CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost (Geanonimiseerd)

gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente HardenbergBij agendapunt: Besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost36.048 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Vervolgens kan een aanvullend verkeerskundig onderzoek worden uitgevoerd naar de gevolgen voor de verkeersdruk op de omliggende wegen.

6.6 Samenvattende effectbeoordeling In de onderstaande tabel is de effectbeoordeling van de verschillende verkeersaspecten opgenomen. Er is weinig onderscheid tussen de onderzochte situaties. Zowel in het planvoornemen als het alternatief is de bereikbaarheid voldoende. Er zijn geen knelpunten in verkeersafwikkeling op de relevante kruispunten en ten aanzien van openbaar vervoer en langzaam verkeer blijft de situatie gelijk aan de referentiesituatie. Op alle wegen geldt dat de toename van de verkeersintensiteit als gevolg van de planbijdrage niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid van het omliggende wegennet (0). In het scenario zuidelijke ontsluiting is er sprake van een lichte verbetering van de verkeersveiligheid, in verband met de verwachte verkeersafname op de Stegerensallee. Daarnaast wordt ook de bereikbaarheid van het bedrijventerrein lichtelijk verbeterd, in verband met de nieuwe aansluiting op de N36. Voor het scenario zijn de effecten op de N36 nog niet meegenomen in de beoordeling, omdat in deze fase nog niet te bepalen is of aanvullende maatregelen benodigd zijn om te waarborgen dat de N36 het verkeer probleemloos kan verwerken. Betreffende de bereikbaarheid voor het langzaam verkeer en het openbaar vervoer wordt geen verandering verwacht ten opzichte van de bestaande situatie. Tabel 6-12 Effectbeoordeling Verkeer

Planvoornemen

Bereikbaarheid gemotoriseerd verkeer Bereikbaarheid langzaam verkeer en OV

0

Variant bedrijfswoning 0

0

0

Verkeersveiligheid

0

0

Variant grondwal 0

Alternatief lichte- Scenario verkeersre bedrijvigheid ontsluiting N36 0

0/+

0

0

0

0

0

0/+

Mitigerende maatregelen Voor het mitigeren van de impact van het plangebied op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van de omliggende wegen is het met name van belang om zo min mogelijk vrachtverkeer over de Stegerensallee af te wikkelen. Maatregelen worden genomen om het verkeer zoveel mogelijk in noordelijke richting te sturen naar de N377. Hierbij kan worden gedacht aan bewegwijzering en door te sturen op de noordelijke ontsluitingsroute binnen de inrichting van de aansluiting van het plangebied op de Rollepaal.

52/166

Mogelijke maatregelen Met behulp van aanvullende maatregelen kan de impact van de beoogde ontwikkeling op het omliggende wegennet worden verminderd. Hierbij kan de hoeveelheid gegenereerde autobewegingen van en naar het plangebied worden verminderd door aan te sluiten op het hoofdfietsnetwerk van Hardenberg, of door het gebruik van openbaar vervoer te stimuleren onder de toekomstige werknemers. Een andere mogelijkheid is door in te zetten op vormen van duurzame mobiliteit, zoals carpoolen en deelauto’s. Bij de verdere uitwerking van de beoogde ontwikkeling zijn meerdere mogelijkheden voor het integreren van vormen van duurzame mobiliteit. Zo kunnen afspraken worden gemaakt met de te vestigen bedrijven voor het inzetten van deelmobiliteit (deelauto’s of deelfietsen). Deelfietsen kunnen hierbij niet alleen worden ingezet voor het reizen tussen huis en werk, maar ook om te reizen naar andere bestemmingen in de buurt, zoals de bushalte aan de Rheezerend. Van belang hierbij is dat op het bedrijventerrein voldoende ruimte wordt gereserveerd voor het faciliteren van de deelauto’s en deelfietsen. Zo kan de benodigde ruimte worden gereserveerd binnen een centrale mobiliteitshub.

Naast het faciliteren van deelmobiliteit kan met behulp van een mobiliteitshub de parkeerbehoefte van de verschillende bedrijven binnen het projectgebied op een centrale locatie worden opgevangen, zodat de rest van het terrein efficiënter kan worden ingericht. Indien wordt overwogen om een centrale mobiliteitshub te realiseren op het bedrijventerrein, dan is van belang dat er bij het ontwerpen van de inrichting van het terrein voldoende ruimte wordt gereserveerd.

53/166

7 GELUID 7.1 Toetsingskader Wet- en regelgeving/beleid Algemene bepalingen geluid in de Omgevingswet Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet dienen gemeenten ervoor te zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit wordt bereikt door activiteiten en functies te reguleren en te koppelen aan locaties voor het gemeentelijke grondgebied. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met alle betrokken belangen. Bij het toelaten van een activiteit die van invloed zijn op de akoestische kwaliteit van de fysieke leefomgeving, beoordeelt het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting door deze milieubelastende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Hierbij zijn 2 aspecten van belang: Er moet rekening gehouden worden met het geluid van alle geluidbronnen tezamen. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat deze geluidbelasting aanvaardbaar is. Om de gemeenten hierin bij het opstellen van het omgevingsplan te ondersteunen, zijn in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels opgenomen. Voor de geluidbelasting door industrieterreinen, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai is in deze instructieregels een systematiek van standaardwaarden en grenswaarden opgenomen.

De standaardwaarden staan daarbij voor een basisbeschermingsniveau, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken (zowel hoger als lager). De standaardwaarde voor het energetisch gemiddelde geluidniveau door het hele industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen bedraagt 50 dB voor het Lden en 40 dB voor het Lnight, de standaardwaarde voor het energetisch gemiddelde geluidniveau door gemeentewegen is 53 dB voor het Lden ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen. Voor meer details wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek in bijlagen 3 en 14. In het onderstaande wordt voor zover voor dit MER relevant, ingegaan op de wijze waarop op grond van de Omgevingswet de geluidbelasting door industrieterreinen, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai wordt beperkt. Geluidproductieplafonds Voor de beheersing van het geluid van rijkswegen, hoofdspoorwegen, provinciale wegen, sommige lokale spoorwegen en industrieterreinen wordt het systeem van geluidproductieplafonds (gpp) gehanteerd. Rond geluidbronnen met gpp’s ligt een geluidaandachtsgebied; een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger kan zijn dan de van toepassing zijnde standaardwaarde in Lden. Binnen deze aandachtsgebieden gelden beperkingen voor de geluidbelasting ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen.

Industrielawaai en gpp’s Rond het bestaande industrielawaai is op grond van de voormalige Wet geluidhinder een zogenoemde zone en zijn hogere grenswaarden voor de geluidbelasting vastgesteld. Zoals al gezegd moet voor de uitbreiding met Rollepaal Oost de begrenzing van het industrieterrein worden verruimd. Dit heeft weer tot gevolg dat de bestaande zone zou moeten worden verruimd. De Omgevingswet maakt het verruimen van deze zone niet meer mogelijk; op grond van de Omgevingswet kunnen alleen de hiervoor beschreven gpp’s worden vastgesteld. Dit betekent dat met het wijzigen van het omgevingsplan (waarmee de uitbreiding met Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt) voor het totale zowel Rollepaal als Rollepaal Oost omvattende industrieterrein nieuwe gpp’s moeten worden vastgesteld. Overig wegverkeerslawaai Voor wegen van gemeenten en waterschappen en de meeste lokale spoorwegen wordt het systeem van de basisgeluidemissie gehanteerd. Deze basisgeluidemissie is een technische beschrijving van de geluidbron in de vorm van de intensiteit van het weg- en spoorverkeer, het type wegverharding of de opbouw van het spoor, de maximale rijsnelheid en dergelijke. Deze basisgeluidemissie geldt als wettelijke beperking van de geluidbronsterkte. De ontwikkeling van deze bronsterkte

54/166

wordt verplicht vijfjaarlijks gemonitord. Het monitoringsresultaat wordt vergeleken met de basisgeluidemissie: als het geluid met 1,5 dB is gegroeid ten opzichte van de basisgeluidemissie, moet de wegbeheerder afwegen of er maatregelen getroffen worden om het geluid te beperken. Als die maatregelen niet of onvoldoende helpen en het geluid binnen geluidgevoelige gebouwen boven de grenswaarde komt, moeten maatregelen getroffen worden die het geluidniveau binnen de geluidgevoelige gebouwen te verminderen. Windturbines Geluid van windturbines wordt apart beoordeeld. Inmiddels loopt op nationaal niveau een MER-procedure bij een Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving. Op basis daarvan bedraagt de standaardwaarde voor windturbines (voorlopig) Lden = 45 dB/Lnight = 39 dB. De grenswaarde bedraagt Lden = 47 dB/Lnight = 41 dB. Onderzoeksmethoden en criteria Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van 29 hectare bedrijventerrein met relatief ‘zwaardere’ bedrijven (vergelijkbaar met maximaal milieucategorie 4.2), waarbij qua milieubelasting lichtere en qua omvang kleinere bedrijven in het noordoostelijk deel van Rollepaal Oost worden geprojecteerd en de zwaardere/grotere bedrijven in het zuidoostelijk deel. Het alternatief bestaat uit een bedrijventerrein met lichtere, voornamelijk logistieke, bedrijven.

Ook is er een scenario onderzocht waarbij de ontsluiting via een nieuwe weg aan de zuidzijde direct richting N36 afwikkelt, dit heeft voornamelijk effect op wegverkeerslawaai. Omdat er sprake is van een wijziging van het omgevingsplan wordt het vaststellen van de geluidproductieplafonds (gpp’s) voorbereid: onder de Omgevingswet wordt de systematiek van geluidzones vervangen door een systeem met geluidproductieplafonds (gpp’s). In plaats van een contour worden geluidniveaus hiermee op vaste referentiepunten vastgelegd en gehandhaafd. Bij eerste omzetting is dit een beleidsneutrale omzetting, dat betekent dat er geen wijziging is van de toegelaten hoeveelheid geluid. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd voor het omzetten van het tijdelijke deel van het omgevingsplan in het nieuwe deel; dit geldt dus ook voor de omzetting van zones die op grond van de voormalige Wet geluidhinder zijn vastgesteld naar de systematiek van gpp’s. In de effectbeoordeling in het kader van dit MER wordt uitgegaan en gebruik gemaakt van de nieuwe gpp-systematiek. De voorbereiding bestaat uit het bepalen van de geluidproductie bij maximale benutting (voor het bestaande gezoneerde gedeelte met invulling van de grenswaarden Wet geluidhinder), het bepalen van de geluidreferentiepunten, het bepalen van de waarde van de gpp’s en het berekenen van het geluidaandachtsgebied.

Bij het bepalen van de geluidproductie van de uitbreiding wordt uitgegaan van kavelemissies (bronvermogen geluid per m2). Bij bovenstaande werkzaamheden wordt gebruik gemaakt van de op grond van de Omgevingsregeling voorschreven rekenmethoden en het softwareprogramma Geomilieu. Hiervoor zijn twee akoestische rapporten opgesteld, één door DGMR voor de omzetting van de geluidzone naar gpp’s en het vaststellen van nieuwe gpp’s voor het uitgebreide industrieterrein en één overkoepelend rapport voor Rho Adviseurs, waarin ook andere geluidsoorten en cumulatie zijn onderzocht, zie Bijlage 3. Omdat industrielawaai een belangrijk aspect is van het planvoornemen is dit apart beoordeeld. Ook het aspect verkeerslawaai is apart beoordeeld. Vervolgens is de totale geluidskwaliteit beoordeeld. Hierbij zijn zowel de geluidklassen uit Tabel 7-1 betrokken als de drempel voor de waarneembaarheid van geluid: over het algemeen is een wijziging van 1 dB (maximaal 1,49 dB) niet waarneembaar voor het menselijk oor. De overige geluidsaspecten zijn kwalitatief beoordeeld. Tabel 7-1 Beoordelingscriterium industrielawaai Score + 0/+ 0 -/0 -

55/166

Beoordeling van het effect n.v.t. De geluidbelasting bij woningen neemt af of valt overal in klasse goed tot zeer goed De geluidbelasting in omgeving/ bij woningen blijft gelijk (toe- of afname kleiner dan 1,5 dB) De geluidbelasting in omgeving/ bij woningen neemt waarneembaar toe, enkele woningen verschuiven naar lagere geluidklasse (slecht tot redelijk) De geluidbelasting in bij woningen neemt toe tot boven de standaardwaarde, meerdere woningen verschuiven naar lagere geluidklasse, geluidklassen slecht tot matig.

Tabel 7-2 Beoordelingscriterium wegverkeerslawaai Score + 0/+ 0 -/0 -

Beoordeling van het effect n.v.t. De geluidbelasting neemt af met meer dan 1,5 dB De geluidbelasting in omgeving/bij woningen blijft gelijk (+/- 1,49 dB(A)) De geluidbelasting neemt toe met meer 1,5 dB bij enkele woningen, de grenswaarde wordt nergens overschreden De geluidbelasting neemt toe met meer dan 1,5 dB bij meerdere woningen e/o de grenswaarde wordt overschreden

Tabel 7-3 Beoordelingscriterium overig geluid Score

Beoordeling van het effect

+

n.v.t.

0/+

De piekgeluiden bij woningen nemen af

0

De gecumuleerde geluidbelasting en piekgeluiden in omgeving/ bij woningen blijven gelijk De gecumuleerde geluidbelasting in omgeving/ bij woningen neemt waarneembaar toe, kans op piekgeluiden bij woningen

-/0 1)

neemt toe -

2)

De gecumuleerde geluidbelasting of piekgeluiden bij woningen nemen met meer dan 5 dB toe.

7.2 Referentiesituatie Industrielawaai Rond industrieterrein Rollepaal geldt sinds 1993 een geluidzone. Op het industrieterrein zijn diverse bedrijfswoningen aanwezig, nieuwvestiging hiervan is niet mogelijk. De burgerwoning Schutwijk 2 ligt als een enclave in het bedrijventerrein en dus niet op het industrieterrein.

Figuur 7-1 Eerst vastgestelde geluidzone (zwart gestippeld) en nu geldende geluidzone (rood) Rollepaal

56/166

Als eerste stap in de beschouwing van de gevolgen van de geluidbelasting door het industrieterrein in dit MER is de omzetting van geluidbelasting uitgedrukt in etmaalwaarde volgens de voormalige Wet geluidhinder naar Lden en Lnight die onder de Omgevingswet wordt gebruikt. Deze omrekening is gedaan op basis van het zonebeheersmodel dat voor het industrieterrein Rollepaal wordt gebruikt bij maximale invulling van het bestaande industrieterrein. Deze omgerekende geluidbelastingsniveaus zijn vergeleken met de standaardwaarde en grenswaarde die voor geluidgevoelige gebouwen voor industrielawaai worden gebruikt. Uit deze analyse komt naar voren dat ter hoogte van 4 woningen de grenswaarden van 55 dB voor het Lden en 45 dB voor het Lnight worden overschreden. Ter hoogte van nog eens 25 woningen worden de standaardwaarden voor het Lden van 50 dB en Lnight van 40 dB overschreden. Dit zijn woningen aan de Langewijk, Moerheimstraat, Samenwijk, Woudbloemweg, Schutwijk en Rollepaal. Wegverkeerslawaai Ten aanzien van verkeerslawaai wordt de invloed van de extra verkeersgeneratie van de planontwikkeling op bestaande woningen in beeld gebracht. Op basis van het verkeersmodel 2040 zijn de geluidbelastingen Lden bij woningen langs de Langewijk, Moerheimstraat, Rollepaal en Rheezerend 12, Langewijk 442, Industrieweg 2 en Schutwijk 2 berekend. Deze variëren van 49,4 dB tot 60 dB.

Overig geluid In de huidige situatie wordt overlast ondervonden van bedrijfsactiviteiten in de avond- en nachtperiode, dit betreft bijvoorbeeld woningen aan de Spekopswijk. Het gaat dan om activiteiten op buitenterrein van de bedrijven, zoals het plaatsen van containers. Uit metingen van de Omgevingsdienst blijkt dat deze activiteiten inderdaad hoorbaar zijn, maar de piekniveaus bij deze woningen niet overschrijden, onder andere vanwege de grote afstand.

7.3 Planvoornemen Industrielawaai Het planvoornemen bestaat uit de uitbreiding van Rollepaal met zwaardere bedrijven, waarvoor in het algemeen wordt uitgegaan van een kavelemissie van maximaal 65 dB(A)/m2. Omdat de uitbreiding van Rollepaal in samenhang is bekeken met het bestaande gedeelte, is gekozen om zowel berekeningen te maken met als zonder een geluidreservering van 0,5 dB voor het bestaande gedeelte van Rollepaal. Hoewel het bestaande gedeelte van Rollepaal grotendeels ingevuld, betekent dat indien geen reservering wordt gehanteerd er sprake is van een standstill situatie voor de bestaande bedrijven. Uit de rekenresultaten aan het planvoornemen volgt dat ter hoogte van 19 woningen wordt de standaardwaarde van 50 dB voor het Lden wordt overschreden. Ter hoogte van 21 woningen wordt de grenswaarde van 40 dB voor het Lnight overschreden. Ter hoogte van één woning (de woning aan de Schutwijk 2) is de geluidbelasting hoger dan de grenswaarden voor het Lden van 55 dB en 45 dB voor het Lnight. Ter hoogte van de overige woningen is de geluidbelasting niet hoger dan deze grenswaarden. Grondwal Rond de uitbreiding van Rollepaal wordt een grondwal aangelegd.

Het geluidafschermend effect van een grondwal is met name afhankelijk van de afstand van geluidbronnen tot de grondwal, de bronhoogte (4 meter in het model), het talud, de afstand van de waarnemer tot de grondwal en de waarneemhoogte. Het plangebied is groot, de grondwal heeft een beperkte hoogte en een flauw talud en de waarneemhoogte is voor gpp’s verplicht 4 meter hoog (hoger dan de grondwal). Om deze reden is de grondwal niet meegenomen in de berekening van de gpp’s, net zoals de afscherming van gebouwen daar op grond van de rekenregels niet in mee wordt genomen. Windturbines Als er windturbines in het plangebied worden gerealiseerd, wordt het geluid niet mee gerekend in de gpp’s. Als randvoorwaarde kan worden gesteld dat er geen invloed op het gecumuleerde/gezamenlijke geluid is indien het geluid van de windturbines 10 dB onder de gpp-waarden ligt of onder de berekende waarde bij de woningen ligt, zodat de bijdrage als verwaarloosbaar kan worden gezien. Indien dit niet het geval is, is maatwerk nodig.

57/166

Als vuistregel zijn afstanden van 300 tot 600 meter nodig tussen een windmolen van 30 m tot 150 m ashoogte en een geluidgevoelige locatie (zoals een woning) om aan de waarde van Lden van 47 dB te kunnen voldoen. In het hoofdstuk over energie is uitgewerkt hoeveel windmolens van welk type nodig zijn om op Rollepaal een bijdrage te kunnen leveren. Uit het aanvullende onderzoek van DGMR (zie bijlage 12) naar milieueffecten van windturbines, blijkt dat alleen bij de situatie van één windturbine van 5 MW in het plangebied niet kan worden voldaan aan de waarde van Lden 47 dB ter plaatse van woningen aan de Schutwijk. Voor de overige varianten (2 x 3 MW windturbines en de plaatsing van een windturbine van 5 MW ten zuiden van het plangebied) kan worden voldaan aan de waarde van 47 dB bij omliggende woningen. Afhankelijk van turbinekeuze en eventuele mitigerende maatregelen kan het geluid naar de omgeving in positief- en negatieve zin worden beïnvloed. Omdat het toepassen van winmolens geen vast onderdeel van het planvoornemen is, is dit in dit hoofdstuk niet verder beschouwd. Conclusie Het planvoornemen wordt negatief beoordeeld omdat zonder aanpassing sprake is van overschrijding van de wettelijke geluidgrenswaarden.

58/166

Figuur 7-2 Milieueffecten geluid/slagschaduw bij plaatsing van verschillende type windturbines. Uitsnede rapportage DGMR (zie bijlage 12)

59/166

Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het onderzoek is een akoestisch rekenmodel opgesteld, waarbij rekening is gehouden met alle relevante gebouwde ruimtelijke objecten in de omgeving voor zover aanwezig of geprojecteerd. Langs de te beoordelen wegvakken zijn bij in totaal 115 woningen (geluidgevoelige gebouwen) toetspunten ingevoerd met een waarneemhoogte van 4,5 m. Deze set woningen/toetspunten wordt representatief geacht voor de effectbeoordeling. Woningen op het bestaande gezoneerde gedeelte van Rollepaal zijn niet geluidgevoelig en om die reden niet beoordeeld. Uit de rekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai bij de woningen toeneemt. In totaal is bij 115 woningen gerekend, de maximale toename bedraagt 0,9 dB ter hoogte van Schutwijk 2. Er wordt overal voldaan aan de grens van 1,5 dB. De toename wordt beoordeeld als neutraal (<1,5 dB) (0). Tabel 7-4 Aantal woningen per toename interval van 0,5 dB

Interval toename geluid

Aantal woningen op een totaal aantal van 115 berekende locaties planvoornemen

alternatief lichtere bedrijvigheid

0-0,5 dB

111

111

0,5-1,0 dB

4

4

1,0-1,5 dB

0

0

Overig geluid Door de realisatie van het planvoornemen komen er bedrijven dichter bij de woningen aan Spekopswijk, Rheezerend en Woudbloemweg 8 dan in de huidige situatie. Het is mogelijk dat bij de nieuwe bedrijven in de avond en nacht ook activiteiten plaatvinden op het buitenterrein, wat mogelijk tot hoorbare piekgeluiden kan leiden. Hier kan nu nog niet aan worden gerekend, omdat het type bedrijf nog niet bekend is en ook de terreinindelingen niet, waarbij bedrijfsgebouwen de buitenactiviteiten zouden kunnen afschermen. Wel kan worden verwacht dat de standaardwaarden uit het Bkl onvoldoende bescherming bieden tegen hoorbare geluiden, aangezien de omgeving relatief rustig is. Ten eerste kan worden aangenomen dat de bestaande overlast bij de Spekopswijk duidelijk minder wordt door afscherming van de nieuwe bedrijfsbebouwing en de aanleg van de grondwal. Daarnaast zal de grondwal van 3 meter ook bijdragen aan het voorkomen van overlast door de laad- en losactiviteiten in de avond- en nachtperiode, die veelal op geringe hoogte boven de grond plaatsvinden. Toch kan overlast niet op voorhand worden uitgesloten, zeker niet bij de Woudbloemweg omdat de grondwal aan de zuidzijde niet is voorzien. Dit geeft een licht negatief effect.

Overwogen kan worden lagere standaardwaarden toe te laten voor piekgeluiden in de nachtperiode, wat op kavelniveau kan leiden tot het zodanig ontwerp dat de nachtelijke geluiden worden afgeschermd ten opzichte van de woningen.

7.4 Alternatieven en varianten Voor het onderzoek industrielawaai is een extra alternatief opgenomen omdat uit de berekeningen voor het planvoornemen niet past binnen de wettelijke kaders. Dit alternatief wordt alleen in dit hoofdstuk en het hoofdstuk gezondheid beschouwd aangezien het alternatief voor de overige milieuthema’s niet leidt tot andere effecten. Alternatief lichtere bedrijvigheid (alternatief 1) Industrielawaai Het alternatief lichtere bedrijvigheid is doorgerekend met een realistische kavelemissie van 57 dB(A)/m2. Ook in dit geval zijn zowel berekeningen met als zonder een geluidreservering van 0,5 dB voor het bestaande gedeelte van Rollepaal gemaakt. In de situatie zonder reservering treedt ter hoogte van 38 woningen een geluidbelasting op die hoger is dan de standaardwaarde maar lager dan de grenswaarde voor het Lden. Voor het Lnight geldt dat ter hoogte van 43 woningen de geluidbelasting hoger zal zijn dan de standaardwaarde, maar lager dan de grenswaarde. Als rekening wordt gehouden met en reservering voor toekomstige bedrijvigheid, dan geldt dat ter hoogte van 40 woningen sprake zal zijn van een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde, maar een lagere geluidbelasting dan de grenswaarde voor het Lden. Voor het Lnight

60/166

geldt dan dat ter hoogte van één woning de grenswaarde wordt overschreven en de geluidbelasting ter hoogte van 43 woningen hoger is dan de standaardwaarde maar lager dan de grenswaarde. Door rekening te houden met de geluidreservering kan de geluidbelasting ten opzichte van het alternatief lichtere bedrijvigheid waarbij geen rekening wordt gehouden met een geluidreservering (logischerwijs) enigszins toenemen. Wegverkeerslawaai Uit Tabel 7-4 blijkt dat de toename van de geluidbelasting wegverkeer gelijk is aan het planvoornemen, ook hier zijn geen toenames boven de 1,5 dB te verwachten. Dit alternatief wordt hetzelfde beoordeeld als het planvoornemen. Overig geluid Doordat de piekgeluiden in de avond en nacht veelal worden veroorzaakt door laad- en losactiviteiten, zal dit bij de lichtere (logistieke) bedrijven ook kunnen optreden. Er is vooralsnog geen reden om aan te nemen dat de beoordeling van pieken in de avond- en nachtperiode anders is dan bij het planvoornemen. Extra alternatief -geoptimaliseerde kavelemissies (alternatief 2) Omdat het planvoornemen niet past binnen de wettelijke kaders en het alternatief 1 ruim past, is een tweede alternatief doorgerekend dat uitgaat van een meer efficiënte verdeling van de beschikbare geluidruimte. In het DGMR-rapport is dit aangeduid als alternatief 2.

Hierbij is vanuit de maximaal toegestane geluidbelasting bij woningen in de referentiesituatie (dus autonoom) teruggerekend naar toelaatbare kavelemissies. Als in dit alternatief geen rekening gehouden wordt met een geluidreservering, zal de geluidbelasting ter hoogte van 12 woningen hoger zijn dan de standaardwaarde voor het Lden, maar lager dan de grenswaarde voor het Lden. Daarbij zal ter hoogte van 14 woningen de geluidbelasting hoger zijn dan de standaardwaarde voor het Lnight maar lager dan de grenswaarde voor het Lnight. Wordt er wel rekening gehouden met de reservering, dan is de geluidbelasting uitgedrukt in Lden ter hoogte van eveneens 12 woningen hoger dan de standaardwaarde, maar lager dan de grenswaarde. Voor het Lnight geldt dan dat de standaardwaarde ter hoogte van 16 woningen hoger is dan de standaardwaarde maar lager dan de grenswaarde is. Als geen rekening wordt gehouden met geluidruimte voor bestaande bedrijven, kunnen de volgende kavelemissies worden toegestaan: 59 dB(A)/m2 in het noordelijke deel 63/63,5 dB(A)/m2 in het zuidelijk deel Er zijn wel 5 woningen die in dit geval een geluidklasse opschuiven, maar niet zodanig dat de geluidbelasting hoger wordt dan 50 dB(A).

Als wel rekening wordt gehouden met geluidruimte voor bestaande bedrijven, kunnen de volgende kavelemissies worden toegestaan: 55,5 dB(A)/m2 in het noordelijke deel 58,5 dB(A)/m2 in het zuidelijk deel Er zijn 3 woningen die in dit geval een geluidklasse lager terecht komen, de geluidbelasting neemt nergens toe Hoewel deze laatste berekeningen positief uitvallen, is de bruikbaarheid van de nieuwe kavels beperkt: de maximale kavelemissies komen overeen met of zijn lager dan de kavelemissies zoals gebruikelijk bij bedrijven in milieucategorie 3. Als TenneT/Enexis zich vestigt op (een deel van) de noordelijke kavels, is dit op basis van het geluidrapport goed mogelijk omdat hiervoor een kavelemissie van 59 dB(A)/m2 is berekend. Hierbij is geen ruimtereservering voor bestaande bedrijven mogelijk, zie ook Figuur 7-3. Voor de aspecten wegverkeerslawaai en overige geluid wijkt dit alternatief niet af van het planvoornemen.

61/166

Figuur 7-3 Geoptimaliseerde kavelemissie (zonder reservering bestaande bedrijven)

Variant Grondwal Industrielawaai Geluid wordt in het algemeen beoordeeld op 1,5 meter hoogte in de dagperiode (begane grond) 4,5-5,0 meter in de avonden nachtperiode. Afschermingseffecten zijn vaak groter op de begane grond dan op verdiepingshoogte. Daarnaast geldt dat hoe hoger de locatie van een geluidbron, hoe hoger geluidafscherming moet zijn om een effect te hebben. De afscherming is optimaal wanneer de bron vlak bij de ontvanger ligt en de ontvanger vlak achter de afscherming. In algemene zin: als er geen zichtlijnen zijn, is er sprake van afscherming. Ook is een scherm iets effectiever dan een flauwe grondwal met dezelfde hoogte. De verwachting is dat uitbreiding van Rollepaal voor een groot deel in gebruik wordt genomen door bedrijven met lagere bronhoogten (verkeer, logistiek, mobiele bronnen) en voor een deel geconcentreerd in de dagperiode. Een scherm of grondwal van 3 meter hoog kan dan een positief effect hebben. De rekenresultaten zijn hieronder aangegeven. Grondwal met een hoogte van 3 meter: 0 - 0,6 dB in de dagperiode (begane grond); 0 - 0,3 dB in de avond-/nachtperiode (verdieping). Grondwal met topscherm met een totale hoogte van 3 meter: 0 - 0,9 dB in de dagperiode (begane grond); 0 - 0,5 dB in de avond-/nachtperiode (verdieping).

Grondwal met topscherm met een totale hoogte van 4 meter: 0,2 - 2,3 dB in de dagperiode (begane grond); 0 - 1,2 dB in de avond-/nachtperiode (verdieping). Grondwal met topscherm met een totale hoogte van 6 meter: 0,9 - 8,6 dB in de dagperiode (begane grond); 0,6 - 3,2 dB in de avond-/nachtperiode (verdieping).

62/166

Hieruit blijkt dat de grondwal pas een waarneembaar effect op de begane grond kan hebben vanaf een hoogte van 4 meter. Dit betreft dan alleen de mobiele (lage) bronnen. Indien een wal met topscherm wordt toegepast met een totale hoogte van 6 meter, kan ook op de verdiepingen een relevante geluidreductie worden gerealiseerd op de mobiele bronnen. Dit heeft een licht positief effect, waardoor de totale beoordeling van het planvoornemen licht negatief wordt. Wegverkeerslawaai De grondwal heeft geen effect op wegverkeerslawaai omdat de toeleidende openbare wegen buiten de grondwal zijn gelegen. Overig geluid Zoals hierboven aangegeven is de geluidreductie van een grondwal van 3 meter maximaal 0,3 dB op verdiepingshoogte, dat is niet waarneembaar. Ingeval er een lagere grondwal wordt toegepast is er geen reductie, maar dit is dus niet waarneembaar slechter dan het planvoornemen. Bij een hoogte van 6 meter kan er daadwerkelijk verschil optreden van maximaal 3,2 dB op de verdieping, zolang grondwal met scherm de zichtlijn tussen de bron en warnemer ook onderbreekt. Deze variant is daarmee licht positiever dan het planvoornemen. Varianten Bedrijfswoning Industrielawaai De woning aan de Schutwijk 2 bevindt zich in het plan volledig omsloten door industrieterrein. Dit is een onwenselijke situatie.

In deze variant zijn de resultaten inzichtelijk gemaakt als deze woning niet meer geluidgevoelig is. In dit geval wordt voor het planvoornemen met een gewenste kavelemissie van 65 dB(A)/m2 nog steeds niet voldaan aan de wettelijke geluidgrenswaarden die daarop van toepassing zijn. Ingeval van de geoptimaliseerde maximale kavelemissies liggen deze duidelijk hoger dan ingeval van alternatief 2: Indien geen rekening wordt gehouden met geluidruimte voor bestaande bedrijven, kunnen de volgende kavelemissies worden toegestaan: 58 à 62 dB(A)/m2 in het noordelijke deel; 65 dB(A)/m2 in het zuidelijk deel. Indien wel rekening wordt gehouden met geluidruimte voor bestaande bedrijven, kunnen de volgende kavelemissies worden toegestaan: 58 à 61,5 dB(A)/m2 in het noordelijke deel; 65 dB(A)/m2 in het zuidelijk deel. Dit betekent dat op het zuidelijk deel (nagenoeg) aan het planvoornemen wordt voldaan. Overal wordt aan de wettelijke grenswaarden voldaan, er zijn enkele woningen waar de geluidbelasting iets toe- of afneemt, maar dit blijft nog (ruim) onder de grenswaarde. Dit wordt neutraal beoordeeld.

63/166

Figuur 7-4 Geoptimaliseerde kavelemissies Schutwijk 2 niet geluidgevoelig en zonder reservering bestaande bedrijven

Wegverkeerslawaai Uit de rekenresultaten blijkt dat in het planvoornemen sprake is van een toename van wegverkeerslawaai op deze woning van 0,7-0,8 dB. In deze variant verdwijnt deze woning. Hoewel dit een lichte verbetering is, leidt dit niet tot een andere beoordeling van bij het planvoornemen. Overig geluid In deze variant vervalt één woning waar mogelijk sprake is van geluidoverlast. Dit is geen significant verschil met het planvoornemen. Scenario verkeersontsluiting op de N36 Het scenario heeft geen invloed op industrielawaai of piekgeluiden. Wegverkeerslawaai Indien er een nieuwe ontsluiting komt die via de zuidzijde naar de N36 leidt, vervalt de berekende toename van geluidbelasting bij de bestaande woningen aan de Langewijk, Moerheimstraat, Rollepaal en Rheezerend 12, Industrieweg 2 en Schutwijk. Mogelijk ontstaat er op de Rollepaal wel een nieuwe stroom verkeer die de nieuwe, kortere route tussen de N377 en N36 zal gebruiken. Aangezien het nieuwe tracé niet bekend is, kan dit tot nieuwe geluidbelaste locaties leiden. Gezien de lage woningdichtheid in het gebied wordt er vooralsnog van uitgegaan dat dit kan worden voorkomen. In dit geval kan zelfs een deel van het vrachtverkeer van en naar het bestaande Rollepaal via deze route rijden, waarmee de woningen langs de huidige ontsluitende wegen worden ontlast.

Dit heeft in potentie een licht positief effect, mits de nieuwe route geen extra vrachtverkeer aantrekt dat van de N377 naar de N36 zal rijden.

7.5 Aanlegfase Voor wat betreft geluidemissie tijdens de aanlegfase valt onderscheid te maken tussen stationaire geluidbronnen op de bouwlocatie zelf en het bouwverkeer. In algemene zin geldt dat bouwmaterieel steeds stiller wordt; aggregaten, pompen, kraanmachines en dergelijke kunnen geluidarm worden geselecteerd en door afstand te houden tot bestaande woningen

64/166

kan de overlast worden beperkt. Bij heiwerkzaamheden zijn eveneens geluidreducerende maatregelen mogelijk. Het toepassen van schroefpalen geeft de minste overlast en heeft een gunstig effect op eventuele trillinghinder. Voor het bouwverkeer geldt dat dit gestuurd kan worden via de Rollepaal/Industrieweg. De hoeveelheid bouwverkeer zal afhangen van hoe snel de uitbreiding wordt ingevuld. Het is niet de verwachting dat het bouwverkeer meer is dan het totale verkeer bij volledige invulling van de uitbreiding.

7.6 Samenvattende effectbeoordeling Cumulatieve aspecten kunnen een rol spelen op locaties waar verschillende geluidbronsoorten tegelijkertijd een rol spelen. Voor de uitbreiding van Rollepaal geldt voor het aspect industrielawaai dit vooral een rol speelt (en is onderzocht) bij de woningen aan het Rheezerend, en dan in hoofdzaak de achtergevels (zuidgevels). De toename van wegverkeerslawaai aan het Rheezerend is gering omdat het extra verkeer door de uitbreiding slechts beperkt toeneemt. Cumulatieve aspecten voor wat betreft weg- en industrielawaai zijn dan ook niet aan de orde. Uit het onderzoek blijkt dat de toelaatbare kavelemissies afhangen van de keuze of nog geluidruimte wordt gereserveerd voor de bestaande bedrijven: op basis van de motie van de raad (uit paragraaf 2.5) kan worden afgeleid dat dit niet per se noodzakelijk is, de uitbreiding moest tenslotte passen in de bestaande geluidruimte. In dat geval kan worden geconcludeerd dat het toestaan van zwaardere bedrijven mogelijk is met maatwerk: de toelaatbare kavelemissies zijn met name in het noordelijk deel beperkt. Aangezien het nieuw te vestigen bedrijven betreft, zijn er met een goed ontwerp, geluidarme ontwerpkeuzes en maatwerk voldoende mogelijkheden om de gewenste uitbreiding mogelijk te maken en tevens de geluidoverlast bij omwonenden te beperken tot onder de wettelijke grenswaarden.

Daarnaast is bij de berekening nog geen rekening gehouden met onderlinge afscherming door bedrijfsgebouwen. In het akoestisch rapport is getoetst of 2 nieuwe gewenste ontwikkelingen bij TenneT/Enexis en een transportbedrijf binnen deze geoptimaliseerde kavelemissies inpasbaar zijn, dit blijkt het geval te zijn. In onderstaande tabel is de beoordeling uit dit hoofdstuk samengevat op basis van de criteria uit Tabel 7-1 en Tabel 7-2. Tabel 7-5 Effectbeoordeling geluid

Planvoornemen Kavelemissie 65 dB(A)/m2

Alternatief; Kavelemissie aangepast: 55.5 à 63,5 dB(A)/m2

Variant bedrijfswoning (bij aangepaste

Variant grondwal alleen bij 6 m hoogte

kavelemissie)

(bij aangepaste

Alternatief lichtere bedrijvigheid (Kavelemissie 57 dB(A)/m2)

Scenario Verkeersontsluiting N36

kavelemissie)

Industrielawaai

-

0

0

-/0

0

n.v.t.

Wegverkeerslawaai Overig geluid (pieken)

0 -/0

0 -/0

0 -/0

n.v.t. 0

0 -/0

0/+ n.v.t.

Door een goed beheersinstrument (zoals zonebeheer), het vastleggen van kavelemissie in het omgevingsplan en het vaststellen van gpp’s zijn zowel het planvoornemen met geoptimaliseerde kavelemissies (alternatief 2) als het alternatief lichtere bedrijvigheid uitvoerbaar binnen de wettelijk en gemeentelijke kaders. De grondwal heeft beperkt effect. Alleen ingeval er een topscherm wordt toegepast met een totale hoogte van 6 meter kan hier hoorbaar een geluideffect mee worden bereikt bij enkele woningen, zeker op de begane grond maar ook op de verdieping. Dit betreft wel alleen voor geluid van de laag gelegen bronnen (verkeer en mobiele werktuigen). Dit effect wordt bij de wal met topscherm ook gerealiseerd voor de piekgeluiden in de avond- en nachtperiode.

65/166

Voor de piekgeluiden wordt verwacht dat deze mogelijk tot hinder leiden bij de woningen rondom de uitbreiding, ondanks dat kan worden voldaan aan de geluidwaarden uit het Bkl. Overwogen kan worden om hier aanvullende eisen te stellen om een aanvaardbaar piekgeluidniveau bij de woningen te realiseren. Als er windturbines in het plangebied worden gerealiseerd, wordt het geluid niet mee gerekend in de gpp’s. Als randvoorwaarde kan worden gesteld dat het geluid van windturbines 10 dB onder de gpp-waarden ligt, dan wel de berekende waarde bij de woningen, zodat de bijdrage als verwaarloosbaar kan worden gezien. Er is in alle situaties van een toename van wegverkeerslawaai te verwachten. Aangezien een toename vanaf 1,5 dB pas waarneembaar kan zijn, is het gangbaar alleen toename groter dan 1,5 dB mee te wegen. Zowel in jet planvoornemen als de alternatieven en varianten is er geen sprake van een toename van meer dan 1,5 dB. De bijdrage wordt als neutraal beschouwd.

66/166

8 LUCHTKWALITEIT 8.1 Toetsingskader Wet- en regelgeving, beleid Onder de Omgevingswet vindt de toetsing en monitoring van luchtkwaliteit vooral plaats in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) en bestaan uit daartoe aangewezen zones en agglomeraties. Buiten deze gebieden is er alleen een beoordelingsplicht als er een snelweg of tunnel wordt aangelegd. Het plangebied is niet gelegen in een aandachtgebied. Een gemeente kan in een omgevingsplan een lokale omgevingswaarde opnemen, die ook strenger kan zijn dan de Rijksomgevingswaarde. Indien een lokale omgevingswaarde wordt vastgesteld, geldt automatisch ook een monitoringsplicht. Het beoordelen/toetsen van de luchtkwaliteit aan de omgevingswaarden kan achterwege worden gelaten wanneer activiteiten niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder (minder dan 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties). In een MER blijft het in het kader van de gezondheidsbeoordeling belangrijk de effecten op luchtkwaliteit inzichtelijk te maken en te beoordelen, ook buiten aandachtsgebieden.

De gemeente zou kunnen overwegen of een lokale omgevingswaarde zinvol is. In de Nederlandse situatie zijn de concentraties NO2 en PM10/2,5 kritisch ten opzichte van de omgevingswaarden. In Tabel 8-1 zijn de grenswaarden (omgevingswaarden) opgenomen uit de Omgevingswet (Bkl). WHO De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft advieswaarden vastgesteld die lager zijn dan de huidige Nederlandse wetgeving. Op 22 september 2021 heeft de WHO haar advieswaarden sterk naar beneden bijgesteld, de huidige advieswaarden zijn opgenomen in Tabel 8-1. Het is de bedoeling dat hier gefaseerd naar toe wordt gewerkt. Het verschil tussen de grenswaarde en de advieswaarde van de WHO geeft aan dat er ook onder de omgevingswaarden die op grond van de Omgevingswet gelden sprake kan zijn van gezondheidseffecten. Tabel 8-1 Grenswaarden maatgevende stoffen omgevingswaarden Omgevingswet en WHO-advieswaarden Stof

Toetsing van

stikstofdioxide (NO2)

fijn stof (PM10)

fijn stof (PM2,5)

Grenswaarde/omgevingswaarde

WHO-advieswaarde (optioneel)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

10 µg/m³

uurgemiddelde concentratie

max. 18 keer/jaar meer dan 200 µg/m³

-

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

15 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer/jaar meer dan 50 μg/m³

-

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

5 µg/m³

Onderzoeksmethode en criteria Het effect van het planvoornemen op de luchtkwaliteit is kwantitatief onderzocht door zowel de effecten vanwege de toename van wegverkeer in de omgeving mee te nemen als de directe emissies vanwege de uitbreiding van het bedrijventerrein. De berekeningen zijn uitgevoerd op basis van het NNM (Nieuw Nationaal Model) en met de rekensoftware Geomilieu, zie Bijlage 4 dat op grond van de Omgevingsregeling hiervoor is voorgeschreven. De overige situaties zijn op basis hiervan kwalitatief beschreven.

67/166

Tabel 8-2 Beoordelingscriterium luchtkwaliteit Score + 0/+ 0 -/0 -

Beoordeling van het effect De luchtkwaliteit verbetert met meer dan 3% van de grenswaarde en/of voldoet aan de advieswaarden van de WHO De luchtkwaliteit verbetert maar ‘niet in betekende mate’ tussen 1 en 3% van de grenswaarde en/of voldoet bijna overal aan de advieswaarden van de WHO Er is per saldo geen verandering in de luchtkwaliteit, de waarden veranderen minder dan 1% van de grenswaarde De luchtkwaliteit verslechtert enigszins, maar nog wel ‘niet in betekenende mate’ tussen 1 en 3% van de grenswaarde De luchtkwaliteit verslechtert sterk, er wordt ‘in betekenende mate’ bijgedragen met meer dan 3% van de grenswaarde

8.2 Referentiesituatie De lokale luchtkwaliteit is eerst beoordeeld aan de hand van de contourenkaarten van het RIVM voor 2021 (meest recent openbaar beschikbaar), voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10), zie Figuur 8-1. Uit de kaarten blijkt dat de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied ruim onder de grenswaarden ligt en voor NO2 en PM10 ook voldoet aan de advieswaarden van de WHO. Dit blijkt ook uit de achtergrondconcentraties van de luchtkwaliteitsberekeningen. In de uitvoer van de resultaten zijn de meest actuele achtergrondconcentraties verwerkt.

68/166

Figuur 8-1 Uitsnede luchtkwaliteit (2021) NO2, PM10 en PM2,5 (bron: RIVM Atlas leefomgeving)

8.3 Planvoornemen Industrie In het onderzoek naar stikstofdepositie is onderbouwd dat er geen relevante emissie vanwege bedrijvigheid zijn te verwachten, deze onderbouwing is hieronder overgenomen. Het bedrijventerrein biedt ruimte voor lokale bedrijven in het middensegment. Bedrijfsprocessen worden steeds schoner en de praktijk op bedrijventerreinen elders laat zien dat de daadwerkelijke emissies van bedrijven vaak lager is dan de in regel gehanteerde kengetallen. Aangezien het toekomstige bedrijventerrein niet wordt aangesloten op het gas en de invulling van het bedrijventerrein gedeeltelijk bekend is, is geen

69/166

gebruik gemaakt van de gebruikelijke, oudere kengetallen per milieucategorie. Om de emissies van bedrijven te kunnen bepalen is vervolgens gekeken naar een realistische invulling van het bedrijventerrein. De bedrijven die zich op het bedrijventerrein zullen vestigen vallen grotendeels in de categorieën ‘logistiek’ en ‘lokale en gemengde bedrijvigheid’. Daarnaast wordt ruimte geboden aan een verdeelstation van TenneT. De verwachte activiteiten met emissies worden hierna per type bedrijvigheid beschreven: Bij logistieke bedrijven is er geen sprake van emissies als gevolg van bedrijfsprocessen die in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit, enkel het gebruik van mobiele werktuigen in de vorm van vorkheftrucks en verkeersbewegingen. Onderdeel van de uitbreiding is een nieuw verdeelstation van TenneT (3,4 hectare), op deze locatie kunnen de emissies als gevolg van bedrijfsprocessen en mobiele werktuigen uitgesloten worden. Hier worden wel enkele verkeersbewegingen als gevolg van onderhoud/inspectie verwacht. Aangezien een verdeelstation een permanente functie betreft en de uitbreiding vast staat, kan deze functie worden gezien als maximaal planologische mogelijkheid. Bij recyclingbedrijven vindt op-/overslag plaats en worden grondstoffen gesorteerd en getransporteerd. Bij het sorteren kan een zeef worden ingezet.

Er wordt gebruik gemaakt van mobiele werktuigen als shovels, kranen, heftrucks. Activiteiten met stikstofemissies zoals compostering worden niet toegestaan op het bedrijventerrein. Verder is sprake van aan/afvoer van materiaal met vrachtwagens. De overige kavels worden naar verwachting ingevuld met lichtere bedrijvigheid afkomstig van uitbreidingen van huidige bedrijven op het terrein van Rollepaal. Dit zijn bedrijven zonder bedrijfsprocessen met emissies, maar waar wel gebruik wordt gemaakt van mobiele werktuigen als heftrucks en waar sprake is van verkeersbewegingen. Het nieuwe bedrijventerrein is een toekomstbestendig duurzaam bedrijventerrein. Een aantal duurzaamheidsmaatregelen wordt verplicht gesteld via de koopovereenkomst (privaatrechtelijk). Voordat de grond verkocht wordt is het vereist dat de initiatiefnemer goedkeuring heeft vanuit de gemeente ten aanzien van de duurzaamheidsmaatregelen. Een aantal maatregelen kan niet worden verplicht, omdat deze locatie- dan wel functie specifiek zijn, deze worden gestimuleerd door korting op de aankoopprijs te geven bij realisatie van de maatregelen. Voor de gebruiksfase is derhalve geen rekening gehouden met emissies als gevolg van bedrijfsprocessen. Ten aanzien van mobiele werktuigen op het terrein wordt een voorschrift opgenomen voor inzet van elektrische mobiele werktuigen.

Verkeer De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een uitbreiding van een bedrijventerrein met 29 hectare, waarvan 21 (netto) uitgeefbaar. Voor het onderzoek luchtkwaliteit is gebruik gemaakt van CROW-kentallen om de verkeersgeneratie te bepalen. Dit wijkt af van de omgevingsaspecten die zijn gebaseerd op het verkeersmodel van Goudappel en schetst een worst-case scenario. Op grond van CROW-kentallen is voor dit onderzoek aangenomen dat de verkeersgeneratie door de ontwikkeling van 21 (netto) hectare hoogwaardig bedrijventerrein met 4.368 mvt/etmaal toeneemt in de omgeving. De verkeersgeneratie op grond van CROW-kentallen is overgenomen in het rekenmodel luchtkwaliteit. In tabel 8-2 zijn de rekenresultaten bij maatgevende woningen weergegeven. De overige resultaten zijn opgenomen in het rapport luchtkwaliteit in de bijlagen. Tabel 8-3 Resultaten luchtkwaliteit op maatgevende punten (grootste planbijdrage) Stof

Totale concentratie incl. planvoor-

Planbijdrage 2035 (µg/m3)

nemen 2035 (µg/m3)

Grenswaarde/

WHO-advieswaarde

omgevingswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

9,8

0,722

40 µg/m³

10 µg/m³

Fijn stof (PM10)

13,2

0,07

40 µg/m³

15 µg/m³

Fijn stof (PM2,5)

6,8

0,02

25 µg/m³

5 µg/m³

Uit tabel 8-3 blijkt dat de concentratie NO2 maatgevend is. Ten opzichte van de referentiesituatie bedraagt de berekende toename ten hoogste 0,72-0,74 μg/m3. Deze bijdrage is zeer klein en draagt in niet betekenende mate bij aan de lokale

70/166

luchtkwaliteit. Ook de bijdrage aan de luchtkwaliteit langs de ontsluitingswegen is niet in betekenende mate is (rekenpunten 111-115). Voor zowel NO2 als PM10 wordt direct nabij het plangebied ruimschoots aan de omgevingswaarde en de WHO-advieswaarde voldaan. Aangezien de luchtkwaliteit niet verbetert, wordt dit conform tabel 8.2 beoordeeld als neutraal (0). Aanlegfase Tijdens de aanlegfase van het bedrijventerrein kan sprake zijn van luchtemissies (waaronder met name NOx) door gebruik van mobiele werktuigen en transporten. Op dit moment is nog weinig bekend over de aanlegfase. Omdat het effect van stikstofdepositie eerder significant is dan het effect op de luchtkwaliteit, is in dat kader toch inschatting gemaakt van de inzet van materieel, draaiuren en vermogens. Omdat luchtkwaliteit eveneens jaargemiddeld wordt beoordeeld en de aanleg wordt geschat op 5 jaar (maar kan ook langer zijn) en bouwverkeer een belangrijk aspect is (is berekend in het planvoornemen) wordt het effect van de aanlegfase op de luchtkwaliteit op voorhand als niet significant beoordeeld.

8.4 Varianten en alternatieven Varianten Beide varianten zijn voor luchtkwaliteit niet onderscheidend van het planvoornemen: noch 1 woning noch een hogere of lager grondwal heeft invloed op de berekeningen. Wel vervalt de woning Schutswijk 2, maar hier is in het planvoornemen geen overschrijding of beperking van de normen voor luchtkwaliteit berekend. De varianten worden dus gelijk aan het planvoornemen beoordeeld. Alternatief lichtere bedrijvigheid Uit het rapport in de bijlagen blijkt dat de bijdrage van dit alternatief aan de luchtkwaliteit iets kleiner is dan bij het planvoornemen. De verschillen zijn echter zo klein dat deze niet tot een ander oordeel leiden. Scenario verkeersontsluiting op de N36 Uit de berekeningen blijkt dat de planbijdrage nabij de wegen ook gering is. Bij de woning Industrieweg 2, die in de oksel van de rotonde N377/Industrieweg is gelegen, is de planbijdrage van het planvoornemen 0,45 μg/m3 voor NO2, 0,04 μg/m3 voor PM10 en 0,012 voor PM2,5. Bij deze berekening rijdt bijna al het verkeer langs dit punt. Bij ontsluiting via de zuidzijde worden deze woningen ontlast en wordt deze kleine bijdrage verplaatst naar de route langs de nieuwe weg. Deze weg zal op voldoende afstand van woningen zijn gelegen, waardoor ervan uit kan worden gegaan dat de bijdrage van het verkeer daar ook minimaal zal zijn. Dit wordt ook neutraal (0) beoordeeld.

8.5 Samenvattende effectbeoordeling In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor luchtkwaliteit opgenomen. Het alternatief, de varianten en het scenario zijn niet onderscheidend. De planbijdrage is in alle gevallen klein en overal wordt ruimschoots aan de grenswaarden voldaan. Voor NO2 en PM10 wordt ook aan de advieswaarde van de WHO voldaan. Dit geldt niet voor PM2,5, maar dat komt vooral door de achtergrondconcentratie, de planontwikkeling heeft hier nauwelijks invloed op. Tabel 8-4 Effectbeoordeling luchtkwaliteit

Planvoornemen Variant bedrijfswoning Effect op luchtkwaliteit

71/166

0

0

Alternatief lichtere Variant grondwal bedrijvigheid 0

0

Scenario verkeersontsluiting N36 0

9

GEUR

9.1 Toetsingskader Wet- en regelgeving/beleid De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Ook staat in de Omgevingswet dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. De instructieregels voor geur hebben betrekking op een aanvaardbaar geurniveau bij geurgevoelige gebouwen en geurgevoelige locaties, rekening houdend met geur van activiteiten. Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Een gemeente kan zelf andere gebouwen aanwijzen als geurgevoelig. In het Bal zijn voor geurbelastende milieubelastende activiteiten alleen regels opgenomen die de emissie van geur voorkomen, beperken of laten registreren. In het Bkl is een kader voor het beoordelen door de geurlast door geurbelastende activiteiten opgenomen, maar dat dan beperkt tot zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor het overige moet dus de keuze voor het beoordelen van de geurbelasting worden beargumenteerd.

Voor een zuiveringtechnisch werk zijn grenswaarden opgenomen voor de maximaal toelaatbare geur door deze specifieke activiteit op geurgevoelige gebouwen. Als een omgevingsplan de exploitatie van een zuiveringtechnisch werk toestaat, geldt een grenswaarde van 1,0 ouE/m3 als 98-percentiel. Voor zuiveringtechnische werken die al opgericht en vergund waren vóór 1 februari 1996, is de grenswaarde voor geur ruimer. De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten mag dan maximaal 1,5 ouE/m3 als 98-percentiel (binnen de bebouwingscontour, m.u.v. een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een bedrijventerrein) respectievelijk 3,5 ouE/m3 als 98-percentiel zijn (buiten de bebouwingscontour of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of op een bedrijventerrein). In de gemeente Hardenberg is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Hardenberg’ van toepassing. Binnen de daartoe aangewezen gebieden is de wettelijke standaardnorm, respectievelijk een andere waarde van toepassing dan de betreffende waarde genoemd in artikel 3, eerste lid van de Wet. Het plangebied bevindt zich niet in een aangewezen gebied. De gemeente heeft (nog) geen eigen geurbeleid voor andere bedrijven/mba’s en voor wat een aanvaardbaar geurniveau is bij geurgevoelige gebouwen.

Voorlopig kan, net als voor de Omgevingswet, hiervoor worden aangesloten bij het beleid van de provincie. De provincie Overijssel heeft de Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen) 2024 vastgesteld. Hierin zijn aanvaardbaar geurhinderniveau van bestaande en nieuwe mba’s opgenomen. Verder zijn er streef-, richt- en grenswaarden voor geur opgenomen voor verschillende gebiedstypen en geurtypen, waaraan bij vergunningverlening voor mba’s wordt getoetst. Voor de uitbreiding Rollepaal Oost wordt in dit MER aangesloten bij het provinciale beleid voor nieuwe situaties (artikel 5 en 8 van de beleidsregel), dit betekent dat wordt uitgegaan van de streefwaarde, beoordeeld voor categorie A voor geurgevoelige gebouwen (gebiedscategorie wonen of buitengebied volgens het provinciale geurbeleid), zie Tabel 9-1.

72/166

Tabel 9-1 Voorgestelde geurnormen in ouE/m3 als 98-percentie-waarde voor nieuwe activiteiten bij woningen op basis van provinciaal beleid

Onderzoeksmethode en criteria Het aspect geur wordt voor dit plan kwalitatief beoordeeld aan de hand van kans op toename van industriële geurhinder bij woningen (geurgehinderden). In tabel 9-2 zijn de criteria voor de beoordeling van het aspect geur weergegeven. Tabel 9-2 Beoordelingscriterium geurhinder Score

Beoordeling van het effect

+

sterke afname aantal geurgehinderden

0/+

lichte afname aantal geurgehinderden

0

geen af- of toename aantal geurgehinderden

-/0

lichte toename aantal geurgehinderden

-

sterke toename aantal geurgehinderden

9.2 Referentiesituatie Er is weinig informatie beschikbaar over de geurbelasting in Overijssel. Wel is bekend dat er veel geurhinder optreedt in Overijssel door de geur van houtstook (17% hinder), bedrijven (6%), rioolwaterzuivering (10%) en landbouw (10%)11. In de referentiesituatie is sprake van geurhinder als gevolg van bedrijvigheid op het huidige bedrijventerrein Rollepaal. Deze bedrijven bevinden zich buiten het plangebied. De geurhinder is afkomstig van bedrijven waaronder slachtbedrijf Plukon en de rioolwaterzuivering Dedemsvaart (RWZI). Plukon Dedemsvaart is een slachterij met een vergunning voor het slachten van kuikens. Het slachtbedrijf Plukon heeft een geurcontour die over woningen langs de Langewijk ligt. De vigerende vergunning is van 28 september 2009. Hierin is een

11 Zuurbier et al. (2023) Milieuverkenning provincie Overijssel. Bovenregionaal Team Milieu & Gezondheid in Gelderland en Overijssel In opdracht van provincie

Overijssel. Milieuverkenning Provincie Overijssel (notubiz.nl)

73/166

geurnorm van 0,55 ouE/m3 als 98 percentiel opgenomen voor woningen aan de noord- en zuidzijde van de Langewijk. Deze contour overlapt niet met het plangebied. Voor rwzi's die al in werking waren voor 1 februari 1996, is de grenswaarde voor geur ruimer. De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten mag dan maximaal 1,5 ouE/m3 als 98-percentiel zijn. De regels staan een hogere geurbelasting tot maximaal 3,5 ouE/m3 als 98-percentiel toe: bij een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld bij een bedrijventerrein buiten de bebouwingscontour Tevens is Koekbakkerij Nanning gevestigd op het bestaande terrein Rollepaal. Van dit bedrijf zijn geen gegevens of contouren bekend.

9.3 Planvoornemen Het uitgangspunt is dat hoe groter de afstand tot geurgevoelige gebouwen en locaties is, hoe meer geur-gebruiksruimte er is voor de activiteiten op het bedrijventerreinen. Op het bedrijventerrein is ten hoogste bedrijvigheid vergelijkbaar met milieucategorie 4.2 toegestaan, zoals dat werd toegepast voor de inwerkingtreding van de omgevingswet. Hierbij werd een maximale richtafstand voor geur van 300 meter tot een rustige woonwijk of rustig buitengebied gehanteerd. Binnen 300 meter van de plangrens van de uitbreiding Rollepaal liggen meerdere woningen, zoals de woning aan Schutwijk 2 en meerdere woningen aan de Rheezerend. Alleen de zuidelijke kavels van het bedrijventerrein voldoen aan de richtafstand van 300 meter. Bedrijven kunnen geur uitstoten die als hinderlijk wordt ervaren en/of nadelig kan zijn voor de gezondheid. Dat geldt voor geur afkomstig van een individueel bedrijf maar ook voor de cumulatie van geur van verschillende bedrijven. Niet alle bedrijven zijn echter geurrelevant. De kans op geur veroorzakende bedrijven voor dit type bedrijventerrein is laag. Geuremissies kunnen echter niet volledig worden uitgesloten. Er wordt aangesloten bij het geurbeleid van de provincie Overijssel (Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen, 202412) voor gebouwen uit categorie A.

Categorie A gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie gelegen in gebiedscategorie wonen of buitengebied. Door het vastleggen van geurimmissienormen in het omgevingsplan, wordt nieuwe geurhinder voorkomen. Er wordt geen rekening gehouden met cumulatie aangezien er bij geur geen sprake is van continue emissies, de geurbelasting verschilt per tijdstip waardoor de kans dat meerdere geurrelevante bedrijven cumuleren minimaal is. Door het opnemen van geurimmissienormen wordt de cumulatie beperkt. Het effect van cumulatie op de geurbeleving is daarnaast moeilijk te voorspellen aangezien dit afhankelijk is van de type geuren, hinderlijkheid en de duur van de geuremissies. Door aan te sluiten bij het provinciaal geurbeleid voor gebouwen uit categorie A is de kans op een toename van geurhinder op woningen in de omgeving verwaarloosbaar klein. Afhankelijk van het type bedrijven dat zich gaat vestigen en de locatie kan het nemen van geurbeperkende maatregelen noodzakelijk zijn. Dit leidt tot een neutrale beoordeling van het criterium geurhinder bij geurgevoelige objecten (0).

9.4 Varianten en alternatieven Varianten De variant bedrijfswoning kan leiden tot meer geurruimte voor de omliggende kavels. Aangezien dit slechts potentiële geurhinder bij 1 woning betreft, heeft dit geen effect op de beoordeling. De hoogte van de grondwal of afscherming heeft geen effect op de geurimmissie.

12

Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen) 2024 | Lokale wet- en regelgeving

74/166

Alternatief lichtere bedrijvigheid In het alternatief lichtere bedrijvigheid worden bedrijven toegestaan vergelijkbaar met milieucategorie 3.2. De richtafstanden voor het aspect geur zijn voor dit type bedrijvigheid kleiner dan in het planvoornemen. Dit betekent dat de geurbelasting van de toegestane bedrijvigheid lager kan zijn. Aangezien in het omgevingsplan aangesloten wordt bij het provinciaal beleid voor gebouwen uit categorie A wordt toename van geurhinder bij omliggende geurgevoelige gebouwen net als in het planvoornemen voorkomen. Het een effect ten opzichte van de referentiesituatie is neutraal (0). Scenario verkeersontsluiting op de N36 Het scenario verkeersontsluiting leidt niet tot andere effecten voor dit aspect.

9.5 Samenvattende effectbeoordeling In tabel 9-3 is de effectbeoordeling voor de onderzochte situaties weergegeven. Uit de beoordeling blijkt dat het alternatief en de varianten niet onderscheidend zijn ten opzichte van het planvoornemen. Door aan te sluiten bij het provinciaal beleid voor categorie A gebouwen, is de kans op een toename van geurhinder verwaarloosbaar klein. Afhankelijk van het type bedrijven dat zich vestigt zijn mogelijk geurbeperkende maatregelen bij de bedrijven nodig. Dit leidt tot een neutrale beoordeling van het criterium geurhinder bij geurgevoelige objecten. Tabel 9-3 Effectbeoordeling geur

Planvoornemen

Geur

75/166

0

Variant bedrijfswoning

Variant grondwal

Alternatief lichtere bedrijvigheid

0

0

0

Scenario verkeersontsluiting N36 0

10 OMGEVINGSVEILIGHEID 10.1 Toetsingskader Wet- en regelgeving Het waarborgen van de veiligheid is één van de thema’s die op grond van de Omgevingswet deel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Binnen het thema externe veiligheid moet met betrekking tot risicobronnen zoals het basisnet, hogedrukaardgasleidingen, vuurwerkopslagen, en activiteiten met gevaarlijke stoffen de norm voor het plaatsgebonden risico in acht worden genomen en geldt daarnaast een motiveringsplicht voor het mogelijk maken van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen (en locaties) binnen het aandachtsgebieden of risicozones rond dergelijke bronnen. Behalve door het werken met, opslaan van of vervoeren van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelplangebied in kwestie aanleiding geven tot branden, rampen of crises. Voor het MER zijn met name effecten vanwege windturbines en overstroming en klimaatadaptatie van belang, deze worden deels in andere hoofdstukken beschreven. Voor een aantal milieubelastende activiteiten (mba’s) zoals bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, buisleidingen en windmolens zijn rechtstreeks geldende regels over het beperken van de nadelige gevolgen voor de veiligheid opgenomen in het Bal. Daarnaast gelden ook de Wet voor vervoer gevaarlijke stoffen en de Regeling Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen over het Basisnet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17099958/1