CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost (Geanonimiseerd)

gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente HardenbergBij agendapunt: Besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost36.048 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

In de provinciale Omgevingsverordening Overijssel 2024 zijn nadere regels opgenomen ten aanzien van het routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. De routering en de aandachtsgebieden van routes met gevaarlijke stoffen zijn aangewezen. Ook zijn essentiële functies en gebouwen aangewezen. Dit zijn gebouwen en functies die tijdens rampen inzetbaar moeten blijven zoals rampencoördinatiecentra, ziekenhuizen met traumacentrum, energiecentrales en infrastructuur die nodig is bij rampenbestrijding. Verder zijn er instructieregels opgenomen ten aanzien omgevingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen het aandachtsgebied van het provinciale routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Voor de beoordeling van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico (PR), groepsrisico/aandachtgebieden van belang: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico refereert aan de kans op het overlijden van een individu als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen of een windturbine. Een cruciale standaard voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar, wat betekent dat de kans op overlijden voor een persoon die continu en onbeschermd op een specifieke locatie verblijft, één op een miljoen per jaar bedraagt. Voor het plaatsgebonden risico worden specifieke afstanden vastgesteld rondom of in de nabijheid van de activiteit die het risico veroorzaakt.

Binnen deze afstanden is het plaatsgebonden risico hoger dan de gestelde norm. Bij bepaalde activiteiten, zoals bijvoorbeeld een LPG-tankstation, zijn er vastgestelde afstanden vastgelegd. Voor andere activiteiten, zoals het transport van gevaarlijke stoffen, moeten de benodigde afstanden per individueel geval worden berekend. De norm voor het plaatsgebonden risico (10-6/jaar) is de standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, en de grenswaarde voor kwetsbare locaties en (zeer) kwetsbare gebouwen. Voor windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 meter is de grenswaarde voor kwetsbare locaties en (zeer) kwetsbare gebouwen eveneens 10-6/jaar. Maar voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt er bij deze windturbines, in plaats van een standaardwaarde van 10-6/jaar een grenswaarde van 10-5/jaar. Aandachtsgebieden/groepsrisico Met de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet wordt het groepsrisico beoordeeld binnen aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentraties giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk

76/166

gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Er zijn drie soorten aandachtsgebied: Het brandaandachtsgebied (BAG) wordt begrensd door de afstand waarop de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand. Een explosie-aandachtsgebied (EAG) wordt begrensd door de afstand waarop, als gevolg van een ongewoon voorval: o de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, veroorzaakt door een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE); o de overdruk ten hoogste 10 kPa is vanwege een explosie, anders dan hiervoor. Het gifwolkaandachtsgebied (GAG) wordt begrensd door de afstand waar personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan een bepaalde, vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk. Indien het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.

Kwetsbare gebouwen De kwetsbaarheid van gebouwen en locaties is afhankelijk van de functie van het gebouw. Er wordt onderscheid gemaakt in zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar: Zeer kwetsbaar gebouwen: gebouwen voor niet zelfredzame personen zoals ouderen en kinderen. Hieronder vallen bijvoorbeeld basisscholen, verzorgingstehuizen en ziekenhuizen. Kwetsbare gebouwen en locaties: woningen met een dichtheid van meer dan 2 per hectare en gebouwen of locaties waar een groot aantal personen een groot deel van de dag aanwezig zijn zoals kantoren en sportvoorzieningen. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties: dit zijn overige gebouwen en locaties zoals bedrijven(terreinen), recreatiegebieden en sportvelden (mits daar geen grote aantallen personen gedurende een groot deel van de dag aanwezig is). Onderzoeksmethode en criteria De aspecten ten aanzien van omgevingsveiligheid zijn beoordeeld op basis van openbare gegevens en de vaste afstanden voor bepaalde activiteiten uit bijlage VII van het Bkl. Zowel het plaatsgebonden risico als mogelijke toename van groepsrisico binnen aandachtsgebieden rond risicobronnen is hierbij beoordeeld. De Veiligheidsregio IJsselland is betrokken bij deze beoordeling, zie het advies in Bijlage 5. Tabel 10-1 Beoordelingscriteria externe veiligheid Score + 0/+ 0 0/-

Beoordeling van het effect Afname van plaatsgebonden risico’s of groepsrisico in aandachtsgebieden. Beperkte afname van plaatsgebonden risico’s of groepsrisico in aandachtsgebieden. Geen toename van plaatsgebonden risico’s of groepsrisico in aandachtsgebieden. Geringe toename van plaatsgebonden risico’s of groepsrisico in aandachtsgebieden of mogelijkheden hiervoor. (Grote) toename van plaatsgebonden risico’s of groepsrisico in aandachtsgebieden.

10.2 Referentiesituatie Uit de Atlas van de leefomgeving blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen over het water of het spoor met een externe werking, zie Figuur 10-1. Wel is sprake van risicovolle inrichtingen, diverse buisleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen over de N377 (Figuur 10-2). Vervoer gevaarlijke stoffen N377 De N377 maakt onderdeel uit van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen en is opgenomen in het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over de weg. Het plangebied is gelegen op circa 530 meter van deze weg. Hiermee is het plangebied niet gelegen in het brandaandachtsgebied (30 meter) of explosieaandachtsgebied (200 meter) van de weg.

77/166

Omdat er geen sprake is van vervoer van toxische vloeistoffen, heeft de N377 geen gifwolkaandachtsgebied. Hiermee heeft deze route geen effect op het plangebied. Risicovolle inrichtingen Aan de Rheezerend 54 bevindt zich de risicovolle inrichting tankstation J.A. Kerkdijk V.O.F. waarbij er sprake is van de verkoop van LPG. Ter plaatse van een LPG-tankstation zijn drie bronnen relevant voor de risicobeoordeling: het vulpunt, de LPG-afleverinstallatie en het LPG-reservoir. Voor deze bronnen gelden drie verschillende contouren ten aanzien het plaatsgebonden risico. De plaatsgebonden risicocontouren komen niet over het plangebied heen. Het brandaandachtsgebied van het tankstation is 60 meter, het explosieaandachtsgebied is 150 meter. Het plangebied bevindt zich net buiten het explosieaandachtsgebied. Wel is de ontwikkeling in de 1% letaliteitsgrens (380 meter) van het LPGtankstation gelegen. De Pluimveeslachterij Plukon b.v. is gelegen aan de Langewijk 135, ten noordwesten van het plangebied op het bedrijventerrein Rollepaal. Het bedrijf bevindt zich op een afstand van circa 500 meter van het plangebied. Hier bevindt zich een ammoniak-koelinstallatie van 5.000 liter. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour van deze inrichting valt buiten de begrenzing van het plangebied.

Figuur 10-1 Externe Veiligheid in Atlas Leefomgeving met het plangebied geel omkaderd

78/166

Figuur 10-2 Route transport gevaarlijke stoffen incl. aandachtgebieden. bron: Ontwerp Omgevingsverordening Overijssel 2021

Aardgasleidingen Ten zuiden en oosten van het plangebied is een buisleidingenstrook met hogedrukaardgasleidingen gelegen. Een overzicht hiervan is in tabel 10-3 gegeven. De PR-contouren liggen op de leidingen zelf en reiken niet tot het plangebied. Het plangebied bevindt zich op circa 253 meter van de buisleidingenstrook. De brandaandachtsgebieden zijn berekend door de Gasunie en weergegeven op de kaart Atlas Leefomgeving. Hieruit blijkt dat het zuidelijk deel van het plangebied in de brandaandachtsgebieden van de buisleidingen is gelegen, zie figuur 10-1. Er is geen sprake van explosie- of gifwolkaandachtsgebieden bij een buisleiding die aardgas transporteert. Tabel 10-2 Overzicht hogedruk aardgasleidingen

Buisleiding

Maximale werkdruk (bar)

A-661

Uitwendige diameter (inch) 48

Afstand tot plangebied

80

Brandaandachtsgebieden/ 100%1% letaliteit letaliteitscontour/ PR 10-8-contour 585 meter 215 meter

A-619 A-516

48 48

66,2 66,2

545 meter 545 meter

205 meter 205 meter

262 meter 271 meter

A-519 A-605

48 30

66,2 80

545 meter 470 meter

205 meter 165 meter

282 meter 291 meter

258 meter

10.3 Planvoornemen Uit de referentiesituatie blijkt dat er in het plangebied geen plaatsgebonden risicocontouren liggen. Het PR van de huidige situatie blijft daarmee ongewijzigd. Een deel van het plangebied is in de brandaandachtsgebieden van de buisleidingen gelegen.

79/166

Beperkt kwetsbare objecten Binnen het planvoornemen worden geen zeer kwetsbare of kwetsbare gebouwen of locaties mogelijk gemaakt. Met het planvoornemen worden nieuwe bedrijven toegevoegd zoals bedrijven uit de transportsector, recycling en verdeelstation Enexis/TenneT. Deze bedrijven vallen conform het Bkl in de categorie beperkt kwetsbare gebouwen. Bij het type bedrijf dat wordt mogelijk gemaakt kan een kantoorfunctie of bijeenkomstfunctie aanwezig zijn waardoor delen van gebouwen beschouwd moeten worden als een kwetsbare locatie. Vanwege het toelaten van (beperkt) kwetsbare gebouwen in het brandaandachtsgebied van de buisleiding moet daarom rekening gehouden worden met de kans op het overlijden van groepen mensen. In het omgevingsplan kunnen een aanvullende maatregelen (of een voorschriftengebied) nodig zijn. Risicobronnen Binnen het planvoornemen worden ook risicobronnen mogelijk gemaakt. Concreet gaat het hier om de mogelijke realisatie van een waterstoftankstation en windturbines. In nieuwe situaties dienen de PR 10-6 contouren binnen de inrichtingsgrenzen van de inrichtingen te blijven. Waterstoftankstation De exacte locatie en capaciteit is nog niet bekend. Daarom worden de effectafstanden op hoofdlijnen bepaald en wordt beoordeeld of binnen het plangebied voldoende ruimte aanwezig is voor een veilige situatie ter plaatse.

Hierbij wordt rekening gehouden met de afstanden tussen de risicobronnen en de (beperkt) kwetsbare objecten in zowel de huidige situatie als de nieuw te vestigen objecten. Nederland telt op dit moment 10 tankstations die waterstof aanbieden. Waterstof is zeer licht ontvlambaar, geur-, kleuren smaakloos, niet giftig en niet bijtend. Het is lichter dan lucht en heeft een zeer lage ontstekingsenergie. Waterstof als brandstof is meestal samengeperst en opgeslagen onder zeer hoge druk (200 - 1.000 bar). De energiedichtheid is 120 MJ/kg. Waterstof kan ter plaatse bij tankstations worden geproduceerd uit aardgas of groengas door stoomreforming. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een tussenopslag met een buffervoorraad. Waterstofgas kan ook in de buurt van een waterstoftankstation worden geproduceerd en worden getransporteerd via een gasleiding of worden aangeleverd met een tube- of cilindertrailer. Aangezien het terrein niet wordt aangesloten op aardgas ligt de aanlevering via een trailer voor de hand. De kans dat een calamiteit optreedt is het grootst bij de levering van waterstof aan de pomp. Daarom heeft het RIVM de risico- en effectafstanden van waterstoftankstations in beeld gebracht13. In het Bkl is voor waterstoftankstations een plaatsgebonden risicocontour en een brandaandachtsgebied bepaald met een vaste afstand.

Voor de productie op locatie of de aanvoer via een buisleiding geldt een plaatsgebonden risicoafstand van 30 meter. Als de aanvoer van waterstof via een tankwagen plaatsvindt is een plaatsgebonden risicoafstand van 35 meter nodig. Binnen deze afstand treedt bij een calamiteit onherstelbare schade op en komt 100% van de aanwezige personen te overlijden. De afstand voor het brandaandachtsgebied voor een waterstoftankstation is 55 meter vanaf de opslagtank. Kwetsbare of beperkte kwetsbare gebouwen die met het planvoornemen mogelijk wordt gemaakt, mogen binnen het aandachtsgebied worden gerealiseerd. De gemeente kan in dit geval besluiten om het aandachtsgebied in het Omgevingsplan slechts gedeeltelijk of niet aan te wijzen als voorschriftengebied. Hierbij moet wel worden gemotiveerd dat de veiligheidssituatie ter plaatse aanvaardbaar is. Onderdeel van de ontwikkeling is de uitbreiding van het verdeelstation Enexis/TenneT, inclusief de benodigde ruimte voor ondergrondse kabels en leidingen voor het hoogspanningsnetwerk. Hoogspanningsstations en -verbindingen zijn geen kwetsbaar of beperkt kwetsbare objecten in de zin van de Omgevingswet. Het betreft echter wel een locatie voor kwetsbare infrastructuur. TenneT heeft door adviesbureau HaskoningDHV Nederland B.V. een onderzoek laten uitvoeren van de effecten van risicobronnen op de hoogspanningsverbindingen en -stations.

Hieruit is gebleken dat vanaf 3,5 kW/ m2 warmtestraling en een overdruk van 0,2 Bar de leveringszekerheid van de verbindingen niet meer gewaarborgd kan worden.

13

Memo Risico- en effectafstanden waterstoftankstations, RIVM, 3 oktober 2016, kenmerk 20160149 VLH HAS/Sta/sij.

80/166

Om een (waterstof)tankstation eventueel toe te staan zal in het omgevingsplan moeten worden geborgd dat het gewenste LPG- en waterstoftankstation geen hogere warmtestraling dan 3,5 kW/ m2 of een overdruk grote dan 0,2 Bar op onze hoogspanningsverbinding en/of -station geeft. Afhankelijk van uiteindelijke precieze uitvoering van het waterstoftankstation, ligt de warmtestraling van 3,5 kW/m2 op circa 100 meter. Indien het waterstoftankstation op minimaal 100 meter afstand van de hoogspanningsverbindingen en -station van TenneT gerealiseerd wordt is sprake van aanvaardbare situatie. Windturbines In het planvoornemen is ook de realisatie van windturbines mogelijk. Voor windturbines gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bij de installatie van windturbines is het waarborgen van veiligheid een essentiele vereiste die aantoonbaar moet worden gegarandeerd. Hoewel de kans op het ontstaan van een veiligheidsrisico door een windturbine zeer klein is - omdat windturbines moeten voldoen aan strenge veiligheidsnormen - kan deze mogelijkheid niet volledig worden uitgesloten. Potentiële risico's bij een windturbine omvatten onder meer het breken van de gondel, mastfalen of het afbreken van een (gedeelte van een) rotorblad.

Als binnen het invloedsgebied van een windturbine risicovolle installaties worden geplaatst, kan dit leiden tot een toename van de autonome faalfrequentie van die installaties als gevolg van de aanwezigheid van de windturbines. Wanneer zich een incident voordoet bij een windturbine, zoals het afwerpen van een rotorblad, bestaat de mogelijkheid dat een risicovolle installatie door dit blad wordt geraakt, wat kan leiden tot het falen van de installatie. Dit fenomeen staat bekend als het domino-effect. Als gevolg van dit toegevoegde risico kan het plaatsgebonden risico van de risicovolle installatie toenemen, en in mindere mate ook het groepsrisico. Bij het aanvragen van een vergunning binnen het plangebied dient het toegevoegde risico van de windturbine te worden meegenomen in de externe veiligheidsbeoordeling van de vergunningsaanvraag. TenneT heeft beleid opgesteld met advies aangaande plaatsing van windturbines in de nabijheid van boven- en ondergrondse hoogspanningskabels. TenneT adviseert de grootste waarde van de tiphoogte en de werpafstand bij nominaal toerental aan te houden. Wanneer het niet mogelijk is om de windturbines buiten deze effectafstand te realiseren adviseert TenneT het toegevoegde risico te berekenen en contact op te nemen met TenneT om vast te stellen of het risico aanvaardbaar is.

Conclusie Vanwege de toevoeging van beperkt kwetsbare gebouwen in het brandaandachtsgebied van de 5 buisleidingen ten zuiden en oosten van het plangebied zal de gemeente rekening moeten houden met het groepsrisico. Ook zal gekeken moeten worden naar eventuele maatregelen die mensen beschermen binnen het aandachtsgebied. Het waterstoftankstation zal op minimaal 100 meter van de hoogspanningsverbindingen en -station van TenneT gerealiseerd worden zodat er geen hogere warmtestraling dan 3,5 kW/m2 of een overdruk groter dan 0,2 Bar op de hoogspanningsverbinding en/of -station komen. Voor het waterstoftankstations gelden voor andere beperkt kwetsbare objecten een afstand van 35 meter voor het plaatsgebonden risico en 55 meter voor het aandachtsgebied. Er worden met het planvoornemen beperkt kwetsbare gebouwen binnen het brandaandachtsgebied van de buisleidingen toegevoegd, waarmee het effect licht negatief wordt beoordeeld (-/0).

10.4 Varianten en alternatieven Varianten Grondwal In de variant grondwal wordt onderzocht wat de effecten zijn als de grondwal aan de noord- en oostzijde lager of hoger is. De grondwal komt niet aan de zuidzijde (tussen de brandaandachtsgebieden van de buisleidingen en (zeer of beperkt) kwetsbare gebouwen), waardoor de mogelijke effecten niet verkleind worden. De variant grondwal heeft daarom geen andere effecten voor het aspect omgevingsveiligheid dan het planvoornemen. De score voor de variant grondwal wordt daarom beoordeeld als -/0, gelijk aan het planvoornemen.

81/166

Bedrijfswoning In de variant bedrijfswoning zal een aanwezige woning mogelijk komen te vervallen en ingevuld worden met een bedrijfsbestemming. De woning is momenteel aanwezig, voor exenterne veiligheid wordt er geen verschil gemaakt tussen woning en bedrijfswoning: het omzetten naar bedrijfswoning heeft geen effect. De woning is niet in het brandaandachtsgebied van de buisleidingen gelegen. Afhankelijk van nieuw toe te voegen functies, zoals een waterstof- op LPG-tankstation kan mogelijk effect hebben als de woning binnen een aandachtgebied komt te liggen. Aangezien het slechts oom 1 woning gaat is dit effect op het groepsrisico te verwaarlozen. Vanuit de wetgeving is een nieuw bedrijf niet mogelijk als de woning binnen een PR-contour zou komen te liggen. Hiermee is de aanwezigheid van de woning hoogstens belemmerend voor de locatiekeuze van bedrijven met een PR-contour buiten de perceelsgrenzen. Dit effect is klein, zodat deze variant ook hetzelfde wordt beoordeeld als het planvoornemen. Alternatief lichtere bedrijvigheid Het grootste verschil tussen dit alternatief en het planvoornemen is het type nieuwe bedrijvigheid. Binnen dit alternatief is de ontwikkeling van een waterstoftankstation ook mogelijk, aangezien dit gezien de gevaarsaspecten (zie afstanden genoemd in paragaaf 10.3) niet als zware bedrijvigheid wordt geclassificeerd.

In beginsel is de kans op het vestigen van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen iets kleiner in dit alternatief, maar de effecten hiervan zijn verwaarloosbaar. Dit alternatief wordt net zoals het planvoornemen beoordeeld als -/0.vanwege de toevoeging van beperkt kwetsbare gebouwen binnen het brandaandachtsgebied van de buisleidingen. Scenario verkeersontsluiting op de N36 De nieuwe ontsluiting kruist enkele buisleidingen. Een weg is echter geen (beperkt) kwetsbaar gebouw volgens de Omgevingswet. Naast de kruising met buisleidingen komt de weg gedeeltelijk onder de hoogspanningsverbindingen 110 kV Ommen Witharen-Dalen Broekkampsdijk en de 380 kV Zwolle-Meeden te liggen. TenneT heeft in haar zienswijzen aangegeven dat toetsing aan de veiligheidsnormen hierbij noodzakelijk is. Omdat de ontsluiting op dit moment nog niet concreet is wordt dit enkel vermeld als aandachtspunt. Ook met dit scenario worden er beperkt kwetsbare gebouwen toegevoegd in het brandaandachtsgebied van de aardgasleidingen, waardoor het effect beoordeeld kan worden als -/0.

10.5 Samenvattende effectbeoordeling In Tabel 10-3 is de effectbeoordeling weergegeven. Door het toevoegen van bedrijven in het aandachtgebied van de strook met hogedrukaardgasleidingen, neemt het groepsrisico toe. Ook de mogelijkheid voor het vestigen van bedrijven met gevaarlijke stoffen, zoals een waterstoftankstation, draagt hieraan bij. Het plaatsgebonden risico zal niet toenemen. Tabel 10-3 Effectbeoordeling omgevingsveiligheid

Planvoornemen

Omgevingsveiligheid

-/0

Variant bedrijfswoning -/0

Variant grondwal -/0

Alternatief lichte- Scenario verkeersre bedrijvigheid ontsluiting N36 -/0

-/0

Mitigerende maatregelen Er zijn vanuit het onderzoek maat omgevingsveiligheid wel enkele mitigerende maatregelen nodig: Om de kwetsbare infrastructuur te beschermen, moet de afstand tussen de locatie(s) van TenneT en de hoogspanningsverbindingen en een potentieel waterstoftankstation (of ander bedrijf met gevaarlijke stoffen) voldoende groot zijn. Hiertoe zal bij vestiging van een risicovol bedrijf vooraf een nader onderzoek gedaan moeten worden om de haalbaarheid van een locatie en/of mogelijke maatregelen te bepalen. Indien windturbines worden toegestaan of geplaatst moet eerst onderzoek worden gedaan naar de benodigde afstand tot kwetsbare infrastructuur en de risico-afstanden tot opslagen van gevaarlijke stoffen. Binnen het aandachtgebied van de hogedrukaardgasleidingen wordt aanbevolen aanvullende maatregelen te nemen zodat aanwezige personen veilig kunnen schuilen of vluchten ingeval van brand.

82/166

11 BEZONNING, LICHTHINDER EN TRILLING Bezonning, lichthinder en trillingen zijn allen geen standaard MER-onderwerpen, maar in een stedelijk gebied kunnen deze aspecten zeer relevant zijn voor de leefomgevingskwaliteit en daarmee samenhangend de gezondheid. Voor een volwaardige beoordeling van de te verwachten woon- en leefomgevingskwaliteit van het planvoornemen en de alternatieven en varianten zijn deze aspecten daarom in het MER onderzocht.

11.1 Toetsingskader Wet- en regelgeving/ beleid Bezonning In de inspraakprocedure is de zorg uitgesproken dat de grondwal zorgt voor schaduw op de landbouwgrond en daarmee effecten heeft op de opbrengst. In dit MER gaan we daarom kort in op de mogelijke effecten als gevolg dan de uitbreiding. Binnen Nederland zijn er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen, bouwwerken of percelen. Er is geen wet die het recht op bezonning regelt. Lichthinder Locaties met kunstmatige verlichting kunnen verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. Er is ook een leidraad voor overheden.14 Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken: Hinder voor de mens. Hinder langs wegen. Verstoring van de natuur. Horizonvervuiling. Effectafstanden De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Over effectafstanden van kunstmatige verlichting is nog weinig bekend.

Deze afstanden zijn afhankelijk van verschillende aspecten: de kenmerken van de verlichting (zoals verlichtingsintensiteit, de golflengtes ofwel spectrale samenstelling van het licht, de vorm van de armatuur, et cetera); de situatie waarin de verlichting plaatsvindt (de transparantie van het landschap). In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Het omgevingsplan kan bijvoorbeeld ambities bevatten over lichthinder in de openbare ruimte, eventueel in de vorm van omgevingswaarden, maar ook een zorgplicht met betrekking tot lichthinder, beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen en bevoegdheden tot het stellen van maatwerkvoorschriften over lichthinder. Trillingen In het omgevingsplan moet een gemeente regels opnemen voor trillingen vanwege activiteiten bij trillingsgevoelige gebouwen indien trillingsveroorzakende activiteiten worden toegelaten en dit nodig is voor het realiseren van een aanvaardbaar trillingsniveau. Trillingsgevoelige gebouwen zijn met name woningen, maar ook scholen en zorgfuncties. De in het Bkl opgenomen standaardwaarden en grenswaarden zijn gebaseerd op de SBR trillingsrichtlijn deel B (hinder voor personen in gebouwen).

14

Leidraad_uitvoering_motie_lichthinder_december_2020.

83/166

In het geval van trillingen langs infrastructuur worden de volgende trillingswaarden getoetst: de zogenoemde Vmax en Vper. De Vmax betreft de maximale trillingssterkte die voorkomt. De Vper betreft de gemiddelde trillingssterkte. Beide waarden worden apart bepaald en getoetst voor de dag/avondperiode en de nachtperiode. Het accepteren van (matige) hinder kan onder meer afhankelijk zijn van de mate waarin trillingssterkte voorkomt, de aanwezigheid van andere trillingsbronnen (de achtergrondtrillingen), de mogelijkheid tot het treffen van trillingsreducerende maatregelen en de historie. In geval van mogelijke hinder dienen de betrokken partijen te overleggen. Ernstige hinder is niet toelaatbaar. Onderzoeksmethode en criteria Bezonning Bij bezonning gaat het in dit geval om voldoende zon op de agrarische gronden. Hoogbouw kan schaduwwerking op de gronden veroorzaken. De schaduwwerking is kwantitatief op basis van globale aannames ten aanzien van de schaduwlengte beoordeeld. Tabel 11-1 Beoordelingscriteria bezonning Score + 0/+ 0 -/0 -

Beoordeling van het effect Geen sprake van schaduwwerking Zeer geringe schaduwwerking in winterperiode. Er is alleen sprake van schaduwwerking in winterperiode op de randen van het perceel. Er is sprake van schaduwwerking vanuit één windrichting gedurende het jaar. Er is sprake van permanente schaduwwerking gedurende het jaar vanuit meerdere windrichtingen.

Lichthinder In het MER wordt beoordeeld in hoeverre het planvoornemen kan leiden tot lichthinder bij nabijgelegen woonbebouwing ten opzichte van de al bestaande verlichting in het gebied. Middels kwalitatieve beoordeling worden de effecten van mogelijke lichthinder op woonbebouwing beschreven, indien nodig aangevuld met visualisaties. Hierbij worden zowel licht van koplampen, terreinverlichting als reclameverlichting beschouwd. Tabel 11-2 Beoordelingscriteria lichthinder Score + 0/+ 0 -/0 -

Beoordeling van het effect Geen lichthinder op omgeving. Matig tot goede lichtsituatie (afhankelijk van plek en activiteit) Matige lichtsituatie Matig tot slechte lichtsituatie (afhankelijk van plek en activiteit) Slechte lichtsituatie (vanuit alle richtingen sprake van lichthinder)

Trillingen Trillingen kunnen ontstaan door verkeer (met name vrachtwagens) over de weg. De trillingen bewegen zich door de bodem en nemen af als de afstand tot de bron groter wordt. De aard van trillingen is afhankelijk van type voertuig en snelheid. Het onderzoek van trillingen bij wegen ligt binnen een afstand van 100 meter van de bron. De effecten worden kwalitatief beschouwd aan de hand van de intensiteiten, snelheid en kenmerken van het terrein. Tabel 11-3 Beoordelingscriteria trillingen Score + 0/+ 0 -/0 -

84/166

Beoordeling van het effect Trilling niet van toepassing Er is geen hinder van trillingen Zeer lokaal sprake van matige trillinghinder Op enkele locaties sprake van trillinghinder Er is sprake van ernstige trillinghinder op meerdere locaties

11.2 Referentiesituatie Bezonning In de referentiesituatie zijn er op de grens met het plangebied bedrijfsgebouwen aanwezig met een hoogte tussen de 15 en 20 meter, zie Figuur 11-1. De bebouwing staat aan de oostzijde van de percelen waardoor vanaf het middaguur tot in zonsondergang sprake kan zijn van schaduwwerking langs een zone van circa 20-25 meter langs het huidige bedrijventerrein (uitgaande van een zonhoek van 38 graden in maart).

Figuur 11-1 Uitsnede hoogtebestand omgeving Rollepaal (bron: AHN-viewer)

85/166

Figuur 11-2 Zonnestand ter hoogte van het plangebied. De halve maan weergeeft de route van de zon, de stralen geven aan waar de zon op komt (oost) en onder gaat (west) (bron: suncalc.org)

Lichthinder In de referentiesituatie wordt door omwonenden lichthinder ervaren vanaf het bestaande bedrijventerrein Rollepaal. De lichtreclame zorgt voor een oranje gloed in de avond- en nachtperiode (Figuur 11-3). Ook is de terreinverlichting goed zichtbaar vanaf de bestaande woningen, ondanks een afschermende grondwal. Dit blijkt ook uit de kaarten van het RIVM op basis van satellietdata, zie Figuur 11.3 en 11.4.

Figuur 11-3 Lichthinder huidige situatie, Uitzicht woningen Rheezerend (links) en Spekopswijk/Woudbloemweg (rechts)

86/166

Figuur 11-4 Lichtemissie op basis van satelietdata (bron: Atlas van leefomgeving) en Nachtfoto vanuit ruimtestation 2012 (rechts) (bron: Atlas van leefomgeving)

Trillingen In de huidige situatie zijn er geen klachten bekend over trillingshinder vanwege bedrijven of het verkeer van en naar Rollepaal.

11.3 Planvoornemen Bezonning Het planvoornemen gaat uit van een bedrijventerrein met een maximale bouwhoogte van 15 meter aan de oostzijde. Door de afstand van de bebouwing tot de plangrens (vanwege de tussenliggende grondwal, water, groenstroken, fiets- en wandelpaden en interne wegen, zie Figuur 11-5) is schaduwwerking vanwege de gebouwen uitgesloten. Rondom het bedrijventerrein wordt een grondwal gerealiseerd van 3 meter hoogte met beplanting. Aan de oostzijde van het bedrijventerrein zijn agrarische gronden aanwezig. Uit de inspraak blijkt dat de gebruiker van deze gronden zich zorgen maakt over mogelijke schaduwwerking als gevolg van hoge objecten en de grondwal, waardoor de groei van gewassen beperkt kan worden. Om een beeld te geven van de effecten is gekeken naar de zonstand (38 graden in maart ten opzichte van de horizon) en de schaduwlengte van nieuwe gebouwen en de grondwal aan de oostzijde. In onderstaande figuren is een weergave gegeven van de schaduwlengte bij een zonhoek van 38 graden in maart. Uit de figuren blijkt dat wanneer de begroeiing een hoogte heeft van 10 meter, er geen sprake is van schaduw ter plaatse van de agrarische gronden. Wanneer de begroeiing uitgroeit tot circa 20 meter is er sprake van een schaduwlengte van circa 10 meter ter plaatse van de agrarische gronden.

In tegenstelling tot schaduw van bebouwing is er geen sprake van harde schaduw zoals in de referentiesituatie op de oostgrens nu wel het geval is. Daarnaast krijgen niet alle bomen een hoogte van 20 meter en dient de zone langs de watergang worden vrijgehouden als bufferzone (3 meter15), waardoor de voor gewassen geschikte zone 3 meter naast de watergang ligt. De effectzone bedraagt hierdoor 0 tot 7 meter in de vroege lenteperiode. Naar mate het seizoen vordert is er geen sprake meer van schaduwwerking. In vergelijking met de referentiesituatie is geen sprake van een noemenswaardige verslechtering van de bezonning. Dit wordt neutraal beoordeeld (0).

15

Alles over bufferstroken 2023 (rvo.nl)

87/166

Figuur 11-5 Weergave schaduw als gevolg van begroeiing 10 meter hoogte (boven) en 20 meter hoogte (onder) bij een zonhoek van 38 graden in maart (begin groeiseizoen)

Lichthinder De straatverlichting is over het algemeen 6 meter hoog langs wegen waar vrachtwagens rijden. Door deze gericht en afgeschermd te plaatsen kan lichthinder zoveel mogelijk worden voorkomen. Mogelijke hinder door koplampen wordt voorkomen door de grondwal. Als gevolg van het toevoegen van bedrijvigheid kan sprake zijn van lichthinder. Aan de noord- en oostkant van de uitbreiding wordt een grondwal gerealiseerd. Het bedrijventerrein biedt ruimte aan meerdere type bedrijven waaronder het nieuwe station van TenneT. Dit station zal niet structureel worden verlicht. Bij onderdelen op het terrein zal in de avonden nachtperiode verlichting aanwezig zijn dat vergelijkbaar is met een buitenlamp aan een woning. Bij calamiteiten en werkzaamheden in de avond- en of nachtperiode is goede verlichting noodzakelijk voor de veiligheid. Dit zal incidenteel plaatsvinden waardoor extreme lichthinder wordt uitgesloten. Met maatregelen zoals armaturen die naar beneden/ op de betreffende objecten zijn gericht zal het uitstralingseffect nihil zijn. De overige kavels worden naar verwachting ingericht met distributiecentra, recyclingbedrijven en overige bedrijvigheid. Het is in dit stadium nog onduidelijk of de geplande activiteiten buiten of inpandig plaats zullen vinden. Naar verwachting wordt het terrein van bedrijven met een transportfunctie verlicht met hoge lichtmasten.

De hoge lichtmasten kunnen zorgen voor lichthinder voor de omwonenden. Hoewel de grondwal met beplanting uiteindelijk hoger is (13-25 meter) dan de maximale bouwhoogte (15 meter) en er een ruime afstand bestaat tussen de verlichte terreinen (circa 56 meter) bedraagt en verlichte wegen (circa 40 meter), is in de beginperiode en tijdens de herfst/winterperiode na bladval sprake van licht-

88/166

verstrooiing op de omgeving. Daarnaast kan sprake zijn van verstrooiing van licht naar boven. Het effect is dan ook als negatief beoordeeld (-). Maatregelen Lichthinder op de omgeving kan worden voorkomen door het opstellen van omgevingswaarde, zorgplicht voor beperken lichthinder, beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen of het stellen van maatwerkvoorschriften. Trillingen Het bedrijventerrein wordt ontsloten via een nieuwe ontsluiting op de Rollepaal. Op korte afstand van deze weg zijn aan de Schutwijk enkele woningen gelegen. De afstand van de weg tot de dichtstbijzijnde woning aan de Schutwijk 2 bedraagt 80 meter. De mate waarin trillingen voor hinder zorgt hangt af van de verkeersintensiteit, type verkeer, vlakheid van weg, bodemtype, afstand van weg tot woning en bouwkundige staat van de woning. In het planvoornemen gaat men uit van 311 zware en 287 middelzware vrachtwagenbewegingen per etmaal. De ondergrond ter plaatse bestaat uit podzolgrond (dekzand), wat betekent dat de weg niet zettingsgevoelig is en trillinghinder geen groot risico is. Daarnaast zorgt de ondergrondsituatie ervoor dat de invloed van verkeerstrillingen snel uitdempen. De weg wordt voorzien van een asfaltverharding, een dergelijke verharding beperkt de trillingsproductie bij verkeerspassages.

Op grond van de wegkwaliteit, de ondergrond en de afstand tussen de weg en de woning (meer dan 80 meter), kan worden verwacht dat als gevolg van het planvoornemen er geen hinder optreedt bij de omliggende woningen. Het effect is neutraal (0).

11.4 Varianten en alternatieven Varianten Bezonning Rondom het terrein wordt een grondwal aangebracht die aangeplant wordt met bomen en struiken. De hoogte van de grondwal bedraagt in het planvoornemen 3 meter, de totale hoogte inclusief volwassen beplanting bedraagt maximaal 25 meter. De grondwal met beplanting is hoger dan de huidige bedrijfsgebouwen (20 meter) die op de oostelijke grens van het plangebied staan. In vergelijking met de bedrijfsgebouwen is er bij een grondwal echter wel sprake van lichtval door de beplanting heen in de herfst/winterperiode. Aangezien de grondwal aan de westzijde van de agrarische percelen komt, is er nog voldoende zoninval vanuit het oosten en zuiden zodat de gewasgroei niet wordt beperkt. In de variant grondwal wordt het effect onderzocht van een grondwal van 1,5 meter hoogte of een scherm op de wal, waarmee de totale hoogte 6 meter wordt. Een lagere grondwal leidt tot een iets lagere kruin. Dit zal een bepekt effect hebben op de schaduwwerking. Een scherm tussen de beplanting heeft geen effect op de schaduwwerking. De variant bedrijfswoning leidt niet tot andere gevolgen ten aanzien van de bezonning dan het planvoornemen. Lichthinder De variant grondwal kan lichthinder ter plaatse van omwonenden beperken ingeval er een topscherm wordt toegepast: in dit geval is de afschermende hoogte, ook in de herfst en winter, 6 meter hoog.

Hiermee kan directe lichthinder van koplampen en straatverlichting beter worden voorkomen. Voor de terreinverlichting van de bedrijven geldt hetzelfde als voor het planvoornemen. Deze variant is iets gunstiger dan het planvoornemen, maar de lichtuitstraling van bedrijvigheid is maatgevend. In het geval dat de grondwal lager is, kan zeker in de herfst en winter hinder optreden van koplampen als deze op het terrein in de richting van de woningen rijden, dit is minder gunstig dan het planvoornemen. De variant bedrijfswoning betekent dat er een potentieel licht-gehinderde minder is, dit effect is echter verwaarloosbaar. Het effect wordt gelijkwaardig aan het planvoornemen beoordeeld (-).

89/166

Trillingen In deze variant is de woonbestemming aan de Schutwijk vervangen door een bedrijfsbestemming waardoor de woning geen trillinggevoelig gebouw meer betreft. Dit geeft een positief effect ten opzichte van de referentiesituatie. Aangezien het om één woning gaat is het effect verwaarloosbaar en als neutraal beoordeeld. De variant met grondwal heeft geen effect op de trillingen. Alternatief lichtere bedrijvigheid Dit alternatief gaat uit van lichtere bedrijvigheid waarbij voornamelijk transport gerelateerde functies worden verwacht. Het type bedrijvigheid leidt niet tot andere effecten ten aanzien van bezonning of lichthinder omdat de bedrijfsbebouwing, de grondwal en beplanting niet wijzigen. Ook trillingshinder zal hetzelfde worden beoordeeld omdat de locatie en uitvoering van de ontsluitingsweg niet wijzigt. Scenario verkeersontsluiting op de N36 Bezonning Een alternatieve ontsluiting aan de zuidzijde heeft geen gevolgen ten aanzien van de bezonning van de agrarische percelen. Lichthinder Ten behoeve van de verkeersontsluiting aan de zuidzijde van het terrein wordt openbare verlichting geplaatst langs de nieuwe weg in het buitengebied. Hierdoor neemt de zichtbaarheid toe en mogelijk ook de lichthinder in de omgeving, dit wordt licht negatief beoordeeld. De lichthinder van het bedrijventerrein blijft negatief, dus de totale beoordeling blijft ook negatief.

Trillingen Als gevolg van de ontsluiting aan de zuidzijde zal het vrachtverkeer voornamelijk via zuidelijke richting afwikkelen. Het aandeel vrachtverkeer langs de Rollepaal wordt hierdoor minimaal. Afhankelijk van de routering van de nieuwe ontsluiting kan hier mogelijk wel sprake zijn van trillinghinder bij woningen langs deze zuidelijke route, bijvoorbeeld langs het Zwarte Pad. De effecten zijn o.a. afhankelijk van de afstand van de weg tot de woningen en dient in het kader van de nieuwe ontsluiting onderzocht te worden, vooralsnog wordt verwacht dat er voldoende mogelijkheden zijn bij de tracékeuze en in het ontwerp om nieuwe trillingshinder te kunnen voorkomen. Dit wordt neutraal beoordeeld.

11.5 Samenvattende effectbeoordeling In tabel 11-4 is de samenvattende effectbeoordeling opgenomen. Uit de beoordelingen blijkt dat er geen sprake is van noemenswaardige milieueffecten voor de aspecten bezonning en trillingen. Het aspect lichthinder is in alle situaties als negatief beoordeeld. De realisatie van het bedrijventerrein kan leiden tot lichthinder bij omwonenden door verlichting van reclame, lichtmasten en koplampen. De aanleg van een grondwal kan de verstrooiing van licht als gevolg van koplampen voorkomen maar in de winterperiode (na bladval beplanting) blijft sprake van uitstraling van verlichting als gevolg van lichtmasten en reclame op de omgeving. Door op de grondwal een scherm te plaatsen kan directe lichthinder van koplampen en straatverlichting worden beperkt (-/0). Wanneer er geen grondwal wordt gerealiseerd is er sprake van meer lichthinder als gevolg van koplampen (--). Mitigerende maatregelen zijn nodig om de effecten van lichthinder op de omgeving te beperken. Tabel 11-4 Effectbeoordeling bezonning, lichthinder en trillingen

Planvoornemen Variant bedrijfswoning Bezonning

0

0

Lichthinder Trillingen

0

0

90/166

Alternatief Variant grondwal Variant grondwal lichtere bedrijvigheid met scherm (6m) 1,5 m/ geen grondwal 0 0 0 -/0 0

-/-0

0

Scenario verkeersontsluiting N36

0 0

Mitigerende maatregen Voor het voorkomen van schaduwwerking en trillingen zijn geen aanvullende maatregelen nodig. Voor het voorkomen van lichthinder moeten de volgende maatregelen worden getroffen: Straatverlichting maximaal 6 meter hoog, afgeschermd en gericht. Geen verlichte reclame-uitingen boven 4 meter. Grondwal ten minste 3 meter hoog, in ieder geval daar waar de grondwal in de zichtlijn interne weg en woningen ligt. Aanbevolen wordt om per kavel/bedrijf een lichtplan te laten opstellen en te laten goedkeuren, waarbij het doel is lichthinder en zichtbaarheid van terreinverlichting en reclame-uitingen bij de omliggende woningen te voorkomen. Hierbij kan in het omgevingsplan gebruik worden gemaakt van een of meer van de volgende instrumenten: het opstellen van omgevingswaarde, zorgplicht voor beperken lichthinder, beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen of het stellen van maatwerkvoorschriften.

91/166

12 NATUUR 12.1 Toetsingskader Wet- en regelgeving De natuurbescherming is geregeld in de Omgevingswet (hierna: Ow), waarin ook de Europese regelgeving is vertaald naar de Nederlandse praktijk. De natuurbescherming heeft zowel betrekking op de bescherming van gebieden (zoals Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland) als op de soortenbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Passende beoordeling Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden.

Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Vervolgens kan een omgevingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Deze gebieden zijn opgenomen in de provinciale verordeningen. Onder de Omgevingswet staan ook de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening. Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken.

De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden. Soortenbescherming Voor de soortenbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Omgevingswet bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Omgevingswet en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan

92/166

ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Omgevingswet en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Provinciale regels: Omgevingsverordening Overijssel (13 december 2023) Natuurnetwerk Nederland (NNN) Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, legt de provincie nieuwe natuur aan. Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Maar het netwerk is er ook voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur, om te recreëren en tot rust komen. Omgevingsplannen moeten voldoen aan de regels die hiervoor in de Provinciale Omgevingsverordening zijn opgenomen. Stiltegebieden In de Omgevingsvisie zijn geen stiltegebieden aangewezen. Voor (potentiële) stiltegebieden gaat de provincie ervan uitgaan dat deze voldoende bescherming krijgen door de ligging binnen het Natuurnetwerk Nederland. Beoordelingskader In de volgende tabel zijn de criteria opgenomen waarop het aspect natuur wordt beoordeeld. Tabel 12-1 Beoordelingscriteria natuur Score

Beoordeling van het effect

+

Beschermde gebieden e/o de gunstige staat van instandhouding van beschermde e/o rode lijstsoorten worden positief beïnvloed

0/+

Beschermde gebieden e/o de gunstige staat van instandhouding van beschermde e/o rode lijstsoorten worden licht positief beïnvloed

0

Geen effecten of beschermde gebieden of beschermde e/o rode lijstsoorten

-/0

Beschermde gebieden e/o de gunstige staat van instandhouding van beschermde e/o rode lijstsoorten worden licht negatief beïnvloed

-

Beschermde gebieden e/ode gunstige staat van instandhouding van beschermde e/o rode lijstsoorten worden negatief beïnvloed

12.2 Referentiesituatie Gebiedsbescherming Op circa 6,7 kilometer afstand van het plangebied is het Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Reggegebied aanwezig. Dit is tevens het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied. Ten zuidoosten ligt op een afstand van circa 16 kilometer Engbertsdijkvenen. Op grotere afstand liggen de stikstofgevoelige gebieden Olde Maten & Veerslootslanden, Uiterwaarden Zware Water en Vecht, De Wieden, Holtingerveld, Dwingelderveld en Mantingerzand. In de referentiesituatie is het gebied in gebruik als bemeste agrarische gronden. De emissie vanuit het plangebied wordt in de huidige situatie bepaald door het huidig landbouwkundig gebruik in het gebied. In 2023 werden de volgende gewassen geteeld: 21 ha maïs en 15 ha bieten16. De emissie van dierlijke mest is berekend op basis van het type mest, het TAN gehalte van de mest, de mest aanwendingstechniek en de bijbehorende emissiefactor. In de referentiesituatie wordt uitgegaan van 241 kg NH3/jaar (dierlijke mest) op de te vervallen agrarische functie 29 hectare maïs/suikerbieten. Uit de stikstof berekening voor de referentiesituatie volgt een bijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. op een vijftal Natura 2000gebieden waaronder: Mantingerzand, Vecht- en Beneden-Reggegebied, Mantingerbos, Dwingerveld en Engbertsdijksvenen. De planlocatie ligt op circa 700 meter van Natuurnetwerkgebied.

Het betreft productiebos beheertype N16.03 droog bos met productie en N16.04 Vochtig bos met productie. Langs de Spekopswijk ligt een bossingel (buiten NNN).

16

Boer en Bunder 1 mei 2023 bron: BRP23.

93/166

Figuur 12-1 Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied

Figuur 12-2 Ligging planlocatie ten opzichte van NNN (bron: geo.overijssel.nl)

94/166

Soortenbescherming Het plangebied bestaat uit percelen met agrarische bestemming. Langs de percelen zijn watergangen/greppels aanwezig. Ter plaatse van de nieuwe ontsluiting is een bosschage aanwezig. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door de Woudbloemweg met twee bomenrijen. De potenties voor zowel beschermde als Rode lijstsoorten zijn beoordeeld aan de hand van een quickscan (zie Bijlage 7). Op grond van de resultaten van de quickscan is nader onderzoek uitgevoerd naar vogels met jaarrond beschermde nesten, kleine marterachtigen, egel en grote modderkruiper (zie Bijlage 11). Vogels Tijdens het veldbezoek is een bolvormig nest aangetroffen aan de westzijde van het plangebied (ter hoogte van het huidige TenneT station). Het nest kan in potentie geschikt zijn voor vogels met jaarrond beschermde nesten zoals ransuil of boomvalk. Uit het nader onderzoek (Bijlage 11) blijkt de afwezigheid van een jaarrond beschermd nest. Het plangebied en omgeving is verder in gebruik als foerageergebied door een kolonie roeken. De roeken broeden in een bosschage op circa 250 meter van het plangebied. Ook zijn waarnemingen bekend van Rode lijst soort graspieper. Het plangebied en omgeving zijn geschikt als broedbiotoop voor deze soort. Dit is tevens het geval voor de soorten grauwe klauwier, grote lijster, kneu, patrijs, watersnip en mogelijk grote karekiet.

Figuur 12-3 Locatie potentieel boomnest jaarrond beschermde vogels (blauw) en roekenkolonie (geel) (bron: QuickScan FaunaX).

Grondgebonden zoogdieren Met name het bosschage rond de nieuwe ontsluiting op Rollepaal biedt potentie voor de zoogdiersoorten egel en kleine marterachtigen. Van deze soorten zijn recente (<5 jaar) waarnemingen bekend uit de ruime omgeving van Dedemsvaart. Naast de voorgenoemde soorten bunzing en wezel zijn ook de soorten haas en konijn opgenomen op de Rode lijst. Van deze laatste soorten zijn waarnemingen bekend uit de omgeving van Dedemsvaart, rond het plangebied. De aanwezigheid van leefgebied van haas binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Hoewel het grootste deel van het plangebied niet geschikt is bevonden als leefgebied voor de soort konijn, door de afwezigheid van vergraafbare grond, kan deze soort wel gebruik maken van de grondwallen rond de onoverdekte opslag in het plangebied. Er is nader onderzoek uitgevoerd naar de soorten egel en kleine marterachtigen (bijlage 11). Uit het onderzoek blijkt de aanwezigheid van de egel. De kleine marterachtigen zijn niet aangetroffen op de cameraval maar de soorten kunnen niet

95/166

volledig worden uitgesloten. Voor de effecten op de kleine marterachtigen en egel wordt een vergunning flora fauna activiteit aangevraagd. Vissen De watergangen in het plangebied bieden potentie voor de grote modderkruiper. Leefgebied van deze soort bestaat uit sloten met een ontwikkelde sliblaag. In 2010 werden in een sloot op ca. 1,8 km afstand van het plangebied een vijftal grote modderkruipers waargenomen. Deze sloot is vergelijkbaar met de sloten binnen en rond het plangebied. Uit het nader onderzoek (bijlage 11) blijkt de afwezigheid van de grote modderkruiper. Vleermuizen In het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen aangetroffen voor vleermuizen, noch in bomen noch in bebouwing. De Woudbloemweg ten zuiden van het plangebied is mogelijk wel in gebruik als vliegroute. De bomenrijen bieden de benodigde beschutting en geleiding. Daarnaast staat de weg in verbinding met de bebouwde omgeving van Dedemsvaart en een bosgebied ten oosten van het plangebied. Overige soort(groepen) worden op grond van de huidige biotoopkenmerken (afwezigheid bebouwing, voedselrijke gronden en intensieven bewerking) en habitateisen uitgesloten.

12.3 Planvoornemen Gebiedsbescherming Als gevolg van het toevoegen van een bedrijventerrein is sprake van een toename van stikstofdemissies. Het onderzoek naar stikstofdepositie en de berekeningen zijn opgenomen in Bijlage 6. Om de emissies te kunnen bepalen is gekeken naar een realistische invulling van het bedrijventerrein. Aangezien het toekomstige bedrijventerrein niet wordt aangesloten op het gas en de invulling van het bedrijventerrein gedeeltelijk bekend is, is afgeweken van de kentallen per milieucategorie. Een andere reden om afwijken van deze kentallen is de hoge ambitie ten aanzien van verduurzaming van bedrijventerreinen vanuit het Rijk en provincie17. Het nieuwe bedrijventerrein is een toekomstbestendig duurzaam bedrijventerrein. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van het verkeersmodel van Goudappel Coffeng. In de beoogde situatie is sprake van een emissie van 548,8 kg NOx en 21,4 kg NH3 per jaar als gevolg van verkeer. Er is gerekend voor het jaar 2026. Uit de berekening voor de beoogde situatie volgt een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. op het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied. Uit de verschilberekening voor referentie - gebruiksfase blijkt dat er geen sprake meer is van depositietoenamen op Natura 2000.

Omdat de mitigerende maatregel intern salderen wordt meegenomen in de beoordeling van effecten op Natura 2000 is een passende beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 13. In de passende beoordeling is de huidige staat van het Natura 2000-gebied en de aangewezen habitattypen beschreven en daaropvolgend het effect van de beoogde ontwikkeling. Aanvullend is een voorzet voor de additionaliteitstoets opgenomen. Uit de passende beoordeling blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen. Ook de effecten van stikstofdepositie op het Natuurnetwerk zijn in beeld gebracht door in de berekening rekenpunten te plaatsen. Uit de verschilberekening blijkt dat er op de rekenpunten geen projectbijdrage is. Er is sprake van een afname van ten opzichte van de referentiesituatie. Gezien de afstand tot het natuurnetwerk en de groene inpassing van het bedrijventerrein inclusief grondwal worden overige effecten als verstoring door licht en geluid uitgesloten.

17

IenW (2023) Routekaart verduurzaming industrie 1.0 Nationaal programma verduurzaming industrie. MinEZK-Routekaart-Def (overheid.nl).

96/166

Figuur 12-4 Projectbijdrage op rekenpunten NNN (groene cirkels)

Soortenbescherming Als gevolg van het voornemen kunnen negatieve effecten ontstaan op beschermde en/of Rode lijstsoorten: Door de kap van het bosschage ter hoogte van de ontsluiting kunnen effecten ontstaan op egel, kleine marterachtigen en Rode lijst vogelsoorten (grauwe klauwier, grote lijster, kneu). Als gevolg van de invulling van het bedrijventerrein verdwijnt verder potentieel broedbiotoop voor Rode lijst soorten als graspieper, patrijs, watersnip en mogelijk grote karekiet. Overige effecten zijn het verlies van foerageergebied voor Roek. Aangezien in de directe omgeving voldoende alternatief en gelijkwaardig foerageergebied aanwezig is worden negatieve effecten niet verwacht. Egel/kleine marterachtigen Voor de soorten grondgebonden zoogdieren (egel, kleine marterachtigen) wordt een vergunning flora-fauna activiteit aangevraagd bij de provincie. Voor het verlies aan leefgebied voor grondgebonden zoogdieren (egel, kleine marterachtigen) wordt een compensatieplan opgesteld waarin de uitgangspunten voor de aanleg van het nieuwe leefgebied worden opgenomen. Het nieuwe leefgebied is aangelegd en heeft ten minste 1 jaar kunnen groeien voordat de werkzaamheden in het plangebied starten. Overige soorten In het planvoornemen is een robuuste water- en groenstructuur opgenomen.

De structuren kunnen een positieve bijdrage leveren aan beschermde- en Rode lijstsoorten in de vorm van broedmogelijkheden, voedsel en schuilmogelijkheden. De grondwal kan zowel voor planten als dieren een habitatfunctie vervullen. De gras-kruidenvegetatie vormt biotoop voor o.a. muizensoorten. De hogere beplanting (struiken en bomen) bieden geleiding en op den duur verblijfplaatsen voor vleermuizen en voedsel, broed- en schuilplaatsen voor vogelsoorten. Daarnaast kan de grondwal voor sommige soortgroepen een corridor/verbinding vormen tussen Dedemsvaart en de Woudbloemweg die in verbinding staat met bosgebieden ten oosten. De positieve bijdrage is afhankelijk van de inrichting van de grondwal. Zo kan het aanbrengen van verlichting langs paden ervoor zorgen dat lichtschuwe soorten (zoals vleermuizen) worden afgeschrikt. Ook het type beplanting is van belang. Wanneer enkel bomen worden aangeplant is er weinig beschutting aanwezig in de vorm van struiken waardoor er minder broed- en schuilmogelijkheden zijn. Door te voorzien in een mantelzoomvegetatie ontstaat veel variatie in gelaagdheid waarbij een geleidelijke overgang is tussen gras, kruiden, struiken en bomen ontstaat. Door tevens rekening te houden met open beschutte plekken gericht op het zuiden vormt de grondwal geschikt vlinderhabitat.

De effecten op de mogelijk aanwezige soorten worden conform tabel 12.1 licht negatief beoordeeld. Daar tegenover staat een neutrale tot licht positieve beoordeling van het plangebied in de eindsituaties, waarbij waardevol verblijfs- en foerageergebied voor alle genoemde soorten wordt gerealiseerd. Het effect wordt hierdoor in de eindsituatie als neutraal beoordeeld. De situatie kan worden verbeterd wanneer een voorschrift wordt opgenomen voor natuurinclusief bouwen.

97/166

12.4 Varianten en alternatieven Variant bedrijfswoning De variant bedrijfswoning heeft geen andere effecten dan het planvoornemen voor dit aspect. Variant grondwal Met betrekking tot de hoogte van de grondwal geldt dat de variant met scherm kan leiden tot versnippering (barrière) voor grondgebonden soorten doordat zij zich niet van de ene naar de andere kant kunnen verplaatsen. De hogere grondwal met scherm scoort derhalve negatief. De lagere grondwal van 1,5 meter heeft een talud 1:6 en de grondwal van 3 meter (planvoornemen) heeft een talud van 1:3. Beide taluds zijn voldoende flauw voor de verwachte soorten, de variant lagere grondwal is derhalve niet onderscheidend. Alternatief lichtere bedrijvigheid Het scenario lichtere bedrijvigheid leidt niet tot andere effecten dan het planvoornemen voor het aspect soortenbescherming. Voor het aspect gebiedsbescherming is voor het alternatief lichtere bedrijvigheid sprake van een hogere emissie door een hoger aandeel vrachtverkeer. Aangezien de depositie gelijk is aan het planvoornemen, is het alternatief gelijk beoordeeld aan het planvoornemen. Scenario verkeersontsluiting op de N36 Als gevolg van de zuidelijke verkeersontsluiting moeten naar verwachting bomen te worden gekapt op de Woudbloemweg. Daarnaast kan sprake zijn van verlichting op een route waar het nu donker is.

De ontsluiting kan daarmee negatieve effecten hebben op de mogelijk aanwezige vliegroute van vleermuizen over de Woudbloemweg. Daarnaast kan sprake zijn van afname van broed- en foerageergebied van Rode lijst vogelsoorten. Wanneer als gevolg van de nieuwe ontsluiting boerderijen verloren gaan zijn in potentie effecten op vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde nesten en grondgebonden zoogdiersoorten als egel en marterachtigen. Dit wordt daarom iets negatiever beoordeeld dan het planvoornemen.

12.5 Aanlegfase Gebiedsbescherming Tijdens de aanlegfase van het bedrijventerrein kan sprake zijn van stikstofemissies door gebruik van mobiele werktuigen en transporten. Op dit moment is nog weinig bekend over de aanlegfase. Om toch een beeld te kunnen geven over de effecten is een inschatting gemaakt van de inzet van materieel, draaiuren en vermogens. In de aanlegfase is sprake van inzet van mobiele werktuigen en transporten voor aan- en afleveren van goederen en personeel. De emissie in de aanlegfase bedraagt 353,6 kg NOx en 13,6 kg NH3 per jaar gedurende een periode van 5 jaar. Er is gerekend voor het jaar 2025. Uit de berekening voor de referentiesituatie volgt een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. op het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied op alleen het habitattype stuifzandheiden met struikhei zonder saldering. Uit de verschilberekening met de referentie blijkt dat er geen sprake meer is van een depositietoename op Natura 2000. Het effect is licht negatief en wordt na inzet van de mitigerende maatregel interne saldering neutraal beoordeeld. Soortenbescherming In de aanlegfase kunnen effecten ontstaan door verwijderen van het bosschage ter hoogte van de nieuwe ontsluiting met de Rollepaal. Hierdoor verdwijnt (potentieel) leefgebied van kleine marterachtigen en egel. Daarnaast kunnen effecten ontstaan op overige (Rode lijst) soorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17099958/1