Bijlage 1 Regels, toelichting en bijlagen bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartseweg- Noord 174 Lutten”
Tekst van het document
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 47
Hoofdstuk 9 9.1
Vooroverleg, inspraak en zienswijzen
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het bestemmingsplan is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel. De provincie Overijssel staat positief tegenover de in het bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Na aanleiding van de vooroverlegreactie is het begrip 'buitenopslag' toegevoegd in Artikel 1 van de regels. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'normale procedure'. In het kader daarvan is advies ingewonnen bij het waterschap (zie paragraaf 6.2.2). Gelet op het vorenstaande wordt het voeren van nader vooroverleg met het waterschap Vechtstromen niet noodzakelijk geacht. 9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd door het college van Burgemeester en Wethouders. 9.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze inzagetermijn zijn er geen zienswijzen tegen het plan kenbaar gemaakt. Het bestemmingsplan is dan ook ongewijzigd vastgesteld.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 48
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 49
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 50
ruimtelijk kwaliteitsplan Dedemsvaartseweg Noord 174 Lutten
Door:
dé Erfontwikkelaar b.v. Radewijkerweg 9 7791 RJ Radewijk
Telefoonnummer E-mail Internet Project Auteur Datum laatst gewijzigd Bestandsnaam Aantal pagina’s
06 24 88 38 28 herbert@erfontwikkelaar.nl www.erfontwikkelaar.nl 1893 H. Oldehinkel 10 december 2021 1893-RKP-03.indd 12
Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of dé Erfontwikkelaar b.v.
INHOUDSOPGAVE 1 INTRODUCTIE
1
2 VIGEREND BELEID
5
2.1.
omgevingsvisie overijssel
5
2.2.
visienota buitengebied
5
2.3.
landschapsidentiteitskaarten
6
3 B E S TA A N D E S I T U AT I E
7
4 RU I MT EL I J K K WA L I T EI T S P L A N
9
4.1.
ruimtelijk onderbouwing
9
4.2.
kwaliteitsimpuls groene omgeving
10
1 INTRODUCTIE dé Erfontwikkelaar b.v. heeft het voorliggende ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld naar aanleiding van de ontwikkelingen op het perceel Dedemsvaartseweg Noord 174 te Lutten. Initiatiefnemers hadden op deze plek een agrarisch bedrijf en willen deze opstallen slopen en vervangen door een wagenberging. Deze berging zal gebruikt worden voor onderhoudswerk en opslag van machines.. De gemeente Hardenberg wil hier aan meewerken mits de ruimelijke kwaliteit toeneemt. Concreet houdt dit in dat alle oude opstallen gesloopt moeten worden en er geen opslag meer buiten mag liggen. Tevens moet het erf landschappelijk goed ingepast worden. Het gemeentelijk beleid in deze beoogt dat de bestaande (cultuurhistorische) kwaliteit een belangrijke rol speelt bij de uitstraling en uitdraging van de karakteristiek van het gebied. De gemeente heeft hiervoor de LandschapsIdentiteitskaarten als beleidskader.
1
lo catie plangebie d en slo oplo catie
te slopen schuren
ns ef) ati
dic
(in
ef) ati
dic
(in
gre ms
ns
do
en eig
gre ms
do
en eig bedrijfswoning
Op het erf staat een woonboerderij met
inrit erf Dedemsvaartseweg Noord
daaracher enkele vervallen opstallen. Dit waren van oorsprong de stallen van het melkveebedrijf. Tegenwoordig zijn ze in gebruik
2
voor opslag.
3
het vo orerf is erg gesloten
het achtererf
te slop en schuur
te slop en schuur
plangebie d en omgeving rond 1900
plangebie d en omgeving rond 1950
plangebie d en omgeving rond 2010 4
2 VIGEREND BELEID
Toelichting
2.1.
gegraven en het landschap ontgonnen. Het stelsel van kanalen
OMGEVINGSVISIE OVERIJSSEL
In het veenkoloniaal landschap is het hoogveen grootschalig af-
De Provincie Overijssel heeft het streekplan, het verkeer- en
en waterlopen, wegen en bebouwingslinten bepaalt de maat
vervoerplan, het waterhuishoudingsplan en het milieube-
van de ruimte. Dat heeft grote open ruimtes en vergezichten en
leidsplan samengevoegd tot de Om-gevingsvisie. Het vormt
het contrast tussen deze ruimtes en verdichte zones (rond de
het provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van
kanalen, wegen en linten) opgeleverd.
Overijssel. De Provincie Overijssel stuurt op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Bestaande kwaliteiten moeten worden
De ambitie is de aantrekkelijkheid, de leefbaarheid en kwaliteit
be-schermd en er moeten verbindingen worden gelegd tussen
van de veenkoloniale landschappen te versterken. De opgave
deze bestaan-de kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Dat wil
is aan de grote maat, devergezichten en de schoonheid van de
zeggen dat nieuwe ont-wikkelingen moeten bijdragen aan de
moderne landbouw, nieuwe, op leefbaarheid en economische
verbetering van de ruimtelijke kwali-teit. Voor het behoud en
veerkracht gerichte, ontwikkelingen te koppelen. Daarmee kan
het versterken van de ruimtelijke kwaliteit vor-men essentiële
tevens het contrast tussen de grote open ruimtes en verdichte
gebiedskenmerken het uitgangspunt.
zones (linten en kanaaldorpen) worden versterkt. Ruimtelijke aanknopingspunten hiervoor zijn ondermeer de relicten van het
Gebiedskenmerken
hoogveen, de formele kanalen en wijkenstructuur met mooie
Middels een verdeling in 4 lagen zijn de gebiedskenmerken
bruggen, royale laanbeplantingen en daaraan de soms landgoe-
binnen de Omge-vingsvisie toegelicht:
dachtige buitens, villa’s en heren-boerderijen.
•
De natuurlijke laag
2.2.
•
De laag van het agrarisch-cultuur landschap
De Visienota Buitengebied van de gemeente Hardenberg (2006)
•
De stedelijke laag (hier n.v.t.)
is een ruimtelijke visie voor het buitengebied van de gemeente
•
De lust en leisure laag (hier n.v.t.)
Hardenberg. Het perceel Dedemsvaartseweg-Noord te Lutten
hoogveen
natuurlijke laag
VISIENOTA BUITENGEBIED
valt in gebied Dedems-vaart-Zuid, Colenbranderbos, SlaghaNatuurlijke laag
ren-Oost/West, De Krim, Bergentheim-Zuid;.
Hoogveengebieden (in cultuur gebracht) In de Visienota Buitengebied worden, op hoger niveau, gebiedsAgrarisch cultuurlandschap
kenmerken beschreven en ontwikkelingsrichtingen aangegeven.
Hoogveenontginningen veenkoloniaal landschap
Dit is in LIK’s verder uitgewerkt.
5
veenkoloniaal landschap
agrarisch cultuurlandschap
Gebiedskenmerken Landschapstype: Veenontginningslandschap Landschapskenmerken: •
Openheid/regelmatigheid
•
Vlakke ligging
•
Openstrekkende strokenverkaveling
•
Herkenbare wijkenstructuur
•
Bebouwing langs ontginningsassen
Huidige functies: •
Landbouw
•
Foerageergebied voor overwinterende vogels
Toekomst:
Sterk: •
kanaallinten: De Krim en Lutten
•
bebouwing langs de weg
•
strak rechtlijning wegenpatroon
•
goed zichtbare rationele lange strokenverkaveling
•
wegbeplanting enkelzijdig langs ontginningsassen en wegen haaks daarop
•
erven aan de weg
•
grote rationele huiskavels met transparante beplanting
•
openheid, weidsheid
•
massa aan de wegen, doorkijken naar achterland
Kansen voor het gebied zijn: •
in voormalige agrarische bebouwing
Ontwikkelingsrichting: Landbouwontwikkelingsgebied Functie: Landbouw 2.3.
LANDSCHAPSIDENTITEITSKAARTEN
ruimte voor nieuwe kleinschalige economische functies
Bedreigingen: •
toename bebouwing in open gebied
De gemeente Hardenberg heeft een nieuw bestemmingsplan buitengebied. Daarbij wil de gemeente een meer richtinggevende rol gaan innemen, gericht op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het plangebied is beschreven in de LandschapsIdentiteitsKaart (LIK): SLAGHAREN - DE KRIM - (OUD) LUTTEN. In de LIK worden de specifieke kenmerken en kwaliteiten van het deelgebied
Groot en statig staan de boerderijen langs de vaart en de weg. Het gebied erachter is groot en open. Het is
vastgelegd, welke de basis vormen van zowel het bestemmingsplan als de structuurvisie en het landschapsontwikkelingsplan.
strak en rechtlijnig met weinig tot geen beplanting.. meer info: www.mijnlandschapid.nl
Het plangebied ligt in het open veenontginningslandschap.
6
3 B E S TA A N D E S I T U AT I E Het plangebied ligt ten zuiden van Slagharen en wordt aan de zuidzijde begrensd door de Dedemsvaartseweg Noord. De Dedemsvaartseweg was vroeger de vaart. Kenmerkend voor deze erven zijn de rechtlijninge opbouw in het lint. Daarbij staan woningen richting de weg met daarachter in de richting van de verkaveling de opstallen. Perceelrgrensbeplanting kom in relicten nog voor in het gebied. Met name op erven zijn erfbosjes en houtsingels aangeplant om de wind te luwen. Het plangebied wordt aan de westzijde afgeschermd door een houtsingel. Dit past op het erf en in het lint. Het erf kent vanaf de weg een sterk gesloten uitstraling, het sluit aan op het besloten veenontginningslandschap. Er staan enkele uitgewassen exoten (coniferen) en opslag van verschillende (onwenselijke) struiken. Een kwaliteit van het lint zijn met name de doorkijken naar het open achterland. Echter hoeven erven niet geheel naakt in het landschap te liggen. Er is altijd enige beplanting op erven geweest in de vorm van hakhout. Dit had een belangrijke functie op het boerenerf. De kwaliteit van het erf zit met name aan de voorzijde. De vier grote linden voor de karakteristieke boerderij, de smalle inrit en het gesloten karakter passen in dit lint. Eenvoud soberheid en een functioneel erf zijn de kenmerken van erven in dit lint.
7
de structuren van het landschap
Belangrijkste ruimtelijke kenmerken: het voorerf ligt overeenkomstig de gebiedskenmerken haaks op de weg en het achtererf in lijn met de verkavelingsrichting; rechtlijnige kavels en wegen het erf is aan de zuid-westzijde reeds afgeschermd met gebiedseigen groen; het achtererf ligt aan de noord- oostzijde open in het landschap; de boerderij met het voorerf kent een sobere uitstraling; het achtererf ligt open in het landschap, bij het herinrichten van het erf moet het wederom aansluiten op de groenstuctuur van het open veenontginningslandschap, (transparante beplanting) het gebied kent verschillende tijdslijnen van bebouwing, deze diversiteit is waardevol en geeft een tijdslijn weer. (bedrijfswoning, stallen, schuren); op het erf staat op het voorerf gebiedsvreemde beplanting. .
1893
project
2 1. Realiseren nieuwe schuur van ca. 850 m2
bestand
Legenda
door
datum
3. Verharding
19 okt. 2021
2. Te slopen landschapsontsierende bebouwing (ca. 1330 m2)
formaat
a3
schaal
1 (3)
versie
5. Bestaande woning (boerderij)
tekeningno
4. Bestaande Esdoornhaag
6. Bestaande ontsluiting van het erf 7. Nevenontslutiing (zandpad)
9. Rooien gebiedsvreemde beplanting 2 8
2
1 3
g
in
30
an )v (m
n wo
5 4
9 6 7
laat je erf groeien! 8
het erfinrichtingsplan
Erfinrichtingsplan Dedemvaartseweg-Noord 174 Lutten
8. Aanplant bomenrij van Zwarte Els
4 RUIMTELIJK K WA L I T EI T S P L A N Uitgangspunten initiatiefnemer: sloop alle oude opstallen (ca. 1330 m2) nr. 2 op tekening herbouw schuur van ca. 850 m2;
4.1.
RUIMTELIJK ONDERBOUWING
Situering nieuwe schuur: ontginningslandschap. Kenmerken van het open veenont-
Samenvatting maatregelen
ginningslandschap is de openheid en de beplanting aan de
sloop van bestaande schuren; bouw nieuwe berging op de plek van de te slopen schuren; bomenrij aan de oostzijde; bestaande houtsingel ten zuid-westen blijft bestaan.
zijkanten van erven. Bij het positioneren van de nieuw te bouwen schuur is rekening gehouden dat de schuur 30 (m) van de westelijke woning moet komen. Bijgebouwen van de erven staan overwegend noordwest georiënteerd. De
realisatie schuur ten behoeve van opslag; landschappelijk goed inpassen van het gehele erf; enkel gebruik streekeigen beplanting; aansluiten op de gebiedskenmerken van het open veenontginningslandschap zoals is omschreven in de LandschapsIdentiteitsKaarten.
schuur wordt net als de te slopen stallen noordwest gesitu-
het erf moet aansluiten op de gebiedskenmerken (hoogveenontginningslandschap) volgens de Omgevingsvisie Overijssel; de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving is wel van toepassing.
staat en vormt een passende afscherming naar de buren.
Het erf sluit aan bij de karakteristiek van het open veen-
Uitgangspunten gemeente:
Uitgangspunten provincie:
De houtsingel aan de zuid-west zijde verkeerd in een goede
eerd en volgt hiermee de verkavelingsrichting. De boerderij blijft behouden en blijft daarmee het belangrijkste gebouw op het erf. Centraal is ruimte om te keren/parkeren. Groenstructuur en inrichting erf: Aan de oostzijde naast de de nieuw te bouwen schuur wordt een bomenrij van zwarte els voorzien. Gezien het type landschap (open en grootschalig) kan de inpassing hier volstaan met een bomenrij. Er is gekozen voor een elzenrij omdat hiermee uitvoering wordt gegeven aan het versterken van de erfbeplanting op zijdelinge perceelgrens (sterk kenmerk) en anderszijds wordt ook rekening gehouden met de openheid door geen dichte singel aan te planten. Het overgrote deel van het voorerf blijft hetzelfde en sluit aan op de gebiedskenmerken. Enkel de coniferen en de houtopslag ten oosten van de inrit wordt vervangen door een gemengde wilde haag. Deze sluit beter aan op het voorerf en kent een hogere ecologische waarde. Tevens komen op de meeste agrarische erven enige opgaande beplanting op het voorerf voor.
9
sfe erb e eld verharding
4.2.
KWALITEITSIMPULS GROENE OMGEVING
primair in het bieden van ruimte aan (verbrede) agrarische
Deze tegenprestatie zal bestaan door het slopen van mi-
Met de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving biedt de provin-
bedrijven en wonen.(mixlandschap). In voorliggend geval is
nimaal 1330 m2 landschapsontsierende bebouwing en het
cie Overijssel beleidsruimte aan gemeenten voor ontwikke-
dan ook sprake van een gebiedseigen functie er staat al een
realiseren van een kwalitatief hoogwaardig erfensemble met
lingen in de groene ruimte. Nieuwe ontwikkelingen moeten
groot volume aan bebouwing.. Tevens draagt het initiatief
gebouwen die passen in het landschap.
mogelijk zijn onder voorwaarde dat ze bijdragen aan de
bij aan het sociaal en economisch vitaal houden van het
kwaliteit van de leefomgeving. In het buitengebied is ruimte
buitengebied.
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)
mits die gelijk opgaan met verbeteringen van de ruimtelijke
Schaal en impact op de omgeving
kwaliteit.
De activiteiten zullen plaatsvinden aansluitend op bestaande
er wordt 1.330 m2 landschapsontsierende bebouwing gesloopt. De nieuwe schuur wordt maximaal 850 m2 (netto 480 m2 blijvend gesaneerd).
voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen
bebouwing. De schuren op het erf zijn niet meer in gebruik Ruimtelijke kwaliteit wordt gerealiseerd door naast bescher-
en zijn daarmee als landschapsontsierend aangemerkt. Het
ming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande
totale bebouwde oppervlakte neemt per saldo met 480
gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, waarbij
m2 af. De schaal van de ontwikkeling is klein, mede door de
bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt en
positionering van de gebouwen aansluitend op de verave-
nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd.
lingrichting. De impact op de omgeving is door de besloten ligging van de nieuwe wagenberging beperkt.
De methodiek voor het bepalen van de balans tussen ontwikkelingsruimte en de gevraagde investering in de groene
Eigen belang en maatschappelijk belang
omgeving, is gericht op het volgende: hoe meer de ontwik-
Er is sprake van een eigen belang. De nieuwe loods voorziet
keling als gebiedsvreemd te beschouwen is en /of hoe groter
primair in het bieden aan bedrijfsruimte in het buitengebied.
de schaal en impact op de ruimtelijke kwaliteit is, des te
Ook is er een maatschappelijk belang. Op het erf aan de
zwaarder weegt dat aan de ontwikkelingskant van de balans
staan landschapsontsierende bebouwing met asbest. Mid-
en hoe hoger de aanvullende kwaliteitsprestaties dan dienen
dels de sloop van het geheel en het opruimen van het erf zal
te zijn. Als het gaat om een gebiedsvreemde ontwikkeling
de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied verbeteren. Dit
van een grote schaal en met een grote impact op de omge-
is goed voor de leefomgeving en het landschap.
ving, dan zal een forse investering in het landschap nodig zijn. Om te beoordelen of medewerking kan worden verleend
Tegenprestatie
aan het verzoek, wordt het volgende model gevolgd:
Al met al worden er boven op de basisinspanning aanvullende kwaliteitspretaties gevraagd, die bijdragen aan de
Gebiedseigen ontwikkeling
versterking van de gebiedskenmerken uit het landschapsont-
Het ontwikkelingsperspectief voor het plangebied voorziet
wikkelingsplan en de ontwikkelingsrichting uit de ontwikkelingsvisie.
10
1893
project
1 1. Te slopen landschapsontsierende bebouwing (ca. 1330 m2)
bestand
Legenda
3 1
2
laat je erf groeien! 11
de landschapsmaatregelen
a3
schaal versie
door
formaat
1 (3)
Landschapsmaatregelen Dedemvaartseweg-Noord 174 Lutten
1
tekeningno
datum
3. Aanplant Elzen Alnus glutinosa - Zwarte Els Aanplantmaat 12-14 met een onderlinge afstand van 8 (m) Eindbeeld is een bomenrij van 5 stuks
19 okt. 2021
2. Gebiedsvreemde beplanting rooien
laat je erf groeien
12
1893-eip-1.vwx
1. Realiseren nieuwe schuur van ca. 850 m2
bestand
project
2
1893
Legenda
herbert 1.0
www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28
1 : 500
schaal versie
door
a3 1 (3)
Erfinrichtingsplan Dedemvaartseweg-Noord 174 Lutten
5. Bestaande woning (boerderij)
formaat
4. Bestaande Esdoornhaag
tekeningno
datum
3. Verharding
19 okt. 2021
2. Te slopen landschapsontsierende bebouwing (ca. 1330 m2)
6. Bestaande ontsluiting van het erf 7. Nevenontslutiing (zandpad) 8. Aanplant bomenrij van Zwarte Els 9. Rooien gebiedsvreemde beplanting 2 8
2
1 3
ng
30
an )v (m
ni wo
5 4
7
laat je erf groeien!
6
9
1893-eip-1.vwx
1. Te slopen landschapsontsierende bebouwing (ca. 1330 m2)
bestand
project
1
1893
Legenda
herbert 1 : 500 1.0
door
www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28
laat je erf groeien!
schaal
2
a3
1
versie
3
1 (3)
1
Landschapsmaatregelen Dedemvaartseweg-Noord 174 Lutten
tekeningno
formaat
datum
3. Aanplant Elzen Alnus glutinosa - Zwarte Els Aanplantmaat 12-14 met een onderlinge afstand van 8 (m) Eindbeeld is een bomenrij van 5 stuks
19 okt. 2021
2. Gebiedsvreemde beplanting rooien
Bijlage 2
Bodemonderzoek
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 68
RAPPORT VERKENNEND EN NADER (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN 5740, NEN 5707 en NTA 5755 Dedemsvaartseweg-Noord 174 - Lutten
Opdrachtgever: BJZ.NU BV Locatie: Dedemsvaartseweg-Noord 174 7775 AM Lutten Januari 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren Tel: 0546 - 63 96 63
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Bankgegevens: KvK: 06068751 ABN AMRO: BTW-nr: NL 8019.25.125.B01 NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend en Nader (Asbest)bodemonderzoek conform NEN 5740, NEN 5707 en NTA 5755 Dedemsvaartseweg-Noord 174 - Lutten
Opdrachtgever: BJZ.NU BV Twentepoort Oost 16a 7609 RG Almelo Locatie: Dedemsvaartseweg-Noord 174 7775 AM Lutten Projectcode: 20047216 Rapportagedatum: 21 januari 2021 Auteur: ing. J.L. Kienstra Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Historische gegevens Geologie en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Chemische analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 6 7
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Resultaten verkennend bodemonderzoek Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten chemische analyses vaste bodem Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking asbestanalyses
9 9 9 13 13 14 15
5.1 5.2 5.3 5.4
Aanvullend (asbest)onderzoek Inleiding en strategie Veldwerkzaamheden aanvullend (asbest)onderzoek Resultaten van de (asbest)analyses Bespreking analyses aanvullend (asbest)onderzoek
16 16 16 17 18
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
Uitvoering nader bodemonderzoek (zink) Conceptueel model nader bodemonderzoek Onderzoeksstrategie nader bodemonderzoek (zink) Veldwerkzaamheden nader bodemonderzoek (zink) Resultaten van de chemische analyses nader bodemonderzoek (zink) Bespreking resultaten chemische analyses nader bodemonderzoek (zink)
19 19 19 19 20 21
7.1 7.1 7.2 7.3 7.4
Nader asbestonderzoek (fase 1) Onderzoeksstrategie (fase 1) Asbestanalyses (fase 1) Veldwerkzaamheden (fase 1) Resultaten asbestanalyses nader asbestonderzoek (fase 1) Bespreking asbestanalyses nader asbestonderzoek (fase 1)
22 22 22 22 23 24
2
3
4
5
6
7
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
8
Nader asbestonderzoek (fase 2) Onderzoeksstrategie (fase 2) Asbestanalyses (fase 2) Veldwerkzaamheden (fase 2) Resultaten asbestanalyses nader asbestonderzoek (fase 2) Bespreking asbestanalyses nader asbestonderzoek (fase 2) Bespreking PFAS-analyse
25 25 25 25 26 27 27
9
Samenvatting, conclusie en aanbevelingen
28
10
Literatuur en bronvermelding
32
8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6
Bijlagen I Topografische kaart Milieutekening, februari 1995 Boorplan verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek, Kruse Milieu BV, januari 2021 II Boorprofielen en legenda III Resultaten chemische analyses en toetsingstabellen IV Resultaten asbestanalyses en concentratieberekeningen (verkennend bodemonderzoek) V Resultaten asbestanalyses en concentratieberekeningen (nader asbestonderzoek fase 1) VI Resultaten asbestanalyses en concentratieberekeningen (nader asbestonderzoek fase 2) VII Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van BJZ.NU BV op een deel van het terrein aan de Dedemvaartseweg-Noord 174 in Lutten door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van het te onderzoeken terreindeel en de nieuwbouw van een bedrijfshal. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat binnen de onderzoekslocatie een bovengrondse dieseltank (deellocatie A) aanwezig was en dat 3 asbestverdachte druppelzones (deellocaties B, C en D) en een asbestverdachte puinverharding (deellocatie E) aanwezig zijn. De bodem van het overige deel van de onderzoekslocatie wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van asbest. Het overige deel van de onderzoekslocatie is niet verdacht voor de aanwezigheid van chemische componenten. Aanleiding voor het nader (asbest)bodemonderzoek wordt gevormd door de resultaten van het verkennend en aanvullend (asbest)bodemonderzoek, waarbij in de bovengrond van boring 12A een matig verhoogd zinkgehalte is aangetoond en visueel asbest is aangetroffen in de inspectiegaten 5, 6 en 14.
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN 5725, “Bodem. Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009; - NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5897+C2, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op de verdachte deellocaties is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrond-, norm- en de streefwaarden overschrijden.
Het veldwerk is uitgevoerd in juli, augustus, september, oktober 2020 en januari 2021 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 1 van 32
2
Locatiegegevens 2.1 Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Dedemvaartseweg-Noord 174, op circa 300 meter ten westen van de bebouwde kom van Lutten. Het centrale punt van het te onderzoeken terreindeel heeft de RD-coördinaten x = 234.787 en y = 514.319. Het perceel is kadastraal bekend als: gemeente Hardenberg, sectie U, nummer 2077 (ged.). De Dedemvaartseweg-Noord is ten zuiden van de onderzoekslocatie gelegen. Bebouwing en verharding Binnen de locatie bevinden zich een woning, 2 buiten gebruik zijnde veeschuren (deels onderkelderd ten behoeve van mestopslag). De westelijk gelegen veeschuur staat leeg en is vervallen. In een deel van de noordoostelijk gelegen voormalige veeschuur is een werkplaats aanwezig voor kleinschalig onderhoud aan landbouwmachines. Dit deel van schuur is verhard met beton (deels onderkelderd ten behoeve van mestopslag). Tegen het noordelijke deel van deze schuur is een kapschuur aanwezig, die verhard is met klinkers. De vervallen veeschuur en de woning zijn voorzien van betonvloeren. Op de daken van de veeschuren liggen asbestverdachte golfplaten. Het onbebouwde deel van de onderzoekslocatie is verhard met klinkers, beton en puin. De onverharde terreindelen zijn braakliggend of begroeid met gras.
Onderzoekslocatie Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw van een bedrijfshal voor de reparatie en het onderhoud van landbouwmachines (zie boorplan). De toekomstige inrichting van de bedrijfshal is nog niet bekend. De huidige woning blijft behouden. De voormalige veeschuren worden gesloopt. Het verkennend (asbest)bodemonderzoek wordt verricht op de volgende terreindelen: - Deellocatie A: voormalige bovengrondse dieseltank (15 m2); - Deellocatie B: druppelzone (70 m2, 70 meter x 1 meter); - Deellocatie C: druppelzone (41 m2, 41 meter x 1 meter); - Deellocatie D: druppelzone (50 m2, 50 meter x 1 meter); - Deellocatie E: asbestverdachte puinverharding (300 m2); - Te herontwikkelen terreindeel (circa 6150 m2). Er is sprake van een druppelzone als hemelwater via asbestverdachte dakplaten afwatert op onverhard terrein. In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en is het boorplan opgenomen. 2.2 Historische gegevens In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn.
Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever, bij de eigenaar en bij de Omgevingsdienst IJsselland/gemeente Hardenberg. De volgende informatie is verzameld: - De oudste bebouwing (woonboerderij) dateert van 1920. De huidige veeschuren dateren van na 1965. De zuidzijde van de noordoostelijk gelegen schuur is in 2005 gesloopt. In 2010 is de noordoostelijke schuur aan de noordzijde uitgebreid met een kapschuur; dit deel van de schuur is verhard met klinkers. In 2006 is een deel ten noorden van de woning gesloopt. In deze periode is vermoedelijk ook een garage ten oosten van de woning gesloopt. De westelijke gelegen schuur is in vervallen staat en is niet in gebruik.
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 2 van 32
- De beschikbaar gestelde milieuvergunning dateert van februari 1995. Uit de milieuvergunning blijkt dat er sprake was van het houden van rundvee. Op de milieutekening staat een bovengrondse dieseltank weergegeven (deellocatie A). - In de werkplaats (in het zuidelijke deel van de oostelijke schuur) worden kleinschalig reparaties (met name mechanisch) verricht aan landbouwvoertuigen. Er vindt geen opslag plaats van bodemgevaarlijke stoffen (zoals olie). - De bovengrond op het erf wordt beschouwd als asbestverdacht. Er zijn 3 asbestverdachte druppelzones aanwezig (deellocaties B, C en D). Ten westen van de westelijk gelegen veeschuur bevindt zich een puinverharding (deellocatie E) van circa 300 m2. De herkomst en de kwaliteit van het puin is niet bekend en het puin is derhalve asbestverdacht. - Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Er zijn geen bodemonderzoeken op de locatie of van directe omgeving bekend. 2.3 Geologie en geohydrologie Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 10 meter boven NAP. - De locatie ligt in een gebied, waar geen scheidende laag aanwezig is.
De dikte van het eerste watervoerende pakket bedraagt circa 120 meter; de ondoorlatende basis bevindt zich derhalve op ruim 110 meter min NAP. - De afzettingen in het eerste watervoerend pakket bestaan uit fijne en grove, soms slibhoudende zanden. De transmissiviteit (kD-waarde) van het eerste watervoerende pakket bedraagt meer dan 2000 m²/dag. - Het freatisch grondwater stroomt globaal in westelijke richting.
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 3 van 32
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1 Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN 5897, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, augustus 2015; - NTA 5755, "Bodem - Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging", NNI Delft, juli 2010. In de normen NEN 5740, NEN 5707 en NEN 5897 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. De onderzoeksstrategie en het boorplan zijn afgestemd met de Omgevingsdienst IJsselland.
Het verkennend bodemonderzoek wordt verricht op de volgende terreindelen: - Deellocatie A: voormalige bovengrondse dieseltank (15 m2); - Deellocatie B: druppelzone (70 m2, 70 meter x 1 meter); - Deellocatie C: druppelzone (41 m2, 41 meter x 1 meter); - Deellocatie D: druppelzone (50 m2, 50 meter x 1 meter); - Deellocatie E: asbestverdachte puinverharding (300 m2); - Te herontwikkelen terreindeel (circa 6150 m2). Deellocatie A - dieseltank De onderzoeksstrategie ter plekke van de dieseltank is gebaseerd op norm NEN 5740, paragraaf 5.3: Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). De bovengrond is verdacht ten aanzien van minerale olie en het grondwater is verdacht ten aanzien van minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen. Deellocatie B, C en D - druppelzones De deellocaties B, C en D worden beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de norm NEN 5707, paragraaf 6.4.5: verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld (VED-HE). Er worden per druppelzone 3 inspectiegaten gegraven met een lengte en breedte van minimaal 0.3 x 0.3 meter. De toplaag van 0 tot 0.1 m-mv wordt bemonsterd en geanalyseerd.
Deellocatie E - puinverharding Deellocatie E wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. De onderzoeksstrategie (open halfverharding) uit NEN 5897 wordt voor de puinverharding gebruikt. In totaal worden, bij een homogene samenstelling van het puin, 4 inspectiegaten gegraven van 0.3 x 0.3 meter. De fijne fractie (25 kilo) wordt geanalyseerd op asbest. Te herontwikkelen terreindeel De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN 5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL), verdacht uit norm NEN 5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE) worden voor het overige deel van de onderzoekslocatie gebruikt. Beide strategieën worden gecombineerd. Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 4 van 32
De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten. In tabel 1 is de onderzoeksstrategie per deellocatie weergegeven. Tabel 1: Onderzoeksstrategie. Deellocatie A B C D E Te herontwikkelen terreindeel
3.2
15 m2 70 m2 41 m2 50 m2 300 m2
Boringen of gaten tot 0.5 m-mv 3 3 3 4
6150 m2
12
Oppervlakte
Boringen tot 1.0 m-mv
Boringen tot 2.0 m-mv
Peilbuis
2 -
-
1 -
-
3
1
Chemische analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratoria voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam te Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 4. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740, NEN 5707 en NEN 5897 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke analyses worden uitgevoerd. Tabel 2: Analysepakket per monster. Monster
Analysepakket
Codering (meng)monster Deellocatie A
Bovengrond (1x) Minerale olie, organische stof en droge stof
A - BG
Minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, Grondwater (1x) zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
PB A1
Deellocatie B Bovengrond (1x)
Asbest en droge stof
B - MM FF
Deellocatie C Bovengrond (1x)
Asbest en droge stof
C - MM FF
Deellocatie D Bovengrond (1x)
Kruse Milieu BV
Asbest en droge stof
Project: 20047216
D - MM FF
Pagina 5 van 32
Vervolg tabel 2: Analysepakket per monster. Monster
Analysepakket
Codering (meng)monster Deellocatie E
Puinverharding (1x) Asbest en droge stof
E - MM FF
Te herontwikkelen terreindeel Bovengrond (2x) Ondergrond (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof
BG I, BG II, OG I en OG II
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
PB 1
Bovengrond (3x)
Asbest en droge stof
MM FF - 01 MM FF - 02 MM FF - 03
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. 3.3 Toetsing chemische analyses De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.
Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 6 van 32
tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde.
De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie 2 juli 2020) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 5 maart 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater. 3.4 Toetsing asbestanalyses De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest.
Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is bij een verkennend asbestonderzoek een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 7 van 32
Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 8 van 32
4
Resultaten verkennend bodemonderzoek 4.1 Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses en de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en 4.5 en in paragraaf 4.4 en 4.6 worden de resultaten besproken. 4.2 Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn in juli, augustus en september 2020 uitgevoerd door de heren R. Veltmaat, N. Pepping en B. Dierink. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Op 14 juli 2020 zijn in totaal 4 boringen verricht (deellocatie A en peilbuis 1 op het overig terrein). Er zijn geen grondmonsters genomen van boring 1 in verband met de conserveringstermijn van enkele parameters. Boring 1 wordt voor het nemen van grondmonsters opnieuw verricht en gecodeerd als 1A. Op 26 augustus 2020 zijn, na het inspecteren van het maaiveld, in totaal 16 inspectiegaten gegraven met behulp van een schep op het her te ontwikkelen terreindeel. Er zijn 4 inspectiegaten doorgeboord tot de ondergrond. Boring 4 is 5x gestaakt op een onbekende harde laag (de gestaakte boringen zijn gecodeerd als 4A, 4B, 4C, 4D en 4E).
Op 3 september is het grondwater uit peilbuizen 1 en 1A bemonsterd en zijn in totaal 15 inspectiegaten gegraven (deellocaties B, C, D en E). De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Het maaiveld was grotendeels vrij van obstakels en begroeiing en was goed te inspecteren (inspectie-efficiëntie: 100%). De bodem kon deels, vanwege de aanwezigheid van opslag, verhardingslagen en gras, niet of niet goed geïnspecteerd worden; er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen of weinig neerslag). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot maximaal 3.00 meter diepte is voornamelijk matig fijn zand aangetroffen. In de ondergrond zijn roest- en/of oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (zie tabel 3). Door de veldwerkers zijn visueel asbestverdachte materialen waargenomen in bodem ter plekke van de inspectiegaten 5, 6 en 14.
Er zijn ter plekke van deellocatie A geen waarnemingen gedaan, die duiden op een verontreiniging met minerale olie. Diverse gaten ter plekke van de deellocaties B, C, D en E zijn gestaakt op puin of beton.
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 9 van 32
Tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt Diepte (m-mv) Waarneming Deellocatie A A1
0 - 0.80
Sporen puin
A2
0 - 0.80
Matig puinhoudend
A3
0 - 0.80
Matig puinhoudend Deellocatie B
B1
0 - 0.10 0.10 - 0.50
Matig puinhoudend Sterk puinhoudend, gestaakt op beton
B2
0 - 0.10 0.10 - 0.50
Matig puinhoudend Sterk puinhoudend, gestaakt op beton
B3
0 - 0.10 0.10 - 0.70
Zwak puinhoudend Sporen puin Deellocatie C
C1
0 - 0.50
Sterk puinhoudend, gestaakt op puin
C2
0 - 0.35
Sterk puinhoudend, gestaakt op puin
C3
0 - 0.20
Sterk puinhoudend, gestaakt op beton Deellocatie D
D1
0 - 0.20
Sterk puinhoudend, gestaakt op puin
D2
0 - 0.30
Sterk puinhoudend, gestaakt op puin
D3
0 - 0.40
Sterk puinhoudend, gestaakt op beton Deellocatie E
E1
0 - 0.35
Volledig puin (grof puin)
E2
0 - 0.30
Volledig puin (grof puin), gestaakt op beton
E3
0 - 0.50
Volledig puin (grof puin)
E4
0 - 0.30
Volledig puin (grof puin), gestaakt op beton Te herontwikkelen terreindeel
1/1A
0 - 0.90
Sporen baksteen
3
0 - 0.35
Matig puinhoudend
4
0 - 0.30
Sporen baksteen
5
0.06 - 0.30 0.30 - 0.40
Sterk puin- en asbesthoudend Beton
6
0.15 - 0.35
Sterk puin- en asbesthoudend
7
0 - 0.60
Sporen puin
8
0 - 0.60
Sporen puin
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 10 van 32
Vervolg tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt Diepte (m-mv) Waarneming 9
0 - 0.80
Sporen puin
10
0 - 0.45
Volledig puin (grof puin), boring gestaakt op beton
12
0 - 0.40
Matig puinhoudend
13
0.15 - 0.60
Matig puinhoudend
14
0.35 - 0.70
Sterk puin- en asbesthoudend, boring gestaakt op betonvloer
15
0 - 0.70
Sporen puin
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de monsterpunten zijn onderstaande (meng)monsters geanalyseerd, zoals in tabel 4 staat omschreven. De zintuiglijke waarnemingen gaven aanleiding voor het verrichten van extra asbestanalyses, maar hiervoor werd geen opdracht verstrekt. Daardoor is ook een asbestmonster minder geanalyseerd. De extra asbestanalyses zijn tijdens het aanvullend (asbest)bodemonderzoek verricht (zie hoofdstuk 5). Tabel 4: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m-mv)
Analyse
0 - 0.50
Minerale olie
0- 0.10
Asbest
0 - 0.10
Asbest
0 - 0.10
Asbest
0 - 0.35 0 - 0.30 0 - 0.50
Asbest
Deellocatie A A - BG
A1, A2 en A3 Deellocatie B
B - MM FF
B1, B2 en B3 Deellocatie C
C - MM FF
C1, C2 en C3 Deellocatie D
D - MM FF
D1, D2 en D3 Deellocatie E
E - MM FF
E1 E2 en E4 E3
Te herontwikkelen terreindeel BG I (sporen puin)
1A, 7, 8, 9 en 15 4
0 - 0.50 0 - 0.30
NEN 5740 standaard-pakket
BG II (sterk puinhoudend)
3 12 13
0 - 0.35 0 - 0.40 0.15 - 0.60
NEN 5740 standaard-pakket
OG I
1A 2
0.90 - 1.70 0.70 - 1.60
NEN 5740 standaard-pakket
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 11 van 32
Vervolg tabel 4: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Analyse
Traject (diepte in m-mv)
Te herontwikkelen terreindeel OG II
3 4 12
0.35 - 1.00 0.30 - 0.60 0.40 - 0.60
NEN 5740 standaard-pakket
MM FF - 01 (sporen puin)
1A, 7, 8, 9 en 15 4
0 - 0.50 0 - 0.30
Asbest
MM FF - 02 (visueel schoon)
3 12 13
0 - 0.35 0 - 0.40 0.15 - 0.60
Asbest
De boringen A1 en 1 zijn doorgezet tot maximaal 3.10 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens zijn de peilbuizen doorgepompt. Op 3 september 2020 is het grondwater bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN 5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet) als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 5. Tabel 5: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC (μS/cm)
Troebelheid (NTU)
Toestroming
A1
2.00 - 3.00
1.40
6.8
780
18
Goed
1
2.10 - 3.10
1.60
7.0
330
9.84
Goed
pH-waarden tussen 5.5 en 7.5, EC-waarden tussen 100 en 1000 μS/cm en een NTU-waarde <10 worden als normaal beschouwd. In het grondwater in peilbuis A1 is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen.
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 12 van 32
4.3 Resultaten chemische analyses vaste bodem In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit betekent dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grondmonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. In de bovengrond A - BG, BG I, BG II en in het grondwater in peilbuis 1 zijn enkele lichte tot matige verontreinigingen aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 6. De ondergrond (OG I en OG II) en het grondwater in peilbuis A1 zijn niet verontreinigd. Tabel 6: Verhoogde concentraties (mg/kg d.s. of μg/l). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrond-1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
190
5000
Deellocatie A Bovengrond, A - BG
Minerale olie
120
255.3 *
Te herontwikkelen terreindeel
1
Bovengrond, BG I
Kwik Lood
0.14 65
0.1933 * 93.8 *
0.15 50
36 530
Bovengrond, BG II
Kwik Lood Zink Minerale olie PCB
0.12 73 270 150 0.012
0.1689 * 109.6 * 601 ** 326.1 * 0.0256 *
0.15 50 140 190 0.02
36 530 720 5000 1.0
Grondwater, PB 1
Barium Zink
97 100
97 * 100 *
50 65
625 800
AW2000
In de vierde kolom van tabel 6 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.4 Bespreking resultaten chemische analyses Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Deellocatie A De bovengrondse dieselopslag heeft een geringe negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit. Het licht verhoogde minerale oliegehalte in de bovengrond is vermoedelijk door morsverliezen bij het aftanken van voertuigen veroorzaakt. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is nader onderzoek niet noodzakelijk. Het grondwater in peilbuis A1 is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen. Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 13 van 32
Te herontwikkelen terreindeel Bovengrond BG I en BG II - Zware metalen Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met metalen niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing (en bewoning). Oorzaak voor de licht verhoogde gehalten wordt onder meer gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen. De licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. Het matig verhoogde zinkgehalte in de bovengrond BG II geeft aanleiding voor vervolgonderzoek, waarbij de 3 deelmonsters separaat op zink worden geanalyseerd. Omdat de deelmonsters niet meer beschikbaar zijn, dienen boring 3, 12 en 13 opnieuw te worden verricht. Dit aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden tegelijkertijd met het aanvullend asbestonderzoek. Het aanvullend (asbest)onderzoek wordt beschreven in hoofdstuk 5. Bovengrond BG II - Minerale olie en PCB De licht verhoogde PCB- en oliegehalten zijn op basis van de beschikbare gegevens niet direct verklaarbaar. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is nader onderzoek niet noodzakelijk. Grondwater - Barium en zink Het grondwater in peilbuis 1 is zeer licht verontreinigd met barium en zink. Beide metalen zijn vermoedelijk van nature aanwezig. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is nader grondwateronderzoek niet noodzakelijk.
4.5 Resultaten van de asbestanalyses In bijlage IV zijn de analyserapporten en de concentratieberekeningen van het asbestonderzoek opgenomen. In tabel 7 zijn de gewogen asbestconcentraties weergegeven. Tabel 7: Gewogen asbestconcentraties (mg/kg droge stof). Monster
Component
Gewogen asbestconcentratie
ToetingsInterventiewaarde naderwaarde asbestonderzoek
Deellocatie B B - MM FF
Asbest
n.a.
50
100
Deellocatie C Inspectiegat C1
Asbest
3.3
50
100
Inspectiegat C2
Asbest
3.3
50
100
Inspectiegat C3
Asbest
3.3
50
100
Deellocatie D Inspectiegat D1
Asbest
2.1
50
100
Inspectiegat D2
Asbest
2.2
50
100
Inspectiegat D3
Asbest
2.2
50
100
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 14 van 32
Tabel 7: Gewogen asbestconcentraties (mg/kg droge stof). Monster
Component
Gewogen asbestconcentratie
ToetingsInterventiewaarde naderwaarde asbestonderzoek
Deellocatie E Inspectiegat E1
Asbest
0.5
50
100
Inspectiegat E2
Asbest
0.6
50
100
Inspectiegat E3
Asbest
0.6
50
100
Inspectiegat E4
Asbest
0.6
50
100
Te herontwikkelen terreindeel MM FF - 01
Asbest
7.9
50
100
Inspectiegat 3*
Asbest
90.3
50
100
Inspectiegat 12*
Asbest
90.2
50
100
Inspectiegat 13*
Asbest
91.8
50
100
* MM FF - 02 In de derde kolom van tabel 7 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde. 4.6 Bespreking asbestanalyses Deellocatie B In de druppelzone ter plekke van deellocatie B is geen asbest aangetoond. Deellocaties C, D en E De druppelzones ter plekke van deellocatie C en D en de puinverharding (deellocatie E) zijn asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Te herontwikkelen terreindeel MM FF - 01 is asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. MM FF - 02 (gaten 3, 12 en 13) is asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Omdat de inspectiegaten 3, 12 en 13 over een relatief groot gebied zijn verspreid, is inzicht in de bron van de asbestverontreiniging gewenst, zodat de ruimtelijke eenheid, waarin een eventueel nader asbestonderzoek moet worden verricht, beter bepaald kan worden. Derhalve zijn in een aanvullend asbestonderzoek de 3 gaten opnieuw gegraven. De resultaten van het aanvullend asbestonderzoek staan omschreven in hoofdstuk 5.
De visueel asbesthoudende inspectiegaten 5, 6 en 14 zijn niet geanalyseerd. Aangenomen wordt dat de normwaarde in ruime mate wordt overschreden. Er is derhalve een nader asbestonderzoek verricht. Het nader asbestonderzoek wordt beschreven in de hoofdstukken 7 (fase 1) en 8 (fase 2).
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 15 van 32
5
Aanvullend (asbest)onderzoek 5.1
Inleiding en strategie
De aanleiding voor het aanvullend (asbest)onderzoek wordt gevormd door de analyseresultaten van de mengmonsters BG II (zink) en MM FF - 02 (asbest). In het mengmonster BG II overschrijdt het zinkgehalte de tussenwaarde en in MM FF - 02 is het gewogen asbestgehalte hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek (gemeten is gemiddeld 91 mg/kg d.s.). In beide mengmonsters is de bovengrond van inspectiegaten 3, 12 en 13 opgenomen. Omdat de 3 inspectiegaten (3, 12 en 13) over een groot gebied verspreid liggen, is inzicht in de bron van de asbestverontreiniging gewenst, zodat de ruimtelijke eenheid waarin een eventueel nader asbestonderzoek moet worden verricht beter bepaald kan worden. Tevens is inzicht gewenst in de bron van het matig verhoogde zinkgehalte in het mengmonster BG II. Om de bron (of bronnen) van de zink- en asbestverontreinigingen te bepalen worden de gaten 3, 12 en 13 separaat bemonsterd en separaat geanalyseerd op zink en asbest. Omdat gat 13 gelegen is binnen de ruimtelijke eenheid van het nader asbestonderzoek wordt gat 13 vervangen door een inspectiesleuf. Deze monsterpunten worden gecodeerd als 3A, 12A en S13. 5.2
Veldwerkzaamheden aanvullend (asbest)onderzoek
De veldwerkzaamheden zijn in oktober 2020 uitgevoerd door de heer R.Veltmaat. De veldwerker is conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). De heer R. Veltmaat is geassisteerd door de heer B. Dierink. Op 27 oktober 2020 zijn in totaal 2 inspectiegaten gegraven met behulp van een schep. Gat 13A is gecombineerd met het nader asbestonderzoek (fase 1, zie hoofdstuk 7), waarbij een inspectiesleuf is gegraven (gecodeerd als S13). De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot maximaal 1.0 meter diepte voornamelijk uit matig fijn zand. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen (zie tabel 8). Door de veldwerker zijn visueel asbestverdachte materialen waargenomen in sleuf S13. Tabel 8: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt Diepte (m-mv) Waarneming 3A
0.10 - 0.40
Sporen puin, zwak ijzerhoudend
12A
0 - 0.30
Sterk puinhoudend, zwak ijzerhoudend
S13
0.15 - 0.40
Sterk puinhoudend, matig asbesthoudend
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de monsterpunten zijn onderstaande (meng)monsters geanalyseerd, zoals in tabel 9 staat omschreven. Voor de gegevens omtrent de resultaten van het asbestonderzoek in sleuf S13 wordt verwezen naar hoofdstuk 7.
Kruse Milieu BV
Project: 20047216
Pagina 16 van 32
Tabel 9: Geanalyseerde monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m-mv)
Analyse
Zink Boring 3A (0.1-0.4)
4A
0.10 - 0.40
Zink
Boring 12A (0-0.3)
12A
0 - 0.30
Zink
Boring S13
S13
0.15 - 0.40
Zink
Asbest FF - Gat 3A
3A
0.10 - 0.40
Asbest
FF - Gat 12A
12A
0 - 0.30
Asbest
5.3
Resultaten van de (asbest)analyses
In bijlage III zijn de analyserapporten opgenomen van het aanvullend onderzoek met betrekking tot de zinkverontreiniging. In bijlage V zijn de analyserapporten en de concentratieberekeningen (gat 12A en S13) van het aanvullend asbestonderzoek opgenomen. In tabel 10 zijn de gemeten zinkgehalten weergegeven en in tabel 11 zijn de gewogen asbestgehalten weergegeven. De resultaten van het asbestonderzoek in sleuf S13 worden in hoofdstuk 7 behandeld. Tabel 10: Gemeten zinkgehalten (mg/kg d.s.).