CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

samengestelde pdf tam omgevingsplan.pdf

Gemeenteraad 13 november 2025, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 6: Voorstel Omgevingsplan Halderberge, vaststelling TAM-omgevingsplan Sprangweg 52 Hoeven26.199 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten en de beperkte overschrijding van de norm voor landbouw/natuur behoeven er ons inzien geen restricties gesteld te worden aan de beoogde bestemmingswijziging en herontwikkeling van de locatie. Eventuele graafwerkzaamheden kunnen onder basishygiëne uit de CROW400 worden uitgevoerd.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

31

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

4.2 Water 4.2.1

Wettelijk kader

4.2.1.1 Inleiding In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen van een plan voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het besluitgebied is gelegen binnen het beheergebied van Waterschap De Dommel. 4.2.1.2 Nationaal Water Programma 2022-2027 In Nederland zijn er grote opgaven voor het waterdomein. Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor een goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water heeft de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 vastgesteld. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Dit plan wordt door de waterschappen op gebiedsniveau vormgegeven. 4.2.1.3 Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta 2024 Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. In de Omgevingswet staan alle regels van het waterschap voor de ruimte waarin we wonen, werken en ontspannen: onze leefomgeving. Deze regels staan in één digitale verordening: de waterschapsverordening 4.2.1.4 Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 Het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 is vastgesteld door het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven.

Klimaatadaptatie (aanpassen aan de klimaatverandering) Met het waterbeheer richt het waterschap zich voor een belangrijk deel op het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering (klimaatadaptatie). Maar ook op het beperken van die gevolgen. Samenwerking, een slimme inrichting van de openbare ruimte en het stimuleren van burgers en bedrijven zijn ingrediënten van de aanpak.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

32

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Waterveiligheid Aan het beperken van de overstromingsrisico’s - kortweg waterveiligheid – werkt het waterschap continu. Door in de programmaperiode de dijken te versterken en te onderhouden, zorgt het waterschap ervoor dat de dijken voldoen aan de normen. De komende jaren staan er enkele dijkverbeteringsprojecten op het programma. Maar aandacht voor dijken alleen is niet voldoende. Ook de ruimtelijke inrichting van Midden- en West-Brabant en adequaat optreden als zich een crisis voordoet (crisisbeheersing) zijn bepalend voor het beperken van overstromingsrisico’s. Gezond water (schoon water) De komende jaren werkt het waterschap samen met alle partners aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Met het aanleggen van vispassages bevorderen we de visstand. En door te ‘bouwen met natuur’, versterken we het leven in en om het water. Met een uitgebreid pakket aan maatregelen streven we ernaar de Europese normen voor de waterkwaliteit te halen. Daarbij kijken we ook naar het terugdringen van vervuilende stoffen. Voldoende water Bij de zorg voor voldoende water staat het vasthouden en infiltreren van water bovenaan als doelstelling in het Waterbeheerprogramma. Er is maatwerk nodig om verdroging tegen te gaan en de beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater te vergroten. Tegelijkertijd is er oog voor het beperken van wateroverlast na langdurige regenval en extreme neerslag.

Vaarwegen Het waterschap voert in opdracht van de provincie Noord-Brabant het vaarwegbeheer uit, onder andere op de Mark en Dintel en de Vliet. In de programmaperiode blijven we dat doen om een vlot en betrouwbaar scheepvaartverkeer mogelijk te maken. Waterketen Onder waterketen verstaat het waterschap alle zuiveringen, rioolgemalen, afvalwatertransportleidingen en persstations die zij in beheer heeft. Die zijn belangrijk om afvalwater schoon te maken. Het beheer, onderhoud en vervanging gebeurt in de programmaperiode op een duurzame manier. Tegelijkertijd kijken we naar innovaties en het produceren van grondstoffen en energie uit afvalwater. 4.2.1.5 Gemeentelijk waterprogramma Gemeente Halderberge Na het van kracht worden van de omgevingswet (voorzien 1 januari 2024) is het gemeentelijk rioleringsplan niet langer een wettelijk verplichte planvorm maar kunnen elementen hiervan opgaan in respectievelijk de omgevingsvisie, -plan en -programma. Toch stelt de gemeente Halderberge met het GWP een opvolger van het GRP op. Daarbij is rekening met de beoogde opzet van de Omgevingsvisie, het Omgevingsplan en de programma’s. Samenwerkingsverband Water- en Klimaatkring West streeft naar het ontwikkelen van een toekomstbestendig water- en klimaatsysteem.

Binnen deze kring werkt gemeente Halderberge met partners samen aan gezamenlijk beleid, kennisdeling, innovaties, capaciteit en het verbinden van partijen. Het doel is om de totale waterketen optimaal in te richten en een veerkrachtig zoetwatersysteem te ontwikkelen. Hierbij staat de leefbaarheid van de omgeving centraal, waarbij waterbesparing, het waardevoller maken van water en het bevorderen van een gezonde bodem belangrijke speerpunten zijn.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

33

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

De leidende principes zijn • Meerwaarde creëren: Waar mogelijk creëren we vanuit de invulling van de zorgplichten meerwaarde voor de omgeving • Doelmatig waterbeheer In lijn met het bestuursakkoord Water blijven we streven naar een zo •

doelmatig mogelijke werking van de waterketen Participatie In lijn met het gedachtengoed van de Omgevingswet willen we de maatschappelijke betrokkenheid verhogen:

De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Ook is er een rol in de zorg voor oppervlaktewater en drinkwater. Bij wordt gedragen aan de volgende omgevingsgerichte lange termijn doelstellingen: • Bescherming van de volksgezondheid; • Droge voeten (bebouwd gebied); • Schoon water en een schone bodem. Als strategie en verankering zijn de volgende kaders vastgelegd: Afvalwater De activiteiten gebonden verplichting tot het hebben van een vetafscheider komt te vervallen. Het is volgens het Kabinet effectiever om gemeenten in het omgevingsplan te laten bepalen wie wel een vetafscheider moet hebben. Omwille van de doelmatigheid vervalt met de komst van de Omgevingswet ook het afstandscriterium bij de keuze voor riolering of een gelijkwaardig alternatief. Ook is de provincie hierin geen bevoegd gezag meer. Gemeente Halderberge en waterschap Brabantse Delta maken per situatie een gezamenlijke doelmatigheidsafweging op basis van een gezamenlijk op te stellen transparant afwegingskader. Hemelwater Voor de omgang met hemelwater is het vertrekpunt dat we willen voorkomen dat hemelwater wordt afgevoerd uit het gebied. We hanteren de volgende voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik Hergebruik van regenwater, om zuiniger om te gaan met water en minder drinkwater te verspillen 2.

Bergen en infiltreren op eigen terrein Voorkomen van afwentelen van privaat naar publiek. Centrale voorzieningen zijn aanwezig om als buffer te fungeren. 3. Tijdelijke opslag in openbaar gebied met uitloop naar groen Bij voorkeur bovengrondse opslag. Uitloop naar groen om schadelijke neveneffecten zoveel als mogelijk te beperken. 4. Afvoeren op bovengronds afwateringsvoorziening Af te voeren water slim verdelen door waar het kan te lozen op bovengrondse afwateringsvoorziening (watergang, weg met afwateringsfunctie, etc.) 5. Afvoeren via een ondergrondse hemelwaterafvoer 6. Afvoeren op een gemengd rioolstelsel richting RWZI Toets Grondwater

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

34

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt ingezet op water en bodem als sturend element. Er wordt gewerkt vanuit de randvoorwaarden die het water- en bodemsysteem stellen. De grondwatervoorraad in Brabant staat al lange tijd onder druk, wat zich vertaalt in toenemende waterschaarste in droge tijden, afname van grondwaterstanden en diepte stijghoogten en droogvallende beeksystemen in de zomer. Structurele grondwaterproblemen op nieuwbouwlocaties worden voorkomen door de wijze van bouwen en bouwrijp maken. 4.2.1.6 Waterschapsverordening Sinds 1 januari 2024 heeft Waterschap Brabantse Delta een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt de Keur. Aansluitend aan het besluitgebied zijn b-watergangen gelegen. Het planvoornemen heeft geen negatieve effecten op deze watergangen. Tevens is direct ten oosten van het besluitgebied de aanduiding ‘reservering waterberging gelegen’. De ontwikkeling heeft juist een positieve invloed op het waterbergend vermogen. De aanduidingen van het besluitgebied in de Waterschapsverordening hebben derhalve geen negatieve invloed op dit plan. Deze ontwikkeling is hydrologisch neutraal. 4.2.1.7 Beleid hemelwaterzorgplicht en regels watertoetsproces Deze wijziging ziet toe op een gewijzigd gebruik van de bestaande bedrijfswoning en het toevoegen van een wooneenheid. Binnen het besluitgebied is sprake van een afname van verhard oppervlak.

Circa 7.200 m² aan bedrijfsgebouwen en voorzieningen wordt gesaneerd. Deze wijziging heeft geen negatieve gevolgen voor de omgang met hemelwater binnen het besluitgebied. 4.2.1.8 Wateraspecten binnen het besluitgebied De bodem binnen het besluitgebied bestaat deels uit een Hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21) en deels uit Lage enkeerdgronden; lemig fijn zand (EZg23). Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart met de GHG, waarop de ligging van het besluitgebied is aangeduid. Binnen het besluitgebied is sprake van een GHG van ongeveer 40-50 cm-mv. De gronden zijn geschikt voor infiltratie van hemelwater.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

35

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Besluitgebied

Figuur 12: Kaart met GHG binnen het besluitgebied

4.2.1.9 Omgang met hemelwater Het verhard oppervlak zal significant afnemen. Voor de nieuwe woning wordt een verhard oppervlak verwacht van maximaal 400 m². Hiervoor zal 0,06 m x 400 m² = 24 m³ waterberging op eigen gronden plaatsvinden. Dit wordt uitgewerkt in de bouwaanvraag. In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woningen en de bijgebouwen worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een bergingsvoorziening. De bergingsvoorziening zal boven de GHG worden gerealiseerd. Gezien de relatief hoge GHG is ter plaatse van de beoogde woning wordt een bovengrondse bergingsvoorzieningen voorgesteld zoals een zaksloot of een infiltratieveld dan wel poel. Bovengrondse voorzieningen zijn minder foutgevoelig. Het water moet op eigen terrein worden geborgen. Een versnelde afvoer naar de b-watergangen is niet toegestaan.

4.2.1.10 Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het besluitgebied moet worden afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. De hoeveelheid huishoudelijk afvalwater zal toenemen door de bouw van een extra woning. De wijzigingen dienen goed en tijdig te worden afgestemd met de gemeente.

4.3

Cultureel erfgoed

4.3.1

Wettelijk kader

In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

36

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; -

verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

4.3.2

Toets

4.3.2.1 Beleidskader De gemeente Halderberge heeft in het kader van de Wet op de archeologische monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Beleidsnota archeologie gemeente Halderberge ‘Ons ongeschreven verleden". In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur, e.d., en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Beleidsnota archeologie gemeente Halderberge’ is de ‘Archeologische advieskaart buitengebied: alle perioden (RAAP-rapport 1129)'. Navolgend is een uitsnede van beleidskaart 4 weergegeven, waarop het plangebied is omcirkeld. 4.3.2.2 Besluitgebied Navolgende figuur betreft een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente waarop de ligging van het besluitgebied is aangeduid.

Besluitgebied

Figuur 13: Uitsnede Archeologische beleidskaart waarop de ligging van het besluitgebied is aangeduid

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

37

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Het besluitgebied is op de archeologische beleidskaart deels aangeduid met een hoge archeologische verwachtingswaarde en deels met een lage verwachtingswaarde. Binnen het besluitgebied is sprake van een tuinbouwbedrijf met kassen. Bij bouw van gebouwen op dit terrein is de grond geheel geroerd. De nieuwe woning wordt gebouwd binnen het gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Ter plaatse is om die reden ook geen archeologische dubbelbestemming opgenomen aan deze kant van de plankaart. De huidige dubbelbestemming wordt overgenomen van de verbeelding. Deze wijziging leidt niet tot aantasting van eventuele archeologische waarden.

4.4 Natuur 4.4.1

Wettelijk kader

4.4.1.1 Inleiding Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten, waaronder vogels en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.4.1.2

Gebiedsbescherming

4.4.1.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden zijn aangewezen in twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan Rijksregels zoals de specifieke zorgplicht. Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval. 4.4.1.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. 4.4.1.2.3

Stikstof

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

38

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).

4.4.1.2.4 Houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen Rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen. 4.4.1.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland.

Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en faunaactiviteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten.

4.4.2

Toets

4.4.2.1 Gebiedsbescherming Het meest dichtbij gelegen natura-2000 gebied betreft ‘Hollands Diep’, op een afstand van ruim 12,5 kilometer.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

39

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

De gronden rondom de Kibbelvaart zijn aangeduid als NNB-provinciaal deel. Deze gronden liggen op zo’n 100 meter. Binnen het besluitgebied is thans een agrarisch bedrijf aanwezig. Dit bedrijf wordt gestaakt en gesaneerd. Ter vervanging wordt een woningbouwkavel opgenomen. Het planvoornemen heeft een louter positieve invloed op omliggende natuur. Het gebruik zal extensiveren. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand van het besluitgebied tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden in relatie tot de ontwikkeling op voorhand uit te sluiten. De kas zal niet meer worden verwarmd en vervoersbewegingen zullen afnemen. Er vindt geen houtkap plaats binnen het besluitgebied. 4.4.2.2 Soortenbescherming Het besluitgebied is in de huidige situatie gebruikt als agrarisch bedrijf met tuinbouwkassen. De bedrijfswoning blijft ongewijzigd behouden en deze woning wordt hergebruikt als reguliere woning. De kassen worden gesloopt. De kassen worden intensief gebruikt en vormen geen goede habitat voor diersoorten. Er is geen sprake van een spouwmuur of dakisolatie. Afbraak de kassen leidt niet tot aantasting van soorten. Binnen het plangebied worden geen bomen of groenstructuren verwijderd. Dit plan leidt niet tot aantasting van soorten. De voorzijde van de kas wordt geclassificeerd als bedrijfsgebouw. Hierin vindt opslag plaats.

Om aan te tonen dat ook hier geen beschermde soorten in zitten zijn foto’s gemaakt vaan de binnenkant. Deze foto’s worden hierna weergegeven.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

40

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Figuur 14: Foto's binnenkant bedrijfsgebouw aan de voorzijde van de kassen

Het waterbassin wordt weggehaald. Hier kunnen dieren mogelijk drinkwater uithalen of foerageren. Op circa 130 meter is een A-watergang gelegen ten oosten en er is een poel aanwezig in de directe omgeving (210 meter ten oosten). Dieren die foerageerden in het bassin kunnen hierdoor eenvoudig in de directe omgeving andere foerageerlocaties vinden. Bovendien vindt met de aanleg van een wadi of zaksloot in seizoenen ook hemelwateropvang op de eigen gronden plaats.

4.5 Geluid 4.5.1

Wettelijk kader

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat’). De bruidsschat en dit wijzigingsbesluit vormen samen de regels van het Omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het Omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het Omgevingsplan. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Bkl heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

41

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het Omgevingsplan, zijn instructieregels voor bedrijfsmatige activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).

4.5.2

Toets

Door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek worden hierna geciteerd. Het volledige onderzoek wordt als bijlage toegevoegd bij onderhavige motivering. Uit de toets in het kader van de gevelbelasting blijkt:

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van diversen aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere aarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.

Omdat het gezamenlijk geluid hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

4.6 Geur 4.6.1

Wettelijk kader

Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden. Echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is realisatie van een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: ‘zorg voor de fysieke leefomgeving’). In het Bal zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

42

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan.

4.6.2

Toets

Er is sprake een functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning (niet zijnde bij een veehouderij) naar een reguliere woonfunctie. Deze functie is reeds voor geur gevoelig. Tevens wordt er een extra wooneenheid toegevoegd. In de omgeving van het besluitgebied is één veehouderijbedrijf gelegen, Midden Donk 8. Aan de Midden Donk 8 is een veehouderij gevestigd met koeien en vleesstieren. Dit bedrijf ligt op een afstand van circa 610 meter van het plangebied. De vergunning van het bedrijf is in navolgende afbeelding afgebeeld:

Er is geen sprake van industriële geuremissies in de omgeving. Door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant is een kaart opgenomen waarop de indicatieve achtergrondbelasting voor geur vanuit veehouderijen is weergegeven. Navolgende figuur is een uitsnede van deze kaart waarop de ligging van het besluitgebied op deze kaart is aangeduid.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

43

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Besluitgebied

Figuur 15: Uitsnede kaart met indicatieve achtergrondbelasting met het besluitgebied aangeduid

Binnen het besluitgebied is sprake van een indicatieve achtergrondbelasting van 0-3 ouE/m³. Hiermee is er binnen het besluitgebied sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Niet aannemelijk is dat er gezien de lage achtergrondbelasting en de afstand van het besluitgebied tot agrarische bedrijven in de omgeving sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van de voorgrondbelasting. Tussen het besluitgebied en omliggende bedrijven zijn in alle richtingen geurgevoelige functies gelegen. De ontwikkeling hindert dan ook geen veehouderijbedrijven.

4.7 Gezondheid 4.7.1

Endotoxinen

4.7.1.1 Wettelijk kader De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

44

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. 4.7.1.2 Toets Het besluitgebied is niet gelegen binnen een endotoxine-contour. Veehouderijbedrijven in de omgeving zijn op ruimere afstand gelegen. Het besluitgebied is niet gelegen binnen een afstand van 250 meter tot een varkensbedrijf. Het meest dichtbij gelegen pluimveebedrijf ligt op circa 800 meter. Er is ook geen sprake van de aanwezigheid van bedrijven met een combinatie van varkens en pluimvee in de omgeving van het besluitgebied.

4.7.2

Geitenhouderijen

4.7.2.1 Wettelijk kader Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer dan gemiddeld kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van longontstekingen in relatie tot geitenhouderijen en een integrale aanpak voorhanden is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met de uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies. 4.7.2.2 Toets Er is geen sprake van de ligging van een geitenbedrijf binnen twee kilometer tot het besluitgebied.

4.7.3

Gewasbeschermingsmiddelen

4.7.3.1 Wettelijk kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. 4.7.3.2 Toets Binnen het besluitgebied wordt een extra woning toegevoegd. Deze woning wordt gebouwd tussen belendende woningen. In het kader van gewasbescherming dient reeds rekening te worden gehouden met

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

45

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

deze woningen. Er zijn geen teeltgebieden aangewezen in de omgeving. Dit aspect vormt geen bezwaar.

4.7.4

Hoogspanningsverbindingen

4.7.4.1 Wettelijk kader Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor ‘magneetvelden’ geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van ‘geluid’ geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen. 4.7.4.2 Toets Ten oosten van de kern Hoeven is een 150 kv-leiding gelegen. Het besluitgebied is gelegen op een afstand van circa 900 meter tot deze hoogspanningsleiding. De ligging van hoogspanningsverbindingen heeft geen invloed op deze functiewijziging.

4.7.5

Positieve gezondheid

4.7.5.1 Wettelijk kader Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken. Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd. Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd. De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het Omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen.

4.7.5.2 Toets Dit plan is zeer kleinschalig en ziet op de functiewijziging voor de functie van één agrarische bedrijfswoning in het buitengebied naar een reguliere woonfunctie. Het effect van deze ontwikkeling reikt niet buiten het besluitgebied, anders dan dat er met deze functiewijziging een toekomstbestendig hergebruik

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

46

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

van een locatie plaatsvindt. Dit plan leidt niet tot nadelige gezondheidsaspecten voor functies in de omgeving.

4.7.6

Luchtkwaliteit

4.7.6.1

Wettelijk kader

4.7.6.1.1 Inleiding Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit mee te nemen in de beoordeling of met een plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het Omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het Omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is. 4.7.6.1.2 Aandachtsgebieden In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt.

De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Bal regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft. 4.7.6.1.3

Uitgezonderde locaties (blootstelling)

De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl). 4.7.6.1.4 Niet in betekenende mate Toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (NO2 en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBMtoets. Daarnaast is er een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

47

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. Voor woonwijken geldt hierbij een aantal van 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en van 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen. 4.7.6.2

Toets

4.7.6.2.1 Aandachtsgebieden Het besluitgebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied in het kader van de luchtkwaliteit. 4.7.6.2.2 Uitgezonderde locaties (blootstelling) Binnen het besluitgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van circa 15-16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt circa 9-10 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het besluitgebied en directe omgeving weer.

Besluitgebied

Figuur 16: Fijnstof 2021 (PM)10) (bron: RIVM) voor het besluitgebied en omgeving

Besluitgebied

Figuur 17: Fijnstof 2021 (PM)2,5) (bron: RIVM) voor het besluitgebied en omgeving

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

48

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Binnen het besluitgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12 tot 14 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het besluitgebied en in de omgeving weer.

Besluitgebied

Figuur 18: Stikstofdioxide 2021 (bron: RIVM) voor het besluitgebied

Geconcludeerd kan worden dan de beoogde functiewijziging in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof en stikstofdioxide aanvaardbaar is. 4.7.6.2.3 Niet in betekenende mate Met dit plan wordt een bestaande agrarische bedrijfslocatie met een bedrijfswoning hergebruikt voor een reguliere woonfunctie. Het aantal verkeersbewegingen verminderd door sanering van de agrarische bedrijfsfunctie. Al het vrachtverkeer vervalt met deze functiewijziging. Na deze functiewijziging is slechts sprake van personenverkeer. Daarmee valt dit plan onder het begrip ‘niet in betekenende mate’ omdat er niet meer dan de standaardgevallen van 1.500 woningen wordt gebouwd met slechts één woning. Deze functiewijziging is aanvaardbaar in het kader van de luchtkwaliteit.

4.8 Bedrijvigheid 4.8.1

Wettelijk kader

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de functie en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het Omgevingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

49

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

4.8.2

Toets

Bedrijvigheid binnen het besluitgebied Binnen het besluitgebied is sprake van een wijziging van het gebruik van een agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Hiermee worden alle bedrijfsactiviteiten binnen het besluitgebied gesaneerd. Het besluitgebied is door de ligging aan een provinciale weg gevestigd in een gemengd gebied. Bedrijvigheid buiten het besluitgebied In de omgeving van het besluitgebied zijn een aantal niet-agrarische bedrijven gelegen. De bedrijven met een bedrijfsbestemming mogen ingevolge het bestemmingsplan ‘Kom Hoeven’ maximaal milieucategorie 2 betreffen, zoals opgenomen in de gemeentelijke staat van bedrijfsactiviteiten. Voor bedrijven in milieucategorie 2 geldt een maximale richtafstand van 30 meter. Daaraan wordt ruimschoots voldaan, voor zowel de bestaande woning als nieuwe woning. Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen met betrekking tot deze functiewijziging.

4.9 Omgevingsveiligheid 4.9.1

Wettelijk kader

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico’s van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de ‘feitelijke’ risico’s (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico’s worden ervaren. Ten behoeve van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn de relevante risico’s geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het Omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.

4.9.2 4.9.2.1

Toets Risicovolle inrichtingen

4.9.2.1.1 Inleiding Binnen het besluitgebied is sprake van een wijziging van het gebruik van een agrarisch bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Er wordt één extra kwetsbaar object toegevoegd. 4.9.2.1.2 Inrichtingen in de omgeving Het besluitgebied is gelegen het buitengebied van de kern Hoeven. In de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen bedrijven gelegen met een risicocontour die reikt over het besluitgebied.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

50

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Hiermee is geen sprake van de ligging van het besluitgebied binnen de aan te houden veiligheidsafstanden. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van het besluitgebied tot deze inrichtingen.

Besluitgebied

Figuur 19: Beeld met ligging van het besluitgebied ten opzichte van inrichtingen in de omgeving

4.9.2.2

Transport van gevaarlijke stoffen

4.9.2.2.1 Wegtransport Het besluitgebied is gelegen in het buitengebied aan de N640. Op een afstand van circa 1700 meter ten zuiden van het plangebied is de A58 gesitueerd. De A17 is gesitueerd op circa 7 kilometer ten westen. Over deze Rijkswegen worden gevaarlijke stoffen vervoerd. In het Basisnet Weg worden grenzen gesteld aan het vervoer van gevaarlijke stoffen op basis van gebruiks-ruimte. De gebruiksruimte is vastgelegd d.m.v. een risicogrens. Dit is afhankelijk van het type wegvak een 10-6 contour (veiligheidszone) of een 10-7 contour. Voor de wegvakken is een veiligheidsafstand vastgesteld. Hiervoor geldt dat binnen deze afstand geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd en/of bestemd. Voor alle wegvakken geldt dat in principe het groepsrisico (GR) ruim onder de oriëntatiewaarde (OW) voor het GR is gelegen. Minder dan 10% van de oriëntatie waarde.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

51

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Het besluitgebied gelegen in een invloedsgebied van de Rijksweg A58. Het besluitgebied is niet gelegen binnen de veiligheidszone of het plasbrandaandachtsgebied. 4.9.2.2.2 Transportleidingen Er bevindt zich op circa 960 meter ten zuiden een buisleiding (transportleiding). Het besluitgebied is gelegen buiten het invloedsgebied van deze leiding. Het aspect vervoer van gevaarlijke stoffen door transportleidingen vormt geen belemmering voor de beoogde functiewijziging binnen het besluitgebied. 4.9.2.2.3

Luchtvaart, Spoorwegen en waterwegen

Er zijn vanuit luchtvaart of waterwegen geen belemmeringen voor wijziging van het besluitgebied. Het besluitgebied ligt buiten contouren waar in verband met luchtvaartverkeer rekening gehouden dient te worden. Binnen de gemeentegrenzen zijn twee belangrijke spoorlijnen gelegen, namelijk de spoorlijn Roosendaal – Breda en spoorlijn Roosendaal-Dordrecht. De spoorlijn Roosendaal – Dordrecht ligt op circa 3800 meter en de Spoorlijn Roosendaal – Breda ligt op circa 980 meter. In de Basisnet berekeningen is voor de spoorbaan Roosendaal – Lage Zwaluwe voor het baanvak gelegen binnen de gemeente Halderberge een veiligheidszone berekend van 12 meter vanaf het midden van de doorgaande spoorbaan. Ter plaatse van Oudenbosch bedraagt de veiligheidszone echter 18 meter. Op de spoorbaan Roosendaal – Breda is geen sprake van een veiligheidszone. Wel is er voor beide spoorbanen een PAG van 30 meter vastgesteld. 4.9.2.3 Groepsrisico Het plangebied ligt vanwege toxische scenario’s binnen het invloedsgebied van het spoor en de Rijksweg A58. Ten aanzien van de factor transport geldt een gevaar voor het vervoer van toxische stoffen. Door een incident op de transportroute met een tankwagon/tankwagen met toxische vloeistof bestaat er kans op het vrijkomen van een toxische vloeistof. De toxische dampen kunnen worden meegevoerd door de wind.

Bij toxische gassen komen als gevolg van een brand toxische dampen direct vrij. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). De Veiligheidsregio adviseert in nieuwe bouwwerken een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd. Er is sprake van de mogelijkheid van verschillende aanrijdroutes voor hulpdiensten.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

52

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

4.10 Duurzaamheid en klimaat 4.10.1 Duurzaamheid 4.10.1.1 Wettelijk kader Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid. Dit is weer uitgewerkt in programma's. In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.

4.10.1.2 Wettelijk kader Dit plan ziet op een functiewijziging waarbij een agrarische bedrijfslocatie locatie wordt omgevormd tot een tweetal woonfuncties. Hergebruik van een bestaande bebouwde locatie (bedrijfswoning) is duurzaam en toekomstbestendig. De nieuwe woning wordt opgericht aan de hand van de op het moment van realisatie geldende duurzaamheidseisen.

4.10.2 Klimaat 4.10.2.1 Wettelijk kader Om invulling te geven aan de in de Nationale Omgevingsvisie beschreven prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. 4.10.2.2 Toets Met dit plan vindt hergebruik van een bestaande agrarische bedrijfslocatie naar woonfuncties plaats. De bebouwing binnen het plangebied neemt hierbij af en de locatie wordt groen ingepast met streekeigen

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

53

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

beplanting. Dit plan is te kleinschalig om bij te dragen aan een beter klimaat, maar is op microniveau een verbetering.

4.11 Toetsing m.e.r.-beoordeling 4.11.1 Wettelijk kader Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming. Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1.

de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

4.11.2 Toets 4.11.2.1 Toets bijlage V In Bijlage V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog twee lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit). Bij deze functiewijziging is geen sprake van een project met een daartoe benodigd besluit zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er wordt slechts één woning toegevoegd. 4.11.2.2 Toets m.e.r.-beoordeling 4.11.2.2.1 Inleiding Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit bijlage V van het Omgevingsbesluit overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

54

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

4.11.2.2.2 Drempelwaarden Voor de beoogde herontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is: ‘J11: Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’.’ Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201901439/1/R1) is gezien de zeer beperkte omvang met dit voornemen (geen) sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit betreft daarmee (g)een m.e.r.- plichtige activiteit. 4.11.2.2.3 Ligging binnen een gevoelig gebied In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een 'gevoelig gebied'. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het besluitgebied is (niet) gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. 4.11.2.2.4 Belangrijke milieugevolgen In Hoofdstuk 5 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten met betrekking tot dit plan afgewogen. Daaruit is gebleken dat dit plan (geen) negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten.

De locatie, aard en omvang van het voornemen leiden niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. 4.11.2.2.5 Conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

55

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Eén omgevingsplan Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente van rechtswege over één (tijdelijk) omgevingsplan. Dit tijdelijk Omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings-, uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de ‘bruidsschat’ genoemd. Deze is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe separate ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd om een functiewijziging mogelijk te maken. Via het Omgevingsloket is op termijn daarom nog maar één geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken omgevingsplan ‘nieuwe stijl’ gereed zijn.

5.2 Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) De publicatie van een wijziging van het Omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de Standaard officiele publicaties (STOP) en de wijziging dient om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsplan (TPOD omgevingsplan). Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat bij de wijziging van het Omgevingsplan gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk aangeduid als TAM-IMRO. Een gemeente mag er overigens ook om andere redenen dan technische redenen voor kiezen om TAMIMRO toe te passen, bijvoorbeeld in verband met een urgente gebiedsontwikkeling. Deze wijziging van het omgevingsplan gemeente Halderberge is opgesteld op basis van TAM-IMRO. Voor deze locatie is eerder een wijzigingsprocedure voorbereid.

5.3 Opzet planwijziging Ook al lijkt het juridisch deel van deze wijziging van het Omgevingsplan op een bestemmingsplan, het karakter van dit plan is anders. Inhoudelijk dient deze wijziging te voldoen aan de eisen die de Omgevingswet aan een Omgevingsplan stelt, met uitzondering van de wijze van digitale vormgeving en publicatie van het plan. Anders dan een bestemmingsplan maakt deze wijziging van het omgevingsplan géén onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, maar maakt deze onderdeel uit van het nieuwe deel. In juridisch opzicht worden de in dit TAM-Omgevingsplan opgenomen regels en locaties dus fictief toegevoegd aan het initieel Omgevingsplan zoals dat per 1 januari 2024 is te raadplegen via het

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

56

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 21.2 Sprangweg 52 Hoeven - Motivering

Omgevingsloket. Daarmee vormt het ook één geheel met de bruidsschat die reeds is opgenomen in hoofdstuk 22 van dat plan, de begripsbepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van dat plan en de slotbepaling die is opgenomen in hoofdstuk 23 van dat plan. Dit TAM-Omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in: Met dit TAM-Omgevingsplan wordt één hoofdstuk toegevoegd aan het Omgevingsplan, tussen hoofdstuk 21 en hoofdstuk 22, in dit geval hoofdstuk 21a. Aangezien het omgevingsplan zoals dat raadpleegbaar is via het Omgevingsloket technisch alleen inhoudelijk kan worden gewijzigd volgens STOP/TPOD, vindt die toevoeging fictief plaats door een TAM-omgevingsplan op te stellen volgens de IMRO-standaard (plantype bestemmingsplan) en dat als zodanig te publiceren via ruimtelijkeplannen.nl, waarna het plan via de zogenoemde overbruggingsfunctie alsnog in het Omgevingsloket zichtbaar wordt. De plannaam maakt duidelijk dat sprake is van een TAM-omgevingsplan, waarbij ook het beoogde hoofdstuknummer in de plannaam terugkomt. In dit geval is dat TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Sprangweg 52-52a Hoeven. -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/620/documents/73867