CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - Wissing-De Groene Vaart vastgesteld 01-Toelichting 20220518.pdf

Gemeenteraad 25 mei 2022, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 10: Bestemmingsplan De Groene Vaart20.223 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de eerste verkavelingsopzet zijn in deze zone geen hoofdgebouwen voorzien. Wanneer er in de toekomst alsnog gevoelige functies binnen de 30 meter contour worden geplaats, moeten, indien nodig, aanvullende maatregelen worden uitgewerkt in het kader van aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen. Bovenstaande beschrijving is de "worstcase scenario" waarbij de locatie weer in gebruik wordt genomen door een voorziening met een milieucategorie 2. De activiteiten van de huidige gebruikers Stichting Vluchtelingenwerk en KBO zijn vergelijkbaar met milieucategorie 1. De hiervoor geldende richtafstand bedraagt 10 meter vanwege de parameter geluid. De afstand tussen het plangebied en bestemming ''Maatschappelijk'' aan de Pagnevaartweg is circa 16 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Daarnaast ligt het voormalig schoolgebouw nog circa 20 meter uit de bestemmingsgrens. Omdat voor het bestemmingsplan geen sprake is van belemmeringen (er wordt voldaan aan de richtafstand voor de huidige functie) is nader onderzoek niet noodzakelijk. Derhalve is hiervoor ook geen verplichting opgenomen in de planregels.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

25 - 55

Afbeelding milieucontouren Het andere perceel met de bestemming ''Maatschappelijk'' in het plangebied ligt het clubhuis en petanquebanen van Petanquevereniging Oudenbosch ''De Oudenbosche Boulers''. De richtafstand bedraagt 10 meter. Bij de invulling van de bestemming "Woongebied" moet rekening worden gehouden met deze contour. Wanneer hoofdgebouwen van gevoelige functies zoals wonen binnen de contour worden geplaatst kunnen indien nodig aanvullende maatregelen worden genomen aan de woning zelf of door het plaatsten van geluidsabsoberende schermen. Dit zal nader worden uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. Op dit perceel is ook een GSM/UMTS mast aanwezig. In de VNG-brochure ''Bedrijven en milieuzonering'' wordt een bouwvergunningplichtige UMTS en GSM-mast ingedeeld in milieucategorie 1. Er moet een richtafstand van 10 meter worden aangehouden vanwege het aspect ''gevaar''. De 10 meter contour overschrijdt de bestemming 'Woongebied' niet. Echter, naast de 10 meter contour op grond van de VNG brochure kan ook op basis van wetenschappelijk onderzoek en/of beleid verder worden beoordeeld of de 10 meter afstand afdoende is voor een goed woon- en leefklimaat. Het beleid voor zendinstallaties is vastgelegd in het Nationaal Antennebeleid (2000).

Het doel van het Nationaal Antennebeleid (NAB) is om binnen duidelijke kaders van volksgezondheid, leefmilieu en veiligheid te stimuleren en faciliteren dat er voldoende ruimte is voor antenne opstelpunten. Blijkens dit beleid hebben de antennes voor GSM en UMTS geen effecten op de gezondheid op afstanden van meer dan een meter. In de tussentijd hebben er wel wetenschappelijke studies plaatsgevonden naar zendmasten. Deze studies geven indicaties voor gezondheidseffecten binnen 400 meter van degelijke masten. Er bestaan kortom geen wettelijke normen of richtlijnen voor aan te houden afstanden tot zendmasten. Het landelijke expertisecentrum (bereikbaar via www.Antennebureau.nl) kan om advies gevraagd worden. Het Antennebureau is het informatiebureau van de Rijksoverheid over antennes voor draadloze en mobiele communicatie. Het geeft informatie,

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

26 - 55

voorlichting en advies over antennes. Bijvoorbeeld over: gezondheidseffecten door elektromagnetische velden van antennes; wetten voor het plaatsen van antennes; techniek voor het gebruik van antennes. Zij geven op deze website aan dat gemeenten advies op maat kunnen aanvragen voor het plaatsen van antennemasten. Het gaat in dit geval om een bestaande zendmast direct grenzend aan de bestande buurten Pagnevaart en Albano. In het kader van bestuurlijk vooroverleg (conform artikel 3.1. Bro) vraagt de gemeente nog aanvullend advies aan bij het antennebureau en GGD in het kader van een actueel gezondheidsadvies ten aanzien van gezondheidseffecten bij zendinstallaties. Aan de zuidkant van het plangebied is agrarisch gebied gesitueerd. Op deze gronden is sprake van agrarische bedrijvigheid, waaronder glastuinbouw. Voor agrarische bedrijfsgebouwen wordt een richtafstand van 30 meter aangehouden en voor agrarische gronden wordt een adviesafstand van 10 meter gehanteerd. Agrarische gronden bevinden zich op meer dan 10 meter van het plangebied. Ook zijn binnen 30 meter van agrarische bedrijfsgebouwen geen woonbestemmingen gesitueerd. Derhalve leveren deze bedrijfsfuncties geen belemmering op voor het planvoornemen. Conclusie Het planvoornemen kan gezien vanuit dit aspect gerealiseerd worden.

4.2 Geluid AGEL adviseurs heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 1 bijgevoegd. Het zuidoostelijke deel van het plangebied is gelegen in de geluidzone van het 50 km/uur-gedeelte van de Pagnevaartweg. Hierdoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Tevens zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening de omliggende 30 km/uur-wegen in het onderzoek betrokken. Onderzoek Pagnevaartweg (gezoneerde deel) Het gedeelte van de Pagnevaartweg, ten zuiden van Pagnevaartweg 109, is gezoneerd. Uit de berekeningen blijk dat op de grens van de meest westelijk gelegen bestemming ‘Woongebied - 2’ de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden. De overschrijding bedraagt 3 dB tot een maximale geluidbelasting van 51 dB. Op deze geluidbelastingen is de aftrek van 5 dB volgens art. 110g Wgh toegepast. Uit de contourenberekening blijkt dat de 48 dB-contour het meest maatgevend is op de 2e verdieping (hoogte 7,5 meter). Deze contour reikt maximaal 10 meter binnen de bestemming ‘Woongebied - 2’. Op onderstaand afbeelding zijn de berekende contouren op een hoogte van 7,5 meter weergegeven. In het geval nieuwe woningen binnen de 48 dB-contour worden gesitueerd, dan zijn hogere waarden benodigd tot maximaal 51 dB om die woningen te kunnen realiseren.

Als de nieuwe woningen buiten de contour worden gerealiseerd, dan is het vaststellen van de hogere waarden niet benodigd.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

27 - 55

Afbeelding Geluidcontouren gezoneerde deel Pagnevaartweg (hoogte = 7,5 meter) 30 km/uur-wegen (niet gezoneerde wegen) In het onderzoek zijn de volgende 30 km/uur-wegen meegenomen in het onderzoek: Pagnevaartweg (ten noorden van KBO Oudenbosch); Acer Flamingolaan; Professor Mulderslaan. In vergelijking met de grenswaarden voor gezoneerde wegen blijkt dat alleen op de grens van de bestemming ‘Woongebied - 2’ wordt overschreden met maximaal 9 dB tot maximaal 57 dB. Het vaststellen van hogere waarden is niet mogelijk, omdat het 30 km/uur-wegen betreft. Uit de contourenberekening blijkt dat, daar waar de geluidbelasting hoger is dan 48 dB op de grens bestemming ‘Woongebied - 2’, de 48 dB-contour het meest maatgevend is op de 2e verdieping (hoogte 7,5 meter). Op onderstaand afbeelding zijn de berekende contouren op een hoogte van 7,5 meter weergegeven langs de Pagnevaartweg.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

28 - 55

Afbeelding Geluidcontouren 30 km/uur-wegen langs de Pagnevaartweg (hoogte = 7,5 meter) Door nieuwe woningen binnen de 48 dB-contour te realiseren wordt aanbevolen om voor die woningen een nader akoestisch onderzoek uit te voeren naar de karakteristieke geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen. Beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening Met betrekking tot de milieukwaliteitsmaat MKM Lden kan het volgende geconcludeerd worden: Voor het overgrote gedeelte van het plangebied is sprake van een classificatie 'goed' voor nieuwe woningen. Voor nieuwe woningen die in het gebied tussen de 50 en 55 dB-contour worden gesitueerd is sprake van een classificatie 'redelijk'. Voor nieuwe woningen die in het gebied tussen de 55 en 60 dB-contour worden gesitueerd is sprake van een classificatie 'matig'. Voor nieuwe woningen die in het gebied tussen de 60 en 65 dB-contour worden gesitueerd is sprake van een classificatie 'tamelijk slecht'. Bij het eventueel vaststellen van hogere waarden dient de gemeente Halderberge een oordeel te geven over de cumulatieve geluidbelastingen.

Karakteristieke geluidwering gevels Doordat er sprake is van het vaststellen van hogere waarden dient op grond van artikel 3.2 en artikel 3.3 van het Bouwbesluit 2012 te worden onderzocht of de karakteristieke geluidwering van de woningen voldoet aan de wettelijke grenswaarde voor het binnenniveau van 33 dB voor wegverkeerslawaai. Daarbij geldt een minimumeis van 20 dB. Geadviseerd wordt om hierbij de gecumuleerde geluidbelasting zonder aftrek als uitgangspunt te nemen. Middels een nader akoestisch onderzoek dienen de gevelmaatregelen te worden bepaald om het vereiste binnenniveau van 33 dB te kunnen garanderen. Conclusie Uit de berekeningen blijkt dat vanwege het verkeer op het gezoneerde deel van de Pagnevaartweg op het zuidwestelijke gedeelte van de grens van de bestemming ‘Woongebied - 2’ hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt overschreden tot maximaal 51 dB. Uit nadere berekeningen blijkt dat de 48 dB contour maximaal 10 meter binnen de bestemming is gelegen. Het is vanuit stedenbouwkundig en financieel oogpunt onmogelijk om de woningen buiten de 48 dB contour te situeren. Derhalve is het vaststellen van hogere waarden benodigd om de nieuwe woningen te kunnen realiseren. Hiervoor

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

29 - 55

wordt een ontwerpbesluit hogere waarde voorbereid. Ontwerpbesluit hogere waarde Het ontwerpbesluit tot vaststelling hogere waarden dient gelijktijdig met het bestemmingsplan ter inzage te worden gelegd. De hogere waarden dienen door het college van Halderberge te worden vastgesteld. De cumulatieve geluidbelasting is voor het overgrote gedeelte van het plangebied als ‘goed’ is aan te merken. Voor de woningen die worden gesitueerd binnen de 50 dB-contour en de grens van de bestemming is sprake van een classificatie van ‘redelijk’ tot ‘tamelijk slecht’. Bij het vaststellen van hogere waarden dient de gemeente Halderberge over de cumulatieve geluidbelastingen een oordeel te geven. Tevens dienen middels een nader akoestisch onderzoek de gevelmaatregelen te worden bepaald. Het ontwerpbesluit hogere grenswaarden geluid is als Bijlage 2 bijgesloten.

4.3 Externe veiligheid Voor het milieuaspect externe veiligheid zijn een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. Het Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. Die grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR), een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR). Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden in dit kader twee normstellingen gehanteerd, te weten: het plaatsgebonden risico: richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het groepsrisico: stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Beoordeling Het plangebied van het bestemmingsplan bevindt zich binnen het invloedsgebied van diverse risicobronnen. AGEL adviseurs heeft een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 3 bijgesloten.

Omdat met het bestemmingsplan woningbouw mogelijk wordt gemaakt, is het aspect externe veiligheid van belang voor deze ontwikkeling. In de omgeving van het plangebied is de hogedruk aardgasleiding Z-529-27 (A) en het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Lage Zwaluwe - Roosendaal (B) en over de Rijksweg A17 (C). De relevante risicobronnen zijn op de afbeelding hieronder ten opzichte van het plangebied weergegeven, waarbij de globale ligging van het plangebied in het groen is aangeduid.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

30 - 55

Afbeelding: Ligging relevante risicobronnen t.o.v. globale ligging plangebied Hogedruk aardgasleiding Z-529-27 Gelet op de werkdruk (66,2 bar) en de diameter (16 inch) is langs de hogedruk aardgasleiding Z-529-27 een invloedsgebied aanwezig van ongeveer 210 meter aan weerszijde van de aardgasleiding. Omdat nieuwe woningen binnen het invloedsgebied worden gerealiseerd is het benodigd om de hoogte en toename van het groepsrisico inzichtelijk te maken. De hoogte en toename van het groepsrisico is berekend met een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Uit de berekeningen blijkt dat langs de gasleiding geen PR 10-6 contour aanwezig is. Op basis hiervan levert het plaatsgebonden risico geen beperkingen op voor deze ontwikkeling. Uit de rekenresultaten blijkt dat er tussen de autonome en toekomstige situatie geen sprake is van een toename van de hoogte van het groepsrisico. Omdat er geen sprake is van een toename van de hoogte van het groepsrisico en deze lager is dan 0,1 x OW is het opstellen van een verantwoording van de toename van het groepsrisico niet noodzakelijk op basis van artikel 8 van het Revb. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De verantwoording hiervan dient door de gemeente Halderberge te worden opgesteld. Spoorlijn Lage Zwaluwe - Roosendaal Het plangebied is op ongeveer 550 meter van de spoorlijn Lage Zwaluwe - Roosendaal gelegen.

Omdat de afstand tussen de spoorlijn en het plangebied groter is dan 200 meter is het uitvoeren van een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor deze transportroute niet benodigd. Het blijkt dat het invloedsgebied van toxische stoffen (stofgroepen D3 en D4) wel over het plangebied is gelegen. Op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) dient daardoor inzicht te worden gegeven in de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De verantwoording hiervan dient door de gemeente Halderberge te worden opgesteld. Rijksweg A17 Over de Rijksweg A17 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Deze rijksweg is op ongeveer 3,3 km van het plangebied gelegen. Omdat de afstand van de Rijksweg A17 tot het plangebied veel groter is dan 200 meter is het uitvoeren van een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor deze transportroute eveneens niet benodigd. Het blijkt dat het invloedsgebied voor toxische gassen (stofgroep LT3) wel over het plangebied is gelegen. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient daardoor inzicht te worden gegeven in de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De verantwoording hiervan dient door de gemeente Halderberge te worden opgesteld.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

31 - 55

Advies verantwoording groepsrisico Gelet op de ligging van het plangebied ten opzichte van de gasleiding Z-529-27 en de transportroutes over het spoor en de weg moet overeenkomstig het Bevb en het Bevt door de gemeente Halderberge een verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Hiernaast dient ook in te worden gegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Gelet op de resultaten kan worden volstaan van een beperkte verantwoording. De gemeente Halderberge beschikt over een ‘Standaard verantwoording van het groepsrisico gemeente Halderberge’. Voor verdere besluitvorming kan van dit standaardadvies gebruik gemaakt worden. Het advies van de Veiligheidsregio is verwerkt in deze Standaard verantwoording. Het standaard advies is als Bijlage 4 Standaardadvies 2021 externe veiligheid en de standaard verantwoording is als Bijlage 5 Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 bijgevoegd. Conclusie De gemeente Halderberge dient een verantwoording van het groepsrisico op te stellen. Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor het plan. Het plan wordt ter advies voorgelegd aan de veiligheidsregio.

4.4 Verkeer en parkeren Verkeer Goudappel Coffeng BV heeft een verkeersonderzoek uitgevoerd om de verkeerseffecten van de ontwikkeling op het wegennet in beeld te brengen. Dit onderzoek is als Bijlage 12 bijgevoegd. De ontwikkeling De Groene Vaart zorgt voor een toename van het aantal verkeersbewegingen, met een verkeersproductie van 1.070 motorvoertuigen pet etmaal op een weekdag en 1.189 motorvoertuigen per etmaal op een werkdag, op nabijgelegen wegvakken in het studiegebied. De woningbouwontwikkeling van De Groene Vaart kan op meerdere mogelijke manieren worden ontsloten op het wegennet via de Pagnevaartweg en/of Acer Flamingolaan. Deze aspecten zijn verwerkt in het Stedenbouwkundig plan De Groene Vaart Oudenbosch Ontwerp & Beeldkwaliteit. De verkeerskundige effecten van de diverse ontsluitingsmogelijkheden zijn inzichtelijk gemaakt. In alle ontsluitingsvarianten blijft het aantal verkeersbewegingen op wegvakniveau binnen de gestelde streefwaarde van Duurzaam Veilig. De verkeerskundige verschillen tussen de ontsluitingsvarianten zijn beperkt. Echter, kan worden gesteld dat de realisatie van drie ontsluitingen op het wegennet verkeerskundig de voorkeur geniet door meer spreiding van het verkeer (circa 1.200 mvt/etm) over het wegennet in combinatie met de goede bereikbaarheid van het plangebied voor hulpdiensten.

Hierbij kan worden gekozen om de groene zone, die centraal in noord-zuid richting ligt en zich uitstekend leent voor groen, spelen en water, autoluw te maken door de inrichting onaantrekkelijk te maken voor intern verkeer of een knip aan te brengen waardoor intern verkeer tussen oost/noord en west fysiek onmogelijk wordt gemaakt voor gemotoriseerd verkeer. Naar aanleiding van de participatie is besloten de derde ontsluiting voor de auto aan Pagnevaartweg noordzijde te laten vervallen en enkel te gebruiken voor langzaam verkeer. Parkeren Naar aanleiding van de gebruikte gegevens voor het verkeersonderzoek kan er een berekening worden gemaakt voor het benodigde aantal parkeerplaatsen uitgaan van normen uit de Parkeernota gemeente Halderberge. Voor woningen groter dan 90 m2 geldt de parkeernorm van 2,1 parkeerplaats. Voor woningen kleiner dan 90 m2 geldt de parkeernorm van 1,9 parkeerplaats per woning. Het plangebied wordt verdeeld in twee parkeerzones, ten oosten en ten westen van de centrale groene loper. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan wordt een definitieve parkeerbalans opgesteld.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

32 - 55

4.5 Luchtkwaliteit De gemeente Halderberge heeft aan Goudappel Coffeng BV gevraagd om de verkeerseffecten van de ontwikkeling op het wegennet in beeld te brengen. Uit het uitgevoerde verkeersonderzoek volgt dat door het plan er een hoeveelheid van circa 1189 autoritten per etmaal wordt gegenereerd. Dit is een worst case situatie. Het uitgevoerde verkeersonderzoek is als Bijlage 12 toegevoegd. Dit verkeer maakt gebruik van Acer Flamingolaan, Pagnevaartweg noord en Pagnevaartweg oost. Met behulp van de NIBM-tool van het Kenniscentrum Infomil is op globale wijze beoordeeld of met deze verwachte verkeerstoename er sprake is van een al dan niet in betekenende mate bijdrage van het plan aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In onderstaande afbeelding is de berekening gepresenteerd. Bij de berekening is uitgegaan van een hoog percentage vrachtverkeer van 2%. Dit wordt gezien als een worst case-situatie.

Afbeelding berekening NIBM-tool Het resultaat van deze (worst case) berekening met de NIBM-tool geeft aan dat het plan hiermee niet in betekenende mate bijdraagt. De bijdrage van het extra verkeer op de concentratie NO2 is maximaal 1,03 ug/m3. De bijdrage van het extra verkeer op de concentratie PM10 is 0,20 ug/m3. De grenswaarde van 1,2 ug/m3 wordt daarmee niet overschreden. Volgens het Besluit en de Regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ draagt een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen (bij één ontsluitingsweg) niet bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor de zorgvuldigheid is deze berekening alsnog uitgevoerd. Het resultaat van deze (worst case) berekening met de NIBM-tool geeft aan dat het plan hiermee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Beoordeling concentraties stoffen Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan zijn de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) bekeken. Uit de monitoringstool (2020) blijkt dat de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) ter plaatse van de dichtstbij gelegen doorgaande wegen, Bosschendijk, Sint Bernaertsstraat en de N640 nergens meer bedragen dan grenswaarden 40 ug/m3.

De concentratie NO2 bedraagt maximaal 21,8 ug/m3 en concentratie PM10 bedraagt maximaal 18,8 ug/m3. De fijnstof (PM2,5) concentraties zijn nergens hoger dan 11,2 ug/m3 (grenswaarde 25 ug/m3). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6,7 waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden. Conclusie Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

33 - 55

ter plaatse van het planvoornemen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit.

4.6 Flora en fauna Regelink Ecologie & Landschap heeft een ecologisch quickscan uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 6 bijgevoegd. Het agrarisch gebied waar het recreatief uitloopgebied wordt voorzien is niet meegenomen in het onderzoek. In het uitloopgebied worden geen stedelijke functies gerealiseerd. Het nu nog eenzijdig ingericht agrarisch gebied wordt vanuit ecologisch oogpunt versterkt door het toevoegen van nieuwe bij het gebied passende biotopen. De keuzes voor biotopen en ecosystemen worden doorvertaald in het inrichtingsplan openbare ruimte voor het woongebied en voor het uitloopgebied in samenspraak met specialisten op het gebied van ecologie en natuurinclusiviteit. Onderzoeksresultaten Gebiedsbescherming Het Natura 2000-gebied dat het dichtste bij het plangebied ligt is 'Hollands Diep'. Dit gebied ligt op een afstand van circa 10 km van het plangebied. Het plangebied ligt op 850m afstand van het NNN. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de die hier plaatsvinden, valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke waarden en kenmerken van bovengenoemd gebieden. Ter toetsing van de conclusie voor het Natura 2000 gebied is er een stikstofberekening uitgevoerd. De Stikstofberekening is te vinden in paragraaf 4.6.2.

Soortenbescherming Vogelrichtlijn Vogelsoorten met vaste rust- en/of verblijfplaatsen (categorie 1-4) zijn mogelijk binnen het plangebied aanwezig. Vogelsoorten uit categorie 2, zoals de huismus en gierzwaluw, worden in het plangebied niet verwacht. Van de andere onder categorie 2 vallende vogel (de roek) is tijdens het veldbezoek een kolonie aangetroffen in de bomen aan de noordoostzijde van het plangebied. Categorie 4 vogels zoals roofvogels en de ransuil, deze zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Er is tijdens het veldbezoek wel een foeragerende sperwer waargenomen. Van de vogels uit categorie 5 zijn de bosuil en de koolmees tijdens het veldbezoek waargenomen. Verder kunnen de volgende vogels uit categorie 5 in het plangebied worden verwacht: boomklever, boomkruiper, ekster, groene specht, grote bonte specht, pimpelmees, spreeuw en zwarte kraai. Hiernaast kunnen binnen het plangebied zangvogels aanwezig zijn die in tuinen en stedelijk gebied broeden. Ook kunnen binnen het plangebied zangvogels aanwezig zijn die in agrarisch gebied broeden. Voor de roek is aanvullend onderzoek nodig conform het kennisdocument roek. Het werken volgens deze kennisdocumenten geeft een hoge mate van zekerheid van de inventarisatie en dus een kleine kans op onverwachte problemen. Het is niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedende vogels.

Zoogdieren Vleermuizen Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor een aantal soorten vleermuizen. Op grond van de geringe omvang van het plangebied en de aanwezigheid van alternatieve foerageergebieden in de omgeving is de kans klein dat het een essentieel foerageergebied betreft. Uit de resultaten blijkt dat tien soorten vleermuizen binnen het plangebied kunnen voorkomen. Ook zijn er in meerdere bomen binnen het plangebied holten aangetroffen waarmee ook de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen niet kan worden uitgesloten. Door de sloop van de aanwezige gebouwen met spouwmuur of gevelbetimmering gaan potentiële verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen verloren. De kap van bomen met holten of loshangende bast kan eveneens resulteren in het verloren gaan van potentiële verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Mocht de kap of sloop plaatsvinden terwijl er vleermuizen aanwezig zijn in de potentiële verblijfplaatsen kunnen deze dieren worden verstoord of gedood. Aantasting van foerageergebieden en vliegroutes leiden indirect tot een afname van de functionaliteit van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen. Het is noodzakelijk om aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuissoorten in het plangebied te

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

34 - 55

verrichten. Het verdient aanbeveling dit aanvullende onderzoek uit te voeren volgens het Vleermuisprotocol 2017 van de Gegevensautoriteit Natuur. Aanvullend vleermuisonderzoek houdt in dat er drie bezoeken in de periode 15 mei t/m 15 juli (twee direct na zonsondergang en een direct voor zonsopkomst) en twee bezoeken in periode 15 augustus t/m 1 oktober (ruim na zonsondergang en ruim voor zonsopkomst) aan het plangebied gebracht dienen te worden. Deze bezoeken moeten met behulp van een heterodyne batdetector met time expansion uitgevoerd worden. Marterachtigen Het interieur van de drie gebouwen was tijdens het veldbezoek niet toegankelijk, hierdoor kon dit niet worden onderzocht op sporen van marterachtigen. Het middelste en oostelijke gebouw vertonen gaten die groot genoeg zijn voor een steenmarter om door naar binnen te klimmen. In 2015 is een steenmarter in Oudenbosch waargenomen. De aanwezigheid van steenmarters in de gebouwen kan hiermee niet worden uitgesloten. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere recente waarnemingen bekend van bunzing (Mustela putorius), hermelijn (Mustela erminea) en wezel (Mustela nivalis). Het halfopen karakter van het plangebied van bosschages met takkenhopen en verruigd grasland vormen een geschikt biotoop voor kleine marterachtigen. De aanwezigheid van deze drie soorten in het plangebied kan dan ook niet worden uitgesloten.

Door de sloop van de gebouwen, kap van bomen met grote holten en het verwijderen van takkenhopen in het plangebied worden mogelijk potentiële verblijfplaatsen van de steenmarter vernield. Daarnaast kan het verwijderen van takkenhopen in de bosschages en het kappen van bomen leiden tot het vernielen van een potentiële rust- of verblijfplaats van bunzing, hermelijn en wezel. Het is noodzakelijk om aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten in het plangebied te verrichten. Overige zoogdieren Uit de resultaten blijkt dat de aanwezigheid van soorten overig zoogdieren, planten, reptielen, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De ingreep leidt voor deze soorten dan ook niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Conclusie In algemene zin kan redelijkerwijs worden gesteld dat op grond van de mogelijke effecten de uitvoering van de ingreep niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd, mits voor het ontwerp bestemmingsplan aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd naar roeken, vleermuizen en marters, en rekening wordt gehouden met het broedseizoen van vogels. Het aanvullende onderzoek is in onderstaande paragraaf beschreven.

4.6.1 Nader onderzoek naar vleermuizen en marterachtigen Naar aanleiding van de conclusies van de natuurtoets is door Tritium Advies BV nader onderzoek uitgevoerd naar steenmarter, roek, kleine marterachtigen en vleermuizen. Het rapport is als Bijlage 7 bijgevoegd. Steenmarter Tijdens de veldbezoeken zijn geen exemplaren van steenmarters waargenomen binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Tevens zijn er geen sporen aangetroffen van deze soort binnen het onderzoeksgebied. Wel wordt bij de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden verwezen naar de in hoofdstuk 4 omschreven werkwijze. Roeken Binnen het onderzoeksgebied is een kolonie roeken aangetroffen met maximaal 30 bezette nesten. Indien de bomen waarin deze nesten aanwezig zijn worden gekapt, of de nesten tijdelijk worden verstoord, dienen maatregelen te worden genomen. De maatregelen zijn te vinden in Bijlage 7. Voor kolonie roeken is een ontheffing Flora en Fauna verleend. De ontheffing toegevoegd als Bijlage 8. Kleine marterachtigen Er zijn geen exemplaren of sporen van de kleine marterachtigen aangetroffen.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

35 - 55

Vleermuizen Binnen het onderzoeksgebied zijn geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Binnen het onderzoeksgebied wordt wel gefoerageerd door voornamelijk de gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied, de omliggende akkers en tuinen zijn tevens geschikt als foerageergebied en worden ook als zodanig gebruikt. Tevens zijn er geen significante vliegroutes aangetroffen. De maatregelen zijn te vinden in Bijlage 7. Conclusie De voorgenomen plannen zullen geen nadelige effecten hebben op de steenmarter, kleine marterachtigen en vleermuizen.

4.6.2 Stikstofdepositie Agel heeft een berekening stikstofdepositie uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 10 bijgevoegd. Conclusie Uit de berekeningen blijkt dat voor de sloopfase, de bouwfase als voor de toekomstige gebruiksfase dit niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt daarom geen belemmering.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant (CHW) Het plangebied gelegen binnen de houtsingels (voormalige sportpark) is in de CHW niet met een waarde aangeduid. Het ten zuiden gelegen uitloopgebied is onderdeel van Archeologische landschappen (Provinciaal cultuurhistorisch belang), de zogenaamde Dekzandrug Bosschenhoofd-Hoeven. De strategie voor dit gebied is het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (onder andere door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid). Beschrijving landschap: Landschap omvat het gebied tussen de woonkernen Etten-Leur, Sint Willebrord en Oudenbosch. Een groot deel van het gebied kenmerkt zich door een licht golvend dekzandreliëf. De kern wordt gevormd door een zuidwest-noordoost georiënteerde dekzandrug met in het westen het beekdal de Oudenbosche laagte, en in het oosten het beekdal van de Kibbelvaart. Iets oostelijker ligt een derde beekdal, genaamd Lokkervaart/Laaksche vaart. In het noordwestelijke richting gaat de zandrug geleidelijk over in het marien- en veenlandschap. Aan het maaiveld komen over grote oppervlakten Oude dekzanden voor die tussen 27.000 en 11.000 jaar geleden zijn afgezet. Van de Jonge dekzanden (11.000-10.000 jaar geleden) zijn slechts enkele kleinere arealen bekend.

Onder het dekzand bevinden zich terrassen van de Rijn en Maas die op sommige plaatsen (nagenoeg) aan het oppervlak liggen. Door de Holocene “vernatting” van West-Brabant is het dekzand van landschap met een omvangrijk veenpakket bedekt geraakt. De groei van het veen ging tot in de middeleeuwen door. Veel van het veen is intussen verdwenen door natuurlijke erosie en ontginning vanaf de tweede helft van de 13e eeuw na Chr. In het noordoosten is waarschijnlijk nog een restant van het veen bewaard gebleven onder de zeeklei die door overstromingen in de late middeleeuwen is afgezet. Rond de gehuchten Hoeven en Bosschenhoofd komen aanzienlijke oppervlakten aan oude bouwlanden met een plaggendek (cultuurdek) voor. De indruk bestaat dat (een deel van) de cultuurdekken snel zijn aangelegd, waardoor het onderliggende dekzandprofiel nog goed intact is. Beschrijving archeologie: Landschap behoort tot de archeologische landschappen met de minste Archis-waarnemingen, zowel absoluut als relatief. AMK-terreinen ontbreken zelfs geheel. Als we kijken naar de perioden die onder de waarnemingen vertegenwoordigd zijn, valt op dat waarnemingen uit de bronstijd – vroege middeleeuwen geheel ontbreken. Dit zal zeker te maken hebben gehad met de veenvorming in die periode waardoor grotendeels sprake was van ongunstige omstandigheden voor bewoning.

Het veen is thans verdwenen door natuurlijke erosie en ontginning door de mens vanaf de 13e eeuw na Chr.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

36 - 55

De jongste Archis-waarnemingen hangen samen met deze ontginning en de daaropvolgende bewoning. Interessant is dat de meeste vindplaatsen stammen uit de vroege prehistorie (paleolithicum – neolithicum), dus voordat het dekzand “vernat” raakte. De kans is groot dat vooral de vroege vindplaatsen uit de periode paleolithicum – neolithicum in de zones met oude bouwlanden, nog relatief goed bewaard gebleven zijn. Er zijn namelijk aanwijzingen dat het dekzand in deze zones nog goed intact is en vrij van verstoringen door latere bewoning gezien het “bewoningshiaat”.

Afbeelding Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant Cultuurhistoriekaart Halderberge De cultuurhistoriekaart brengt alle cultuurhistorische waarden binnen het grondgebied van de gemeente in beeld. Hierop staat het bovengrondse erfgoed. De Halderbergse kaart inclusief de legenda sluit aan op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied gelegen binnen de houtsingels (voormalige sportpark) is in de cultuurhistorischekaart niet met een waarde aangeduid. Het ten zuiden gelegen uitloopgebied is onderdeel van Archeologische landschappen (Provinciaal cultuurhistorisch belang), de zogenaamde Dekzandrug Bosschenhoofd-Hoeven, zie de beschrijving bij de Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

37 - 55

Afbeelding Cultuurhistoriekaart gemeente Halderberge Cultuurhistorie Pagnevaart De Pagnevaartweg is een oude route die vernoemd is naar de oude historische Pagnevaart en te herleiden is tot halverwege de 19e eeuw. Het gebied langs deze weg is lange tijd voornamelijk gebruikt door kwekerijen en bestond veelal uit diverse groene kamers. Hierdoor was er een natuurlijke en besloten overgang en verloop van Oudenbosch naar het omliggende landschap. Vanaf de jaren 50 is Oudenbosch langzaam langs de Pagnevaartweg verder gegroeid in oostelijke richting. In de bocht van de Pagnevaartweg in de richting van de Jan Teunisstraat is het sportpark Pagnevaart opgericht. Ten noorden van het sportpark ligt de wijk Pagnevaart. Deze wijk uit de jaren 70 kent een vrij eentonige woningopbouw met voornamelijk rijwoningen. De kern van de wijk bestaat uit een groene long de Brink waar diverse evenementen plaatsvinden. De oorspronkelijke kavelstructuur van het gebied bestond uit een orthogonale kavelstructuur. De sloot in de Kwekerssingel liep van oorsprong dwars door het sportpark heen. Maar is in de jaren 70 in zuidelijk richting verlegd ten behoeve van de uitbreiding van het sportpark. De houtwal in de zuidwestelijke hoek van het plangebied is nog steeds als oude structuur zichtbaar. Vanaf begin jaren 2000 is het gebied ten westen van het sportpark ontwikkeld met nieuwe delen van de wijk Albano.

Deze wijk bestaat grotendeels uit vrijstaande en twee-onder-één-kap-woningen. Ten oosten van het sportpark liggen maatschappelijke functies en vrijstaande woningen. In het zuiden is er uitzicht op een open beekdallandschap die door een hoogspanningsleiding wordt doorkruist. Cultuurhistorie is een belangrijke drager van de identiteit van Halderberge en maakt integraal onderdeel uit van de ruimtelijke ontwikkeling van Halderberge, waardoor ontmoetingen van heden en verleden gelden als uitdaging en inspiratiebron voor de toekomst.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

38 - 55

Afbeelding: historische kaartreeks omgeving Pagnevaart In het plangebied is de orthogonale structuur en de houtsingels behouden. Om de buurt meer identiteit te geven die verbonden is met de plek zijn in het beeldkwaliteitsplan een aantal stijlkenmerken toegevoegd die geïnspireerd zijn op de typische boerderijen uit de kwekerij periode van de omgeving Pagnevaart. Hiermee kan een dorps-landelijke stijl op verschillende manieren gerealiseerd worden. Het recreatief uitloopgebied speelt in op de kenmerken van het beekdallandschap waar ook ruimte gemaakt wordt voor extra waterrentie. Voor het uitloopgebied is tevens archeologisch onderzoek uitgevoerd die wordt beschreven in de volgende paragraaf. Archeologisch onderzoek Beleidsnota archeologie Op 22 september 2011 heeft de gemeenteraad de beleidsnota “Ons ongeschreven verleden” vastgesteld. Het archeologiebeleid heeft tot doel het archeologisch erfgoed te beschermen en om het gemeentelijke beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vast te leggen. Het planvoornemen is niet in strijd met de beleidsnota archeologie. Onderzoek Voor een deel van het plangebied geldt dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Conform deze dubbelbestemming dienen ingrepen in de ondergrond groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm vooraf te worden gegaan door een archeologisch onderzoek.

Uit onderzoek moet blijken of deze dubbelbestemming kan worden gehandhaafd, gewijzigd of geschrapt. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. heeft een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 9 bijgesloten. Het archeologisch onderzoek wordt verwerkt in het bestemmingsplan door het opnemen van de dubbelbestemming en de bijbehorende regels.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

39 - 55

Afbeelding archeologische verwachtingskaart Onderzoek Het plangebied bevindt zich op een dekzandwelving. Het plangebied ligt op de grens van het zandgebied in het noorden en het veengebied in het zuiden. Het is daarom niet duidelijk in hoeverre het gebied ooit door veen bedekt is geweest. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat er in het plangebied vrijwel overal sprake is van een vaaggrond (A-C profiel. In twee boringen is een dun opgebracht dek (laarpodzolgrond) aangetroffen. Er zijn in het plangebied geen archeologische vindplaatsen of monumenten bekend. In de omgeving ervan (straal ca. 1 km) zijn er slechts twee vindplaatsen. De vondsten bestaan uit een stukje handgevormd aardewerk dat niet goed gedateerd kan worden (neolithicum-nieuwe tijd) en (op de andere vindplaats) uit aardewerk uit de nieuwe tijd. Er geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers. Advies Er wordt geadviseerd om in het plangebied geen ingrepen dieper dan 40 cm te laten plaatsvinden. Als hier niet aan kan worden voldaan, wordt een proefsleuvenonderzoek aangeraden, met als doel het opsporen van archeologische resten. Hiertoe is ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

40 - 55

Een dergelijk onderzoek dient te zijn gebaseerd op een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Halderberge, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit. In de plangregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter waarborging dat dit onderzoek uitgevoerd dient te worden in geval er ingrepen plaatsvinden dieper dan 40 cm.

4.8 Bodem AGEL adviseurs heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 14 bijgesloten. Met het onderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de locatie vastgesteld. Onderzoek Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: De bovengrond is licht verontreinigd met kwik en lood. De oorzaak van het licht verhoogde gehalte aan kwik en lood is niet eenduidig te verklaren. De aangetoonde gehalten zijn overeenkomstig met de aangetoonde gehalten in het voorgaand onderzoek (AGEL, 2019). De gemeten gehalten van de overige geanalyseerde parameters zijn kleiner dan de achtergrondwaarden. In de ondergrond zijn geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden gemeten. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium, kobalt, molybdeen, nikkel en zink aangetoond. Mogelijk betreffen het licht verhoogde achtergrondwaarden. Middels het verkennend bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodemonderzoek. De aangetoonde verhoogde gehalten/concentraties aan zware metalen leveren bij het toekomstig gebruik van de bodem en de voorgenomen nieuwbouwactiviteiten geen beperkingen op.

Aanbevelingen Indien bij de voorgenomen bouwactiviteiten grond van de locatie vrijkomt, dient er rekening te worden gehouden met beperkingen ten aanzien van hergebruik en afzet van de grond. De grond afkomstig van de onderzoekslocatie heeft een kwaliteit die indicatief voldoet aan de klasse Wonen en de Achtergrondwaarde 2000 en daarmee in principe (milieuhygiënisch gezien) geschikt is voor de functie Wonen en moes-/volkstuinen, landbouw & natuur. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant adviseert het volgende: Uit aanvullende informatie blijkt dat ter plaatse van het deel dat aangegeven is als deellocatie 2, onderzocht in 2019, plaatselijk een boomkwekerij aanwezig is geweest. Dit deel moet aanvullend onderzocht worden op de het voorkomen van OCB in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning aspect bouwen. Conclusie De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Het plan kan vanuit het aspect bodem worden gerealiseerd. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning wordt nader onderzoek naar OCB uitgevoerd. In de plangregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter waarborging dat dit onderzoek uitgevoerd dient te worden.

4.9 Water Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. Bij het tekenen van de stedenbouwkundige verkaveling is de waterhuishouding een belangrijk uitgangspunt geweest.

4.9.1 Beleid en regelgeving In dit hoofdstuk is met name het regionaal beleid van belang en omschreven. Waterschap Brabantse Delta

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

41 - 55

Het plangebied ligt binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 - 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015. Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. Uniformering Keuren De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord- Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren.

In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: 1. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m is, 2. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, Gemeente Halderberge De beleidsregels die de gemeente Halderberge hanteert ten aanzien van water zijn opgenomen in het ‘GRP 2020-2023’ d.d. 29 september 2019. In het plan wordt beschreven hoe het stedelijk watersysteem in de huidige situatie functioneert en met welke uitdagingen en ontwikkelingen de gemeente in de nabije toekomst te maken krijgen. Dit dient als vertrekpunt voor de visie op lange termijn en de strategie op korte termijn en een transparante, toekomstbestendige financiering. De oudere gemeentelijke rioleringsplannen gingen nog overwegend over het in stand houden van de rioolbuizen. Maar door in te spelen op extreme buien als gevolg van klimaatverandering krijgen bovengrondse voorzieningen steeds meer een prominente rol. De Albanovijvers, waterberging in Korenweide, bergingsvijvers van het plan Opperstraat in Hoeven en wadi’s bij nieuwbouwprojecten zijn hiervan mooie praktijkvoorbeelden. Deze voorzieningen zorgen ervoor dat we droge voeten hebben en houden bij normale én bij extreme buien.

Door klimaatverandering zal deze laatste categorie steeds vaker voorkomen. De kleine en grootschalige voorzieningen sluiten goed aan bij onze oorspronkelijke waterpartijen zoals de havens en stadsvijvers en verfraaien bovendien het aanzicht. Naast klimaatverandering hebben we ook te maken met de energietransitie en het streven naar een circulaire economie. De uitdagingen zijn groot en divers van aard. De gemeente wil daarom samen met onze inwoners en bedrijven deze uitdagingen oppakken. Denk hierbij aan het ontvlechten van waterstromen, afkoppelen van verhard oppervlak, vergroening van tuinen en de aanleg van retentie. Door samen te werken met onze partners, retentie aan te leggen in openbaar gebied en te communiceren over onze watertaken wil de gemeente haar inwoners en bedrijven water – en klimaatbewust maken. Als gemeente dragen we er zorg voor dat inwoners en bedrijven de ruimte te krijgen om zelf bij te dragen aan een klimaatbestendig watersysteem en dit waar mogelijk te faciliteren. Ook gaat de gemeente de dialoog aan om gezamenlijk een afweging te maken tussen het accepteren van schade of het voorkomen van schade met investeringsmaatregelen. Als eerste stap hiertoe heeft de gemeente via een zogenoemde klimaat-stresstest de kwetsbare locaties in beeld gebracht.

De stresstest is een quick-scan die de kwetsbaarheid van onze gemeente voor wateroverlast tijdens extreme regenval, overstroming bij doorbraak van (primaire) keringen, hittestress en droogte in beeld brengt op basis van berekeningen. Reguliere vervanging en renovaties benutten we om de kwetsbaarheid te verminderen. Waar mogelijk combineren we dit met verbetermaatregelen zoals afkoppelen en het aanleggen van retentie. Om de kosten te optimaliseren zet de gemeente stappen in risicogestuurd beheer. De gemeente rekt de technische levensduur van de riolen met reparaties op verantwoorde wijze op om op deze optimaal mee te kunnen bewegen met bovengrondse ontwikkelingen. Ook continueren we ons meetnet om inzicht te houden in de werking van ons systeem. De gemeente heeft een zorgplicht in het kader van afvalwater, hemelwater en grondwater. De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

42 - 55

hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente Halderberge wenst ontwikkelingen te benutten om het grondwater aan te vullen en ervoor zorg te dragen dat het stedelijk watersysteem niet zwaarder wordt

4.9.2 Watertoets Waterhuishouding De werking van het watersysteem rondom het plangebied wordt door voorgenomen ontwikkeling gewijzigd. De primaire watergang die de scheiding vormt tussen het woongebied en het recreatief uitloopgebied wordt gedeeltelijk verlegd naar het zuiden. Zowel in noordzuid als oostwest richting worden oude watergangen hersteld en teruggebracht. De aan- en afwatering en peilen van de waterlopen rondom het plangebied blijven gelijk. De waterlopen van het plangebied inclusief de aanwezige kunstwerken in deze waterlopen blijven aanwezig. Voor het opvangen van het regenwater is gekozen voor een fijnmazig infiltratiesysteem door de hele buurt die verbonden is aan de bestaande watergangen in het gebied en de nieuwe waterretentie van de ven in het uitloopgebied. Het watersysteem is natuurlijk en robuust dat is voorbereid op de toekomst. Het water wordt zo veel mogelijk vastgehouden en hergebruikt, waarbij het regenwater volledig bovengronds wordt afgevoerd door toepassing van wadi’s/greppels in de hoofdontsluiting en de woonstraten zoals weergegeven in de principeprofielen. Water wordt via de wadi’s naar de slotenstructuur gebracht, die het water vervolgens brengen naar de waterberging in het uitloopgebied. Water is daarmee zichtbaar, gaat verdroging van de bodem tegen en wordt benut voor woonkwaliteit.

Aan de zuidzijde van het plangebied ligt reeds een watergang categorie A, welke door of namens Waterschap Brabantse Delta wordt onderhouden. De oude slotenstructuur wordt hersteld, De sloten en boomstructuren moeten bereikbaar zijn, zodat de gemeente en/of het waterschap goed onderhoud kan verrichten. Een sloot kan worden onderhouden via de zijde waar zich een boomstructuur bevindt, mits daar voldoende ruimte tussen de bomen is (minimaal 10 meter). Toekomstige kopers worden zorgvuldig geïnformeerd over het bovengronds afvoeren van regenwater. In de regels van het bestemmingsplan is het opvangen en afvoeren van regenwater in de achtertuinen geborgd met 22 mm berging per perceel. Het overtollige hemelwater moet op eenduidige manier worden aangeleverd aan de openbare ruimte. Dit wordt bij de uitwerking van de plannen civieltechnisch verder uitgewerkt en zal door middel van een verplichting in de koopcontracten worden meegenomen. De waterrobuustheid kan nog verder worden versterkt als bewoners tuinen groen inrichten met beperkte verharding en regenwater zoveel mogelijk hergebruiken of langzaam in de bodem laten zakken. Voor platte daken wordt gestimuleerd deze uit te voeren als groen dak, al dan niet in combinatie met zonnepanelen. De woonvelden zijn op deze manier onderdeel van het fijnmazige watersysteem.

De straten worden zo veel mogelijk uitgevoerd in een waterdoorlatende verharding en de parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk uitgevoerd in open (groene) verharding. Waterkwaliteit Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuwe dakverharding, terreinverharding en de openbare verharding wordt beschouwd als schoon omdat geen uitlogende bouwmaterialen (uitlogende bouwmaterialen zijn o.a. zinken dakgoten en standpijpen, loden dakslabben, betongranulaat als wegfundering etc.) gebruikt worden. Dit schone hemelwater wordt gescheiden van het vuilwater opgevangen en geborgen binnen het plangebied, waarna het vervolgens in de bodem kan infiltreren of vertraagt kan afvoeren op het omliggende oppervlaktewatersysteem. Toekomstig watersysteem Het toekomstig watersysteem bestaat uit een gescheiden systeem waar hemelwater en vuilwater gescheiden wordt opgevangen en verwerkt.

Hemelwater Het hemelwater stroomt oppervlakkig af naar oppervlakkige bergingsvoorzieningen binnen het plangebied en het zuidelijk gelegen uitloopgebied. In de huidige situatie is er geen verharding binnen het plangebied aanwezig. In het plangebied zal in de toekomstige situatie circa 3,4 ha. verhard oppervlak aanwezig zijn. Dit verhard oppervlak is gebaseerd op uitgangspunten uit het stedenbouwkundig ontwerp. Bij een toename van 3,4 ha. verhard oppervlak is er

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

43 - 55

een berekende wateropgave van 2.000m³. Deze hoeveelheid water dient te worden geborgen binnen het plangebied. In het inrichtingsplan openbare ruimte wordt het fijnmazig watersysteem met de vennen verder uitgewerkt. De concept inrichtingstekening is in onderstaande afbeelding verbeeld. In het kader van de uitwerking van het watersysteem wordt onderzocht of de verlegging van de watergang (gelegen tussen woongebied en het uitloopgebied) mogelijk is. De eventuele verlegging van de watergang wordt meegenomen in het ontwerp bestemmingsplan.

Afbeelding schetstekening inrichting watersysteem

4.9.3 Conclusie en aanbevelingen Er is voldoende ruimte binnen het plangebied om de benodigde waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen te treffen. Waterhuishouding vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In het kader artikel 3.1.1 Bro is het plan voorgelegd aan het Waterschap, zie hiervoor 5.1.2.

4.10 M.e.r. beoordeling Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan plan m.e.r.-plichtig zijn. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt. In de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het de ruimtelijke onderbouwing plan-m.e.r.-plichtig (onderdelen C en D), project-m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In de bijlage van het Besluit m.e.r. i in categorie D (11.2), de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. De drempelwaarde voor een formele m.e.r.-beoordeling in het Besluit m.e.r. ligt op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen;

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

44 - 55

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het planvoornemen ligt ruimschoots onder de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. en is daarmee niet rechtstreeks plan-m.e.r.-, project-m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Omdat het planvoornemen wel een activiteit betreft zoals genoemd in lijst D is een vormvrije m.e.r. beoordeling nodig. Deze is opgenomen in de aanmeldingsnotitie, hetgeen als Bijlage 13 is bijgesloten. Conclusie Het planvoornemen kan gezien vanuit dit aspect gerealiseerd worden.

4.11 Duurzaamheid De nieuwe ontwikkelingen in dit plangebied uitbreiding dienen een antwoord te geven op de klimaatverandering en het duurzaamheidsvraagstuk. Zeker op de overgang van het dorp naar het open land dient veel aandacht besteed te worden aan thema’s als klimaatadaptatie, piekwaterberging, droogte, hittestress en biodiversiteit. De wijk biedt een aangename natuurlijke woonomgeving voor mens en dier die de extremen van de natuur het hoofd kan bieden. De woningen zelf worden duurzaam gebouwd volgens de huidige normen. Hierbij wordt rekening gehouden met duurzame energieopwekking, zoals zonnepanelen en goede isolatie. Voor dit plangebied spelen vier pijlers de hoofdrol voor het realiseren van een duurzaam en gezonde leefomgeving: Fijn verblijfsklimaat: De landschappelijke inrichting en buitenruimte van de woningen bevorderen een fijn verblijfsklimaat door onder andere een gevarieerd microklimaat en het voorkomen van hittestress. Bij de bouw van woningen wordt aandacht besteed aan een duurzaam binnenklimaat; isolatie, ventilatie en licht. Schoonheid van de omgeving: Schakels van plekken en doorzichten naar het omliggende landschap en bijzonder ruimtelijke elementen. Creëer een sociaal gunstig netwerk: Ruimte in de buurt voor voldoende sociale contacten, doelgroepen, veilige leefomgeving en goede toegankelijkheid mindervaliden.

Een omgeving die voortdurend aanzet tot beweging: Zoals buitenspelen, bewegen en tuinieren. Hierbij wordt een relatie gelegd met bestaande buurten en het buitengebied.

4.12 Hoogspanningsleiding Direct ten zuiden van het plangebied loopt een hoogspanningsleidingtracé. Het betreft een 150 kV lijn. Uit de verbeeldingen van de bestemmingsplannen “Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld op 14-12-2017 en “Kom Oudenbosch'' vastgesteld op 20-06-2013 is ter plaatse van de hoogspanningsleiding een beschermingzone opgenomen. Deze zone bevat regels voor het oprichten van bebouwing en bouwwerken. De beschermingszone (dubbelbestemming “Leiding-hoogspanningsverbinding”) ligt binnen het plangebied, maar niet binnen het gebied waar woningen gepland zijn. Deze zone levert geen belemmeringen op voor de ontwikkeling. Zoals op onderstaande afbeelding is te zien raakt de magneetveldzone een klein gedeelte van het zuidelijkste gelegen woonveld. Binnen deze zone worden geen hoofdgebouwen van gevoelige functies zoals wonen gerealiseerd. Dit geborgd door middel van de aanduiding 'wonen' uitgesloten. Binnen deze aanduiding zijn geen grondgebonden woningen toegelaten. Aan de hand van handreiking 4.1 van het RIVM zijn de specifieke magneetveldzones berekend tussen mast 89 en 91 van 150kV hoogspanningslijn Breda Roosendaal Bijlage 15). De hoogspanningslijn hangt nabij een plangebied, voormalig sportpark Pagnevaart, welke is beoogd voor ontwikkeling.

De specifieke magneetveldzone is het gebied rond hoogspanningslijnen waarbinnen de jaargemiddelde magneetveldsterkte hoger is dan 0,4 microtesla op 1 meter boven het maaiveld. Uit het resultaat blijkt dat de magneetveldzones tussen mast 89 en 91 van de hoogspanningslijn een breedte heeft van 70 meter aan beide zijdes. Dit betekent dat de berekende magneetveldzones de kadastrale grens van het beoogde plangebied 12 a 30 meter bestrijkt. De jaargemiddelde magneetveldsterkte op dit oppervlak is gelijk aan of groter dan 0,4 microtesla (op 1 m boven maaiveld).

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

45 - 55

Afbeelding kaart ligging hoogspanningtracé met belemmeringszone Conclusie De hoogspanning met magneetveldzones leveren geen belemmering op voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.13 Geur Uit de kaart 'GES geur veehouderij obv gehinderden’ (bron: atlas leefomgeving) blijkt de geurbelasting als gevolg van veehouderijen rond het plangebied goed (GES= 1) te zijn. Dit gegeven is op onderstaande afbeelding weergegeven. Dit houdt in dat 5 % of minder bewoners gehinderd worden als gevolg van de geur afkomstig van veehouderijen. Dit aspect vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

46 - 55

Afbeelding GES geur veehouderij obv gehinderden (2013), Noord-Brabant

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

47 - 55

(vastgesteld) De Groene Vaart NL.IMRO.1655.BP1022-C001

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/523/documents/15398