Toelichting NL.IMRO.1655.BP6021-C001 2022-07-12.pdf
Tekst van het document
Omliggende gevoelige objecten liggen op een ruime afstand van de planlocatie. Daarbij bestaat binnen het onderhavig bestemmingsplan geen mogelijkheid tot het omzetten van het agrarisch bedrijf naar een veehouderij. Het verkleinen van het agrarisch zal leiden tot een verbetering van de milieutechnische situatie van omliggende woningen en omgeving en zorgt voor een positieve invloed op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Gelet op bovenstaande sluit de gewenste juridisch-planologische situatie aan bij een gebiedsgerichte benadering waarbij rekening wordt gehouden met de andere aanwezige functies in de omgeving/gebied. Vanwege het karakter van het plan zijn negatieve effecten door dit plan nagenoeg uitgesloten. Algemene regels, Bevordering ruimtelijke kwaliteit Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik;
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 23 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie; In het plan is zorgvuldig gekeken naar de omgevingskwaliteit ter plaatse. Binnen het plan wordt voldaan aan de benodigde landschappelijke inpassing welke geborgd worden door een voorwaardelijke verplichting. Met deze landschappelijk inpassing wordt de planlocatie niet alleen verrijkt in beeldkwaliteit maar ook in biodiversiteit. Daarbij wordt een nieuwe invulling geven aan een bestaand bouwperceel in het kader van voorkomen van agrarische leegstand, waarbij wordt geborgd dat overtollige bebouwing op de planlocatie Nattestraat 10 en 12 gesaneerd wordt. Dit alles samen zorgt voor een versterking van de kwaliteit ter plaatse en de omgeving. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik: Een plan moet een verantwoording bevatten dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en toepassing is gegeven aan het principe zorgvuldig ruimtegebruik. Doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten.
Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in: ▪ dat een ruimtelijke ontwikkeling in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; ▪ ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); ▪ een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Er wordt gebruik gemaakt van het bestaande bouwperceel van Nattestraat 10 en 12, de feitelijke situatie verandert in die zin dat overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd en het gewenste gebruik in overeenstemming gebracht wordt met het feitelijke gebruik. Er wordt daarmee invulling gegeven aan het principe zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b.
de netwerk laag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. In hoofdstuk 5 ‘Relevante (milieu)aspecten’ worden effecten op bovenstaande waarden beschreven. Hieruit blijkt dat de relevante waarden op de planlocatie en het gebied niet worden aangetast. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, zoals bedoeld in artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap maakt deel uit van de meerwaardecreatie ter plaatse. De gehele planlocatie wordt tegelijk herzien. Het omzetten van de bestemming draagt bij aan het voorkomen van verpaupering en verloedering op de planlocatie.
Daarnaast worden de planlocaties landschappelijk ingepast waarbij gekeken wordt naar de bestaande ruimtelijke kwaliteit en heeft het een positieve invloed op de omgeving.
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 24 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering van het landschap Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. De toelichting bij een bestemmingsplan bevat een motivering: a. van de wijze waarop de bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd; b. dat de verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied. De bedoelde verbetering kan mede betreffen: a. de landschappelijke inpassing van bebouwing, voor zover expliciet vereist op grond van deze verordening; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. een fysieke bijdrage aan de realisering van de het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. De uitvoering van kwaliteitsverbetering van het landschap heeft regio West-Brabant vastgelegd in het ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’.
Deze notitie geeft aan hoe de gemeenten in de regio West-Brabant naast de toepassing van artikel 3.1 van de voormalige Verordening ruimte uit 2014, ook toepassing geven aan artikel 3.2 van de voormalige Verordening ruimte uit 2014. De notitie biedt: ▪ een eenduidig beleidskader voor de West-Brabantse gemeenten met instemming van de provincie NoordBrabant; ▪ de mogelijkheid tot maatwerk voor gemeenten blijft mogelijk om de ‘couleur locale’ te behouden, niet alles wordt dicht getimmerd; ▪ een eenduidige regionale methodiek; ▪ duidelijkheid over hoe de rood-met-groen koppeling kan worden opgenomen in te ontwikkelen bestemmingsplannen in overeenstemming met de Verordening Ruimte. In de notitie is een drietal categorieën opgesteld: ▪ Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. ▪ Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. ▪ Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren.
De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Bepaling categorie Het initiatief bestaat onder andere uit het omzetten van de agrarische bestemming aan de Nattestraat 12 in een (burger)woonbestemming. Het bestaande agrarische bouwvlak aan Nattestraat 10 wordt hierdoor afgesplitst van Nattestraat 12 en verkleind tot enkel een vlak voor het agrarisch bedrijf ter plaatse van Nattestraat 10. De woning aan Nattestraat 12 krijgt de bestemming ‘Wonen’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – VAB’. De woning aan Nattestraat 10 krijgt de aanduiding ‘plattelandswoning’, om zo burgerbewoning op de locatie mogelijk te maken. In het afsprakenkader ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ is een onderverdeling gemaakt in drie categorieën. Binnen de categorie 1 en 2 zijn specifieke ruimtelijke ontwikkelingen benoemd, die onder die categorie vallen. Alle overige ruimtelijke ontwikkelingen die niet specifiek benoemd zijn, vallen onder categorie 3. Het omzetten van de voormalige bedrijfswoning aan Nattestraat 10 naar een ‘plattelandswoning’ valt onder een categorie 1 ontwikkeling. Het afsplitsen van de tweede bedrijfswoning
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 25 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
(Nattestraat 12) valt niet onder een specifiek benoemde ontwikkeling in categorie 1 of 2. De ontwikkeling op de planlocatie valt hierdoor in categorie 3. Landschappelijke inpassing In de bijlage van de regels en de toelichting is de landschappelijke inpassing toegevoegd. Hierin wordt het beleidskader kwaliteitsverbetering van het landschap beschreven. Daarnaast wordt een motivatie gegeven voor de gekozen landschappelijke inpassing. De benodigde basisinspanning wordt voorzien in het feitelijk toevoegen van een landschappelijke inpassing op de planlocaties en het slopen van overtollige bedrijfsbebouwing. Daarnaast wordt het bestaande agrarisch bouwvlak verkleind. Voor de planlocatie is een kwaliteitsberekening uitgevoerd. Uit de kwaliteitsberekening blijkt dat er binnen het plangebied een kwaliteitswinst van € 3.935,36 behaald wordt. Deze kwaliteitswinst kan gezien worden als extra investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Voor een verdere toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage. Een nadere toelichting op de landschappelijke inpassing is beschreven in paragraaf 3.4 ‘groenstructuur’ van onderhavige toelichting. Op de locaties wordt de bestemming ‘Groen’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ toegevoegd voor het borgen van de landschappelijke inpassing.
Daarnaast wordt in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen en wordt door de gemeente met de initiatiefnemers een anterieure overeenkomst afgesloten voor het aanleggen, behouden en onderhouden van de inpassing. Doordat landschappelijke inpassing plaatsvindt op de planlocatie voldoet de beoogde ruimtelijke ontwikkeling aan de voorwaarde kwaliteitsverbetering van het landschap. Samenvatting De Interim omgevingsverordening geeft aan dat verdergaand maatwerk mogelijk is om de voormalige tweede bedrijfswoning aan Nattestraat 12 (publiekrechtelijk) af te splitsen van het nog bestaande agrarisch bedrijf ter plaatse van Nattestraat 10. Daarbij wordt door het opnemen van de aanduiding ‘plattelandswoning’ burgerbewoning in de bedrijfswoning aan Nattestraat 10 mogelijk gemaakt. Hierbij zijn privaatrechtelijke omstandigheden niet bepalend en is daarom specifiek gekozen voor maatwerk. Vanwege de historisch ontstane situatie is het handhaven van de huidige juridisch-planologische situatie niet gewenst en is derhalve gekozen om, met inachtneming van een gebiedsgerichte aanpak, een passend juridisch-planologisch kader op te stellen. Door de herziening van het bestemmingsplan zal een fors deel van het agrarisch bouwvlak worden verwijderd en het perceel landschappelijk worden ingepast wat een positief effect zal hebben op de gemengde (woon)omgeving van het plangebied.
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in lijn is met de Interim omgevingsverordening. 4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Structuurvisie Halderberge 2025
Figuur 9: Uitsnede structuurvisie Halderberge 2025, toekomstbeeld Oudenbosch
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 26 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De structuurvisie Halderberge 2025 is op 20 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. In de structuurvisie Halderberge zijn de hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Halderberge op maatschappelijk, economische en ruimtelijk gebied naar toe gaat in de periode tot 2025. In de structuurvisie Halderberge worden onder meer het duurzaam ruimtelijk- en het duurzaam maatschappelijk structuurbeeld beschreven. De termijnbeelden worden het fundament van de gemeente Halderberge en zorgen na een confrontatie met de bestaande en toekomstige beleidsopgaven voor een visie op het gehele grondgebied. De structuurvisie Halderberge 2025 gaat niet nader in op incidentele (her)ontwikkelingen in het buitengebied van Oudenbosch, zoals hier aan de orde is. De locatie Nattestraat 10-12 is gelegen in het gebied ‘Verbreden’, zie figuur 9. Verbreden In de strategie verbreden worden functies toegevoegd aan gebieden waarvan de hoofdfunctie in principe prima functioneert. De variëteit aan functies in deze gebieden wordt als het ware verbreed. Binnen de te verbreden gebieden zijn vijf soorten gebieden te onderscheiden: ▪ Infrastructuur; ▪ Hoevensche Beemden; ▪ Lintbebouwing; ▪ Zone langs zuidelijke omlegging Oudenbosch; ▪ Uitloopgebieden. De planlocatie Nattestraat 10-12 is gelegen in het deelgebied ‘Lintbebouwing’.
Lintbebouwing Kenmerkend voor het kleinschalige halfopen zandlandschap in het zuidelijke deel van Halderberge is de lintbebouwing. De waarde van deze lintbebouwing is gelegen in de afwisseling van bebouwing en open doorzichten. Langs de lintbebouwing is ruimte voor verbreding van het gebruik van de bebouwing onder de voorwaarden dat de bestaande open doorzichten gehandhaafd blijven.
Figuur 10: Uitsnede structuurvisie Halderberge 2025, strategie
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 27 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4.3.2
Omgevingsvisie Halderberge
Me de Omgevingsvisie laat de gemeente zien wat zij belangrijk vinden in de omgeving waarin gewoond wordt, werken en recreëren. De Omgevingsvisie is vastgesteld op 10 februari 2022. In de Omgevingsvisie Halderberge legt de raad de belangrijke waarden en opgaven voor de toekomst vast. Met deze omgevingsvisie wil de gemeente bereiken dat Halderberge aantrekkelijk blijft én nog aantrekkelijker wordt. Dit doet de gemeente door ‘waarden’ en ‘opgaven’ te benoemen per deelgebied. In de omgevingsvisie staat dus a) wat de gemeente belangrijk vindt en b) waaraan de gemeente in de toekomst wil werken. De gemeente nodigt met deze omgevingsvisie iedereen uit om met goede plannen te komen om de leefomgeving mooier en beter te maken. Deze plannen dienen in lijn te zijn met de omgevingsvisie en daarmee is de omgevingsvisie een toetsingskader en aanjager voor initiatieven vanuit de samenleving. De planlocatie aan de Nattestraat 10 en 12 is gelegen in het kleinschalig landschap. Op de zandgronden rond de kernen is sprake van een halfopen landschap dat voornamelijk is ontstaan in vroegere tijden. Houtwallen, bomenrijen, geriefhoutbosjes en verspreide bebouwing hebben het landschap een kleinschalig en halfopen karakter gegeven. Binnen dit kleinschalige/ halfopen landschap liggen verschillende gebieden, zoals De Stoof, Kuivezand-Heinsberg en Gastels Laag.
In sommige van deze gebieden is typerende lintbebouwing aanwezig, die omringd wordt door kleinschalige groen- en landschapselementen. Andere gebieden worden weer gekenmerkt door de aanwezigheid van boomkwekerijen en glastuinbouwbedrijven. Daarnaast is kenmerkend voor dit kleinschalige landschap dat water(lopen), kwelgebieden en retentievoorzieningen een plek innemen hierin. Voor het kleinschalig landschap zijn de volgende waarden en opgaven opgenomen: Waarden, de trots van ons kleinschalige landschap: ▪ Landelijke omgeving waar recreatie, natuur, landbouw, wonen en water samenkomt ▪ Gemengd agrarisch gebruik ▪ Rond de kernen: kleine bebouwingsclusters of verdichte lintbebouwing ▪ Behoud grondwaterkwaliteit in het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied en boring vrije zone daar omheen ▪ Oude groenelementen als houtwallen, laanbeplanting en geriefbosjes ▪ Onregelmatige verkaveling ▪ Beken/beekdalen U kunt bijdragen aan de waarden door in te spelen op: ▪ het gemengde agrarische karakter van dit gebied; ▪ het behoud van groene landschapselementen; ▪ natte/ droge verbindingszones. De ontwikkeling op de planlocatie draagt bij aan een landelijke omgeving waar landbouw en wonen samenkomt. Daarnaast wordt een toevoeging gedaan aan het behoud van groene landschapselementen op de planlocatie middels het landschappelijk inpassingsplan.
Gesteld kan worden dat het planvoornemen in lijn is met de Omgevingsvisie. 4.3.3
Visie Toekomstbestendig gebruik agrarisch vastgoed
De gemeente Halderberge vindt een veilig, leefbaar en vitaal buitengebied belangrijk. Daarom is de bestuurlijke koers Vitaal buitengebied, die de gemeenteraad in 2019 heeft vastgesteld, verder uitgewerkt. De uitwerking bestaat uit drie pijlers: Vitale recreatieparken, toekomstbestendig gebruik agrarisch vastgoed en humaan verblijf voor arbeidsmigranten. Voor de eerste pijler is een gebiedsvisie opgesteld voor het recreatiecluster Hoeven. Voor de tweede pijler is een agrarische kennisbank gerealiseerd en is een gebiedsvisie opgesteld voor het gebied De Stoof (Oud Gastel) en omgeving. Voor de derde pijler is een toetsingskader opgesteld met aangepaste beleidskaders voor de huisvesting van arbeidsmigranten. De gemeenteraad heeft in februari 2021 een besluit genomen over de uitwerking van de drie pijlers. Halderberge wil leegstand van vrijkomende (agrarische) bedrijven in het buitengebied voorkomen. Hierbij is leefbaarheid en veiligheid belangrijk. Door het mogelijk maken en stimuleren van innovaties, creativiteit en
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 28 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
herstructurering zijn ondernemers en bewoners minder kwetsbaar voor (ondermijnende) criminaliteit, wordt verkrotting en verrommeling tegengegaan en blijft het buitengebied vitaal. Samen met inwoners en ondernemers is in 2019 en 2020 gewerkt aan een visie voor het pilotgebied ten oosten van Oud Gastel, De Stoof. Op basis van deze visie wordt gekeken welke mogelijkheden en wensen het gebied heeft om te innoveren en herstructureren als het gaat om vrijkomend (agrarisch) vastgoed. Dit doet de gemeente binnen de kaders van de Omgevingswet. De visie wordt geborgd in een VAB-parapluplan (Vrijkomende Agrarisch Bedrijfsbebouwing) dat momenteel in de maak is. Het VAB-parapluplan is in vooroverleg gegaan tot en met eind maart 2022. In het parapluplan wordt tevens de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning meengenomen. Door het opstellen van een VAB-parapluplan voor de gehele gemeente kunnen regels dusdanig aangepast worden dat er meer flexibiliteit ontstaat, maar waardoor ook de kwaliteit van het buitengebied versterkt wordt. Met een parapluplan kan meer flexibiliteit worden gecreëerd, waarbij in nauw en vroegtijdig overleg met de provincie kan worden bekeken op welke manier dit exact vorm kan krijgen. 4.3.4
Bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge’
Ter plaatse van de planlocatie vigeert het bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge’. Het bestemmingsplan is vastgesteld op 12 oktober 2017 met een aanvullend besluit op 14 december 2017. Het bestemmingsplan is op 24 mei 2018 in werking getreden en op 9 oktober 2019 onherroepelijk geworden.
Figuur 11: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge
De gronden ter plaatse van de planlocatie Nattestraat 10 en 12 zijn in het bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge’ bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ met bijbehorend bouwvlak en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – vakantieappartementen’. Daarnaast zijn de volgende gebiedsaanduidingen van toepassing: ‘luchtvaartverkeerzone – 6’, ‘luchtvaartverkeerzone – 5’, milieuzone – reservering waterberging’ en ‘overige zone – bebouwingsconcentraties’. Daarnaast heeft de planlocatie de maatvoering aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden – 2’. In figuur 11 is de huidige bestemmingsplankaart van het bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge’ weergegeven. Het voornemen op de planlocatie Nattestraat 10 en 12 is het grotendeels omzetten van de agrarische bestemming in een (burger)woonbestemming ter plaatse van Nattestraat 12. Het agrarische bouwvlak ter plaatse van Nattestraat 10 wordt afgesplitst en verkleind tot enkel een vlak voor het agrarisch bedrijf aan Nattestraat 10. De bestaande tweede bedrijfswoning aan Nattestraat 12 krijgt de bestemming ‘Wonen’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – VAB’. De bedrijfswoning aan Nattestraat 10 krijgt de aanduiding
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 29 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
‘plattelandswoning’ zodat burgerbewoning van deze woning mogelijk wordt. Voor het wijzigen van de bestemming op de locatie Nattestraat 12 is in artikel 4.8.9 (wijziging naar de bestemming ‘Wonen’ met aanduiding VAB) van het vigerend bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De ontwikkeling past niet geheel binnen deze wijzigingsbevoegdheid omdat het agrarisch bedrijf ter plaatse van Nattestraat 10 blijft bestaan. Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn de overige ontwikkelingen op de planlocaties niet rechtstreeks mogelijk. Het vigerende bestemmingsplan moet partieel worden herzien middels een bestemmingsplanprocedure ex. artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien. 4.3.5
Gemeentelijk riolering plan Halderberge
Alle percelen binnen het gemeentelijk grondgebied waar afvalwater vrijkomt, moeten zijn voorzien van een aansluiting op de riolering. In het buitengebied wordt het huishoudelijk afvalwater hoofdzakelijk ingezameld via drukriolering. Het huishoudelijk afvalwater en het regenwater moet gescheiden worden aangeleverd. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak meer dan 2.000 m2 vergroot wordt moeten het water ook bergen binnen het plangebied. De planlocatie Nattestraat 10-12 zijn reeds aangesloten op de riolering. Daarnaast vindt er geen toevoeging van verhard oppervlak plaats. Het verhard oppervlak neemt eerder af door het slopen van overtollige bebouwing op de planlocatie.
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 30 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 5 5.1
Relevante (Milieu)aspecten
Algemeen
In de onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke milieu hygiënische aspecten verder uiteengezet. 5.2
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is op 10 januari 2022 een rapportage uitgebracht naar aanleiding van het verrichte bodemonderzoek op de locatie Nattestraat 10-12. In bijlage 5 is de volledige bodemrapportage toegevoegd. Het doel van dit bodemonderzoek is het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit en de kwaliteit van de puinlaag (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem en in relatie tot asbest in het puingranulaat). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de puinlaag, de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen/proefgaten zijn verricht en een aantal puin-, grond-, en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht.
Als uitgangspunt voor de onderzoeksstrategie is de werkwijze conform de NEN 5725 (vooronderzoek), de NEN 5740 (uitvoering verkennend onderzoek) en de NEN 5897 (uitvoering asbestonderzoek in puin) gehanteerd. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van bodemverontreiniging. Als extra aandachtspunt is de voormalige dieseltank op locatie Nattestraat 10 aangemerkt. Ter plaatse van het puingranulaat op locatie Nattestraat 12 is aansluitend een verkennend asbestonderzoek verricht. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: ▪ Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is ter plaatse van de boringen 10, 11, 12, 16, 17 en 18 en de proefgaten 100 t/m 104 puingranulaat aangetroffen. Voor het overige zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen. ▪ In de bodem en het puingranulaat zijn visueel geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. ▪ In de bovengrond ter plaatse van grondmonster M01, nabij de voormalige bovengrondse dieseltank, is geen verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. ▪ In de bovengrond ter plaatse van grondmengmonster M02 (perceel nr. 10) is een licht verhoogd gehalte aan lood aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet benaderd. ▪ In de bovengrond ter plaatse van grondmengmonster M03 (perceel nr.
12) is een licht verhoogd gehalte aan lood aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet benaderd. ▪ In de ondergrond ter plaatse van grondmengmonster M04 (perceel nr. 10) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. ▪ In de ondergrond ter plaatse van grondmengmonster M05 (perceel nr. 12) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. ▪ In het grondwater ter plaatse van grondwatermonster GW01 zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. ▪ In puinmengmonster AM01 is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet benaderd. De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de bovengrond en het puingranulaat zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen functiewijziging naar ‘wonen’ en ‘plattelandswoning’. Bij een eventuele omgevingsvergunningaanvraag kunnen door het bevoegd gezag aanvullende eisen worden gesteld naar aanleiding van het bodemonderzoek.
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 31 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.3
Water
5.3.1
Het Nationaal Waterplan (NWP)
In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. 5.3.2
Watertoets
Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk, IPO, VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke waterhuishoudkundige relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor structuurvisies, bestemmingsplannen, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro met het waterschap. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. 5.3.3
Europese Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2010 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. 5.3.4
Beleid waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta Is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2022-2027, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.
Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 32 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
voorkeursvolgorde hergebruik, infiltreren/ vasthouden, bergen en afvoeren, afvoeren naar oppervlaktewater en afvoeren naar riolering. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. De beleidsregels die de gemeente Halderberge hanteert ten aanzien van water zijn ook opgenomen in het ‘Gemeentelijk rioleringsplan Halderberge, 2020-2023, Samen schakelen naar een toekomstbestendige waterketen’. Voorgaande documenten gelden als uitgangspunt bij de verwerking van het regenwater. De gemeente Halderberge conformeert zich aan het beleid van het waterschap Brabantse Delta qua retentie eis en voorkeurrits behandeling regenwater.
Figuur 12: Uitsnede Keur- en Leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 33 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.3.5
Grondwaterbeschermingsgebied en waterlopen
De planlocatie ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en is gelegen buiten het Natura 2000 invloed gebied. Aan de zuidzijde van de planlocatie grenst een waterloop categorie B. Daarnaast is aan de overzijde van de Nattestraat een categorie A waterloop gelegen. Met de planontwikkelingen vinden er geen aanpassingen plaats aan deze waterlopen. 5.3.6
Riolering en infiltratie
Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Bij voorkeur het gebruik hiervan reguleren door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst. Er worden met voorliggend initiatief geen nieuwe aansluitingen op de riolering gemaakt. De bestaande woningen zijn voorzien van een aansluiting op het gemeentelijke rioolstelsel. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat voor locaties waarbij de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 500 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. Op de planlocatie Nattestraat 10-12 vindt geen uitbreiding van het verhard oppervlakte plaats. Het verhard oppervlakte zal eerder afnemen door het slopen van overtollige bebouwing en het verkleinen van het agrarisch bouwvlak op de locatie.
Het is daarom niet nodig om te voorzien in een extra voorziening voor infiltratie- of retentie. 5.3.7
Watertoets
Het watertoets proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoets proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die heeft in het kader van het overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitgebracht. Op 15 april 2021 heeft het Waterschap Brabantse Delta een positief advies uitgebracht op de ontwikkelingen op de planlocatie. Het advies is in bijlage 3 toegevoegd. 5.4
Cultuurhistorie en archeologie
5.4.1
Europees kader
In de nota belvedère staat de instandhouding, versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit bij ruimtelijke aanpassingen centraal. Hiertoe wordt een ontwikkelingsgerichte benadering voorgestaan, die bestaande kwaliteiten als vertrekpunt hanteert en deze combineert met een beschrijving van de recente cultuurgeschiedenis, dynamiek en ontwikkelingspotenties van een gebied. Het plangebied is niet gelegen in een gebied aangewezen binnen de nota belvedère. Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is geen zelfstandige wet, maar een Wijzigingswet en betreft onder meer
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 34 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
een herziening van de Monumentenwet 1988. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Omgevingswet zal naar verwachting in 2023 in werking treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. 5.4.2
Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart/ons ongeschreven verleden gemeente Halderberge
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. De gemeente, waarbinnen de betreffende ontwikkeling plaatsvindt, is hierbij het bevoegd gezag. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie NoordBrabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig zijn, zie paragraaf 5.4.5. Daarnaast heeft de gemeente Halderberge, om inzicht te krijgen welke archeologische vondsten er in de gemeente verwacht kunnen worden, op 22 september 2011 de beleidsnota “Ons ongeschreven verleden” vastgesteld, waarbij de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart die in 2005 is vastgesteld dienstdoet als basiskaart bij nieuwe ontwikkelingen. In de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart wordt onderscheid gemaakt in gebieden met een lage, middelhoge en hoge verwachting voor vindplaatsen. De kaart is leidend bij de toetsing van gemeentelijke plannen. 5.4.3
Archeologie
Figuur 13: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Halderberge
Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. De archeologen van de Regio West-Brabant adviseren de gemeenten hierin. In figuur 13 is ter plaatse van de planlocatie een uitsnede van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Halderberge weergegeven, hieruit blijkt dat de planlocatie gelegen is in een gebied met een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit alle onderscheiden perioden. Het advies wat bij dit gebied hoort is dat een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is met uitzondering van archeologische monumenten en bekende vindplaatsen. De locatie Nattestraat 10-12 is niet aangeduid als een archeologisch monument. Een nader archeologisch onderzoek op deze locatie is niet benodigd.
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 35 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
In het bestemmingsplan ‘buitengebied Halderberge’ en in het bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge’ is ter plaatse van de planlocatie Nattestraat 10-12 geen dubbelbestemming voor archeologie opgenomen. 5.4.4
Beleidsnota Cultureel Erfgoed ‘Inspirerend verleden’
Op 22 september 2011 heeft de gemeenteraad de beleidsnota cultureel erfgoed Halderberge ‘Inspirerend verleden’ vastgesteld. De centrale visie van deze nota luidt: ‘cultuurhistorie is een belangrijke drager van de identiteit van Halderberge en maakt integraal onderdeel uit van de ruimtelijke ontwikkeling van Halderberge, waardoor ontmoetingen van heden en verleden gelden als uitdaging en inspiratiebron voor de toekomst’. In beleidsnota Cultureel Erfgoed wordt de huidige stand van zaken met betrekking tot monumentenzorg besproken en worden voorstellen gedaan om te komen tot een adequaat, integraal en actief gemeentelijk beleid op het gebied van monumentenzorg. Bij het maken van beleidskeuzen heeft het cultuurhistorisch aspect meer dan in het verleden een prominentere rol gekregen, die verder gaat dan alleen de zorg voor een bepaald monumentaal object. Die gedachte sluit tevens aan op internationale, nationale en provinciale ontwikkelingen. 5.4.5
Cultuurhistorie
Sinds 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg hiervan is het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) gewijzigd. Kort gezegd geldt nu voor cultuurhistorie, wat als sinds 2007 voor archeologie geldt. Ook voor cultuurhistorie moet nu in elk bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het gaat daarbij niet alleen om cultuurhistorische objecten, ook historische geografie hoort hierbij. Om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van cultuurhistorische elementen waarmee rekening dient te worden gehouden, is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Deze kaart is eveneens via de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel.
Figuur 14: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (bron: brabant.nl)
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 14) is te zien dat het plangebied is gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘West-Brabantse Venen’. Daarnaast is de planlocatie gelegen in een archeologisch landschap ‘Dekzandrug Bosschenhoofd-Hoeven’ en heeft de locatie de indicatieve Archeologische waarden ‘middelhoge trefkans’. De Nattestraat is gemarkeerd als ‘historische geografie – lijnen van redelijk hoge waarden’. De woning aan Nattestraat 10 is aangewezen als ‘overige bouwkunst – Boerderij’.
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 36 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
In figuur 14 is ter plaatse van de planlocatie een uitsnede van de Cultuurhistoriekaart van de gemeente Halderberge weergegeven. Op de kaart is de Nattestraat aangegeven als ‘historische weg’. Daarnaast is de woning van Nattestraat 10 aangegeven als ‘gemeentelijk monument’. Bij de herijking van de gemeentelijke monumentenlijst in 2016 is de aanwijzing van het pand Nattestraat 10 in Oudenbosch als gemeentelijk monumenten komen te vervallen. Het omzetten van de voormalige bedrijfswoningen in een burgerwoning en een plattelandswoning op de planlocatie heeft geen consequenties voor de aangegeven cultuurhistorische waarden zoals aangegeven op de Cultuurhistorische waarde kaarten van de provincie en gemeente. De historische lijnen van de Nattestraat worden niet aangepast, er vinden geen veranderingen plaats. Daarnaast blijft de woning aan de Nattestraat 10 in zijn oorspronkelijke staat behouden. De aangegeven archeologische waarden worden nader toegelicht in paragraaf 5.4.3.
Figuur 15: Uitsnede Cultuurhistoriekaart gemeente Halderberge
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 37 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.5
Ecologie
5.5.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan hetgeen beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. 5.5.2
Wetgeving
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming (1 januari 2017). Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitat. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden. Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De wet natuurbescherming biedt bescherming aan het merendeel van de inheemse dieren en planten in Nederland. De nieuwe Wet natuurbescherming regelt niet alleen de ‘ruimtelijke ingrepen’, maar ook de andere onderwerpen zoals overig bezit en handel, gebiedsbescherming, houtopstanden, klacht en beheer en schadebestrijding.
Een verandering ten opzichte van de oude Natuurbeschermingswet 1998 is dat de provincies voor hun gebied bepalen wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is enkel nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. De beschermingsstatus van de inheemse dier- en plantensoorten houdt onder meer in dat in geval van voorgenomen activiteiten zoals aanleg van infrastructuur of bouwprojecten, de planlocatie moet worden getoetst op de aanwezigheid van beschermde soorten: de ‘natuurtoets’. 5.5.3
Gebiedsbescherming
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfsplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is op 27 juli 2020 een rapport uitgebracht naar aanleiding van de ecologische quickscan welke is uitgevoerd in het plangebied Nattestraat 10 en 12 vanwege de sloop van gebouwen. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk Nederland/ EHS. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied liggen op een afstand van circa 10 tot 20 kilometer. Het betreft de gebieden Hollands Diep, Markizaat en Oosterschelde. Natura 2000 gebieden op Belgisch grondgebied liggen op een grotere afstand van de planlocatie.
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 38 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Op de planlocatie Nattestraat 12 wordt de agrarische bedrijfswoning omgezet naar ‘Wonen’ en aan Nattestraat 10 wordt de bedrijfswoning aangewezen als ‘plattelandswoning’. De ontwikkelingen zijn beperkt tot het plangebied zelf en met dit bestemmingsplan is sprake van het omzetten van de bestemming ten behoeve van het gewijzigd gebruik. Gelet op de schaal en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden. Een nader onderzoek naar de invloed op Natura 2000 gebieden is voor onderhavig bestemmingsplan niet benodigd. Wat betreft het Natuurnetwerk Nederland worden er geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/ EHS aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling en de ligging op voldoende afstand. Het dichtstbijzijnde NNB-gebied is gelegen op circa 0,6 kilometer afstand. Het betreft een iets wat versnipperd NNB-gebied aan de zuidwestelijke en zuidoostelijke zijde van het plangebied. Op iets grotere afstand van 1,25 kilometer aan de zuidelijke zijde ligt een groter aaneengesloten NNB-gebied. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht.
Het plangebied ligt buiten het Attentiegebied NNB en Groenblauwe mantel waardoor de wetgeving op dit punt niet van toepassing is. 5.5.4
Beschermde soorten
Soorten Habitatrichtlijn De enige soort die onder strikte beschermingsregiem van de Habitatrichtlijn (Wnb §3.2) vallen en met enige waarschijnlijkheid binnen het plangebied verwacht kunnen worden zijn vleermuizen en in het bijzonder de gewone dwergvleermuis. Binnen de invloedsfeer van de ingreep ontbreken geschikt verblijfsmogelijkheden en essentieel habitatgebied voor vleermuizen en andere soorten waarvoor een strikte bescherming geldt. Negatieve effecten op verblijfplekken en functioneel leefgebied voor deze en soorten waarvoor een strikt beschermingsregime geldt kunnen uitgesloten worden Soorten nationaal beschermd (geen vrijstelling) Negatieve effecten van jaarrond beschermde verblijfplekken van soorten die beschermd zijn middels Wnb § 3.3, het middelzware beschermingsregime van ‘andere soorten’, kunnen binnen het plangebied en invloedsfeer daarvan uitgesloten worden. Jaarrond beschermde verblijfplekken van zoogdieren en vogels Binnen het plangebied en de invloedssfeer daarvan kunnen verblijfplaatsen die als jaarrond beschermde vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren kunnen worden aangemerkt en beschermd zijn middels Wnb § 3.1, §3.2 en §3.3 uitgesloten worden.
Als gevolg van de ontwikkeling worden ook geen negatieve effecten verwacht op elementen die van essentieel belang kunnen zijn voor de instandhouding van het functioneel leefgebied van soorten waarvoor een strikte bescherming geldt. Beschermde houtopstanden Binnen het plangebied ontbreken houtopstanden die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming of kapvergunning plichtig kunnen zijn. Conclusie Uit bovenstaande (en het volledige rapport van de ecologische quickscan) blijkt dat de ontwikkeling in het plangebied geen belemmering oplevert voor de ecologische waarden in het gebied. In hoofdstuk 6 van de ecologische quickscan worden algemene voorzorgsmaatregelen beschreven die aanbevolen worden. Het betreft het rekening houden met het broedseizoen en een algemene zorgplicht voor in het wild levende dieren en planten. De voorzorgsmaatregelen worden tijdens de ontwikkeling in acht genomen. Een vervolgonderzoek of ontheffingsaanvraag is hierdoor niet benodigd. Het volledige rapport m.b.t. de ecologische quickscan is als afzonderlijke bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd.
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 39 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.6
Geluid
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder (Wgh) en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Voor andere geluidsbronnen bestaan geen wettelijke kaders. Andere geluidbronnen kunnen wel leiden tot een aanvullende beoordeling van het aspect geluid in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Wegverkeerlawaai en spoorweglawaai In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buiten stedelijke ligging. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden.
Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van een bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. De planlocatie ligt aan de Nattestraat te Oudenbosch. De Nattestraat heeft een maximumsnelheidsregime van 60 km/h. Middels voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De bestaande bedrijfswoningen worden omgezet naar een burgerwoning en een plattelandswoning. Op basis van art. 76 lid 3 van de Wet geluidhinder hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een (burger)woning en/ of plattelandswoning. De bestaande bedrijfswoning op de locatie Nattestraat 12 wordt omgezet naar een burgerwoning, de woning aan Nattestraat 10 wordt aangewezen als ‘plattelandswoning’. De bestaande woningen zijn op circa 15 meter van de as van de weg gesitueerd. Bij een afstand van minimaal 15 meter vanaf de as van de weg wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden wanneer er circa 800 voertuigbewegingen of meer per etmaal in de straat plaats vinden.
Gezien het feit dat de Nattestraat sinds de aanleg van de nieuwe rondweg (N640) aangemerkt is als erftoegangsweg en het geen hoofdverbindingsweg meer is, is het aannemelijk dat er geen 800 voertuig bewegingen of meer per etmaal plaats vinden. De Nattestraat betreft voor gemotoriseerd verkeer geen doorgaande weg meer richting de kern Oudenbosch. De rechtstreekse verbinding is enkel nog te voet of met te fiets te nemen onder de rondweg (N640) door. Gelet op voorgaande kan gesteld worden dat het geluidniveau hierdoor aanvaardbaar is. De in- en uitrit naar de boomkwekerijloods bevindt zich op circa 20 meter van de woning aan Nattestraat 10. Het betreft hier een in- en uitrit waar enkel bestemmingsverkeer over plaats vindt, het betreft geen openbare weg. In onderhavig bestemminsplan wordt de bestaande bedrijfswoning ter plaatse van Nattestraat 10 aangewezen als plattelandswoning. Gezien dat het geen openbare weg betreft en dat er slechts enkel voertuig bewegingen per etmaal plaats vinden, kan geconcludeerd worden dat het geluidniveau van deze in- en uitrit aanvaardbaar is. Een plattelandswoning wordt op grond van de Wet plattelandswoningen niet beschermd tegen de milieugevolgen van het eigen bedrijf aan de Nattestraat 10, behoudens het aspect luchtkwaliteit en externe veiligheid.
De plattelandswoning is planologisch geborgd in het plan door de aanduiding ‘Specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ op de planverbeelding. De woning aan Nattestraat 10 is daarnaast gelegen op circa 100 meter vanaf de nieuwe Oudenbossche Koepelbaan (N640). De N640 heeft een maximumsnelheidsregime van 80 km/h. De planlocatie is gelegen binnen de geluidszone van de N640. Bij het realiseren van de N640 is een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai uitgevoerd op de omliggende woningen (zie ‘Bestemmingsplan Rondweg Oudenbosch’). Bij de realisatie zijn bron- en overdrachtsmaatregelen als geluid reducerende geluidsmaatregelen gehanteerd. Uit
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 40 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
onderzoek blijkt dat ten opzichte van de planlocatie geen overschrijding plaats vindt van de grenswaarden. Gelet op voorgaande is een akoestisch onderzoek met betrekking tot wegverkeerlawaai niet benodigd. Daarnaast ligt de planlocatie niet binnen de geluidzone van een spoor, waardoor een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is op gebied van spoorweglawaai. Industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) zorgt daarnaast voor de bescherming van geluidgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van industrielawaai. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. In de omgeving zijn geen industrieterreinen gelegen. Er wordt met de beoogde ontwikkeling echter geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De voormalige bedrijfswoningen betreffen reeds bestaande geluidsgevoelige objecten in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het initiatief. 5.7
Bedrijven en milieuzonering
5.7.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Omgevingstype Gelet op de functiemenging in de directe nabijheid van de planlocatie en de aanwezigheid van diverse woonlocaties aan de lintbebouwing van de Nattestraat, wordt er uit gegaan van een gemengd gebied. Daarnaast is de planlocatie gelegen in de directe omgeving van de N640 welke wordt aangemerkt als hoofdinfrastructuur van Oudenbosch. 5.7.2
Richtafstanden
Het boomteeltbedrijf welke gevestigd blijft aan de Nattestraat 10, kan volgens de VNG-publicatie worden ingedeeld bij ‘Tuinbouw’ en heeft een bijbehorende milieucategorie 2. Verder wordt op beide locaties Nattestraat 10 en 12 een aantal hobbymatige dieren gehouden (zoals paarden en kippen).
Toelichting 191830 | 12-07-2022
Pagina 41 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 16: Overzicht milieuzonering Tabel 2: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘gemengd gebied’ Bedrijfsomschrijving Adres Cat. Geur Boomteeltbedrijf Nattestraat 10 2 0m
Stof 0m
Geluid 10 m
Gevaar 10 m
In het onderhavige bestemmingsplan wordt de bestaande bedrijfswoning ter plaatse van Nattestraat 10 omgezet naar een plattelandswoning. Een plattelandswoning betreft een woning behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting die voor een derden bewoond mag worden en als onderdeel van die inrichting wordt beschouwd. Een plattelandswoning heeft wat betreft milieubescherming voor omliggende functies dezelfde bescherming als een bedrijfswoning. Een plattelandswoning wordt bovendien op grond van de Wet plattelandswoningen niet beschermd tegen de milieugevolgen van het eigen bedrijf, behoudens het aspect luchtkwaliteit en externe veiligheid. De plattelandswoning is planologisch geborgd in het plan door de aanduiding ‘Specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ op de planverbeelding. In figuur 16 is de richtafstand van 10 meter (geldend voor ‘gemengd gebied’) ingetekend, rond het toekomstig agrarisch bouwvlak van het boomteeltbedrijf op de locatie Nattestraat 10. Uit figuur 16 blijkt dat er geen omliggende gevoelige objecten binnen de richtafstanden van het boomteeltbedrijf zijn gelegen. Er ontstaat door de planontwikkeling een nieuwe planologische situatie binnen het plangebied. Het agrarisch bedrijf aan Nattestraat 10 blijft behouden met een verkleind agrarisch bouwvlak.