CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 bestemmingsplan De Potterestraat met bijlagen.pdf

Gemeenteraad 26 oktober 2023, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan De Potterestraat, Oud Gastel25.852 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 28/61

uitzondering van archeologische monumenten en bekende vindplaatsen. Verder zijn er ook geen monumenten binnen het plangebied. Conclusie Voor het plangebied is volgens de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart geen nader archeologisch onderzoek nodig. Het voornemen doet geen afbreuk aan archeologische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.6

Ecologie

4.6.1

Natuurgebieden

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is de ‘Krammer-Volkerak’ op ca. 10 km afstand. Dit Natura-2000 gebied ligt ten noordwesten van de planlocatie. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.

Gezien de planvoornemens en de daarbij vrijkomende verstorende effecten in de vorm van stikstofdepositie, licht- en geluidsoverlast is niet aannemelijk is dat, gezien de afstand tot het natuurgebied, meetbare effecten te verwachten zijn. Met een AERIUS-berekening is aangetoond dat het is uitgesloten dat significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden bij de realisatie van het project (zie bijlage 3). In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen ecologische verbindingszones aanwezig of anderszins als NNB aangewezen gebieden/landschapselementen. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming. 4.6.2

Flora en fauna

Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 29/61

handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door Veldbiologische Werken is in oktober 2021 een Quickscan flora en fauna uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Rapportage daarvan is als bijlage 5 gevoegd bij deze toelichting. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Op navolgende afbeelding zijn de in kaart gebrachte ecotopen binnen en nabij het plangebied weergegeven.

Figuur 12: Ecotopen binnen en nabij het plangebied Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Wet natuurbescherming en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, blijkt dat de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden niet wetsovertredend zijn. Voor alle soortgroepen valt het redelijkerwijs uit te sluiten dat de geplande ingreep een overtreding vormt t.a.v. de Wet natuurbescherming dan wel Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, mits wordt voldaan aan de in de rapportage beschreven en onderstaande voorwaarden.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 30/61

Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van flora en fauna. 4.7

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Tabel 4: onderzoekszone wegen artikel 74 lid 1 Wet geluidhinder.

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Wematech heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 5 bij de toelichting toegevoegd. Onderstaand wordt een beknopte samenvatting van het onderzoek weergegeven, waarin de belangrijkste bevindingen en conclusies worden behandeld. Het plan is gelegen binnen de zone van de N268, waar een maximale snelheid van 80 km/h geldt en de Parallelweg Noord, waar een maximale snelheid van 60 km/h geldt.

De onderzoekslocatie wordt omgeven door een kerkhof,

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 31/61

diverse woningen, de genoemde weg (N268) en groen. In de nabijheid van het plangebied zijn diverse wegen (Korte Dreef, Potterestraat en de Monseigneur Meeuwissenstraat) met een snelheid van 30 km/h gesitueerd. Deze wegen worden niet getoetst aan de Wet geluidhinder maar zijn in onderhavige situatie wel meegenomen bij het bepalen van de cumulatieve geluidbelasting in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De verkeersgegevens van de diverse wegen zijn aangeleverd door de gemeente Halderberge en de provincie Noord-Brabant. Uit de rekenresultaten kan worden opgemaakt dat als gevolg van het wegverkeerslawaai, veroorzaakt door de omliggende wegen, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden als gevolg van de N268 en de Parallelweg Noord. De geluidbelasting bedraagt maximaal 56 dB, waardoor de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB niet wordt overschreden. Derhalve dient voor de N268 en de Parallelweg Noord een hogere grenswaarde aangevraagd te worden.

Het treffen van mitigerende maatregelen in de vorm van bronmaatregelen is niet als reële maatregel te stellen Het toepassen van geluidsarm asfalt bij de Parallelweg Noord, afscherming van het bouwplan middels een geluidsscherm van hoger dan 3 meter, het verplaatsen van de woningen en het verlagen van de maximumsnelheid is vanuit financieel oogpunt, stedenbouwkundig oogpunt dan wel verkeerskundig oogpunt eveneens niet als reële maatregel te stellen in onderhavige situatie. De woningen met één bouwlaag hebben een maximale geluidbelasting van ≤49 dB (excl. aftrek) op de begane grond en ter plaatse van de buitenruimte. Op grond van tabel 3.1 is dit te kwalificeren als een zeer goed tot goed woon-en leefklimaat. De woningen met twee bouwlagen hebben eveneens een maximale geluidbelasting van ≤49 dB (excl. aftrek) op de begane grond en ter plaatse van de buitenruimte. Op grond van tabel 3.1 is dit te kwalificeren als een zeer goed tot goed woon- en leefklimaat. Echter ter plaatse van de 1ste verdieping varieert de geluidbelasting van 37 dB – 59 dB (excl. aftrek). Op grond van onderstaande tabel is dit te kwalificeren als een zeer goed tot matig woon- en leefklimaat.

Om de toekomstige bewoners van deze woningen voldoende te beschermen tegen geluid als gevolg van wegverkeerslawaai dient ten behoeve van de aanvraag om omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) reeds een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd te worden. Mogelijk blijkt uit dit onderzoek dat toepassing van aanvullende bouwkundige voorzieningen benodigd zijn om een acceptabel woon- en leefklimaat te kunnen garanderen in de woningen. Door het uitvoeren van het aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels, en indien noodzakelijk toepassen van aanvullende bouwkundige voorzieningen, kan in deze nieuwe woningen een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd worden.

Tabel 5: beoordeling akoestische kwaliteit in woon- en leefklimaat

Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer van de N268 ter plaatse van de nieuwe woningbouw ten hoogste 56 dB wordt berekend. Voor deze woningen dienen hogere waarden te worden aangevraagd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden voldaan aan een acceptabel woon- en

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 32/61

leefklimaat in alle woningen. Gelet op de vereisten uit het Bouwbesluit, is een acceptabel woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. 4.8

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt getypeerd als “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging.

Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Daarnaast gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen.” Gezien de andere functies die direct naast de woningen voorkomen en de ligging direct langs de hoofdinfrastructuur N268 kan het plangebied getypeerd worden als ‘gemengd gebied’. Richtafstanden mogen derhalve met 1 stap verkleind worden. Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald. Het betreffen: • • •

Begraafplaats ten westen van het plangebied Landbouwgrond ten oosten van het plangebied Enkele maatschappelijke en gemengde bestemming rondom het plangebied

Direct ten westen van het plangebied ligt de begraafplaats van Oud Gastel. Voor deze maatschappelijke bestemming geldt een milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 meter. Omdat het gebied is aan te duiden als ‘gemengd gebied’ mag de afstand worden teruggebracht tot 0 meter. Hiermee vormt de begraafplaats geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor landbouwgrond gelden geen richtafstanden. Ten oosten van het plangebied is een akkerbouw-/veehouderijbedrijf gevestigd aan het Kerstensstraatje 1. Het bestemmingsvlak ligt op ongeveer 330 meter van de initiatieflocatie. Het plan voldoet aan de minimale richtafstanden voor akkerbouwbedrijven en veehouderijen. Tot slot liggen er ten westen van het plangebied enkele maatschappelijke bestemmingen waaronder een fysiotherapeut, diëtist, notaris. Voor deze maatschappelijke bestemmingen geldt een maximale milieucategorie

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 33/61

van 1, met een richtafstand van 10 meter die verkleind maar worden tot 0 meter in ‘gemengd gebied’. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat met betrekking tot milieuzonering een acceptabel woon-en leefklimaat verzekerd is. Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering. 4.9

Driftblootstelling spuitzones

Toetsingskader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen gevoelige objecten zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. De richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) hebben geen betrekking op open teelten en zijn dus evenmin bruikbaar (ABRvS 23 september 2009, zaaknummer 200900570/1/R2). Afhankelijk van het soort teelt en of er sprake is van een (water toevoerende) sloot, stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer het hanteren van teeltvrije zones verplicht, maar ook hierin zijn geen afstandsnormen voor spuitzones opgenomen.

Weliswaar ontbreekt wetgeving over spuitzones, maar er heeft zich op dit terrein wel jurisprudentie gevormd die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object, zoals een woon- en tuinbestemming, in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is indicatief. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zonder nadere onderbouwing wordt geaccepteerd (ABRvS 23 september 2009, 200900570/1/R2 & ABRvS 15 februari 2006, 200504921/1), maar dat betekent niet dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Met andere woorden: onder omstandigheden kan van de vuistregel worden afgeweken. Omdat elk geval anders is, dient dit per situatie te worden onderzocht en afgewogen. Beoordeling en conclusie In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen fruitbomen. Op een afstand van meer dan 50 meter bevindt zich een agrarische bestemming. Deze agrarische gronden worden in de feitelijke situatie gebruikt voor de vollegrondsteelt.

Door het neerwaarts bespuiten (in tegenstelling tot bespuiting met een dwarsstroomspuit of axiaal boomteeltspuit waarbij de bespuiting zij- en opwaarts is gericht) wordt de ontstane hoeveelheid drift tot een minimum beperkt. Ook voor deze gronden behoeft aldus geen rekening te worden gehouden met een spuitzone. 4.10 Externe veiligheid 4.10.1

Inrichtingen en externe veiligheid

Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 34/61

toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Specifiek voor LPG-tankstations is tevens de ‘circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ relevant. Met deze circulaire wordt een handreiking gegeven ten behoeve van de beoordeling van externe veiligheid van LPGtankstations. Daarbij staat het rekening houden met effectafstanden centraal en wordt aangesloten bij hetgeen geregeld is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). In de circulaire wordt het bevoegd gezag verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten.

Figuur 13: Uitsnede risicosignaleringskaart. Bron: signaleringskaart.nl

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risico signaleringskaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico gelegen is op een afstand van circa 725 meter Standerdmolen 6 te Oud Gastel. Het betreft LPG-station ‘Jora Tankstation. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot deze inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder ligt er enkel een inrichting met choloorbleekloogtank aan de Hellestraat 2a op een afstand 811 meter. Het betreft Zwembad Blankershove. Ook deze ligt op ruime afstand van het plangebied. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 35/61

4.10.2

Transport en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risico signaleringskaart geraadpleegd.

Hieruit blijkt dat het plangebied vanwege toxische scenario’s is gelegen binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A17 (stofcategorie GT4) en de spoorlijn Lage Zwaluwe - Roosendaal (stofcategorieën B3 en D4). Tevens bevindt het plangebied zich binnen het invloedsgebied van het transport van gevaarlijke stoffen over de Provincialeweg Noord (N268). De OMWB heeft in 2018 een inventarisatie gedaan naar transporten van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke en provinciale wegen. Volgens deze inventarisatie vinden er ter hoogte van het plangebied 17 transporten van brandbare gassen (stofgroep GF3) per jaar plaats over deze weg. Om die reden is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Voor de verantwoording van het groepsrisico (bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid) wordt gebruik gemaakt van het Standaardadvies 2021 gemeente Halderberge van de Veiligheidsregio. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.10.3

Buisleidingen en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risico signaleringskaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk buisleiding is gelegen op een afstand van circa 750 meter, betreffende een aardgasleiding van de Gasunie (Z-529-09). Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de leiding geen belemmering voor onderhavig voornemen.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 36/61

Binnen het plangebied is een nutsvoorziening gelegen aan de Korte Dreef. In overleg met de netbeheerder (Enexis) wordt een gepaste oplossing gezocht voor verplaatsing/integratie van deze voorziening binnen het plangebied. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig plan. 4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 30 woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort). De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de N268 op een afstand van circa 25 meter van het plangebied.

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat op de N268 in 2020 en 2030 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Daarmee kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied ook sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 37/61

Figuur 14: Uitsnede luchtkwaliteitskaart omgeving Oud Gastel. Met het rode rechthoek is het plangebied aangeduid. Bron: NSL-monitoring.nl, 2021

4.11.1

Geurhinder en veehouderij

Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woonen verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. De normen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaard geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij zijn in navolgende tabel opgenomen. Ligging geurgevoelig object

Binnen gebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

3 ouE/m3

14 ouE/m3

Geen concentratiegebied

2 ouE/m3

8 ouE/m3

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 38/61

De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt 'achtergrondbelasting' genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. Beoordeling Voorgrondbelasting Het grondgebied van de gemeente Halderberge is niet gelegen in een door het Rijk aangewezen concentratiegebied, waardoor voor het plangebied, gelegen buiten de bebouwde kom, voor een geurgevoelig object conform de Wet geurhinder en veehouderij voor de voorgrondbelasting een standaardnorm van 8 ouE/m3 geldt. Artikel 6 van de Wgv stelt dat bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde. Gemeente Halderberge heeft geen eigen geurverordening vastgesteld, vandaar dat de standaardnorm van toepassing is. De dichtstbijzijnde is een melkveehouderij aan het Kerstensstraatje 1 op ongeveer 320 meter. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf met geurcontouren is aan de Meirstraat 47 (rundvee en vleesvee) op ongeveer 1km afstand.

Gelet op de afstand van meer dan 200 meter ten opzichte van het plangebied wordt ter plaatse een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd en wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad.

Figuur 15: Indicatie achtergrondbelasting geur. Deze achtergrondbelastingkaart geldt voor concentratiegebieden van veehouderijen. Het plangebied is aangegeven met een ster. Bron: ODZOB, 2021.

Achtergrondbelasting Het plangebied is gelegen in een gebied waar op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gezien er in de omgeving slechts in beperkte mate veehouderijen aanwezig zijn en gelet op de ruime afstand hiervan tot het plangebied, biedt deze kaart een acceptabele indicatie van de kwaliteit van de leefomgeving, met de geurbelasting weergegeven in

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 39/61

ouE/m3. De achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied is zeer goed (0-3 ouE/m3). Gelet op de kwalificatie van het woon- en leefklimaat, is binnen het plangebied ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Geitenhouderijen Op basis van het rapport 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio- aerosolen' (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Op onderstaande kaart zijn alle veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied weergegeven. Binnen deze straal bevinden zich echter geen veehouderijen met het primaire bedrijfstype 'Geiten' of veehouderijen met een ander primair bedrijfstype waar tevens het houden van geiten vergund is. Geconcludeerd kan worden dat eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen derhalve niet van invloed zijn op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Conclusie Ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert onderhavig planvoornemen omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering.

Figuur 16. Veehouderijen gelegen binnen een straal van 2 km van het plangebied. Bron: Kaartbank Provincie Noord-Brabant, 2021.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 40/61

4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.13 Niet gesprongen explosieven Toetsingskader Voor niet gesprongen explosieven hanteert Halderberge de ‘Risicokaart gemeente Halderberge’. Uit het vooronderzoek dat ten grondslag ligt aan de gemeentelijke risicokaart CE voor de gemeente Halderberge zijn verschillende verdachte gebieden naar voren gekomen.

Zoals gesteld in de (nieuwe) Arbeidsomstandighedenwet (1 juli 2017) dient te worden gezorgd voor een veilige werkplek. Om deze reden kunnen binnen de betreffende verdachte gebieden geplande bodemroerende werkzaamheden niet zonder aanvullende maatregelen worden uitgevoerd. De aard en omvang van deze maatregelen is projectafhankelijk. De ‘Toelichting maatregelen werkzaamheden binnen verdacht gebied’ (6 juli 2020) licht toe welke vervolgmaatregelen nodig zijn binnen de in de risicokaart opgenomen verdachte gebieden. Beoordeling Zoals hierboven reeds is gesteld is de aard en omvang van de noodzakelijke aanvullende maatregelen afhankelijk van de aard van het verdachte gebied en de hierbinnen mogelijk aan te treffen (sub)soorten CE. In de bodembelastingkaart zijn de volgende verdachte gebieden opgenomen. • Verdacht gebied geschutmunitie (verschoten); • Verdacht gebied geschutmunitie (achtergelaten); • Verdacht gebied klein-kaliber munitie, handgranaten, geweergranaten, granaatwerpwers (achtergelaten); • Verdacht gebied vernielingslading (in werking getreden); • Verdacht gebied langmijnen;

1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting

én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 41/61

•

Verdacht gebied afwerpmunitie (afgeworpen) en geschutmunitie afkomstig van boordgeschut (verschoten)

Uit de CE kaart van de gemeente Halderberge blijkt dat het noordelijkste deel van het plangebied is aangeduid als een verdacht gebied voor geschutmunitie (achtergelaten). Dit zijn tijdens de tweede wereldoorlog gebieden geweest die zijn getroffen door artillerie- en mortierbeschietingen. Wanneer sprake is van (zeer) omvangrijke projecten waarbij sprake is van een naar verwachting tevens sprake is van (zeer) omvangrijke naoorlogse werkzaamheden bijvoorbeeld de aanleg van lange kabeltracés (bijvoorbeeld glasvezel). Verdient het de aanbeveling over te gaan tot het opstellen van een projectgebonden risicoanalyse (PRA). Het doel van de PRA is tweeledig. Ten eerste wordt onderzocht in hoeverre het opsporingsgebied op basis van naoorlogse bodemroering verkleind kan worden. Daarnaast heeft een PRA tot doel de geplande werkzaamheden binnen het projectgebied nauwkeurig in kaart te brengen (wat wordt er gedaan, waar wordt dit uitgevoerd, op welke manier en tot welke diepte) en per uit te voeren onderdeel te adviseren of- en zo ja, welke beheersmaatregelen getroffen dienen te worden. Door het treffen van bepaalde beheersmaatregelen zou het bijvoorbeeld kunnen zijn dat een opsporingsproces niet noodzakelijk is. Het doel is derhalve ervoor te zorgen dat er niet onnodig tijd en middelen worden gespendeerd aan een opsporingsproces.

Wanneer de uiteindelijke omvang van het (resterende) verdachte gebied dat invloed heeft op de uitvoering van de beoogde werkzaamheden is vastgesteld (opsporingsgebied) dient in de meeste gevallen te worden overgegaan tot de opsporing (detectie) gevolgd door de benadering van eventueel aanwezige verdachte objecten, waarna kan worden overgegaan tot ruiming door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie. De meest geschikte detectiemethode, bijvoorbeeld (realtime of non-realtime oppervlaktedetectie of dieptedetectie) is sterk afhankelijk van de soort en diepteligging van de mogelijk aan te treffen explosieven, de aard van het terrein en de voorgenomen werkzaamheden.

Figuur 17: uitsnede CE kaart plangebied. Bron, gemeente Halderberge, 2020.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 42/61

Conclusie Voor de veiligheid van toekomstige bewoners dient minimaal een historisch onderzoek naar munitiegebruik te worden uitgevoerd. Dit is vastgelegd in de planregels met een voorwaardelijke verplichting. 4.14 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de realisatie van 30 woningen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 30 woningen en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 43/61

een MER. op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden, waardoor op basis van een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling het bevoegd gezag een besluit neemt over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage. Veelal neemt het bevoegd gezag ambtshalve hierover een besluit. De toetsing aan de diverse milieuaspecten in onderhavige toelichting dient tevens als aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het college neemt hierover een separaat besluit bij het ontwerpbesluit van onderhavig bestemmingsplan. Uit de beoordeling van de milieuaspecten blijkt dat de effecten van onderhavig plan op het milieu minimaal zijn en dat er geen verplichting bestaat tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 44/61

5

Juridische plantoelichting

5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 5.3

Regels

5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel, ‘begrippen’, worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeeldingen geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 45/61

5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Artikel 3 Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Artikel 4 Verkeer Deze bestemming is opgenomen voor de openbare verkeersruimte binnen het plangebied. De woonstraat, parkeerplaatsen, bermen en beplantingen zijn in deze bestemming opgenomen. De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Artikel 5 Wonen Voor het plangebied is de bestemming wonen opgenomen. Als uitgangspunt is de bestemming Wonen van het bestemmingsplan ‘Kom Oud Gastel’ gebruikt. de voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: woningen, water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ook de bij de bestemming behorende voorzieningen zoals erven, tuinen, paden en parkeerplaatsen zijn toegestaan binnen deze bestemming. De bebouwing die op het bouwperceel is toegestaan, wordt vermeld in de bouwregels 5.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 7 Algemene bouwregels Voor het hele plangebied gelden een aantal algemene bouwregels. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in de afzonderlijke bestemmingen.

Het betreffen bouwregels ten aanzien van de bestaande bebouwing, voorzieningen van algemeen nut en ondergeschikte bouwdelen in relatie tot bouwen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel is opgenomen welke activiteiten onder het strijdig gebruik worden verstaan. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag kan afwijken van de regels in hoofdstuk 2 en overschrijdingen in een bouw-, aanduidings- en/of bestemmingsplan kunnen toestaan, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft. Artikel 10 Overige regels In dit artikel worden regels gesteld aan het voorzien in voldoende parkeergelegenheden en laad- en losgelegenheden. Tevens zijn voorwaardelijke bepalingen voor waterberging en explosievenonderzoek opgenomen. 5.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Artikel 11 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen.

Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 46/61

afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 12 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan ‘De Potterestraat Oud Gastel’.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 47/61

6

Economische uitvoerbaarheid

6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Toepassing Grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.

6.3 Economische uitvoerbaarheid Er wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten waarin afspraken worden gemaakt over de voorgenomen ontwikkeling, alsmede alle financiële kaders waaronder mogelijke planschade, de exploitatiebijdrage en de daadwerkelijke investeringskosten van de beoogde ontwikkelingen. Op basis van deze overeenkomst wordt het voorliggende bestemmingsplan economisch uitvoerbaar geacht. Het kostenverhaal zal geen belemmering vormen voor uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 48/61

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Omgevingsdialoog De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het project maatschappelijk draagvlak heeft. Op basis van de richtlijn voor het voeren van een omgevingsdialoog van de Halderberge heeft de initiatiefnemer van onderhavig plan een omgevingsdialoog gevoerd met personen die in de omgeving van het plangebied woonachtig zijn. Schriftelijke briefing In november 2021 zijn omwonenden per brief geïnformeerd over de woningbouwontwikkeling. Dit betreft de adressen De Potterestraat 1 – 1A, Kolonel den Oudenstraat 10 – 24 en Sterrebos 11 – 23. De brief is toegevoegd als bijlage 6. Er zijn een drietal reacties binnengekomen op de plannen. • De bewoners van de Sterrebos 23 willen graag informatie hebben over het nieuwbouwplan, met name over de omvang van de woningen en de grootte van de kavels. − Jawel Bouw reageert met de mededeling dat het gaat om 30 betaalbare levensloopbestendige woningen/starterswoningen en dat de woningen naar schatting na 1,5 jaar in de verkoop kunnen; • De bewoners van de De Potterestraat 1 hebben vragen gesteld over eventuele geluidsoverlast, privacy, waterberging, parkeren en de geluidswal. Jawel bouw heeft als volgt gereageerd. − Of de weg éénrichting wordt of niet is afhankelijk van een aantal zaken zoals mogelijke wegbreedte, verkeersintensiteit, wens verkeersafdeling gemeente, et cetera.

Dit zal in de toetsing van de plannen door gemeente nader worden bekeken. Aspect veiligheid speelt hier een grote rol in. Er is binnenstedelijk geen recht op vrij uitzicht en wijst de bewoners op het recht op planschade. De wandelpaden in het plangebied zullen voldoen aan het politie keurmerk ‘veilig wonen’. Dat betekent dat er aan de veiligheid van de paden en voldoende verlichting wordt gedacht. In het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met de parkeerbehoefte en binnen het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen aangelegd. De sloot naast de begraafpalats komt te vervallen. De waterhuishouding van het gebied wordt door een bureau onderzocht. Zij zullen voorzieningen voorschrijven zoals drainagesystemen en oppervlaktewateren ter retentie. De hoogte van de geluidswal wordt bepaald door de geldende geluidsnorm, maar in ieder geval 3 meter. De provincie is ook bezig met plannen om de provinciale weg te voorzien van stiller asfalt. • De bewoners van De Potterestraat 1b hebben vragen over de bestemmingswijziging, de verkeersafwikkeling en de civiele uitwerking. − Jawel bouw beantwoord deze vragen als volgt. De bestemming van het perceel wordt via een bestemmingsplanwijziging omgezet naar deels wonen, deels groen en deels verkeer. Het verder onderzoeken en uitwerken van de plannen moet nog gebeuren. Onderdeel hiervan is natuurlijk ook de verkeersafwikkeling.

De smalle doorgang van de Potterestraat wordt hierin meegenomen. Het trottoir vóór de woningen De Potterestraat 1 en 1b blijft liggen. Jawel bouw heeft naar aanleiding van mailwisselingen óók telefonisch contact gezocht met meedere buurtbewoners, om de schriftelijke correspondentie toe te lichten. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden in september 2022. Het eerste gesprek vond plaats op 14 september 2022. Dit vond plaats met de bewoners van De Potterestraat 1 en 1b, Sweere en Jawel bouw. Tijdens dit gesprek zijn de volgende zaken besproken:

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 49/61

1.

2. 3.

4. 5. 6.

7.

Bewoners hebben de wens om de sloot ten noorden van De Potterestaat 1 te behouden. Links van deze sloot ligt nog een stukje gras van 2-2,5 meter en dan komt het trottoir. Is deze strook voldoende voor de onderhoud van het slootje? Jawel gaat dit onderzoeken en komt hier persoonlijk op terug bij de bewoners. Het half verharde pad tussen de bergingen en de geluidswal ziet men liever niet. Jawel bespreekt dit met de gemeente. Wanneer en waar kan men een verzoek om planschade indienen? Het verzoek tot planschade kan na de ter visie legging van het vastgestelde bestemmingsplan bij de gemeente worden ingediend, uiterlijk binnen 5 jaar na vaststelling. Het bouwverkeer is ter sprake gekomen. Dit zal later met de uitwerking van bouwplannen bekeken worden. Wenselijk is eenrichtingsverkeer tijdens de bouw. De vervolgstappen van de bestemmingsplanprocedure zijn door Jawel toegelicht als ook de mogelijk start van de verkoop, bouw en oplevering. De doelgroep (kopers) is toegelicht. In het bijzonder zijn de woningen voor starters bedoeld. Ook hoe dit te waarborgen via een erfpacht constructie door de Mastboomstichting. Dit wordt in een overeenkomst met de gemeente vastgelegd. Vóór de percelen van de Potterestraat 1 en 1b ligt nu alleen een smalle doodlopende weg.

Op de voorlopige woonrijptekening staat nu een trottoir, een 5 meter brede rijbaan voor 2 richtingsverkeer en daarna 7 parkeerplaatsen en dan het park. De Parkeerplaatsen tussen rijbaan en park zijn niet wenselijk. In overleg met de gemeente is besproken dat deze parkeerplaatsen niet nodig zijn.

Jawel betrekt alle buurtbewoners en in het bijzonder de bewoners die hebben gereageerd op de brief, bij de verdere planologische procedure en planning en uitwerking gedurende de realisatiefase. Informatieavond Op woensdag 8 februari 2023 heeft een informatieavond gehouden voor alle buurtbewoners bij Sweere Makelaardij. Tijdens deze bijeenkomst zijn de woonrijptekeningen en dwarsprofieltekeningen getoond van de toekomstige situatie. Ook zijn de eerste schetsontwerpen getoond, welke zijn ingediend bij de welstandscommissie, om bewoners een indruk te geven hoe het er straks uit komt te zien. Tijdens de avond is in gezamenlijkheid in een goede informele sfeer van gedachten gewisseld over het plan. Diverse onderwerken zijn aan bod gekomen, waarvan er hieronder enkelen worden uitgelicht: • Verkeer (routing); • hoogte nieuw trottoir ten opzichte van hoogte eigen terrein bewoners nr.

1, 1a en 1b; • bepalen tot waar de geluidswal moet worden doorgetrokken; • privacy, inkijk en vrij uitzicht; • bouwhoogtes, onder meer waar de opbouwen komen en waar niet; • platte- en of hellende daken; • de doelgroep van de woningen; • riolering en hemelwateropvang; • bouwverkeer en opslag bouwmaterialen; • verdere procedure bestemmingsplanherziening; Veruit het belangrijkste onderwerp voor de meeste aanwezigen was wel het punt van de toename van het verkeer in de omgeving, de routing ervan en de (mogelijke) overlast daarvan. De vernieuwde wegen in buurt zijn veelal smaller geworden, wat de afwikkeling van het verkeer van dit plan niet ten goede gaat komen, vertelden enkele aanwezigen. De wensen van de bewoners voor de routing van het verkeer waren divers. Sommige buurtbewoners willen een doodlopende weg, anderen prefereren éénrichtingsverkeer. De routing nu is tweerichtingsverkeer, maar dit is niet in het bestemmingsplan geregeld. Tijdens de bijeenkomst is door Jawel Bouw aangegeven dat in

datum referentie

26 oktober 2023 214425_AdB_RAP_v4.0

P 50/61

het bestemmingsplan de bestemming wonen, groen en verkeer vast worden gelegd. Hoe in de praktijk het verkeer qua routing zou moeten gaan is geen bestemmingsplanonderdeel. Het is aan de gemeente Halderberge om de routing te bepalen aan de hand van gegevens over de verkeersgeneratie en bestaande verkeerintensiteiten op omliggende wegen. Ook als uit de praktijk blijkt dat de verkeerstoename leidt tot onveilige situaties, kan dit mogelijk de keuze voor de routing wijzigen. De vraag over de routing is teruggekoppeld met de gemeente. De gemeente informeert de buurtbewoners per brief hoe de gemeente de openbare ruimte zal inrichten en waar die keuzes op gebaseerd zijn. Deze brief is toegevoegd in bijlage 6. 7.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om een voorontwerp van het bestemmingsplan ter inzage te leggen voor een inspraakperiode van zes weken.

Dit inspraakmoment maakt geen onderdeel uit van de ‘formele’ procedure uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het concept-ontwerp bestemmingsplan wordt aangeboden aan de vaste vooroverlegpartners, de provincie Noord-Brabant, waterschap Brabantse Delta en de Brandweer (Veiligheidsregio). De provincie en de veiligheidsregio kunnen instemmen met het plan. Het waterschap Brabantse Delta heeft per brief van 16 november 2022 laten weten dat er meer duidelijkheid moet komen over de uitwerking van de waterberging. Op basis daarvan is de waterparagraaf van Milon en paragraaf 4.3 van de toelichting aangepast. De bergingsopgave wordt geheel binnen het plangebied opgelost met wadi’s, een vertraagde afvoer naar de A-watergang en het verbreden van bestaande B-watergangen. Bij de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen worden hier tegelijkertijd de benodigde watervergunningen voor aangevraagd bij waterschap Brabantse Delta. 7.3 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Het ontwerpbestemmingsplan “De Potterestraat Oud Gastel” heeft vanaf 18 mei 2023 gedurende zes weken (tot en met 28 juni 2023) ter inzage gelegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/565/documents/16419