Toelichting.pdf
Tekst van het document
Conclusie Gelet op de wettelijke systematiek is een toetsing aan de Wet geluidhinder ten aanzien van wegverkeerslawaai derhalve niet van toepassing. Dit aspect is niet relevant voor het planvoornemen. Ondanks dat een formele toetsing aan wegverkeerslawaai niet aan de orde is, kan desondanks gesteld
pag. 48 van 66 Vastgesteld 2024
worden dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbare situatie bezien vanuit het aspect wegverkeerslawaai. 5.6.3 Bodem Bij Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Bodemonderzoek Door Wematech Bodem Adviseurs B.V.
is in december 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel aan de Roosendaalseweg 38 te Hoeven, zie Bijlage 7. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Op basis van het onderzoek is gebleken dat de bovengrond en ondergrond niet verontreinigd is. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering om tot bestemmingswijziging over te gaan. De verkregen resultaten vormen tevens geen belemmering voor de realisatie van de gewenste ontwikkelingen ter plaatse. Bodembescherming Voor de voorgenomen activiteiten die (potentieel) bodembedreigend zijn is een bodemrisicoanalyse volgens de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten 2012 (NRB 2012) uitgevoerd. In Bijlage 8 is een bodemrisicoanalyse uitgevoerd voor de planlocatie. In de bodemrisicoanalyse zijn bodembeschermende maatregelen beschreven en worden deze maatregelen getoetst aan de NRB bodemrisicochecklist. Hieruit blijkt dat een verwaarloosbaar bodemrisico zoals bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming wordt bereikt.
Conclusie Op basis van uitgevoerde onderzoeken is geconcludeerd dat er in de huidige situatie en met betrekking tot de toekomstige activiteiten geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn. 5.6.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: - Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? - Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
pag. 49 van 66 Vastgesteld 2024
Het wettelijk kader (Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en Activiteitenbesluit milieubeheer) schrijft voor op welke wijze het bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij uitbreidt of wijzigt. Indirect heeft deze geurwetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk, een geurnorm is bedoeld om personen te beschermen tegen geurhinder, dus omgekeerd moet het bevoegd gezag ook geen nieuwe situaties toestaan waarbij personen zichzelf blootstellen aan overmatige geurhinder. Voor de toetsing van het aspect veehouderijen en geur kan overigens ook gebruik worden gemaakt van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, zoals toegelicht in voorgaande paragraaf. De veehouderijendichtheid rondom het plangebied is relatief laag. Op Afbeelding 23 is de ligging van het plangebied weergegeven, met de aanwezige veehouderijen. De VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ hanteert voor veehouderijbedrijven in beginsel een maximale richtafstand van 200 meter voor het aspect geur (100 meter in gemengd gebied, als hier van toepassing). Binnen 200 m rondom het plangebied is enkel de paardenhouderij aan Bremstraat 155 vergund.
De pluimveehouderij op de Oude Bredasepostbaan 17 te Hoeven (Walnoothoeve) is gelegen op circa 230 meter. In onderhavige situatie is er sprake van bestaande geurgevoelige objecten, waaronder de bestaande bedrijfswoning. Deze objecten blijven ongewijzigd behouden. De nieuwbouw van de bedrijfsloods vindt, bezien vanuit de veehouderij, achter de bestaande woning plaats. De ontwikkeling heeft derhalve geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het aanwezige bedrijf.
Afbeelding 23: Kaart ligging veehouderijbedrijven, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven. Woon- en leefklimaat Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting verstaan als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting is daarmee een goede graadmeter voor hinder ten gevolge van veehouderijbedrijven. De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) heeft kaarten opgesteld met betrekking tot de fysieke leefomgeving, op basis van de bij hen beschikbare data. Hierbij wordt opgemerkt dat de leefkwaliteit op de kaart beter is dan wordt aangeven. Een van deze kaarten heeft betrekking op de achtergrondbelasting van geur ten gevolge van de aanwezige veehouderijbedrijven. Echter gezien de grote afstanden tot veehouderijbedrijven kan deze kaart als uitgangspunt gehanteerd worden. Een uitsnede van deze kaart is bijgevoegd in Afbeelding 24. Hieruit volgt dat de kwaliteit van de leefomgeving, bezien vanuit het aspect geur van veehouderijen ‘zeer goed’ is (0 - 3 OUE/m3 ). Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de provinciale en gemeentelijke streefwaarde van een achtergrondbelasting van maximaal 20 OUE/m 3. Voor dit aspect is derhalve sprake van een aantoonbaar aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
pag. 50 van 66 Vastgesteld 2024
Afbeelding 24: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur veehouderijen in OUE/m3 ODZOB, peildatum maart 2022. Planlocatie globaal rood omkaderd weergegeven 5.6.5 Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijnstof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden.
Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Projecten die "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Het plangebied voorziet niet in de realisatie van gevoelige bestemmingen. Op grond van de Wet luchtkwaliteit is er daarom geen onderzoeksplicht. Aan te houden voertuigbewegingen
pag. 51 van 66 Vastgesteld 2024
Uitgaande van de worst-case-scenario waarin alle voertuigen (30 lichte motorvoertuigen en 32 zware voertuigen per dag worden meegenomen, blijkt dat de totale emissie fijnstof (PM10) van de verkeersbewegingen Niet In Betekende Mate bijdraagt, zie onderstaande uitsnede.
Afbeelding 25: NIBM-tool Gezien de aard van het bedrijfsactiviteiten, waarbij in relatie tot het plan, geen relevante significante wijzigingen optreden qua activiteiten, is in relatie tot de luchtkwaliteit geen onevenredige nadelige beperking te verwachten. Het aantal motorvoertuigbewegingen blijft ver onder de grenzen van het Besluit NIBM. Naast de toetsing van het aspect luchtkwaliteit in het kader van de Wet luchtkwaliteit moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden getoetst of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is voor de beoogde functie. Achtergrondbelasting Op onderhavige locatie worden bedrijfsmatig geen dieren gehouden, ook wordt voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit. Op korte afstand van het plangebied liggen nagenoeg geen bedrijven die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden ter plaatse van het plangebied. Daarnaast zijn de achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO 2) binnen de gemeente Halderberge dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van de GCN-kaarten van RIVM. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied bedraagt 15,42 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 16,56 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3.
Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.
pag. 52 van 66 Vastgesteld 2024
Afbeelding 26: Uitsnede GCN-kaart Fijnstof (PM10) bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/
Afbeelding 27: Uitsnede GCN-kaart NO2 bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/ Conclusie De blootstelling aan luchtverontreiniging is beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplanwijziging. 5.6.6 Gezondheid Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de locatie geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. Geitenhouderijen
pag. 53 van 66 Vastgesteld 2024
Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Beoordeling Conform KRD Noord-Brabant zijn in gemeente Halderberge en de gemeente Sprundel in totaal drie geitenhouderijen aanwezig, welke hieronder zijn weergeven met de afstand tot de planlocatie: - Opperstraat 13, 4751 TE Oud Gastel (5,8 km) - Noordhoeksestraat 8A, 4751 TM Oud Gastel (4,5 km) - Hogestraat 8, 4714 RL Sprundel (4,7 Binnen 2 kilometer zijn in de naastgelegen gemeente Etten-Leur geen veehouderijen aanwezig. Met de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van het toevoegen van een nieuwe gevoelige functie.
Tevens wordt voldaan aan de minimale afstand van 2 kilometer tot omliggende geitenhouderijen. Conclusie Het onderdeel ‘gezondheid’ in relatie tot geitenhouderijen vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen. Spuitzone’s In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Er dient getoetst te worden of hierdoor wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de locatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag.
Onderzoek Het plangebied is direct aansluitend aan landbouwgronden gelegen. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Rondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van het plangebied komen echter geen boomgaarden voor. De agrarische gronden aan de oostzijde van het plangebied zijn in gebruik als akkerland. Er zijn geen plannen bekend om deze gronden om te zetten naar (fruit)boomteelt. In onderhavige situatie is daarnaast sprake van een bestaande bedrijfswoning, waarbij de situatie voor de woning niet wijzigt. De woning komt niet dichter bij de agrarische landbouwgronden te liggen. Door de beoogde nieuwe landschappelijke inpassing is zelfs minder kans op schadelijke drift van bestrijdingsmiddelen – mocht deze al ontstaan. Gesteld kan worden dat de locatie in relatie tot omliggende landbouwgronden geen negatief effect van spuitzones kent. Conclusie Het aspect spuithinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
pag. 54 van 66 Vastgesteld 2024
5.6.7
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
-
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
-
het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als ‘de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit’. In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10−6 /jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
pag. 55 van 66 Vastgesteld 2024
Afbeelding 28: Groepsrisicoverantwoording ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’. Inventarisatie Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing op de inrichting. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Bevi Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicofactoren aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd, zie hiertoe Afbeelding 30. Uit deze kaart volgt dat er in het plangebied of in de directe omgeving geen direct relevante risicofactoren aanwezig zijn. Specifiek wordt hierbij opgemerkt dat het plangebied ligt buiten de PR 10⁶ contour van Luchthaven Seppe/Breda International Airport. Bevb Ten noorden van het plangebied is een aardgasleiding van de Gasunie aanwezig. Voor de leiding van maximaal 7 inch en een ontwerpdruk van 40 bar stelt artikel 5.a van het Revb (in afwijking van het Bevb) dat het PR van deze leiding op een afstand van 4 meter gemeten uit het hart van de leiding niet hoger mag zijn dan 10-6 per jaar. Ten behoeve van de aanleg van de hoofdtransportleiding is daarom een risicostudie uitgevoerd voor het tracé (Gasunie, Kwantitatieve Risicoanalyse Z-520-37, 8 mei 2012). Diepteligging en wanddikte Voor de leiding geldt een standaard minimale gronddekking van 1,0 m en een wanddikte van 6,3 mm.
Lokaal kan de situatie een grotere gronddekking vereisen, bijvoorbeeld in verband met al aanwezige drainage. Berekening en analyse Uit de berekening blijkt dat de leiding geen 10-6 en 10-7 per jaar PR contouren heeft. Hierdoor zou volgens het Bevb, rekening houdend met de van bouwwerken vrij te houden belemmeringenstrook, tot op 4 meter van de leiding gebouwd mogen worden. Het plangebied is ruimschoots buiten (circa 480 m) deze veiligheidszone gelegen. Bevt De planlocatie ligt wel binnen het invloedsgebied van de A58. De transportgegevens van de A58 kunnen worden ontleend aan de Regeling basisnet. In de Regeling is vastgesteld dat er voor dit wegvak (wegvak B114 tussen Roosendaal en industriegebied Vosdonk) geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar. Volgens te zien is op onderstaande afbeelding ligt het plangebied in het explosieaandachtsgebied en deels het plasbrandaandachtsgebied van de A58 (transportroute). Enkel de ontsluiting van het terrein is gelegen binnen het plasbrandaandachtsgebied. De gebouwen en de bedrijfswoning zijn gelegen in het
pag. 56 van 66 Vastgesteld 2024
explosieaandachtsgebied. De personen op de locatie verblijven derhalve enkel in het gebied wat is aangeduid als explosieaandachtsgebied (blauwe zone). Binnen de blauwe zone mag de standaard verantwoording worden toegepast als er een beperkte verantwoording geldt op basis van het Bevt én sprake is van zelfredzame personen.
Afbeelding 29: Weergave plasbrandaandachtsgebied en een explosiegebied, rode omkadering betreft beoogde bedrijfsbestemming Onderhavige ontwikkeling kan gezien worden als een ontwikkeling waarbij sprake is van een wijziging. Het betreft de herbestemming van een bedrijfslocatie, waarbij nieuwe opslagloodsen gerealiseerd worden binnen de blauwe zone, oftewel het explosieaandachtsgebied. De bedrijfswoning, wordt behouden en is eveneens gelegen buiten het plasbrandaandachtsgebied. De objecten op de locatie kunnen gezien worden als beperkt kwetsbare objecten. Op de locatie is namelijk een bedrijfswoning met bedrijfsgebouwen aanwezig, waarbij doorgaan geen grote aantallen personen gedurende dag aanwezig zijn. De reden dat er gedurende dag geen grote aantallen personen aanwezig zijn is omdat initiatiefnemer dienstverlenend is er hoofdzakelijk werkzaamheden bij derden uitvoert. Daarnaast kan met onderhavig bestemmingsplan gesproken worden over een klein bestemmingsplan zonder realisatie van een bijzonder of zeer kwetsbaar object. In de beoogde situatie wordt namelijk een opslagloods voor machines gerealiseerd. In de beoogde situatie zijn enkel personen werkzaam die zelfredzaam zijn, omdat enkel personeelsleden op de locatie aanwezig zijn. Deze personen zijn in goede fysieke gezondheid en zijn geheel zelfstandig.
Verder geeft het plan voldoende mogelijkheden om in noordelijke richting te vluchten in noordelijke richting. Tot slot worden nieuwe gebouwen gerealiseerd. Deze bebouwing voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. Deze bebouwing geeft voldoende ruimte om te schuilen. In dit geval kan volstaan worden met de standaard verantwoording Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 van de gemeente Halderberge, zoals weergegeven in Bijlage 9.
pag. 57 van 66 Vastgesteld 2024
Afbeelding 30: Uitsnede risicokaart, rode omkadering betreft de planlocatie Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.6.8 Breda International Airport Ten westen van het plangebied is Breda International Airport (luchthaven Seppe) gelegen. Hiervoor geldt het volgende voor het plangebied van dit bestemmingsplan. Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe Noord-Brabant Op 17 mei 2013 hebben Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant de ‘Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe Noord-Brabant’ (verder: het luchthavenbesluit) vastgesteld. Dit luchthavenbesluit geldt voor luchthaven Seppe (Breda International Airport) en is in werking getreden op 4 september 2013. Op 11 april 2014 is een eerste wijziging op het luchthavenbesluit vastgesteld, die in werking is getreden op 23 augustus 2014. Op 4 februari 2022 hebben Provinciale Staten de 'Tweede wijzigingsverordening Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe Noord-Brabant' vastgesteld. Dit wijzigt op een aantal punten de Verordening Luchthavenbesluit Seppe Noord-Brabant. Zo wordt onder andere de naam van het vliegveld vervangen door Breda International Airport en is een klachtenregistratiesysteem verankerd in de verordening. De wijzigingen hebben geen ruimtelijke consequenties die in het bestemmingsplan verankerd moeten worden. In het luchthavenbesluit zijn in artikel 8 het luchthavengebied en in artikel 9 het beperkingengebied van luchthaven Seppe vastgesteld.
In de artikelen 10, 11 en 12 van het luchthavenbesluit zijn de gebieden vastgesteld waarbinnen regels gelden ten aanzien van geluid, externe veiligheid en vliegveiligheid (zonering). Binnen deze aangewezen gebieden rondom het luchthavengebied van luchthaven Seppe zijn de regels zoals opgenomen in het Besluit burgerluchthavens, voor zover deze betrekking hebben op de bestemming en het gebruik van gronden, van toepassing. Op Luchthaven Seppe is geen sprake van een vaste luchtverkeersleiding, waardoor de artikelen 15 en 16 van het Besluit burgerluchthavens niet van toepassing zijn. In het luchthavenbesluit zijn, op basis van het Besluit burgerluchthavens, diverse grenswaarden opgenomen. Grenswaarden definiëren de milieuruimte waarbinnen een luchthaven moet opereren. Deze
pag. 58 van 66 Vastgesteld 2024
gelden volgens de Wet luchtvaart voor de exploitant, de gebruikers en, indien aanwezig, de luchtverkeersdienstverleners. Het Besluit burgerluchthavens werkt deze grenswaarden verder uit. Op basis van de grenswaarden kan een ruimtelijke indeling van de luchthaven en het gebied er om heen worden opgesteld. In dit bestemmingsplan zijn de zoneringen, die zijn gebaseerd op deze grenswaarden, planologisch verankerd. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: - de in het bestemmingsplan opgenomen zonering is een juridische vertaling van de zonering zoals opgenomen in de Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe; - de zonering zoals opgenomen in het luchthavenbesluit is (inhoudelijk) een één-op-één omzetting van de bepalingen als opgenomen in het Besluit burgerluchthavens. Er vindt dus geen verruiming van de milieugebruiksruimte van de luchthaven plaats; Geluid Voor wat betreft geluid gelden drie contouren: de 48, 56 en 70 dB(A) Lden-contouren vanwege luchtverkeer. Binnen deze contouren gelden beperkingen voor het oprichten van nieuwe geluidgevoelige objecten: - De 70 dB(A) Lden-contour ligt niet in het plangebied en is daarom niet relevant voor dit bestemmingsplan. - De 56 dB(A) Lden-contour ligt niet in het plangebied en is daarom niet relevant voor dit bestemmingsplan. - De 48 dB(A) Lden-contour ligt over het plangebied.
Op grond van het Besluit burgerluchthavens gelden binnen de 48 dB(A)Lden-contour geen beperkingen voor het oprichten van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen. Op grond van artikel 19 van het Besluit burgerluchthavens moet het bevoegd gezag (in dit geval de provincie NoordBrabant) bij de vaststelling van het luchthavenbesluit een afweging maken over de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied gelegen tussen de geluidcontouren van 48 dB(A) Lden en 56 dB(A) Lden. In het luchthavenbesluit is hierover echter geen specifieke afweging opgenomen. Dit bestemmingsplan maakt binnen de 48 dB(A)-contour geen nieuwe ontwikkelingen van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen mogelijk. Herbouw van (bedrijfs)woningen is toegestaan, maar een toename van het aantal woningen - en daarmee een toename van het aantal geluidgehinderden - is op grond van de planregels niet mogelijk. Het bestemmingsplan voorziet daarmee al in een passende regeling voor de gronden binnen de 48 dB(A) Lden-contour, zodat een aanvullende regeling niet nodig is. De 48 dB(A) Ldencontour is ter signalering wel opgenomen op de verbeelding met de aanduiding 'geluidzone luchtvaart 48 dB(A)'. Aan de aanduiding is geen bouw- of gebruiksregeling gekoppeld. In onderhavige situatie worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Ook wordt de bestaande woning niet verplaatst.
pag. 59 van 66 Vastgesteld 2024
Afbeelding 31: Uitsnede contouren geluid Obstakelbeheervlakken Ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak met zijkanten in verband met het beschermingsgebied van in- en uitvliegfunnel van vliegtuigen. Hierbinnen mag de bouwhoogte van een bouwwerk niet meer bedragen dan de bouwhoogte die wordt verkregen door lineaire interpolatie van de in de regels opgenomen maatvoering (9,14 m – 109.14 m boven NAP).
Afbeelding 32: hoogtematen gerelateerd aan de hoogte van de luchthaven
pag. 60 van 66 Vastgesteld 2024
5.7
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder deze grenzen uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 tevens een m.e.r.beoordelingsplicht. Op onderhavige locatie worden echter geen activiteiten uitgevoerd welke onder de Cof D-lijst vallen. Er kan dus worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een toekomstig m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER.
Ten aanzien van het tweede criteria inzake een mogelijke m.e.r.-plicht, geldt dat er in de beoogde situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden, hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 5.2.1 van deze toelichting. Conclusie Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden.
pag. 61 van 66 Vastgesteld 2024
6
Toelichting op de regels
6.1 Algemeen Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Buitengebied”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 8), de algemene regels (artikelen 8 tot en met 13) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 14 en 15). Bij de regels hoort een bijlage, te weten een milieuzoneringslijst. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden Dit artikel geeft aan op welke manier de aangewezen gronden bestemd zijn en op welke wijze die gebruikt mogen worden. Artikel 4: Bedrijf Dit artikel geeft aan op welke manier de aangewezen gronden bestemd zijn en op welke wijze die gebruikt mogen worden. Ter plaatse van de bedrijfslocatie is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch loonwerk en cultuurtechnisch (grondverzet)bedrijf’ van toepassing. Verder mogen er geen gebouwen opgericht worden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - onbebouwd'. Artikel 5: Groen Deze bestemming is opgenomen voor bescherming van gebieden waar sprake is van landschappelijke inpassing of kwaliteitsverbetering van het landschap. Artikel 6: Natuur Deze bestemming is van toepassing op de gronden waar bospercelen en natuurgebieden aanwezig zijn en gronden die een onderdeel vormen van grotere bossen natuurcomplexen.
Het betreft natuur en bos als onderdeel van het Natuur Netwerk Brabant, maar ook gebieden die daar buiten vallen. Door middel van deze bestemming wordt verzekerd dat de functies van bos en natuur gehandhaafd blijven en/of zich
pag. 62 van 66 Vastgesteld 2024
verder kunnen ontwikkelen. Ook het behoud van samenhangende landschappelijke waarden wordt door middel van deze bestemming gewaarborgd. Artikel 7: Leiding Deze bestemming betreft de binnen het plangebied aanwezige ondergrondse leidingen. Het betreft hier een rioolleiding Artikel 8: Waarde - Archeologie 2 Gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde zijn voorzien van deze dubbelbestemming. De mogelijk aanwezige archeologische waarden worden beschermd doordat archeologisch onderzoek vereist is voordat mag worden gebouwd of werken mogen worden uitgevoerd, tenzij is aangetoond dat de bodem al dusdanig is geroerd dat er geen waarden meer aanwezig kunnen zijn. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 9:
Anti-dubbeltelregel
Artikel 10:
Algemene bouwregels
Artikel 11:
Algemene gebruiksregels
Artikel 12:
Algemene afwijkingsregels
Artikel 13:
Overige regels
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 14: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 15: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Tevens zijn de volgende gebiedsaanduidingen van toepassing: - Gebiedsaanduiding ‘geluidzone – luchtvaartzone 4’; - Gebiedsaanduiding ‘geluidzone – luchtvaartzone 5’; luchtvaartzone In onderhavig bestemmingsplan zijn regels opgenomen ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak met zijkanten in verband met het beschermingsgebied van in- en uitvliegfunnel van vliegtuigen. Hierbinnen mag de bouwhoogte van een bouwwerk niet meer bedragen dan de bouwhoogte die wordt verkregen door lineaire interpolatie van de in de regels opgenomen maatvoering (9,14 m – 109.14 m boven NAP). Ter plaatse van luchtvaartzone 4 betreft dit een bouwhoogte van 39.14 m en 49.14 m boven NAP en ter plaats van luchtvaartzone 5 betreft dit een bouwhoogte van 49.14 m en 54.14 m boven NAP. Het bestemmingsplan maakt het niet mogelijk om bouwwerken te realiseren van meer dan 9 meter, waardoor deze hoogtes niet in het geding komen. - Gebiedsaanduiding ‘geluidzone – luchtvaartverkeer 3’; Voor wat betreft geluid gelden drie contouren: de 48, 56 en 70 dB(A) Lden-contouren vanwege luchtverkeer.
Binnen deze contouren gelden beperkingen voor het oprichten van nieuwe geluidgevoelige objecten.
pag. 63 van 66 Vastgesteld 2024
Met onderhavige ontwikkeling worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Het enige geluidsgevoelige object betreft de bedrijfswoning. Deze woning blijft behouden, wat is toegestaan binnen deze gebiedsaanduiding. - Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’; Boringsvrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden. Bij een boringsvrije zone wordt het water gewonnen uit een dieper pakket, dat wordt afgesloten door een kleilaag. Boringsvrije zones zijn daarom minder kwetsbaar dan grondwaterbeschermingsgebieden. De vaststelling van de zonegrens wordt bepaald door de horizontale reistijd van 25 jaar in het watervoerend pakket waaruit onttrokken wordt. De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant bevat instructieregels voor bestemmingsplannen van gemeenten. Een van die instructieregels is dat het bestemmingsplan voor een boringsvrije zone mede moet zorgen voor behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Hieraan geeft de gemeente invulling door middel van een aanlegvergunningenstelsel voor activiteiten in de bodem op een diepte van meer dan 10 meter. De vergunning voor boringen of andere grondwerkzaamheden kan worden verleend als boringen of grondwerkzaamheden dieper dan 10 meter beneden maaiveld gaan, maar de beschermende kleilaag niet doorboren.
Dit kan het bevoegd gezag nagaan door in de kaartbank van de provincie Noord-Brabant in de map 'Water in de Interim Omgevingsverordening’ de kaartlaag Boordiepte Boringsvrijezone (de laatste kaartlaag in de map Water Algemeen) te raadplegen. 1 Deze kaart gebruikt de provincie ook om te bepalen of boringen meldingsplichtig zijn op grond van de IOV. - Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’; Ten behoeve van de aangewezen gronden die mede zijn bestemd voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit ten behoeve van de openbare drinkvoorziening. - Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – reservering waterberging’. voor de reserveringsgebieden voor waterberging is de gebiedsaanduiding ‘overige zone reserveringsgebied waterberging’ opgenomen.
1 https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank
pag. 64 van 66 Vastgesteld 2024
7
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). Het verhalen van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Halderberge heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
pag. 65 van 66 Vastgesteld 2024
8
Hoofdstuk 9
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.1 Omgevingsdialoog Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden met omwonenden. In Bijlage 10 is de omgevingsdialoog bijgevoegd als bijlage. Op basis van de dialoog zijn geen opmerk 8.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn bij brief de in dat artikel genoemde instanties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het bestemmingsplan. Het eindverslag van dit vooroverleg is als bijlage opgenomen bij deze toelichting. 8.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in het plaatselijke gemeenteblad, in de Staatscourant en op de gemeentelijke website.
Iedereen kon zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan.
pag. 66 van 66 Vastgesteld 2024
9
Bijlagen
Bijlage 1: Plattegrondtekening Bijlage 2: Landschappelijke inpassing Bijlage 3: Archeologisch onderzoek Bijlage 4: Voorbeeld Toolboxen veiligheid Bijlage 5: Voortoets Stikstof Bijlage 6: Quickscan flora en fauna Bijlage 7: Bodemonderzoek Bijlage 8: Bodemrisicoanalyse Bijlage 9: Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 Bijlage 10: Omgevingsdialoog Bijlage 11: Beantwoording vooroverlegreacties Bijlage 12: Inrichtingsplan EVZ