Programmabegroting 2025 Definitief.pdf
Tekst van het document
De Bank Nederlandse Gemeenten is de bank van en voor overheden en instellingen voor maatschappelijk belang. Met gespecialiseerde financiële dienstverlening draagt de BNG bij aan zo laag mogelijke kosten van maatschappelijke voorzieningen voor de burger. Daarmee is de bank essentieel voor de publieke taak.
Beleidsvoornemens:Er zijn geen beleidsvoornemens voor 2025 bekend.
Richtlijnen 2026
Niet van toepassing
1.7.8 Wat mag het kosten? In onderstaande tabel zijn de baten en lasten van de Algemene dekkingsmiddelen opgenomen (x € 1.000). Algemene dekkingsmiddelen
2024
2025
2026
2027
2028
0.5 Treasury
-150
-169
222
448
518
0.61 OZB woningen
501
498
522
543
566
0.62 OZB niet-woningen
56
56
58
61
63
0.64 Belastingen overig
60
60
60
60
60
0.7 Algemene uitk. en overige uitk. gemeentefonds
0
0
0
0
0
0.8 Overige baten en lasten
354
175
305
435
575
Lasten per taakveld
60
Algemene dekkingsmiddelen
2024
2025
2026
2027
2028
0
27
0
0
0
1.759
2.188
5.141
500
500
0
0
0
0
0
2.581
2.835
6.309
2.047
2.282
Kapitaallasten bestaande activa
29
30
30
30
29
Kapitaallasten Investeringsprogramma 2025 - 2028
0
0
0
0
0
Direct toe te rekenen salarislasten
0
0
0
0
0
300
291
291
290
289
0.61 OZB woningen
4.087
4.265
4.424
4.595
4.698
0.62 OZB niet-woningen
4.363
4.618
4.756
4.899
5.046
0.64 Belastingen overig
68
68
68
68
68
61.415
66.043
64.529
66.857
69.297
0.8 Overige baten en lasten
0
0
790
680
739
0.9 Vennootschapsbelasting (Vpb)
0
27
0
0
0
1.527
2.304
884
875
683
0
0
0
0
0
Totaal baten Algemene dekkingsmiddelen
71.759
77.617
75.743
78.264
80.821
Saldo
69.178
74.781
69.434
76.217
78.539
0.9 Vennootschapsbelasting (Vpb) 0.10 Mutaties reserves 0.11 Resultaat van de rekening van baten en lasten Totaal lasten Algemene dekkingsmiddelen
Waarvan:
Baten per taakveld 0.5 Treasury
0.7 Algemene uitk. en overige uitk. gemeentefonds
0.10 Mutaties reserves 0.11 Resultaat van de rekening van baten en lasten
61
62
Overhead
1.8.1 Inleiding Eén van de wijzigingen in het BBV (Besluit Begroting en Verantwoording) heeft betrekking op overhead. Vanaf 1 januari 2017 geldt er een algemene definitie van overhead. De definitie luidt: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Uitgangspunt van deze definitie is dat kosten zoveel mogelijk moeten worden toegerekend aan het primaire proces. Kosten die niet kunnen worden toegerekend, moeten worden verantwoord op een apart taakveld en worden niet meer verdeeld op basis van allerlei verdelingsprincipes (fte, m2, aantal werkplekken, etc.). In de notitie worden de diverse onderdelen van de overhead toegelicht, waardoor duidelijkheid is ontstaan over de kosten die wel en die niet tot de overhead gerekend moeten worden. Wij sluiten aan bij de notitie en de definitie die de commissie BBV hiervoor heeft opgesteld. Het gevolg van deze wijziging is dat u bij de programma’s geen kosten van overhead meer aantreft. In dit hoofdstuk treft u een toelichting aan op de kosten van de overhead. 1.8.2 Overzicht overhead In onderstaand overzicht zijn de totale lasten van de overhead weergegeven voor de jaren 2025 tot en met 2028 (x € 1.000). Overhead
2025
2026
2027
2028
Directie en management
1.173
1.218
1.258
1.298
Ondersteunende teams
4.765
4.928
5.080
5.232
Overige personeelskosten (geen salarislasten)
2.121
1.900
1.810
1.584
Huisvesting
1.080
1.171
1.169
1.168
Administratiekosten
332
342
352
363
Archief
318
325
335
346
1.871
1.971
1.991
1.872
Juridisch en inkoop advies
235
243
250
257
Voorlichting en publicaties
144
127
130
133
12.039
12.224
12.375
12.252
-63
-55
0
0
11.976
12.169
12.375
12.252
Automatiseringskosten
Totaal overhead
Toegerekende overhead aan grondexploitaties
Netto overhead
63
Hieronder wordt bovenstaand overzicht kort toegelicht. Directie en management De salarislasten van de directie en het management mogen niet langer worden toegerekend aan de producten (nu taakvelden) maar behoren tot de overhead. Ondersteunende teams De salarislasten van de ondersteunende teams (team advies en team ondersteuning) mogen niet langer worden toegerekend aan de producten (nu taakvelden) maar behoren tot de overhead. Overige personeelslasten Naast de salarislasten van het gemeentepersoneel zijn er ook nog andere personele lasten. Hierbij moet gedacht worden aan de kosten voor vergaderingen, koffie- en thee voorziening, studiekosten, werving en selectie van personeel, medische kosten, kosten voor arbo maatregelen en overige voorzieningen voor het personeel. Huisvesting Dit betreft de lasten van het gemeentehuis, zoals energieverbruik, onderhoud, schoonmaak en de kapitaallasten van investeringskosten. Administratiekosten Onder de administratiekosten vallen de budgetten voor kopieerkosten, meubilair, boeken en abonnementen, drukwerk en papier, postverzorging en telefoonkosten. Archief De kosten voor archief betreffen het digitaliseren van archiefstukken en de bijdrage aan het West-Brabants Archief (WBA). Automatiseringslasten Dit zijn de lasten die betrekking hebben op de totale automatiseringskosten binnen de gemeentelijke organisatie.
Het gaat hierbij onder andere om vervangingskosten van hardware, aanschaf en onderhoud van software en datacommunicatie. Ook de kapitaallasten van de investeringen zijn hierin opgenomen. Juridisch en inkoop advies Dit betreft de kosten voor het inwinnen van extern juridisch advies en de advisering door Karel (voorheen Inkoopbureau West-Brabant). Voorlichting en publicaties Dit betreft onder andere de kosten voor de publicaties in de Bode, burgerparticipatie (digipanel) en het bekend maken van regelgeving via de Gemeenschappelijke Voorziening Officiële Publicaties (GVOP). Toegerekende overhead aan grondexploitaties Een deel van de overhead mag conform de regelgeving worden toegerekend aan de grondexploitaties en in mindering worden gebracht op de kosten van het taakveld overhead. Dat is in bovenstaande tabel als negatieve regel weergegeven. Wat overblijft zijn de netto overheadkosten. N.B. Zowel bij de toerekening van de overhead aan de grondexploitaties als bij de toerekening aan de kostendekkende tarieven wordt dezelfde methodiek gebruikt. Voor alle berekeningen inzake toerekening van overhead wordt derhalve het bedrag gebruikt wat als totale overhead staat aangegeven.
64
1.8.3 Beleidsindicatoren De onderstaande verplichte indicatoren vallen onder het programma Overhead. Indicator
Jaarrekening 2023
Begroting 2024
Begroting 2025
Formatie1
6,70
6,99
7,27
Bezetting1
6,35
6,94
7,12
Apparaatskosten2
€ 321,53
€ 368,45
€ 384,06
Externe inhuur3
11,78%
4,29%
4,65%
Overhead4
8,69%
11,61%
10,65%
1 Fte per 1.000 inwoners 2 Kosten per inwoner in euro's 3 Kosten als % van de totale loonsom + totale kosten inhuur externen 4 Percentage van de totale lasten
1.8.4 Verbonden partijen Gemeenschappelijke regeling West-Brabants Archief (WBA) Doel of belang dat wordt behartigd:
Artikel 3 van de Archiefwet 1995 verplicht overheidsorganen om hun archieven in goede, geordende en toegankelijke staat te bewaren; artikel 14 regelt de openbaarheid en artikel 32 lid 2 het toezicht. Deze wettelijke taken zijn uitbesteed aan de gemeenschappelijke regeling WBA.
Beleidsvoornemens:De doelstellingen van de samenwerking: • Een bijdrage leveren aan een efficiënte en effectieve borging van de digitale informatie voor de bedrijfsvoering, verantwoording en controleerbaarheid nu en voor erfgoed in de toekomst. • Goede kwaliteit van beleidsontwikkeling en de uitvoering van kerntaken die voortvloeien uit de Archiefwet 1995 en lokale regelingen. • Geringe kwetsbaarheid van de uitvoering van kritische taken op het gebied van archiefbeheer en wettelijk toezicht op de nog niet overgebrachte archiefbescheiden. • Goede kwaliteit van innovatieve en eigentijdse dienstverlening aan de interne en externe klanten binnen de financiële ruimte die geboden is.
Richtlijnen 2026
Beleidsmatige richtlijnen: 1. Het West-Brabants Archief zorgt ervoor dat protocollen en standaarden aansluiten bij de actuele landelijke normen en standaarden. Voor onder andere het e-depotprotocol, en als voorbeeld MDTO. Bij het overgaan naar een actuelere versie van een standaard of protocol hanteert het WBA voor de deelnemers een ruime overgangsfase. 2. Zorg voor een goede advisering en het prioriteren van de praktische ondersteuning van de deelnemers. Denk hierbij o.a. aan het e-depot. Neem deelnemers mee in de toekomstige ontwikkelingen van het West-Brabants Archief. Financiële richtlijnen: Voor de financiële richtlijnen 2026 verwijzen wij u naar de paragraaf Verbonden partijen.
65
Karel (voorheen: Stichting Inkoopbureau West-Brabant) Doel of belang dat wordt behartigd:
Het bieden (tegen lage kosten) van de beste toegevoegde waarde in inkoopoplossingen voor de deelnemende gemeenten, door het ontwikkelen en implementeren van ‘Best in Class’ inkoopbeleid, processen, methodieken, systemen en training. Karel draagt dus bij aan een continue verbetering van het inkoop- en aanbestedingsbeleid, van de implementatie van dit beleid in de praktijk binnen de aan de SIW deelnemende gemeenten en aan borging van inkoop binnen het werkproces.
Beleidsvoornemens:Karel wil de organisatie in staat stellen om toonaangevend te zijn en te blijven, kwaliteit te leveren en een breed scala van dienstverlening aan te kunnen bieden.
Richtlijnen 2026
Niet van toepassing
1.8.5 Wat mag het kosten? In onderstaande tabel zijn de baten en lasten van de Overhead opgenomen (x € 1.000). Programma Overhead
2024
2025
2026
2027
2028
0.4 Overhead
11.733
12.220
12.412
12.568
12.450
Totaal lasten Bestuur en dienstverlening
11.733
12.220
12.412
12.568
12.450
800
838
955
934
846
Kapitaallasten Investeringsprogramma 2025 - 2028
0
0
12
61
125
Direct toe te rekenen salarislasten
0
0
0
0
0
0.4 Overhead
295
244
243
192
198
Totaal baten Bestuur en dienstverlening
295
244
243
192
198
-11.438
-11.976
-12.169
-12.375
-12.252
Lasten per taakveld
Waarvan: Kapitaallasten bestaande activa
Baten per taakveld
Saldo
66
Paragrafen
67
68
Paragraaf Lokale heffingen
2.1.1 Inleiding De gemeente Halderberge kent diverse lokale heffingen. Deze kunnen onderverdeeld worden in belastingen, rechten en bestemmingsheffingen. Belastingen kunnen worden ingezet als algemeen dekkingsmiddel en de hoogte ervan is vrij te bepalen. Rechten worden geheven voor diensten die door de gemeente worden verleend. De hoogte ervan mag niet meer dan kostendekkend zijn. Bestemmingsheffingen zijn bedoeld voor de dekking van specifieke lasten voor collectieve voorzieningen. Ook hiervan mag de hoogte niet meer dan kostendekkend zijn. In de gemeente Halderberge komen de volgende heffingen voor: • belastingen: onroerendezaakbelasting, toeristenbelasting, watertoeristenbelasting • rechten: marktgelden, leges, lijkbezorgingsrechten • bestemmingsheffingen: rioolheffing, afvalstoffenheffing De lokale heffingen kunnen worden geheven op grond van de Gemeentewet en/of op grond van andere wetten, zoals de Wet milieubeheer en de Paspoortwet. Het beleid voor de lokale heffingen is vastgelegd in de diverse verordeningen en regelingen. De uitgangspunten die bij het vaststellen van de verordeningen zijn gehanteerd, komen gedeeltelijk voort uit het bestuursakkoord en het collegewerkprogramma 2022 - 2026. Daarnaast is de raad gebonden aan wettelijke bepalingen. De uitgangspunten bestaan uit de volgende wettelijke bepalingen en lokale keuzes: Wettelijke bepalingen:
• de tarieven van de afvalstoffen- en de rioolheffing zijn maximaal 100% kostendekkend; • datzelfde geldt voor de tarieven van de leges. Binnen de legesverordening is kruissubsidiëring toegestaan. Zie voor een toelichting hierop het onderdeel leges.
Lokale ambities: In het bestuursakkoord 2022 – 2026 is aangegeven dat Halderberge de ambitie houdt om voor de totale lastendruk één van de goedkopere woongemeenten van de regio te blijven. Gezien de wettelijke bepalingen en de lokale ambities is in de begroting 2025 uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • de tarieven van de onroerendezaakbelasting (OZB) stijgen met het inflatiepercentage, waarna bij het opstellen van de OZB verordening voor 2025 nog een correctie plaatsvindt voor de waardeontwikkeling; • de kostendekkendheid van de tarieven voor de rioolheffing is 100% en de compensabele BTW wordt in deze tarieven doorberekend; • de kostendekkendheid van de tarieven voor de afvalstoffenheffing is 100% en de compensabele BTW wordt in deze tarieven doorberekend. Via de Zomernota 2024 heeft de gemeenteraad reeds een besluit genomen over de lokale keuzes voor 2025. Dit was deels nog op hoofdlijnen. In deze paragraaf is dat overgenomen of verder uitgewerkt. Het inflatiepercentage wat in deze begroting is gehanteerd, bedraagt 3%. Dit inflatiepercentage is overgenomen in de meeste tarieven. Indien een ander percentage is gehanteerd, wordt dat apart vermeld. 2.1.2 Toerekening van indirecte kosten aan de tarieven Sinds 2017 worden indirecte kosten (de overhead) apart verantwoord en buiten de administratie om toegerekend aan de kostendekkende tarieven.
Dit gebeurt op basis van de personeelslasten die verbonden zijn aan een specifieke heffing in verhouding tot de totale personeelslasten van alle productieve activiteiten van de gemeente Halderberge (ofwel alle activiteiten exclusief overheadtaken). De uitkomst hiervan levert een percentage op wat wordt vermenigvuldigd met de totale overhead. Per heffing is het percentage van de toegerekende overhead apart vermeld.
69
2.1.3 Onroerendezaakbelasting (OZB) Onder de naam onroerendezaakbelasting wordt een belasting geheven van diegene die op 1 januari gebruik maakt en/of in het bezit is van een pand. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: • de gebruikersbelasting, die wordt opgelegd aan degene die een onroerende zaak, niet zijnde een woning, gebruikt; • de eigenarenbelasting, die wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde (meestal de eigenaar) van een onroerende zaak. In het collegewerkprogramma is opgenomen dat de gemeente Halderberge de ambitie heeft om voor wat betreft de lastendruk één van de goedkoopste gemeenten in de regio kan te blijven. Gezien de uitgangspunten voor de rioolheffing en de afvalstoffenheffing dat die 100% kostendekkend moeten zijn, kan daar alleen door beperking van de tarieven voor de onroerendezaakbelasting sturing aan worden gegeven. Zie de lastendruk verder in deze paragraaf voor een vergelijking met de regiogemeenten.
Bij de raming van de OZB opbrengsten voor 2025 zijn de volgende uitgangspunten aangehouden: • voor de waarde van de woningen en niet-woningen is uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2024; • uit oogpunt van voorzichtigheid is er beperkt rekening gehouden met areaalontwikkeling; • er is tariefdifferentiatie toegepast tussen woningen en niet-woningen om de lastendruk evenwichtiger te verdelen; • de tarieven van de OZB stijgen met het inflatiepercentage van 3%, waarna bij het opstellen van de verordening voor 2025 een correctie plaatsvindt voor de waardeontwikkeling. Hieronder treft u de voorlopige tarieven voor 2025 aan. Bij het opstellen van de verordening op de heffing en invordering van de onroerendezaakbelasting voor 2025 zal het tarief nog worden aangepast met de op dat moment bekende gemiddelde waardeontwikkeling van resp. woningen en niet-woningen. Bij een waardestijging zal het tarief dalen, bij een waardedaling zal het tarief stijgen. In onderstaande tabel is deze waardeontwikkeling nog niet meegenomen. Met inachtneming van het voorgaande zijn de voorlopige tarieven momenteel als volgt: OZB
2024
2025
Verschil
OZB woningen eigenaar
0,0842%
0,0867%
3,0%
OZB niet-woningen gebruik
0,2187%
0,2253%
3,0%
OZB niet-woningen eigenaar
0,2448%
0,2521%
3,0%
Opbrengsten OZB in 2025 De verwachte OZB opbrengst bedraagt ca. € 8.883.430. Een toename van het aantal woningen en/of niet-woningen (volume-ontwikkeling) leidt tot een toename van de OZB-opbrengsten, maar tegelijkertijd ook tot een afname van de algemene uitkering (via de inkomstenmaatstaven). Een toename van de waarde (prijsstijging) leidt niet tot een toename van de OZB-opbrengsten, omdat waardestijgingen gecompenseerd worden door een neerwaarts bijgesteld OZB-tarief (en vice versa). 2.1.4 Afvalstoffenheffing De gemeente zorgt voor het wekelijks ophalen van het huisvuil. Via de afvalstoffenheffing worden de kosten verbonden aan het verzamelen en het verwerken van het huisvuil verhaald op de burger. Sinds 1 januari 2014 hanteert de gemeente Halderberge gedifferentieerde tarieven voor de afvalstoffenheffing (ofwel diftar). Door afval goed te scheiden en de containers minder vaak aan straat te zetten kunnen inwoners van de gemeente zelf invloed uitoefenen op de variabele kosten. Op basis van de verwachtingen van lagere kosten door betere scheiding en het aantal keren dat de containers gemiddeld aan straat worden gezet, is het tarief berekend. Daarnaast is het op 18 april 2024 door de gemeenteraad vastgestelde Afvalbeleidsplan 2024-2028 als basis genomen voor de geraamde kosten.
Bij de raming van de opbrengst uit de afvalstoffenheffing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • er is uitgegaan van 100% kostendekkendheid; • de compensabele BTW is in de tarieven van de afvalstoffenheffing volledig doorberekend; • bij de baten is het geraamde dividend van Saver geheel meegenomen; • bij de ontwikkeling van de lasten is uitgegaan van het door SAVER aangegeven inflatiepercentage van 3,1% op de basistaken (o.a. ophalen huisvuil, verwerking etc. Aandeel: 97% van de totale afval gerelateerde kosten) en 4,1% op de plustaken (inzet afvalcoach en evalueren beleidskeuzes); • in de lasten zijn de kosten van het grondstoffencentrum van Saver meegenomen;
70
• het tarief voor de afvalstoffenheffing bestaat uit een vast en een variabel deel:
• •
• • • •
- het vaste deel is voor iedere belastingplichtige gelijk; - het variabele deel van het tarief wordt bepaald door de wijze van aanbieding van het afval, via een container of via inworp in een ondergrondse container, en het volume van de container, 140 of 240 liter; in 2024 was een incidentele onttrekking aan de voorziening afvalstoffenheffing opgenomen van € 105.000 om de tariefstijging te beperken. Voor 2025 en verder is geen onttrekking aan de voorziening meer opgenomen; bij het berekenen van de tarieven is ervoor gekozen om alleen een meerjarig effect van het aantal ledigingen en/of inworpen mee te nemen. Dit betekent dat het aantal ledigingen of inworpen wordt bijgesteld als sprake is van een wijziging die zich minimaal drie jaar heeft voorgedaan. Hierdoor worden ongewenste schommelingen in het tarief voorkomen. Conform het voorgaande is het aantal ledigingen voor 2025 gehandhaafd op 10 voor een 140 liter container en 12 voor een 240 liter container.
Het aantal inworpen in een ondergrondse container is 38; als het aantal ledigingen of inworpen hoger is dan het gemiddelde aantal wordt een opslag in rekening gebracht; de ledigingen en stortingen worden na afloop van het kalenderjaar in rekening gebracht; In 2025 ontvangen de inwoners van de gemeente Halderberge een aanslag waarop het vaste tarief van 2025 en het variabele tarief van 2024 (maal het werkelijk aantal ledigingen in 2024) in rekening wordt gebracht. Het werkelijk aantal ledigingen over 2025 wordt via de aanslag gemeentelijke belastingen in 2026 in rekening gebracht; bij de opstelling van de jaarrekening komt het saldo van baten en lasten op het product afvalverwijdering en -verwerking ten laste of ten gunste van de voorziening afvalstoffenheffing. Een negatief saldo kan alleen worden verrekend voor zover de voorziening daarvoor toereikend is.
Kosten die verbonden zijn aan de afvalstoffenheffing Bij het berekenen van het tarief voor de afvalstoffenheffing worden diverse kosten meegenomen. Allereerst vanzelfsprekend de directe kosten die verbonden zijn aan het ophalen van huishoudelijk afval. Dit betreft met name de kosten die door Saver in rekening worden gebracht. Ook kosten die daar rechtstreeks mee verbonden zijn, zoals het stortrecht, de milieustraat en andere verwerkingskosten worden volledig meegenomen. Verleende kwijtscheldingen worden voor 55% meegenomen in de heffing, aangezien het aandeel afvalstoffenheffing hierin ongeveer dit percentage bedraagt. Het vegen van de straten wordt voor 40% meegenomen in de heffing. Het aandeel zwerfafval en -vuil in het straatafval is iets minder groot dan het aandeel bladafval. Een percentage van 40% wordt redelijk geacht voor dit aandeel. Voor de toerekening van de kosten van de overhead is een berekening uitgevoerd zoals aangegeven bij de algemene uitgangspunten voor de toerekening van indirecte kosten. Het percentage van de overheadkosten dat toegerekend is aan deze heffing bedraagt 1,55% en in lijn met de voorgaande jaren. Opslag bij een aantal ledigingen of inworpen dat meer is dan gemiddeld Sinds 2020 wordt een opslag in rekening gebracht als het aantal ledigingen of inworpen op jaarbasis hoger is dan het gemiddelde aantal waar in de begroting van is uitgegaan.
De opslag varieert en is afhankelijk van het volume van de container en het aantal ledigingen of inworpen boven het gemiddelde. Het gemiddeld aantal ledigingen en inworpen treft u aan onder de uitgangspunten. De staffel voor de opslagen treft u aan in de Verordening afvalstoffenheffing Halderberge. Met inachtneming van het voorgaande zijn de belangrijkste tarieven voor 2025 als volgt: Afvalstoffenheffing
2024
2025
Verschil
Vast tarief per aansluiting *
€ 199,32
€ 217,08
8,9%
Tarief per lediging 240-liter container
€ 13,02
€ 14,18
8,9%
Tarief per lediging 140-liter container
€ 7,60
€ 8,27
8,8%
Tarief inworp ondergrondse afvalcontainer
€ 2,17
€ 2,36
8,8%
* Bij de bepaling van het vaste tarief is rekening gehouden met het feit dat dit deelbaar moet zijn door 12. Dit in verband met de maandelijkse verrekening van aanslagen wegens vestiging of vertrek van personen.
Opbrengst afvalstoffenheffing in 2025 De totale opbrengst voor de afvalstoffenheffing is geraamd op ca. € 4.790.000. Bij het opstellen van de jaarrekening wordt het verschil tussen de werkelijke baten en lasten verbonden aan de afvalstoffenheffing verrekend met de voorziening overschotten afvalstoffenheffing. Bij het opstellen van de jaarrekening zal op basis van het resultaat over dat jaar blijken of er een overschot of tekort is en of er een bedrag kan worden gestort in de voorziening.
71
2.1.5 Rioolheffing Op 1 januari 2008 is de Wet gemeentelijke watertaken in werking getreden. Deze wet regelt dat naast de kosten voor afvoer en verwerking van afvalwater ook de kosten voor afvoer van hemelwater via de verbrede rioolheffing verhaald kunnen worden. Daarnaast is het mogelijk om kosten voor voorzieningen die verband houden met het grondwaterpeil ook via de verbrede rioolheffing te verhalen. De verwachte kosten liggen vast in het in Gemeentelijk Waterprogramma 2024-2027 dat in september 2023 door de gemeenteraad is vastgesteld. Op basis van de kosten van het GWP voor het jaar 2024 zijn, uitgaande van 100% kostendekkendheid, de tarieven voor de rioolheffing berekend. Bij het bepalen van de rioolheffing is de methodiek van éénpersoons- en meerpersoonshuishoudens van toepassing. Bedrijven betalen tot een afname van 500 m³ het meerpersoonstarief. Bedrijven die meer dan 500m³ water afnemen worden gezien als grootverbruikers en betalen naast het meerpersoonstarief vanaf 501m³ een extra bedrag per m³.
Bij de raming van de rioolheffing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • er wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid; • de compensabele BTW is in de tarieven van de rioolheffing doorberekend; • bij de ontwikkeling van de lasten is uitgegaan van een inflatiepercentage van 3%; • in 2025 wordt een onttrekking aan de voorziening overschotten riolering gedaan van € 195.290 om de tariefstijging van de rioolheffing, en daarmee ook de stijging van de totale lastendruk, te beperken. Deze voorziening is in de afgelopen jaren opgebouwd uit overschotten op de rioolheffing en vrijval van de spaarvoorziening en voorziening kapitaallasten, zoals opgenomen in het nieuwe GWP. Met het inzetten van de voorziening om de tariefstijging te beperking, worden deze middelen teruggegeven aan de inwoners. Ook voor 2026 en 2027 wordt de voorziening ingezet om de tariefstijging te beperken. Voor 2028 is geen onttrekking uit de voorziening overschotten meer opgenomen; • bij de opstelling van de jaarrekening wordt het verschil tussen de werkelijke baten en lasten verbonden aan de rioolheffing, verrekend met de voorziening overschotten riolering. Kosten die verbonden zijn aan de rioolheffing Bij het berekenen van het tarief voor de rioolheffing worden diverse kosten meegenomen. Allereerst vanzelfsprekend de directe kosten die verbonden zijn aan het beheer van de riolering.
U dient hierbij te denken aan het reinigen van de riolering, energielasten voor het gebruik van de gemalen en onderzoekskosten aan het rioolsysteem en de waterketen. Een ander onderdeel wat een flinke bijdrage levert aan de kosten betreft de kapitaallasten die verbonden zijn aan de investeringen in de riolering. Verleende kwijtscheldingen worden voor 45% meegenomen in de heffing, aangezien het aandeel rioolheffing hierin ongeveer dit percentage bedraagt. Het vegen van de straten wordt voor 50% meegenomen in de heffing. Het voorkomen dat zwerfvuil en bladafval in het riool terecht komt, zorgt ervoor dat er minder kosten uitgegeven hoeven te worden aan het beheer. Een percentage van 50% wordt redelijk geacht voor dit aandeel. Voor de toerekening van de kosten van de overhead is een berekening uitgevoerd zoals aangegeven bij de algemene uitgangspunten voor de toerekening van indirecte kosten. Het percentage van de overheadkosten dat toegerekend is aan deze heffing bedraagt 4,28% en in lijn met de voorgaande jaren. Rioolheffing
2024
2025
Verschil
Eenpersoonshuishouden *
€ 185,76
€ 191,76
3,2%
Meerpersoonshuishouden *
€ 247,80
€ 255,72
3,2%
Bedrijven tot 500 m3 *
€ 247,80
€ 255,72
3,2%
€ 0,30
€ 0,31
3,3%
Grootverbruik per m3 vanaf per 501 m3
* Bij de bepaling van de tarieven is rekening gehouden met het feit dat de bedragen deelbaar moeten zijn door 12. Dit in verband met de maandelijkse verrekening van aanslagen wegens vestiging of vertrek van personen.
Opbrengst rioolheffing in 2025 De totale inkomsten uit de rioolheffing zijn geraamd op ca. € 3.442.000. Bij de vaststelling van de jaarrekening wordt het verschil tussen de werkelijke baten en lasten die verbonden zijn aan de rioolheffing, verrekend met de voorziening overschotten riolering. Op begrotingsbasis worden de tarieven voor de rioolheffing berekend op basis van 100% kostendekkendheid. Aan het eind van het begrotingsjaar wordt bij het opstellen van de jaarrekening bepaald wat uiteindelijk het verschil is tussen de begroting en de werkelijke lasten en baten. Dit verschil, dat zowel positief als negatief kan zijn, wordt verrekend met de voorziening overschotten riolering. Voordelen worden in deze voorziening gestort en nadelen worden uit de voorziening onttrokken.
72
2.1.6 Toeristenbelasting Zoals de naam al aangeeft wordt deze belasting geheven van (water)toeristen. Omdat toeristen gebruik maken van de voorzieningen in de gemeente, maar de gemeente hiervoor niet gecompenseerd wordt via het gemeentefonds, mogen gemeenten een deel van de kosten van deze voorzieningen verhalen op de toeristen via een toeristenbelasting. Als toeristen worden aangemerkt personen die in de gemeente verblijven zonder dat ze in het bevolkingsregister van de gemeente zijn opgenomen. Tarief Via het besluit voor de (water-)toeristenbelasting over 2023 op 15 december 2022 heeft de gemeenteraad besloten om het tarief voor de (water-)toeristenbelasting voor de komende vier jaar gelijk te houden. Dat houdt in dat het tarief voor de toeristenbelasting in 2025 net als in 2024 € 1,35 bedraagt. Voor de watertoeristenbelasting bedraagt het tarief in 2025 € 1,20. Opbrengst (water)toeristenbelasting in 2025 De jaarlijkse opbrengst van de (water)toeristenbelasting is geheel afhankelijk van het aantal overnachtingen. Onvoorziene omstandigheden kunnen de opbrengst flink beïnvloeden. De geraamde opbrengst voor 2025 bedraagt ca. € 624.000.
Dit betreft zowel de toeristenbelasting die geheven wordt voor toeristische accommodaties, als de toeristenbelasting die geheven wordt van exploitanten met accommodaties voor huisvesting van arbeidsmigranten (geen uitzonderingvrijstelling in de verordening). 2.1.7 Marktgelden Onder de naam marktgeld wordt een recht geheven voor het innemen van standplaatsen, als bedoeld in artikel 1 van de Verordening voor het marktwezen in de gemeente Halderberge, op het daarvoor bestemde terrein. Het marktgeld wordt geheven op basis van het aantal strekkende meters van de marktkraam per marktdag of gedeelte daarvan met een minimum van 4 m¹. Daarnaast wordt een bijdrage in de promotiekosten in rekening gebracht en een vergoeding voor het gebruik van elektriciteit. Tarieven Het tarief van voorgaand jaar is verhoogd met een indexering van 3%. Om praktische redenen wordt het tarief na indexering afgerond op een veelvoud van € 0,05. Als gevolg hiervan wordt het tarief voor 2025 € 2,60 per m¹. De bijdrage voor de promotiekosten bedraagt net als voorgaande jaren per marktdag of gedeelte daarvan € 0,10 per m¹. Bij het innemen van een standplaats op een straatmarkt wordt meestal ook elektriciteit verbruikt. Die verbruikte elektriciteit belast de gemeente door aan de verbruiker. In de Verordening op de heffing en invordering van marktgelden is daar een staffel met tarieven voor opgenomen.
Opbrengst marktgelden in 2025 In de begroting is voor de marktgelden een opbrengst geraamd van ca. € 14.723. Toerekening overhead Voor de toerekening van de kosten van de overhead is een berekening uitgevoerd zoals aangegeven bij de algemene uitgangspunten voor de toerekening van indirecte kosten. Het percentage van de overheadkosten dat toegerekend is aan deze heffing bedraagt 0,12%. 2.1.8 Lijkbezorgingsrechten Voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door of vanwege de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats heft de gemeente zogeheten lijkbezorgingrechten. Voor de lijkbezorgingsrechten gelden de volgende uitgangspunten: • ieder tarief dekt in principe voor 100% de kosten die verbonden zijn aan de verleende dienst; • uitzondering hierop zijn de tarieven voor de rechten voor een graf of urnennis voor kinderen onder 12 jaar; • bij het verlenen van rechten wordt een logische opbouw gehanteerd, waarbij het tarief voor 20 jaar tweemaal zo hoog is als het tarief voor 10 jaar (en naar rato ook voor andere looptijden); • de tarieven voor het verlengen van rechten zijn even hoog als de tarieven voor het verlenen van rechten; • het jaartarief voor het reserveren van een bijzonder graf bestaat naast een dekking voor de administratieve kosten uit een aandeel voor de dekking van het onderhoud (1/10 deel van het 10-jaarstarief voor het verlenen van een recht); • de
geraamde structurele kosten voor het onderhoud van de begraafplaats worden verdeeld over de maximale capaciteit van de begraafplaats. Deze capaciteit bedraagt 2203 plaatsen (zowel gewone graven als urnengraven en -nissen); • alle tarieven worden afgerond op eenheden van € 0,05.
73
Tarieven De tarieven worden op basis van de genoemde uitgangspunten berekend bij het opstellen van de verordening. Opbrengst in 2025 Voor 2025 is een opbrengst geraamd van ca. € 30.300. Voor de toerekening van de kosten van de overhead is een berekening uitgevoerd zoals aangegeven bij de algemene uitgangspunten voor de toerekening van indirecte kosten. Het percentage van de overheadkosten dat toegerekend is aan deze heffing bedraagt 0,29%. 2.1.9 Leges Op basis van artikel 229 van de Gemeentewet kunnen gemeenten rechten heffen ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. In de legesverordening is een groot aantal diensten van de gemeente Halderberge opgenomen waarvoor leges in rekening gebracht mogen worden. Deze staan in de bijbehorende tarieventabel. In verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is hoofdstuk 2 van de tarieventabel grotendeels herzien en verder in ontwikkeling voor 2025. Dat geldt voor de artikelen, tarieven én voor de titel. Deze is veranderd in ‘Dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet’. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG ook aangegrepen om de indeling van de tarieventabel te herzien. Dit is vertaald in een nieuwe modelverordening.
De gemeente Halderberge heeft deze ontwikkeling gevolgd en de eigen verordening zoveel mogelijk afgestemd op deze modelverordening. De tarieventabel is verdeeld in drie hoofdstukken (voorheen titels). Binnen een hoofdstuk is er een onderverdeling in paragrafen (voorheen hoofdstukken). De drie hoofdstukken zijn: 1. Algemene dienstverlening 2. Dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet 3. Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn en niet vallend onder hoofdstuk 2 De herziening van de tarieventabel is aangegrepen om te komen tot een betere onderbouwing van de tarieven. Niet alleen voor de dienstverlening in het kader van de Omgevingswet, maar ook voor een groot deel van de andere diensten (zoals voor burgerzaken, vergunningen voor kabels en leidingen, horeca en evenementen). Hiervoor is gebruik gemaakt van de applicatie Kostendekkendheid.nl. Er zijn nog enkele, minder vaak voorkomende diensten die momenteel nog niet opnieuw onderbouwd zijn. Dat zal zo spoedig mogelijk alsnog gebeuren. Per dienst is gekeken welke werkzaamheden daarvoor verricht worden en tegen welk tarief dat gebeurt. Net zoals bij de tarieven van andere heffingen van de gemeente Halderberge is aan de legestarieven overhead toegerekend. Dat is gebeurt op basis van de methode die in de financiële verordening is vastgesteld. De uitkomst is een kostprijs per dienst.
Op basis van deze kostprijs is vervolgens het tarief voor 2025 bepaald. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten aangehouden: 1. de tarieven zijn zo veel mogelijk kostendekkendheid met een maximum van 100%, zowel op niveau van de verordening (wettelijk bepaald) als op hoofdstukniveau (deels wettelijk verplicht en deels de keuze van de gemeente). 2. binnen een hoofdstuk kan kruissubsidiëring voorkomen. Van kruissubsidiëring is sprake als het tarief voor de ene dienst wordt gecompenseerd door het tarief van een andere dienst. Dit impliceert dat sommige tarieven hoger kunnen zijn dan nodig is om de geraamde kosten te dekken en dat andere tarieven juist lager kunnen zijn. Kruissubsidiëring komt in de tarieventabel van de gemeente Halderberge alleen binnen een hoofdstuk voor; 3. kruissubsidiëring is niet toegestaan bij de leges voor de dienstverlening vallend onder de Europese dienstenrichtlijn. Hieronder valt onder meer de vergunningverlening op het gebied van horeca en evenementen. Voor deze diensten is wettelijk bepaald dat de leges per paragraaf niet meer dan kostendekkend mogen zijn; 4. indien tarieven deels of geheel van Rijkswege worden bepaald, wordt het maximale tarief aangehouden; indien het (nog) niet mogelijk is om de kostprijs van een product te berekenen, wordt het tarief uit 2024 geïndexeerd met een inflatiepercentage van 3%; 5.
uit praktische overwegingen kunnen tarieven worden afgerond.
74
Voor de dienstverlening in het kader van de Omgevingswet zijn aparte uitgangspunten benoemd. Deze zijn grotendeels al in de Zomernota bepaald. Volledigheidshalve worden ze hier herhaald: 1. in het verleden gemaakte keuzes om voor bepaalde activiteiten geen leges te heffen, zijn zoveel mogelijk in stand gehouden; 2. het indienen van aanvragen voor ruimtelijke en maatschappelijke initiatieven (R&MI) wordt gestimuleerd door de hoogte van de daarvoor verschuldigde leges beperkt te houden; 3. in afwijking van de bestaande legesverordening zijn voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor veel voorkomende bouwwerken (woningen, dakkapellen en erfafscheidingen) standaard legesbedragen in de verordening opgenomen; 4. voor het vaststellen van de bouwkosten van de overige bouwwerken is de ROEB-bijlage leidend. Als een bouwwerk daar niet in is vermeld, geldt de definitie van de bouwkosten zoals die in de tarieventabel is opgenomen; 5. voor milieubelastende activiteiten worden leges in rekening gebracht; 6. indien een aanvraag wordt ingetrokken of wordt geweigerd bestaat recht op teruggaaf van een deel van de leges. Hiervoor is zoveel mogelijk aangesloten op de percentages van de bestaande legesverordening; 7. activiteiten waarvoor geen leges worden geheven, maar die wel in de modelverordening staan, zijn niet opgenomen in de tarieventabel.
De betreffende artikelen hebben de standaard tekst ‘gereserveerd’ gekregen, zodat de nummering gelijk blijft aan de modelverordening. Dit zorgt ervoor dat wijzigingen eenvoudig verwerkt kunnen worden en er geen lange, overbodige bepalingen staan die de leesbaarheid nadelig beïnvloeden (deze methode wordt door een groot deel van de gemeenten in Nederland gevolgd). Baten en lasten leges In onderstaand overzicht staan de verwachte baten en lasten die betrekking hebben op de dienstverlening waarvoor leges in rekening worden gebracht. Daarbij zijn de verwachte baten en lasten onderverdeeld naar de hoofdstukken en paragrafen in de tarieventabel. In het overzicht ontbreken nummers. Voor die onderdelen worden geen diensten verleend waarvoor leges in rekening worden gebracht. Kostendekkendheid begroting 2024
Kosten
Opbrengsten
Kostendekkendheid
1 Algemene dienstverlening 1.1
Burgerlijke stand
€ 87.072
€ 64.624
74,22%
1.2
Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart
€ 495.387
€ 412.215
83,21%
1.3
Rijbewijzen
€ 176.172
€ 111.123
63.08%
1.4
Verstrekkingen in het kader van de basisregistratie personen
€ 40.513
€ 24.896
61.45%
1.5
Bestuursstukken
€0
€0
0,00%
1.6
Vastgoedinformatie
€0
€0
0,00%
1.7
Overige publiekszaken
€ 12.726
€ 7.536
59.22%
1.8
Gemeentearchief
€0
€0
0,00%
1.9
Bijzondere wetten
€ 120.552
€110.316
91,51%
1.10
Diversen
€ 1.718
€ 1.510
87,89%
€ 934.140
€ 732.220
78,38%
Totaal:
75
Kostendekkendheid begroting 2024
Kosten
Opbrengsten
Kostendekkendheid
2 Omgevingswet 2.1
Algemene bepalingen
€0
€0
0,00%
2.2
Voorfase
€ 163.162
€ 61.200
37,51%
2.3
Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
€ 858.354
€ 1.108.849
129,18%
2.4
Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed
€0
€0
0,00%
2.5
Milieubelastende activiteiten
€0
€0
0,00%
2.6
Lozingsactiviteiten
€0
€0
0,00%
2.7
Aanlegactiviteiten
€ 25.441
€ 21.550
84,74%
2.8
Overige activiteiten
€ 8.259
€ 1.750
21,19%
2.9
Maatwerkvoorschriften bij bouwactiviteiten
€ 1.030
€ 862
83,69%
2.10
Gelijkwaardigheid
€0
€0
0,00%
2.11
Overige tarieven
€ 111.297
€ 59.416
53,39%
2.12
Modaliteiten
€0
€0
0,00%
2.13
Vermindering
€0
-€ 188.300
0,00%
2.14
Teruggaaf
€0
€0
0,00%
€ 1.167.543
€ 1.065.327
91,25%
€ 6.358
€ 5.540
87,13%
Totaal:
3 Europese dienstenrichtlijn 3.1
Horeca
3.2
Seksbedrijven
€0
€0
0,00%
3.3
Winkeltijdenwet
€ 415
€ 360
86,75%
3.4
Organiseren evenement of markt
€ 10.338
€ 9.072
87,75%
3.5
Standplaatsen
€ 212
€ 184
86,79%
3.6
Huisvestingswet 2014
€0
€0
0,00%
3.7
In dit hoofdstuk niet benoemd besluit
€ 90
€ 104
86,54%
€ 17.427
€ 15.246
87,48%
€ 2.119.110
€ 1.812.793
85,55%
Totaal:
Totaal kostendekkendheid:
76
De kosten die in deze tabel zijn opgenomen, zijn alleen de kosten die direct samenhangen met de betreffende dienstverlening. Op een product kunnen ook kosten worden geraamd die samenhangen met diensten waarvoor landelijke tarieven gelden (zoals akten burgerlijke stand en naturalisatie), gratis diensten (zoals gratis huwelijken) of werkzaamheden die niet direct verband houden met de dienstverlening. Deze kosten mogen niet worden verrekend met de kostendekkendheid en zijn dan ook niet opgenomen in de tabel. Vanzelfsprekend zijn ook de daaraan verbonden leges niet in de tabel opgenomen. Hoofdstuk 1 is met 78,38% het minst kostendekkend. Dit komt vooral door tarieven die gebonden zijn aan wettelijke maxima en algemene kosten die worden gemaakt voor meerdere producten binnen dit hoofdstuk. Deze kosten zijn om praktische redenen niet opgenomen in de tarieven, maar bepalen wel mede de kostendekkendheid. De volledige tarieventabel wordt opgenomen in de besluitvorming voor de legesverordening van 2025. 2.1.10 Kwijtscheldingsbeleid Indien een belastingplichtige niet of over te weinig financiële middelen beschikt om de belastingaanslag te voldoen en niet beschikt over vermogen, kan de belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor kwijtschelding. In de Zomernota 2024 is een kwijtscheldingspercentage gehanteerd van 100%.
Concreet betekent dit dat belastingplichtigen die een vermogen hebben onder de norm en een inkomen hebben van 100% van het minimuminkomen (volgens bijstandsnorm) of lager in aanmerking komen voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Belastingplichtigen kunnen alleen kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenheffing, de rioolheffing en de OZB. Omdat het gebruikersdeel van de OZB al geruime tijd is afgeschaft voor kwijtschelding, komt echter bijna niemand in aanmerking voor kwijtschelding van de OZB (eigenaarsdeel). Voor de overige heffingen kunnen belastingplichtigen geen verzoek doen tot kwijtschelding. Vanaf 2011 heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om bepaalde verruimingen met betrekking tot de kwijtscheldingsregels toe te passen. Sinds 2011 is dat reeds gebeurd voor kwijtscheldingsverzoeken van ondernemers. De gemiste opbrengsten als gevolg van de verleende kwijtschelding worden betrokken bij de berekening van de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. Deze gemiste opbrengsten zijn bij de berekening van de tarieven in dit hoofdstuk meegenomen. Voor het jaar 2025 is een bedrag van € 270.000 aan kwijtschelding geraamd, bestaande uit 55% kwijtschelding van de afvalstoffenheffing (€ 148.500) en 45% kwijtschelding van de rioolheffing (€ 121.500). Deze percentages zijn gelijk aan voorgaand jaar.
2.1.11 Vergelijk woonlasten Het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) geeft jaarlijks de ‘Atlas van de lokale lasten’ uit. Deze Atlas geeft inzicht in de woonlasten per gemeente (afvalstoffenheffing, rioolrecht en OZB) en de positie die de gemeenten ten opzichte van elkaar innemen. Voor een vergelijkend overzicht zijn de lasten van de afgelopen drie jaar van de gemeenten uit de De6 samenwerking met elkaar vergeleken, zowel voor meerpersoonshuishoudens als voor eenpersoonshuishoudens. Om de gemeentelijke woonlasten goed met elkaar te kunnen vergelijken hanteert Coelo een eigen berekeningswijze. Deze wijkt af van de waarden die de gemeente Halderberge hanteert in de tabel voor de lastendruk. Zo hanteert het Coelo voor de OZB heffing een gestandaardiseerd tarief, terwijl de gemeente Halderberge de werkelijke tarieven hanteert voor woning, niet-woning en eigendom en gebruik. Bij de afvalstoffenheffing gebruikt de gemeente het aantal ledigingen, terwijl het Coelo uitgaat van het gemiddeld aantal kilo restafval. Voor de vergelijking is dat niet erg. Die geeft een goed beeld van de onderlinge verhoudingen op basis van dezelfde uitgangspunten.
77
Gemiddelde woonlasten meerpersoonshuishoudens 1.500 1245
1.250
1124 994
1.000
904
877
811
817
Landelijk
Etten-Leur
783
920
977
787
869 785
Halderberge
Moerdijk
938 957
975 867 897
750
500
250
0
2021
2022
2023
Roosendaal
Rucphen
Zundert
2024
Gemiddelde woonlasten eenpersoonshuishoudens 1.250 1100 1018
1.000 826
750
906 922
913 787
737
929
756
761
809
797
679
717 644
Halderberge
Moerdijk
789 720
817
500
250
0 Landelijk 2021
2022
Etten-Leur 2023
Roosendaal
Rucphen
Zundert
2024
Zowel bij meerpersoonshuishoudens als bij eenpersoonshuishoudens liggen de woonlasten van Halderberge onder het landelijke gemiddelde, wat deels logisch is, omdat de WOZ waarden vaker hoger gewaardeerd zijn in de stedelijke gebieden. Onder de De6 gemeenten neemt de gemeente Halderberge bij de meerpersoonshuishoudens de vierde plaats met dus drie gemeenten boven en twee gemeenten onder en waarbij het verschil met de nummer vijf Rucphen kleiner is dan met de nummer 3 Roosendaal. Bij de eenpersoonshuishoudens is dit beeld in relatie tot de doelstelling zelfs verbeterd en heeft de gemeente de vijfde plaats (vorig jaar 4 en gepasseerd door de gemeente Moerdijk).
78
2.1.12 Lastendruk De ontwikkeling van de woonlasten voor huishoudens in de gemeente Halderberge kan in beeld worden gebracht door middel van de lastendruk. Dit is een vergelijking van meerdere jaren van de som van de afvalstoffenheffing, de rioolheffing en, bij koopwoningen, de onroerendezaakbelasting. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen eenpersoonsen meerpersoonshuishoudens. Voor meerpersoonshuishoudens levert dit de volgende tabel op: Overzicht ontwikkeling woonlasten meerpersoonshuishouden
Lastendruk 2024
Lastendruk 2025
Stijging/daling
Afvalstoffenheffing meerpersoonshuishouden
€ 355,56
€ 387,24
8,9%
Rioolheffing meerpersoonshuishouden
€ 247,80
€ 255,72
3,2%
OZB eigenaar
€ 299,68
€ 308,65
3,0%
Totaal lastendruk meerpersoonshuishouden met huurwoning
€ 603,36
€ 642,96
6,6%
Totaal lastendruk meerpersoonshuishouden eigen woning¹
€ 903,04
€ 951,61
5,4%
Lastendruk 2024
Lastendruk 2025
Stijging/daling
Afvalstoffenheffing eenpersoonshuishouden
€ 275,32
€ 299,78
8,9%
Rioolheffing eenpersoonshuishouden
€ 185,76
€ 191,76
3,2%
OZB eigenaar
€ 299,68
€ 308,65
3,0%
Totaal lastendruk eenpersoonshuishouden met huurwoning
€ 461,08
€ 491,54
6,6%
Totaal lastendruk eenpersoonshuishouden eigen woning¹
€ 760,76
€ 800,19
5,2%
Voor eenpersoonshuishoudens is dit als volgt: Overzicht ontwikkeling woonlasten eenpersoonshuishouden
In 2025 stijgen de woonlasten ten opzichte van 2024 met 6,6% voor meerpersoonshuishoudens met een huurwoning en met 5,4% voor meerpersoonshuishouden met een eigen woning. Voor eenpersoonshuishouden stijgen de woonlasten met respectievelijk 6,6% en 5,2%.
79
80
Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing
2.2.1 Algemeen Naast een sluitende meerjarenraming is ook het weerstandsvermogen een indicator voor de financiële positie van een gemeente. Het weerstandsvermogen wordt uitgedrukt in een indicator van de weerstandscapaciteit ten opzichte van de risico’s. De Rekenkamer West-Brabant (hierna: rekenkamer) heeft in 2014 een onderzoek uitgevoerd naar de opzet en werking van het risicomanagementsysteem van de gemeente Halderberge. De aanbevelingen van de rekenkamer zijn uitgewerkt in een plan van aanpak risicomanagement, dat begin 2015 door het college is vastgesteld. Gehanteerde uitgangspunten berekening benodigde weerstandscapaciteit In de voorbereiding op de Begroting 2025 heeft er naast een inventarisatie van nieuwe risico’s ook een herijking van de bestaande risico’s plaats gevonden. De geïnventariseerde risico’s zijn vervolgens opgenomen in NARIS en opnieuw berekend. Daarbij is een onderscheid gemaakt in structurele risico’s en incidentele risico’s. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit zijn de volgende uitgangpunten gehanteerd. 1. Opgenomen zijn risico’s die - op relatief eenvoudige wijze - financieel zijn te vertalen. 2. Elke risico wordt berekend aan de hand van de volgende parameters: - kans van optreden (bandbreedte 10% - 90%); - minimaal financieel gevolg, verwacht financieel gevolg en maximaal financieel gevolg als het risico zich voordoet. 3.
Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit is ermee rekening gehouden dat niet alle risico’s zich tegelijkertijd zullen voordoen: de benodigde weerstandscapaciteit bedraagt 95% van het totaal aan berekende risicobedragen. 4. De gemeente krijgt voor structurele risico’s vier jaar de tijd om de financiële gevolgen van deze risico’s - fasegewijs in de begroting/meerjarenraming op te nemen; dit uitgangpunt vertaalt zich in een vermenigvuldigingsfactor van 2,5 voor structurele risico’s (jaar 1: 100%, jaar 2: 75%, jaar 3: 50%, jaar 4: 25%; totaal 250%). 2.2.2 Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en de mogelijkheden die de gemeente heeft om onverwachte kosten (risico’s) op te kunnen vangen. De weerstandscapaciteit op begrotingsbasis bestaat uit de volgende onderdelen. • De algemene reserves (inclusief algemene reserve grondexploitaties) • De vrije begrotingsruimte (post onvoorziene uitgaven en het begrotingssaldo) • Vrij besteedbare bestemmingsreserves • De onbenutte belastingcapaciteit • Eventuele stille reserves In de tabel op de volgende pagina is de verwachte weerstandscapaciteit voor 2025 weergegeven.
81
Weerstandscapaciteit
Begroting 2025
Algemene reserve
14.774
Algemene reserve grondexploitaties
3.364
Egalisatiereserve rente
1.000
Post onvoorziene uitgaven
200
Begrotingsruimte
1.737
Onbenutte belastingcapaciteit
2.033
Stille reserves Totaal weerstandscapaciteit
PM 23.108
2.2.3 Risico's Op basis van de gehanteerde uitgangspunten, bedraagt de benodigde weerstandscapaciteit € 4.829.000.
Risico's
Risicobedrag
Incidentele risico's
312
Structurele risico's
4.869
Totaal risicobedrag
5.180
Waarvan risico's sociaal domein
3.136
De 10 grootste risico's worden hierna toegelicht.
Risico
82
Risicobedrag
Tekort jeugdzorg
1.197
Tekort BUIG
1.116
CAO en andere loonontwikkelingen
465
Tekort Wmo huishoudelijke ondersteuning
389
Lagere algemene uitkering
317
Tekort Wmo begeleiding
294
Wateroverlast
246
Tekort Wmo: open einde financiering voorzieningen
139
Vorst- en dooischade wegen
124
Schade aan wegen agv omleidingsroutes en sluipverkeer
123
Tekort jeugdzorg Omdat de uitvoering van de Jeugdwet een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor jeugdzorg. Tekort BUIG Van het rijk wordt een gebundelde uitkering (BUIG) ontvangen voor de uitvoering van de Particiaptiewet, IOAW, IOAZ en BBZ. Omdat de uitvoering hiervan een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 7,5% van de rijksbijdrage. Bij een (stuctureel) tekort van meer dan 7,5% kan een beroep worden gedaan op de vangnetregeling. CAO en andere loonontwikkelingen Voor de ontwikkeling van de salarissen wordt, naast de periodieke verhogingen, rekening gehouden met de loonstijgingen als gevolg van de cao. De cao voor gemeenteambtenaren loopt tot en met 31 maart 2025. In de meerjarenraming 2025 - 2028 is, in afwachting van een nieuwe cao, een loonstijging opgenomen van 3% per jaar. Een extra loonstijging van 1% betekent voor Halderberge een structurele stijging van de loonkosten met ca. € 205.000 per jaar. Tekort Wmo huishoudelijke ondersteuning Omdat de uitvoering van de Wmo-voorziening huishoudelijke ondersteuning een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden.
Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor huishoudelijke ondersteuning. Lagere algemene uitkering Bij de uitgangspunten voor de Programmabegroting 2025 wordt voorgesteld om in de raming van de uitkeringen uit het gemeentefonds geen rekening meer te houden met een behoedzaamheidsreserve. Dit betekent dat wanneer de raming van de algemene uitkering uit het gemeentefonds gedurende een begrotingsjaar naar beneden wordt bijgesteld, dit voortaan direct een negatief budgettair effect heeft. Tekort Wmo begeleiding Omdat de uitvoering van de Wmo-voorziening begeleiding een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor begeleiding. Wateroverlast Het klimaat is aan het veranderen. We krijgen meer en meer te maken met buien waarin binnen een korte tijd veel water valt. Het afwateringssysteem kan dergelijke intensieve regenbuien niet aan. De kans op wateroverlast in zowel stedelijk als landelijk gebied neemt daarom toe. De laatste jaren is daarom enorm veel geïnvesteerd in het treffen van maatregelen om wateroverlast tegen te gaan. De gevolgen van waterlast kunnen zijn: • Verzakkingen van wegen als gevolg van uitspoeling. • Herstellen verzakkingen en breuken in het riool. • Schoonmaken van ondergelopen gebieden.
• Inzet van pompen voor het wegpompen van water in de ondergelopen gebieden. • In ernstige gevallen evacueren en opvangen bewoners. In de begroting is geen rekening gehouden met deze gebeurtenissen. Wel zijn er middelen voor het onderhoud aan wegen en riolering ter voorkoming van mogelijke overlast. Weersomstandigheden blijven echter een risico. Tekort Wmo: open einde financiering voorzieningen Omdat de uitvoering van de Wmo-voorzieningen (woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen) een openeinde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor Wmo-voorzieningen. Vorst- en dooischade wegen Jaarlijks is er financieel ruimte voor het uitvoeren van onderhoud aan wegen, verhardingen en kunstwerken. In de begroting is geen rekening gehouden met mogelijke schades als gevolg van een dergelijke weersomstandigheden. Die hebben zich tot op heden nog niet voorgedaan, maar vormen wel een risico. Schade aan wegen agv omleidingsroutes en sluipverkeer Door reconstructies aan wegen kunnen schades ontstaan aan die wegen die worden aangewezen als omleidingsroute bij deze werkzaamheden. Daarnaast worden wegen ook gebruikt door sluipverkeer omdat het verkeer naast de omleidingsroutes haar eigen weg kiest. Met deze mogelijke schades is geen rekening gehouden in de begroting maar vormt wel een risico.
83
Overige risico's Deze risico's zijn ter informatie opgenomen. Ze zijn nog niet te kwantificeren en dus ook niet in het totale risicobedrag meegenomen. Sporthallen De Beuk en De Parrestee Op basis van de motie van de gemeenteraad van 14 december 2023 met het verzoek aan het college om een onderzoek te doen naar een eventuele aankoop van de sporthallen De Beuk en De Parrestee, worden deze sporthallen getaxeerd. Er is nog geen definitieve taxatie voorhanden. De eigenaar heeft de sporthallen aan de gemeente te koop aangeboden. Binnen de begroting is nog geen rekening gehouden met de aankoop, onderhoud en beheer van deze sporthallen. De gevolgen voor de begroting zijn nog niet in te schatten. 2.2.4 Weerstandsvermogen Op basis van de weerstandscapaciteit en de verwachte risico’s kan een uitspraak worden gedaan over het weerstandsvermogen. Het weerstandsvermogen is het vermogen van de gemeente om financiële tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat de normale bedrijfsvoering wordt aangetast. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen de beschikbare weerstandscapaciteit (de middelen waarover de gemeente kan beschikken om niet begrote kosten die onverwachts en substantieel zijn te dekken) en de benodigde weerstandscapaciteit (de risico’s waarvoor geen voorzieningen of verzekeringen zijn afgesloten).
Deze relatie kan op een eenvoudige wijze in de volgende vergelijking worden weergegeven. Ratio weerstandsvermogen =
Beschikbare weerstandscapaciteit Benodigde weerstandscapaciteit (risico’s)
De ratio voor het weerstandsvermogen is als volgt gecategoriseerd. Situatie
Ratio weerstandsvermogen
Betekenis weerstandsvermogen
A
X > 2,0
Hoog
B
1,5 < X < 2,0
Ruim voldoende
C
1,0 < X < 1,5
Voldoende
D
0,5 < X < 1,0
Onvoldoende
E
X < 0,5
Ruim onvoldoende
De ratio weerstandsvermogen is berekend op € 23.108.000 / € 5.180.000 = 4,46. Dit is te categoriseren als hoog. De ratio van het weerstandsvermogen is voor 2025 berekend op 4,46. Zoals ook bij de eerder genoemde uitgangspunten is aangegeven, is bij de berekening van benodigde weerstandscapaciteit rekening gehouden met zowel incidentele als structurele risico’s. Hierdoor heeft het benodigde weerstandsvermogen ook een meerjarig karakter voor de komende 4 jaar. Dit zal vervolgens jaarlijks bij de Zomernota en Begroting worden bijgesteld met de inzichten op dat moment. De daling ten opzichte van de ratio, zoals die voor het jaar 2025 was berekend in de Zomernota 2024 (4,78), is het gevolg van een toename van de weerstandscapaciteit met € 1.094.000 en een stijging van de risico’s met € 577.000. De stijging van de weerstandscapaciteit is met name het gevolg van: 1. Een toename van de algemene reserve met € 326.000. De toename is met name het gevolg van de verkoop van de woning aan de Bosschedijk in Oudenbosch. De opbrengst bedroeg € 443.000. 2. Een daling van de algemene reserve grondexploitaties met € 21.000. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de paragraaf Grondbeleid. 3. Een stijging van het begrotingssaldo met € 343.000. Voor een toelichting op de verschillende mutaties wordt verwezen naar de uiteenzetting financiële positie. 4.
Een stijging van de onbenutte belastingcapaciteit met € 446.000 vanwege de waardestijging van de woningen en niet-woningen.
84
De stijging van de risico’s is met name het gevolg van een stijging van de totale risico's binnen het sociaal domein van € 470.000. Deze stijging is met name het gevolg van een stijging van het risico op het tekort op de BUIG-middelen van € 318.000 en het tekort op jeugdzorg van € 119.000. 2.2.5 Kengetallen Inleiding Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) schrijft voor dat gemeenten vijf kengetallen in de begroting en jaarrekening opnemen. Door middel van deze kengetallen kunnen raadsleden eenvoudiger zicht krijgen op de financiële positie van de gemeente. Sinds de begroting 2016 zijn op grond van de voorschriften uit het BBV de volgende kengetallen in de begroting en de jaarrekening opgenomen: 1. netto schuldquote & de netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen; 2. de solvabiliteitsratio; 3. kengetal grondexploitaties; 4. de structurele exploitatieruimte; 5. en de belastingcapaciteit. Deze kengetallen beogen, in onderlinge samenhang, een bijdrage te leveren aan het inzicht in de financiële positie van de gemeente. Juist de onderlinge samenhang en het verloop gedurende meerdere jaren biedt het verlangde inzicht. Daarom is niet zinvol om op basis van één enkel kengetal conclusies te trekken.
Kengetallen en de signaleringswaarde De kengetallen zijn primair bedoeld als instrument voor de raad en worden niet gebruikt als extra normeringsinstrument in het kader van het financieel toezicht door de provincies of het Rijk. De gezamenlijke provinciale toezichthouders hebben echter geconstateerd dat het financiële beeld dat uit de kengetallen naar voren komt, voor de toezichthouder ook belangrijk is voor het inzicht in de financiële positie van de gemeente. Er is door de toezichthouders daarom besloten om voor het verkrijgen van een goed beeld, aan te sluiten bij de signaleringswaarden die afkomstig zijn uit onder meer de stresstest voor 100.000⁺ gemeenten. In de tabel hieronder is te zien welke waarden bij welke categorie (A, B of C) behoren. Categorie A is het minst risicovol en categorie C het meest risicovol. Kengetal
Categorie A
Categorie B
Categorie C
1a
Netto schuldquote
< 90%
90 - 130%
> 130%
1b
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
< 90%
90 - 130%
> 130%
2
Solvabiliteitsratio
> 50%
20 - 50%
< 20%
3
Structurele exploitatieruimte
Begroting > 0%
Begroting 0%
Begroting < 0%
4
Grondexploitatie
< 20%
20 - 35%
> 35%
5
Belastingcapaciteit
< 95%
95 - 105%
> 105%
85
De volgende tabel laat de kengetallen zien vanaf de Jaarrekening 2023. Kengetallen
Jaarrekening 2023
Begroting 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Netto-schuldquote
69,32%
119,12%
101,23%
121,52%
125,98%
120,40%
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
67,65%
117,45%
99,70%
119,92%
124,35%
118,84%
Solvabiliteitsratio
20,39%
14,37%
16,72%
16,05%
16,24%
16,50%
Structurele exploitatieruimte
5,31%
1,97%
2,15%
-0,83%
0,02%
0,22%
Grondexploitatie
3,04%
2,84%
-5,36%
0,00%
0,00%
0,00%
Belastingcapaciteit
94,30%
95,66%
95,74%
97,67%
102,91%
107,95%
Netto-schuldquote
A
B
B
B
B
B
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
A
B
B
B
B
B
Solvabiliteitsratio
B
C
C
C
C
C
Structurele exploitatieruimte
A
A
A
C
A
A
Grondexploitatie
A
A
A
A
A
A
Belastingcapaciteit
A
B
B
B
B
C
Kengetallen
Signaleringswaarden
Toelichting kengetallen Netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen. Hierbij geldt: hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote. Het geeft hiermee een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. Een hoge netto schuldquote hoeft op zichzelf geen probleem te zijn. Of dat het geval is, valt niet direct af te leiden uit de netto schuldquote zelf, maar hangt af van meerdere factoren. Zo kan een hoge schuld worden veroorzaakt doordat er leningen zijn afgesloten en die gelden vervolgens zijn doorgeleend aan andere partijen, die op hun beurt weer jaarlijks aflossen. In dat geval hoeft een hoge schuld geen probleem te zijn. Om inzicht te verkrijgen in hoeverre er sprake is van doorlenen, wordt de netto schuldquote zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weergegeven (netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen). Op die manier wordt duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen in de exploitatie is en ook wat dat betekent voor de schuldenlast. De provincie hanteert een signaalwaarde van 90%. Er blijft dan weinig leencapaciteit over om tegenvallers op te vangen. Een waarde van 130% wordt in beginsel aangegeven als kritische grens.