Bestemmingsplan RvR Bornhemweg - toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
53
Gebruiksfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de nieuwbouw vinden in de gebruiksfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar de nieuwe woningen. De woningen worden volledig gasvrij uitgevoerd. De berekeningen voor peiljaar 2020 zijn verricht met behulp van het programma Aerius Calculator versie 2019. Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000gebieden kleiner is dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen ontheffing benodigd is voor het aspect stikstof. Aanlegfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de nieuwbouw vinden in de aanlegfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied ten behoeve van de bouw en het bouwrijp maken en gebruik van bouwmaterieel binnen het plangebied. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het plan.
De berekening van het projecteffect van de aanlegfase met peiljaar 2020 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming.
4.6.2 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
54
Gemeente Halderberge
Beoordeling Door Veldbiologische Werken is in januari 2020 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor de gronden ter hoogte van de beoogde woningen. Rapportage daarvan is als bijlage 7 gevoegd bij deze toelichting. Voor de gronden ter hoogte van de groenvoorzieningen is een door Royal HaskoningDHV in december 2019 eveneens een quickscan uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 8 gevoegd bij deze toelichting. Beide onderzoeken hebben tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Wet natuurbescherming en de Verordening natuurbescherming Brabant, blijkt dat bij uitvoering van de ingreep geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde soorten. Aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied is redelijkerwijs uitgesloten en/of zijn negatieve effecten redelijkerwijs uitgesloten. In algemene zin moet de Zorgplicht wel in acht worden genomen. Deze zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten.
Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten ten aanzien van soortenbescherming. De Wet natuurbescherming staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.7
Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
55
Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Het onderhavige planvoornemen voorziet in de realisatie van 18 ruimte-voorruimtewoningen. Deze woningen liggen binnen de onderzoekszone van de Bornhemweg en de Oudlandweg. Omdat middels onderhavig initiatief ter plaatse nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd, is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Rapportage hiervan is als bijlage 9 gevoegd bij deze toelichting.
Uit de rapportage volgt dat de geluidbelasting vanwege de Oudlandweg op zijn hoogst 40 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt derhalve niet overschreden. Als gevolg van wegverkeer over de Bornhemweg wordt ten hoogste 59 dB berekend. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt vanwege deze weg derhalve overschreden. Om te bezien of voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, is gekeken of mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen. Het toepassen van geluidreducerend wegdek, het verlagen van verkeersintensiteiten of het aanpassen van de maximale snelheid kan leiden tot lagere geluidniveaus. Over het algemeen is het vervangen van het wegdektype voor een kleinschalig project niet reëel vanwege de hoge kosten. Bovendien betreft de Bornhemweg al een weg met asfalt, welke een lagere geluidproductie heeft dan bijvoorbeeld klinkerverharding. Maatregelen die de verkeersstromen wijzigen (zoals het verlagen van de verkeersintensiteiten of de maximumsnelheid) worden niet ad hoc genomen, maar zijn een onderdeel van een uitgebreide verkeersstudie. Onderhavig project vormt geen aanleiding voor een uitgebreide verkeersstudie. De snelheid van de Bornhemweg wordt door de gemeente verlaagd naar 60 km/uur. Hiervoor is een verkeersbesluit genomen. Voor verdere verlaging is geen aanleiding.
De effecten van de snelheidsverlaging zijn reeds verdisconteerd in het akoestisch onderzoek. Afscherming van het bouwplan middels
56
Gemeente Halderberge
geluidsschermen, het verplaatsen van de woningen en het verder verlagen van de maximum snelheid is vanuit financieel oogpunt, stedenbouwkundig oogpunt dan wel verkeerskundig oogpunt eveneens niet als reële maatregel te stellen. Derhalve dienen door de gemeente Halderberge hogere grenswaarden aangevraagd te worden voor de geveldelen van de nieuwe woningen waar de geluidbelasting meer dan 48 dB bedraagt als gevolg van de Bornhemweg. Dit is mogelijk, daar de maximaal te ontheffen grenswaarde niet wordt overschreden. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ is tevens inzicht verkregen in de cumulatieve geluidsbelasting. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een geluidsbelasting van 64 - 29 dB wat gekwalificeerd wordt als een ‘slecht’ tot ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. De gevels waar een hoge geluidsbelasting wordt gemeten betreffen de voorgevels van de woningen aan de Bornhemweg. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor ‘bouwen’ is het noodzakelijk dat wordt voldaan aan de eisen voor de minimale geluidwering van de gevels. De binnenwaarde van de woningen zal daardoor aan de wettelijke eisen voldoen. Daarmee is een binnenniveau van maximaal 33 dB gewaarborgd.
Bovendien kan gesteld worden dat buitenruimten hoofdzakelijk achter de woning zijn gelegen, waar geen of in mindere mate een verhoogde geluidsbelasting wordt berekend. De cumulatieve geluidbelasting staat een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat derhalve niet in de weg. Het beoogde woongebied zal intern worden ontsloten via nieuw aan te leggen infrastructuur. Binnen het plangebied zal voor deze wegen een snelheidsregime van 30km/u gelden, waarmee aldus niet wordt voorzien in nieuwe gezoneerde wegen. Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Oudlandweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Vanwege de Bornhemweg dienen hogere waarden te worden verleend. Gelet op de cumulatieve geluidbelasting en de vereisten uit het Bouwbesluit, is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied evenwel gewaarborgd.
4.8
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
57
Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als ‘rustige woonwijk’. Richtafstanden gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De woningen binnen het plangebied bevinden zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijven. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van. Hierbij is gemeten vanaf de grens van de inrichtingen tot de uiterste bouwgrens waarbinnen milieugevoelige objecten (vergunningsvrij) kunnen worden gerealiseerd. Inrichting
Locatie
Begraafplaats Tandartspraktijk Bestemming ‘Agrarisch’ incl. bouwvlak Bestemming ‘Bedrijf’ Bestemming ‘Bedrijf’ (nutsbedrijf) Bestemming ‘Agrarisch’ incl. bouwvlak Bestemming ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’ incl. bouwvlak
Strijmondlaan ong. Bornhemweg 126 Bornhemweg 124/124a Bornhemweg 122 Bornhemweg 130a Bornhemweg 131/131a Bornhemweg 135/135a/139
Max. milieucategorie* 1 1 3.2
Richtwaarde VNG 10 meter 10 meter 100 meter
Afstand tot plangebied 124 meter 18 meter 31 meter
3.1 2
50 meter 30 meter
105 meter 30 meter
3.2
100 meter
37 meter
3.2
100 meter
125 meter
* ten aanzien van geur, licht en geluid. Op het aspect ‘gevaar’ en ‘spuitzones’ en geurhinder vanwege veehouderijen wordt in de volgende paragrafen ingegaan.
Zoals blijkt uit de tabel kan niet aan de richtafstand van de bestemming ‘Agrarisch’ worden voldaan. Deze bestemming is gelegen aan de Bornhemweg 124/124a en de Bornhemweg 131/131a en voorziet in bedrijvigheid tot en met categorie 3.2. Deze milieucategorie wordt veroorzaakt doordat het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het bouwvlak binnen de agrarische bestemming de oprichting van een champignonkwekerij met mestfermentatie (SBI-2008: 0113) toestaat. Dit betreft een categorie 3.2 inrichting. Op basis van de regeling zoals genoemd in artikel 3.6.6 van het vigerende bestemmingsplan lijkt het echter de bedoeling om een champignonkwekerij, zijnde een ‘intensieve kwekerij’, enkel toe te staan ter plaatse van een specifieke aanduiding. Deze aanduiding ontbreekt in de bestemmingsomschrijving. In theorie kan derhalve zich een champignonkwekerij vestigen binnen de agrarische bouwvlakken. In de bestaande situatie is echter geen sprake van een champignonkwekerij en bovendien geldt dat voor beide agrarische bestemmingen bestaande omliggende gevoelige functies, zijnde (bedrijfs)woningen, het maken dat bij de oprichting van een champignonkwekerij met mestfermentatie niet kan worden voldaan aan de richtafstand
58
Gemeente Halderberge
tot bestaande omliggende woningen. Een overschrijding van de planologische richtafstand wordt derhalve in deze situatie acceptabel geacht. In de directe omgeving van het plangebied bedraagt voor het overige de grootste richtafstand 30 meter ten aanzien van wederom omliggende agrarische bouwvlakken. De agrarische bestemming staat ter plaatse agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, (vollegronds)teeltbedrijven en overige agrarische bedrijven (met uitzondering van productiegerichte paardenhouderijen) toe. Hieronder vallen tuinbouwbedrijven (SBI2008: 011, 012, 013 en 016). Dit betreffen inrichtingen tot maximaal categorie 2 (richtafstand 30 meter). Deze richtafstand wordt ten aanzien van de agrarische bestemmingen aan de Bornhemweg gerespecteerd. Gesteld kan worden dat daarmee sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van de beoogde woningen. Omgekeerd geldt dat de beoogde woningen omliggende inrichtingen niet beperken in hun bedrijfsvoering. Tot slot geldt dat op de locatie aan de Bornhemweg 129a te Oudenbosch op basis van luchtfoto’s sprake lijkt te zijn van bedrijfsactiviteiten.
In het vigerende bestemmingsplan is aan de gronden echter een woonbestemming toegekend, welke bestemming de uitoefening of vestiging van bedrijvigheid (behoudens een ‘niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit’ als ondergeschikte functie bij de woning) uitsluit. In het kader van milieuzonering moet worden uitgegaan van de woonbestemming die ter plaatse vigeert, waarvoor geen richtafstand geldt tot onderhavig plangebied. Zekerheidshalve is nagegaan of voor de locatie een geldende milieuvergunning bekend is. Dit blijkt niet het geval. Daarnaast zijn er zijn geen klachten van omwonende over eventuele verkeers/geluidsoverlast t.a.v. mogelijke bedrijfsmatige activiteiten. Vanuit milieuzonering zijn er derhalve ten aanzien van deze locatie geen belemmeringen voor het planvoornemen. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering.
4.9
Driftblootstelling spuitzones Toetsingskader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen gevoelige objecten zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. De richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) hebben geen betrekking op open teelten en zijn dus evenmin bruikbaar (ABRvS 23 september
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
59
2009, zaaknummer 200900570/1/R2). Afhankelijk van het soort teelt en of er sprake is van een (water toevoerende) sloot, stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer het hanteren van teeltvrije zones verplicht, maar ook hierin zijn geen afstandsnormen voor spuitzones opgenomen. Weliswaar ontbreekt wetgeving over spuitzones, maar er heeft zich op dit terrein wel jurisprudentie gevormd die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object, zoals een woon- en tuinbestemming, in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is indicatief. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zonder nadere onderbouwing wordt geaccepteerd (ABRvS 23 september 2009, 200900570/1/R2 & ABRvS 15 februari 2006, 200504921/1), maar dat betekent niet dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Met andere woorden: onder omstandigheden kan van de vuistregel worden afgeweken.
Omdat elk geval anders is, dient dit per situatie te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Beoordeling In het hierna volgende wordt onderbouwd waarom in dit bestemmingsplan een kleinere spuitzone kan worden aangehouden. Hiertoe zijn de volgende stappen doorlopen en uitgewerkt: 1. De planologische situatie op/rond het perceel van de boomgaard; 2. De uitgangspunten voor de bronzijde; 3. Effect- en afstandsbepaling voor de nieuwe planologische situatie. Ad 1. De planologische situatie op/rond het perceel van de boomgaard Op de navolgende afbeelding wordt de ligging van relevante kwekerijen ten opzichte van de dichtstbijzijnde woningen binnen het plangebied gevisualiseerd.
60
Gemeente Halderberge
Bornhemweg 131/131a Afstand: 35 meter
Bornhemweg 124/124a Afstand: 31 meter
Uitsnede vigerende bestemmingsplan, met daarop aangegeven de afstand tussen de twee aanwezige kwekerijen en de dichtstbijzijnde woning binnen het plangebied.
Op het perceel aan de Bornhemweg 124/124a te Oudenbosch is ‘Laanboomkwekerij & handverdelingsbedrijf Mart Brugel B.V.’ gevestigd. Het betreft een boomkwekerij. In het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel een agrarische bestemming met een bouwvlak waarbinnen ook gebouwen mogen worden gebouwd. Rondom de kwekerij is reeds sprake van enkele gevoelige bestemmingen welke dichter tot de kwekerij liggen dan de grens van onderhavig plangebied, namelijk een maatschappelijke bestemming (Bornhemweg 126; binnen deze bestemming is een bedrijfswoning toegestaan) en een woonbestemming (Bornhemweg 129a).
Maatschappelijk Wonen
Kwekerij
Uitsnede vigerend bestemmingsplan met de ligging van diverse gevoelige bestemmingen nabij de kwekerij. De grens van onderhavig plangebied is aangeduid met een rode contour.
Op het perceel aan de Bornhemweg 131/131a te Oudenbosch is het bedrijf ‘Zwijgers’ gevestigd. Het betreft een eenmanszaak in het telen van appels en peren en teelt van steenvruchten. In het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel een agrarische bestemming met een bouwvlak waarbinnen ook gebouwen mogen worden gebouwd. Rondom de kwekerij is reeds sprake van gevoelige bestemmingen die dichter tot de
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
61
kwekerij liggen dan de grens van woonbestemming (Oudlandweg 22/22a).
onderhavig
plangebied,
namelijk
een
Kwekerij
Wonen
Uitsnede vigerend bestemmingsplan met de ligging van diverse gevoelige bestemmingen nabij de kwekerij. De grens van onderhavig plangebied is aangeduid met een rode contour.
Ad 2. De uitgangspunten voor de bronzijde De verwaaiing van spuitvloeistof (drift) bepaalt de aan te houden afstand tot gevoelige objecten zoals woningen en tuinen. Dit is onder meer afhankelijk van: ▪ het gewasbeschermingsmiddel zelf; ▪ de situatie van de (fruit)boom (een kale boom of een volle bladsituatie); ▪ de inrichting van het perceel (aanwezigheid van een sloot en/of windhaag); ▪ de windrichting; ▪ de spuittechnieken, die door de teler worden toegepast. Zowel bij beroepsmatige teelt als in geval van een 'hobby-boomgaard' dient door de teler rekening te worden met de omgeving en zijn spuitzones van toepassing. In het navolgende is uitgegaan van een worstcase benadering aan de bronzijde, met inachtneming van de regels waaraan de fruitteler moet voldoen. De teelt van fruit wordt daarbij als worstcase beschouwd omdat, hoewel op vrijwel alle agrarische gronden wel enig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt, de discussie zich vooral toespitst op de fruit- en bollenteelt. Deze teelten worden gekenmerkt door het zeer hoge verbruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien is de drift bij fruitteelt relatief hoog vanwege de op- en zijwaartse spuittechniek die in deze teelt noodzakelijk is. Gewasbeschermingsmiddel Het is niet exact bekend of en zo ja, welke middelen er momenteel concreet door de teler worden gebruikt bij het spuiten van gewassen.
Om die reden is uitgegaan van de gewasbeschermingsmiddelen die in de fruitteelt het meest worden gebruikt. Dat is namelijk de meest representatieve situatie. In de fruitteelt worden zowel onkruidbestrijdingsmiddelen (herbiciden), schimmelbestrijdingsmiddelen (fungiciden) als insectenbestrijdingsmiddelen (insecticiden) gebruikt. De meest gebruikte middelen zijn Captan 80WG/Malvin WG, Insegar, Teppeki, Runner en Pirimor. Kale boom of boom in volblad Van belang is onder meer wanneer deze middelen gebruikt mogen worden: gedurende het hele jaar of gedurende een seizoen, dus zowel op volblad als op kale bomen. Het middel Captan mag gedurende het gehele jaar worden gebruikt, dus zowel op kale bomen als bomen met blad. Captan is van bovengenoemde
62
Gemeente Halderberge
gewasbeschermingsmiddelen het meest toxisch. Om die reden is uitgegaan van gebruik van het middel Captan. De inrichting van het perceel Bornhemweg 124/124a: Ten westen van de boomgaard direct grenzend aan het perceel (langs de Bornhemweg) bevindt zich een water doorvoerende sloot welke aansluit op een A-watergang. Bij toepassing van middelen voor gewasbescherming dient te worden voorkomen, dat drift leidt tot verontreiniging van het oppervlaktewater. Daarom is spuiten alleen toegestaan met inachtneming van een teeltvrije zone, zoals nader geregeld in artikel 3.80 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. De teeltvrije zone is onder andere afhankelijk van de soort spuit die wordt gebruikt, maar bedraagt tenminste 3 meter. Artikel 3.79 van het Activiteitenbesluit stelt dat langs waterlopen die van 1 april tot 1 oktober onder normale omstandigheden droog staan, geen teeltvrije zone aangehouden dient te worden. Onbekend is of de sloot in deze periode droog staat. Voor onderhavige kwekerij is derhalve niet uitgegaan van deze minimale teeltvrije zone.
Luchtfoto en aanzicht kwekerij Bornhemweg 124/124a. Bron: streetsmart, 2019.
Aan de zijde van de Bornhemweg is op het perceel van de kweker een windhaag aangeplant bestaande uit vermoedelijk een elzenhaag. Deze elzenhaag is circa 1,5 meter hoog. Te zien is dat de eerste bomenrij op circa 3 meter van de perceelsgrens zijn geplant. De Elzenhaag loopt echter niet tot over de volle perceelbreedte door, maar stopt halverwege. Bornhemweg 131/131a: Ten zuiden van het perceel (langs de Bornhemweg) bevindt zich een water doorvoerende sloot welke aansluit op een A-watergang. Er vindt echter geen teelt van gewassen plaats direct langs dit water. Er is derhalve geen sprake van een teeltvrije zone.
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
63
Luchtfoto en aanzicht kwekerij Bornhemweg 131/131a. Bron: streetsmart, 2019.
Langs het gehele perceel van de kwekerij is een windhaag aangeplant bestaande uit vermoedelijk een beukenhaag. Deze haag is circa 2 meter hoog. Te zien is dat de eerste bomenrij op circa 3 meter van de perceelsgrens zijn geplant. De windrichting In verband met mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is tevens de overheersende windrichting van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de zuidwestelijke richting. Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de kwekerij aan de Bornhemweg 124/124a en ten zuiden van de kwekerij aan de Bornhemweg 131/131a. Gezien de ligging van de nieuwbouwwoningen die in het onderhavige bestemmingsplan zijn gepland, zal eventuele drift bij zuidwestelijke windrichting niet richting de woonpercelen waaien. Spuittechnieken Bornhemweg 124/124a: Artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit maakt het gebruik van een driftbeperkende spuitmethoden verplicht (minstens DRT75). Bornhemweg 131/131a: Omdat er geen waterdoorvoerende sloot langs de boomgaard ligt (de beschreven waterdoorvoerende sloot ligt immers in het verlengde van de Bornhemweg, en niet direct langs de teeltgronden), is de teler op grond van het Activiteitenbesluit Milieubeheer enkel verplicht driftbeperkende spuitmethoden toe te passen met een driftreductie van 75%, derhalve wordt uitgegaan van een driftarme spuittechniek (DRT75). Ad 3.
Effect- en afstandsbepaling voor de nieuwe planologische situatie Bornhemweg 124/124a Uit het locatie specifiek onderzoek volgt dat bestaande gevoelige bestemmingen op vergelijkbare afstand liggen tot de kwekerij als de beoogde woningen. Ook zal eventuele drift bij de overheersende winrichting in Nederland (zuidwestelijke windrichting) niet richting de nieuwe woonpercelen waaien. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van
64
Gemeente Halderberge
50 meter is indicatief en bovendien al ruim 20 jaar geleden ontstaan. Sindsdien zijn spuittechnieken verbeterd en zijn bestrijdingsmiddelen meer gericht op het doel (het product) waarmee verwaaien wordt voorkomen. Daarnaast zijn op 1 januari 2018 enkele wijzigingen in het Activiteitenbesluit van kracht geworden die de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater verder moeten terugdringen. Zo moeten bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Om die reden wordt een afwijking van de standaard richtafstand van 50 meter acceptabel geacht. Het bouwvlak van de woningen ligt op 30 meter tot de agrarische bestemming. Deze afstand is groter dan de afstand tussen de teeltgronden en bestaande gevoelige bestemmingen. Bovendien ligt de eerste bomenrij niet exact op de perceelsgrens, waardoor de feitelijke afstand groter is. Gelet op het bovenstaande wordt de aangehouden afstand tussen de laatste bomenrij en de nieuwe gevoelige objecten derhalve als een veilige afstand in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geacht.
Bovendien kan met de aanleg van een windhaag drift eenvoudig verder worden gereduceerd. Bornhemweg 131/131a Uit het locatie specifiek onderzoek volgt dat bestaande gevoelige bestemmingen op kortere afstand liggen tot de kwekerij als de beoogde woningen. Ook zal eventuele drift bij de overheersende winrichting in Nederland (zuidwestelijke windrichting) niet richting de nieuwe woonpercelen waaien. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is indicatief en bovendien al ruim 20 jaar geleden ontstaan. Sindsdien zijn spuittechnieken verbeterd en zijn bestrijdingsmiddelen meer gericht op het doel (het product) waarmee verwaaien wordt voorkomen. Daarnaast zijn op 1 januari 2018 enkele wijzigingen in het Activiteitenbesluit van kracht geworden die de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater verder moeten terugdringen. Zo moeten bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Om die reden wordt een afwijking van de standaard richtafstand van 50 meter acceptabel geacht. Het bouwvlak van de woningen ligt op 35 meter tot de agrarische bestemming.
Deze afstand is groter dan de afstand tussen de teeltgronden en bestaande gevoelige bestemmingen. Langs het gehele perceel van de kwekerij is een windhaag aangeplant bestaande uit vermoedelijk een beukenhaag. Deze haag is circa 2 meter hoog. Te zien is dat de eerste bomenrij op circa 3 meter van de perceelsgrens zijn geplant. Gelet op het bovenstaande wordt de aangehouden afstand tussen de laatste bomenrij en de nieuwe gevoelige objecten derhalve als een veilige afstand in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geacht. Overige agrarische gronden Naast de gronden betrokken in bovenstaand locatie-specifiek onderzoek zijn er rondom het plangebied nog agrarische gronden die eveneens voor teelt gebruikt kunnen worden. De gronden zijn aangeduid in de volgende afbeelding. Ook voor deze gronden geldt dat een teler op grond van het Activiteitenbesluit Milieubeheer verplicht wordt driftbeperkende spuitmethoden toe te passen met een driftreductie van 75%.
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
65
Luchtfoto agrarische gronden rondom het plangebied.
De afstand tussen de geel gearceerde gronden en de dichtstbijzijnde woonbestemming binnen het plangebied bedraagt circa 42 meter. Gelet op overheersende winrichting, moderne spuittechnieken, de mogelijkheid om een windhaag te planten en het feitelijk gebruik van het perceel, wordt de aangehouden afstand als een veilige afstand in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geacht. De afstand tussen de rood gearceerde gronden en de dichtstbijzijnde woonbestemming binnen het plangebied bedraagt circa 23 meter. Feitelijk is binnen dit perceel echter geen sprake van teelt van gewassen. Uit een uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524) volgt dat voor het bepalen of een spuitzone nodig is, rekening kan worden gehouden met het bestaande gebruik van de gronden. Uit deze uitspraak volgt dat voor het antwoord op de vraag of rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het gebruik van de agrarische gronden wordt gewijzigd naar teelt, bezien moet worden of deze wijziging binnen de planperiode voorzienbaar is. Indien wijziging van het bestaande gebruik (naar het telen van gewassen) binnen de planperiode niet voorzienbaar is, behoeft geen rekening te worden gehouden met een (fictieve) spuitzone.
Bovendien volgt uit de uitspraak dat, in het geval dat de bedrijfsvoering toch zou omschakelen naar de teelt van gewassen waarbij een spuitzone dient te worden aangehouden, betekenis mag worden toegekend aan het feit dat maatregelen te treffen zijn die de spuitzone zodanig verkleinen dat geen sprake meer is van een overlap tussen een spuitzone en een gevoelige bestemming. Voor zover bekend (en voor zover ook blijkt uit satellietfoto’s) hebben zich op de agrarische percelen binnen dit perceel geen activiteiten voorgedaan die toezien op bomen- en/of fruitteelt. Voor deze gronden geldt bovendien dat deze toebehoren aan de naastgelegen woning aan de Bornhemweg 130b. Wijziging naar teelt ligt daarmee niet voor de hand. Indien in de toekomst toch wordt omgeschakeld naar teelt, dan kan evenwel door de aanleg van een windhaag of houtwal drift worden gereduceerd. Er behoeft daarom geen rekening te worden gehouden met een spuitzone.
66
Gemeente Halderberge
De afstand tussen de groen gearceerde gronden en de dichtstbijzijnde woonbestemming binnen het plangebied bedraagt circa 31 meter. De gronden worden gebruikt voor de teelt van gewassen, echter vindt de feitelijke teelt plaats op geruime afstand tot de perceelsgrens. Op circa 20 meter is sprake van een bestaande woonbestemming (Bornhemweg 130b). Ook zal eventuele drift bij de overheersende winrichting in Nederland (zuidwestelijke windrichting) niet richting de nieuwe woonpercelen waaien. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is indicatief en bovendien al ruim 20 jaar geleden ontstaan. Sindsdien zijn spuittechnieken verbeterd en zijn bestrijdingsmiddelen meer gericht op het doel (het product) waarmee verwaaien wordt voorkomen. Daarnaast zijn op 1 januari 2018 enkele wijzigingen in het Activiteitenbesluit van kracht geworden die de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater verder moeten terugdringen. Zo moeten bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Om die reden wordt een afwijking van de standaard richtafstand van 50 meter acceptabel geacht.
Het bouwvlak van de woningen ligt op 42 meter tot de agrarische bestemming. Gelet op het bovenstaande wordt de aangehouden afstand tussen de laatste bomenrij en de nieuwe gevoelige objecten derhalve als een veilige afstand in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geacht. Bovendien kan met de aanleg van een windhaag drift eenvoudig verder worden gereduceerd. Conclusie De contour van omliggende spuitzones reikt niet tot binnen het plangebied, derhalve is met betrekking tot spuitzones een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd en worden omliggende kwekerijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
4.10 Geurhinder en veehouderijen Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. Beoordeling In de nabije omgeving van het plangebied is één veehouderij gelegen. Het betreft de veehouderij aan de Bornhemweg 135/135a/139 te Oudenbosch. Op basis van het vigerende bestemmingsplan betreft dit een grondgebonden veehouderij. Op basis van de milieuvergunning worden ter plaatse vrouwelijk jongvee en melk- en kalfkoeien gehouden. Er is sprake van de volgende veebezetting: • vrouwelijk jongvee: 80 dieren (A3.100);
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
67
•
melk- en kalfkoeien: 85 dieren (A1.100).
Vaste afstanden Voor vrouwelijk jongvee en melk- en kalfkoeien zijn in de Regeling geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactoren vastgesteld. Voor deze dieren gelden afstandseisen. Daarom zijn voor deze veehouderij de afstandscontouren in beeld gebracht. De afstandscontouren zijn bepaald in een worst-case situatie, uitgaande van de rand van het te benutten bouwvlak. De afstandseis bedraagt 100 meter. De afstand van het bouwvlak tot de rand van de beoogde woonbestemming bedraagt circa 130 meter. Gelet op deze afstand is een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd en wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad. Achtergrondbelasting De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. Het plangebied ligt in een gebied waar op basis van de geurkwaliteitskaarten zoals opgenomen in de ‘Atlas Leefomgeving’ sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Indicatie achtergrondbelasting. Bron: atlasleefomgeving.nl, 2020.
De achtergrondberekeningen uit de Atlas Leefomgeving dateren uit 2013. Mogelijk zijn sinds die tijd emissiefactoren gewijzigd of zijn omliggende bedrijven gestopt of uitgebreid. De dichtstbijzijnde veehouderij waarvoor emissiefactoren zijn vastgesteld ligt op ruim 1.100 meter ten oosten van het plangebied. Deze veehouderij was reeds in 2013 al aanwezig en de laatste wijziging aan de milieuvergunning / de Wet natuurbeschermingsvergunning dateert uit 2004. Andere veehouderijen waarvoor
68
Gemeente Halderberge
emissiefactoren zijn vastgesteld liggen op ruim 2 kilometer tot het plangebied. Gelet hierop zijn de achtergrondberekeningen zoals gepresenteerd in de Atlas Leefomgeving nog voldoende representatief. Gelet op de kwalificatie van het woon- en leefklimaat in de Atlas, is binnen het plangebied ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Geitenhouderijen Op basis van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bioaerosolen’ (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Binnen deze straal bevinden zich momenteel echter veehouderijen waar geiten worden gehouden. Op basis van art. 2.71 en 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is omschakeling naar of nieuwvestiging van een geitenhouderij uitgesloten. Eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen zijn derhalve niet van invloed op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Conclusie Ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert onderhavig planvoornemen omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering.
4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Specifiek voor LPG-tankstations is tevens de ‘circulaire effectafstanden LPGtankstations’ relevant. Met deze circulaire wordt een handreiking gegeven ten behoeve van de beoordeling van externe veiligheid van LPG-tankstations. Daarbij staat het rekening houden met effectafstanden centraal en wordt aangesloten bij hetgeen geregeld is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).
In de circulaire wordt het bevoegd gezag verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen.
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
69
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd.
Uitsnede van de risicokaart. Met de gele ster is globaal het plangebied geduid. Bron: risicokaart.nl, 2020.
De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting met een bovengrondse propaantank aan de Havendijk 16 op een afstand van circa 520 meter tot het plangebied. Er is geen sprake van een PR 10-6 risicocontour, derhalve geldt op basis van het Activiteitenbesluit een generieke richtafstand van 25 meter tot kwetsbare objecten. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige is enkel nog een inrichting met een LPG-installatie gelegen nabij het plangebied. Het betreft de inrichting aan de Havendijk 13, gelegen op een afstand van circa 570 meter tot het plangebied. Gelet op deze afstand wordt voldaan aan de effectafstand van 60 meter tussen een LPG-tankstation en een (beperkt) kwetsbaar object. Voor het plaatsgebonden risico gelden op grond van artikel 5, lid 3 Bevi jo. artikel 2 Revi vaste afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit betreft in onderhavig geval een contour van 25 meter tot het LPG-vulpunt en LPGreservoir en 15 meter tot de LPG-afleverinstallatie. Het plangebied ligt niet binnen deze
70
Gemeente Halderberge
contouren, derhalve is het plaatsgebonden risico niet van invloed op onderhavig initiatief. Het groepsrisico wordt niet bepaald aan de hand van vaste contouren. De noodzaak tot verantwoording van het groepsrisico wordt bepaald aan de hand van de vraag of de toevoeging van (beperkt) kwetsbare objecten is gelegen binnen het invloedsgebied van de inrichting. Voor LPG-tankstations geldt een invloedsgebied van 150 meter, gerekend vanaf het LPG-vulpunt en LPG-reservoir. Onderhavig plangebied is gelegen op 430 meter afstand tot dit invloedsgebied. Deze inrichting heeft derhalve geen invloed op onderhavig planvoornemen. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.11.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd.
Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 975 meter van de spoorweg tussen Roosendaal en Zevenbergen en op circa 2.100 meter tot de Rijksweg A17. Over beide transportroutes vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Voor beide transportroutes geldt dat er op basis van de risicokaart geen sprake is van een risicocontour waar onderhavig plangebied in is gelegen. Gelet op de ruime afstand van de transportroutes tot het plangebied vormt de ligging hiervan geen belemmering voor onderhavig voornemen ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied ten aanzien van een toxisch scenario. Overeenkomstig artikel 7 Bevt is daarom navolgend een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er hoeven geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied door transport van gevaarlijke stoffen. Een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Een standaardadvies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant opgenomen als bijlage 10 bij deze toelichting. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
71
Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden ten tijde van een ongeval zijn de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen van belang. De hulpverleningsdiensten moeten voldoende capaciteit beschikbaar hebben om alle effecten binnen een kort tijdsbestek te kunnen bestrijden. Om een brand in het plangebied te kunnen bestrijden is het noodzakelijk dat er voldoende primair en secundair bluswater aanwezig is. Voor ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij eveneens een omgevingsvergunning deelzaak bouwen noodzakelijk is, wordt de aanwezigheid van bluswater in het kader van deze vergunning getoetst. Door de centrale ligging van het plangebied, waar reeds in de directe omgeving sprake is van een woonfunctie, is de aanwezigheid van primair bluswater reeds verzekerd. Het plangebied is via het wegennet goed bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten. Zelfredzaamheid In geval van blootstelling aan een toxisch gas is het handelingsperspectief ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij van belang.
Bij nieuwe bouwwerken, zoals in het plangebied ontwikkeld gaan worden, is sprake van steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie - waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen - dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Het plangebied ligt binnen het dekkingsgebied van een waarschuwings- en alarmeringsinstallatie. Daarnaast is NL Alert operationeel voor vele mobiele telefoons. Dit kan worden gebruikt om de bevolking in geval van een calamiteit te waarschuwen. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.11.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.
72
Gemeente Halderberge
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk buisleiding is gelegen op een afstand van circa 1.900 meter. Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de leiding geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig plan.
4.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
73
▪
een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 18 ruimte-voor-ruimtekavels.
Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSLmonitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Rijksweg A17. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen (< 35 μg/m3). Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tot slot blijkt uit Hoofdstuk 2 dat het aantal verkeersbewegingen ten aanzien van het onderhavige planvoornemen slechts beperkt toeneemt. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
74
Gemeente Halderberge
4.13 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer 1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLICmelding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
4.14 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
1
'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
Bestemmingsplan “RvR Bornhemweg ong. naast nr. 129a, Oudenbosch”
75
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van 18 woningen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 18 ruimte-voorruimtekavels en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Op basis van een aanmeldnotitie heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden.
Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is bijgevoegd als bijlage 11 bij deze toelichting. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.