Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Groene Woud 58 Oudenbosch.pdf
Tekst van het document
De Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is door de gemeente vertaald naar de Cultuurhistoriekaart Halderberge. Beleidsnota Cultureel Erfgoed en Cultuurhistoriekaart Halderberge De gemeente heeft op 22 september 2011 beleid vastgesteld waarin is vastgelegd dat zorgvuldig omgegaan wordt met de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen de gemeente Halderberge. De beleidsnota beschrijft dat cultuurhistorie een belangrijke drager is van de identiteit van Halderberge. De nota maakt integraal onderdeel uit van de ruimtelijke ontwikkeling van Halderberge. Ontmoetingen van heden en verleden gelden als uitdaging en inspiratiebron voor de toekomst. Bij het ontwikkelen van nieuwe ruimtelijke plannen moet cultuurhistorie dan ook een volwaardige plaats én inbreng krijgen. Aanvullend is op dit beleid per 6 februari 2014 een gemeentelijke Cultuurhistoriekaart beschikbaar, die vergelijkbaar is met de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Het doel van de cultuurhistoriekaart is het inzichtelijk maken van het aanwezige historisch-geografische erfgoed,
39/77
het historisch-(steden)bouwkundige erfgoed en het historisch groen in de gemeente Halderberge. De cultuurhistoriekaart heeft allereerst een belangrijke attentiewaarde. 4.6.2 Toetsing Conform de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant (figuur 4.4) wordt het bestaande object aan Groene Woud 58 aangeduid als 'overige bouwkunst'. Het object kent CHW-code 'ZB086-000782' en wordt aangemerkt als type 'boerderij'.
Figuur 4.4 Cultuurhistorische Waardenkaart met aanduiding plangebied (Bron: Provincie Noord-Brabant) De Cultuurhistorische Waardenkaart is vertaald naar de cultuurhistoriekaart van de gemeente Halderberge. Een uitsnede van de kaart met aanduiding van het plangebied is weergegeven in figuur 4.5. Op deze kaart is het bestaande object aan Groene Woud 58 aangewezen als 'overig historische bouwkunst'.
40/77
Figuur 4.5 Cultuurhistoriekaart gemeente Halderberge met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Halderberge) De objecten die als 'overig historische bouwkunst' zijn aangewezen hebben geen officiële monumentenstatus. Er is dus geen sprake van een rijks- of gemeentelijk monument. De bestaande boerderij aan Groene Woud 58 betreft een langgevelboerderij, welke in de negentiende eeuw karakteristiek voor de Brabantse zandgronden was. In dit type boerderij zijn huisdeur en bedrijfstoegangen in dezelfde gevel geplaatst. De bedrijfsruimte naast het woonhuis bestond grotendeels uit een (deel van een) stal. Mens en dier woonden nog onder één dak. Was het stalgedeelte aanvankelijk een potstal, na 1900 werd deze vervangen door een grupstal (met mestgoot). Pas omstreeks 1955, met de komst van de ligboxenstal, heeft de bouw van langgevelboerderijen plaatsgemaakt voor bedrijfsgebouwen met vrijstaande woonhuizen. Door drastische veranderingen in de agrarische bedrijfsvoering worden veel boerenschuren niet meer gebruikt en onderhouden, zoals ook het object aan Groene Woud 58. Strategische herontwikkeling biedt kansen om het gebied kwalitatief op te waarderen en een duurzame ontwikkeling mogelijk te maken. De bestaande bebouwing is dermate vervallen dat deze niet meer kan worden gerenoveerd binnen de huidige geldende bouwkundige- en duurzaamheidseisen. Bovendien betreft het hier geen monument.
Door de sloop van de bestaande opstallen en daarvoor in de plaats de realisatie van 20 woningen (waarvan één in de plaats van de boerderij) wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave voor Halderberge. Dit belang prevaleert boven de waarde 'overig historische bouwkunst'. 4.6.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
41/77
4.7
Geluid
4.7.1 Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, spoorwegverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.7.2 Weg- en spoorwegverkeerslawaai In het kader van de beoogde ontwikkeling is een onderzoek weg- en spoorwegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierin zijn de geluidbelastingen ten gevolge van het spoor en-wegverkeer inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 3. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Wegverkeerslawaai De Oudlandweg (60 km/uur) is de dichtstbijzijnde gezoneerde weg en ligt op 70 meter. De weg bestaat uit één rijstrook en heeft een geluizone van 200 meter. De ontwikkellocatie ligt binnen de zone van een weg. Uit de berekeningen blijkt dat de optredende geluidbelasting (na aftrek ingevolge art. 110g Wgh) vanwege de Oudlandweg maximaal 36 dB bedraagt op de vrijstaande woning in het noordoosten van het plan. Hiermee is géén sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (48 dB).
De hoogst optredende geluidbelasting van de ongezoneerde weg Groene Woud bedraagt (voor aftrek ingevolge art. 110g Wgh) maximaal 55 dB. Spoorweglawaai Uit de berekeningen blijkt dat de optredende geluidbelasting (na aftrek ingevolge art. 110g Wgh) vanwege het spoor maximaal 71 dB bedraagt. Hiermee is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde. Maatregelen spoorweglawaai Na plaatsing van een 3,5 meter hoog scherm tussen bron en ontvanger is het geluidniveau verlaagd naar maximaal 68 dB Lden. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde (55 dB) overschreden maar niet de maximale te verlenen ontheffingswaarde (68 dB). Bijkomend effect van toepassing van het geluidscherm is dat alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel. Het scherm kan op het perceel van de planlocatie staan zodat geen medewerking van Prorail nodig is. Voor toepassing van het scherm wordt aan de Gemeente Halderberge gevraagd om voor de bouwhoogte in relatie tot nieuwbouwprojecten af te wijken van de maximale hoogte. Door de natuurlijke begroeiing en de bestaande begroeiing aan de overzijde van het spoor blijft de landschappelijke impact beperkt. Daarnaast hebben bestaande woningen geen direct zicht op het scherm door de bestaande groenstrook.
De realisatie en instandhouding van het geluidscherm is geborgd in artikel 5.2.7 van de planregels en daaraan gekoppeld een aanduiding op de planverbeelding.
42/77
Hogere waarden De voorkeursgrenswaarde wordt met 13 dB overschreden. Zwaardere maatregelen dan in dit onderzoek gemotiveerd, zijn niet (financieel) doelmatig. Het is daarom realistisch om voor het plan een hogere waarde van maximaal 68 dB aan te vragen. Het is uiteindelijk aan het bevoegd gezag om de hogere waarde te verlenen. Cumulatieve geluidbelasting Slechts één bron (spoorweg) leidt tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Formeel is cumulatie van geluid is niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn alle beschouwde wegen samen met de spoorweg opgenomen in de cumulatie. De gecumuleerde geluidbelasting van alle beschouwde bronnen bedraagt 68 dB na maatregelen. 4.7.3 Industrielawaai Het plangebied ligt buiten de richtafstanden van bedrijven in de omgeving en er ligt geen gezoneerd industrieterrein of windturbine in de buurt. De geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit zullen niet worden overschreden. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het plan. 4.7.4 Conclusie Maatregelen en hogere waarden zijn noodzakelijk. In het kader hiervan is in artikel 5.2.7 van de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Met in acht name van de voorwaarden uit het onderzoek, welke getoetst zullen worden in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen, vormt het aspect geluid geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanprocedure.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet
43/77
beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid Vanuit de verantwoordelijkheid om burgers een veilige leefomgeving te bieden en vanuit het besef dat risico's onvermijdelijk zijn, heeft de gemeente Halderberge de beleidsvisie externe veiligheid opgesteld (2012-2015) over de omgang met externe veiligheid binnen de gemeentegrenzen. De gemeente geeft daarmee op een gestructureerde wijze invulling aan de beleidsvrijheid die haar binnen de bestaande wettelijke kaders ter beschikking staat. 4.8.2 Toetsing Conform de risicokaart (figuur 4.6) vindt in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, de weg of door buisleidingen met een externe werking plaats. De invloedsgebieden en PR 10-6 contouren liggen niet over het plangebied.
Vanwege de ligging in het invloedsgebied van Shell NL Chemie in Moerdijk en het spoortraject Roosendaal - Lage Zwaluwe is een externe veiligheidsonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4.
44/77
Figuur 4.6 Uitsnede risicokaart met het plangebied groen omkaderd (Bron: Atlas leefomgeving) Risicovolle inrichtingen Shell Nederland Chemie is gelegen aan de Chemieweg 25 te Moerdijk en heeft een invloedsgebied van ruim 10 kilometer. De omvang van het invloedsgebied wordt veroorzaakt door de opslag van giftige gassen. De ontwikkeling is (net) in het plangebied gelegen, zie figuur 4.7.
45/77
Figuur 4.7 Invloedsgebied Shell NL Chemie (Bron: Atlas leefomgeving) Het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied is in kader van eerder onderzoek opgevraagd via de BAG-populatieservice. Daaruit blijkt dat overdag circa 83.450 personen aanwezig zijn en 's nachts circa 68.200 personen. Door de realisatie van twintig woningen neemt het aantal personen in het invloedsgebied toe met 23 overdag en 46 's nachts. De toename van het aantal personen is respectievelijk 0,03% en 0,07%. De invloed van de planrealisatie op de hoogte van het groepsrisico van Shell NL Chemie is daarmee nihil. Een berekening van het groepsrisico kan achterwege blijven. Er kan worden volstaan met een verantwoording van het groepsrisico. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Het spoortraject Roosendaal - Lage Zwaluwe (route 35) bevindt zich ten zuiden van het plangebied en maakt onderdeel uit van het Basisnet. Plaatsgebonden risico Het plangebied bevindt zich ter hoogte van trajectdeel 35AG waar het plaatsgebonden risico 18 meter is, weergegeven in figuur 4.8. Hier binnen zijn geen kwetsbare objecten toegestaan.
Figuur 4.8 Ligging plaatsgebonden risico in relatie tot het plangebied Uit figuur 4.8 blijkt dat een gedeelte van de tuinen (wit en geel) en schuurtjes (kleine grijze vlakken) van de meest zuidelijk gelegen woningen binnen de PR 10-6-contour liggen, maar dat de bijbehorende woningen erbuiten liggen. Hiermee is aangetoond dat de kwetsbare objecten (de woningen en mogelijke uitbouwen) niet binnen de PR 10-6-contouur liggen. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied.
46/77
Groepsrisico In de huidige situatie is het groepsriscio een factor 1.76 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie is het groepsrisico een factor 1.79 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat het groepsrisico in de toekomstige situatie 1.79 keer groter is dan de oriëntatiewaarde. Uit de resultaten blijkt dat het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie groter is dan de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt in de toekomstige situatie toe met 1.7%. Het groepsrisico dient verantwoord te worden en het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Plasbrandaandachtsgebied Het spoortraject heeft een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Dit is het gebied tot 30 meter van het spoor waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 meter voor het PAG wordt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf van het buitenste doorgaande spoor. De woningen liggen net buiten het PAG, de tuinen van de zuidelijke gelegen woningen liggen binnen het PAG. Dit betekent dat er geen aanvullende bouweisen worden gesteld aan de woningen ter bescherming tegen eventuele gevolgen van een eventueel ongeluk met brandbare vloeistoffen (plasbrand).
Het standaardadvies van de Veiligheidsregio, opgenomen als bijlage 5, is hierop van toepassing. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via Groene Woud. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Oudenbosch. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.
Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor en bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de
47/77
calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. 4.8.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van Shell Nederland Chemie en het spoortraject Roosendaal Lage Zwaluwe. Door de afstand en grote invloedsgebied van Shell Nederland Chemie zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een significant effect op het groepsrisico. Uit de berekening voor het spoor blijkt dat het groepsriscio momenteel al boven de oriëntatiewaarde is gelegen en licht toeneemt. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio is van toepassing. Concluderend kan worden gesteld dat het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling vormt.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven. Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie (NO2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën
48/77
betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.9.2 Toetsing Zoals beschreven in paragraaf 4.3 is door de beoogde ontwikkeling sprake van een verkeersgeneratie van 151,6 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de huidige situatie heeft het plangebied een agrarische en een woonfunctie. Hiermee heeft het plangebied planologisch gezien al een verkeersaantrekkende werking van circa 7,7 mvt/etmaal (minimale generatie voor een woning in de categorie 'koop, huis, vrijstaand'). Aangezien de functies al lange tijd niet meer als zodanig in gebruik zijn, is het niet realistisch om rekening te houden met dat gebruik. Er zal dan ook geen rekening worden gehouden met saldering van het aantal verkeersbewegingen in de bestaande (planologische) situatie. Voor het woonprogramma van totaal twintig woningen wordt zoals beschreven in paragraaf 4.3.2.3 uitgegaan van een verkeersgeneratie van 151,6 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag.
In het kader van het aspect luchtkwaliteit wordt uitgegaan van een (worst-case) aandeel vrachtverkeer van 10%. In de nibm-tool (versie 2022) is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat de verkeerstoename van 151,6 mvt/etmaal zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,24 µg/m³ en van fijnstof van 0,03 µg/m³ (tabel 4.5). Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk. Tabel 4.5 Resultaten NIBM-tool 2022
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het
49/77
plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Bosschendijk is de maatgevende weg. Uit de tool (figuur 4.9 en bijbehorende tabellen 4.6 t/m 4.8) blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is ter plaatse van het projectgebied als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 4.9 Toetspunt directe omgeving plangebied (Bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) Tabel 4.6 Concentraties NO2
Tabel 4.7 Concentraties PM10
50/77
Tabel 4.8 Concentraties PM2,5
4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Kabels en leidingen 4.10.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.10.2 Toetsing en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
51/77
4.11 Bodem 4.11.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.11.2 Toetsing 4.11.2.1 Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in puin en bodem In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in puin en bodem uitgevoerd. Bijbehorend rapport is opgenomen als bijlage 6.
Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Wet bodembescherming Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond licht verontreinigd is met lood en kwik en plaatselijk verontreinigd is met asbest. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, xylenen en naftaleen. Besluit bodemkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond voldoet aan de achtergrondwaarde, met uitzondering van het terreingedeelte met puinpad ten oosten van het woonhuis. De ondergrond voldoet deels aan de achtergrondwaarde en deels aan de klasse industrie. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek). Vooralsnog dienen voor overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Toetsing hypothese Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden. Gezien de geringe overschrijdingen het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren. Verkennend onderzoek asbest in puin en bodem
52/77
Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van G02 een asbestconcentratie in puin is aangetoond (mg/kg d.s.) welke onder de nader onderzoekswaarde blijft. Ter plaatse van gat G03 is een asbestconcentratie in grond aangetoond welke de interventiewaarde overschrijdt. Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse op basis van de mogelijk gebruiksbeperkingen dienen te worden gesteld aan de onderzoekslocatie in verband met de aangetroffen asbestconcentraties. De verkregen resultaten geven aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Geadviseerd wordt een nader onderzoek asbest uit te voeren teneinde de feitelijke asbestconcentraties vast te stellen. 4.11.2.2 Nader asbestonderzoek in puin In navolging van het uitgevoerd verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in puin en bodem is een nader asbestonderzoek in puin uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen als bijlage XXX. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: Op de locatie is geen deugdelijke maaiveldinspectie verricht, aangezien te veel vegetatie aanwezig is.
Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in de puinlaag ter plaatse van de proefsleuven 100 t/m 103 asbestverdachte plaatmaterialen aangetroffen. In de puinlaag ter plaatse van de proefsleuven 100 en 101 zijn licht verhoogde gehalten aan asbest aangetroffen (ten opzichte van de detectielimiet). Wel dient opgemerkt te worden dat de fijne fractie (< 20 mm) van deze monsters niet zijn onderzocht. Redelijkerwijs kan gesteld worden dat de gehalten een stuk hoger uitvallen en mogelijk de interventiewaarde van asbest overschrijden. In de puinlaag ter plaatse van proefsleuven 102 en 103 zijn sterk verhoogde gehalten aan asbest aangetroffen. De interventiewaarde van asbest wordt overschreden. Gesteld kan worden dat de puinlaag ter plaatse van proefsleuven 102 en 103 sterk verontreinigd is met asbest (>100 mg/kg d.s.). Derhalve is sprake van een saneringsverplichting. Gezien de voorgenomen ontwikkeling van de locatie wordt geadviseerd de asbestverontreiniging te saneren (ontgraven en afvoeren). Daarnaast dient een melding gedaan te worden bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Volgens artikel 5 lid 1 van het Besluit asbestwegen milieubeheer dient degene die weet of had kunnen weten dat hij een asbestverdachte weg voorhanden heeft, dit terstond melden aan de Minister i.c. ILT.
4.11.2.3 Verkennend onderzoek asbest in bodem "druppellijnen" In navolging van de reeds uitgevoerde onderzoeken is tevens een verkennend onderzoek asbest in bodem uitgevoerd ter plaatse van de voormalige druppellijnzones op het perceel. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele inzicht in de concentratie asbest en PCB in de bodem ter plaatse van de voormalige druppellijnen en op basis hiervan na te gaan of deze parameters aanleiding voor aanvullende maatregelen c.q. een belemmering kan opleveren voor de ontwikkelingen. Het veldwerk is uitgevoerd in september en oktober 2023. Bij de veldinspectie kan rekening gehouden worden met een inspectie-efficientie van 60%. De locaties zijn erg begroeid, hetgeen de inspectie efficiency beperkte. Er
53/77
wordt van uit gegaan dat na het verwijderen van de daken een vrijgaverapport is opgemaakt en dat alle visueel aanwezige asbesthoudende materialen nabij de daken zijn verwijderd. Bij de uitgevoerde maaiveldveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Conclusies Grote schuur Geconcludeerd kan worden dat de grond ter plaatse van in de oostelijke druppellijn niet verontreinigd is met zowel asbest als PCB. De locatie van de westelijke druppellijn is verhard met beton en derhalve niet verdacht op asbest in de bodem. Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek mag de gestelde hypothese "verdachte locatie" verworpen worden. Kleine schuur Geconcludeerd kan worden dat in de grond ter plaatse van de oostelijke druppellijn asbest is aangetroffen. De asbestconcentratie (3 mg/kg ds) blijkt echter onder de norm voor nader onderzoek (= 50 mg/kg ds). De grond is bij deze druppellijn niet verontreinigd met PCB. Geconcludeerd kan worden dat de grond ter plaatse van in de westelijke druppellijn niet verontreinigd is met zowel asbest als PCB. Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "verdachte locatie", voor wat betreft de oostelijke druppellijn, geaccepteerd te worden. De resultaten geven echter geen aanleiding voor aanvullend onderzoek of maatregelen.
Advies De resultaten van het onderzoek ter plaatse van de druppellijnen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. Uiteraard dient wel rekening gehouden met de resultaten uit voorgaand onderzoeken, waarbij asbest in de halfverharding is aangetoond. Geadviseerd wordt de resultaten van het onderzoek bij de aanvraag voor bestemmingswijziging en omgevingsvergunning te voegen. 4.11.3 Conclusie en advies Op basis van de verrichte onderzoeken kan gesteld worden dat de puinlaag ter plaatse van proefsleuven 102 en 103 sterk verontreinigd is met asbest (>100 mg/kg d.s.). Derhalve is sprake van een saneringsverplichting. Gezien de voorgenomen ontwikkeling van de locatie dient de asbestverontreiniging te worden gesaneerd. Daarnaast dient een melding gedaan te worden bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Het (doen) gebruiken van gronden en bouwwerken, het bouwen en/of slopen en het uitvoeren van een werk binnen het plangebied is enkel toegestaan nadat saneringswerkzaamheden zijn verricht zoals volgt uit de verrichte onderzoeken en nadat eventuele overige maatregelen en/of vergunningen zijn verkregen. Bij de omgevingsvergunning voor bouwen dient dit te zijn aangetoond. Hiermee is ten aanzien van de bestemmingsplanprocedure de haalbaarheid voor planontwikkeling in voldoende mate aangetoond.
54/77
4.12 Geurhinder 4.12.1 Normstelling en beleid De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en/of het Activiteitenbesluit vormt het toetsingskader voor de geurhinder vanuit de omliggende veehouderijen. Dat kader stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten (alleen intensieve veehouderijen) en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten (alle veehouderijen). Daarnaast moet worden beoordeeld of ter plaatse van het nieuwe geurgevoelig object sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat en mag het nieuw geurgevoelig object geen (aanvullende) beperking worden voor de omliggende veehouderijen. De geurbelasting is afkomstig van dieren, waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een emissiefactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (OUE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen wordt in de Wgv ook rekening gehouden met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden).
De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. 4.12.2 Toetsing In de voorliggende situatie is sprake van woningbouwontwikkeling. Er is hierbij geen sprake van bouwkavels die onderdeel hebben gemaakt van het bouwvlak van een veehouderij. Een toetsing aan vaste afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten is in dit geval niet aan de orde. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op een afstand van circa 500 meter. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden ingegaan op de aanvaardbaarheid van het heersende geurniveau ter plaatse. Figuur 4.10 toont een uitsnede van de achtergrondbelasting geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. De leefkwaliteit in het gebied is berekend op basis van een niet-concentratiegebied. Gezien het geringe aantal veehouderijen en de afstand van het plangebied tot deze veehouderijen, mag worden aangenomen dat ter plaatse van het plangebied een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving verwacht.
55/77
Figuur 4.10 Uitsnede achtergrondbelasting geur (Bron: ODZOB) 4.12.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13 Water 4.13.1 Normstelling en beleid Waterbeheer en watertoets Voor alle ruimtelijke plannen zal een watertoets moeten worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Daarbij wordt allereerst sterk ingezet op preventie van verontreiniging en nuttig hergebruik van water op lokaal niveau. Daarnaast is voor de retentiebehoefte de voorkeurvolgorde infiltreren, retentie binnen het plangebied, retentie buiten het plangebied of berging in bestaand watersysteem. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:
56/77
Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Het waterschap heeft een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht.
De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak, via een afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
Dit verbod is van toepassing tenzij: het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06'. Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het
57/77
water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van het beleid. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. Gemeentelijk beleid Gemeentelijk Waterplan Halderberge Op 30 september 2004 heeft de gemeente Halderberge, in samenspraak met waterschap Brabantse Delta, Brabant Water en de provincie NoordBrabant, een gezamenlijk beleidsplan voor het watersysteem en de waterketen in Halderberge vastgesteld. De gemeente Halderberge wil met het gezamenlijke beleidsplan het versnipperde waterbeleid beter op elkaar afstemmen. Het gemeentelijk Waterplan Halderberge bestaat uit zes thema’s: 1. Samenwerken aan water; 2. Water en kwantiteit; 3. Water en kwaliteit en ecologie; 4. Watervoorziening, watergebruik, riolering en afvalwaterzuivering; 5. Water en ruimte; 6. Gebruik, beleving en cultuurhistorie. In het gemeentelijk Waterplan is een maatregelenprogramma opgenomen. Het oplossen van wateroverlast door grondwater of als gevolg van een te geringe capaciteit van de riolering staat hierin centraal. Gemeentelijk Riolering Plan (GRP) Halderberge 2020 - 2023 Vanuit de Wet Milieubeheer en de Waterwet heeft iedere gemeente in Nederland de wettelijke zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater.
Op 18 juli 2019 is door de gemeenteraad van de gemeente Halderberge het Gemeentelijk Riolering Plan (GRP) Halderberge 2020 - 2023 vastgesteld. Het GRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het GRP ligt vast wat de doelstelling is en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het GRP vervult vier hoofdfuncties: 1. Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater 2. Interne afstemming: met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners 3. Externe afstemming: met burgers en bedrijven 4. Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie). Het gemeentelijke waterbeheer staat niet op zich, maar is continu in beweging door diverse uitdagingen en ontwikkelingen. De belangrijkste zijn onderstaand beschreven en vormen de basis voor de speerpunten voor de planperiode 2020-2023: klimaatverandering; uitputting energie en grondstoffen;
58/77
veranderende wetgeving; energietransitie; participatie en bewustzijn; vitaliteit; veiligheid. Met het GRP draagt de gemeente Halderberge bij aan de volgende omgevingsgerichte lange termijn doelstellingen: bescherming van de volksgezondheid; droge voeten (bebouwd gebied); schoon water en een schone bodem. De gemeente heeft de zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater en het beheer van afvloeiend hemelwater. In gebieden waar de gemeente inzameling en transport van stedelijk afvalwater niet doelmatig vindt en de provincie ontheffing van de zorgplicht heeft verleend moet de houder van het afvalwater zelf zorgen voor de verwerking van het afvalwater. De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Alleen als de houder van het verzamelde hemelwater dit redelijkerwijs niet kan afvoeren.
De gemeente draagt tevens de zorg voor het in openbaar gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken mits dit doelmatig is en voor zover er geen verantwoordelijkheid bestaat voor de waterbeheerder of de provincie. De perceeleigenaar is wettelijk gezien primair zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn eigen grondwaterprobleem. De gemeente Halderberge wenst ontwikkelingen te benutten om het grondwater aan te vullen en ervoor zorg te dragen dat het stedelijk watersysteem niet zwaarder wordt belast. Hiervoor heeft de gemeente een bergingseis voorgeschreven aan de hand van het oppervlak van de voorgenomen ontwikkeling en/of de toename van het verhard oppervlak. Voor iedere ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding, ongeacht de omvang van deze ontwikkeling, geldt een bergingseis van 7 mm voor de eerste 1.000 m2. Voor verharding boven de 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm, conform de keur. Voor ontwikkelingen op bestaande verharde locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm voor het totale oppervlak.
In de geest van de gehanteerde voorkeursvolgorde past de gemeente als principe toe dat zoveel als mogelijk retentie (dicht)bij de bron moet worden gerealiseerd. In de praktijk komt dit neer op in eerste instantie realisatie van retentie op eigen terrein en in tweede instantie realisatie van retentie binnen de plangrenzen van het te realiseren project waarvoor de retentie wordt gerealiseerd. 4.13.2 Toetsing Huidige situatie Het plangebied ligt ten noordoosten van het NS-station en het centrum van Oudenbosch en wordt kadastraal aangeduid als ODB02-B-3381. Het plangebied kent een oppervlak van 6.805 m2 en is in de huidige situatie voor circa 10% verhard ten dienste van de gedeeltelijk geldende woonbestemming. Dit komt neer op een bestaand
59/77
verhard oppervlak van circa 680 m2. Bodem en grondwater Regionale geologie De regionale geohydrologische bodemopbouw is afgeleid van de gegevens van de Geologische Dienst Nederland, DINOloket en het Actueel Hoogtebestand Nederland. De hoogte ligging van het maaiveld ter plaatse van het plangebied betreft circa 2,6 m+NAP. Grondwater Op basis van de voorhanden zijnde gegevens is een grondwaterstand van circa 1,5 m-mv te verwachten. De globale horizontale stroming van het freatisch grondwater is noord tot noordwestelijk gericht. Op basis van de PMV Noord-Brabant kan worden gesteld dat de locatie niet binnen een beschermingszone van een waterwingebied ligt. Verder vinden er geen geregistreerde grondwateronttrekkingen plaatse in de directe omgeving. Waterkwantiteit Op alle watergangen en sloten die zijn opgenomen in de legger, is de keur van het waterschap van toepassing. Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende: a. waterlopen categorie A: voor deze watergangen geldt dat het waterschap tot 5 m vanaf beide insteken van de watergang randvoorwaarden stelt aan de inrichting om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden; b. waterlopen categorie B: de eigenaren van gronden langs deze watergangen moeten de sloten eenmaal per jaar – in het najaar – schoonmaken. Het waterschap controleert of de sloten goed schoon zijn (= schouwen); c.
voor ingrepen die binnen 5 m vanaf de insteek van waterlopen categorie A plaatsvinden, dient een ontheffing van de keur te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten, zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen. Op basis van bovenstaande afstanden kan gesteld worden dat in of nabij geen watergangen gelegen zijn. Veiligheid en waterkeringen Binnen en in de directe omgeving van de gemeente Halderberge zijn geen waterkeringen gelegen. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen Het initiatief betreft een planologische toevoeging van negentien woningen, waarbij er binnen het plangebied in de toekomstige situatie twintig woningen toegestaan zijn. Waterkwantiteit en waterbergingscapaciteit
60/77
Het toekomstig verhard oppervlak komt uit op circa 2.366 m2. Bij de levensloopbestendige woningen zijn de woningen zelf en bijbehorende inritten als zijnde volledig verhard gerekend en is voor de bijbehorende tuinen met 40% verharding gerekend. Dit geldt ook voor de vrijstaande woning. Bij de rijwoningen zijn de woningen zelf als zijnde volledig verhard meegerekend en is 40% verharding aangehouden voor de rest van het perceel (vooren achtertuin). De parkeervakken zijn als halfverhard (50%) meegerekend. De trottoirs zijn als zijnde volledig verhard mee gerekend. De totale toename van het verhard oppervlak bedraagt met het planvoornemen (2.366 - 680) circa 1.686 m2. Voor iedere ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding, ongeacht de omvang van deze ontwikkeling, geldt een bergingseis van 7 mm voor de eerste 1.000 m2. Voor verharding boven de 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm, conform de keur. Voor ontwikkelingen op bestaande verharde locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm voor het totale oppervlak. Conform het beleid van waterschap Brabantse Delta en de gemeente Halderberge bedraagt de totale waterbergingsopgave voor de planlocatie 142 m3 (2.366 m2 x 0,060 m). Binnen het plangebied kan aan deze opgave voldaan worden.
Het hemelwater kan namelijk op meerdere plekken binnen het plangebied vertraagd worden afgevoerd en worden geïnfiltreerd. De beoogde uitwerking van deze opgave komt aan bod in de civieltechnische uitwerkingsfase van het plan. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling is niet van invloed op de waterveiligheid in het plangebied. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Daarom wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC niet toegestaan. Afvalwaterketen en riolering Conform het Gemeentelijk Riolering Plan (GRP) Halderberge 2020 - 2023 en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. verontreiniging van hemelwater wordt voorkomen of beperkt; c.
afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet-gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d. huishoudelijk afvalwater en daarmee vergelijkbaar afvalwater wordt ingezameld en naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld onder d. (in de praktijk dus vooral hemelwater) wordt hergebruikt (zo nodig na zuivering aan de bron);
61/77
f.
ander afvalwater dan bedoeld onder d. wordt lokaal in het milieu teruggebracht (zo nodig na zuivering aan de bron); g. ander afvalwater dan bedoeld onder d. wordt als stedelijk afvalwater ingezameld en naar een rwzi getransporteerd. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 4.13.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de nadere uitwerking van het plan.
4.14 Ecologie 4.14.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden; b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.
Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de
62/77
leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het
63/77
verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. 4.14.2 Toetsing Gebiedsbescherming Natura 2000 De beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij mogelijk gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Figuur 4.11 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak.
De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het plangebied bedraagt 13,3 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand.
64/77
Figuur 4.11 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS calculator) Met het rekenmodel Aerius (versie 2023) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatie- en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. In de als bijlage 11 toegevoegde memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoeren uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in bijlage 12. Uit de berekeningen voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. NNB Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 1,3 kilometer ten noordoosten van het plangebied. In figuur 4.12 is de ligging ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.