CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting NL.IMRO.1655.BP6021-C001 2022-07-12.pdf

Gemeenteraad 6 oktober 2022, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan Nattestraat 10 -12 Oudenbosch26.259 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het bestemmingsvlak ‘Wonen’ van de woning aan Nattestraat 12 ligt op 10 meter afstand van het nieuwe agrarisch bouwvlak aan Nattestraat 10. Alleen op een klein gedeelte, aan de noordzijde van de Nattestraat 12 ter plaatse van de bestaande garage, wordt de afstand van 10 meter niet behaald. Echter is dit ter plaatse van de plattelandswoning aan Nattestraat 10. Aangenomen kan worden dat ter plaatse van de aanduiding ‘plattelandswoning’ geen agrarische activiteiten zullen plaatsvinden omdat dit gedeelte van het agrarisch bouwvlak gebruikt wordt ten behoeve van de plattelandswoning. De plattelandswoning wordt in deze situatie bewoond door een burger. Daarnaast kan volledigheidshalve gesteld worden dat de plattelandswoning aan Nattestraat 10 ook geen hinder ondervindt van de agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel, aangezien de woning op meer dan 10 meter van de bestaande loods is gelegen. Naar aanleiding van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat op gebied van de milieu richtafstanden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op beide locaties gegarandeerd kan worden. Er is daarom geen sprake van een belemmering van de omliggende gevoelige objecten.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 42 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Daarnaast dient bekeken te worden, of de omliggende bedrijven de beoogde ruimtelijke ontwikkeling niet belemmeren. In de omgeving zijn een aantal (agrarische) bedrijven gevestigd. Alle bedrijven gelegen binnen een straal van 200 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie, uitgaande van een gebiedstypering ‘gemengd gebied. In een straal van 350 meter zijn daarnaast geen veehouderijen gelegen. Tabel 3: Richtafstanden op basis van gebiedstypering ‘gemengd gebied’ – aanwezige situatie Adres

Omschrijving

Nattestraat 5b Nattestraat 5a Albanoweg 11 Slikstraat 22

Aardbeienteelt Boomkwekerij (volle grond) Glastuinbouwbedrijf Speelparadijs Jippie

Milieucat.

Afstand in meters geur stof geluid

gevaar

2 2

0 0

0 0

10 10

10 10

Afstand tot planlocatie Nattestraat 10-12 Ca. 19 m Ca. 168 m

2 4.1

0 10

0 0

10 100

10 10

Ca. 175 m Ca. 134 m

De beoogde ontwikkeling staat de bedrijfsvoering van de bedrijven niet in de weg en andersom hebben de bedrijven geen nadelige invloed op woon- en leefklimaat van de woningen, temeer nu het gaat om bestaande woningen. Het tegenovergelegen bedrijf aan de Nattestraat 5b bevindt zich op circa 20 meter van de planontwikkeling van de woning aan de Nattestraat 10. Het bouwvlak bevindt zich buiten de geldende richtafstand (milieucategorie 2, 10 meter) als men uitgaat van een ‘gemengd gebied’. Tegenover de woning Nattestraat 10 zijn enkel kassen/tunnels aanwezig. Het bedrijf heeft de logistiek gesitueerd aan de noordzijde op circa 100 meter afstand van de planlocatie, nabij de nieuwe rondweg. De geluidsbelasting vanwege het verkeer binnen de inrichting zal hiervoor verwaarloosbaar zijn. Op de locatie Slikstraat 22 is het voornemen Speelparadijs Jippie te vestigen. Het initiatief op deze locatie bevindt zich nog in planvormingsfase, maar wordt in onderhavig bestemmingsplan alvast meegenomen. Het te vestigen bedrijf is vergelijkbaar met een milieucategorie 4.1 bedrijf met een bijbehorende richtafstand van 100 meter (gemengd gebied) voor het aspect geluid. De locatie bevindt zich op een voldoende afstand van de planlocatie Nattestraat 10-12 en heeft daardoor geen nadelige invloed op het woon- en leefklimaat op de planlocatie. 5.7.3

Geurhinder en veehouderij

Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.

Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De woningen aan Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch kunnen gezien worden als een geurgevoelig object. De bescherming van een geurgevoelig object hangt af van de situatie. In de Wet geurhinder en veehouderij wordt uitgegaan van vijf verschillende situaties:

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 43 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪

▪ ▪ ▪ ▪

Categorie A: ruimte- voor- ruimte woning (of ander geurgevoelig object): o gebouwd na 19 maart 2000; o op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij; o waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht, én; o waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt. Categorie B: bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij. Categorie C: Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van een andere veehouderij. Categorie D: Voormalig bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die vóór 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van een veehouderij. Categorie E: alle andere woningen (en andere geurgevoelige objecten) die niet onder bovenstaande categorieën vallen.

In onderstaande tabel zijn de wettelijke geurnormen en afstanden opgenomen welke gelden als bescherming bij de verschillende situaties. Tabel 4: Wettelijke normen geurgevoelig object Situatie

Diersoort

Binnen/ buiten bebouwde kom

Wettelijke normen

A

Alle dieren (ook pelsdieren)

B

Dieren met geuremissiefactor

Binnen bebouwde kom Buiten bebouwde kom Binnen bebouwde kom Buiten bebouwde kom Binnen bebouwde kom Buiten bebouwde kom Binnen bebouwde kom Buiten bebouwde kom Binnen bebouwde kom Buiten bebouwde kom Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom Binnen bebouwde kom Buiten bebouwde kom Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom Binnen bebouwde kom Buiten bebouwde kom

100 m 50 m 100 m 50 m 100 m 50 m 100 m 50 m 100 m 50 m 3,0 OUE/m3

Dieren zonder geuremissiefactor C

Dieren met geuremissiefactor Dieren zonder geuremissiefactor

D

Dieren met geuremissiefactor

Dieren zonder geuremissiefactor E

Dieren met geuremissiefactor

Dieren zonder geuremissiefactor

14,0 OUE/m3 2,0 OUE/m3 8,0 OUE/m3 100 m 50 m 3,0 OUE/m3 14,0 OUE/m3 2,0 OUE/m3 8,0 OUE/m3 100 m 50 m

Geurverordening De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Halderberge kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, in deze paragraaf worden de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 44 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Geurgevoelig object Voor de planlocatie Nattestraat 10-12 dient bepaalt te worden welke normen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd dienen te worden. De gemeente Halderberge is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen buiten een concentratiegebied. De bestaande woningen aan de Nattestraat 10-12 liggen buiten de bebouwde kom. De provincie Noord-Brabant beheert middels het Web-BVB alle relevante gegevens van veehouderijen. Op de locatie Nattestraat 10 en 12 is van oudsher een gemengd agrarisch bedrijf (tuinbouw en veeteelt) gevestigd, welke gevoerd werd door de ouders van de initiatiefnemers. In de loop der jaren is het tuinbouwbedrijf veranderd in een kleinschalig boomteeltbedrijf en is rondom het jaar 2002 gestopt met de veehouderij. Tijdens de ruilverkaveling is het bouwvlak gedraaid waarna de woning van Nattestraat 12 naar de huidige locatie is verplaatst. De woning aan Nattestraat 12 maakte op dat moment geen deel meer uit van het gevestigde agrarische bedrijf, en werd in gebruik genomen als burgerwoning. De voormalige bedrijfswoning aan Nattestraat 12 maakte vóór 19 maart 2000 geen deel meer uit van een veehouderij. De voormalige bedrijfswoning aan de Nattestraat 12 valt daardoor onder de hier boven benoemde situatie D.

Hierdoor is conform de Wet geurhinder en veehouderij een geurbelasting van 8 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object van een veehouderij met dieren met een geuremissiefactor is toegestaan. En geldt er een vaste afstand van 50 meter voor veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor. De voormalige bedrijfswoning aan Nattestraat 10 maakte ná 19 maart 2000 geen deel meer uit van een veehouderij. De voormalige bedrijfswoning aan de Nattestraat 10 valt daardoor onder de hier boven benoemde situatie C. Hierdoor geldt er conform de Wet geurhinder en veehouderij een vaste afstand van 50 meter voor veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor en voor veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor. Een geurnorm uitgedrukt in OUE/m3 is voor de locatie Nattestraat 10 niet van toepassing. Een berekening naar voorgrondbelasting middels V-Stacks-Vergunning is hierdoor niet benodigd. Woon- en leefklimaat planlocatie Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is.

Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting leidend is voor de geurhindersituatie, als deze groter is dan de helft van de achtergrondbelasting. Voor de afstandsdieren dient voldaan te worden aan de minimumafstanden. Voor het bepalen van de milieukwaliteit worden in bijlage 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij een aantal methodes beschreven. Gemeente Halderberge heeft voor het plangebied geen geurverordening opgesteld waarin richtlijnen zijn opgenomen voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat op basis van geurhinderpercentages. Derhalve wordt voor het onderhavig onderzoek uitgegaan van de milieukwaliteitscriteria van het RIVM. Het percentage geurgehinderden wordt bepaald met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij. In deze tabellen wordt de relatie gelegd tussen de geurbelasting (achter- en voorgrondbelasting) en het percentage geurgehinderden. Op basis van het percentage geurgehinderden kan vervolgens tevens de milieukwaliteit worden bepaald. De relatie tussen de geurbelastingen, het percentage geur gehinderde is in tabel 5 weergegeven. Het RIVM hanteert voor de bepaling van de milieukwaliteit voor geurhinder de milieukwaliteitscriteria uit de GGD-richtlijn geurhinder tabel 6.

Tabel 5: Relatie tussen voorgrond- en achtergrondbelasting en geurhinder in concentratiegebied Geurbelasting In ouE/m3 als 98percentiel 1 1,5 2 3 4 5

Voorgrondbelasting [OUE/m3]

Achtergrondbelasting [OUE/m3]

4% 5% 6% 8% 11% 12%

2% 3% 4% 5% 6% 7%

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 45 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

6 7 8 9 10 12 14 16 18 20 22

14% 16% 17% 19% 20% 23% 25% 27% 29% 31% 32%

8% 10% 10% 11% 12% 14% 16% 17% 19% 20% 21%

Tabel 6: Milieukwaliteitscriteria GGD-richtlijn geurhinder Milieukwaliteit

Geurgehinderden [%]

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

<5 5-10 10-15 15-20 20-25 25-30 30-35 35-40

Uitgangspunten geurberekening De provincie Noord-Brabant beheert middels het Web-BVB alle relevante gegevens van veehouderijen. Op basis van de geregistreerde gegevens zijn conform de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij alle veehouderijen geselecteerd binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie Nattestraat 10-12. In bijlage 7 is een overzicht met alle relevante veehouderijen met de bijbehorende geuremissies weergegeven. Berekening achtergrondbelasting

Figuur 17: Rekenpunten planlocatie Nattestraat 10-12

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 46 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In onderstaande tabel is de cumulatieve achtergrondbelasting, berekend met V-stacks gebied en omgezet in een hinderpercentage waarnaar de milieukwaliteit/ leefkwaliteit op deze gebieden kan worden aangegeven. De geurbelasting wordt berekend op de hoekpunten van het voormalige agrarische bouwvlak. Het toekomstige bestemmingsvlak ‘Wonen’ van de planlocatie Nattestraat 12 en de plattelandswoning aan Nattestraat 10 zijn hierbinnen gelegen. In figuur 17 is aangegeven op welke punten binnen de planlocatie de geurbelasting is berekend. De achtergrondbelasting op de rekenpunten is in tabel 7 weergegeven. In bijlage 7 is de volledige geurberekening van de achtergrondbelasting bijgevoegd. Tabel 7: Achtergrondbelasting op de rekenpunten Geurgevoelig object – Nattestraat 10-12 Hoek 1

Geurbelasting (Ou/m3) 0,410

Hoek 2

0,276

Hoek 3

0,311

Hoek 4

0,485

Uit de berekening blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie tussen de circa 0,276 en de 0,485 ouE/m³ bedraagt. Het percentage geurgehinderden voor de woningen aan Nattestraat 10 en 12 is op basis van deze achtergrondbelasting minder dan 2% (tabel 5). Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn (tabel 6) kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen in de bestaande en toekomstige situatie ‘zeer goed’ is. In bijlage 7 zijn de uitkomsten van de berekening voor de achtergrondbelasting opgenomen. Bedrijven met dieren met en zonder geuremissiefactor Doormiddel van het berekenen van de voorgrondbelasting voor de planlocatie kan berekend worden welk bedrijf met dieren met een geuremissiefactor het meest dominant is voor de planlocatie. Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de geurbelasting afkomstig van één veehouderij die de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt. Voor de locatie Nattestraat 12 geldt een geuremissiefactor van 8,0 ouE/m³ voor bedrijven met dieren met een geuremissiefactor. Gelet op de zeer lage concentratie aan achtergrondbelasting (onder de 0,5 ouE/m³) op de planlocatie, is het aannemelijk dat er ook voor wat betreft de voorgrondbelasting een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden.

Een specifieke berekening naar de voorgrondbelasting van een specifiek veehouderijbedrijf wordt hierdoor niet noodzakelijk geacht. Daarnaast worden in de Wet geurhinder en veehouderij eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Voor voormalige bedrijfswoning aan Nattestraat 10 geldt een vaste afstand van 50 meter voor alle veehouderijbedrijven conform artikel 3 lid 2 van de Wgv. Voor Nattestraat 12 geldt eveneens een vaste afstand van 50 meter voor veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor. Het gaat om de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de buitenzijde (gevel) van een geurgevoelig object. Binnen vaste afstandscontouren kan in beginsel geen acceptabel leefklimaat worden gegarandeerd. De dichtstbijzijnde veehouderij waarbij de vaste afstand van toepassing is, is de veehouderij aan Geijzestraat 8 te Oudenbosch. De afstand van de locatie Nattestraat 10-12 tot het bouwvlak van de locatie Geijzestraat 8 bedraagt circa 270 meter. Er zijn geen vaste afstanden over de planlocatie gelegen. Conclusie Er is een minimale achtergrondbelasting op de planlocatie Nattestraat 10-12 aanwezig. Daarnaast ligt de planlocatie niet binnen de vaste afstandscontouren van omliggende veehouderijen. De milieukwaliteit ter plaatse van de planlocatie is te kwalificeren als ‘zeer goed’.

Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied, en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 47 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.7.4

Gezondheidsaspecten

Toetsingskader Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönose. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönose zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, Rivm, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.

Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: ▪ Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; ▪ Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; ▪ Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu.

Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In het stappenplan zijn aspecten meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken voor ruimtelijke plannen. In het stappenplan wordt onder andere getoetst aan de aspecten geur en fijnstof zoals deze staan beschreven in paragraaf 5.7.3 en 5.9. Daarnaast wordt er aan de hierboven benoemde afstanden getoetst of er binnen deze afstanden bepaalde veehouderijen zijn gelegen Beoordeling De planlocatie Nattestraat 10 en 12 is niet gelegen binnen een cirkel van 2 km van een geitenveehouderij en niet binnen een cirkel van 1 km van een pluimveehouderij.

Het onderhavig bestemmingsplan laat overigens geen nieuwe ontwikkelingen toe in de vorm van meer of ander type veehouderijen dan reeds in het vigerend bestemmingsplan bestemd die eventueel zouden kunnen bijdragen aan een verslechtering van het bestaande gezondheidsklimaat ter plaatse van de planlocatie. Daarbij worden er binnen het plangebied met onderhavig bestemmingsplan geen nieuwe woningen of andere functies bestemd die bescherming behoeven. Het betreft hier bestaande bedrijfswoningen welke omgezet worden naar een burgerwoning. De ontwikkeling op de planlocatie kent een beperkte omvang.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 48 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In het voorliggend bestemmingsplan zijn de gezondheidsrisico’s naar verwachting niet groot. Er is geen sprake van een hoge concentratie van veehouderijen in de directe omgeving. Daarnaast spelen de grootste gezondheidsrisico’s bij de intensieve veehouderijen. De bestaande intensieve veehouderijen hebben in het vigerende bestemmingsplan slechts beperkt de ruimte om uit te breiden, namelijk alleen binnen hun geldende bouwvlak. Gezondheid en duurzame ontwikkeling zijn daarbij belangrijke voorwaarden, die al in de BZV zijn verwerkt. Ook voor de melkveehouderijen geldt dat deze moeten voldoen aan de BZV. Iedere veehouderij moet voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Alles in ogenschouw nemende en de ruime afstand tot aan de veehouderijbedrijven wordt de ontwikkeling aan de Nattestraat 10 en 12 op gebied van gezondheid passend geacht.

Door het stappenplan te doorlopen, blijkt dat er geen verhoogde gezondheidsrisico’s te verwachten zijn en ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat te garanderen is op basis van de gezondheidsaspecten. Er is geen advies van de GGD benodigd voor onderhavige planlocatie. Het aspect volksgezondheid zal dan ook niet leiden tot een belemmering voor het beoogde initiatief. 5.7.5

Spuitzones

In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terechtkomt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. Bij het wijzigen van bestemmingen naar woondoeleinden dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden getoetst aan de eisen voor een goed en veilig woon- en leefklimaat op de te wijzigen locatie. De VNGpublicatie geeft voor boomteeltbedrijven een richtafstand van 30 meter. De minimale afstand tussen boomgaarden en nabijgelegen gevoelige objecten is niet wettelijk vastgelegd.

Door het ontbreken van wetgeving is, op basis van jurisprudentie van de Raad van State, een vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische bedrijven, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige functies, niet onredelijk is. Deze 50 meter richtafstand is afkomstig van de open fruitteelt uit de Betuwe en is inmiddels al meer dan 20 jaar oud. Volgens vaste rechtspraak kan gemotiveerd worden afgeweken van de afstand van 50 meter, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt op basis van specifieke omstandigheden. Deze omstandigheden betreffen onder andere het type gewasbeschermingsmiddel, de spuittechniek, de windrichting, de bladsituatie van de fruitbomen (vol of kaal), gehinderde (beperkt of kort van duur), een windhaag, groenhaag, sloot en dergelijke. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen. Verder is het relevant om te melden dat in de tijd van het bepalen van de 50 meter richtafstand veel minder rekening gehouden werd met de toepassing van drift reducerende spuitmethoden en dat de toelatingsprocedure van (schadelijke) gewasbeschermingsmiddelen veel minder streng was. De wet- en regelgeving voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen is de laatste jaren flink aangescherpt en deze trend duurt nog steeds voort.

Er worden steeds meer en betere driftbeperkende technieken gebruikt en minder schadelijke middelen. De les in de praktijk is dus dat de richtafstand van 50 meter die ooit in de jurisprudentie is opgenomen al lang niet meer in beton gegoten is. Het plangebied is direct aansluitend aan landbouwgronden gelegen, hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals fruitboomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 49 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het Activiteitenbesluit milieubeheer stelt eisen aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in open teelt. In het besluit staat dat een spuittechniek moet worden toegepast die de drift met ten minste 75% (vanaf 1 januari 2018 verplicht) dan wel 90 % reduceert ten opzichte van de vastgestelde referentietechniek. In Nederland wordt daarom doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van tot 95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze spuitdoppen worden getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling). Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor een ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Aan de achterzijde van de planlocaties (westzijde) zijn landbouwgronden met daarop open teelten aanwezig. Deze grond is in gebruik door het boomteeltbedrijf op de locatie Nattestraat 10.

Tussen de beoogde burgerwoning en plattelandswoning en de bijbehorende achtertuinen en deze aangrenzende landbouwgronden zijn de bestaande boomkwekerijloods, de bestaande bijgebouwen van Nattestraat 10 en 12 en diverse nieuwe landschapselementen gesitueerd. Het aanbrengen van de nieuwe landschapselementen is geborgd in het bestemmingsplan door de bestemming ‘Groen’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’. Hierdoor wordt voorkomen dat drift, mocht deze al ontstaan, tot aan de woning en achtertuin reikt. De locatie heeft dus in relatie tot deze gronden geen negatief effect van spuitzones. De situatie omtrent deze spuitzones wordt in de nieuwe situatie verbeterd. Aan de overzijde van de Nattestraat, aan de oostzijde van de planlocatie, is een aardbeienteeltbedrijf aanwezig, Nattestraat 5b, welke haar teelt verzorgt in kassen. De aardbeienteelt in kassen wordt niet gezien als open teelt, omdat een kas in deze gezien kan worden als een gebouw. Bij de teelt onder glas is namelijk een vermindering van het teeltrisico door de gecontroleerde omstandigheden. Binnen een kas is het beter realiseerbaar om gericht biologische gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken dan dat dit het geval is bij een openteelt.

Door de gecontroleerde omstandigheden is het voorkomen van verspreiding en verwaaiing van spuitnevel bij een kas beter te realiseren dan bij openteelt. Het is daarom aannemelijk dat de planlocatie geen negatief effect ervaart vanuit de teelt in de kassen op gebied van drift. Daarnaast zijn aan de noord- en zuidzijde diverse nieuwe en bestaande groenelementen aanwezig. De aangrenzende landbouwgronden aan de zuidzijde zijn daarnaast in gebruik door de locatie Nattestraat 12. Het is niet aannemelijk dat deze gronden zullen worden ingezet ten behoeve van open boomteelt. De diverse groen elementen zorgen ervoor dat drift, mocht deze al ontstaan, tot een minimum wordt beperkt. De situatie omtrent drift aan deze beide zijden wordt door de nieuwe groenelementen verbeterd. Op de verbeelding zijn de toekomstige groen landschapselementen geborgd door de bestemming ‘Groen’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’. Deze borging in het bestemming zorgt ervoor dat de groenelementen in de toekomst aangeplant worden, behouden worden en indien nodig onderhouden worden. De locatie heeft dus in relatie tot deze gronden geen negatief effect van spuitzones. 5.8

Externe veiligheid

5.8.1

Algemeen

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets misgaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute. 5.8.2

Toetsingskader

Een risico-inventarisatie externe veiligheid betreft alle risicobronnen die invloed hebben of kunnen hebben op het groepsrisico, zoals Bevi-inrichtingen, transportleidingen en autowegen die gebruikt worden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De regelgeving omtrent externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, betreffen:

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 50 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪ ▪ ▪

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevit).

De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloed gebied.

Figuur 18: Uitsnede risicokaart Nederland

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico Een verantwoording groepsrisico geldt voor alle ruimtelijke plannen en afwijkingsbesluiten in het kader van de Wro. De feitelijke verklaring wordt vastgesteld door het bevoegd gezag, tegelijk met de vaststelling van het bestemmingsplan en/of afwijkingsbesluit.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 51 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het groepsrisico wordt behalve de ongeval frequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunning plichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Om te bepalen of in de omgeving van de planlocatie risicovolle bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn is de risicokaart van Nederland geraadpleegd. Daaruit blijkt tot binnen een afstand van 200 meter van de planlocatie geen risicovolle bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn.

Gezien de grote afstand tussen de planlocatie en de risicovolle inrichtingen kan worden geconcludeerd dat er op grond van Bevi geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Transportassen Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage 2, 3 en 4 van het Bevt zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. De planlocatie is op een afstand van circa 1,3 kilometer van de spoorlijn Roosendaal – Dordrecht gelegen. De rijksweg A58 is gelegen op een afstand van circa 2,8 kilometer van het plangebied, de rijksweg A17 op een afstand van circa 4 kilometer. De planlocatie is vanwege toxische scenario’s binnen het invloed gebied van deze spoorlijn en deze rijkswegen gelegen.

Conform het Bevt dient voor een plan binnen het invloed gebied van een transportroute een verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd te worden. Aangezien het plan niet binnen 200 meter van de transportroutes is gelegen en de populatiedichtheid met het wijzigen van de bestemming (agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning en plattelandswoning) niet toeneemt, kan echter volstaan worden met een beperkte verantwoording. Het standaard advies externe veiligheid en de standaard verantwoording groepsrisico van de gemeente Halderberge zijn als bijlage aan de toelichting toegevoegd. Transportleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Wanneer sprake is van relevante buisleidingen in een gebied, dient er een ruimtelijke reservering opgenomen te worden in het bestemmingsplan voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR). Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het invloed gebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval bekeken worden.

De voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt minimaal 5 meter aan beide zijden van de leiding. In de directe omgeving is op een afstand van circa 30 meter van de woning van Nattestraat 12 een buisleiding (Z 529-26) van Gasunie gelegen. Op deze buisleiding is geen PR 10-6 contour van toepassing. Wel ligt het plangebied binnen het invloed gebied van deze leiding. Een klein gedeelte van het plangebied is gelegen binnen het ‘gele’ gebied (30 meter) van de kaart zone indeling Halderberge, bijlage 2 van de Standaard Verantwoording Groepsrisico (SVGR). Dit betekent in principe dat een maatwerkverantwoording noodzakelijk

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 52 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

is. Ter plaatse van de buisleiding kan het relevante scenario ‘fakkelbrand’ optreden. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. Het treffen van maatregelen bij de bron en omgeving kan het effect en gevolg van een fakkelbrand beperken. In het kader van het groepsrisico heeft het plangebied met de nieuwe situatie hier echter geen invloed op. Voor de functieverandering naar de woonbestemming geldt dat voor de bepaling van het groepsrisico de huidige woningen reeds al een woonfunctie hebben. De bijgebouwen zijn eveneens een bestaand kwetsbaar object en wijzigt niet. Gelet op het initiatief op de planlocatie, omdat het hier gaat om reeds bestaande woningen, om zelfredzame personen en er met de ruimtelijke ontwikkeling geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied worden toegevoegd, is het voorstelbaar dat voor deze planlocatie het Standaard Advies gehanteerd kan worden. In het kader van vooroverleg heeft er in week 11 2021 een overleg plaats gevonden met Brandweer Middenen West-Brabant, zie bijlage 3. De brandweer geeft aan dat voor de verantwoording van het Groepsrisico op de planlocatie kan volstaan worden met een Standaard verantwoording en het Standaard advies 2021 daarvoor gebruikt kan worden.

De standaard verantwoording groepsrisico en het Standaard advies 2021 zijn als bijlage aan onderhavig plan toegevoegd. Daarnaast is op een afstand van circa 470 meter van het plangebied een buisleiding van de Rotterdam Antwerpen Pijpleiding Maatschappij (RAPL) gelegen. Op deze buisleiding is een PR 10-6 contour van toepassing. Gezien de afstand tot de buisleiding meer dan 200 meter bedraagt en er met de ruimtelijke ontwikkeling geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied worden toegevoegd, mag ook hier het standaard advies en de Standaard verantwoording groepsrisico worden toegepast zoals toegevoegd in bijlage. 5.8.3

Gemeentelijk beleid

Naast de risicokaart van Nederland heeft de gemeente Halderberge haar eigen beleid ten aanzien van externe veiligheid met bijbehorende signaleringskaart (Beleidsvisie Externe Veiligheid). Een uitsnede van de signaleringskaart is in figuur 19 weergegeven. Uit de beoordeling van de signaleringskaart blijkt dat de planlocatie Nattestraat 10-12 is gelegen binnen de zone van het invloed gebied van een gasleiding. Een nadere omschrijving van deze gasleiding is gegeven in paragraaf 5.8.2. De standaard verantwoording groepsrisico en het Standaard advies 2021 is van toepassing op de planlocatie.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 53 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 19: Uitsnede Signaleringskaart van de gemeente Halderberge

5.9

Kabels en leidingen

Zoals in paragraaf 5.8 van onderhavig bestemmingsplan benoemd, is er aan de zuidzijde van de planlocatie op korte afstand een gastransportleiding en bijbehorende belemmeringsstrook gelegen. Met deze gastransportleiding dient rekening te worden gehouden met eventuele graafwerkzaamheden in de toekomst. Voor de ontwikkelingen zoals beschreven in onderhavig bestemminsplan levert de leiding geen belemmeringen op. Indien benodigd wordt in de toekomst de KLIC-melding uitgevoerd om eventuele overige kabels en leidingen in beeld te brengen. 5.10

Luchtkwaliteit

Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijnstof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

De ontwikkeling op de planlocatie Nattestraat 10-12 valt niet onder een van de hierboven genoemde categorieën. Er vindt in het plan geen toevoeging van nieuwe woningen plaats. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling op de planlocatie Nattestraat 10-12 een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert, die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. Het omzetten van de bestemming van de voormalige agrarische bedrijfswoningen, zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de Nattestraat te Oudenbosch. Voor het onderhavige plan geldt een grens van 3 %. De verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling op de planlocatie zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 54 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

plaatse en derhalve de 3 % grens niet overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van een nieuwe woonfunctie. Echter dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van planlocatie zijn bij benadering: ▪ x = 96620 ▪ y = 399070 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2020: PM10: 14.39 µg/m3 en NO2: 15.73 µg/m3 2025: PM10: 16.03 µg/m3 en NO2: 13.58 µg/m3 2030: PM10: 14.92 µg/m3 en NO2: 11.59 µg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van de planlocatie. Naast het omzetten van de bestemming van de voormalige bedrijfswoning aan Nattestraat 12 blijft het agrarisch bouwvlak aan Nattestraat 10 voor een gedeelte gehandhaafd. Deze ontwikkeling op de planlocatie valt niet onder een van de hierboven genoemde categorieën, maar is ook niet zonder meer te zeggen dat de ontwikkeling NIBM is.

Door het Ministerie van VROM is een instrument ontwikkeld, waarmee op een eenvoudige wijze kan worden berekend of een bepaalde ontwikkeling wel of niet ‘in betekende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit: de NIBM-tool. Met deze tool is het voldoende om gegevens te hebben over de omvang van het extra verkeer en het aandeel vrachtverkeer als gevolg van het plan. Indien deze gegevens voor een plan bekend zijn, kan op basis van een berekening met de tool worden bepaald of het plan aangemerkt kan worden als NIBM. Uit de berekening met de NIBM-tool (figuur 20) blijkt dat om over in een ‘in niet betekende mate bijdrage’ te kunnen beschikken, er maximaal 170 extra voertuigbewegingen op een weekdaggemiddelde kunnen zijn op eender welke locatie. Hierbij is uitgegaan van 100% vrachtverkeer.

Figuur 20: Weergave NIBM-tool

Ter plaatse van de boomkwekerijloods wordt het agrarisch bouwvlak verkleind, daarnaast is er geen mogelijkheid om een bedrijfswoning binnen het bouwvlak toe te voegen. In werkelijkheid zullen de voertuigbewegingen met betrekking tot het boomteeltbedrijf gelijk blijven of afnemen ten opzichte van de bestaande situatie, er vindt geen toename plaats van het vrachtverkeer. Op de locatie worden géén 170 extra

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 55 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

voertuigbewegingen van vrachtverkeer verwacht, dit zullen er in werkelijkheid veel minder zijn. In de praktijk zullen er enkele voortuigbewegingen op de planlocatie zijn op een weekdaggemiddelde. Het plan kan aangemerkt worden als NIBM. Een nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 5.11

Toetsing besluit milieueffecten rapportage

Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.beoordeling plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Onder de D-lijst valt een stedelijk ontwikkelingsproject als het een project van meer dan 2.000 woningen omvat. De beoogde functiewijziging ter plaatse van het plangebied komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en zal dan ook niet worden beoordeeld in het kader van het Besluit m.e.r. Er wordt aangesloten bij de jurisprudentie uitspraak: 201901439/1/R1. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De beoogde functiewijziging ter plaatse van het plangebied komt ook niet voor op de C-lijst van het Besluit m.e.r en is derhalve ook niet m.e.r. plichtig.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 56 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in het bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge’ is gehanteerd. 6.2

Algemene toelichting verbeelding

De verbeelding is getekend uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012’ (SVBP2012). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen. De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn vrijwel alle functies apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen de planlocatie gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving en de bouwregels te vinden. 6.3

Algemene toelichting regels

De regels zijn gebaseerd op het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP) van 2012. Hierin zijn afspraken en aanbevelingen opgenomen met betrekking tot de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan (digitaal en analoog). Deze afspraken en aanbevelingen zijn op 1 januari 2010 wettelijk vastgelegd. De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken: ▪ Hoofdstuk 1 Inleidende regels; ▪ Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; ▪ Hoofdstuk 3 Algemene regels; ▪ Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 6.3.1

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen die van toepassing zijn op de regels verklaard. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde begrippen. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. 6.3.2

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden – Landschapswaarden Deze bestemming is van toepassing op agrarische gronden die worden gekenmerkt door specifieke landschappelijke waarden, zoals openheid en beslotenheid. In dit geval betreft dit met name aardkundige waarden en historisch-geografische waarden (uitgezonderd bospercelen en natuurgebieden). Ter behoud van de openheid is een extra gebiedsaanduiding opgenomen voor een groot deel van deze agrarische gronden met waarden. Artikel 4 Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van groen, onverharde paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarnaast aanleg, beheer en instandhouding van landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 57 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Artikel 5 Wonen De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen, voormalige agrarische bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – vab’, aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige en nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen. Daarnaast behoudt, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden, ecologische waarden en/of landschappelijke waarden. Artikel 6 Leiding De voor ‘Leiding’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, met daarbij behorende belemmeringenstrook mede bestemd voor een gasleiding en bijbehorende voorzieningen waaronder de leidingafsluiterloctie. 6.3.3

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals een regeling voor ondergronds bouwen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn regels gegeven ten behoeve van de op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduidingen. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Artikel 12 Overige regels In dit artikel zijn er eisen gesteld aan de parkeergelegenheid. 6.3.4

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht In de overgangsrechtregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Artikel 14 Slotregel In de slotregel wordt de officiële naam van het plan weergegeven. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 58 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling op de locatie Nattestraat 10-12 is een particulier initiatief. De in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkeling zal volledig vanuit particulier initiatief gerealiseerd en gefinancierd worden. Het terrein is particulier eigendom. Investeringen vanuit de gemeente zijn derhalve niet noodzakelijk. De gemeente Halderberge heeft ten behoeve van het voorgestane plan een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemers van de gronden. Deze overeenkomst heeft onder andere de strekking dat de gemeente geen enkel risico loopt ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid van dit plan en dat de eventuele planschade voor rekening komt van de initiatiefnemers. 7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1

Inleiding procedure

Planologische procedure Voordat een bestemmingsplan geldig is, volgt de gemeente een procedure. De procedure bestaat uit drie fasen: voorontwerp, ontwerp en vastgesteld plan. In de voorontwerpfase wordt vooroverleg gepleegd met alle betrokken overheden en partijen (omgevingsdialoog). De achtereenvolgende fase is de ontwerpfase. Tijdens de ter inzageperiode (6 weken) heeft eenieder het recht om een zienswijze te geven. De zienswijzen worden verwerkt en beantwoord in een zienswijzenrapportage. Daarna volgt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan. Relatie onderhavig bestemmingsplan met eerdere bestemmingsplannen Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge’, een gedetailleerd bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in dit plan is gehanteerd. Het onderhavig bestemmingsplan wordt middels een zogenoemde ‘postzegelbestemmingsplannen’ juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. 7.2.2

Omgevingsdialoog

Algemeen Een omgevingsdialoog is een zorgvuldige afstemming tussen de initiatiefnemer van een (bouw)plan en de omgeving. Met de ‘omgeving’ wordt bedoeld iedereen waarop het plan effect kan hebben, zoals bijvoorbeeld omwonenden, scholen en aangrenzende bedrijven. De omgevingsdialoog is er specifiek op gericht om alle wensen, belangen en bezwaren van de omgeving te kunnen betrekken in het verdere ontwerp van het plan. Doel van de omgevingsdialoog is niet om ‘overeenstemming’ over het plan te verkrijgen. Aanleiding voor het starten van een (omgevings)dialoog is het moment dat een initiatiefnemer een ruimtelijk ontwikkelingsproject wil uitvoeren dat niet past in het geldende bestemmingsplan. Bij het initiatief aan de Nattestraat 10-12 is gekozen voor het toepassen van een mondelinge omgevingsdialoog. Omwonende zijn door initiatiefnemers persoonlijk benaderd. Er is aan de bewoners van de benaderde adressen een informatieblad verstrekt met daarop onder andere in het kort een uitleg over het initiatief en de te lopen procedure. Dit informatieblad is door de initiatiefnemers verder mondeling toegelicht. De resultaten van de omgevingsdialoog zijn vastgelegd in een verslag en overhandigd aan de gemeente.

De onderdelen die minimaal zijn opgenomen in het verslag zijn: ▪ hoeveel en welke betrokkenen zijn er benaderd; ▪ hoeveel reacties/ opmerkingen/ vragen zijn er ontvangen; ▪ de inhoud van deze reacties/ vragen/ opmerkingen en wat hiermee is gedaan; ▪ of de plannen nog zijn aangepast.

Toelichting 191830 | 12-07-2022

Pagina 59 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Dialoog voormalig initiatief In de maanden mei en juni 2020 is voor het voormalig beoogde initiatief op de locatie Nattestraat 10-12 te Oudenbosch door de initiatiefnemers een omgevingsdialoog gevoerd in de directe omgeving. Een aantal bewoners, bedrijven en eigenaren van gronden aan de Nattestraat is benaderd voor de omgevingsdialoog. In totaal hebben de initiatiefnemers met 7 adressen de dialoog gehouden in de directe omgeving van de planlocatie. Tijdens de omgevingsdialogen met de omwonende en bedrijven zijn diverse algemene vragen gesteld. Hierbij kan gedacht worden aan vragen zoals: wat houdt de bestemmingsplanprocedure in? En hoe komt het een en ander eruit te zien met betrekking tot de landschappelijke inpassing? Voor zover deze gegevens vast staan hebben de initiatiefnemers deze vragen beantwoord aan de omwonende. De meeste omwonende hebben zeer positief gereageerd op de voorgenomen ontwikkelingen op de planlocatie en zien daarom ook geen reden om een reactie te geven op de ontwikkelingen of aanvullende vragen te stellen. Twee locaties hebben aanvullende vragen gesteld ten aanzien van de ontwikkeling waarvan één locatie zijn persoonlijke zorgen heeft aangegeven bij de initiatiefnemers. De initiatiefnemers hebben daarbij geprobeerd de zorgen van deze bewoner weg te nemen door het beantwoorden van de vragen.

De specifieke vragen zijn omschreven in het verslag van de omgevingsdialoog. In verband met de privacy van initiatiefnemer en geïnformeerde omwonende is het complete verslag van deze omgevingsdialoog geanonimiseerd als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan. Dialoog huidig initiatief Naar aanleiding van het provinciale advies (zie paragraaf 7.2.3) richting de gemeente is het concept bestemmingsplan aangepast. De woning aan Nattestraat 10 wordt niet meer omgezet naar de bestemming ‘Wonen’ (zoals eerder in de dialoog aangegeven) maar wordt aangemerkt als een ‘plattelandswoning’. De eerder benaderde omwonenden tijdens de eerste uitgevoerde omgevingsdialoog zijn door de initiatiefnemers opnieuw benaderd, en zijn van het aangepaste initiatief op de hoogte gebracht. Conclusie De gevoerde omgevingsdialogen met de directe omwonenden en bedrijven geven vooralsnog geen aanleiding om het beoogde plan aan te passen. 7.2.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/537/documents/15704