CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting.pdf

Gemeenteraad 19 juni 2024, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 13: Vaststelling bestemmingsplan Roosendaalseweg 38 Hoeven22.711 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De stofcategorie ZZS bestaat uit de volgende stofklassen: • ERS, extreem risicovolle stoffen • MVP 1, minimalisatie-verplichte vaste stoffen en • MVP 2 minimalisatieverplichte gas- of dampvormige stoffen Bijlage 12 van de Activiteitenregeling geeft de indeling in stofcategorieën en stofklassen. Op onderhavige locatie worden geen stoffen gebruik welke zijn genoemd in Bijlage 12 van de Activiteitenregeling. Dit betreffen de grondwater schadelijke stoffen. In paragraaf 5.5 en 5.6.3 wordt hier nader op ingegaan. c.

de toepassing van IBC-bouwstoffen;

Op onderhavige locatie worden geen IBC-bouwstoffen toegepast of opgeslagen. d. de aanleg van een buisleiding ; Een buisleiding betreft een holle buis voor het transport van gas, olie of chemicaliën alsmede voor het transport van elektriciteit als dit wordt gekoeld met olie of chemicaliën, uitgezonderd het transport van aardgas. Op onderhavige locatie wordt geen buisleiding aangelegd. e. opslag van dierlijke mest zonder bodembeschermende maatregelen; Op onderhavige locatie wordt geen dierlijke mest opgeslagen. f.

een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats of uitstrooiveld voor dierlijke as;

Op onderhavige locatie wordt geen begraafplaats of uitstrooiveld gerealiseerd. g. activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, waaronder bodemenergiesystemen.

pag. 26 van 66 Vastgesteld 2024

Op onderhavige locatie worden geen activiteiten uitgevoerd waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, waaronder bodemenergiesystemen. Verbod onconventionele koolwaterstofwinning Diep grondwaterlichaam (Artikel 2.20) De aanduiding ‘Diep grondwaterlichaam’ heeft rechtstreekse toepassing op bepaalde activiteiten die bij onderhavig plan niet van toepassing zijn (onconventionele koolwaterstofwinning). Deze aanduiding wordt voor het overige dus onbesproken gelaten. Ook de aanduiding ‘Geen Attentiezone waterhuishouding’ heeft derhalve geen invloed op het beoogde plan. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie gemeente Halderberge d.d. 10 februari 2022 Met de omgevingsvisie wil de gemeente Halderberge bereiken dat Halderberge aantrekkelijk blijft én nog aantrekkelijker wordt. Dit wordt ook wel “het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving” genoemd. Binnen de omgevingsvisie van de gemeente Halderberge is de planlocatie gelegen binnen het ‘open polderlandschap’. Het open polderlandschap bestaat uit verschillende gebieden, zoals de zeekleipolders ten noorden van Hoeven en de lager gelegen gebiedsdelen in het zandgebied. De gebieden in het open polderlandschap zijn voornamelijk gevuld met agrarische functies. De agrarische sector is van oudsher een belangrijke en beeldbepalende sector in de gemeente en kent verschillende vormen, zoals akkerbouw, veeteelt, boomteelt en glastuinbouw. De natuurwaarden zijn dan ook gerelateerd aan deze agrarische functies. De sector draagt in sterke mate bij aan het groene karakter van de gemeente en de leefbaarheid van het buitengebied. Gebieden waar wat minder agrarisch gebruik voorkomt, zijn Langenberg-Noordhoek, Pietseweg en Seppe-Kibbelvaart. Gelijkenis tussen deze gebieden is dat zij allemaal op zandgrond of op de overgang tussen zand en klei gelegen zijn. Hoogspanningsleidingen, de A17 en de spoorlijn zijn kenmerkende zaken in de eerste twee genoemde gebieden.

Seppe-Kibbelvaart kent daarentegen voornamelijk een woonfunctie en de functie vliegveld. De aanwezigheid van de Kibbelvaart is typerend in dit gebied en de natuurwaarden langs de loop van dit water zijn versterkt door de realisatie van een ecologische verbindingszone. De waarden van het ‘polderlandschap’, die betrekking hebben op onderhavige planlocatie betreffen: Agrarisch gebied met akker- en graslandgebieden en verspreid liggende agrarische bebouwing met beplanting (Agrarische) natuur- en cultuurwaarden De bijdragen die geleverd kunnen worden betreffen: Het agrarische karakter van dit gebied De openheid van het landschap (Agrarisch) natuur- en landschapsbeheer Natte/droge verbindingszones De aanwezige cultuurhistorische- en natuurwaarden Verbetering van de recreatieve functie door routes Het toevoegen van agro-toerisme Voorbeelden die hierbij gegeven worden betreffen de realisatie van ecologische verbindingszones, zoals de Kibbelvaart. Met onderhavig initiatief wordt gewerkt aan het versterken van de landschap, waarbij rekening wordt gehouden met het agrarische karakter van het gebied. De functie van het agrarisch- en cultuurtechnisch loonwerkbedrijf is direct geleerd aan de agrarische sector. Ook worden de zichtlijnen van het gebied

pag. 27 van 66 Vastgesteld 2024

rondom de planlocatie versterkt door duidelijke landschapselementen in de vorm van singels en hagen te realiseren welke gericht zijn op de Kibbelvaart. Door deze vorm van landschapsbeheer wordt mede getracht een ecologische meerwaarde te geven aan de planlocatie, alsmede het gebied er om heen. Een onderdeel van onderhavig initiatief betreft de versterking van de ecologische verbindingszone. Door een gedeelte landbouwgrond om te vormen naar een natte c.q. droge verbindingszone, worden de aanwezige natuurwaarden versterkt. Tot slot wordt met de herontwikkeling het bestaand agrarisch vastgoed toekomstbestendig gemaakt. De ambitie van de gemeente is om leegstand zoveel mogelijk te voorkomen. Door het mogelijk maken en stimuleren van innovaties, creativiteit en herstructurering zijn ondernemers en bewoners minder kwetsbaar voor (ondermijnende) criminaliteit, wordt verkrotting en verrommeling tegengegaan en blijft het buitengebied vitaal. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkelingen bijdragen aan een kwalitatieve verbetering van het buitengebied in de gemeente Halderberge en dat de ontwikkeling passend is binnen de Omgevingsvisie Halderberge.

Afbeelding 10: Uitsnede bestemmingsplan, rode omkadering betreft het plangebied

pag. 28 van 66 Vastgesteld 2024

5 5.1

Omgevingsaspecten Landschap

5.1.1 Landschapsplan Halderberge 2016 - 2025 Natuur en landschap zijn in de afgelopen jaren een steeds belangrijker onderdeel geworden van het gemeentelijke beleid. Natuur en landschap leveren een belangrijke bijdrage aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor de inwoners van de gemeente en leveren bovendien een positieve bijdrage aan de biodiversiteit. Omdat gelijktijdig de natuur- en landschapswaarden onder druk staan van stedelijke ontwikkelingen (woningbouw, bedrijvenparken, nieuwe functies in het landelijk gebied) zijn natuur- en landschapswaarden een steeds belangrijker toetsingskader bij de beoordeling van ruimtelijke plannen buiten het stedelijk gebied. Het landschapsplan Halderberge 2016-2025 met de titel ‘Het landschap in beweging’ is op 21 april 2016 door de raad vastgesteld. Het landschapsbeleidsplan uit 2003 vormt de leidraad voor het ‘Landschapsplan Halderberge 2016-2025’. Het biedt een handvat voor het duurzaam behoud, ontwikkeling en versterking van een samenhangend groen landschap binnen de gemeente Halderberge. De Structuurvisie Halderberge 2025 vormt hierbij het vertrekpunt. Het achterliggende idee is dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied actief bijdragen aan versterking van het landschap. Het plan vormt ook toetsingskader bij het nakomen van afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap.

Er zijn drie typen visuele landschappelijke eenheden: Open landschap: kijkafstand > 500 meter. Bestaat uit zeekleipolders, lager gelegen gebiedsdelen in zandgebied. Halfopen landschap: kijkafstand 100 - 500 meter. Bestaat uit houtwallen, bomenrijen, geriefhoutbosjes en verspreide bebouwing het landschap een kleinschalig en half-open karakter hebben gegeven. Besloten afstand: kijkafstand < 100 meter. Het besloten landschap onderscheidt zich door de aanwezigheid van bos en andere opgaande begroeiing. De planlocatie is gelegen binnen het deelgebied ‘Seppe-Kibbelvaart’. Dit gebied wordt als volgt getypeerd: Open landschap op zandgrond Openheid vanwege functie als vliegveld en aanwezigheid van Kibbelvaart Natuurwaarden langs de loop van de Kibbelvaart worden versterkt door het realiseren van een ecologische verbindingszone. Het versterken van het deelgebied ‘Seppe-Kibbelvaart’ vindt plaats door: 1. Landschappelijke inpassing van de bedrijfsmatige activiteiten 2. Versterken van de EVZ Kibbelvaart. 5.1.2 Landschappelijk inpassing De gemeente Halderberge streeft naar behoud en versterking van de aanwezige natuur- en landschapswaarden binnen de gemeente. De gewenste ontwikkelingsrichting wordt binnen de gemeente voor een groot deel bepaald door de landschappelijke en ruimtelijke karakteristiek.

De gemeente heeft echter behoefte aan een nadere duiding van de landschappelijke karakteristiek en de betekenis hiervan voor het behoud en de versterking van de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Zoals hierboven gesteld is onderhavige planlocatie gelegen binnen een open zandlandschap, waarbij de aanwezigheid van de Kibbelvaart een belangrijk onderdeel uitmaakt van het landschap. Kenmerkende landschapselementen Kenmerkende landschapselementen van het coulissenlandschap zijn: Houtwallen en houtsingels; Bomenrijen/-lanen; Solitaire bomen; Hoogstamfruitboomgaarden aansluitend op de erven; Poelen (mits de grondwaterstand dit toelaat); Akkerranden met bloemen, kruiden, grassen en granen.

pag. 29 van 66 Vastgesteld 2024

Het Brabants Landschap heeft voor de gewenste ontwikkeling een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Deze landschappelijke inpassing is weergegeven in Bijlage 2. Met de realisatie van nieuwe bebouwing is bij het ontwerp rekening gehouden met de zichtlijnen richting de Kibbelvaart. Deze lijnen zijn versterkt door de realisatie van nieuwe houtsingels die gericht zijn op de Kibbelvaart. Verder is bij de landschappelijke inpassing specifiek aandacht besteed aan de inbedding van de buitenopslag. Initiatiefnemer is voornemens om de buitenopslag te voorzien van keerwanden. De buitenopslag en de keerwanden zullen op een zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast worden. De keerwanden zullen aangevuld worden met aarde en ingezaaid worden met kruiden- en bloemrijk grasland. Hieronder zijn sfeerimpressies gegeven van een vergelijkbare inpassing. In de beoogde situatie zal de hoogte van de keerwanden niet hoger zijn dan 3 meter en de hoogte van de opslag bedraagt maximaal 6 meter.

Afbeelding 11: Voorbeeld landschappelijke inpassing Op basis van het landschappelijk inpassingsplan kan geconcludeerd worden dat de locatie op een verantwoorde wijze landschappelijk is ingepast. 5.1.3

Versterken van de EVZ Kibbelvaart

Initiatiefnemer gaat in samenwerking met het Brabants Landschap de EVZ de Kibbelvaart versterken. In november 2012 is gestart met de realisatie van een natte Ecologische Verbindingszone (EVZ) langs het Halderbergse deel van de Kibbelvaart. Dit deeltraject, met een totale lengte van circa 3,2 km en een oppervlakte van 7,48 ha, is onderdeel van de natte EVZ tussen de Rucphense bossen en de Mark, en wordt aangeduid als EVZ Kibbelvaart-Halderberge.

Afbeelding 12: Ligging EVZ-Kibbelvaart-Halderberge

pag. 30 van 66 Vastgesteld 2024

Het doel van een ecologische verbindingszone is het verbinden van de verschillende natuurgebieden, waardoor planten en dieren zich makkelijker van het ene naar het andere gebied kunnen verplaatsen. Hierdoor blijven populaties gezonder en is er minder kans op het uitsterven van soorten. Het systeem van natuurgebieden en EVZ’s wordt tegenwoordig ook wel het Natuurnetwerk Nederland genoemd. De EVZ heeft als doel om een ecologische verbinding te realiseren die geschikt is voor de volgende doelsoorten:

De EVZ bestaat uit een natte vegetatiezone, een natuurzone met poelen, en een gevarieerde begroeiing met een afwisseling van grasland, ruigte, struweel en bosschages. Samen met de eerder gerealiseerde deeltrajecten, wordt hiermee een doorgaande ecologische verbinding langs de Kibbelvaart gerealiseerd. Een gedeelte van de EVZ is echter nooit gerealiseerd, waardoor de EVZ niet doorloopt. Middels onderhavig plan wordt concreet uitvoering gegeven aan het verder versterken aan de opgaven van de EVZ Kibbelvaart-Halderberge.

Afbeelding 13: Uitsnede ecologische verbindingszone, rode omkadering betreft beoogde omzetting naar natuur 5.2

Natuur

Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. 5.2.1 Wet natuurbescherming Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van het Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Gebiedsbescherming Het Natura 2000 netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese

pag. 31 van 66 Vastgesteld 2024

biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De overkoepelende naam voor deze gebieden is "Natura 2000-gebied". Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. In Bijlage 5 is een voortoets uitgevoerd om te onderzoeken of de beoogde activiteiten significant negatief zijn. Om dit in beeld te brengen zijn voor de gewenste inrichting de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat de stikstofdepositie op geen van de Natura 2000-gebieden groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is derhalve geen sprake van een significant negatief effect op gevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand van 15,5 kilometer tot het dichtstbijzijnde gebied leidt de beoogde ontwikkeling verder niet tot andere voorkomende storende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Afbeelding 14: Ligging locatie t.o.v. Natura 2000-gebieden Er is derhalve geen sprake van significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).

pag. 32 van 66 Vastgesteld 2024

2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten planten en dieren voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren uitbreiding beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Voor onderhavig initiatief is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 6. Op basis van onderhavige quickscan flora en fauna kan gesteld worden dat de geplande ingreep geen negatieve invloed zal hebben op wettelijk beschermde soorten. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels (zoals spreeuwen) kunnen worden voorkomen middels het opstellen van een ecologisch werkprotocol. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natuur Netwerk dan wel binnen de hoofdgroenstructuur stedelijk gebied, waarvan de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet negatief beïnvloed mogen worden. Bij de realisatie van de voorgenomen plannen zal dit niet het geval zijn. Ook met betrekking tot houtopstanden worden geen bezwaren verwacht. 5.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruitgaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

pag. 33 van 66 Vastgesteld 2024

- Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in het NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Omgevingsverordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant (NNB). Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren.

De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2022. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Omgevingsverordening. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart ‘Natuur en Landschap’ is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 15. Initiatiefnemer is echter voornemens om medewerking te verlenen aan de realisatie en daarmee versterking van het bestaande NNB. In Bijlage 12 is het inrichtingsplan van de uitbreiding van EVZ weergegeven. De beoogde ontwikkelingen hebben met de beoogde inrichting van het EVZ een positieve invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2022.

Afbeelding 15: Uitsnede themakaart natuur en landschap, rode omkadering betreft beoogde verbinding 5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden.

pag. 34 van 66 Vastgesteld 2024

In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: - vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. - verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. - bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.3.2 Archeologiebeleid Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd.

De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WaMZ) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. Zo verplicht de WaMZ om bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij afwijking daarvan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. De gemeente Halderberge heeft haar archeologiebeleid nader uitgewerkt in de beleidsnota ‘Ons ongeschreven verleden’ (vastgesteld 22 september 2011). Het archeologiebeleid van de gemeente Halderberge heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en ontsluiten als bron van het ‘gemeenschappelijke geheugen’ en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Archeologische onderzoek Voor onderhavige initiatief heeft Transect in januari 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Roosendaalseweg 38 te Hoeven (gemeente Halderberge). Het archeologische onderzoek is uitgevoerd in het kader van deze bestemmingsplanwijziging.

Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Voor het grootste deel van het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen plannen geen aanvullende maatregelen nodig. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Halderberge). Alleen voor de zone met een hoge archeologische verwachting wordt aanbevolen deze als zodanig in het bestemmingsplan uit te werken en op het moment er graafwerkzaamheden gepland worden ten behoeve van herontwikkeling hier een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (Inventariserend veldonderzoek, karterende en waarderende fase). Dit onderzoek heeft als doel om de gedane vondsten in het gebied te verklaren. Voor een dergelijk onderzoek is op voorhand een Programma van Eisen (PvE) nodig, waarin de randvoorwaarden voor het onderzoek zijn

pag. 35 van 66 Vastgesteld 2024

vastgelegd. Dit PvE moet voor het onderzoek zijn beoordeeld en goedgekeurd door de gemeente Halderberge. Ter plaatse van de zone met een hoge archeologische verwachting worden specifieke regels opgelegd overeenkomstig het advies, zoals gesteld in het vooronderzoek. Initiatiefnemer is echter niet voornemens om verstorende activiteiten uit te voeren ter plaatse van de zone met hoge verwachting. Indien hier toch verstorende activiteiten plaatsvinden zullen de noodzakelijke onderzoeken uitgevoerd worden.

Afbeelding 16: Advieskaart en het plan Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.3.3

Cultuurhistorie

Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingsplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de

pag. 36 van 66 Vastgesteld 2024

grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Erfgoedwet De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water.

Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provinciaal beleid In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen een gebied met cultuurhistorische waarden. Ook heeft het initiatief geen invloed op cultuurhistorisch waardevolle gebouwen die in de omgeving gelegen zijn, omdat er in feite enkel sprake is van een functiewijziging, zonder dat daarbij de gebouwen wijzigen.

Afbeelding 17: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)CHW 2010, herziening 2022, rode omkadering betreft het plangebied Gemeentelijk beleid

pag. 37 van 66 Vastgesteld 2024

De gemeente Halderberge heeft op 22 september 2011 de beleidsnota ‘inspirerend verleden’ vastgesteld. De centrale visie van deze nota luidt: cultuurhistorie is een belangrijke drager van de identiteit van Halderberge en maakt integraal onderdeel uit van de ruimtelijke ontwikkeling van Halderberge, waardoor ontmoetingen van heden en verleden gelden als uitdaging en inspiratiebron voor de toekomst. Bij het ontwikkelen van nieuwe ruimtelijke plannen moet cultuurhistorie dan ook een volwaardige plaats én inbreng krijgen. Aanvullend hierop is op 6 februari 2014 een gemeentelijke Cultuurhistoriekaart vastgesteld.

Afbeelding 18: Uitsnede gemeentelijke Cultuurhistoriekaart Het plangebied ligt in de regio ‘West-Brabantse Venen’. Een van de doelstellingen voor dit gebied is “het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van het archeologisch landschap. Conclusie Gezien het vorenstaande blijkt dat bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan wordt aan waardevolle cultuurhistorische waarden in de omgeving. 5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer Uitwerking van het aspect mobiliteit is uitgewerkt in het Mobiliteitsvisie 2019-2022. Met de visie wordt ingezet op een goede balans tussen de drie elementen bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Ingezet wordt op de verdere invoering van Duurzaam Veilig op het wegennet van Halderberge. Daarbij is van belang om zowel infrastructurele maatregelen te treffen als mensgerichte acties uit te voeren. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een oordeel gegeven te worden van de verkeersaantrekkende werking, gevolgen voor mobiliteit en infrastructuur. De verkeersafwikkeling van het bedrijf bestaat in hoofdzaak uit het verlaten van de locatie in de ochtend, voor het uitvoeren van werkzaamheden op de locatie van opdrachtgever, én aan het eind van de dag terugkeren naar de inrichting. Verder vinden er bewegingen plaats om op een circulaire wijze de bedrijfsvoering uit te voeren. Afhankelijk van de werkzaamheden én het soort in te zetten machine/werktuig komen de voertuigen, ook gedurende de tussenliggende periode op de bedrijfslocatie (heen en weer). De voertuigen verlaten de inrichting via de Roosendaalseweg, welke aansluit op de A58 . De Roosendaalseweg wordt geclassificeerd als erftoegangsweg type II. De inrichting van de weg wordt bepaald door het type erftoegangsweg.

Bij erftoegangsweg type II, met een verhardingsbreedte van 2,50 tot 4,50 m, wordt geen of plaatselijk kantmarkering toegepast. Op dit

pag. 38 van 66 Vastgesteld 2024

typen erftoegangswegen is landbouwverkeer toegestaan en is de maximale intensiteit 6.000 motorvoertuigen per etmaal. Kenmerkend voor erftoegangswegen is dat alle verschillende soorten verkeersdeelnemers over dezelfde weg worden afgewikkeld. De functie van de omliggende wegen is nooit veranderd; deze is altijd al bedoeld geweest om alle soorten verkeersdeelnemers af te wikkelen. Gezien de kortstondige momenten van aan- en afvoerbewegingen bestaat de belasting naar de omgeving, alsmede de verkeersbelemmering voor de overige weggebruikers, uit kortstondige periode en momenten. Gemiddeld zijn er circa 32 vervoersbewegingen per dag voor zwaar verkeer (totaal). Qua capaciteit is de impact qua intensiteit op de omgeving laag. Door goede (reeds aanwezige) gedragsregels voor de werknemers ten aanzien van het rijden op de openbare weg, zijn adequate maatregelen genomen om belemmeringen en verkeersonveilige situaties, zoveel als mogelijk, te voorkomen. Doordat initiatiefnemer en diens medewerkers ook belangrijke gebruikers zijn van de wegen in de omgeving van de bedrijfslocatie, zijn ook zij verantwoordelijk voor het naleven van de verkeersregels en actief sturen op verkeersveilig handelen. Initiatiefnemer laat personeel cursussen volgen middels toolboxen. In Bijlage 4 is een voorbeeld van een toolbox weergegeven.

Er is geen sprake van een verkeersaantrekkende werking uitgaande van het bedrijf. De verkeersbewegingen zijn direct verbonden met de aard en omvang van het bedrijf. Het aspect mobiliteit geeft geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan. 5.4.2 Parkeren De gemeente Halderberge heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. Bijlage 1 de Kadernota parkeren geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Onderhavige locatie is gelegen een gebied C – overig. Alle parkeervoorzieningen dienen gerealiseerd te worden op de planlocatie. Het is niet mogelijk c.q. wenselijk om langs de weg te parkeren. Het uitoefenen van een cultuurtechnisch loonbedrijf betreft een extensieve bedrijfsvoering. Op basis van kerncijfers van de Kadernota neemt de parkeervraag toe door de uitbreiding (loods van 1.800 m2). De geldende norm voor de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’ is 0,9 pp per 100 m2 bvo (incl. bezoekers). Dit resulteert in een toename van (afgerond) 16 parkeerplaatsen op eigen terrein.

Afbeelding 19: Uitsnede parkeervoorzieningen Achter de bedrijfswoning komt een ruime parkeerplaats waarop minimaal 17 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Het aantal parkeerplaatsen is echter een overschatting voor de feitelijke parkeerbehoefte van initiatiefnemer.

pag. 39 van 66 Vastgesteld 2024

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.

Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Brabantse Delta onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: -

Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater;

-

Voorkomen van vervuiling van water;

-

Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer

-

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

Provincie Noord-Brabant

pag. 40 van 66 Vastgesteld 2024

Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. In paragraaf 4.3.2 is reeds ingegaan op de werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP zal op 22 december 2021 in werking treden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie NoordBrabant.

Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaat robuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels is duidelijk dat het doel om moet. Er moet zuinig om worden gegaan met de bodem en het water. Het doel van de RWP heeft betrekking op de volgende aspecten: - Voldoende water; - Schoon water; - Veilig water; - Vitale bodem; - Klimaatadaptatie. Gemeente Halderberge Het gemeentelijk water- en rioleringsbeleid is 19 augustus 2019 vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2023 (GRP). Het GRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het GRP legt de gemeente vast wat men wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Met het GRP draagt Halderberge bij aan de volgende omgevingsgerichte lange termijn doelstellingen: • bescherming van de volksgezondheid; • droge voeten (bebouwd gebied); • schoon water en een schone bodem.

De gemeente wil ontwikkelingen benutten om het grondwater aan te vullen en ervoor zorgdragen dat het stedelijk watersysteem niet zwaarder wordt belast. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de grootte van het oppervlak en/of de toename ervan en wordt een bergingseis gehanteerd. Voor iedere ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding, ongeacht de omvang van deze ontwikkeling, geldt een bergingseis van 7 mm per m2 voor de eerste 1.000 m2 . Voor verharding boven de 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm per m2, conform de keur. Voor ontwikkelingen op bestaande verharde locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm per m2 voor het totale oppervlak.

pag. 41 van 66 Vastgesteld 2024

In de geest van de gehanteerde voorkeursvolgorde past de gemeente als principe toe dat zoveel als mogelijk retentie (dicht)bij de bron moet worden gerealiseerd. In de praktijk komt dit neer op in eerste instantie realisatie van retentie op eigen terrein en in tweede instantie realisatie van retentie binnen de plangrenzen van het te realiseren project waarvoor de retentie wordt gerealiseerd. Halderberge heeft de wens om voldoende open water binnen de gemeentegrenzen te hebben. Doordat de eis tot retentie te combineren met de voorkeursvolgorde is het gevolg dat er van nature oppervlaktewater wordt gerealiseerd bij nieuwe ontwikkelingen.

5.5.2 Watertoets Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Emissie van vervuilingen vanaf het erf is een belangrijke route waarlangs vervuilende middelen (zoals olie, vet, gewasbeschermingsmiddelen) in het milieu kunnen komen. Voor behoud van een effectief middelenpakket én om normoverschrijdingen in het oppervlaktewater te verminderen is het belangrijk om erfemissie aan te pakken. Met de o.a. de Toolbox Emissiebeperking willen Nefyto, de Unie van Waterschappen, LTO Nederland, Agrodis en Cumela gezamenlijk de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater verminderen. Afvalwater Ter plaatse van het plangebied is verschillende bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor buitenopslag voorzien. Op de locatie is sprake van het ontstaan van 3 soorten afvalwaterstomen namelijk: -

Niet-verontreinigd hemelwater;

-

Afvalwater afkomstig van de wasplaat;

-

Huishoudelijk afvalwater.

Het niet-verontreinigde hemelwater wordt separaat afgevoerd naar een infiltratievoorziening. Dit nietverontreinigde hemelwater is afkomstig van daken en schone erfverharding. Het afvalwater, welke ontstaat bij het reinigen van voertuigen (waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt), is aangesloten op een olie- en vetafscheider. Deze olie- en vetafscheider voldoet aan de eisen zoals gesteld in de NEN 858-1 en NEN 858-2 norm en zijn voorzien van een CE-certificaat. Via de olie- en vetafscheider wordt het water afgevoerd naar een opslagvoorziening onder een van de nieuwe loodsen. Het water wordt dus niet geloosd op een lokale sloot via een IBA. Het afvalwater uit de opslagvoorziening wordt per as afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. Het afvalwater afkomstig van Dit geldt ook voor het huishoudelijke afvalwater van de bestaande woning. Voorgenomen activiteit Sinds de inwerkingtreding van de beleidsregels behorende bij de Keur Waterschap Brabantse Delta d.d. 01-01-2015 is sprake geweest van 4.000 m2 aan versnelde afvoer. In de beoogde situatie wordt 9.000 m2 aan verharding gerealiseerd. In de beoogde situatie moet derhalve 5.000 m2 infiltreren in de grond.

pag. 42 van 66 Vastgesteld 2024

Afbeelding 20: bestaand oppervlak verharding Compensatie Middels de Keur van Waterschap Brabantse Delta, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De handreiking watertoets van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat bij bestemmingsplanwijzigingen mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak. Verder zijn deze mitigerende maatregelen van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 tot en met 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatie specifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden.

Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor ½ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor ¼ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) geeft aan dat met ¼ van de berekende capaciteit kan worden volstaan. De rekenregel luidt dus als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) De toename verhard oppervlak t.o.v. de referentiesituatie betreft 5.000 m2 aan nieuwe verharding en bebouwing. Hiervan word 5.000 m2 versneld afgevoerd (1.800 m2 van daken en 3.200 m2 vanaf het erf). Een compensatie is noodzakelijk voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m 2 tot en met 10.000 m2. Het toename aan verhard oppervlak betreft derhalve 5.000 m2.

pag. 43 van 66 Vastgesteld 2024

De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart welke bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Brabantse Delta, verdeeld in drie categorieën. Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is sprake van een gevoeligheidsfactor 1.

Afbeelding 21: Uitsnede kaart ‘Gevoeligheidsfactor’ Keur Waterschap Brabantse Delta De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3 /ha) welke de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 5.000 m2 x 1 x 0,06 = 300 m3. Bepaling minimale oppervlakte watercompensatie Op basis van de actuele grondwatertrap blijkt dat ter plaatse van de beoogde watercompensatie het waterbergend vermogen 0,60 meter bedraagt, uitgaande van de gemiddeld hoogste grondwatertrap (GHG).

Afbeelding 22: Uitsnede kaart BRO Grondwaterspiegeldiepte 2021 Beoogde retentievoorziening Omdat het waterbergend vermogen ter plaatse van de beoogde waterberging c.q. retentievijver 0,6 m1 per 1 m2 bedraagt, moet minimaal 540 m2 aan volledig waterbergend vermogen gerealiseerd worden. Initiatiefnemer is voornemens om een retentievijver met een omvang van 540 m2 te realiseren. Hierdoor wordt ruimschoots voldoende watercompensatie gerealiseerd.

pag. 44 van 66 Vastgesteld 2024

5.6

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de planlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Geluid Bodem Geur Luchtkwaliteit Externe veiligheid 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied wordt bepaald door de milieubelastende activiteiten in de directe omgeving. Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of veehouderijen) en gevoelige functies (zoals woningen of verblijfsrecreatieve eenheden) wordt hinder voorkomen. De VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, editie 2009 bevat een richtafstandenlijst, waarmee milieuzonering kan worden toegepast. Deze richtafstandenlijst bevat richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

Deze richtafstanden geven een indicatieve afstand, waarmee hinder ter plaatse van gevoelige functies wordt voorkomen bij een gemiddeld nieuw bedrijf binnen het betreffende type bedrijvigheid. De richtafstanden bieden bovendien in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. Deze toepassing geeft derhalve een zeer goede indicatie inzake het woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige functies en de eventuele gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijvigheid. Als de richtafstanden niet worden behaald is nader onderzoek vereist om de aanvaardbaarheid van een ontwikkeling aan te tonen. De richtafstandenlijsten vermelden de richtafstanden die bij voorkeur worden aangehouden tussen bedrijven en de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden, daar deze gebieden gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kennen. Navolgend zijn de definities van beide omgevingstypen uit de VNG-handreiking opgenomen. Tabel 1: Omgevingstypen (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.

pag. 45 van 66 Vastgesteld 2024

Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Tabel 2: Richtafstanden en omgevingstype (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Milieucategorie Richtafstand tot Richtafstand tot omgevingstype rustige omgevingstype woonwijk en rustig gemengd gebied buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Bij het aspect bedrijven en milieuzonering dient ten eerste beoordeeld te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van milieugevoelige functies, bezien vanuit de milieugevolgen door milieubelastende functies (bedrijvigheid). Ten tweede dient beoordeeld te worden of, indien een milieugevoelige functie wordt gerealiseerd (zoals woningen), of omliggende bedrijven hierdoor niet worden beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Om het voorgaande te kunnen beoordelen is ten eerste relevant in welk omgevingstype de locatie is gelegen. De planlocatie en daarmee omliggende functies zijn gelegen op korte afstand (circa 20 meter) gelegen van de Hoofdweg A58 (snelheidsregime max. 120 km/uur). Door de aanwezigheid van een hoofdinfrastructuur op zeer korte afstand kan geconcludeerd worden dat het legitiem is om dit gebied als ‘gemengd gebied’ aan te merken. Hieronder zijn de meest relevante bedrijfs- en woonlocaties weergegeven.

Op basis van hiervan is getoetst aan de afstanden uit de VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering. Tabel 3: Richtafstanden en omgevingstype (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Bedrijfslocatie Functie VNGRichtafstand Aanwezige Voldoet categorie afstand ja/nee Roosendaalseweg Agrarisch (vollegronds) 2 30 m 120 m Ja 44/ 44 a Hoeven teeltbedrijven en overige agrarische bedrijven Oude Agrarisch (vollegronds) 3.1 30 m 220 m Ja Bredasepostbaan teeltbedrijven en overige 17 Hoeven

pag. 46 van 66 Vastgesteld 2024

Bremstraat 155 Rucphen Bremstraat 153 Rucphen Roosendaalseweg 39 Rucphen

agrarische bedrijven + dagrecreatie + horeca Paardenhouderij

3.1

50 m

80 m

Ja

Wonen

-

-

90 m

Ja

Cultuur en ontspanning

2

30 m

126 m

Ja

Impact op bedrijfsmatige ontwikkelingsmogelijkheden Het voornemen heeft betrekking op de vestiging van het onderhavige agrarisch technisch hulpbedrijf c.q. agrarisch verwant bedrijf. In de huidige situatie is hier een agrarisch bedrijf gevestigd. Hiervoor beschikt de locatie, in het geldende bestemmingsplan, over een bestemmingsvlak ‘Agrarisch’. In de beoogde situatie worden geen nieuwe gevoelige situaties mogelijk gemaakt. De bestaande bedrijfswoning blijft ongewijzigd behouden. De ontwikkeling heeft dus geen gevolgen voor de bedrijfsmatige ontwikkelingsmogelijkheden van derden. Een bedrijfswoning is een woning die een functionele binding heeft met het bedrijf waar de woning bij hoort. Een woning die als bedrijfswoning is toegelaten, mag niet door derden bewoond worden. Want dan is het een reguliere (normale) woning. De afstand van omliggende bedrijven is groot. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft de Oude Bredasepostbaan 17 te Halderberge. Dit betreft een veehouderij met dagrecreatie van horeca. De afstand van dit bedrijf met milieucategorie 3.1 en een richtafstand van 50 meter bedraagt 290 meter, hierdoor kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van omliggende bedrijven.

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat op omliggende milieugevoelige functies Ten aanzien van milieuzonering is het relevant of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige functies (zoals woningen), ten gevolge van de voorgenomen bedrijfsvestiging. Tabel 4: Bedrijvigheid in plangebied met toe te passen richtafstanden (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Omschrijving Richtafstanden in meters (in gemengd gebied) Categorie

Grootste afstand

Gevaar

Geluid

Stof

Geur

Dienstverlening akker-/tuinbouw (b.o. > 500 m2) Dienstverlening aan bosbouw Verhuur van machines / werktuigen

10 10 10

0 0 0

30 30 30

10 10 10

30 30 30

3.1 3.1 3.1

Grondverzet

10

0

30

10

30

3.1

Uit Tabel 4 volgt voor de aspecten geur een richtafstand van 10 meter en voor stof geen richtafstand. De richtafstand voor het aspect gevaar kan in beginsel niet met één afstandsstap worden verlaagd, waardoor theoretisch een richtafstand van 30 meter (in plaats van 10 meter) geldt. Ten behoeve van de werkzaamheden worden geen gevaarlijke stoffen opgeslagen en is ook geen sprake van andersoortige gevaarlijke installaties. Bij bijvoorbeeld het (gering) opslaan van gasflessen wordt de

pag. 47 van 66 Vastgesteld 2024

van toepassing zijnde regelgeving (o.a. Activiteitenbesluit milieubeheer) in acht genomen. Er is dus geen sprake van externe veiligheidsrisico’s buiten de inrichting. Voor het aspect geluid geldt een afstand van minimaal 30 meter. De dichtstbijzijnde woning is namelijk gelegen op een afstand van 85 meter (Bremstraat 155 St. Willebrord). Op basis van het vorenstaande kan derhalve geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de richtafstanden op basis van de VNG. Conclusie Op grond van het aspect ‘milieuzonering’ zijn er overeenkomstig een goede ruimtelijke ordening geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.6.2 Geluid Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen de geluidsgrenswaarden in acht te worden genomen, bij de vaststelling van plannen binnen de zones rondom wegen en indien het plan mogelijkheden biedt voor: De realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen; De aanleg van een nieuwe weg en/of reconstructie van een bestaande weg; Functiewijziging van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie. Als geluidsgevoelige gebouwen worden aangemerkt woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. Geluidsgevoelige terreinen zijn woonwagenstandplaatsen of ligplaatsen voor woonschepen.

De onderzoekszone voor wegen is hierbij afhankelijk van de ligging en de hoeveelheid rijbanen. De onderzoekszones zijn inzichtelijk gemaakt in navolgende tabel. De Wgh regelt bovendien dat binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende normen niet in acht hoeven te worden genomen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Aantal meters aan weerszijden van de weg Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied 350 meter 600 meter 350 meter 400 meter 200 meter 250 meter

Onderhavige planontwikkeling heeft betrekking op de vestiging van een agrarisch loonwerk en cultuurtechnisch grondverzetbedrijf ter plaatse. De bestaande bedrijfswoning blijft hierbij ongewijzigd behouden. Wel wordt de bestaande bedrijfsbebouwing uitgebreid met twee nieuw te bouwen loodsen. Dit betreft echter niet de toevoeging van een nieuwe geluidsgevoelige functie. Tevens heeft de ontwikkeling geen wijziging van een weg tot gevolg. Het aspect wegverkeerslawaai is dus niet relevant voor het voornemen. Zoals voorgaand toegelicht wordt de bestaande bedrijfswoning ongewijzigd behouden. Geconcludeerd kan worden dat het behoud van de bestaande bedrijfswoning ruimtelijk aanvaardbaar is, bezien vanuit het aspect wegverkeerslawaai. De voorgevel van de woning is gelegen op circa 20 meter afstand tot de as van de weg A58. Het betreft een moderne woning in een goede bouwkundige staat. Door de afstand van de woning tot de weg, en de bouwkundige opbouw van de bestaande woning (gevels / beglazing) kan in de woning worden voldaan aan het voorgeschreven binnenniveau uit het Bouwbesluit. Er is hierdoor sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van wegverkeerslawaai. In het voorliggende plan worden geen nieuwe geluidgevoelige functies zoals benoemd in de Wet geluidhinder mogelijk gemaakt. Tevens heeft de ontwikkeling geen wijziging van een weg tot gevolg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/583/documents/17041