Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Groene Woud 58 Oudenbosch.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Groene Woud 58 Halderberge
DATUM IMRO IDN
22-02-2024 NL.IMRO.1655.BP1027-C001
PROJECT PROJECTLEIDER
Groene Woud 58 ing. R.B.P. Verkooijen
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
De Bunte Vastgoed Zuid BV 20230474
AUTEUR STATUS
ing. H.A.Q. Maas vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
6
1.1
Aanleiding en doel
6
1.2
Ligging plangebied
6
1.3
Geldend bestemmingsplan
7
1.4
Leeswijzer
9
Hoofdstuk 2
Planvoornemen
11
2.1
Huidige situatie
11
2.2
Toekomstige situatie
14
Beleidskader
18
3.1
Inleiding
18
3.2
Rijksbeleid
18
3.3
Provinciaal beleid
22
3.4
Regionaal beleid
25
3.5
Gemeentelijk beleid
26
Milieu- en omgevingsaspecten
31
4.1
Inleiding
31
4.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
31
4.3
Verkeer en parkeren
32
4.4
Bedrijven en milieuzonering
35
4.5
Archeologie
36
4.6
Cultuurhistorie
39
4.7
Geluid
42
4.8
Externe veiligheid
43
4.9
Luchtkwaliteit
48
4.10
Kabels en leidingen
51
4.11
Bodem
52
4.12
Geurhinder
55
4.13
Water
56
4.14
Ecologie
62
4.15
Trillingen
68
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
3/77
4.16
Duurzaamheid
70
Juridische planbeschrijving
72
5.1
Algemeen
72
5.2
Opbouw van de regels
72
Uitvoerbaarheid
75
6.1
Economische uitvoerbaarheid
75
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
75
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
4/77
Toelichting
5/77
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Initiatiefnemer De Bunte Vastgoed Zuid B.V. is voornemens zes levensloopbestendige woningen, een (vervangende) vrijstaande woning en dertien rijwoningen mogelijk te maken op het perceel Groene Woud 58 te Oudenbosch. De betreffende gronden zijn momenteel hoofdzakelijk agrarisch in gebruik, waarbij tevens een oude en in slechte staat verkerende woonboerderij aanwezig is. De sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van woningbouw biedt, zowel voor het plangebied als voor de directe omgeving, kansen voor een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst. Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kom Oudenbosch' (vastgesteld op 20 juni 2013), waarbij de gronden bestemd zijn als 'Wonen' en 'Agrarisch'. De beoogde herontwikkeling is in strijd met dit geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te kunnen maken heeft initiatiefnemer in januari 2023 een principeverzoek ingediend. Gemeente Halderberge heeft per brief d.d. 25 april 2023 (zaaknummer 550907) aangegeven in principe en onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het initiatief en geeft aan dat hiervoor een ruimtelijke procedure, in de vorm van een bestemmingsplan, opgestart kan worden. Voorliggend bestemmingsplan biedt het juridisch-planologisch kader waarbinnen het initiatief mogelijk kan worden gemaakt.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt ten noordoosten van het NS-station en het centrum van Oudenbosch en wordt kadastraal aangeduid als ODB02-B-3381. Het plangebied kent een oppervlak van 6.805 m2. De ligging en begrenzing is weergegeven in de figuren 1.1 en 1.2.
6/77
Figuur 1.1 Ligging plangebied (Bron: Google Maps)
Figuur 1.2 Begrenzing plangebied (Bron: Kadastrale kaart)
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kom Oudenbosch' (vastgesteld op 20 juni 2013), waarbij de gronden bestemd zijn als 'Wonen' en 'Agrarisch'. Een uitsnede van de verbeelding is weergegeven in figuur 1.3.
7/77
Figuur 1.3 Uitsnede planverbeelding geldend bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijkeplannen) Aanvullend is voor een gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie historische bebouwing' opgenomen (figuur 1.4) en zijn specifieke bouwaanduidingen met maatvoering van toepassing (figuren 1.5 en 1.6). Op het gehele terrein is tot slot de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 11' van toepassing.
Figuur 1.4 Gedeelte plangebied met dubbebestemming 'Waarde - Arcehologie historische bebouwing' (Bron: Ruimtelijkeplannen)
8/77
Figuur 1.5 Gedeelte plangebied met bouwvlak, bouwaanduiding 'vrijstaand' en bijbehorende maatvoeringsaanduidingen (Bron: Ruimtelijkeplannen)
Figuur 1.6 Gedeelte plangebied met bouwaanduiding 'bijgebouwen' De beoogde herontwikkeling is niet mogelijk op grond van de geldende bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch' met bijbehorende regels zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan. Om de gewenste planologische medewerking te kunnen verlenen aan het initiatief is daarom het voorliggend bestemmingsplan 'Groene Woud 58' opgesteld.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie in en rond het plangebied en geeft inzicht in de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders van het Rijk, de provincie Noord-Brabant, de regio en de gemeente Halderberge. Hoofdstuk 4 omvat de toets aan de sectorale milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komt de juridische planbeschrijving aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 nader ingegaan op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de procedure.
9/77
10/77
Hoofdstuk 2 2.1
Planvoornemen
Huidige situatie
Het plangebied (6.805 m2) betreft het volledige kadastraal perceel ODB02-B-3381. Het plangebied bestaat momenteel uit niet meer in gebruik zijnde agrarische en woongronden ingeklemd tussen de weg Groene Woud en de spoorlijn Zevenbergen – Roosendaal. De bestaande opstallen ten aanzien van de woonfunctie zijn sterk verouderd en verkeren in slechte staat of zijn ingestort. Een overzichtskaart van de ingemeten bestaande situatie van het plangebied is weergegeven in figuur 2.1 Een aantal afbeeldingen van het plangebied en de directe omgeving zijn weergegeven in de figuren 2.2 t/m 2.7.
Figuur 2.1 Bestaande situatie plangebied (Bron: Stantec)
11/77
Figuur 2.2 Foto plangebied gezien vanaf noordwestzijde (Bron: Google Maps)
Figuur 2.3 Foto plangebied gezien vanaf noordoostzijde met voormalige woonboerderij
12/77
(Bron: Google Maps)
Figuur 2.4 Straatbeeld Groene Woud ter hoogte van de bedrijfs- en maatschappelijke bestemmingen (Bron: Google Maps)
Figuur 2.5 Foto kruising Groene Woud - Oudlandweg ten noordoosten van het plangebied (Bron: Google Maps)
13/77
2.2
Toekomstige situatie
Op de unieke locatie in Oudenbosch tussen het Groene Woud en het spoor, is een duurzaam plan ontworpen met zes levensloopbestendige woningen, een (vervangende) vrijstaande woning en dertien diverse rij-/eengezinswoningen. De maximale goot- en nokhoogtes van de levensloopbestendige woningen zijn conform dit bestemmingsplan bepaald op 4,5 en 9 meter. De maimale goot- en bouwhoogte van de vrijstaande en de rij-/eengezinswoningen zijn bepaald op 6 en 11 meter. Het inrichtingsplan is weergegeven in figuur 2.6.
Figuur 2.6 Inrichtingstekening planvoornemen (Bron: geWOON architecten) Door de levensloopbestendige woningen te oriënteren aan zowel het Groene Woud, de nieuwe groenzone en de nieuwe weg vormt het plangebied een aansluiting op de bestaande situatie. De grote groenzone gelegen aan het Groene Woud en de toegangsweg van het plangebied maakt het een uitnodigend geheel. De rij-/eengezinswoningen hebben diepe zuidoost georiënteerde tuinen en vormen de straatwand van het plan. Stedenbouwkundig sluit het plan goed aan op de omliggende bebouwing met variatie in goothoogtes, kaprichtingen en dakkapellen. Deze variatie is doorgetrokken in de woningen die met verschillende plattegronden en afmetingen voor zowel starters, gezinnen als ouderen geschikt zijn. De straatprofielen van de toekomstige situatie zijn weergegeven in figuur 2.7.
14/77
De architectuur heeft een eigentijds dorps karakter en wordt uitgevoerd in een frisse genuanceerde steen gecombineerd met wit keimwerk. De variatie in kaprichting en goothoogtes wordt extra geaccentueerd door de strakke detaillering zonder dakoverstekken, de doorgemetselde topgevels en de metselwerk verbijzondering die is toegepast onder de gootlijnen. Ook de zinken dakkapellen die door de gootlijn steken benadrukken de variatie in goothoogtes en woningen in het plan. De metselwerk verbijzondering met horizontaal reliëf is ook in het verdere gevelbeeld op verschillende manieren tussen kozijnen toegepast en geven het plan een eigentijds karakter. 'Groene Woud' wordt hiermee een plan met een hoog afwerkingsniveau in een groene setting aan de centrumrand van het historische Oudenbosch. Diverse schetsimpressies van de beoogde ontwikkeling zijn weergegeven in de figuren 2.8 t/m 2.11.
15/77
Figuur 2.8 Schetsimpressie noord-oost (Bron: geWOON architecten)
Figuur 2.9 Schetsimpressie vrijstaande woning (Bron: geWOON architecten)
Figuur 2.10 Schetsimpressie rij-/eengezinswoningen (Bron: geWOON architecten)
16/77
Figuur 2.11 Schetsimpressie levensloopbestendige woningen (Bron: geWOON architecten)
17/77
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 3.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. Tot slot wordt in de paragrafen 3.4 en 3.5 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het regionaal en gemeentelijk beleid.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050? Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin
18/77
meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; Ruimte voor overgang naar een circulaire economie; Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er in Nederland ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad.
Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing Net zoals in grote delen van Nederland is er op dit moment in de regio en in de gemeente Halderberge sprake van een schaarste aan geschikte woningen, met als gevolg een overspannen woningmarkt. Er is behoefte aan nieuwe woningbouwlocaties, te beginnen in het bestaand bebouwd gebied. De locatie aan Groene Woud biedt hiervoor nadrukkelijk kansen. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in de NOVI. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de NOVI wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam, het kustfundament en defensie. Toetsing Zoals beschreven in paragraaf 1.3 is de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 11' ten aanzien van het vliegveld Seppe op het plangebied van toepassing. De vanuit het vliegveld opgenomen zones zijn door middel van verschillende gebiedsaanduidingen in het
19/77
geldend bestemmingsplan opgenomen onder de ‘algemene aanduidingsregels’, waarbij elke gebiedsaanduiding is gekoppeld aan een maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken ter plaatse. Ter plaatse van de aanduiding ‘Luchtvaartverkeerzone – 11’ geldt dat ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak met zijkanten de bouwhoogte van een bouwwerk niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte die wordt verkregen door lineaire interpolatie van 101,4 m en 110,54 meter boven NAP in verband met het beschermingsgebied van in- en uitvliegfunnel van vliegtuigen. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder deze drempelwaarden. Verder zijn op het plangebied geen voorwaarden van toepassing op basis van het Barro. 3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De grens van een stedelijke van een stedelijke ontwikkeling ligt bij woningen op basis van jurisprudentie op circa 11-14 woningen.
De ladder voor duurzame verstedelijking bestaat uit twee stappen: de eerste stap bestaat uit het aantonen van de behoefte voor de beoogde ontwikkeling. Voor de tweede stap wordt er in beginsel vanuit gegaan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dit nadrukkelijk gemotiveerd te worden in de ruimtelijke onderbouwing. Toetsing Uitgangspunt is de realisatie van een woningbouwprogramma met zes levensloopbestendige woningen, een vrijstaande woning en dertien rijwoningen, waarbij de vrijstaande woning (welke planologisch reeds is toegestaan) wordt herbouwd. In voorliggend plan gaat het daarom om de planologische toevoeging van negentien woningen. Door de keuze voor een mix van doelgroepen ontstaat er een dynamisch woonmilieu. Deze dynamiek tussen deze doelgroepen zal worden gestimuleerd door delen van het terrein als gemeenschappelijk (groen) terrein in te richten. De toevoeging van in totaal 19 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst moet worden aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. De beoogde functie is op dit moment niet toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan. Het projectgebied ligt binnen het 'bestaand stedelijk gebied' van Halderberge.
Daarom wordt hierna de behoefte beschreven. Relevante woonregio Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van wat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Voor wonen is dat de gemeente Halderberge, binnen de regio West Brabant. De regio West-Brabant is verder onderverdeeld in een drietal subregio's. De gemeente Halderberge valt onder de subregio West. De kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de beoogde ontwikkeling blijkt uit diverse bronnen die hierna
20/77
worden behandeld. Kwantitatieve behoefte Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant (2020) Voor het woningbouwprogramma van de gemeente Halderberge is de provinciale 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant (2020)' van de provincie Noord-Brabant richtinggevend. Hierin wordt de kwantitatieve woningbehoefte geraamd op het toevoegen van 535 woningen in de periode tot en met 2035. De cijfers in figuur 3.1 zijn richtinggevend voor het maken van nieuwe regionale afspraken. Versnelling van de woningbouw en (vervolgens) vasthouden van het bouwtempo is een belangrijke doelstelling van de Brabantse Agenda Wonen.
Figuur 3.1 Indicatie prognose woningvoorraad gemeente Halderberge 2020-2040 (Bron: Provincie Noord-Brabant) Regionale afspraken De gemeente Halderberge heeft op 9 maart 2023 met gemeenten van de subregio's Breda en Hart van Brabant de landelijke Woondeal met minister De Jonge en de provincie ondertekend. Daarin ligt onder andere vast dat de minimale bouwopgave tot en met 2030 bestaat uit een netto toevoeging van 1.118 woningen. Het accent voor de nieuwbouw ligt bij plannen in het stedelijk gebied. Wat praktisch in ieder geval betekent dat alle plannen die al in 2022 onderdeel uitmaakten van het bouwprogramma zeker moeten worden gerealiseerd. Het plan Groene Woud 58 maakt deel uit van dat programma. Kwalitatieve behoefte Woonvisie Halderberge 2021-2025 Bij de ontwikkeling van nieuwbouw en herstructurering van bestaand vastgoed met woningbouw, wordt aangestuurd op een aantrekkelijke menging van doelgroepen, woningen en woonmilieus in de dorpen. Deze ambities zijn vastgelegd in de Woonvisie Halderberge 2021-2025. In regionaal samenwerkingsverband zijn afspraken gemaakt over onderwerpen en thema's zoals de woningbouwopgave, het betaalbaar houden van de (bestaande) woningvoorraad en kwalitatieve woonvraagstukken. Deze woonvraagstukken hebben betrekking op een bepaalde aandachtsgroep of op een ander specifiek onderwerp.
Vanuit de regionale woondeal wordt toegewerkt naar de landelijke ambitie vanuit het Rijk om binnen nieuwbouwprojecten 2/3 betaalbare woningen te realiseren en op termijn naar een aandeel sociale huur te komen van 30% op gemeenteniveau. Woningbouwinitiatieven met 20 of meer woningen dienen minimaal 30% sociale woningen en minimaal 2/3 betaalbare woningen in het woonprogramma te bevatten.
21/77
Het woningbouwinitiatief aan Groene Woud 58 betreft de toevoeging van negentien woningen waardoor deze bovenstaande voorwaarden niet van toepassing zijn. Het initiatief bestaat uit de ontwikkeling van zes levensloopbestendige woningen en dertien rijwoningen, waarvan twaalf woningen in het betaalbare prijssegment. Met dit woningbouwprogramma wordt bijgedragen aan de woonbehoefte van de doelgroep ouderen en starters. 3.2.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het Rijksbeleid.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Toetsing Stedelijke ontwikkelingen dienen in principe plaats te vinden binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Herbestemmen wordt gezien als het nieuwe bouwen: als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied.
Hier liggen namelijk de kansen om de forse woningbouwopgave van circa 120.000 woningen in de komende tien jaar te realiseren. De beoogde ontwikkeling, waarbij bestaande agrarische en woongronden worden herbestemd naar wonen ten behoeve van de realisatie van 19 extra woningen, draagt hieraan bij.
22/77
3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie Nood-Brabant. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van de omgevingsverordening zijn zogenaamde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Het volgende artikel is relevant voor de beoogde ontwikkeling.
Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen 'stedelijk gebied' en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Toetsing Het 'stedelijk gebied' zoals gehanteerd door de provincie bestaat uit het 'stedelijk concentratiegebied' en de 'landelijke kern'. Het plangebied ligt binnen de 'landelijke kern' zoals gehanteerd binnen de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (figuur 3.1).
Binnen deze gebieden kan worden voorzien in de ruimte voor wonen, werken en andere voorzieningen om zo de verstedelijking zo veel mogelijk te bundelen. Binnen het stedelijk gebied liggen verschillende mogelijkheden voor inbreiding, herstructurering en intensief, meervoudig ruimtegebruik. Voorliggend plan speelt in op deze mogelijkheden.
23/77
Figuur 3.1 Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Bron: Provincie Noord-Brabant) De ontwikkeling kan daarnaast ook gezien worden als duurzame stedelijke ontwikkeling. Het in verval geraakte terrein wordt herontwikkeld tot een gebied waarbij nieuwe, duurzame en gasloze woonbebouwing wordt gerealiseerd, aansluitend op de actuele woningvraag vanuit de markt. De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het planvoornemen is een concreet voorbeeld van een inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied en sluit daarmee aan op deze beleidslijn van de provincie. Verder zullen maatregelen getroffen worden ten behoeve van de benodigde watercompensatie. Hier wordt nader op in gegaan in paragraaf 4.13 van voorliggend document. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap.
In dit geval voorziet het planvoornemen in een traditionele dorpse verkaveling met woningen bestaande uit maximaal twee bouwlagen en een kap. Er zijn zowel eengezinswoningen als een vrijstaande woning en levensloopbestendige woningen voorzien. Dit zijn precies de typologieën waar binnen een dorpskern als Oudenbosch behoefte aan is. Daarmee sluit het planvoornemen dus aan op de karakteristiek van de kern. Bovendien wordt door de inbreiding voorkomen dat voor de realisatie aanspraak moet worden gemaakt op uitleggebieden in het buitengebied waardoor het karakter van landschappen kan worden verstoord. 3.3.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 11 maart 2022 hebben Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De verordening treedt gelijktijdig met de Omgevingswet per 1 januari 202 in werking. In de Omgevingsverordening komt het werkingsgebied 'verstedelijking afweegbaar', zoals opgenomen in de
24/77
Interim Omgevingsverordening, te vervallen. De gemeente krijgt meer ruimte om een eigen afweging te maken mits een afweging is gemaakt in een gebiedsvisie en de lagenbenadering is toegepast. De gemeente stelt een omgevingsvisie op om in de toekomst ontwikkelingen nader af te kunnen wegen. De gemeente Halderberge heeft op 10 februari 2022 de Omgevingsvisie Halderberge vastgesteld. De afweging voor de ontwikkeling van het plangebied aan de Groene Woud heeft reeds plaatsgevonden. Aangezien het om een binnenstedelijke herontwikkeling gaat vormt het provinciaal beleid geen belemmeringen en volstaat een verwijzing naar het standaardadvies. 3.3.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.
3.4
Regionaal beleid
3.4.1 Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant 2021 De subregio West-Brabant West heeft een regionaal perspectief op wonen en woningbouw opgesteld. Stuurgroep Wonen-West is het resultaat van een regionaal samenwerkingsproces, waarbij de gemeenten samen met de provincie een visie opstellen op de (ruimtelijke) ontwikkelingen op de subregionale woningmarkt. De bredere betekenis die het wonen en het woningbouwprogramma heeft, onder andere gelet op tal van (toekomstige) ruimtelijk - kwalitatieve opgaven, vormt hierbij een centraal aspect. Het regionale perspectief is een actualisatie van het perspectief 2020 en zet in op een continuering van de constructieve samenwerking tussen de gemeenten en de provincie in de subregio. Toetsing Volgens de actuele prognose groeit de regionale bevolking nog met ruim 17.000 personen, tot ruim 715.000 inwoners in 2050. Vergeleken met de prognose uit 2011 ligt de bevolkingsgroei iets hoger en ligt het omslagpunt van groei naar krimp wat later in de tijd. Verwacht wordt dat er in West-Brabant rond 2030 ruim 333.000 woningen staan, circa 33.000 meer dan aan het begin van 2015. In het Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant 2021 is de woningbouwprognose voor de gemeente Halderberge voor de periode 2018 t/m 2028 gesteld op 650 woningen (scenario ‘laag’).
Voor de periode tot 2025 kan 70% hiervan worden voorzien in de zogenaamde harde plancapaciteit (vastgestelde bestemmingsplannen). Behalve afspraken over de kwantitatieve woningvoorraad zijn er ook afspraken gemaakt over de kwalitatieve woningvoorraad. In de afgelopen jaren was er een mismatch tussen de kwaliteit van het programma (teveel dure koopwoningen, teveel appartementen) en de woonwensen. Vastgelegd is dat gestreefd wordt aan te sluiten op de gedifferentieerde en bovendien veranderende vraag van de woonconsument. Het woningbouwprogramma wordt halfjaarlijks afgestemd in de subregionale stuurgroep Wonen. Het initiatief betreft een planologische toevoeging van negentien woningen, waarbij er binnen het plangebied in de toekomstige situatie twintig woningen toegestaan zijn. Dit aantal past binnen de regionale woningbouwafspraken. 3.4.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het regionaal beleid.
25/77
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1 Omgevingsvisie Halderberge De gemeente Halderberge heeft op 10 februari 2022 de Omgevingsvisie Halderberge vastgesteld. In deze omgevingsvisie is gekozen voor negen algemene speerpunten en biedt daarnaast nog een verdere uitwerking van specifieke opgaven per kern of deelgebied. Met de omgevingsvisie laat de gemeente Halderberge zien wat zij belangrijk vinden in de omgeving waarin wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd. De Omgevingsvisie heeft als doel dat Halderberge aantrekkelijk blijft en nog aantrekkelijk wordt onder het motto “het versterken van de leefomgeving”. Het karakter van Halderberge wordt gekenmerkt door grote verschillen in de gemeente, waarbij elke kern zijn eigen karakter heeft. Ook de buitengebieden zijn er divers en uniek is de overgang van klei naar zand, waardoor binnen de gemeente zowel sprake is van een polderland en een bosgebied. Het bijzondere karakter van de gebieden en kernen met hun eigen identiteit dient te worden gekoesterd en waar mogelijk versterkt. Om dit te kunnen toetsen heeft de gemeente een waardenkaart opgesteld, weergegeven in figuur 3.2.
Figuur 3.2 Waardenkaart Omgevingsvisie met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Halderberge) De algemene speerpunten voor het gehele grondgebied zijn hierna weergegeven. Werken aan een duurzame en klimaatbestendige omgeving; Werken aan een gezonde en veilige leefomgeving; Versterken van de biodiversiteit; Behoud en (her)ontwikkeling van bijzonder cultureel erfgoed; Behoud en versterking van een aantrekkelijk buitengebied; Versterken aantrekkelijkheid voor recreanten en toeristen; Zorgen dat het in Halderberge goed wonen is voor iedereen; Behoud van vitale dorpen en een actieve samenleving;
26/77
Bieden van een aantrekkelijk economisch klimaat. Kern Oudenbosch Oudenbosch kenmerkt en onderscheidt zich van de andere kernen door de aanwezigheid van het religieus erfgoed. Er is een verscheidenheid aan historische gebouwen en monumenten in de kern, die verbonden zijn door het Parelpad. De aanwezigheid van de Basiliek met koepel, die boven de overige bebouwing uitsteekt, geeft de kern deels haar identiteit. De kern heeft een kernwinkelgebied met een goed bereikbare haven en voorzieningen voor de gehele gemeente met tevens een kleine regionale voorzieningenfunctie. Mede door verschillende instellingen in het voortgezet en het beroepsonderwijs, zoals het Markland College en Curio Prinsentuin, heeft de kern ook een regionale aantrekkingskracht. De bereikbaarheid per openbaar vervoer is goed, mede vanwege de aanwezigheid van het treinstation. Dit station vormt een opstappunt naar Roosendaal en Dordrecht. Afgelopen jaren is er veel geïnvesteerd in de herstructurering van gebiedsontsluitingsweg en de rondweg om de bereikbaarheid met de auto te verbeteren, waardoor de bereikbaarheid van Oudenbosch nu goed is. Oudenbosch heeft verschillende woonwijken met een eigen identiteit en eigen voorzieningen. De wijken ten zuiden van de spoorlijn zijn gewilde woongebieden met een groen karakter. Ook op gebied van groen kent iedere wijk haar eigen identiteit.
Zo wordt de wijk Spui-Noord gekenmerkt door gazons en bomen en de wijk Albano door veel heesterbeplanting. De leefbaarheid in een aantal wijken komt steeds meer onder druk door tal van sociaaleconomische ontwikkelingen en maatschappelijke opgaven. De kern heeft veel verschillende culturen, die zich op verschillende manieren in het straatbeeld tonen. De benoemde algemene speerpunten zijn ook op Oudenbosch van toepassing. Aanvullend geldt voor Oudenbosch het volgende: De zichtbaarheid en waarde van karakteristieke, cultuurhistorisch elementen en gebouwen versterken; Werken aan de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het landschap; Meer reuring in het centrum (m.n. bij de haven) en rust, groen en veiligheid in de woonwijken; Het bieden van activiteiten die voor alle groepen in de samenleving interessant zijn; Het versterken van het groene karakter van het centrum. Toetsing Conform de omgevingsvisie moet nieuwbouw zich, nog meer dan voorheen, toespitsen op specifieke vragen uit de markt, zoals levensloopbestendige woningen en woningen voor starters. Herstructurering van de woningvoorraad moet gepaard gaan met een sterke verbetering van de energetische kwaliteit van de woningen. De ontwikkeling binnen het plangebied levert hier een bijdrage aan.
Het ontwikkelen van dit plangebied, waarbij een nieuwe, duurzame en eigentijdse woonfunctie wordt ingebracht is in lijn met de omgevingsvisie. 3.5.2 Woonvisie Halderberge 2021-2025 De Woonvisie Halderberge 2021-2025 is op 7 oktober 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. In deze woonvisie wordt ingegaan op de hedendaagse ontwikkelingen op het gebied van wonen. Daarbij ligt het accent op vier zogenaamde woonwaarden. Deze lopen als een rode draad door de woonvisie: Goed wonen voor iedereen in een groen, veelzijdig en landelijk woonmilieu; De vijf dorpen met unieke kernkwaliteiten;
27/77
Duurzame ontwikkeling in bouwen en wonen; Ruimte voor initiatief en samenwerking. Halderberge is het groene hart van de regio West-Brabant. Het is een woongemeente met een unieke diversiteit aan kernen, bijzonder cultuurhistorisch erfgoed en een recreatieve en toeristische trekpleister. De variatie in en de kwaliteit van de woningvoorraad staat voorop. De gemeente zorgt voor een ruime keuzevrijheid om te voorzien in de woonwens van (toekomstige) Halderbergenaren. Goed wonen voor iedereen in een groen, veelzijdig en landelijk woonmilieu Halderberge is een woongemeente die ligt in een goed bereikbare, veelzijdige, groene en landelijke omgeving. De woonvisie geeft kaders met als doel om iedereen binnen deze landelijke woongemeente goed en prettig te laten wonen in de fysieke en sociale leefomgeving . Waarbij extra aandacht wordt besteed aan doelgroepen die dit nodig hebben. De vijf dorpen met unieke kernkwaliteiten De vijf kernen hebben ieder een eigen identiteit en eigen kwaliteiten waardoor er unieke woonmilieus ontstaan met een eigen aantrekkingskracht en die tegemoet komen aan de woonwens van veel doelgroepen. De woonvisie draagt bij aan het handhaven en versterken van deze kwaliteiten en de identiteit van de kernen.
Duurzame ontwikkeling in bouwen en wonen Het is de ambitie van de gemeente Halderberge om, in samenwerking met diverse partners, te werken aan een transitie naar een duurzamere toekomstbestendige samenleving. Met als doelstelling in 2050 energieneutraal te zijn. De woonvisie draagt bij aan de duurzaamheid op het gebied van bouwen en wonen. De visie gaat in op energetische maatregelen, toekomstbestendigheid van woningen, duurzaam bouwen en renoveren, klimaatadaptieve leefomgeving, de bewustwording van energiezuinig gedrag en tot slot duurzaam ruimtegebruik. We sluiten aan bij de uitkomsten van de Halderbergse klimaatreis. De gemeente wil een overheid zijn die mogelijk maakt. Eigen kracht en zelfregie van inwoners staat centraal; dit heeft effect op de rol en taakopvatting van de overheid. Zonder de samenwerking met lokale en regionale partners kunnen gemeenschappelijke doelen niet of onvoldoende worden behaald. De woonvisie geeft de kaders en vormt samen met de (nog op te stellen) omgevingsvisie het strategisch beleidskader voor de fysieke leefomgeving. De gemeente wenst de komende jaren in te zetten op: Leefbaarheid van de kernen; Verduurzaming van de woningmarkt; Betaalbaarhied en beschikbaarheid; Levensloopbestendig en toekomstgericht; Wonen en zorg.
Toetsing Binnen de Woonvisie wordt Oudenbosch bestempeld als een gebied met een prettig leefklimaat, met een optimale bereikbaarheid voor dagelijkse voorzieningen. Er is binnen dit gebied veel vraag naar betaalbare koopwoningen en er wordt ingezet op een diversiteit binnen het woningaanbod. Vanwege de gevarieerde bebouwing, dorpse karakter en de nabijheid van Etten-Leur en Breda heeft Oudenbosch aantrekkingskracht.
28/77
Met onderhavige ontwikkeling worden twintig nieuwe woningen mogelijk gemaakt, waarbij uitgegaan wordt van een planologische toevoeging van negentien woningen. Er wordt ingespeeld op diverse acties en ambities ten aanzien van de woonvisie: leefbaarheid, betaalbaarheid en beschikbaarheid, levensloopbestendigheid en daarmee op verduurzaming van de woningmarkt. Zoals beschreven in paragraaf 3.2.3 wordt vanuit de regionale woondeal toegewerkt naar de landelijke ambitie vanuit het Rijk om binnen nieuwbouwprojecten 2/3 betaalbare woningen te realiseren en op termijn naar een aandeel sociale huur te komen van 30% op gemeenteniveau. Woningbouwinitiatieven met 20 of meer woningen dienen minimaal 30% sociale woningen en minimaal 2/3 betaalbare woningen in het woonprogramma te bevatten. Het woningbouwinitiatief aan Groene Woud 58 betreft de toevoeging van negentien woningen woning waardoor deze bovenstaande voorwaarden niet van toepassing zijn. Het initiatief bestaat uit de ontwikkeling van zes levensloopbestendige woningen en dertien rijwoningen, waarvan twaalf woningen in het betaalbare prijssegment. Met dit woningbouwprogramma wordt bijgedragen aan de woonbehoefte van de doelgroep ouderen en starters.
3.5.3 Woningbouwprogramma 2018-2028 Uit het Woningbouwprogramma 2018-2028 blijkt dat de verwachting is dat er in de gemeente Halderberge in de periode 2017-2028 behoefte zal zijn aan de toevoeging van 898 tot 1.113 woningen. Van 2028 tot 2030 zal er nog een kleine behoefte zijn van ongeveer 230 woningen waarna de verwachting is dat er een afname gaat plaatsvinden in de behoefte van het aantal woningen. Uit het woningbouwprogramma 2015-2025 blijkt dat er nog 731 woningen zijn opgenomen die nog niet zijn gerealiseerd. Dit houdt in dat er kwantitatief ruimte in het woningbouwprogramma aanwezig is om nieuwe woningbouwinitiatieven op te nemen. Op dit moment is vooral behoefte aan kleinere woningen voor kleinere huishoudens. Per kern zijn de toekomstige potentiële ontwikkellocaties in beeld gebracht. Dit zijn onder andere locaties in (toekomstig verwacht) leegstaand vastgoed, locaties waar investeringen vanuit leefbaarheid of ruimtelijke noodzaak aanwezig is en braakliggende locaties waar transformatie naar woningbouw voorstelbaar is. In de praktijk worden niet alle locaties ontwikkeld en kunnen er ook andere invullingen gerealiseerd worden. Echter is het wel van belang om flexibele ruimte in het woningbouwprogramma hiervoor beschikbaar te houden.
Deze ruimte is enerzijds nodig om ruimte te houden voor kansrijke initiatieven en om in te kunnen spelen op ontwikkelingen in de marktvraag. Toetsing Het huidige woningbouwprogramma 2018 – 2028 is gericht op de ambitie om ruim 1.000 woningen te realiseren. Het woningbouwprogramma is dynamisch en flexibel van opzet en is daarom niet integraal opgenomen in de woonvisie. Het college van de gemeente Halderberge heeft in antwoord op het principeverzoek d.d. 25 april 2023 aangegeven dat de extra woningen dienen te worden toegevoegd aan de woningbouwprogrammering. Dit gaat periodiek met andere, concrete woningbouwinitiatieven. Op dit moment is vooral behoefte aan kleinere woningen voor ouderen en starters. De beoogde ontwikkeling aan Groene Woud 58 speelt hier op in.
29/77
3.5.4 Gemeentelijke welstandsnota In het kader van de omgevingsvergunning voor bouw zal de omgevingsvergunning worden getoetst aan de eisen vanuit de welstandsnota. Het plangebied ligt binnen het welstandsgebied ‘Woongebieden’, waardoor de daarbij behorende welstandsregels van toepassing zijn. 3.5.5 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het gemeentelijk beleid.
30/77
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Conform het besluit m.e.r. moet voor de ontwerpfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. 4.2.2 Toetsing en conclusie Voor het project is een aanmeldnotitie opgesteld (bijlage 1). De conclusie van deze notitie is dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge heeft besloten dat het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk is.
31/77
4.3
Verkeer en parkeren
4.3.1 Normstelling en beleid Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De mobiliteitsvisie 2019-2022 geeft een algemene visie op de verschillende vormen van mobiliteit in de gemeente Halderberge. Met de visie wordt ingezet op een goede balans tussen de drie elementen bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Ingezet wordt op de verdere invoering van Duurzaam Veilig op het wegennet van Halderberge. De wegen in de omgeving zijn reeds gecategoriseerd en ingericht voor 30 kilometer per uur. Nieuwe parkeervraagstukken worden geregeld door middel van de Kadernota Parkeren 2017-2021. Binnen deze parkeernota valt het plangebied, zoals weergegeven in figuur 4.1, binnen 'Gebied B'.
Figuur 4.1 Gebiedsindeling parkeernormen conform Kadernota Parkeren 2017-2021 met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Halderberge) Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). Voor het juiste kencijfer wordt een ligging in schil centrum aangehouden. De gemeente heeft een weinig stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid.
32/77
4.3.2 Toetsing 4.3.2.1 Ontsluiting De woningen zijn via een erftoegangsweg binnen het plangebied direct ontsloten op de straat Groene Woud. Deze weg kent een snelheidsregime van 30 km/u en heeft al een functie als een ontsluitingsweg voor de aanliggende woningen, bedrijven en agrarische gronden. In westelijke richting wordt ontsloten richting het centrum van Oudenbosch. In oostelijke richting wordt ontsloten op de Moerdijksestraat, welke vanwege de spoorwegovergang een verbinding tussen het oostelijke en westelijke deel van Oudenbosch vormt. 4.3.2.2 Parkeren De parkeerbalans ten aanzien van de ontwikkeling wordt bepaald aan de hand van de hierboven beschreven Kadernota. Conform het in paragraaf 2.2 beschreven plan zullen zes patiowoningen, een vrijstaande woning en dertien rijwoningen gerealiseerd worden. In relatie tot de Kadernota worden drie woningen binnen het plangebied kleiner dan 90 m2 uitgevoerd. De overige zeventien woningen worden uitgevoerd groter dan 90 m2. De parkeerbehoefte (inclusief aandeel bezoekersparken van 0,3 per woning) is weergegeven in tabel 4.1. Tabel 4.1 Parkeerbehoefte toekomstige situatie Aantal 2 Woning < 90 m 3 2 Woning > 90 m 17 Totaal 20
Norm (maximum) 1,9 2,1
Parkeerbehoefte 5,7 35,7 41,4
Voor de beoogde ontwikkeling zijn op basis hiervan 41,4 parkeerplaatsen benodigd. Daarnaast dienen twaalf langsparkeerplaatsen, welke nu gesitueerd zijn aan de zuidzijde van de Groene Woud (zie figuren 2.2 en 2.3) en welke met de beoogde ontwikkeling worden verwijderd, gecompenseerd te worden. Daarmee komt de totale parkeerbehoefte uit op (41,4 + 12 = 53,4) afgerond 54 parkeerplaatsen. Voor het bepalen van het parkeeraanbod wat in de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, zijn de rekenfactoren voor parkeervoorzieningen bij woningen uit paragraaf 3.4 van de Kadernota van belang. In tabel 4.2 is aangegeven wat het parkeeraanbod van de beoogde ontwikkeling is, rekening houdend met de berekeningsaantallen uit de Kadernota. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de berekeningsaantallen alleen toegepast kunnen worden als de juiste maatvoeringen ten aanzien van opritten en garages aangehouden worden. De correcte maatvoeringen worden vermeld in paragraaf 3.4 van de Kadernota. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal hier aan getoetst worden. Tabel 4.2 Parkeeraanbod toekomstige situatie Berekeningsaantal Openbaar 1,0 Lange oprit zonder garage 1,0 Dubbele oprit zonder garage 1,7 Garage met enkele oprit 1,0
33/77
Aantal 43 1 5 1
Parkeeraanbod 43,0 1,0 8,5 1,0
Totaal
53,5
Met een parkeerbehoefte van (afgerond) 54 en een parkeeraanbod van 53,5, afgerond 54 parkeerplaatsen, wordt voldaan aan de eisen uit de Kadernota. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling kan volledig binnen het plangebied worden opgevangen. 4.3.2.3 Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is berekend met kencijfers van het CROW (publicatie 381). In de huidige situatie heeft het plangebied een agrarische en een woonfunctie. Hiermee heeft het plangebied planologisch gezien al een verkeersaantrekkende werking van circa 7,7 mvt/etmaal (minimale generatie voor een woning in de categorie 'koop, huis, vrijstaand'). Aangezien de functies al lange tijd niet meer als zodanig in gebruik zijn, is het niet realistisch om rekening te houden met dat gebruik. Er zal dan ook geen rekening worden gehouden met saldering van het aantal verkeersbewegingen in de bestaande (planologische) situatie. Het programma van de beoogde ontwikkeling is zoals beschreven in paragraaf 2.2 gebaseerd op zes levensloopbestendige woningen, een vrijstaande woning en dertien rijwoningen. Ten aanzien van de verkeersgeneratie wordt (worst-case) uitgegaan van de volgende indeling in de CROW-categorieën: Zeven woningen in categorie 'koop, huis, vrijstaand'; Dertien woningen in de categorie 'koop, huis, tussen/hoek'; Deze uitgangspunten leiden tot een verkeersgeneratie zoals weergegeven in tabel 4.3.
Tabel 4.3 Verkeersgeneratie toekomstige situatie Aantal Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tussen/hoek Totaal
7 13 20
Kencijfers CROW Weekdag (gem.) 8,1 56,7 7,3 94,9 151,6
Werkdag 62,9 105,3 168,3
Voor het woonprogramma van totaal twintig woningen betekent dit een verkeersgeneratie van 151,6 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de standaard factor 1,11 voor woonfuncties. Op een gemiddelde werkdag genereert de ontwikkeling 168,3 mvt/etmaal. Om de verkeersafwikkeling te beoordelen is de afwikkeling in een spitsuur maatgevend, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. In een gemiddeld spitsuur betekent dit een verkeersgeneratie van 16,8 mvt. Deze verkeersgeneratie is dusdanig beperkt dat het zal opgaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. 4.3.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de planrealisatie.
34/77
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.
Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. 4.4.2 Toetsing In de beoogde situatie worden woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Het plangebied grenst aan hoofdinfrastructuur, namelijk de spoorlijn Roosendaal - Lage Zwaluwe. Voor gebieden grenzend aan infrastructuur is het geaccepteerd dat er sprake is van gemengd gebied (Uitspraak 201710271/1/R1 - Raad van State). In de directe omgeving van het plangebied zijn tevens diverse andere functies aanwezig, zoals maatschappelijke bestemmingen, bedrijven en gemengde bestemmingen. Er is hierdoor sprake van een hoge functiemenging waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'. Ten westen bevindt zich een maatschappelijke bestemming op circa 37 meter. De functie valt volgens de VNG-brochure in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Hier wordt aan voldaan. Tevens grenst ten westen van het plangebied een agrarische bestemming met bouwvlak uit milieucategorie 3.1 en een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Hier wordt niet aan voldaan.
Momenteel lijkt de bedrijvigheid momenteel echter beperkt te zijn en is er vooral sprake van opslag en interne bedrijfswerkzaamheden. Maatgevend is daarom de ontsluiting van het bedrijf. Op korte afstand hiervan, aan de overzijde van de Groene Woud, zijn momenteel al woningen aanwezig waar het bedrijf rekening mee moet houden. Er is daardoor ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.4.3 Conclusie Ter plaatse is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
35/77
4.5
Archeologie
4.5.1 Normstelling en beleid In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2024 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
Op basis van bovenstaande is gemeente Halderberge verplicht om archeologische randvoorwaarden mee te nemen in planologische afwegingen. Om inzicht te krijgen welke archeologische vondsten in Halderberge verwacht kunnen worden, heeft de gemeente in 2005 een archeologische verwachtingskaart op laten stellen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebieden met een lage, middelhoge en hoge verwachting voor vindplaatsen. Voorts hanteert de gemeente haar beleidsnota ‘Ons ongeschreven verleden’ die een koppeling maakt met deze verwachtingskaart. De archeologische verwachtingskaart en de beleidsnota moeten gebruikt worden als informatiebron en sturingsinstrument voor de gemeente in haar planvorming evenals voor plannen van projectontwikkelaars, bouwondernemingen en burgers. 4.5.2 Toetsing 4.5.2.1 Algemeen Het archeologiebeleid van de gemeente Halderberge is vastgelegd in een beleidsnota en een beleidskaart met toelichting. Volgens de beleidskaart (figuur 4.2) ligt het grootste gedeelte van het plangebied in een bebouwde zone waar archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Echter ligt het noordoostelijke deel van het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit één of meer van de onderscheiden perioden Laat-Paleolithicum – Late Middeleeuwen en staat in de noordoostelijke hoek van het plangebied historische bebouwing.
Volgens de bijbehorende beleidsregels is archeologisch onderzoek nodig in de zone met een hoge archeologische verwachting bij bodemingrepen dieper dan de bouwvoor en voor de historische bebouwing is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
36/77
Figuur 4.2 Uitsnede beleidskaart archeologie met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Halderberge) De beleidsregels zijn overgenomen in het bestemmingsplan Kom Oudenbosch uit 2013. Op deze kaart is de hoge verwachting vertaald naar een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 60 cm -mv. Volgens de bijbehorende planregels van de historische bebouwing is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 60 cm -mv. Voor het archeologisch onderzoek geldt de dubbelbestemming met de kleinste verstoringen voor het gehele plangebied. 4.5.2.2 Bureau- en verkennend booronderzoek In het kader van de beoogde ontwikkeling, waarbij bovenstaande grenswaarden overschreden zullen worden, is een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 2. Volgens het bureauonderzoek worden er in het plangebied resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen verwacht in de top van dekzand of terrasafzettingen en resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht in en direct onder de bouwvoor. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied in het verleden altijd vrij nat is geweest.
Alleen in het hoogste deel van het plangebied is een aanwijzing voor podzolisatie aangetroffen (boring 2). In de rest van het plangebied zijn beek- of gooreerdgronden gevormd. Dit betekent dat het gebied in het verleden in mindere mate geschikt is geweest voor bewoning. De verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen kan daarom naar laag worden bijgesteld. De verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is, op grond van de historische ontwikkeling, laag, behalve voor het noordoostelijke deel van het plangebied. In dit deel is op de kadastrale minuut bebouwing aanwezig. Voor dit deel van het plangebied geldt daarom een hoge archeologische verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd.
37/77
Uit het verkennend booronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft voor het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen en een hoge archeologische verwachting voor het noordoostelijke deel van het plangebied voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd (figuur 4.3). Het gebied is te nat geweest voor podzolisatie, waardoor het ongeschikt is geweest voor bewoning.
Figuur 4.3 Resultaat verkennend booronderzoek (Bron: Econsultancy) 4.5.2.3 Advies Vanuit het onderzoek wordt geadviseerd om voorafgaand aan de geplande werkzaamheden in ditzelfde noordoostelijke deel van het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd te toetsen. In het kader van dit bestemmingsplan wordt voor dit gedeelte ter signalering en juridische borging volstaan met het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie historische bebouwing'.
38/77
4.5.2.4 Meldingsplicht Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Halderberge wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 4.5.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan. Er wordt volstaan met het gedeeltelijk opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie historische bebouwing'.
4.6
Cultuurhistorie
4.6.1 Normstelling en beleid Modernisering Monumentenzorg Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro gewijzigd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van de onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) De 'Cultuurhistorische waardenkaart' (vastgesteld 26 september 2006) van de provincie Noord-Brabant vormt het kader voor het inhoudelijke cultuurhistorische beleid met behulp waarvan dat beleid getoetst en ontwikkeld kan worden. Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn meerdere aanduidingen opgenomen (historische bouwkunst, historische stedenbouw, historische geografie (lijnen en vlakken), historische groenstructuren, historische zichtrelaties, archeologische monumenten en indicatieve archeologische waarden).