Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Groene Woud 58 Oudenbosch.pdf
Tekst van het document
65/77
Figuur 4.12 Plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (Bron: Ruimtelijkeplannen) Soortenbescherming Quickscan soortenbescherming In het kader van de beoogde ontwikkeling is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Bijbehorende rapportage is weergegeven als bijlage 9. Hierna volgt een beknopte samenvatting. Binnen de soortenbescherming zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd. In het plangebied bevinden zich mogelijke nestplaatsen. Het is aan te raden om te werken buiten het broedseizoen van de meeste vogels (grofweg 15 maart -15 juli), of te werken op een manier waarbij vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. Dit geldt eveneens voor eventuele snoeiwerkzaamheden. Op deze manier kan zonder nader onderzoek, mitigatie of compensatie worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de soortenbescherming worden overtreden voor wat betreft algemene vogelsoorten. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen werkzaamheden uit te voeren kunnen geschikte broedlocaties voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt gemaakt worden. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien door een ecologisch deskundige is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Zo'n werkprotocol dient te worden opgesteld door een ter zake deskundige, en te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag.
Ook zijn werkzaamheden binnen het broedseizoen mogelijk zonder werkprotocol, indien ter plaatse door een deskundige wordt vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten aanwezig zijn. Een ontheffing is dan niet noodzakelijk. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze
66/77
soorten: Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels), maar ook voor vogels, om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. Ook voor mogelijke aanwezigheid van egel en vestiging van de rugstreeppad dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen gaan verblijven. Het ontstaan van poeltjes en plassen op het terrein dient gedurende het zomerhalfjaar (vanaf april) te worden voorkomen.
Als deze soorten worden waargenomen, dienen zij zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. Indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Nader onderzoek of een ontheffing soortenbescherming is niet noodzakelijk gebleken voor de vogels, vleermuizen, amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden en de flora. De in het plangebied te verwachten soorten genieten lichte bescherming onder de soortenbescherming; een algehele vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht is onverminderd van toepassing. In de nabijheid waargenomen beschermde soorten, zijn bij het terreinbezoek niet waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied is wel geschikt voor marterachtigen. Daarom moet onderzocht worden of ze er daadwerkelijk voorkomen. Vervolgens kunnen op basis van zulk nader onderzoek de eventueel benodigde mitigerende maatregelen worden bepaald, en kan zo nodig een ontheffing in het kader van de soortenbescherming worden aangevraagd. Nader onderzoek marterachtigen Op basis van de uitgevoerde quickscan is een nader onderzoek naar marterachtigen uitgevoerd.
Bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 10 van voorliggend bestemmingsplan. Marters zijn niet aangetroffen in het plangebied, negatieve effecten zijn dan ook uit te sluiten en een ontheffing is niet noodzakelijk. De aangetroffen muizensoorten zijn slechts lichtbeschermd, hiervoor geldt enkel de zorgplicht waarbij voorkomen moet worden dat deze dieren opzettelijk gedood worden. Er wordt aanbevolen om de werkzaamheden met betrekking tot het kappen van bomen niet uit te voeren in het broedseizoen (maart - juli). Dit omdat alle in gebruik zijnde nesten tijdens het broedseizoen beschermd zijn.
67/77
Verder dient ten alle tijden de zorgplicht van de Wnb in acht genomen te worden, wat inhoudt dat op het moment dat tijdens de uitvoer van de werkzaamheden dieren worden waargenomen gestopt wordt met de werkzaamheden en een ecologisch deskundige ingeschakeld dient te worden om te bepalen of de werkzaamheden door kunnen of dat maatregelen noodzakelijk zijn. 4.14.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aanbevolen wordt om werkzaamheden met betrekking tot het kappen van bodem niet uit te voeren in het broedseizoen en ten alle tijden de zorgplicht van de Wnb in acht te nemen.
4.15 Trillingen 4.15.1 Normstelling en beleid Treinpassages kunnen resulteren in trillinghinder in gebouwen nabij een spoorlijn. Op basis van trillingmetingen en overdrachtsberekeningen van de trillingsoverdracht kan worden bepaald of er noodzaak is tot trillingbeperking. Het onderzoeksgebied van trillingen bij spoorwegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Buiten dit gebied treden vrijwel nooit voelbare trillingen op. In deel B van de SBR-richtlijn (opgesteld doro Stichting Bouwresearch), bekend als 'richtlijn Hinder voor personen in gebouwen (door trillingen)' zijn specifieke richt- en streefwaarden opgenomen voor de beoordeling van trillinghinder door weg- en railverkeer. Dit zijn geen wettelijke richtlijnen. Indien uit onderzoek blijkt dat trillingsreducerende maatregelen noodzakelijk zijn, dan zijn in principe drie mogelijkheden tot maatregelen, te weten bij de bron, bij de overdacht en bij het gebouw. Maatregelen bij de bron en in het overdrachtgebied zijn zeer kostbaar en moeilijk realiseerbaar. Bij het gebouw zelf kunnen relatief eenvoudige maatregelen worden genomen. Dit kan in de vorm van het inpakken van de fundatie of door toepassing van een trillingdempende isolatie in de fundatie, waarbij de bodemtrillingen worden geïsoleerd van de bovenliggende constructie.
4.15.2 Toetsing In het kader van de beoogde woningbouwontwikkeling is een trillingsonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 13. Het doel van het onderzoek is te bepalen of de trillingen als gevolg van het treinverkeer kunnen leiden tot hinder voor personen in de nieuw te bouwen woningen. Om dat vast te kunnen stellen zijn ter plekke trillingsmetingen op maaiveld uitgevoerd en is een prognose van de in de woningen te verwachten trillingssterkte opgesteld. Bij de uitvoering van de trillingsmetingen en de beoordeling van de berekende trillingssterkte is gebruik gemaakt van de SBR meet- en beoordelingsrichtlijn deel B “Trillingen; hinder voor personen in gebouwen (SBR-B). De SBR-B geeft streefwaarden voor de trillingssterkte in gebouwen ter voorkoming van hinder en is in Nederland algemeen geaccepteerd ter beoordeling van de mate van trillingshinder. De rapportage beschrijft de uitgangspunten van het onderzoek, de meetresultaten, de prognose en de beoordeling van de trillingen. Op basis van metingen ter plekke en een empirische prognose zijn de te verwachten trillingen in de nieuwbouw berekend. Deze zijn beoordeeld aan de hand van SBR-B. De conclusies uit het onderzoek luiden samenvattend
68/77
als volgt: 1. De locatie van het bouwplan is zodanig dat hinder door trillingen als gevolg van treinverkeer is te verwachten in de nachtperiode als in het ontwerp van de woningen géén rekening met de aanwezige trillingen wordt gehouden. De maximale trillingssterkte Vmax kan in dat geval oplopen tot 0,42. Daarmee wordt de SBR-B streefwaarde A2 = 0,2 voor nieuwe situaties overschreden met een factor 2,1 in de maatgevende nachtperiode. Ook de A2 = 0,4 voor bestaande situaties wordt daarmee (in minimale mate) overschreden in de eerstelijns woningen. 2. Als bij het ontwerp van de vloerconstructie in de toekomstige gebouwen, rekening gehouden wordt met de aanwezige trillingen, kan de maximaal te verwachten trillingssterkte teruggebracht worden naar 0,25 (in de maatgevende nachtperiode). Dan blijft een beperkte overschrijding van de streefwaarde A2 voor nieuwe situaties (0,2) over. 3. Verwacht wordt dat met aanvullende maatregelen in de woningen kan worden voldaan aan de streefwaarden voor nieuwe situaties. Mogelijke maatregelen kunnen daarbij bestaan uit: a. Verhogen van de eerste eigenfrequentie van de vloeren door deze stijver (dikker) en/ of lichter uit te voeren of door de overspanning te beperkten. b. Verzwaring van de fundering en/ of de gebouwconstructie. c. De fundering ontkoppelen van de bodem (en alleen via de palen gekoppeld). d.
Toepassing van een trillingsisolerend scherm in de bodem tussen gebouw en spoor. e. Toepassing van trillingsisolatie onder het gebouw. 4. De gemiddelde trillingssterkte Vper voldoet ruimschoots aan de SBR-B streefwaarde A3 ongeacht of in de constructie rekening wordt gehouden met de aanwezige trillingen. Aanbevolen wordt om een gedetailleerdere prognose van de te verwachten trillingen op te stellen op basis van een Eindige Elementen Methode (EEM) rekenmodel van het gebouw (en de bodem tussen gebouw en spoor). Op basis daarvan kan een nauwkeuriger prognose worden opgesteld en kan worden bepaald welke (combinatie van) maatregelen het meest effectief zijn om de trillingsniveaus te reduceren. Daarmee wordt trillingshinder zo veel als mogelijk beperkt maar wordt tegelijk voorkomen dat niet-doelmatige en dure maatregelen worden getroffen. Beoordeling Omgevingsdienst West-Brabant In september 2023 (zaak 2023-036268) is het trillingsonderzoek door Omgevingsdienst West-Brabant (hierna: OMWB) beoordeeld. Vanuit de OMWB wordt geadviseerd in te stemmen met de ingediende rapportage en bij de uitvoering rekening te houden met de benodigde bouwkundige maatregelen zoals beschreven in het onderzoek. In dat geval zal worden voldaan, of nagenoeg worden voldaan aan de streefwaarden voor nieuwbouw, waarmee sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Voor situaties zoals deze, waarbij in redelijkheid de streefwaarden voor nieuwbouw niet haalbaar zijn, vindt de OMWB weinig hinder acceptabel onder de voorwaarde dat de streefwaarden voor bestaande situaties uit de SBR-richtlijn B niet worden overschreden. Als reactie op de gemaakte opmerkingen kan aanvullend nog het volgende worden gesteld: In de inleiding noemt de OMWB in de laatste zin van de eerste alinea dat in het onderzoek de trillingsniveaus voor en na maatregelen met een EEM rekenmodel zijn bepaald. Dat is niet het geval, aangezien dit met een
69/77
empirisch rekenmodel is bepaald (zoals dat later ook in de beoordeling van OMWB wordt genoemd). Wel is aanbevolen het ontwerp van de gebouwen met een EEM rekenmodel te laten doorrekenen en het effect van maatregelen ermee te berekenen. In het onderzoeksrapport is het effect van de eigenfrequentie van de vloeren benoemd: Bij een gunstige eigenfrequentie is de overschrijding van de SBR-B streefwaarden voor nieuwe situaties beperkt. Er wordt aanbevolen om in de planregels alleen de te hanteren grens- en streefwaarden op te nemen (streef SBR-B nieuwe situaties, grens SBR-B bestaande situaties). Het noemen van deze specifieke maatregel te benoemen beperkt mogelijk de keuzeruimte om voor alternatieve (efficiëntere) maatregelen te kunnen treffen. 4.15.3 Conclusie Om te kunnen voldoen aan de streefwaarden voor nieuwe situaties, dienen voortkomend uit het onderzoek, maatregelen te worden getroffen. Deze beoogde maatregelen worden getoetst bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen. In het kader hiervan is in artikel 5.2.8 van de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Het is daarmee aannemelijk dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen niet wordt aangetast en het aspect trillingshinder geen belemmering vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.16 Duurzaamheid 4.16.1 Normstelling en beleid Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens, milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied. De kracht zit in het zoeken naar goede combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren. Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik, comfort, binnenmilieu, bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als: bij te dragen aan het welzijn van gebruikers (kwaliteitsbevordering); uitputting van grondstoffen te verminderen; vervuiling van bodem, water en lucht tegen te gaan. Energieneutraal (BENG) Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD.
De vastgestelde niveaus voor woningen gelden als volgt: Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een maximaal primair fossiel energiegebruik, eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%. Het voorgaande houdt concreet een EPC tussen 0 en 0,2 in. Aardgasvrij (Wet VET)
70/77
In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. Het is gebruikelijk om uit te gaan van een gemiddelde GPR Gebouw score van 8. GPR Gebouw is een bruikbaar instrument om tot een duurzaam ontwerp te komen voor onder andere woningbouw.
4.16.2 Toetsing en conclusie Ten aanzien van duurzaamheid worden voor de beoogde woningen de volgende maatregelen beoogd: Aansluiten bij EPC ontwerpuitgangspunten vanuit het gemeentelijk beleid (en de strengere BENG normen); Mogelijke aanleg van zonnepanelen; Compensatie waterbergingsopgave op eigen terrein; Geen aansluiting op gasnet; Toepassing van luchtwarmtepompen; Extra isolatie ten behoeve van de benodigde geluidwering van 26 dB om aan het vereiste binnenniveau van het Bouwbesluit te kunnen voldoen. Een standaard gevel heeft een geluidwering van 20 dB. Met de voorgaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de geldende eisen ten aanzien van de EPC, de Wet VET en GPR Gebouw.
71/77
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven. Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting.
Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
5.2
Opbouw van de regels
De indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, kent de volgende vaste volgorde. In Hoofdstuk 1 Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. In Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven. Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing). Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
72/77
Artikel 2 Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/percelen gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd (niet altijd overal van toepassing): Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning Artikel 3 Groen De tot 'Groen' bestemde gronden zijn o.a. bedoeld voor groenvoorzieningen, paden, speelvoorzieningen met bijbehorende verhardingen, beeldende kunstwerken, water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en geluidwerende voorzieningen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Artikel 4 Verkeer De tot 'Verkeer' bestemde gronden zijn o.a. bedoeld voor voorzieningen voor wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, verblijfsvoorzieningen, beeldende kunstwerken, geluidwerende voorzieningen, nutsvoorzieningen, water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Artikel 5 Wonen De toekomstige grondgebonden woningen zijn bestemd voor wonen en hierbij behorende tuinen en erven.
Beroepsmatige en / of bedrijfsmatige activiteiten in een woning zijn toegestaan. Op de verbeelding is door middel van bouwvlakken aangegeven waar en in welke typologie de hoofdgebouwen mogen worden gebouwd. Ook het maximum aantal woningen en maatvoeringen ten aanzien van maximale gooten bouwhoogtes zijn vastgelegd via aanduidingen op de verbeelding. Artikel 6 Waarde - Archeologie historische bebouwing In opdracht van de gemeente Halderberge heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau een zo gedetailleerd mogelijke archeologisch verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld, voor zowel het stedelijke als het buitengebied. Deze te beschermen waarden zijn opgenomen op de verbeelding. Enkele percelen binnen Oudenbosch zijn aangemerkt als archeologisch waardevol, op overige gronden binnen het ‘stedelijk gebied’ worden echter geen archeologische waarden in de bodem verwacht.
73/77
5.2.3 Algemene regels Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, regels. Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Een antidubbeltelbepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro). Artikel 8 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is opgenomen dat bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld stoepen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt genoemd welk gebruik van de gronden in ieder geval valt onder strijdig gebruik. Het gaat hierbij om onder andere het gebruik van de gronden ten behoeve van stort- of opslagplaats van goederen en aan het gebruik onttrokken machines of het gebruik ten behoeve van seksinrichtingen. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de gebiedsaanduiding naar aanleiding van het obstakelbeheergebied luchtvaartverkeerzone opgenomen.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten en afmetingen. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht In dit artikel wordt omschreven hoe wordt omgegaan met het bestaand gebruik en met de bestaande bebouwing ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Artikel 13 Slotregel In dit artikel wordt de naam van de regels vastgesteld.
74/77
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Naast de planologische haalbaarheid van de ontwikkeling zoals getoetst in voorgaande paragrafen, moet ook de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangetoond worden. In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatiewet opgenomen. Hierin is geregeld dat gemeenten de mogelijkheid krijgen om kosten van de planontwikkeling te verhalen op grondeigenaren. Het kostenverhaal dient verplicht door de gemeente opgesteld te worden. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3 tot en met 6.2.5 Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt. De gemeente is van mening dat er geen belemmeringen zijn aangaande de financiële uitvoerbaarheid. Deze ontwikkeling wordt geheel bekostigd door de initiatiefnemer. De door de initiatiefnemer aan de gemeente overlegde gegevens tonen afdoende aan dat deze de benodigde investeringen financieel kan dragen. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk aangezien met een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente in het kostenverhaal is voorzien.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. 6.2.1 Participatietraject Initiatiefnemer wenst graag in een vroeg stadium de omgeving te betrekken bij de planvorming. Dit gebeurt door middel van een digitaal informatieplatform in combinatie met een fysieke informatiebijeenkomst. Het digitale informatieplatform is te vinden op projectwebsite www.GroeneWoud58.nl. Omwonenden en geïnteresseerden kunnen via deze website de plannen inzien op verschillende themapagina's (situatie, parkeren, groen en water, straatprofielen en schetsimpressies). Middels het reactieformulier kan men reageren op onderwerpen die voor hen van belang zijn of op zaken die ze graag aangepast willen hebben. Daarnaast zijn mensen gevraagd om mee te denken over de toekomstige groenzone centraal in het plangebied, zodat deze samen met de omwonenden nader vormgegeven kan worden. Op 23 juni 2023 heeft de initiatiefnemer de direct omwonenden, binnen 100 meter van het plangebied en/of met direct zicht op het plangebied, per brief uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst.
Deze heeft plaatsgevonden op woensdag 28 juni 2023 tussen 19:00 en 21:00 uur bij 'Brasserie Bij Wit', Jezuïetenplein 1 te Oudenbosch. Tijdens de informatiebijeenkomst werd dezelfde inhoud gepresenteerd als men op het informatieplatform kan
75/77
terugvinden. Conclusie van de informatiebijeenkomst is een breed gedragen plan onder de omwonenden. Men was enthousiast over het initiatiefplan en blij met het feit dat deze 'doorn in het oog' na vele jaren van overlast wordt aangepakt met een vriendelijk woningbouwplan onder rijke architectuur en een programma voor verschillende doelgroepen. Een participatieverslag is opgenomen als bijlage 14. In het verslag wordt het plan nogmaals kort toegelicht en zijn de vragen en aanbevelingen opgenomen zoals deze op de informatieavond zijn opgehaald. Op basis van de vragen en aanbevelingen is het plan aangepast en/of aangescherpt of wordt informatie meegenomen naar de verdere planuitwerking. 6.2.2 Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept-ontwerp van het bestemmingsplan toegezonden aan de overleginstanties Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, Rijkswaterstaat, Ministerie van Defensie, Provincie Noord-Brabant, Waterschap Brabantse Delta, ProRail en de Gasunie. Hierbij hebben Rijkswaterstaat, Ministerie van Defensie, Provincie Noord-Brabant en ProRail aangegeven geen (aanvullende) ruimtelijk relevante opmerkingen te hebben op het bestemmingsplan. Overige reacties zijn hierna samengevat en van beantwoording voorzien.
Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant De Veiligheidsregio geeft aan dat de woningen net buiten het plasbrandaandachtsgebied vallen. Daarmee is het standaardadvies, bijgevoegd als bijlage 5, van toepassing. Daarnaast is het plan getoetst aan de beleidsregels bereikbaarheid en bluswater. De toegangsweg is langer dan 40 meter (circa 110-120 meter) en dat is in beginsel niet toegestaan bij doodlopende wegen. Er wordt geadviseerd de bereikbaarheid hieromtrent te herzien. Veiligheidsregio gaat ervan uit dat in het gebied een waterleiding wordt aangebracht op een zodanige wijze dat elke woning binnen het bereik van maximaal 200 meter van een brandkraan van 60 m3/h is gelegen. In de planopzet is in principe rekening gehouden met voldoende keerruimte voor grote voertuigen, wat de bereikbaarheid ten goede komt. Parallel aan de terinzagelegging zal dit aspect nader met de Veiligheidsregio worden afgestemd. Waterschap Brabantse Delta Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het bestemmingsplan geeft het waterschap, mits gebruik wordt gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC, een positief wateradvies (zaak 700700.701851). Gasunie Het voornoemde plan is door de Gasunie getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid.
Op grond van deze toetsing wordt tot de conclusie gekomen dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling.
76/77
6.2.3 Ontwerp Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) wordt de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende deze periode kan iedereen op het ontwerpbestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. De zienswijzen worden samengevat en voorzien van beantwoording. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college van B&W de gemeenteraad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. Het ontwerpbesluit en het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken hebben conform het bepaalde in artikel 3.8. en 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening vanaf 15 december 2023 t/m 19 januari 2024 ter inzage gelegen. In die periode kon een ieder zijn of haar zienswijze naar keuze schriftelijk of mondeling indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. 6.2.4 Vaststelling Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
77/77