2. Toelichting bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilseweg 1 Holtheme'
Tekst van het document
Voor beide locaties is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie hiervoor ook Bijlage 1. De landschappelijke inpassing van de beide locaties ziet er als volgt uit: Het landschappelijk inpassen van het perceel Kilseweg 1; 1. realisatie van een fruitboomgaard; 2. de aanleg van halfverharding wat zorgt voor infiltratie van water in de bodem; 3. de aanleg van een gazon; 4. de aanleg van een bosplantsoen achter de bedrijfsbebouwing Het landschappelijk inpassen van het perceel Engeland 9; 1. de verbreding van bestaande groene omzooming om het perceel; 2. het versterken van huidige houtsingels met inheemse soorten om de biodiversiteit te verhogen; 3. aanleg van nieuwe houtsingel ten noordoosten van het bedrijf; 4. het verhogen van de biodiversiteit; 5. het versterken van de bomenstructuur/-laan door de aanplant van enkele extra bomen; 6. het verplaatsen van de zonnepanelen naar het dak van de nieuwe loods. Hierbij is de locatie aan een landschappelijke en stedenbouwkundige toets onderworpen. In dit bestemmingsplan is aangetoond dat er ter plaatse van de locatie sprake is van een milieutechnisch wenselijke situatie (zie Hoofdstuk 5). Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit'. 4.3.3
Visienota Buitengebied Hardenberg
4.3.3.1 Algemeen De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het nieuwe ruimtelijke beleid voor het totale buitengebied van de gemeente Hardenberg geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied. De ruimtelijke visie zoals vastgelegd in de visienota heeft de basis gevormd voor de bestemmingsplannen “Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid” en “Buitengebied Hardenberg”. De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zoals verwoord in de 'Visienota Buitengebied' zijn: Op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies; Het vergroten van de leefbaarheid van het platteland;
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 29
Het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Deze hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald: 1. een thematische benadering van het buitengebied (8 thema's); 2. een gebiedsgerichte benadering van het buitengebied; 3. uitgangspunt hierbij: de landschapstypen en de visuele landschapskenmerken; 4. een ontwikkelingsgerichte wijze van bestemmen. 4.3.3.2 Thematische benadering De visie voor de 8 thema's wordt hierna weergegeven, in dit geval is het thema 'economie en infrastructuur' van belang. Hierna wordt op dit thema ingegaan. Economie en infrastructuur Het gemeentelijk beleid ten aanzien van het thema 'economie en infrastructuur' is gericht op: Bevordering economisch belang van de gemeente ten opzichte van de corridors A28 en A37 en de Vecht; Capaciteitsverruiming van het Kanaal Almelo-de Haandrik ten behoeve van de beroepsvaart; Bevordering van de recreatievaart op het kanaal Almelo-De Haandrik en de Vecht; Versterken van de recreatieve- en toeristische sector; Opwaardering van de N34 tot stroomweg; Het realiseren van economische zones langs de N34 en de N343; Het bieden van mogelijkheden voor (startende) bedrijvigheid in vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen; Het verbeteren van de treinverbinding Twente-Drenthe.
4.3.3.3 Gebiedsgerichte benadering - Collendoorn, Gramsbergen-Zuid, Radewijk 4.3.3.3.1 Algemeen De locatie Engeland 9 ligt binnen het gebied 'Collendoorn, Gramsbergen-Zuid, Radewijk'. Hierna wordt op het betreffende relevante gebied nader ingegaan. 4.3.3.3.2 Collendoorn, Gramsbergen-Zuid, Radewijk Voor het gebied Collendoorn geldt als landschapstype: Essen- en kampenlandschap. Kenmerkend zijn de kleinschaligheid, singels en bijzondere objecten: Lutteres. De functies betreft een mix van wonen, landbouw en recreatie. De ontwikkelingsrichting betreft gemengd gebied. In afbeelding 4.5 is een uitsnede van de visiekaart weergegeven. Het plangebied is met een gele ster aangeduid.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 30
Afbeelding 4.5 Uitsnede visiekaart Visienota Buitengebied (Bron: Gemeente Hardenberg) 4.3.3.4 Toetsing van het initiatief aan de Visienota Buitengebied Hardenberg Onderhavig voornemen voorziet in de sloop van een loods op de locatie Kilseweg 1 en de herbouw van de loods op de locatie Engeland 9 te Ane. Door de realisatie van de loods op de locatie Engeland 9 wordt de buitenopslag verwijderd en verrommeling van het buitengebied voorkomen. Deze ontwikkeling draagt bij aan de hoofddoelen van de visienota, die gericht zijn op het vergroten van de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit. Wat betreft de gebiedsgerichte benadering geldt dat er sprake is van een adequate landschappelijke inpassing, aansluitend bij de kenmerken en karakteristieken van het daar voorkomende landschap. Hiervoor is voor beide locaties een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie hiervoor paragraaf 3.1 en Bijlage 1 zodat de ontwikkeling op een adequate wijze wordt ingepast in het landschap. De omliggende gebiedskenmerken zijn hierbij leidend geweest. In deze toelichting wordt ook aangetoond dat de ontwikkeling geen belemmering met zich meebrengt voor omliggende functies en dat het milieubelang zorgvuldig is afgewogen. Met het initiatief wordt aangesloten bij het perspectief om op duurzaam en efficiënte wijze ruimte te scheppen voor de verschillende functies.
Samenvattend wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de Visienota Buitengebied. 4.3.4
LIK (Landschap Identiteit Kaart)
4.3.4.1 Inleiding De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald zoals de specifieke kenmerken en kwaliteiten. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken. Het plangebied ligt binnen het deelgebied 'Noordelijke stadsrandzone Hardenberg' (Essenen hoevenlandschap).
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 31
4.3.4.2 Methodiek LIK's De gemeente Hardenberg wil regie voeren op de ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarbij wil de gemeente een meer richtinggevende rol gaan innemen, gericht op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit is echter een breed begrip, dat deels subjectief van aard is. In de Visienota Buitengebied is dit gedefinieerd als “eigen identiteit”. De identiteit van het gebied komt voort uit de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen. In de LIK is daarom een onderscheid gemaakt tussen de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen. Deze landschapstypen zijn op een overzichtskaart opgenomen. Vervolgens is voor het gebied een schema opgesteld, waarin een overzicht is opgenomen van de aanwezige waardevolle en storende kenmerken. Ook zijn de kansen of juist bedreigingen voor deze kenmerken omschreven. De schema's ten aanzien van de landschapstypen zijn opgenomen in het volledige LIK. Na het opstellen van de LIK's is een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven. Hierbij is rekening gehouden met de gebiedskenmerken en kwaliteiten uit de LIK's en het geldende beleid van rijk, provincie, waterschap en het gemeentelijke beleid. Na het opstellen van de LIK's is een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven.
Hierbij is rekening gehouden met de gebiedskenmerken en kwaliteiten uit de LIK's en het geldende beleid van het rijk, provincie, waterschap en eigen gemeentelijk beleid. 4.3.4.3 Ontwikkelingsvisie Noordelijke stadsrandzone Hardenberg Dit deelgebied richt zich onder andere op de volgende punten: verbeteren landschappelijke inpassing van de wijk Marslanden; ontwikkeling ruiterroute; herstel oude beplantingspatronen door vrijwillige kavelruil; verbetering landschappelijke inpassing erven; ruimte voor multifunctionele / verbrede landbouw; 4.3.4.4 Toetsing van het initiatief aan het LIK Het voornemen voorziet in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door het landschappelijk inpassen van het plangebied. Er sprake is van een landschappelijke inpassing conform de daar voorkomende gebiedskenmerken. Bij het opstellen van de ruimtelijke kwaliteitsplan is rekening gehouden met de uitgangspunten van het LIK. Samenvattend wordt dan ook gesteld dat het initiatief in overeenstemming is met de LIK. 4.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 32
Hoofdstuk 5
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage, de waterparagraaf en hoogspanningsleidingen. 5.1
Geluid
5.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
De voorgenomen ontwikkeling ziet niet toe op het toevoegen van een geluidsgevoelig object. Een aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai zijn dan ook niet van toepassing. In paragraaf 5.5 wordt aan de hand van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' nader ingegaan op de milieubelasting van het bedrijf op de omgeving. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.2
Bodem
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Dit gebeurt doorgaans aan de hand van een actueel bodemonderzoek conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het verplaatsen van een loods van de locatie Kilseweg 1 naar de locatie Engeland 9. Kilseweg 1 Op het perceel Kilseweg 1 wordt een loods gesloopt. De bestemming 'Bedrijf' blijft ongewijzigd, een bodemonderzoek is daarom niet benodigd.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 33
Engeland 9 In de huidige situatie is de grond verhard en wordt deze gebruikt voor de opslag van stenen en bouwmaterialen. Er is geen sprake van opslag van materialen welke vloeistoffen lekken of opslag van andere zaken waardoor de grond verdacht is op de aanwezigheid van bodemverontreiningen. Voordat de grond in gebruik is genomen als opslagterrein had de grond geen functie en was er enkel halfverharding aanwezig. In de beoogde situatie wordt de nieuwe loods op de locatie Engeland 9 gebruikt voor opslag van materiaal van het bouwbedrijf. De grond wordt niet afgevoerd maar hergeruikt als ondergrond onder de nieuwe bestrating. In de beoogde loods en op het perceel wordt geen verblijfsfunctie gecreëerd. Bodemonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 5.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 34
5.3.2
Situatie plangebied
In voorliggende situatie worden geen nieuwe woningen toegevoegd. Daarbij wordt opgemerkt dat er voorbeelden zijn gegeven van categorieën die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan luchtverontreiniging. In verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven kan worden gesteld dat voorliggend project "niet in betekenende mate bijdraagt" aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Hierin is het plangebied aangegeven met de rode ster.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 35
Afbeelding 5.1 Uitsnede risicokaart Engeland 9, Ane (Bron: Risicokaart) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op de locatie Kilseweg 1 wordt een loods gesloopt. Omdat hier verder geen ontwikkeling plaats vindt wordt dit perceel buiten beschouwing gelaten. Op de locatie Engeland 9 wordt een nieuwe loods gerealiseerd. Opgemerkt wordt dat met onderhavig voornemen geen sprake is van een toename van personendichtheid op de locatie Engeland 9. Belemmeringen zijn niet te verwachten. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 36
5.5
Bedrijven en milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Situatie plangebied
5.5.2.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.2.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een loods op de locatie Engeland 9 te Ane. De loods wordt gerealiseerd binnen de huidige bedrijfsbestemming. De afstand vanaf de bedrijfsbestemming tot de omliggende woningen blijft ongewijzigd. Gelet op het vorenstaande resulteert de voorgenomen ontwikkeling niet in een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.2.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 37
In voorliggend geval is er geen sprake van het toevoegen van nieuwe milieugevoelige functies. Van aantasting van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven is daarom geen sprake. 5.5.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een niet-concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wgv dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.1.2 Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderij te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde 'gebiedsvisie'. De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odour) en afstanden aangepast. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hardenberg.
Op basis van de geurverordening geldt een maximale geurbelasting van 14 OUE/m3. 5.6.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval wordt geen nieuw geurgevoelig object gerealiseerd. Het voornemen ziet toe op het realiseren van een loods voor opslag van materieel ter plaatse van een bestaande bedrijfsbestemming. Hierdoor wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een ontwikkeling dat resulteert in een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 38
5.7
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Nederlands Natuurnetwerk. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.1
Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 (zie: AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. De locatie Engeland 9 bevindt zich op circa 10,3 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Vecht- en Beneden-Reggegebied'. De locatie Kilseweg 1 bevindt zich op 14,1 kilometer van het dichtstbijzinde Nederlandse stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Engbertsdijksvenen'. Om de eventuele stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling te onderzoeken is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. Hierna wordt het rekenresultaat besproken.
Resultaten AERIUS-berekening Uit de berekening is gebleken dat voor de realisatiefase en gebruiksfase geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. Hiermee is een significant negatief effect uitgesloten. Voor de voorgenomen ontwikkeling is er daarom m.b.t. stikstofdepositie geen vergunning Wet natuurbeschreming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het plangebied behoort niet tot het NNN.
Gronden die tot het NNN behoren liggen op circa 50 meter afstand van de locatie Kilseweg 1 en op circa 1,2 kilometer afstand van de locatie Engeland 9. Gezien de aard en omvang van het voornemen en de onderlinge afstand tot het NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 39
5.7.2
Soortenbescherming
5.7.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.7.2.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Onderzoeksresultaten beide locaties De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen.
Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Soortbescherming (beide deelgebieden) De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vogels en vleermuizen benutten het plangebied als foerageergebied, en mogelijk bezetten verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vogels er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot verstoren, beschadigen of vernielen van een vogelnest, dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Van de in het plangebied nestelende vogels, is de nestplaats niet bezet.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd amfibie en grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd amfibie en grondgebonden zoogdier gedood. Voor de beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermd dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden mogen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier (opzettelijk) gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 40
5.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.8
Archeologie en cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft haar archeologiebeleid vastgelegd in het Beleidsplan Archeologie gemeente Hardenberg. De archeologische verwachtingswaarden zijn daarnaast doorvertaald in het bestemmingsplan voor het buitengebied van Hardenberg. Op basis van het geldend bestemmingsplan, is de locatie Engeland 9 gedeeltelijk voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. De locatie Kilseweg 1 is tevens gelegen ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Op de locatie Engeland 9 wordt een nieuwe loods gebouwd.
De dubbelbestemming ligt gedeeltelijk ter plaatse van de beoogde loods. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' geldt dat een rapport moet worden overlegd indien het geroerde oppervlakte groter dan 500 m2 en een diepte van 50 cm of meer heeft. In de beoogde situatie wordt het geroerde oppervlakte ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4' niet met meer dan 500 m2 overschreden. Gelet op het vorenstaande is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 41
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op respectievelijk 10,3 en 14,1 kilometer afstand van de locaties Engeland 9 en Kilseweg 1. Zoals in 5.7.1 reeds is beschreven, zorgt de voorgenomen ontwikkeling niet in een toename van activiteiten die resulteren in een stikstofemissie. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de directe eindbestemming 'Bedrijf - Essen- en hoevenlandschap'. De binnen het plangebied geplande ontwikkeling voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is er sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 42
parkeerterreinen'. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
Gelet op de kenmerken van het project (aard en omvang in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bekrachtigd in dit hoofdstuk waarbij is ingegaan op de diverse milieu- en omgevingsaspecten. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit bestemmingsplan in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten. 5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.10
Water
5.10.1 Vigerend beleid 5.10.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 43
5.10.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 5.10.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.10.1.4
Beleid waterschap Vechtstromen
Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten: Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort; Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt.
Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd; Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.
5.10.2 Waterparagraaf 5.10.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid,
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 44
wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.10.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de 'korte procedure' van toepassing is. Het watertoetsresultaat is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. Hierna wordt op de overige wateraspecten ingegaan: Waterhuishoudkundige aspecten plangebied Algemeen Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hardenberg. De locatie bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Grondwater Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Oppervlaktewater In de huidige situatie is geen oppervlaktewater aanwezig en het plan voorziet niet in de aanleg van nieuw oppervlaktewater. Hemelwater Het schoonhemelwater wordt zoveel mogelijk in het plangebied geïnfiltreerd. Afvalwater Het afvalwater wordt net als in de huidige situatie afgevoerd naar de gemeentelijke riolering. 5.11
Verkeer en parkeren
5.11.1 Algemeen Bij het opstellen van een ruimtelijke plan moet rekening worden gehouden met de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Hierbij wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde aangehouden. De gemeente Hardenberg heeft, mede op basis van de bovengenoemde CROW uitgave, een eigen parkeerbeleid in de vorm van de 'Parkeernormennota 2017'. De gemeente Hardenberg hanteert de minimum parkeernormen uit het CROW. Verder voert de gemeente een vraagvolgend parkeerbeleid.
Om te voorkomen dat parkeerbehoefte van ontwikkelingen volledig op de openbare ruimte wordt afgewenteld, zijn ontwikkelaars verplicht om parkeercapaciteit zoveel mogelijk binnen de ontwikkeling te realiseren. Omgekeerd moet het, mede vanuit de wens de openbare ruimte duurzaam te ontwikkelen, niet noodzakelijk zijn normatieve parkeercapaciteit te realiseren, als er sprake is van een overschot aan openbare parkeerruimte in de nabijheid van een nieuwe ontwikkeling. 5.11.2 Uitgangspunten Qua stedelijkheidsgraad wordt in voorliggend geval als uitgangspunt 'weinig stedelijk' gehanteerd en wat betreft stedelijke zone geldt 'buitengebied' als uitgangspunt. Voorliggende ontwikkeling voorziet in het verwijderen van een loods op de locatie Kilseweg 1 en het toevoegen van een loods van 1.049 m2 op de locatie Engeland 9. Op de locatie
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 45
Kilseweg 1 is sprake van een verbetering van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie door de afname van bebouwing en daarmee ook een afname in de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. Tevens ontstaat op het achtererf meer ruimte voor het parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie op de locatie Engeland 9 te bepalen is is daarom uitgegaan van de volgende functie: Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief. Voor de beoogde loods, welke gebruikt zal worden voor opslag, wordt aangesloten op de parkeer- en verkeerscijfers van 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief' 5.11.3 Parkeerbehoefte Engeland 9, Ane In de parkeernormennota 2017 van de gemeente Hardenberg staat beschreven dat mag worden uitgegaan van de minimale parkeernormen. In de onderstaande tabel is de parkeerbehoefte ter plaatse van het plangebied weergegeven: Functie Parkeernorm Aantal Totale parkeerbehoefte Bedrijf 0,8 per 100 m2 bvo 1.049 m2 8,39 arbeidsextensief/ bezoekersextensief Totaal 9 parkeerplaatsen Gelet op het vorenstaande is ter plaatse van het plangebied sprake van een extra parkeerbehoefte van afgerond 9 parkeerplaatsen. Gelet op de toekomstige erfinrichting (zie ook afbeelding 3.1) alsook de bestaande verharding ter plaatse kan de parkeerbehoefte in de toekomstige situatie eenvoudig op het terrein van het bedrijfsperceel worden ondervangen.
Daarbij wordt opgemerkt dat in de feitelijke situatie de parkeerbehoefte aanzienlijk lager wordt ingeschat. In de praktijk gaat het voornamelijk om het halen of brengen van materialen van het bouwbedrijf. De parkeerbehoefte zal daarom in de praktijk minder zijn 5.11.4 Verkeersgeneratie en ontsluiting Engeland 9, Ane Op basis van de uitgangspunten als benoemd in paragraaf 5.11.2, ontstaat er qua verkeersgeneratie het volgende beeld: Functie Verkeersgeneratie Aantal Totale verkeersgeneratie Bedrijf 4,8 per 100 m2 bvo 1.049 m2 50,3 arbeidsextensief/ bezoekersextensief Totaal 51 Gelet op het vorenstaande, voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een verkeersgeneratie van 51 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Op voorhand wordt gesteld dat de infrastructuur rondom het plangebied de berekende verkeersgeneratie eenvoudig kan afwikkelen. Daarnaast wordt eveneens opgemerkt dat de verkeersgeneratie naar verwachting lager zal zijn. Dit doordat de opslagruimte (bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief) wordt beschouwd als functie met een eigen verkeersgeneratie. Belemmeringen zijn niet te verwachten. 5.11.5 Conclusie Gelet op het bovenstaande wordt gesteld dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaar bestaat tegen de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 46
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 6.2
Opbouw van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. 6.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 47
Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, inhoudsmaat, etc.); Afwijken van de bouw- en gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouw- en gebruiksregels; Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid: onder welke voorwaarde het plan mag worden gewijzigd. In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht. 6.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel zijn algemene gebruiksregels opgenomen ten aanzien van uitsluiting van besluit-m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten en gewasbeschermingsmiddelen. Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afmetingen en afstanden en afstanden tot wegen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om het plan op de in de regels genoemde punten te wijzigen.
Overige regels (Artikel 11) In dit artikel zijn enkele overige regels opgenomen met betrekking tot de werking van wettelijke regelingen, afstemming welstandstoets, uitsluiting seksinrichting, afstemming APV en evenementen, parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. 6.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. 6.3
Bestemmingen
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Qua systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" (vastgesteld op 2 december 2014).
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Engeland 9 Ane en Kilsew eg 1 Holtheme | PAGINA 48
'Bedrijf - Essen- en hoevenlandschap' Beide locaties zijn voorzien van de enkelbestemming 'Bedrijf - Essen- en hoevenlandschap'. Voor de locatie Engeland 9 zijn beide bestemmingsvlakken is de bedrijfsbebouwing gemaximeerd met een maximum oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. Voor het perceel ten noordoosten geldt een maximum oppervlakte van 1.950 m2. Voor het bedrijfsperceel ten zuidwesten geldt een maximum oppervlakte van 1.049 m2. Voor de nieuwe loods is de aanduiding 'maximum goothoogte: 4,5m' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding is de afwijkende goothoogte van 4,5 meter toegestaan. Op de locatie Kilseweg 1 is een bouwvlak opgenomen. Bedrijfsgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Het bouwvlak is om de huidige bebouwing (min de te slopen loods) heen gelegd. Daarmee is er geen ruimte voor het toevoegen van nieuwe bedrijfsgebouwen ter plaatse. In de regels zijn voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van de erfinrichtingsplannen en sloop opgenomen. 'Wonen - Essen- en hoevenlandschap' Ter plaatse van het plangebied ligt een bijgebouw van de naastgelegen woning Kleinbuulsedijk 1 te Ane. In onderhavig bestemmingsplan wordt het bijgebouw ter plaatse van de bedrijfsbestemming bestemd overeenkomstig de huidige situatie. Het bijgebouw is middels een relatieteken gekoppeld aan de woonbestemming op de Kleinbuulsedijk 1 te Ane.