Regels en toelichting bestemmingsplan 'Balkbrug, herontwikkeling Coevorderweg 2-4'
Tekst van het document
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
26
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Bij het realiseren van een nieuwe bestemming dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Balkbrug, nabij de provinciale weg N377. In de directe omgeving van het plangebied zijn daarnaast verschillende functies aanwezig zoals detailhandel, dienstverlening en woningbouw. Het plangebied is derhalve gelegen in het omgevingstype 'gemengd gebied'. Externe werking Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' geen milieubelastende functies voor de omgeving. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het leefklimaat van omwonenden. Voor 'woonzorgcomplex' kan aangesloten worden bij de categorie 'verpleeghuis'. Hiervoor geldt milieucategorie 2, met een richtafstand van 10 meter. Naast het woonzorgcomplex worden 12 reguliere appartementen gerealiseerd. Hiervoor is de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' van toepassing.
De SvB 'functiemenging' wordt gehanteerd in gebieden waar bedrijven of andere milieubelastende functies verspreid zijn gesitueerd tussen woningen en/of andere gevoelige functies. In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt de SvB 'functiemenging' toegepast. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan dorpskernen, zoals Balkbrug. Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden, zoals het pand aan de Coevorderweg 2-4 in Balkbrug. De SvB 'functiemenging' hanteert vier categorieën A, B1, B2 en C met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid. Voorliggende ontwikkeling betreft het ‘Categorie B1’: Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn.
Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toevoeging van de appartementen in het pand aan de Coevorderweg 2-4 slechts beperkte hinder voor omwonenden zal veroorzaken. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt derhalve niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. De nieuwe functie ‘wonen’ en 'zorgwonen' past in de omgeving. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. De percelen rondom het plangebied hebben de 'Centrum' bestemming. Binnen deze
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
27
bestemming is detailhandel, kantoren, bedrijvigheid tot en met categorie 2 en educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen, sportvoorzieningen, recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening toegestaan. In de directe omgeving zit onder andere Evangeliecentrum de WIC, Bakkerij Oegema, EPDM24.nl (groothandel/detailhandel) en Kapsalon Hairboost Balkbrug. Dit betreft functies in de categorieën: detailhandel, kantoren en educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen, sportvoorzieningen, recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening. Dit betreft functies die behoren tot milieucategorie 1, met een richtafstand van 0 meter (gemengd gebied). Aan deze richtafstand wordt voldaan. Aan de Meppelerweg 2 ligt tot slot de brandweerkazerne Balkbrug. Conform bestemmingsplan is maximaal bedrijvigheid tot categorie 2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 20 meter. Aan de richtafstanden wordt voldaan. Tot slot ligt het bedrijventerrein van Balkbrug op circa 80 meter afstand van het plangebied. Bij het bestemmingsplan van het bedrijventerrein is gebruik gemaakt van inwaartse zonering.
Ten aanzien van de huidige woningen en functies rondom het bedrijventerrein is ruimtelijk reeds rekening gehouden met voldoende afstand. Met de voorgenomen herontwikkeling is daarmee ook reeds sprake van voldoende ruimtelijke afstand tot het bedrijventerrein. Het plan voldoet aan de vereiste van een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Bodem
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Om te onderzoeken of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de geplande nieuwbouw van de woningen is door Kruse Milieu een verkennend (asbest)onderzoek uitgevoerd (projectcode: 21060016, d.d. 10 januari 2022). De bodem is onderzocht op een terrein ter grootte van circa 2355 m² aan de Coevorderweg 2-4 in Balkbrug.
De onderzoekslocatie is deels bebouwd en geheel verhard met beton (inpandig), klinkers en asfalt. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de geplande aankoop, de bestemmingsplanwijziging, de aanvraag van de omgevingsvergunning. Het verkennend (asbest)bodemonderzoek is als Bijlage 1 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Resultaten veldwerk In totaal zijn er tijdens het verkennend bodemonderzoek 2 boringen verricht en zijn er 13 inspectiegaten gegraven, waarvan er 1 diepe boring is afgewerkt met een peilbuis. Ten behoeve van het nader asbestonderzoek en aanvullend bodemonderzoek zijn 4 inspectiesleuven en 5 inspectiegaten gegraven. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn zand. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (puin/baksteen). Door de veldwerkers zijn in inspectiegat 5 (van 0 tot 0.2 m-mv) en in inspectiesleuven S1 en S3, visueel asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem. Het freatische grondwater is in de peilbuis aangetroffen op 2.15 m-mv.
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
28
Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met lood; de bovengrond (BG II) is (zeer) licht verontreinigd met lood, PCB en PAK; de bovengrond (BG II) is (zeer) licht verontreinigd met kwik, lood, zink, PCB, PAK en minerale olie; boring 5 (0 - 0.2 m-mv) is zeer licht verontreinigd met lood, zink, PCB en PAK; boring 12 (1.45-1.8 m-mv) is zeer licht verontreinigd met kwik; de ondergrond (OG I) is (zeer) licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK; de ondergrond (OG II) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is niet verontreinigd; het mengmonster MM FF - 01, MM FF - 02 en MM FF - 03 is niet verontreinigd met asbest; gat 5 bevat asbest in een gehalte hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Nader asbestonderzoek het gewogen asbestgehalte in inspectiesleuf S1 is ruim lager dan de interventiewaarde; het gewogen asbestgehalte in inspectiesleuf S3 is lager dan de interventiewaarde. Aanvullend bodemonderzoek onder de asfaltverharding de bovengrond (BG IV) is (zeer) licht verontreinigd met koper, lood, minerale olie en PAK; het mengmonster MM FF - G1-G5 is niet verontreinigd met asbest. Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond.
De hypothese "verdachte locatie" ten aanzien van asbest dient te worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen Verkennend bodemonderzoek In de bovengrond (BG I en BG II) het grondwater (PB 1 en PB A1) zijn (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het bodemonderzoek in Bijlage 1. In de ondergrond (OG en A - OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In de fijne fractie van mengmonster MM FF - 01, MM FF - 02 en MM FF - 3 is geen asbest aangetoond. Gat 5 bevat asbest, in een gehalte hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Het gewogen asbestgehalte in gat 5 gaf aanleiding voor het nader asbestonderzoek (zie hoofdstuk 5 van het bodemonderzoek in Bijlage 1). Tijdens het nader asbestonderzoek is tevens een aanvullend bodemonderzoek verricht van de bodem onder de asfaltverharding. Nader asbestonderzoek De gewogen asbestgehalten in de kern (sleuf S1 en S3) zijn (ruim) lager dan de interventiewaarde. De gewogen asbestgehalten worden (bijna) geheel veroorzaakt door de asbesthoudende grove fractie.
Aanvullende asbestanalyses, waarbij de monsters ten behoeve van de verticale en horizontale afperking worden geanalyseerd, zijn niet noodzakelijk. Er is geen saneringsnoodzaak. Geadviseerd wordt de grond nabij de sleuven S1 en S3 te zeven over 20 mm om van de asbesthoudende grove fractie en puin te ontdoen. Het asbesthoudend materiaal dient te worden afgevoerd naar een erkend acceptant. Tevens dient men alert te blijven op asbestnesten. Aanvullend bodemonderzoek onder de asfaltverharding De puinhoudende bodemlaag onder de asfaltverharding is niet asbesthoudend. De puinhoudende grond BG IV is licht verontreinigd met koper, lood, minerale olie en PAK. De licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. Slotconclusie
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
29
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.4
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek (projectnummer 21.226-RM, d.d. 15 december 2022) uitgevoerd naar de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van het geplande woonzorgcomplex en appartementen betreffende de herinrichting locatie Coevorderweg 2-4 in Balkbrug. Het onderzoek richt zich op het bepalen van de geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Coevorderweg, de Meppelerweg en de Hoogeveenseweg. De geluidbelastingen zijn vastgesteld door middel van Standaard Rekenmethode II, zoals beschreven in het ‘Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven.
Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getroffen: de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Coevorderweg (N377) wordt overschreden op de oost- zuid en westgevel. De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de Coevorderweg (N377) bedraagt 61 dB, inclusief 5 dB aftrek, op de zuidgevel; Ten gevolge van het verkeer op de Meppelerweg en de Hoogeveenseweg wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden; Maatregelen om de geluidbelasting ten gevolge van de Coevorderweg terug te dringen tot aan de voorkeursgrenswaarde stuiten naar verwachting op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard; Er moet een hogere waarde aangevraagd worden voor de in het plan opgenomen appartementen;
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
30
De maximale waarde van 53 dB ten aanzien van het binnenniveau wordt overschreden ter plaatse van de toetspunten 1 t/m 8, de toetspunten 10 t/m 17 en toetspunt 23. Voor deze gevels zijn extra geluidwerende voorzieningen noodzakelijk. Dit zal in een gevelweringsonderzoek moeten worden aangetoond. Voor de te realiseren (zorg)woningen moet een hogere grenswaarde worden aangevraagd en bij de omgevingsvergunning voor bouwen dient tevens een gevelweringsonderzoek uitgevoerd te worden. Wanneer een hogere grenswaarde wordt aangevraagd en de benodigde gevelwerende voorzieningen worden getroffen vormt het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Railverkeerslawaai In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai niet noodzakelijk. Industrielawaai Aan de oostzijde van het plangebied ligt het bedrijventerrein van Balkbrug. Bij het bestemmingsplan van het bedrijventerrein is gebruik gemaakt van inwaartse zonering. Ten aanzien van de huidige woningen rondom het bedrijventerrein is ruimtelijk reeds rekening gehouden met voldoende afstand. Ook voor de herontwikkeling van de Coevorderweg 2-4 is daarmee reeds sprake van voldoende afstand tot het bedrijventerrein. Er is sprake van aan een goed woon- en leefklimaat.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Geluid’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
31
Toets In paragraaf 4.10 is de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan beschreven. De totale verkeersgeneratie van het plan bedraagt afgerond 109 verkeersbewegingen per dag. Dit betreft de maximale verkeersgeneratie op grond van de CROW-normen voor verkeersgeneratie. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 109 per dag gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 gezet kan worden. In onderstaande figuur is de worst-case berekening weergegeven met 109 extra voertuigbewegingen.
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Alhoewel er met voorliggend plan een gevoelige bestemming wordt toegevoegd (woonzorgcomplex), vormt dit geen belemmering voor voorliggend plan. Op basis van besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) worden gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale wegen beperkt. Voor een provinciale weg geldt een onderzoekszone van 50 meter aan weerzijden. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
32
toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld.
Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets
Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 250 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. De dichtstbijzijnde risicobron ligt op circa 250 meter afstand en betreft het bedrijfspand van FrieslandCampina. Dit bedrijfspand is aangemerkt als inrichting voor ammoniak. Gelet op de onderlinge afstand van het plangebied en bedrijfspand van FrieslandCampina geldt dat het plangebied:
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
33
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.7
Water
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Drents Overijsselse Delta opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 In het waterbeheerplan 2016 - 2021 is de koers beschreven hoe het waterschap de komende periode gaat zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater. Het waterschap heeft het plan vormgegeven in dialoog en samenwerking met de waterschappen Rijn en IJssel en Vechtstromen, die naast Drents Overijsselse Delta deel uitmaken van het stroomgebied Rijn-Oost. Ook provincies en gemeenten zijn hierbij betrokken geweest. De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor voldoende water, schoon water en voor veilig wonen en werken (taakvelden: watersysteem, waterketen en veiligheid). De taken worden uitgevoerd voor én samen met de maatschappij. Dit gebeurt vanuit een brede kijk en tegen aanvaardbare kosten. Hierbij wordt rekening gehouden met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Het werk van het waterschap draagt ertoe bij dat iedereen op een veilige, gezonde, prettige en duurzame manier met water kan leven.
Het waterschap wil daarbij professioneel, betrouwbaar en deskundig werken en zo de positie als lokale en regionale waterautoriteit waarmaken. Met de aanwezige middelen en mogelijkheden werkt het waterschap aan een duurzame ontwikkeling van het stedelijk en landelijk gebied. In samenwerking met gemeenten is een beleidsnotitie stedelijk water opgesteld. De beleidsnotitie stedelijk water 'water raakt' geeft handvatten voor de ruimtelijke ordening over hoe om te gaan met water in stedelijk gebied. Watertoetsproces Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de 'normale procedure' van
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
34
toepassing is. Dit houdt in dat de RO adviseur van het waterschap is betrokken bij de planvorming. De watertoets is opgenomen in Bijlage 3. Het waterschap heeft op 29-03-22 d.d. een reactie gegeven, deze is opgenomen in Bijlage 4. In de volgende paragraaf zijn de uitgangspunten uit de reactie van het waterschap uitgewerkt in een waterparagraaf. Wateraspecten In dit geval is er geen sprake van een toename aan verharding. Het water wordt daarom via infiltratiemogelijkheden rondom de randen van het parkeerterrein geinfiltreerd. Aan de bergingseisen van het waterschap zal worden voldaan. Het vuilwater zal via het riool worden afgekoppeld. Watersysteem In het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van oppervlaktewater. Er is dan ook geen sprake van het dempen van wateren. Wateroverlast Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot water-op-straat of wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast.
Het plan wordt zo ontworpen dat kortstondige hevige buien zonder problemen kunnen worden opgevangen in de openbare ruimte of op particulier terrein. Om dit water op te vangen, wordt onder andere gekozen voor een halverharde parkeerplaats waarin hemelwater makkelijk kan infiltreren, ook bij kortstondige hevige buien. Het hemelwater en afvalwater wordt daarnaast gescheiden afgevoerd. Waterkwaliteit Zoals gesteld wordt het hemelwater gescheiden afgevoerd van het afvalwater. Met de bouw wordt voorzien in de principes van duurzaam en klimaatbestendig bouwen. Met de bouw van het gebouw worden duurzame materialen zoals hout en steen toegepast. Riolering Er is in dit geval beperkt sprake van een beperkte uitbreiding van de rioolcapaciteit. Dit kan naar verwachting eenvoudig afgewikkeld worden op het bestaande riool.
4.8
Ecologie
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden [projectnummer: 3996, versie 1.1, d.d. 16-03-2022], zie ook bijlage Bijlage 5. Het plangebied is op 11 januari 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
35
2000-gebied op voorhand uitgesloten worden. Nader onderzoek, zoals een effectbeoordeling of passende beoordeling wordt niet noodzakelijk geacht. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar er nestelen mogelijk ook vogels waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden.
Om vast te kunnen stellen of er vogels in het plangebied nestelen waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Wettelijke consequenties samengevat: Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; Geen beschermde amfibieën of zoogdieren doden; Nader onderzoek huismus verplicht; Nader onderzoek huismus In verband met de voorgenomen sloop van de opstallen, is het plangebied op 11 januari 2022 onderzocht op de aanwezige beschermde dieren en vaste rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde dieren, zoals vogels en vleermuizen. De bevindingen van dat onderzoek zijn gerapporteerd in rapport 3996 van Natuurbank Overijssel (eigen uitgave Natuurbank Overijssel). Uit het onderzoek kwam naar voren dat de aanwezigheid van een vaste rust- en nestplaats van huismussen onder de dakpannen van het te slopen gebouw niet uitgesloten kan worden op basis van het uitgevoerde onderzoek. De bebouwing met het pannendak vormt een potentiële nestplaats en er werden huismussen in struiken in het plangebied waargenomen. Vaste rust- en nestplaatsen van huismussen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing van de Wet natuurbescherming verstoord, beschadigd en vernield worden. Een éénmalig bezoek aan een plangebied, geeft onvoldoende informatie om met zekerheid iets te kunnen zeggen over de functie van de bebouwing voor vleermuizen. Op basis van een éénmalig bezoek, kunnen de wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming (onderdeel soortbescherming) niet bepaald worden.
Om vast te kunnen stellen of sprake is van overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 6. De resultaten en conclusies zijn onderstaand opgenomen.
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
36
Resultaten Tijdens alle bezoeken zijn huismussen in het plangebied waargenomen. Dit betrof maximaal vier volwassen dieren tegelijkertijd in het plangebied op 12 april en 6 volwassen dieren tegelijkertijd in het plangebied op 5 mei. De huismussen bevonden zich in de opgaande beplanting en op het dak van de bebouwing in het plangebied. Uit waarnemingen is gebleken dat deze huismussen nestelden onder de dakpannen van een gebouw net naast het plangebied (zie onder). De huismussen nestelden onder de onderste rij dakpannen en de nokvorsten van de schuine zijden van het dak. Er zijn géén aanwijzingen gevonden dat huismussen in het plangebied nestelen. Aangezien geen vaste rust- of nestplaats van huismussen in de te slopen bebouwing is vastgesteld, leidt het slopen van de gebouwen niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Conclusie Het onderzoek is volledig uitgevoerd, conform onderzoeksprotocol 1, onder gunstige weersomstandigheden door een deskundige onderzoeker. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden, om de bebouwing in het plangebied te mogen slopen. Het aspect 'ecologie' vormtgeen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.9
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Op het plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Deze dubbelbestemming heeft als doel het behoud en de bescherming van de verwachte archeologische waarden te waarborgen. Voor 'Waarde - Archeologie 3' geldt een onderzoeksplicht voor plangebieden met een (gezamenlijk) oppervlakte groter dan 275 m² en bij grondwerkzaamheden bij een diepte van 40 cm of meer. Toets Het hele plangebied is verhard en/of bebouwd, de gronden zijn daarmee reeds geroerd. Een aanvullend onderzoek wordt om die reden niet noodzakelijk geacht. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
37
Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn in of rondom het plangebied. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.10
Verkeer / parkeren
Verkeer Het plangebied wordt ontsloten op de Meppelerweg. In noordelijke richting wordt het vervolgens ontsloten via de Hoogeveenseweg. In zuidelijke richting via de Meppelerweg en vervolgens de Zwolseweg (N377) in westelijke richting of de Coevorderweg (N377) in oostelijke richting. De Meppelerweg betreft ter plaatse van het plangebied een weg met klinkerverharding. Voor de Meppelerweg geldt een maximumsnelheid van 30 km per uur. Voor de Hoogeveenseweg, in noordelijke richting, geldt een maximumsnelheid van 50 km per uur. Tot slot geldt voor de N377 ter hoogte van het plangebied eveneens een maximumsnelheid van 50 km per uur. Om de verkeersgeneratie als gevolg van het plan te bepalen wordt gebruik gemaakt van de CROW-normen voor verkeersgeneratie. Conform de Parkeernormennota 2017 van de gemeente Hardenberg geldt voor de verstedelijkingsgraad van de kern Balkbrug dat deze behoort tot 'weinig stedelijk' en aangemerkt kan worden als rest bebouwde kom. Voor de twee verschillende functies kan de volgende verkeersgeneratie worden aangehouden: Woonzorgcomplex: de meest vergelijkbare categorie is: 'verpleeg- en verzorgingshuis'. Hiervoor zijn echter geen verkeersgeneratiecijfers bekend waardoor is uitgeweken naar de categorie 'serviceflat'. Hiervoor geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 2,6 verkeersbewegingen per woning per dag.
De totale verkeersgeneratie van het woonzorgcomplex bedraagt derhalve afgerond 42 verkeersbewegingen per dag. Reguliere appartementen: voor de reguliere appartementen wordt aangesloten bij de categorie 'koop, appartementen, goedkoop'. Hiervoor geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 5,6 verkeerbewegingen per woning per dag. De totale verkeersgeneratie van de reguliere appartementen bedraagt derhalve afgerond 67 verkeersbewegingen per dag. De totale verkeersgeneratie bedraagt daarmee 104 verkeersbewegingen per dag. Per saldo is de toename in verkeersgeneratie kleiner. Momenteel is immers al een horecabedrijf toegestaan (er zat altijd een restaurant) die zorgt voor de nodige verkeersgeneratie. In de CROW publicatie wordt bij de categorie 'restaurant' geen verkeersgeneratie genoemd. Dat neemt niet weg dat de verkeersbewegingen die een horecagelegenheid te weeg brengt van de verkeersbewegingen van een woonzorgcomplex en reguliere appartemeten kunnen worden afgetrokken. Per saldo is er dus sprake van minder dan 104 extra verkeersbewegingen. Gelet op de kenmerken van de Meppelerweg, Hoogeveenseweg en N377 kan deze toename van het aantal verkeersbewegingen eenvoudig via de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. Parkeren In de Parkeernota 2017 van de gemeente Hardenberg zijn de huidige parkeernormen opgenomen.
Op basis van de Parkeernota 2017 van de gemeente Hardenberg geldt voor de kern Balkbrug een 'weinig stedelijkheidsgraad' en 'rest bebouwde kom'. De gemeente Hardenberg sluit daarbij aan op de parkeernormen van het CROW. Voor de twee verschillende functies is de parkeernorm als volgt: Woonzorgcomplex: de meest vergelijkbare categorie is: 'verpleeg- en verzorgingshuis'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 0,5 parkeerplaatsen per wooneenheid (inclusief parkeren voor personeel). Er worden 16 eenheden gerealiseerd. Dit komt neer op afgerond 8 parkeerplaatsen. De bewoners van het woonzorgcomplex bezitten echter geen eigen auto. De parkeerplaats ten behoeve van het woonzorgcomplex zal dan ook alleen gebruikt worden door personeel en bezoek. Hierdoor kan de parkeerbehoefte voor het woonzorgcomplex naar beneden worden bijgesteld. Zeker omdat ook aan de Meppelerweg nog zeker 6 openbare parkeerplaatsen zijn, die door bezoekers en personeel gebruikt kan worden. De parkeerbehoefte voor het woonzorgcomplex wordt derhalve ingeschat op 4 parkeerplaatsen op eigen terrein.
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
38
Reguliere appartementen: voor de reguliere appartementen wordt aangesloten bij de categorie 'koop, appartementen, goedkoop'. Hiervoor geldt een gemiddelde parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen. Er worden 12 reguliere appartementen gerealiseerd. Dit komt neer op 18 parkeerplaatsen. In totaal bedraagt de (theoretische) parkeerbehoefte 22 parkeerplaatsen. In totaal worden ook 22 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Daarnaast zijn er nog 6 extra openbare parkeerplaatsen langs de Meppelerweg. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernormen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'parkeren' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
39
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Planopzet en systematiek
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
40
bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan
geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.
Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
41
Woongebied-1 Bij de planregels van dit bestemmingsplan is zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan Balkbrug (NL.IMRO.0160.0000BP00006-VG01). De gronden zijn bestemd voor wonen, waarbij het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het aangegeven aantal. In voorliggend bestemmingsplan zijn dat 12 woningen. Daarnaast is er een wooncomplex mogelijk dit is niet vastgelegd op aantallen. Naast wonen biedt deze bestemming ook ruimte voor verkeer en parkeren en groenvoorzieningen.
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
42
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
43
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie Overijssel. Waterschap Drents en Overijsselse Delta Op 4 maart 2022 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Drents Overijsselse Delta. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 20 oktober voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is één zienswijzen binnengekomen. De reactie op de zienswijze is opgenomen in Bijlage 7. De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
44
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
45
Bijlage 1
Verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek
bestemmingsplan Balkbrug, herontwikkeling C oevorderweg 2-4 NL.IMRO.0160.0000BP00402-VG01
46
RAPPORT VERKENNEND EN NADER (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Coevorderweg 2-4 - Balkbrug
Opdrachtgever NMD Projecten VOF Locatie: Coevorderweg 2-4 7707 AR Balkbrug
Januari 2022
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend en Nader (asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Coevorderweg 2-4 - Balkbrug
Opdrachtgever NMD Projecten VOF Stationsstraat 37 7622 LW Borne
Locatie: Coevorderweg 2-4 7707 AR Balkbrug
Projectcode: 21060016
Rapportagedatum: 10 januari 2022
Auteurs: ing. J.L. Kienstra
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
5 5 6 6 7 8
4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
9 9 9 12 13 13 13
5
Nader asbestonderzoek en aanvullend bodemonderzoek Aanleiding nader asbestonderzoek en aanvullend bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Analyses Veldwerkzaamheden Resultaten asbestanalyses nader onderzoek Bespreking resultaten (asbest)analyses
14 14 14 14 15 16 17
6
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
18
7
Literatuur en bronvermelding
21
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Eco-Reest, april 1999 Boorplan verkennend bodemonderzoek Eco-Reest, maart 2006 Boorplan verkennend bodemonderzoek Grondslag, augustus 2019 Boorplan verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, januari 2022 II Boorstaten en legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses en concentratieberekeningen V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 21060016
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van NMD Projecten VOF op een terrein aan de Coevorderweg 2-4 te Balkbrug door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande aankoop en de herontwikkeling van het terrein. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de geplande aankoop, de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie wordt beschouwd als onverdacht met betrekking tot de chemische parameters. Omdat in de bovengrond puin wordt verwacht is de bovengrond vverdacht voor asbest. De aanleiding voor het nader asbestonderzoek wordt gevormd door de analyseresultaten van het verkennend (asbest)bodemonderzoek; in inspectiegat 5 overschrijdt het gewogen asbestgehalte de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Tijdens het nader asbestonderzoek is ook een aanvullend bodemonderzoek verricht ter plekke van de asfaltverharding. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.