijstaande woning zorgt op basis van de cijfers zoals opgenomen in de CROW voor een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per woning. Totaal maakt dit afgerond 25 extra verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling. Beide erven worden op een veilige wijze ontsloten op de Herenstraat en Tweede Blokweg. Deze wegen zijn van voldoende omvang om het verkeer veilig en overzichtelijk te kunnen afwikkelen. Het aspect 'verkeersgeneratie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.9.3
Parkeren
Voor wat betreft het aspect parkeren geldt dat er op eigen erf voldoende ruimte is om te voorzien in de benodigde parkeerbehoefte van 2,2 (vrijstaand) parkeerplaatsen per woning. De uitsnede van het ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in afbeelding 2.4 (paragraaf 2.2) bevestigt dit. 4.9.4
Conclusie
Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen. 4.10
Besluit milieueffectrapportage
4.10.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 39
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 4.10.2 Beoordeling 4.10.2.1
Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 11,3 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard van de ontwikkeling in relatie tot de afstand tot Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten ten aanzien van Natura 2000-gebied uitgesloten. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.10.2.2
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de bouw van drie woningen. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving.
Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en Hoofdstuk 5 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.10.3 Conclusie De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 40
Hoofdstuk 5
Wateraspecten
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 5.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerplan 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en Het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 41
maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. 5.2
Waterparagraaf
5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets wordt toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. Het watertoetsresultaat is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. De nieuwe woning zal worden aangesloten op het bestaande riool. Het hemelwater zal in de grond worden geïnfiltreerd. Binnen het plangebied is hiervoor meer dan voldoende ruimte.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 42
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 6.2
Opzet van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs-en slotregels. 6.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Om op een eenduidig manier afstanden, oppervlaktes en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. 6.2.3
Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals weergegeven op de verbeelding van dit bestemmingsplan. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 43
Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: binnen de bestemming ' is een vergunningstelsel voor bepaalde werkzaamheden opgenomen; Wijzigingsbevoegdheden: welke wijzigingsbevoegdheden gelden voor het bestemmingsplan (in de archeologische dubbelbestemming). 6.2.4
Algemene regels
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel; Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de beoordeling van bouwplannen. Artikel 7 Algemene afwijkingsregels; In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven met specifieke aandacht voor uitsluiting van besluit-m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 8 Overige regels; In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van de werking wettelijke regelingen, afstemming welstandstoets, uitsluiting seksinrichting, afstemming APV en evenementen en parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. 6.2.5
Overgangs- en slotregels
In Artikel 9 (Hoofdstuk 4) staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. 6.3
Verantwoording van de regels
6.3.1
Bestemmingen
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan/wijzigingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In dit geval zijn de regels overgenomen van de geldende beheersverordening Slagharen, die voor dit gebied van toepassing is. Hierna wordt per bestemming specifiek aangegeven in hoeverre de regels zijn overgenomen en waar maatwerk is toegepast. Artikel 3 Woongebied Ter plaatse van het gehele plangebied, betreffende de drie woonkavels, is de bestemming 'Woongebied' opgenomen. Dit is gedaan aangezien de agrarische functie komt te vervallen en met deze bestemming aangesloten wordt bij de bestemming van omliggende, bestaande woningen.
Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor wonen en aan huis gebonden beroepen, met daaraan ondergeschikt onder andere erven en tuinen, parkeren en verkeer en verblijf.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 44
De bouwregels sluiten grotendeels aan bij de standaard in dit gebied. Wel is specifiek een bouwvlak opgenomen voor de woningen waarin vrijstaande woningen zijn toegestaan. De goot- en bouwhoogte zijn bepaald op 3,5 en 10 meter, aansluitend bij omliggende bebouwing. Specifiek is bepaald dat de voorgevel als dove gevel dient te worden uitgevoerd, teneinde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen in het kader van wegverkeerslawaai. Dit is gekoppeld aan een aanduiding op de verbeelding. Onder de Omgevingswet gaan hogere normen gelden voor hogere waarden. Daarom is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om van de verplichting om een dove gevel te realiseren, af te wijken. Voorwaarde is dat aan de dan geldende geluidsnormen wordt voldaan en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De regeling voor bijgebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, sluit grotendeels aan bij de standaard voor dit gebied. Wel is voor de woning op de hoek van de Tweede Blokweg en de Herenstraat specifiek een aanduiding opgenomen met betrekking tot een bijgebouw. Het gaat immers om een bijgebouw die voor de voorgevel van het hoofdgebouw staat. Dit is afwijkend van de standaardregels. In de specifieke gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing opgenomen voor beide locaties.
Waarde - Archeologie 4 en Waarde - Archeologie 5 (Artikel 4 en Artikel 5) Deze dubbelbestemmingen zijn conform geldende situatie overgenomen. Gronden met deze bestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden. De beschermingswaarde verschilt per dubbelbestemming.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 45
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Een exploitatieplan hoeft niet te worden vastgesteld als: a. het totaal der exploitatiebijdragen dat kan worden verhaald minder bedraagt dan € 10.000,–; b. er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Besluit ruimtelijke ordening; c. de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. d. het kostenverhaal anderszins verzekerd is. In dit plan is sprake van één of meer van deze uitzonderingsgronden, zodat een exploitatieplan niet nodig is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 46
Hoofdstuk 8 8.1
Vooroverleg, inspraak en zienswijzen
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 8.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2
Provincie Overijssel
Het plan is aan de provincie voorgelegd. De provincie is akkoord met het bestemmingsplan. 8.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'korte procedure'. Het waterschap geeft een positief wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft er niet toe geleid dat er nader overleg met het waterschap moet worden gevoerd. 8.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd door het college van Burgemeester en Wethouders. 8.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode is er één zienswijze ingediend, die heeft geleid tot een tekstuele wijziging in de toelichting. In het raadsbesluit van dit bestemmingsplan is hier nader op ingegaan.
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 47
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 48
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 49
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan Herenstraat naast nummer 06
bestemmingsplan Herenstraat naast 79 en naast 106, Slagharen | PAGINA 50
ruimtelijk kwaliteitsplan compensatiekavel naast 106 Herenstraat Slagharen
colofon Door:
dé Erfontwikkelaar b.v. Radewijkerweg 9 7791 RJ Radewijk
2
Telefoonnummer
06 24 88 38 28
herbert@erfontwikkelaar.nl
Internet
www.erfontwikkelaar.nl
Project
1736
Auteur
H. Oldehinkel
Datum laatst gewijzigd
31 januari 2023
Bestandsnaam
2112-RKPHERENSTRAAT-001
Aantal pagina’s
22
3 Inhoudsopgave Colofon
2
Introductie
4
Herenstraat
6
Vigerend beleid
8
Ontstaan van het landschap
10
Lintbebouwing langs de Herenstraat
12
Concept
14
Inpassing compensatiekavel
16
Lintbebouwing
18
Landschapsmaatregelen
20
Sfeerbeelden van het erf
21
dé Erfontwikkelaar b.v. heeft het voorliggende ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld in het kader van een ruimte voor ruimte aanvraag naast de Herenstraat 106 te Slagharen. Initiatiefnemer wil op deze locatie één woonkavel ontwikkelen. Het perceel valt onder de beheersverordening Slagharen. Momenteel kent het perceel een agrarische bestemming.
introductie
Middels de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' is het mogelijk om ter compensatie van de sloop van landschapsontsierende bebouwing een compensatiewoning te bouwen. Hierbij moet minimaal 850 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt worden.
4
Aan de Stobbeplasweg 2-4 te Slagharen is een veelvoud gesloopt. Hiervan wordt 850 m2 ingezet. Voor dit perceel is de bestemming reeds aangepast naar wonen waarmee de 'sloopmeters' direct in te zetten zijn. Voor deze slooplocatie is een apart Ruimtelijk kwaltieitsplan opgesteld welke reeds is vastgesteld door de gemeenteraad. Het gemeentelijk beleid in deze beoogt dat de bestaande (cultuurhistorische) kwaliteit een belangrijke rol speelt bij de uitstraling en uitdraging van de karakteristiek van het gebied. De gemeente heeft hiervoor de LandschapsIdentiteitskaarten als beleidskader.
5
Compensatiekavel
Stobbeplasweg (slooplocatie)
slooplocatie en locatie compensatiekavel
heerenstraat