CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Regels, toelichting en bijlagen bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartseweg- Noord 174 Lutten”

gemeenteraad 24 mei 2022, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartseweg-Noord 174 Lutten” (omzetting van de agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming met sanering van landschapsontsierende bedrijfsgebouwen)30.083 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De ontwikkelingsvisie voor het 'Open veenontginningslandschap' binnen deelgebied 'Slagharen, De Krim en (Oud) Lutten' is als volgt gedefinieerd. Kernwoorden: Hoofdfunctie landbouw, wonen in bebouwings- of kanaallinten Lutten, De

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 27

Krim, Schuinesloot. Plaatselijk ruimte voor nieuw agrarische bedrijven; Ruimte bouwkavels; Verbrede landbouw; Ruimte voor nieuwe kleinschalige economische functies in voormalige agrarische bebouwing. 4.3.3.4 Toetsing van het initiatief aan het LIK Op dit moment wordt de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing binnen het plangebied gebruikt ten behoeve van de reparatie en opslag van auto's en machines. Het is gewenst om de juridisch-planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Omdat de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen verouderd zijn, is het gewenst om deze bebouwing te slopen om plaats te maken voor nieuwe bebouwing. Het bedrijfsperceel wordt landschappelijk ingepast, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken binnen het daar voorkomende landschap. Voor een nadere toelichting op de inpassing wordt verwezen naar paragraaf 3.2. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met het LIK. 4.3.4

Bestemmingsplan ''Buitengebied Hardenberg''

4.3.4.1 Algemeen Het bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg” is in hoofdzaak conserverend van aard. Dit betekent dat de bestaande situatie is vastgelegd. Tegelijkertijd wil de gemeente op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor (nieuwe) ontwikkelingen in het buitengebied. Het is de ambitie van de gemeente om deze ontwikkelingen in het buitengebied te laten bijdragen aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente zet daarbij in op het leggen van verbindingen tussen bestaande kwaliteiten en de nieuwe ontwikkelingen. Via afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden kent het bestemmingsplan (onder voorwaarden) een zekere mate van flexibiliteit. Op basis van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 8.6.6 hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om de bestemming 'Agrarisch met waarden Open veenontginningslandschap' te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf - Open veenontginningslandschap'. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. het bouwvlak wordt verwijderd; b. voor elk bedrijf worden ten hoogste de ten tijde van het wijzigingsbesluit bestaande bebouwing en de direct daaraan grenzende gronden binnen het betreffende, voormalige bouwvlak als 'Bedrijf - Open veenontginningslandschap' aangewezen; c. de overige gronden binnen het voormalig bouwvlak houden de betreffende agrarische bestemming; d.

het bedrijf moet voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; e. de bedrijfsactiviteiten mogen: 1. de functies van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing niet onevenredig aantasten; 2. geen wezenlijke wijziging van de uiterlijke verschijningsvorm van de betreffende bebouwing inhouden; 3. geen opslag van goederen in de open lucht inhouden of met zich meebrengen, en; 4. in vergelijking met het voormalige agrarische gebruik geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden met zich meebrengen. f. de bedrijfsactiviteiten moeten vanuit milieuoogpunt toelaatbaar zijn; g. inpassing van de bouwwerken en het gebruik daarvan op het erf en in het landschap moet op zorgvuldige wijze plaatsvinden, aan de hand van een ruimtelijke kwaliteitsplan; h. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal bedrijfswoningen. 4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan het bestemmingsplan ''Buitengebied Hardenberg" Hierna wordt puntsgewijs aan de voorwaarden getoetst: a. Het agrarisch bouwvlak wordt verwijderd (zie plankaart/verbeelding).

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 28

b. In voorliggend geval wordt niet geheel aan deze voorwaarde voldaan. De aanwezige voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, met een gezamenlijke oppervlakte van circa 1.330 m2, wordt gesloopt. Hiervoor komt een loods van maximaal 850 m2 voor terug. Hiermee is sprake van een forse afname van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. In voorliggend bestemmingsplan wordt de bestemming 'Bedrijf - Open veenontginningslandschap' toegekend aan de gronden waar in de toekomst de bedrijfsvoering plaats vindt. Dit is in oppervlak kleiner dan het huidige agrarische bouwvlak. c. De overige gronden binnen het voormalig bouwvlak worden voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap' zonder bouwvlak. d. Het parkeren behorend bij het bedrijf en de bedrijfswoning vindt geheel plaats op eigen terrein, hier is ruim voldoende ruimte voor. e. Hierna wordt aan de voorwaarden behorend bij de bedrijfsactiviteiten getoetst: 1. Er is geen sprake van onevenredige aantasting van gronden en bebouwing van aangrenzende functies (zie paragraaf 5.5). 2. De aanwezige landschapsontsierende schuren zullen worden gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe loods. Daarnaast wordt het geheel landschappelijk ingepast. Dit zorgt voor een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. 3. Opslag van goederen vindt niet plaats in de open lucht. 4.

Zoals blijkt uit paragraaf 3.3 zijn er ten aanzien van verkeersbelasting/verkeersgeneratie geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. f. In hoofdstuk 5 en 6 wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Hier wordt geconcludeerd dat de voorgenomen bestemmingswijziging vanuit milieuoogpunt toelaatbaar is. g. In het kader van voorliggende bestemmingswijziging is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Verwezen wordt naar paragraaf 3.2 en Bijlage 1. Het bedrijfsperceel wordt op zorgvuldige wijze ingepast in het landschap. h. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in het toevoegen van een extra bedrijfswoning. Geconcludeerd wordt dat niet geheel wordt voldaan aan de voorwaarden behorend bij de wijzigingsbevoegdheid. Daarnaast is het gewenst om binnen de bestemming 'Bedrijf - Open veenontginningslandschap' buitenopslag ten dienste van het bedrijf uit te sluiten. Het vorenstaande maakt dat de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk kan worden gemaakt door middel van een wijzigingsplan en een bestemmingsplanherziening noodzakelijk is. Wel is het voornemen in lijn met de doelstelling van de voorgenoemde wijzigingsbevoegdheid en is er sprake van een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering.

De ruimtelijke kwaliteitsverbetering vertaald zich in: de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen; de landschappelijke inpassing; het verplaatsen van de buiten opslag naar de te realiseren loods. 4.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 29

Hoofdstuk 5

Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage. 5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat niet uit van het toevoegen en/of verplaatsen van een geluidsgevoelig object zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. De aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai zijn dan ook niet van toepassing. In paragraaf 5.5 (milieuzonering) wordt aan de hand van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' nader ingegaan op de milieubelasting van het binnen het plangebied aanwezige bedrijf. 5.1.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan. 5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval is er een verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. In de volgende subparagraaf wordt nader op de resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting. Uit het bodemonderzoek volgt dat in de bodem ter plaatse van het plangebied plaatselijk

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 30

sprake is van asbestverontreiniging. Deze verontreiniging bevindt zich met name onder de klinkerverharding van de oprit ten noordoosten van de woning. Aan de noordzijde bevindt zich een uitloop van de asbesthoudende grond. De uitloopzone is niet voorzien van een aaneengesloten verhardingslaag. De totale omvang van de asbestverontreiniging onder de oprit en de uitloopzone wordt geschat op circa 440 m3. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Om het terrein geschikt te maken voor toekomstig gebruik dient de asbesthoudende stortlaag te worden gesaneerd. Omdat (een deel van) de asbestverontreiniging dient te worden gesaneerd door middel van verwijdering is ten behoeve van de verwerking van de verontreinigde grond een PFAS-analyse verricht. De met asbest verontreinigde grond is niet verontreinigd met PFAS. 5.2.3

Conclusie

Na sanering van de asbestverontreinigingen zijn er geen milieutechnische bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het toekomstige gebruik. 5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen'

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 31

binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. 5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de blauwe cirkel weergegeven.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 32

Afbeelding 4.1 Uitsnede Risicokaart, de rode cirkel betreft het plangebied. (Bron:Risicokaart.nl) Uit afbeelding 4.1 blijkt dat er in de omgeving aan aantal risicovolle inrichtingen/functies aanwezig zijn, waaronder gasleidingen een inrichting ten behoeve van aardolie- en aardgaswinning en een gasreduceerstation. De risicovolle inrichtingen/functies liggen op ten minste 350 meter afstand van het plangebied. Opgemerkt dient te worden dat de in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet voorziet in het toevoegen en/of verplaatsen van risicogevoelige functies. Een nadere verantwoording wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Overigens wordt opgemerkt dat de binnen het plangebied aanwezige bedrijfswoning wel een risicogevoelige functie betreft. Bewoners van deze bedrijfswoning worden in beginsel aangemerkt als zelfredzame personen, die zichzelf bij een calamiteit in veiligheid kunnen brengen. Het plangebied is in verschillende richtingen te ontvluchten van de risicovolle inrichtingen/functies af. Tot slot wordt het bedrijf binnen het plangebied niet aangemerkt als een risicovolle inrichting. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op de te hanteren richtafstanden (waaronder de richtafstand voor het aspect gevaar). 5.4.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 33

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied is gelegen in het buitengebied aan het bebouwingslint van de Dedemsvaartseweg, waar direct naast woonpercelen agrarisch bedrijven aanwezig zijn. Daarnaast gaat het om een bebouwingslint wat sprake is van een relatief hoge milieubelasting in verband met verkeer. De Dedemsvaartseweg betreft namelijk een belangrijke verbindingsweg tussen Dedemsvaart en Gramsbergen, met daartussen Lutten. Gelet op het vorenstaande kan uit worden gegaan het omgevingstype 'gemengd gebied'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 34

Milieucategor Richtafstanden tot ie omgevingstype rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m 5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. In voorliggend geval gaat het om een bestemmingswijziging van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming teneinde de juridisch-planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. De binnen het plangebied beoogde bedrijfsvoering kan op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' het best worden vergeleken met een 'verhuurbedrijf voor machines en werktuigen' en 'dienstverlening ten behoeve van de landbouw > 500 m2' met beide een milieucategorie van 3.1.

Voor dergelijke bedrijven geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid (uitgaande van een gemengd gebied). Voor geur en gevaar geldt een richtafstand van 10 meter. Voor stof bedraagt de richtafstand 0 meter. Planologisch gezien ligt het plangebied direct tegen de woonbestemmingen Dedemsvaartseweg-Noord 172A en 176. Strikt formeel wordt er dus niet voldaan een alle richtafstanden (geluid, geur en gevaar). Echter wanneer de huidige planologische situatie (Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap' met bouwvlak) wordt vergeleken met de beoogde planologische situatie, dan kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat van de omliggende woonpercelen. De omliggende woonpercelen zijn op basis van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" voorzien van de bestemming 'Wonen - Open veenontginningslandschap'. In de bouwregels van deze bestemming is in artikel 44.2.2 onder c bepaald dat bij herbouw, verbouw en uitbreiding van een woning de gevels niet gesitueerd mogen worden op een afstand van minder dan 200 meter van een agrarisch bouwvlak. Indien de huidige gevels al zijn gelegen op een kortere afstand, dan mogen de gevels niet dichterbij een agrarisch bouwvlak worden gesitueerd dan de huidige gevels.

De dichtstbijzijnde woning (Dedemsvaartseweg-Noord 176) ligt op circa 9 meter van het huidige agrarische bouwvlak. De overige woningen liggen op ten minste 20 meter afstand. In het voorliggende bestemmingsplan is de locatie van de bedrijfsgebouwen vastgelegd. Bedrijfsgebouwen kunnen hierdoor niet dichter op omliggende woningen worden gerealiseerd dan op dit moment reeds planologisch mogelijk is binnen de ter plaatse aanwezige agrarische bedrijfsbestemming. De feitelijke afstand tussen het beoogde bedrijfsgebouw en de gevels van de meest nabij gelegen woningen bedraagt ten minste 30

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 35

meter. Hiermee kan worden voldaan aan de richtafstanden van de aspecten geluid (30 m), geur (10 m), gevaar (10 m) en stof (0 m) en is ten aanzien van deze aspecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten ter plaatse van de omliggende woningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in het voorliggend geval een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de beoogde bestemmingswijziging voor wat betreft het aspect geluid. Een samenvatting van de resultaten en conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het complete onderzoeksrapport wat is opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT Planologische ruimte De woningen van derden liggen op minimaal 30 meter uit de grens van de inrichting zodat aan de richtafstand voor een milieucategorie 3.1 voor milieuzonering van de VNG worden voldaan. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen. Feitelijke situatie In de feitelijke situatie met werkzaamheden in een goed geïsoleerd gebouw en overige bronnen buiten het gebouw, waarbij de totale bronsterkte inclusief bedrijfsduurcorrectie overeenkomt met de maximale invulling (LWA = 94.6 dBA), kan ruim aan de richtwaarde van de VNG en norm van het Activiteitenbesluit worden voldaan.

Maximale geluidniveaus LAmax De norm voor piekgeluiden LAmax wordt niet overschreden. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval worden geen nieuwe milieugevoelige functies toegevoegd. De bestaande bedrijfswoning, evenals de planologische mogelijkheden voor verplaatsing van de bedrijfswoning, komt niet dichter op omliggende milieubelastende bedrijven/inrichtingen te liggen. Ter plaatse van de huidige bedrijfswoning is nu en in de toekomst sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens worden omliggende (agrarische) bedrijven als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet (verder) in hun bedrijfsvoering belemmerd. Geconcludeerd wordt dat van een beperking van de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven is in het kader van milieuzonering geen sprake is. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 36

ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan kom 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.

5.6.1.3 Geurverordening gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderij te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde “gebiedsvisie”. De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odour) en afstanden aangepast. De afstand van de gevel van een bestaande stal tot de gevel van een geurgevoelig object moet minimaal 25 meter bedragen. Bij nieuwe stallen geldt de minimale afstandseis van 50 meter. 5.6.2

Situatie plangebied

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in het toevoegen van een geurgevoelig object. Ook worden de planologische bouwmogelijkheden om het reeds aanwezige geurgevoelige object (de bedrijfswoning Dedemsvaartseweg-Noord 174) te verplaatsen niet verruimd. Hierdoor komen de planologische bouwmogelijkheden voor het realiseren van een geurgevoelig object niet dichter op omliggende agrarische bedrijven te liggen en worden omliggende agrarisch bedrijven niet belemmerd in de ontwikkelmogelijkheden. Ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning kan ervan worden uitgegaan dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, temeer omdat het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak waar planologisch gezien een veehouderij is toegestaan, op circa 75 meter van het plangebied ligt. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 37

5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 gebieden weergegeven. Het plangebied is niet gelegen binnen of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Vecht- en Beneden- Reggegebied' 'ligt op een afstand van circa 9 kilometer van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied. Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebieden is gelet op de grote onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. In dit geval is er door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd om de effecten van de ontwikkeling op Natura 2000 in beeld te brengen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 4. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN weergegeven. Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gronden die tot NNN behoren liggen op circa 3 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 5 van deze toelichting. 5.7.3.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en nestelen er verschillende vogelsoorten. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogels, is uitsluitend het bezette nest beschermd,

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 38

niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Net buiten het plangebied nestelen vogelsoorten, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Deze nestplaatsen worden niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen plannen. Voor de amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats'. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren niet aangetast. 5.7.4

Conclusie

Er worden geen negatieve effecten op NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Tot slot dient rekening te worden gehouden met artikel 1.11 van de Wnb (zorgplicht). 5.8

Archeologie & cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft haar archeologische verwachtingskaart doorvertaald in het bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg”. Op basis van het geldende bestemmingsplan is het plangebied, geen sprake van een archeologische dubbelbestemming. Dergelijke gebieden hebben geen, danwel een zeer lage archeologische verwachting. Gelet op het vorenstaande wordt het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rek ening is gehouden” dient te bevatten.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 39

5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Daarnaast is de te slopen bebouwing niet aangemerkt als monument of karakteristieke bebouwing. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Beoordeling

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied ligt op circa 9 kilometer afstand van een Natura 2000-gebied. Zoals in paragraaf 5.7.2.1 en Bijlage 4 (Stikstofberekening) van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 40

5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door middel van een bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (onderdeel D 11.2 besluit m.e.r.). De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de bestemmingswijziging van een agrarische bestemming naar een reguliere bedrijfsbestemming, ten einde de gronden te kunnen gebruiken voor de reparatie en opslag van auto's en machines. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen per saldo niet onevenredig toeneemt.

Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 41

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 42

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsprocedure

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets wordt toegepast. In het kader van de 'normale procedure' is advies ingewonnen bij het waterschap Vechtstromen. Het waterschap Vechtstromen oordeelt dat de invloed van het plan op de waterhuishouding gering is. Dit mede omdat het verharde vloeroppervlak binnen het plangebied niet zal toenemen. Om een goede kwaliteit van water te realiseren moet worden voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. Ter voorkomen hiervan kan gedacht worden aan het aanbrengen van een vloeistofdichte vloer. Daarnaast is het wenselijk dat er geen gebruik gemaakt wordt van uitlogende (bouw)materialen. Met inachtneming van het bovenstaande heeft het waterschap Vechtstromen geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 43

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische aspecten en planverantwoording

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs-en slotregels. 7.2.2

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Om op een eenduidig manier afstanden, oppervlaktes en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. 7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 44

functies; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. In enkele regels wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding; Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwmogelijkheden; Specifieke gebruiksregels: eisen die gesteld zijn aan de wijze waarop bebouwing en gronden worden gebruikt; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene gebruiksregels (Artikel 6) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene bouwregels (Artikel 7) In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van aan te houden afstanden tot wegen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) Dit artikel beschrijft de algemene wijzigingsregels. Deze regels maken het mogelijk om het plan te wijzigen en geringe wijzigingen aan te brengen voor wat betreft de plaats, ligging en/ of afmetingen van bestemmingsgrenzen. Deze gelden voor het gehele plangebied.

Overige regels (Artikel 10) In dit artikel worden overige regels gegeven. 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. 7.3

Verantwoording van de regels

7.3.1

Bestemmingen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap' (Artikel 3)

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 45

De voor 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, uitgezonderd glastuinbouw. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend andere (bouw)werken, waaronder tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met uitzondering van kuilvoerplaten, sleufsilo's, bouwwerken voor de opslag van mest en zonnecollectoren. 'Bedrijf - Open veenontginningslandschap' (Artikel 4) De voor 'Bedrijf - Open veenontginningslandschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven die in de van deze regels deel uitmakende Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten zijn aangeduid als categorie 1 of 2; b. bedrijven die in de van deze regels deel uitmakende Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten zijn aangeduid als categorie 3.1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1", hieronder wordt in ieder geval verstaan een bedrijf ten behoeve van reparatie, onderhoud en opslag van voertuigen en machines; c. watergangen, waterpartijen en inundatie vanuit de watergangen, met bijbehorende waterhuishoudkundige voorzieningen; d. (aanpassingen aan) bestaande verkeersvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Voor wat betreft de bouwregels is aangesloten op de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg'.

Hierbij is aanvullend middels de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsgebouwen' vastgelegd waar bedrijfsgebouwen zijn toegestaan. De gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen is vastgelegd op 850 m2. In de specifieke gebruiksregels zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten aanzien van de erfinrichting en de sloopopgave. Daarnaast is vastgelegd dat bedrijfsmatige opslag in de buitenlucht niet is toegestaan.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Dedemsvaartsew eg-Noord 174 Lutten | PAGINA 46

Hoofdstuk 8

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11480729/7