CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting.pdf

Gemeenteraad 19 juni 2024, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 13: Vaststelling bestemmingsplan Roosendaalseweg 38 Hoeven22.711 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

pag. 1 van 66 Vastgesteld 2024

Bestemmingsplan Roosendaalseweg 38, Hoeven Vastgesteld Toelichting

pag. 2 van 66 Vastgesteld 2024

VOORWOORD Voor u ligt een ruimtelijke onderbouwing waarbij nader wordt ingegaan op de wijziging van het bestemmingsplan op basis van art. 3.1 van de Wro ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten van Loonbedrijf fa. R de Regt ter plaatse van de Roosendaalseweg 38, 4741 TV te Hoeven, met als doel om een loonwerkbedrijf welke gericht is op agrarisch loonwerk, cultuurtechnische activiteiten te vestigen. Economische groei en toekomstperspectieven voor dienstverlenende (machinale) bedrijven ten behoeve van de agrarische sector i.c. buitengebied georiënteerde werken worden in grote mate beïnvloed door de gebruiksmogelijkheden van de eigen inrichting/bedrijfslocatie. In de voorliggende ruimtelijke toelichting wordt ingegaan op de planologische, milieukundige en bedrijfsspecifieke aspecten in relatie tot het wijzigen van de bestemming voor het bedrijf. Het cumelabedrijf ‘Loonbedrijf fa. R de Regt’, is aangesloten bij Cumela Nederland. Cumela Nederland is dé belangenorganisatie voor een gespecialiseerde groep ondernemingen (cumelasector). Deze ondernemingen, specialisten in groen, grond en infratechniek, verrichten werkzaamheden met mens en materiaal voor derden. Cumela Nederland kent een ledenaantal van nagenoeg 2.000 professionele bedrijven werkzaam in genoemde sectoren. Cumela Advies maakt onderdeel uit van Cumela Nederland. Deze toelichting is in opdracht van de heer J.

de Regt opgesteld door Cumela Advies.

Gemeente Halderberge Datum : 13-05-2024 Status : vastgesteld IMRO : NL.IMRO.1655.BP6024-C001

pag. 3 van 66 Vastgesteld 2024

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1

Inleiding ................................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................... 5 1.2 Plangebied .................................................................................................................................... 6 1.3 Geldende bestemmingsplannen ................................................................................................... 6 2 Bestaande situatie ................................................................................................................................. 7 3 Beoogde situatie.................................................................................................................................... 8 4 Ruimtelijk beleidskader ....................................................................................................................... 12 4.1 Wettelijk kader ............................................................................................................................ 12 4.2 Rijksbeleid ..................................................................................................................................

12 4.3 Provinciaal beleid ....................................................................................................................... 15 4.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................... 26 5 Omgevingsaspecten............................................................................................................................ 28 5.1 Landschap .................................................................................................................................. 28 5.2 Natuur ......................................................................................................................................... 30 5.3 Archeologie en Cultuurhistorie ................................................................................................... 33 5.4 Mobiliteit en parkeren ................................................................................................................. 37 5.5 Water .......................................................................................................................................... 39 5.6 Milieuaspecten ............................................................................................................................

44 5.7 Milieueffectrapportage (M.e.r.) ................................................................................................... 60 6 Toelichting op de regels ...................................................................................................................... 61 6.1 Algemeen.................................................................................................................................... 61 6.2 Regels ......................................................................................................................................... 61 7 Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................................... 64 8 Hoofdstuk 9 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................. 65 8.1 Omgevingsdialoog ...................................................................................................................... 65 8.2 Vooroverleg ................................................................................................................................ 65 8.3 Zienswijzen .................................................................................................................................

65 9 Bijlagen ................................................................................................................................................ 66

REGELS VERBEELDING BIJLAGEN Zie separaat bijlagenboek

pag. 4 van 66 Vastgesteld 2024

TOELICHTING Bestemmingsplan Roosendaalseweg 38, Hoeven

pag. 5 van 66 Vastgesteld 2024

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft een loonwerkbedrijf welke gericht is op agrarisch loonwerk en cultuurtechnische activiteiten, waaronder cultuurtechnisch grondverzet. Naast agrarisch loonwerk c.q. verhuur van materieel en personeel, is aanleg, beheer en onderhoud van ‘landschap/buitenruimte’ in brede zin, middels de inzet van gemechaniseerde en moderne apparatuur en vakbekwaam personeel – buiten de eigen inrichting – de kerntaak van het bedrijf. Uitgaande van ‘hard werken’ en een no-nonsense mentaliteit en het belang van direct en persoonlijk contact is gewerkt aan een robuust fundament van het bedrijf. De specifieke kennis, de professionaliteit, de mate van kwalitatieve dienstverlening en service hebben ertoe geleid dat het bedrijf zich heeft ontwikkeld qua activiteiten, materieel en personeel. De medewerkers zijn – hoofdzakelijk in vaste dienst – afkomstig uit directe omgeving. De werkzaamheden worden uitgevoerd voor verschillende opdrachtgevers, waaronder agrariërs, gemeenten, waterschappen, natuur- en recreatieschappen, en dergelijke. Veel projecten worden op projectbasis c.q. totaalbeheer uitgevoerd en/of aangenomen. Initiatiefnemer is voornemens om een ontwikkelingsslag op het bedrijf te maken, waardoor het bedrijf geschikt is voor een nieuwe generatie bedrijfsopvolgers.

Initiatiefnemer is in het verleden uitgekocht en verplaatst naar de locatie aan de Vijfhuizenweg 40 te Etten-Leur. Door de uitbreidingen van het dorp Etten-Leur biedt ook de huidige locatie geen ruimte meer voor uitbreidingen. Initiatiefnemer is derhalve reeds twee jaar op zoek naar een geschikte tweede vestigingslocatie. De doelstellingen hierbij zijn o.a. het realiseren van een efficiënte bedrijfsvoering, waarbij onnodige vervoersbewegingen (en dus ook kosten) voorkomen worden en waarbij machines een langere levensduur hebben. Verder wil initiatiefnemer inspelen op een veranderende markt waarbij een circulaire economie een steeds belangrijkere rol gaat spelen in de samenleving. Door de ontwikkelingen van het bedrijf is een enerzijds voldoende geschikte inpandige stallingscapaciteit en anderzijds een efficiëntieslag t.b.v. een strategische werkvoorraad aan circulaire stoffen (grond en groen) noodzakelijk. Initiatiefnemer heeft de Roosendaalseweg 38, 4741 TV te Hoeven aangekocht om een tweede bedrijfslocatie te ontwikkelen. Initiatiefnemer is voornemens om oude bebouwing te amoveren en nieuwe bebouwing te realiseren, alsmede buitenopslag c.q. werkvoorraad ten dienste van het loonbedrijf mogelijk te maken.

Verder is initiatiefnemer voornemens om de locatie op een robuuste wijze landschappelijk in te passen, waardoor de kwaliteit van het landschap, alsmede het aanzicht van de locatie versterkt wordt. Tot slot is initiatiefnemer voornemens om een significante kwalitatieve investering te doen om de ecologische waarden in de omgeving te versterken. Ten noorden van het plangebied is namelijk een ecologische verbindingszone gelegen. Deze zone wordt op dit moment onderbroken. Initiatiefnemer is voornemens om deze verbinding te versterken ter compensatie van de gewenste uitbreiding. Het beoogde initiatief is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voor realisering van het initiatief is een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggende toelichting betreft een planologische verantwoording van het beoogde initiatief.

pag. 6 van 66 Vastgesteld 2024

1.2 Plangebied Het plangebied ligt in de gemeente Halderberge, ten noorden van de kern Sint Willebrord (500 meter) en ten zuiden van de kern Hoeven (1.100 meter). De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Hoeven, Sectie H, nummers 1072, 1426, 1429, 2569 en 2570. Het plangebied ligt aan de Roosendaalseweg, welke via de Heistraat aansluit op de A58.

Afbeelding 1: Uitsnede projectlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van de bedrijfslocatie betreft het bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge’, welke is vastgesteld op 14 december 2017 en onherroepelijk per 9 oktober 2019. Conform het bestemmingsplan zijn op onderhavige locatie de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing: - Enkelbestemming ‘Agrarisch – met waarden – Natuur- en Landschapswaarden’ - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ - Bouwvlak - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – permanente teeltondersteunende voorzieningen’ - Gebiedsaanduiding ‘geluidzone – luchtvaartzone 4’; - Gebiedsaanduiding ‘geluidzone – luchtvaartzone 5’; - Gebiedsaanduiding ‘geluidzone – luchtvaartverkeer 3’; - Gebiedsaanduiding ‘geluidzone – luchtvaartverkeer 5’; - Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’; - Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’; - Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – reservering waterberging’.

pag. 7 van 66 Vastgesteld 2024

Afbeelding 2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan, bouwvlak oosterzijde wordt verwijderd

2

Bestaande situatie

De bedrijfslocatie is gelegen in een gemengd agrarisch gebied (zand). Het betreft een jonge heide ontginningsgebied. Door schaalvergroting in de agrarische sector zijn de meeste kenmerkende eigenschappen verdwenen (behoudens op locaties waar reeds investeringen zijn gedaan om de gebiedseigen kenmerken terug te brengen). Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. De omliggende percelen worden gebruikt voor de intensieve teelt van zacht fruit. Ten zuiden van de locatie is de A58 gelegen, ten noorden op circa 500 meter is een spoorlijn gelegen en op circa 1000 meter ten westen is vliegveld Seppe gelegen. Op de locatie is één bedrijfswoning met bijbehorende garage aanwezig. Verder zijn op de locatie een voormalige varkensstal en twee loodsen aanwezig. Tot slot zijn op de locatie voorzieningen aanwezig voor het uitvoeren van een vollegrondsteeltbedrijf, zoals een waterbassin. Het overige plangebied is op dit moment in gebruik als agrarisch cultuurlandschap.

pag. 8 van 66 Vastgesteld 2024

Afbeelding 3: Weergave bestaande situatie

3 Beoogde situatie Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande locatie te herontwikkelen waarbij oude bebouwing verwijderd wordt en nieuwe bebouwing opgericht wordt. In Bijlage 1 is aangegeven welke bebouwing in de beoogde situatie gesloopt en bebouwd wordt.

Afbeelding 4: Weergave bestaande situatie (met te slopen bebouwing) en beoogde situatie Loonbedrijf fa. R de Regt is in overwegende mate gericht op het uitvoeren van werkzaamheden met of door machines en werktuigen ten behoeve van agrarische bedrijven, alsmede ten behoeve van de aanleg en onderhoud van groenvoorzieningen, de daarmee samenhangende grondwerken (bovenste grondlaag)

pag. 9 van 66 Vastgesteld 2024

en alle andere grondwerken ten behoeve van beplantingen en groenstroken. Er is derhalve sprake van een agrarisch c.q. cultuurtechnisch loonwerkbedrijf. Deze begripsbepaling sluit ook aan bij de cao Groen, Grond en Infrastructuur. Dit betreffen ondernemingen waarin de activiteiten overwegend bestaan uit het met, aan of door machines en/of werktuigen voor derden verrichten van: o landbouwambachtenwerkzaamheden; o cultuurtechnische werkzaamheden; o meststoffenwerkzaamheden. Ontwikkelingen initiatiefnemer Autonome ontwikkelingen in de aard van de werkzaamheden enerzijds maar ook de toegenomen mechanisatiegraad van machines en werktuigen nopen ertoe dat een adequaat bedrijfsterrein en afdoende bedrijfsbebouwing benodigd is en blijft. Het bedrijf heeft zich de afgelopen jaren, mede gezien de economische situatie, meer toegelegd op het breed georiënteerd en gespecialiseerd loonwerk. Door verdere specialisatie van de bedrijfsactiviteiten is voldoende ruimte noodzakelijk voor inpandige stallingsmogelijkheden voor machines en kleinschalig onderhoud van machines enerzijds en anderzijds is voldoende ruimte nodig voor een strategische werkvoorraad. Uitgangspunt van onderhavige ontwikkeling, is dat er sprake is van zowel een ruimtelijk als milieukundig aanvaardbare situatie. Initiatiefnemer zal de nodige maatregelen nemen om dit te borgen.

Hierbij wordt gedacht aan een landschappelijke inpassing en het gunstig positioneren van milieubelastende activiteiten. In onderstaande afbeelding is de gewenste situatie weergegeven. Hierbij is rekening gehouden met alle noodzakelijke activiteiten die uitgevoerd worden op de locatie van initiatiefnemer. In onderstaande tabel is het noodzakelijk ruimtegebruik weergegeven. Overzicht ruimtegebruik binnen bouwvlak: Soort ruimtegebruik Opp. Privé (woning + tuin) 1.100 m2 Bedrijfsbebouwing 1.800 m2 Parkeervoorzieningen 200 m2 Buitenopslag 3.150 m2 Containers 150 m2 Erfverharding (incl. inrit) 2.600 m2 Groenelementen 500 m2 Totaal bruto (incl. groen): 9.500 m2 Totaal netto: 9.000 m2 In onderstaande afbeelding is de gewenste situatie weergegeven.

pag. 10 van 66 Vastgesteld 2024

Afbeelding 5: Gewenste indeling bedrijfslocatie

Afbeelding 6: Legenda Bebouwing Initiatiefnemer beschikt verder over een omvangrijk machinepark. Het materieel is daarbij als ‘kwetsbaar’ materieel aan te merken, vanwege onder andere: - Materieel bevat hoge mate van technologie en elektronica (boardcomputers, gps, etc.); - Materieel bevat draaiende, onbeschermde (tegen weersinvloeden) onderdelen; bij stilstand c.q. indien materieel niet in gebruik is, leidt dit tot roestvorming, ‘vastlopende’ onderdelen en derhalve storingen en dergelijke met een toename aan onderhoud/reparaties tot gevolg; - Divers materieel is zeer ‘gewild’ bij het ‘dievengilde’ (extra bescherming - via bebouwing én daardoor ‘uit het zicht’ onttrekken - is noodzakelijk); - Diverse machines/ werktuigen zijn maar een deel van het jaar inzetbaar. In de tijd dat het materieel niet gebruikt wordt, is inpandige stalling vereist. Binnen de locatie aan de Roosendaalseweg 38, 4741 TV te Hoeven zijn geen geschikte voorzieningen aanwezig ten behoeve van onder andere het stallen/parkeren van het materieel en machines (in bebouwing), repareren, reinigen en onderhouden van het materieel in eigen beheer (werkplaats). Als gevolg van een verdere specialisering van het materieel is het aantal werktuigen dat gebruikt wordt, sterk uitgebreid. Deze machines zijn kostbaar in aanschaf, maar halen betere rendementen in de vaak korte, weersafhankelijke periodes.

Initiatiefnemer heeft derhalve relatief veel kostbaar seizoensgebonden materieel. Door de specialisatie enerzijds en anderzijds door beperkte groei van personeel van de afgelopen jaren heeft initiatiefnemer meer werktuigen, machines, hulpstukken en dergelijke dan dat er stallingsruimte beschikbaar is.

pag. 11 van 66 Vastgesteld 2024

Initiatiefnemer heeft op dit moment 1.800 m2 aan inpandige opslagruimte voor machines (locatie Vijfhuizenweg 40 te Etten-Leur). De ruimtebehoefte om machines inpandig te stallen betreft 3.250 m 2. Dit betekent dat er een tekort is van 1.450 m2 aan stallingsruimte voor machines. Initiatiefnemer heeft een tekort aan inpandige dan wel overdekte ruimte t.b.v. de stalling van machines en de opslag van materialen en gereedschappen. Deze ruimte wordt op dit moment gehuurd bij derden. Het is echter te bedrijfsonzeker om bij derden te huren. Initiatiefnemer wil derhalve 1.450 m2 aan bebouwing inrichten voor het stallen van machines. De overige 350 m2 wordt gebruikt voor kantoor c.q. kantine, opslag en werkplaats. Buitenopslag Het onderdeel ‘buitenopslag in ruime zin’, binnen de bedrijfslocatie, is essentieel als ‘verlengstuk’ van de dienstverlening van het cumelabedrijf i.c. het bedrijf van initiatiefnemer. De werkzaamheden dienen op de werklocatie (buiten de inrichting) normaliter vroegtijdig aan te vangen (bijvoorbeeld 7.00 uur op locatie). Bij genoemde activiteiten is het zeer doelgericht en efficiënt dat initiatiefnemer direct de benodigde stoffen (zoals: zand (diverse soorten), grond) kan meebrengen en ter plaatse, bij de klant, nuttig kan toepassen. Om dit vanuit bedrijfsmatig en strategisch oogpunt te realiseren is een doelmatige opslag binnen het bedrijf noodzakelijk.

De activiteiten t.b.v. buitenopslag dienen enkel ter uitvoering van het eigen cultuurtechnische bedrijf. De buitenopslag is weergegeven in Bijlage 1. Hieruit blijkt dat in totaal 3.200 m2 aan netto opslag (incl. containers) noodzakelijk is. Dit is noodzakelijk om voldoende stromen tijdelijk op te slaan. Initiatiefnemer is voornemens om de buitenopslag te voorzien van keerwanden. De buitenopslag en de keerwanden zullen op een zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast worden. Weegbrug Voor de uitvoering van het bedrijf is een weegbrug noodzakelijk. Dit leidt tot het verbeteren van de registratie van ingaande en uitgaande grondstromen en verdere vereenvoudiging van het registratieproces. Initiatiefnemer wenst daarom een weegbrug te realiseren. Door op eigen locatie een weegbrug te realiseren, is het voor initiatiefnemer niet meer noodzakelijk om op andere weeglocaties in de omgeving te gaan wegen. Hierdoor ontstaat een efficiëntere bedrijfsvoering en minder onnodige vervoersbewegingen. Voldoende manoeuvreerruimte en inrit t.b.v. efficiëntere vervoersbewegingen en minder overlast Op de bedrijfslocatie is in de toekomst voldoende ruimte noodzakelijk om te manoeuvreren. Door extra ruimte aan de achterzijde van het perceel te creëren zal de logistiek op het totale terrein effectiever en efficiënter kunnen plaatsvinden.

Met de gewenste inrichting beoogt initiatiefnemer rijbewegingen te optimaliseren en daardoor overlast te voorkomen. Door de buitenopslag te realiseren op de achterzijde van het erf, wordt deze aan het zicht onttrokken, mede door de landschappelijke inpassing. Landschappelijke inpassing Om de vergroting van het bouwperceel op een juiste wijze te compenseren is initiatiefnemer voornemens om de locatie op een robuuste wijze landschappelijk in te passen. Het doel van deze landschappelijke inpassing is een verdere versterking van het landschap. Hierbij zal met de volgende zaken rekening gehouden worden: - Toepassing van gebiedseigen beplanting; - Rekening houden met het karakter van het gebied; - Verzachting van het aanzicht van de loodsen door het realiseren van beplanting; - Opvangen van niet-verontreinigd hemelwater afkomstig van daken en erfverharding; - Versterking van de bestaande ecologische verbindingszone.

pag. 12 van 66 Vastgesteld 2024

4

Ruimtelijk beleidskader

4.1

Wettelijk kader

4.1.1 Wet ruimtelijke ordening De hoofdlijnen van de Wet ruimtelijke ordening zijn: Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; Er is een drempel voor planschade van 2%; De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt. Onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening is de Grondexploitatiewet (Grex-wet). De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen.

Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Het kostenverhaal heeft een verplichtend karakter. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen.

De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. Het planvoornemen voorziet in de noodzakelijke vereisten zoals gesteld in de Wet ruimtelijke ordening. 4.2 4.2.1

Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De ruimtelijke structuurvisie op rijksniveau betreft de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), als vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. In de NOVI wordt door het Rijk een langetermijnvisie, richting 2050, gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Geconcludeerd wordt dat Nederland staat voor een aantal urgente complexe maatschappelijke opgaven, op zowel lokaal, regionaal, nationaal als internationaal niveau. De NOVI beoogt perspectief te bieden om deze opgaven in gezamenlijkheid, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, aan te pakken, met regie vanuit het Rijk. Het kernbegrip is daarbij ‘omgevingskwaliteit’, betreffende ruimtelijke kwaliteit én

pag. 13 van 66 Vastgesteld 2024

milieukwaliteit. Met daarbij inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. Met een integrale samenwerking en met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de vier nationale prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Wegens mondiale problematieken aangaande klimaatverandering en zeespiegelstijging, dienen keuzes voor functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer te worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Deze keuzes dragen bij aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van Nederland in 2050. Energietransitie is noodzakelijk, maar gaat ook gepaard met conflicterende belangen ten aanzien van ruimtegebruik en effecten op de lange termijn. De NOVI is daarom richtinggevend om bij de inpassing van energieinfrastructuur aandacht te behouden voor de kwaliteit van de leefomgeving. • Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; In het kielzog van de COVID-19-pandemie wordt hard gewerkt om de gevolgen voor de economie zoveel als mogelijk te beperken. Dat vraagt op korte termijn om ongekende overheidsingrepen en investeringen.

Gezocht wordt naar mogelijkheden voor een co-creatie om deze interventies en investeringen ook ten goede te laten komen voor de lange termijn-ambities, namelijk het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Aanvullend wordt bij locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra naast de vraag vanuit bedrijven, economische vitaliteit, de aansluiting op het verkeers- en vervoersnetwerk en het elektriciteitsnetwerk rekening gehouden met de aantrekkelijkheid en de kwaliteit van stad en land. Vanuit nationaal niveau wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors. • Sterke en gezonde steden en regio’s; Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. Er wordt ingezet op de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Doelstelling is om daar naartoe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt echter tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich daarbij in het Stedelijk Netwerk Nederland.

De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Belangrijke aandacht gaat uit naar het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. De COVID-19-crisis onderstreept de waarde en het belang van een goede inrichting van de openbare ruimte voor het menselijk welbevinden. • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doelstelling is te komen tot een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waar ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied, als diverse economische sectoren. De waarde van de natuur, het landschap en de toekomst van de landbouw staan onder druk. Ook de verbetering van de biodiversiteit is daarbij een uitdaging. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn wordt daarom gewerkt aan een geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Naast voornoemde prioriteiten zijn in de NOVI tevens 21 nationale belangen benoemd. De geformuleerde nationale ambities vragen veel van de leefomgeving.

Een scala van belangen en claims moet een plek vinden binnen de totale oppervlakte van Nederland. Niet alles kan en niet alles kan overal. Dit leidt soms tot conflicterende belangen, waaruit gekozen moet worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Vanuit de NOVI geeft het Rijk de kaders en richting mee voor zowel nationale als decentrale keuzes, waarbij de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen (Rijk, provincie, waterschappen, gemeenten, bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers) gezamenlijk. Dit om te komen tot de gezamenlijke beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving. De NOVI zal worden uitgevoerd o.a. in de vorm van Omgevingsagenda’s, programma’s en de Regionale Investeringsagenda’s. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als de ondergrond. Het betreft ‘omgevingsinclusief’ beleid, en

pag. 14 van 66 Vastgesteld 2024

de NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes die kunnen worden toegepast bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies (‘dubbele doelstelling’); 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Regie wordt bovendien aan andere overheden meegegeven in de vorm van voorkeursvolgorden voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo wordt vanuit de rijksoverheid sturing gegeven aan beleidsmatige afwegingen en toekomstbestendige ontwikkelingen, waarbij op lokaal niveau de concrete uitwerking hiervan kan worden gemaakt. De nationale strategische keuzes worden daarmee uitgewerkt tot gebiedsgericht maatwerk. Conclusie De ontwikkeling draagt op haar schaalniveau bij aan een aantal van de genoemde nationale belangen. Met de ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Tevens gaat de ontwikkeling gepaard met een goede leefomgevingskwaliteit en een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Dit o.a. door toevoeging van een robuuste landschappelijke inpassing (klimaatbestendigheid, biodiversiteit). Het planvoornemen voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Dit betreft een duurzame en economische ontwikkeling met perspectief voor de toekomst in de sector waarin initiatiefnemer zich verkeert. Dit samengaand met versterking van de ruimtelijke kwaliteit en het zorgvuldig ruimtegebruik in het plangebied. Het voornemen is daardoor passend binnen de gestelde ambities uit de NOVI. Gelet op het schaalniveau van het voornemen (perceelsniveau) is een nadere toetsing niet aan de orde.

pag. 15 van 66 Vastgesteld 2024

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1 Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Onderhavige ontwikkeling is als kleinschalig aan te merken in verhouding tot de strategische gebiedsambities voor de provincie Noord-Brabant richting 2050. De ontwikkeling betreft de uitbreiding van een agrarisch en cultuurtechnisch loonbedrijf op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Daarnaast wordt een kwalitatieve landschappelijke inpassing gerealiseerd en wordt een bestaande EHS versterkt. De planontwikkeling levert dus o.a. een bijdrage aan de klimaatbestendigheid (realisatie waterstructuur) en biodiversiteit (landschappelijke inpassing). Waar mogelijk wordt door initiatiefnemer in de bedrijfsvoering duurzame energie toegepast, zoals de toepassing van zonnepanelen (energietransitie). Dit betreft meerwaarde-creatie, aanvullend op de bedrijfsmatige en economische ontwikkeling.

Het voornemen zorgt bovendien voor lokale werkgelegenheid. Vanuit die zingeving wordt de planontwikkeling dus wel geacht op haar niveau bij te dragen aan de ambities als nagestreefd in de Brabantse omgevingsvisie. Het schaalniveau dat deze ontwikkeling met zich meebrengt raakt de ontwikkeling niet in de basis- en hoofdopgaven uit de Omgevingsvisie. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan het creëren van meerwaarde en kwaliteit in Noord-Brabant.

pag. 16 van 66 Vastgesteld 2024

4.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Naast één omgevingsvisie wordt voor de provincie vanuit de Omgevingswet ook voorgeschreven dat één omgevingsverordening vastgesteld dient te worden voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Dat kan vragen om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen, een (beleids)programma, of regels om de ambities te realiseren en belangrijke waarden te beschermen. Op het moment dat regels nodig zijn, dan dienen deze opgenomen te worden in een omgevingsverordening. De omgevingsverordening bevat enerzijds algemene regels voor burgers en bedrijven voor activiteiten. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen voor bestuursorganen van de overheid, zoals gemeenten en waterschappen. Deze instructieregels dienen in acht te worden genomen bij de uitvoering van taken, zoals de vaststelling van een omgevingsplan De Omgevingswet is nog niet in werking getreden. Om echter naar deze wettelijke transitie toe te werken, maakt de provincie eerst een Interim omgevingsverordening. Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is in hoofdzaak beleidsneutraal.

De omgevingsverordening vervangt onder andere de: Provinciale milieuverordening; Verordening natuurbescherming; Verordening ontgrondingen; Verordening ruimte; Verordening water; Verordening wegen. De IOV bevat zowel rechtstreeks werkende regels, als instructieregels aan andere bevoegde gezagen. De rechtstreeks werkende regels hebben betrekking op zaken als grondwaterwinning, ontgronden, veehouderijen en mestbewerking. Dergelijke activiteiten zijn met onderhavig plan niet aan de orde. Het vaststellen van een omgevingsplan, nu nog bestemmingsplan of wijzigingsplan, valt onder de reikwijdte van ‘Instructieregels aan gemeenten’ (Hoofdstuk 3 van de IOV). De ontwikkelingsmogelijkheden en toegestane functies worden bepaald door de ligging van een locatie binnen de structuren en aanduidingen. Daarnaast bevat de verordening algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Op het kaartmateriaal van de Interim omgevingsverordening, bestaande uit een 8-tal kaarten, volgt dat de planlocatie o.a. is gelegen ter plaatse van: Landelijk gebied; Gemengd landelijk gebied; Diep grondwaterlichaam; Bescherming Natura 2000; Stalderingsgebied; Cultuurhistorisch waardevol gebied; Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van de toetsing aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Ten eerste moet voldaan worden aan de basisprincipes voor een evewsnwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast moet worden getoetst aan de geldende regels voor de van toepassing zijnde structuren en aanduidingen. De aanduidingen ‘Stalderingsgebied’ en ‘Bescherming Natura 2000’ zijn relevant indien het ontwikkelingen betreft met betrekking tot de veehouderijsector. Aangezien een veehouderij niet van toepassing is bij onderhavige planontwikkeling, worden deze aanduidingen voor het overige onbesproken gelaten.

pag. 17 van 66 Vastgesteld 2024

Afbeelding 7: Uitsnede Omgevingsverordening, rode pijl betreft de beoogde locatie Basisprincipes In paragraaf 3.1.2 van de IOV zijn de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies opgenomen. De basisprincipes hebben betrekking op een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en een kwaliteitsverbetering van het landschap. Navolgend worden beide basisprincipes toegelicht. De provincie wil de omgevingskwaliteit bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Deze zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit is opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten, zoals verwoord in de Omgevingswet. De wet kent als maatschappelijk doel het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Bij de zorgplicht gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied.

De zorgplicht omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diep, breed, rond en gebiedsgerichte manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Omgevingsvisie: Zorgvuldig ruimtegebruik Toepassing van de lagenbenadering Meerwaardecreatie

pag. 18 van 66 Vastgesteld 2024

Zorgvuldig ruimtegebruik Doel van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het voorkomen van nieuwvestiging in het landelijk gebied is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Een ander uitgangspunt is dat de toedeling van functies in het landelijk gebied binnen een bestaand bouwperceel plaatsvindt. Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. In de beoogde situatie is door initiatiefnemers kritisch bekeken hoeveel ruimte noodzakelijk is t.b.v. inpandige activiteiten (o.a. stalling, onderhoud machines, kantoor en kantine) alsmede activiteiten die buiten plaatsvinden, zoals parkeerplaatsen, een werkvoorraad c.q. buitenopslag en rangeerruimte. Door de landschappelijke inpassing is er sprake van een gunstige verhouding tussen het bruto en netto ruimtebeslag. Lagenbenadering en meerwaarde creatie De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel om de effecten van een ontwikkeling in beeld te brengen. Bij de afweging gaat het niet alleen om de effecten op de omliggende functies in het gebied maar ook op effecten van een ontwikkeling elders.

En niet alleen de effecten nu maar ook de effecten naar de toekomst: past de ontwikkeling binnen de toekomstige ontwikkelingsrichting van een gebied? De intensiteit van de afweging hangt af van het gebied en de ontwikkeling. Naarmate een ontwikkeling minder inbreuk maakt op de leefomgeving of de omgevingskwaliteit, is ook de afweging minder indringend. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Onderhavige locatie is gelegen in een gebied waarin de invloed van externe factoren een relatief grote impact heeft op het woon- en leefmilieu, dit als gevolg door de aanwezigheid van een snelweg (A58), een vliegveld en een spoorlijn. Al deze factoren zijn gelegen binnen 1 kilometer. Verder wordt de omgeving intensief gebruikt voor de teelt van zacht fruit (aanwezigheid teeltondersteunende voorzieningen). Hierdoor heeft de omgeving van de locatie niet de kenmerken als geschikt gebied voor de vestiging van gevoelige activiteiten, zoals burgerwoningen. Andere minder gevoelige bedrijfsmatige activiteiten zijn, gezien de omliggende functies, meer passend.

Initiatiefnemer investeert in een meerwaardecreatie door: 1. Asbest te saneren 2. De locatie landschappelijk in te passen 3. Versterking van de ecologische verbindingszone Kibbelvaart 4. Onnodige en niet-geschikte bebouwing te amoveren. Op de bedrijfslocatie zijn op de bestaande bouw asbest daken aanwezig. Asbest is een kankerverwekkende stof en is volgens onderzoek van onder meer de Gezondheidsraad gevaarlijk voor de gezondheid. Asbest verwijderen is echter niet verplicht. Initiatiefnemer is voornemens om alle asbest van het terrein te saneren, indien medewerking verleend wordt aan onderhavig initiatief. Dit betreft een zeer kostbare aangelegenheid, waarvoor extra middelen noodzakelijk zijn. Het verwijderen van asbest leidt echter tot een wezenlijke kwalitatieve milieuverbetering. Het Brabants Landschap heeft een landschappelijke inpassing opgesteld voor de locatie aan de Roosendaalseweg 38. De inrichting van de ecologische verbindingszone Kibbelvaart zal later in

pag. 19 van 66 Vastgesteld 2024

samenwerking met het Brabants Landschap en het Waterschap ingericht worden. Door het betrekken van een brede strook landbouwgrond en deze natuurvriendelijk in te richten, zoals hierboven wordt voorgesteld, is sprake van een significante verbetering van de ecologische verbindingszone. In paragraaf 5.1 wordt de landschappelijke inpassing nader uiteengezet. Gezien het vorenstaande kan derhalve geconcludeerd worden dat de activiteiten op de locatie vanuit een lagenbenadering passend zijn. Kwaliteitsverbetering landschap In artikel 3.9 van de IOV zijn de regels omtrent kwaliteitsverbetering van het landschap opgenomen. Dit houdt in dat ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied gepaard dienen te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied en op welke wijze de uitvoering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing. Deze vormen van kwaliteitsverbetering dienen dan ook te worden geborgd in het bestemmingsplan.

Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Halderberge is het afsprakenkader van de regio West-Brabant van toepassing. De uitvoering van kwaliteitsverbetering van het landschap heeft regio West-Brabant vastgelegd in het ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’. De notitie biedt: - Een eenduidig beleidskader voor de West-Brabantse gemeenten met instemming van de provincie Noord-Brabant; - De mogelijkheid tot maatwerk voor gemeenten blijft mogelijk om de ‘couleur locale’ te behouden, niet alles wordt dichtgetimmerd; - Een eenduidige regionale methodiek; - Duidelijkheid over hoe de rood-met-groen koppeling kan worden opgenomen in te ontwikkelen bestemmingsplannen in overeenstemming met de Verordening Ruimte (Omgevingsverordening). In de notitie zijn een drietal categorieën opgesteld: - Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. - Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden.

De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. - Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Uit het ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ blijkt dat de beoogde wijziging naar de bestemming ‘Bedrijf’ aangemerkt kan worden als een categorie 3 ontwikkeling. Door toevoeging van een landschappelijke inpassing wordt een kwalitatieve meerwaarde gegeven. De realisatie van de landschappelijke inpassing is uitgewerkt in een erfbeplantingsplan. Het erfinrichtingsplan dient niet alleen aan te sluiten op de bestaande structuur van de Heul maar dient tevens aansluiting te zoeken met het omliggend gebied en indien mogelijk te versterken. In Bijlage 2 is de landschappelijke inpassing bijgevoegd. Deze landschappelijke inpassing is opgesteld door het Brabants Landschap.

pag. 20 van 66 Vastgesteld 2024

Uit de waardeverandering blijkt dat de waarde van de bestemming toeneemt met €25.624,-. In relatie tot de gewenste ontwikkeling moet 20% geïnvesteerd worden in het landschap ten opzichte van de waardevermeerdering. Op onderhavige locatie moet derhalve € 5.128,40,- geïnvesteerd worden in het landschap. Uit de landschappelijke inpassing blijkt dat hier ruimschoots aan voldaan wordt. Uit de berekening voor de aanleg en beheer van het groen blijkt dat €8.752,20. Daarnaast wordt extra grond omgezet naar natuur. Deze gronden zijn buiten de kwaliteitsberekening gehouden. Met de voorgenomen landschappelijke inrichting wordt het plangebied adequaat landschappelijk ingepast en wordt voldaan aan het (provinciaal en gemeentelijk) vereiste van kwaliteitsverbetering van het landschap. De aanleg van de landschappelijke inpassing wordt bovendien geborgd door een voorwaardelijke verplichting op de verbeelding en in de planregels. Gelet op het bovenstaande wordt financieel, juridisch en feitelijk verzekerd dat de ontwikkeling gepaard gaat met een evenredige kwaliteitsverbetering van het landschap. De beoogde ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met artikel 3.9 van de IOV. Structuren en aanduidingen Het landelijk gebied omvat een onderverdeling in de volgende subzones: het Gemengd landelijk gebied; de Groenblauwe mantel.

In veel gevallen bestaan er voor beide zones gelijke ontwikkelingsmogelijkheden. In die gevallen wordt gesproken over Landelijk gebied. Alleen als het nodig is onderscheid te maken, wordt in de betreffende regel gesproken over de subzone. Op basis van de plankaart van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, is de planlocatie gelegen in het Landelijk gebied in de subzone Gemengd landelijk gebied. Op basis van de formele bestaande activiteiten en beoogde activiteiten dient verantwoord te worden of de activiteiten passend zijn op basis van de Verordening. Agrarisch gerelateerde bedrijven In paragraaf 3.6.5. van de verordening zijn regels van agrarisch gerelateerde bedrijven opgenomen. Het gaat hierbij om bedrijven met een nauwe relatie met de agrarische sector. Vestiging van agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven (3.61) Artikel 3.61 geeft instructieregels aan gemeenten over agrarisch gerelateerde bedrijven. Het gaat hier om twee categorieën bedrijven: Een agrarisch technisch hulpbedrijf is een bedrijf dat diensten verleent aan de in het Landelijk gebied gevestigde agrarische bedrijven. Voor deze bedrijven wordt daarom niet vastgehouden aan het uitgangspunt van vestiging op een bedrijventerrein. Een agrarisch verwant bedrijf heeft een nauwe relatie met een agrarische functie maar levert diensten aan burgers.

De vestiging op een bedrijventerrein is daarom lastig en bovendien zijn deze bedrijven vanuit hun aard vaak niet kleinschalig. Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in Gemengd landelijk gebied Onderhavige bedrijfslocatie is gelegen in het Gemengd landelijk gebied. In algemene zin geldt dat een bestemmingsplan kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarischverwant bedrijf als voldaan wordt aan onderstaande voorwaarden.

pag. 21 van 66 Vastgesteld 2024

Lid 1: Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf als: a. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving; Bij de uitwerking van het beoogde plan wordt aandacht besteed aan het de impact naar de omgeving. Om de omgevingskwaliteiten te borgen zal significant geïnvesteerd worden in het landschap. Verder zal verouderde bebouwing op de locatie welke voorzien is van asbest zal gesloopt worden. De nieuwe bebouwing zal aansluiten bij de bebouwingstypologieën in de omgeving. Door herinrichting van de bestaande bedrijfslocatie Roosendaalseweg 38, 4741 TV te Hoeven ontstaat een doelmatige- en effectief bruikbare bedrijfslocatie, waarmee initiatiefnemer zowel bedrijfsmatig als bedrijfseconomisch een robuust fundament legt voor de bedrijfsontwikkeling en -perspectief. Initiatiefnemer is met diens gespecialiseerde dienstverlenende activiteiten midden in het werkgebied gelegen. Daarnaast ontbreken elders geschikte locaties.

Dit bedrijf draagt verder bij aan de plattelandseconomie, daar het bedrijf voor een significantie wijze gericht is op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven dan wel bedrijven en instanties acterend in het buitengebied, zoals natuurmonumenten en andere natuurorganisaties. De uitbreiding in bebouwing is noodzakelijk om machines op een veilige wijze te stallen en om waar mogelijk milieubelastende activiteiten inpandig uit te voeren (zoals het reinigen van machines). In hoofdstuk 3 is de noodzakelijkheid van de ruimte nader uiteengezet. Ook is het personeel hoofdzakelijk afkomstig uit de omgeving. Veel van de medewerkers zijn afkomstig uit de agrarische sector. Als gevolg van schaalvergroting is sprake van een afname van agrarische bedrijvigheid. Veel voormalige agrarische ondernemers alsmede kinderen van deze ondernemers zijn werkzaam bij initiatiefnemer. In beginsel vallen de activiteiten van initiatiefnemer onder het Activiteitenbesluit. De impact naar de omgeving zal derhalve beperkt zijn. Met onderhavige ontwikkeling wordt het voor initiatiefnemer mogelijk om een significante meerwaarde te geven aan het verbeteren van de fysieke leefomgeving middels een grote landschappelijke inpassing. Dit met als doel om de omgevingskwaliteit te verbeteren. Het buitenterrein voor opslag en ranggeerruimte zal met onderhavige ontwikkeling binnen het bestemmingsvlak komen te liggen.

Verder is onderhavige locatie op relatief grote afstand gelegen van gevoelige functies en hebben de functies die worden uitgevoerd een beperkte impact naar de omgeving. Tot slot is de locatie zeer goed ontsloten waardoor geen sprake is van een onevenredige verkeerhinder, dan wel verkeersonveilige situaties. In onderstaand verzoek is de impact nader uiteengezet. b. de ontwikkeling niet leidt tot splitsing van het bouwperceel; In de beoogde situatie vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel, er is sprake van één bouwperceel, waarop zowel het loonbedrijf als grondverzetactiviteiten uitgevoerd mag worden. In de planregels wordt splitsing van het bouwperceel uitgesloten. Om er voor te zorgen dat splitsing wordt voorkomen wordt het gehele agrarisch bouwvlak en de bijbehorende functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - permanente teeltondersteunende voorzieningen’ verwijderd.

pag. 22 van 66 Vastgesteld 2024

Afbeelding 8: weergave bouwvlak c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; Alle bebouwing wordt functioneel en doelmatig ingezet voor het bedrijf. d. mestbewerking is uitgesloten. Er is geen sprake van mestbewerking, dit wordt planologisch uitgesloten Lid 2 Als een binnen de omgeving passende omvang van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarischverwant bedrijf geldt een bouwperceel van ten hoogste 1,5 hectare. In de beoogde situatie is sprake van een bouwperceel van 1,0 hectare. Het totale oppervlak is derhalve lager dan 1,5 hectare. T.o.v. het bestaande bouwvlak is sprake van een afname van 0,4 hectare. Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening i.r.t. Agrarisch gerelateerde bedrijven. Regels in relatie tot milieubeschermingsgebieden Ter plaatse van de planlocatie zijn de volgende aanduidingen gelegen welke betrekking hebben op waterwinning voor menselijke consumptie: Diep grondwaterlichaam Geen attentiezone waterhuishouding Waterwinning voor menselijke consumptie Grondwaterbeschermingsgebied – maximale boordiepte: 80 meter Grondwaterbeschermingsgebied Op onderstaande afbeelding zijn de functieaanduidingen op de plankaart weergegeven.

pag. 23 van 66 Vastgesteld 2024

Afbeelding 9: Uitsnede functieaanduidingen milieubescherming Waterwinning voor menselijke consumptie Het grondwater is een belangrijke bron voor de openbare drinkwatervoorziening. Veel Nederlandse huishoudens ontvangen hun drinkwater uit grondwater. Daarnaast zijn er Brabant enkele rivierwaterwinningen. Met het oog op de continuïteit van de levering van drinkwater voert de provincie al geruime tijd een beschermingsbeleid, gericht op minimalisering van de risico's op achteruitgang van de kwaliteit. Daarvoor is er waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone aangewezen. Binnen voornoemde zones zijn bepaalde activiteiten en het gebruik van (potentieel) gevaarlijke stoffen verboden of aan voorschriften gebonden met als doel om de bodem en het grondwater te beschermen tegen verontreiniging. De consequentie hiervan kan zijn dat er beperkingen en extra kosten zijn voor inwoners en bedrijven binnen deze gebieden. Dit is gerechtvaardigd vanwege het grote maatschappelijk belang van de drinkwaterlevering. Begrenzing van de werkingsgebieden Rond de plaats(en) waar grondwater wordt gewonnen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening zijn beschermingszones gecreëerd. Binnen die zones gelden regels die tot doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Die bescherming ligt niet in alle gebieden op eenzelfde niveau.

Er is namelijk van uitgegaan dat met een geringer beschermingsniveau kan worden volstaan, naarmate: 1. op het maaiveld de (horizontale) afstand tot de winningsmiddelen toeneemt, 2. in de bodem slecht doorlatende lagen boven het watervoerende pakket waaruit wordt onttrokken (de verticale afstand), aanwezig zijn. Dit heeft geleid tot een onderverdeling van de beschermingszones in waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone. Waterwingebieden worden begrensd door de lijn van waaraf het grondwater tenminste 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de winningsmiddelen te bereiken. Deze 60-dagen lijn is gekozen omdat wordt aangenomen dat een verblijfstijd van het grondwater in de bodem van 60 dagen voldoende is voor een zodanige afbraak van ziekteverwekkende kiemen, dat er geen gevaar voor de volksgezondheid meer dreigt. Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden. De grens van deze gebieden is de lijn, van waaraf het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om

pag. 24 van 66 Vastgesteld 2024

de pompputten te bereiken (de 25-jaars zone). In enkele zeer kwetsbare gebieden is de 100-jaars zone aangewezen, vanwege de bijzondere kwetsbaarheid van de winning. Bij een boringsvrije zone wordt het water gewonnen uit een dieper pakket die wordt afgesloten door een kleilaag. De vaststelling van de zonegrens wordt bepaald door de horizontale reistijd van 25 jaar in het watervoerend pakket waaruit onttrokken wordt. Het verschil tussen de grondwaterbeschermingsgebieden en de boringsvrije zones is dat zich in een boringsvrije zone tussen het maaiveld en het watervoerende pakket waaraan het grondwater wordt onttrokken een aaneengesloten slecht doordringbare kleilaag bevindt. In de grondwaterbeschermingsgebieden ontbreekt zo'n laag, of deze is niet aaneengesloten of dun. Grondwaterbeschermingsgebieden zijn daarmee kwetsbaarder voor verontreinigingen en aantastingen vanaf maaiveld dan boringsvrije zones. Zorgplicht Waterwinning voor menselijke consumptie (Artikel 2.1) Lid 1 Degene die binnen de Waterwinning voor menselijke consumptie een activiteit verricht waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, b.

voor zover deze niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Met onderhavig initiatief is initiatiefnemer voornemens om op een zorgvuldige wijze en met de juiste maatregelen uitvoering te geven aan een agrarisch loon- en cultuurtechnisch grondverzetbedrijf. In hoofdstuk 5, met in het bijzonder in paragrafen 5.5 en 5.6.3 wordt nader ingegaan op het voorkomen dat: de bodem en het zich daarin bevindende grondwater verontreinigd raakt door het gebruik, het lozen en de uitspoeling van schadelijke stoffen; werkzaamheden in de bodem verstorend werken voor de kwaliteit van het grondwater. Grondwaterbeschermingsgebied Een belangrijk aandachtspunt bij de bescherming van het grondwater is afstromend hemelwater van gebouwen en wegen. Artikel 2.7 Verboden activiteiten Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 De volgende activiteiten of handelingen zijn in Grondwaterbeschermingsgebied verboden: a. een locatiegebonden milieubelastende activiteit als bedoeld in Artikel 2.9 ; Er is sprake van een verboden locatiegebonden milieubelastende activiteit in Grondwaterbeschermingsgebied, als bedoeld in Artikel 2.7 , eerste lid onder a, in de volgende gevallen: 1. BRZO-inrichting; 2.

IPPC, categorie 4 inrichting; 3. inrichting als bedoeld in bijlage 1C Besluit omgevingsrecht, categorie 28.4 gevaarlijke afvalstoffen In onderhavige situatie vallen de activiteiten van initiatiefnemer onder de regels van het Activiteitenbesluit. Hierdoor zijn bovengenoemde activiteiten niet van toepassing.

pag. 25 van 66 Vastgesteld 2024

b. het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen; De Nederlandse overheid pakt Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) met voorrang aan. ZZS zijn stoffen die gevaarlijk zijn voor mens en milieu omdat ze bijvoorbeeld de voortplanting belemmeren, kankerverwekkend zijn of zich in de voedselketen ophopen. Mensen en ecosystemen kunnen in contact komen met Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) via het milieu (lucht, water of bodem), voedsel, de werkplek, of via producten zoals huishoudchemicaliën. Het overheidsbeleid is vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Dit verplicht bedrijven hun lozingen en uitstoot van ZZS naar lucht en water te voorkomen. Een ZZS kan ingedeeld zijn in een stofcategorie en stofklasse. Vaak zal dit de stofcategorie ZZS zijn. Deze indeling is alleen van belang om te bepalen welke emissie-eis geldt. De stofcategorie ZZS onderscheidt drie stofklassen. Deze klassen hebben alle drie andere grenzen die voor deze stofklasse gelden. Het gaat om de grensmassastroom en de bijbehorende vrijstellingsgrens, deze zijn te vinden in de tabellen 2.5 en 2.6 uit het Activiteitenbesluit. Met oog hierop is het belangrijk te weten in welke stofklasse een stof valt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/583/documents/17041