bestemmingsplan Oudendijk 66 toelichting.pdf
Tekst van het document
De hoogte van de te leveren bijdrage is afgestemd op de hoogte van de waardevermeerdering die de voorgestane bestemmingsplanwijziging met zich meebrengt. De fysieke bijdrage dient dan tot een daaraan gelijk bedrag te geschieden. 34
Door ing. C.A. Schellekens van Verschel & Van Dun is een berekening uitgevoerd van de met de voorgestane bestemmingsplanwijziging optredende waardevermeerdering en de op basis daarvan te leveren bijdrage. Uit die berekening is gebleken dat door initiatiefnemers een bedrag van € 4.800,- dient te worden geïnvesteerd als investering in landschappelijke kwaliteitsverbetering. Hieraan wordt voldaan door de sloop van het bij de bestaande woning Oudendijk 66 aanwezige bijgebouw. Gebleken is dat de kosten voor de sloop van het bijgebouw € 5.010,34 bedragen en daarmee de te plegen investering van € 4.800,- overschrijden. Hiermee wordt voldaan aan de vereiste ruimtelijke kwaliteitsverbetering conform artikel 3.9 van de omgevingsverordening. Voor wat betreft de plaatsgevonden sloop van het bijgebouw is in de regels voorzien in een nadere voorwaardelijke verplichting daartoe. De door Verschel & Van Dun uitgevoerde berekening van de optredende waardevermeerdering is als bijlage bijgevoegd (bijlage 1). Verder is op een als bijlage bijgevoegde situatieschets de locatie van het te slopen bijgebouw aangegeven (bijlage 2). 4.3 Archeologie Wettelijk toetsingskader. Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed.
Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van de Wamz zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden, voor onderdelen die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang dan ook vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Beleid gemeente Halderberge. Het gemeentelijk archeologiebeleid is vastgelegd in de in 2011 vastgestelde beleidsnota Ons Geschreven Verleden.
Het daarin opgenomen beleid heeft tot doel 35
haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van het ’gemeenschappelijke geheugen’ en als middel te laten dienen voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. De uitgangspunten die voor het gemeentelijk archeologiebeleid worden gehanteerd, sluiten aan bij de uitgangspunten van de (herziene) Monumentenwet 1988: - archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; - de relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening versterken zodat behoud en beheer van het bodemarchief onderdeel worden van het planologische besluitvormingsproces; - bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen; - verbetering informatievoorziening over archeologisch erfgoed om het draagvlak voor archeologie te vergroten. Archeologisch vooronderzoek. Om inzicht te krijgen in de vraag of met de realisering van onderhavig initiatief mogelijk aan de locatie verbonden archeologische waarden aan de orde zijn, is door Transect te Nieuwegein een Archeologisch Bodemonderzoek (BO) alsook een Inventariserend Veldonderzoek (IV), verkennende fase uitgevoerd ( rapportage d.d. 7 maart 2018, projectnummer 17040041) (bijlage 3).
Uit het door Transect uitgevoerde onderzoek bleek dat aan het plangebied een hoge archeologische verwachting op resten uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd toegekend diende te worden. Deze verwachting was gebaseerd op de mate waarin de bodem nog in tact is en het aantreffen van vondstmateriaal uit die tijd. Oudere resten zijn in dit deel van het plangebied echter ook niet uit te sluiten, aangezien ook een mogelijk ouder fragment keramiek aangetroffen is. De hoge verwachting leidt ertoe dat in het grootste deel van het plangebied (vanaf een diepte van 40 cm -Mv) met de aanwezigheid van archeologische resten rekening gehouden moet worden. In het kader van het opstellen van een partieel bestemmingsplan werd dan ook geadviseerd om een dubbelstemming ‘waarde – archeologie’ op te nemen op basis van de hoge archeologische verwachting van dit vooronderzoek. Verder werd geadviseerd om, in de situatie dat de ondergrond zal worden verstoord tot een diepte groter dan 40 cm -Mv of op een oppervlakte groter dan 30 m2, een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren, om de hoge verwachting te toetsen.
In het kader van een (toekomstige) vergunningsverlening betekent dit dat een aanvullende onderzoeksinspanning benodigd is om deze hoge verwachting te toetsen (het vaststellen of en in hoeverre in het plangebied sprake is van een vindplaats (IVO, karterende/waarderende fase) indien in het plangebied ten behoeve van de woningen beneden 40 cm -Mv (huidige maaiveld) gepland zijn of op een oppervlakte groter dan 30 m2. Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). Na afloop van dit onderzoek kan een deel of het gehele plangebied kan het plangebied afgewaardeerd worden, wanneer nauwelijks of geen sprake zou zijn van een waardevolle vindplaats. 36
In de beoordeling van het archeologisch vooronderzoek heeft gemeente Halderberge geconcludeerd dat gekomen diende te worden tot inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). Dit onderzoek is uitgevoerd door Aeres Milieu B.V. te Roermond, rapportage 15 april 2020, projectnummer AM 18335 (bijlage 4). Uit het door Aeres uitgevoerde inventariserend veldonderzoek is gebleken dat zoals op de AHN duidelijk te zien is, het plangebied op een verhoging in het landschap (terrasafzettingswelving) ligt en daarmee een mogelijk geschikte plek om zich te vestigen vormde. De op de bodemkaart aangeduide laarpodzol is aangetroffen maar er zijn geen sporen meer aanwezig van het oorspronkelijke bodemprofiel (Bhorizont). De archeologische verwachting was bij aanvang van het inventariserend onderzoek hoog op basis van het vooronderzoek waarbij een intacte bodem en indicatoren uit de late middeleeuwen werden aangetroffen. Tijdens dit proefsleuvenonderzoek bleken voornamen sporen van landouwactiviteiten aanwezig zoals moestuinbedden en ontginningsgreppels, helaas kwam geen van de vondsten uit de bedden waardoor geen eenduidige datering voor de sporen gegeven kan worden. De vondsten die zijn aangetroffen kwamen uit de toplaag (recent) of uit het opgebrachte akkerdek waardoor deze ook van elders aangevoerd kan zijn.
Ook zijn naast de vele moestuinbedden/ontginningsgreppels, enkele paalkuilen aangetroffen die door de vermoedelijk jonge datering echter niet behoudenswaardig worden geacht. Op basis van deze gegevens is geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het terrein vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Het uitgevoerde onderzoek is verder verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging van het bodemarchief als gevolg van de voorgenomen verstoring tot een minimum worden beperkt. Hoewel de kans klein is, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Indien in het plangebied toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE) of zoals gangbaarder is bij de gemeente Halderberge conform Artikel 5.10. (Archeologische toevalsvondst) van de Erfgoedwet 2016. Conclusie. Op basis van de beide uitgevoerde onderzoeken is de conclusie gerechtvaardigd dat in de ondergrond van het projectgebied geen archeologische resten aanwezig zijn welke door de realisering van het project verstoord zouden kunnen worden. 4.4 Cultuurhistorie.
Ten aanzien van het onderdeel cultuurhistorie geldt als uitgangspunt dat de ruimtelijke ontwikkeling geen afbreuk mag doen aan eventuele cultuurhistorische waarden van het object zelf noch aan dergelijke waarden van de in de directe omgeving aanwezige objecten. 37
Wettelijk toetsingskader. Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, vooral bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient daartoe een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Daarbij dienen ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant. De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuur Historische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Prominent op de CHW is het provinciaal cultuurhistorisch belang. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Dit belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening. De CHW geeft verder de meest recente erfgoedinformatie van het rijk, met archeologische en bouwkundige monumenten, met archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de CHW evenals het relevante deel van de daarbij behorende legenda. De locatie Oudendijk 66 te Oud Gastel is daarop nader aangeduid.
38
Locatie Oudendijk 66 Oud Gastel Fig. 19 Cultuurhistorische waardenkaart
Fig. 20 Legenda behorende bij cultuurhistorische waardenkaart Volgens de Cultuurhistorische waardenkaart is de locatie Oudendijk 66 zelf niet gelegen in een gebied waaraan een nadere aanduiding gericht op de aanwezigheid van cultuurhistorische danwel archeologisch waarden is toegekend. De locatie is wel gelegen aan de Oudendijk. Aan deze weg is vanuit de beoordeling van historische geografie de kwalificatie ‘hoog’ toegekend. 39
Op de CHW is op korte afstand van het projectgebied nog wel voorzien in een cultuurhistorisch landschap van provinciaal belang. Het betreft het buitendijks aan de Oudendijk grenzend gebied waarin tevens is voorzien in de aanduiding ‘historische zichtrelatie’. Dit laatste heeft betrekking op de zichtlijnen op de Oudendijk buitendijks bekeken. Een ontwikkeling binnendijks heef voor het aanwezige cultuurhistorisch landschap en de aanwezig geachte zichtrelaties geen consequenties. Beleid gemeente Halderberge. Het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid is vastgelegd in de in 2011 vastgestelde beleidsnota Cultureel Erfgoed gemeente Halderberge. Daarin is een inventarisatie gegeven van de tot de gemeente behorende kernen en is beschreven welke cultuurhistorische waarden daarbinnen aanwezig zijn. Op basis daarvan is als uitgangspunt gesteld dat het huidige gemeentelijke erfgoedbeleid geactualiseerd en verder verbreed dient te worden. Die actualisering en verbreding van het erfgoedbeleid dient een drieledig doel: 1. het behoud van het Halderbergs cultuurhistorisch erfgoed; 2. het versterken van de identiteit van Halderberge; 3. het verbeteren van de leefomgeving. De strategieën die hierbij gehanteerd worden zijn: -
behouden door beschermen; behouden door ontwikkelen; adviseren, ondersteunen en stimuleren; kennis verwerven en verspreiden.
Gemeente Halderberge heeft verder een op het grondgebied van de gemeente afgestemde cultuurhistoriekaart vastgesteld evenals een toelichting daarop. Beiden vormen de basisinstrumenten die ertoe kunnen dienen dat de waarden op het gebied van cultuurhistorie in de vroegste fase van ruimtelijke planvorming kunnen worden ingebracht en meegewogen. De kaart inclusief de legenda is gebaseerd op en sluit aan bij de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. De Halderbergse kaart is echter toegespitst op het gemeentelijk grondgebied en is daardoor meer gedetailleerd en bruikbaar voor de gemeentelijke praktijk. Hierna is een uitsnede wegegeven van de gemeentelijke cultuurhistoriekaart. De locatie Oudendijk 66 is daarop nader aangeduid.
40
Locatie Oudendijk 66 Oud Gastel Fig. 21 Gemeentelijke Cultuurhistoriekaart
41
Fig. 22 Legenda gemeentelijke cultuurhistoriekaart Op de gemeentelijke cultuurhistoriekaart maakt het projectgebied deel uit van een gebied dat aangeduid is als een bestaande bebouwingsconcentratie. Aan het gebied zijn echter geen nadere waarden gericht op het aspect historische stedenbouw toegekend. Ook is op de gemeentelijke cultuurhistoriekaart de Oudendijk vanuit het aspect historische geografie aangeduid als een historische weg. Het beleid ten aanzien van het aspect cultuurhistorie is verder verwoord in de bij de gemeentelijke cultuurhistoriekaart behorende toelichting, opgesteld door Croonen Adviseurs in samenwerking met het Monumentenhuis Brabant. Daarin wordt nader ingegaan op de onderdelen historische geografie, historische bouwkunst, historisch groen, waarbinnen een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de binnen het gemeentelijk grondgebied op deze onderdelen voorkomende elementen. Verder is voorzien in een beschrijving van de afzonderlijke kernen. De toelichting sluit af met een cultuurhistorisch toekomstperspectief waarbij een aantal aanbevelingen wordt gedaan.
Onderdeel van de toelichting vormt verder een bijlage waarin een overzicht wordt gegeven van de in de gemeente geïnventariseerde rijksmonumenten (bijlage II bij de toelichting) en een bijlage waarin een overzicht wordt gegeven van de in de gemeente geïnventariseerde gemeentelijke monumenten (bijlage III bij de toelichting).
42
Uitgangspunten. Bebouwingsconcentratie. In samenhang met de toelichting zijn voor de ter plaatse van het projectgebied op de cultuurhistoriekaart weergegeven aanduidingen concrete uitgangspunten gesteld. Voor het als bebouwingsconcentratie aangeduide gebied dient het uitgangspunt te zijn gericht op het behoud van de kernkwaliteiten op basis van plan in-/aanpassing. Aan dit uitgangspunt wordt voldaan. De bebouwingsconcentratie waarvan het projectgebied deel uitmaakt kan worden getypeerd als een vanuit het verleden aan de binnenzijde van de Oudendijk ontstane incidentele bebouwing welke door een steeds verdergaande intensivering een nagenoeg gesloten karakter heeft verkregen. Met de thans voorgestane invulling van een nog onbebouwd stuk grond grenzend aan de Oudendijk wordt die intensivering verder versterkt en wordt het karakter van de Oudendijk als lint in het landschap waarlangs in het verleden bebouwing is ontstaan, verder benadrukt. De voorgestane realisering van 2 woningen sluit verder aan bij de onlangs, in het kader van het bestemmingsplan “Oud Gastel Noord”, voor het aan de oostzijde van het projectgebied aansluitend gebied tot stand gebrachte ontwikkeling van een grootschaligere woningbouwlocatie ( 150 woningen), waardoor het karakter als bebouwingsconcentratie verder wordt benadrukt. Historische weg.
Voor de als historische weg aangeduide Oudendijk is als uitgangspunt gesteld dat wegpatronen dienen te worden benut als basis bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met onderhavige ontwikkeling wordt dat uitgangspunt gerespecteerd. De situering van de beide te realiseren woningen ten opzichte van de Oudendijk is zodanig bepaald dat aan het karakter en de herkenbaarheid van de Oudendijk als historische weg geen afbreuk wordt gedaan. Verder zullen de beide te realiseren woningen op de gebruikelijke wijze worden ontsloten op de Oudendijk. Hierbij zal rekening worden gehouden met het bestaande hoogteverschil tussen de Oudendijk en het projectgebied. Monumenten. In de beide in de toelichting opgenomen bijlagen is een overzicht opgenomen van de in de gemeente geïnventariseerde monumenten, zowel rijks alsook gemeentelijk. In de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen rijksmonumenten gelegen. Aan de Oudendijk zijn wel 2 gemeentelijke monumenten geïnventariseerd te weten Oudendijk 40 en 73. Deze beide objecten betreffen (voormalige) boerderijen. Ook ten aanzien van gemeentelijke monumenten dient als uitgangspunt te gelden dat hiermee bij een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden dient te worden in die zin dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling geen afbreuk mag doen aan de aan een dergelijk object toegekende waarde.
De aldus geïnventariseerde gemeentelijke monumenten zijn echter gesitueerd op enige afstand van het projectgebied en van het projectgebied afgescheiden door reeds bestaande tussenliggende invullingen veelal in de vorm van bestaande woningen. Om die reden kan worden gesteld dat met de voorgestane ontwikkeling geen afbreuk zal worden gedaan aan de waarden van de in de directe omgeving geïnventariseerde gemeentelijke monumenten. 43
Conclusie. Met de voorgenomen bestemmingswijziging gericht op de bouw van 2 woningen wordt geen afbreuk gedaan aan de in de directe omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. 5 Onderzoek omgevingsaspecten. Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. De milieu- en landschapskwaliteiten vormen een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van ruimtelijke functies dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische en waterhuishoudkundige aspecten daarbij een rol spelen. In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op natuur en ecologie, bodemkwaliteit, hinderlijke bedrijfsactiviteiten, kabels en leidingen, wegverkeerslawaai, waterhuishouding, luchtkwaliteit, externe veiligheid en parkeren en ontsluiting. 5.1 M.e.r. beoordeling 5.1.1 Kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten weer. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde.
Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. 5.1.2 Afweging en conclusie De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in eerste kolom van de zogenaamde Dlijst van het Besluit milieueffectrapportage. De bouw van 2 woningen kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling, maar blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van de volgende 3 criteria: • kenmerken van het project; • plaats van het project; • kenmerken van het potentiële effect. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is daarom een vormvrije m.e.r.beoordeling uitgevoerd om na te gaan of de ontwikkeling tot significante negatieve milieueffecten kan leiden. De daartoe opgestelde aanmeldingsnotitie is als bijlage bijgevoegd (bijlage 5).
44
In de opgestelde aanmeldingsnotitie is per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven‐ en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora‐ en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen en PAS/stikstof. Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.‐beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.‐ beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht. Het bevoegd gezag, in casu de gemeente Halderberge, moet op een zo vroeg mogelijk moment een formeel besluit nemen over het al dan niet uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER. Dit kan bijvoorbeeld gelijktijdig aan het vaststellen / vrijgeven van het ontwerpbestemmingsplan. 5.2 PAS/Stikstof Ten behoeve van de 2 te bouwen woningen is nader onderzoek gedaan naar de ten gevolge van de voorgestane ontwikkeling optredende stikstofemissies. In overleg met de gemeente Halderberge is het onderzoek beperkt gebleven tot de zogenaamde eindfase en is de bouwfase niet in het onderzoek betrokken. Verder is er in het uitgevoerde onderzoek van uitgegaan dat de te realiseren woningen zogenaamd ‘gasloos’ zullen worden gebouwd. Het onderzoek is uitgevoerd door Van Dun Advies BV te Someren.
Daartoe is gebruik gemaakt van de Aerius Calculator. Uit het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat de uitgevoerde berekeningen geen depositieresultaten hebben opgeleverd boven de 0,00 mol/ha/jr., en realisering van het project op dit onderdeel geen negatieve effecten met zich mee zal brengen. Het door Van Dun Advies BV uitgevoerde onderzoek is als bijlage bijgevoegd (bijlage 6). 5.3 Natuur en ecologie Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot de natuur. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden, die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. Het toetsingskader daartoe wordt gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet geldt vanaf 1 januari 2017 en vervangt drie andere wetten te weten de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Daartoe is door Agel Adviseurs te Oosterhout een quickscan flora en fauna uitgevoerd op de locatie aan de Oudendijk 66 te Oud Gastel (rapportage 15 februari 2018, projectnummer 20170247).
Een rapportage van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is als bijlage bijgevoegd (bijlage 7). Hieruit is het volgende gebleken. 45
Onderdeel Gebiedsbescherming. Vastgesteld is dat het plangebied zich niet bevindt in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen in het kader van de Europese Natura 2000-gebieden. Op een afstand van 9 kilometer ten noordwesten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak”. Het Natura 2000-gebied betreft een vogel- en habitatrichtlijngebied en PAS-gebied. Verstorende factoren zoals vervuiling, oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn, gezien de tussenliggende afstand, met de voorgenomen planontwikkeling niet van toepassing. Het plangebied maakt verder ook geen onderdeel uit van het Nationaal natuurnetwerk of Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het NNB is aangeduid als het type ‘Vochtig bos met productie (N16.04)’. Met de voorgenomen planontwikkeling is dan ook geen sprake van directe vernietiging van het NNB. Aangezien het beoogde plan geen directe relatie heeft met een gebied dat is aangewezen als NNB en geen verbindende functie vervult zijn negatieve effecten uit te sluiten. Van negatieve uitstralingseffecten door geluid, licht en verdroging op het Nationaal Natuurwerk of Natuurnetwerk Brabant is geen sprake. In het plangebied staan verder geen beschermde houtopstanden. Onderdeel soortenbescherming.
Uit het uitgevoerde onderzoek en het plaatsgevonden oriënterend veldonderzoek is gebleken dat er binnen het plangebied geen potentiële natuurlijke groeiplaatsen voor beschermde (vaat)planten aanwezig zijn. Beschermde (vaat)planten worden dan ook niet binnen het plangebied verwacht. Verder zijn tijdens het oriënterende veldbezoek geen zoogdieren waargenomen en is ook niet gebleken van sporen zoals uitwerpselen, vraatsporen zoals afgebeten veren of loopsporen van onder andere marterachtigen. Mogelijk dat in het plangebied wel enkele diersoorten voorkomen waarvoor door de provincie Noord-Brabant vrijstellingen zijn verleend zoals haas, konijn en aantal muissoorten. Ook het voorkomen van de bever, wordt gezien ligging van het plangebied, als onwaarschijnlijk geacht. Tijdens het veldbezoek zijn verder mogelijke rust- en verblijfplaatsen van boom- en gebouwbewonende vleermuizen, op basis van de checklist inschatting vooronderzoek vleermuizen (vleermuisprotocol), onderzocht. Gezien het ontbreken van bebouwing en (geschikte) bomen is het voorkomen van vaste rust-, verblijf-, kraam of paarplaats van gebouw- en boom bewonende vleermuissoorten niet aan de orde. Naast verblijfplaatsen zijn ook essentiële vliegroutes en foerageergebieden beschermd. Vliegroutes zijn lijnvormige elementen, vaak een bomenrij, waaraan vleermuizen zich oriënteren.
Vleermuizen hebben deze oriëntatie nodig om zich van hun verblijfplaats naar hun foerageergebied te verplaatsen. Foerageergebieden kunnen onder ander bestaan uit bomen, opgaande gewassen en open water. Binnen het plangebied zijn geen groenstructuren of elementen aanwezig die een functie kunnen vervullen als essentiële vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen.
46
Ten tijde van het oriënterend veldbezoek zijn geen vogels waargenomen. Wel bestaat de mogelijkheid dat in het plangebied enkele algemene vogelsoorten tot broeden komen. Met het uitvoeren van verstorende activiteiten zoals rooiwerkzaamheden zal hiermee rekening worden gehouden door dergelijke activiteiten uit te voeren buiten de broedperiode. Tijdens het veldbezoek is nog specifiek aandacht besteed aan de aanwezigheid van roofvogels en rust- en verblijfplaats van deze roofvogels. Nesten (of nesten van voorgaande jaren) van in bomen broedende jaarrond beschermde (roof)vogels zijn ten tijde van het oriënterende veldbezoek echter niet waargenomen. Ook nesten van gebouwbewonende jaarrond beschermde vogelsoorten (zoals kerkuilen) en eventuele sporen (braakballen, roestplaats etc.) zijn door de afwezigheid van geschikte gebouwen en bomen niet aangetroffen in het plangebied. De mogelijkheid bestaat dat (roof)vogels op een andere manier gebruik maken van het plangebied, bijvoorbeeld als foerageergebied en/of als vaste aanvliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied. Op basis van verspreidingsgegevens en eerdere ecologische onderzoeken in het verleden is gebleken dat het plangebied mogelijk onderdeel uit maakt van het leefgebied van de steenuil.
Nader onderzoek naar de steenuil, conform kennisdocument steenuil van Bij12, is noodzakelijk om te achterhalen of het plangebied in de huidige situatie nog steeds een functie vervult in het leefgebied van de steenuil. Het plangebied vormt tot slot een zeer marginaal leefgebied voor reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelde. Specifiek geschikte leef biotopen voor zwaar beschermde soorten ontbreken. Het mogelijk aantasten van de leefomgeving van deze soortgroepen is met de voorgenomen planontwikkeling niet aan de orde, uitgaande dat de bestaande watergang niet wordt gedempt. Vervolgonderzoek steenuil. Met de gemeente heeft nader overleg plaatsgevonden over de door Agel Adviseurs uit de uitgevoerde quickscan flora en fauna voortvloeiende aanbeveling voor het verrichten van een vervolgonderzoek steenuil. In dat kader is verwezen naar het door Econsultancy uitgevoerde vervolgonderzoek steenuil zoals dat heeft plaatsgevonden in het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan ”Oud Gastel Noord”, welk plangebied aangrenzend is aan onderhavig plangebied(rapportage steenuilenonderzoek Oudendijk/Rijpersweg te Oud Gastel, bureau Econsultancy d.d. 22 augustus 2013, projectnummer 13063369).
Uit dat vervolgonderzoek steenuil is gebleken dat de onderzoeklocatie (plangebied Oud Gastel Noord) inderdaad deel uitmaakt van de steenuil en binnen de grenzen van de onderzoeklocatie een broedplaats/territorium van de steenuil aanwezig is. Daarnaast is duidelijk geworden dat de steenuil voor diens foerageergebied sterk afhankelijk is van een beperkt aantal percelen binnen de onderzoeklocatie. Op basis daarvan is een aantal mitigerende maatregelen voorgesteld met een deskundige op het gebied van steenuilen. Die maatregelen dienen nader in een mitigatieplan/protocol te worden vastgesteld. Nu onderhavig plangebied in relatie tot de onderzoeklocatie een relatief klein projectgebied is de verwachting gerechtvaardigd dat dat dit weinig of geen relevantie 47
zal hebben voor de in het uitgevoerde vervolgonderzoek onderzochte aspecten en uit een afzonderlijk uit te voeren vervolgonderzoek niet zal blijken van nader te nemen maatregelen ter bescherming van het foerageergebied van de steenuil. Om die reden is er door de gemeente mee ingestemd dat aangesloten kan worden bij het eerder uitgevoerde steenuilenonderzoek voor het plangebied van het bestemmingsplan “Oud Gastel Noord” en thans geen afzonderlijk vervolgonderzoek nodig is. Conclusie. Het aspect natuur en ecologie levert geen belemmering op voor de voorgenomen functiewijziging. 5.4 Bodemkwaliteit. In het kader van de realisering van ruimtelijke plannen dan wel het vestigen van ruimtelijke functies kan de bodemkwaliteit een belangrijke afweging vormen. Bepalend hierbij is dan in welke mate gebruik wordt gemaakt van de bodem en of de bodemgesteldheid van dusdanige kwaliteit is dat vanuit dat opzicht tegen het voorgenomen gebruik geen overwegende bezwaren dan wel belemmeringen bestaan. Binnen onderhavige ontwikkeling wordt de huidige bestemming “Wonen” geïntensiveerd door de bouw van 2 extra woningen. Vanuit een waarborg voor een aanvaard woon- en leefklimaat is het geboden nader inzicht te hebben in de bodemgesteldheid ter plaatse. Inmiddels is door Bakker Milieuadviezen te Waalwijk een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (BM/2407 - 2018, maart 2018).
Het doel van het uitgevoerde bodemonderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen voor de gewenste bouw van 2 woningen. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan voor de onderzoeklocatie het volgende worden geconcludeerd: a. in de bovengrond op het noordelijke terreindeel zijn lood, zink, koper, kobalt en PCB licht verhoogd aangetroffen. Deze lichte verhogingen hebben geen consequenties voor de bestemming wonen; b. in de bovengrond op het zuidelijk terreindeel is alleen het gehalte lood licht verhoogd aangetroffen. Deze lichte verhoging heeft geen consequenties voor de bestemming wonen; c. in de ondergrond zijn alle parameters uit het NEN 5740-pakket in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen; d. in het grondwater zijn de gehalten aan cadmium en nikkel boven de streefwaarden aangetroffen. Het bariumgehalte is gelijk aan de tussenwaarde en het zinkgehalte overschrijdt de tussenwaarde. Ten aanzien van de matige zinkverhoging lijkt het erop dat het decennialange (tenminste 30 jaar) gebruik als paardenwei de oorzaak hiervan is.
De paardenurine (geschat op 5 a 8 m³ per paard per jaar) is jarenlang in de bodem weggezakt en in het ondiepe grondwater terechtgekomen, hetgeen ten eerste een verlaging van de pH heeft veroorzaakt en kennelijk zorgt deze verzuring in combinatie met andere chemische processen ervoor dat zink makkelijk in de waterfase komt. Dit 48
betekent derhalve dat het evenwicht ten aanzien van zink in het grondwater ook weer herstelt indien het stuk grond niet meer als paardenwei in gebruik is. Uit eigen archief is een soortgelijk geval bekend (Haaren 2015) Uitgaande van het te verwachten herstel van de grondwaterkwaliteit ten aanzien van zink wordt nader onderzoek om deze reden dan ook niet nodig geacht. Op grond van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de bestemmingswijzigingsprocedure. Een rapportage van het uitgevoerde bodemonderzoek is als bijlage bijgevoegd (bijlage 8). Conclusie. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. 5.5 Hinderlijke bedrijfsactiviteiten Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol kunnen spelen. Eén van die aspecten betreft de aanwezigheid van bedrijvigheid in de directe omgeving van het projectgebied. Daarbij dient een noodzakelijke ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de leefkwaliteit. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen.
Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. Richtafstanden. De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009). In deze brochure is een bedrijvenlijst opgenomen die informatie geeft over de milieukenmerken van typen bedrijven. Vervolgens wordt in de lijst op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, gevaar en verkeer) een indicatie gegeven van de afstanden tussen bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals rustig buitengebied), waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Deze afstand is gebaseerd op de grootste indicatieve afstand. De lijst is algemeen geaccepteerd als uitgangspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Toepassing richtafstanden. De directe omgeving van het projectgebied kenmerkt zich door een overwegende woonfunctie. Op basis hiervan dient de directe omgeving van het projectgebied te worden getypeerd als een 'rustige woonwijk'. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen bedrijven aanwezig enkel woonfuncties. Met het oog daarop hoeft geen verder onderzoek plaats te vinden naar 49
mogelijke hinderlijke bedrijfsactiviteiten die een milieuhygiënische belemmering zouden kunnen vormen voor de voorgestane woonfunctie. Daarmee is een verantwoord woon- en leefklimaat gegarandeerd en worden er geen bedrijven beperkt in hun functioneren. Conclusie. Het aspect hinderlijke bedrijfsactiviteiten vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging gericht op de bouw van 2 extra woningen. 5.6 Kabels en leidingen Ruimtelijk relevante leidingen en straalpaden worden op de verbeelding en in de planregels geregeld. Leidingen met ongevaarlijke stoffen zoals hoofdwatertransportleidingen, afvalwatertransport-/rioolpersleidingen zijn in beginsel niet opgenomen in het bestemmingsplan, tenzij door de leidingbeheerder de noodzaak voor opname is aangetoond. Het projectgebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van aardgastransportleidingen en/of K1, K2, K3-vloeistofleidingen Ook liggen er geen andere planologisch relevante kabels en leidingen in of in de directe nabijheid van het perceel. Het projectgebied is verder ook niet gelegen in een obstakelbeheer- of radarverstoringsgebied. Voordat met graafwerkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, zullen initiatiefnemers een Klic-melding doen, zodat ook rekening gehouden kan worden met de ligging van de gebruikelijke leidingen en kabels. Conclusie.
Het aspect kabels en leidingen levert geen belemmering op voor de voorgenomen bestemmingswijziging gericht op de bouw van 2 vrijstaande woningen. 5.7 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgelegd dat, indien in een plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten, met uitzondering van: - wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebed liggen; - wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Het projectgebied is weliswaar gelegen aan de Oudendijk doch dit betreft een weg waarvoor de maximumsnelheid is vastgesteld op 30 km per uur. Het akoestisch onderzoek heeft daarom plaatsgevonden in het kader van de afweging of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Doel van het onderzoek is dan ook geweest het bepalen van de geluidsbelasting op de geluidsgevoelige functies binnen de ruimtelijke ontwikkeling als gevolg van het wegverkeer en deze resultaten te beoordelen in het kader van een goed akoestisch klimaat.
50
Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door Agel Adviseurs te Oosterhout (rapportage 7 maart 2018, projectnummer 20170247). Een rapportage van het uitgevoerde akoestisch onderzoek is als bijlage bijgevoegd (bijlage 9). Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is gebleken dat de hoogst optredende cumulatieve geluidsbelasting 50 dB bedraagt ter plaatse van de voorgevel van de noordelijke woning. In het kader van een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening is het akoestisch klimaat ter plaatse van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Uit deze beoordeling blijkt dat de kwaliteit van de akoestische omgeving geclassificeerd kan worden als goed. Conclusie Op basis van de rekenresultaten kan gesteld worden dat voor het onderdeel wegverkeerslawaai sprake is van een goede ruimtelijke ontwikkeling. 5.8 Waterhuishouding Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen dient door een uit te voeren watertoets inzicht te worden verschaft in de mate waarin de geplande ruimtelijke ontwikkeling consequenties kan hebben voor de waterhuishouding ter plaatse zowel in kwalitatief alsook in kwantitatief opzicht. De situatie van het water mag door de ruimtelijke ingreep in ieder geval niet verslechteren (stand still beginsel). Kansen om bestaande ongewenste situaties te verbeteren moeten zoveel mogelijk worden benut.
De aspecten vasthouden, bergen en afvoeren van regenwater zijn daarbij belangrijke uitgangspunten zeker als bij de geplande ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een toename van het bebouwd c.q. verhard oppervlak. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘her-gebruik-vasthouden-berging-afvoer’. Het waterschapsbeleid is gericht op het handhaven van een voldoende voorraad grondwater en op het tegengaan van verdroging en het daar waar mogelijk bevorderen van vernatting. Voor de waterkwantiteit is het beheer gericht op voldoende afvoer om wateroverlast te voorkomen en om met peilbeheer een acceptabele grondwaterstand te houden en op waterconservering om verdroging te voorkomen. Beleid Waterschap Brabantse Delta. De locatie Oudendijk 66 te Oud Gastel valt onder het beheer van Waterschap Brabantse Delta. Het waterschap Brabantse Delta is dan ook verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: -
het zuiveringsbeheer; het watersysteembeheer en het beheer van dijken en beheer van vaarwegen.
Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het 51
beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’.
Algemeen uitgangspunt is dat het hemelwater niet geloosd mag worden op het gemeentelijk riool maar middels infiltratie verwerkt wordt op het eigen perceel. Het waterschap hanteert in dit opzicht een vrijstelling voor verhardingstoename onder 2000 m². Plannen met een verhardingstoename tot 2000 m² zijn onder de keur vrijgesteld van compensatie. Vanuit het watersysteem geredeneerd bestaat er geen aanleiding om onder deze oppervlaktemaat compenserende maatregelen te eisen. Beleid gemeente Halderberge. Gemeente Halderberge heeft op 18 juli 2019 het ‘GRP Halderberge, 2020-2023, Samen schakelen naar een toekomstbestendige waterketen’ vastgesteld, hierna te noemen ‘GRP’. Dit plan is de opvolger van het in november 2013 vastgestelde ‘GRP 2014-2019’. In het GRP wordt beschreven hoe het stedelijk watersysteem in de huidige situatie functioneert en met welke uitdagingen en ontwikkelingen de gemeente in de nabije toekomst te maken krijgen. Dit dient als vertrekpunt voor de visie op lange termijn en de strategie op korte termijn en een transparante, toekomstbestendige financiering. Waar de eerdere gemeentelijke rioleringsplannen nog overwegend handelden over het in stand houden van de rioolbuizen hebben, door in te spelen op extreme buien als gevolg van klimaatverandering bovengrondse voorzieningen steeds meer een prominente rol gekregen.
De Albanovijvers, waterberging in Korenweide, bergingsvijvers van het plan Opperstraat in Hoeven en wadi’s bij nieuwbouwprojecten zijn hiervan mooie praktijkvoorbeelden. Deze voorzieningen zorgen ervoor dat geen wateroverlast ontstaat bij normale én bij extreme buien. Door klimaatverandering zal deze laatste categorie steeds vaker voorkomen. De kleine en grootschalige voorzieningen sluiten verder goed aan bij de 52
oorspronkelijke waterpartijen in de gemeente zoals de havens en stadsvijvers en verfraaien bovendien het aanzicht. In het GRP worden een 7-tal waterketenpartners onderscheiden te weten: Europa, het rijk, provincie Noord-Brabant, waterschap Brabantse Delta, Brabant Water Evides, de gemeente en tenslotte de perceeleigenaar. Aan elke actor zijn taken en verantwoordelijkheden toebedeeld. De gemeente heeft drie zorgplichten t.a.v. stedelijk waterbeheer: • •
•
Inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater naar een zuiveringstechnisch werk (resultaatverplichting) Doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater dat perceeleigenaren redelijkerwijs niet zelf kunnen verwerken (inspanningsverplichting). Eventueel kan de gemeente hiervoor maatwerkvoorschriften of een gebiedsverordening instellen. Treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken (inspanningsverplichting). Voorwaarde hierbij is dat de maatregelen doelmatig zijn en niet tot de zorg van het waterschap/provincie behoren. De gemeente dient het loket te zijn voor grondwatervraagstukken binnen haar beheersgebied.
De perceeleigenaar is verantwoordelijk voor de staat van zijn woning en perceel. Dit betekent dat hij zelf verantwoordelijk is voor het op eigen perceel treffen van maatregelen om de waterdichtheid te garanderen en voor de inzameling van stedelijk afvalwater en overtollig hemelen grondwater. Pas als de perceeleigenaar zich redelijkerwijs niet kan ontdoen van het overtollige water, is er een taak voor de gemeente of waterschap. De perceeleigenaar heeft daarnaast ook een zorgplicht. Dit betekent dat hij geen handelingen mag verrichten waarvan hij kan verwachten dat deze het doelmatige functioneren van (water)voorzieningen belemmeren. Bij de invulling van de wettelijke watertaken en het nastreven van ambities gelden de volgende 3 leidende principes: -
meerwaarde creëren doelmatig waterbeheer; participatie
en zijn de volgende omgevingsgerichte lange termijn doelstellingen gesteld: -
bescherming van de volksgezondheid; droge voeten (bebouwd gebied); schoon water en een schone bodem.
Om aan de gestelde zorgplichten te kunnen voldoen zijn concrete strategieën ontwikkeld ten aanzien van afvalwater, hemelwater, grondwater, drinkwater en oppervlaktewater. Binnen elke strategie zijn nadere beleidskaders gesteld. In relatie tot de voorgestane bouw van 2 woningen op een gedeelte van het perceel Oudendijk 66 is vooral de strategie hemelwater relevant. Uitgangspunt daarbij is dat ontwikkelingen benut worden om het grondwater aan te vullen en er voor te zorgen 53
dat het stedelijk watersysteem niet zwaarder wordt belast. Hiertoe zijn nadere eisen gesteld ten aanzien van de te realiseren waterbergingen bij nieuwe ontwikkelingen zoals in onderstaande tabel weergegeven.
Evenals dat het geval was in het voorgaande GRP gaat de voorkeur bij retentievoorzieningen uit naar vasthouden. Daarbij ligt de voorkeur op retentievoorzieningen die infiltratie van regenwater bevorderen of realisatie van oppervlaktewater (sloten, greppels en vijvers). Slechts in het geval dat bovengrondse retentie niet mogelijk blijkt te zijn, kunnen maatregelen worden toegepast zoals ondergrondse bergingskelders (bergen) of verruimen van de (regenwater)riolering (afvoeren). Huidige situatie. Het gedeelte van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan dat zal worden aangewend voor de bouw van 2 woningen is in de huidige situatie geheel onverhard en in gebruik als hobbymatige weidegrond. Vanuit het gedeelte van het plangebied dat zal worden aangewend voor de bouw van 2 woningen vindt geen afvoer van huishoudelijk afvalwater plaats. Het hemelwater ter plaatse van het plangebied kan, vanwege het in de huidige situatie ontbreken van bebouwing en oppervlakteverharding volledig worden verwerkt door infiltratie op de locatie zelf. Toekomstige situatie. In de nieuwe situatie zal een gedeelte van het plangebied worden aangewend voor de bouw van 2 vrijstaande woningen. Ondersteunend aan de te bouwen woningen zal het eveneens toegestaan zijn bijbehorende bijgebouwen op te richten en oppervlakteverhardingen te realiseren.
Voor de bouw van de 2 woningen zal het plangebied worden gesplitst in 2 afzonderlijke bouwkavel. Kavel 1 zal een oppervlakte krijgen van 1034 m² en kavel 2 1276 m². Afgestemd op de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsregels en inbegrepen de aan te brengen oppervlakteverhardingen zal dit tot de volgende toename van het verhard oppervlak leiden: Oppervlakte
Kavel 1 Kavel 2
1034 m² 1276 m²
Maximaal toegestane bebouwing 356,5 m² 365 m²
Maximale oppervlakte bestrating 180 m² 180 m²
Totaal
Vereiste bergingscapaciteit
536,5 m² 545 m²
3,75 m³ 3,8 m³
Hydrologisch neutraal ontwikkelen. Door de initiatiefnemers is er voor gekozen om het hemelwater afkomstig van de nieuw te realiseren bebouwing en de op het perceel aan te brengen 54
oppervlakteverharding af te voeren naar een aan de achterzijde in het perceel aan te brengen verlaging (Wadi). Hiervoor zal het maaiveld van beide percelen met 15 cm worden verlaagd voor kavel 1 over een oppervlakte van 16 m² en voor kavel 2 over een oppervlakte van 20 ². De verlagingen zullen beide rondom van een talud van 1,5 meter worden voorzien om aldus het hoogteverschil met het aangrenzende perceelsgedeelte op te heffen. Aldus ontstaat een bergingscapaciteit van respectievelijk 4,8 m³ en 5,7 m³. Met de aldus te realiseren opvangvoorzieningen zal het van beide percelen afkomstige hemelwater op eigen perceel geborgen kunnen worden en ter plaatste kunnen infiltreren in de bodem. Het op te vangen hemelwater kan echter in voorkomende situaties ook gebruik worden voor verwerking op het plangebied zelf voor het besproeien van de tuin of anderszins. Voorkomen van vervuiling. Zowel de gemeente alsook het waterschap streven naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Om te waarborgen dat met de afvoer en infiltratie van dat hemelwater geen schadelijke stoffen kunnen uitspoelen en op die manier in de bodem terecht kunnen komen dient met de keuze van bouwmaterialen rekening worden gehouden dat geen gebruik gemaakt wordt van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood.
Met het ontwikkelde bouwplan en de keuze van bouwmaterialen zal met dit uitgangspunt rekening gehouden. Verder zullen de te bouwen woningen worden aangesloten op het aan de Oudendijk aanwezige gemeentelijke rioolstelsel (gemengd stelsel) op basis waarvan het vrijkomend huishoudelijk afvalwater op een verantwoorde wijze kan worden afgevoerd. Met de te realiseren opvang- en infiltratievoorziening zijn er vanuit hydrologisch opzicht geen belemmeringen voor de gewenste bouwplannen. 5.9 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden door de inwerkingtreding van de Wet Luchtkwaliteit. De hoofdlijnen van de nieuwe regelgeving zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de wet Milieubeheer. Door deze wijziging zijn het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en het Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit 2006 komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is een aantal nieuwe Ministeriële regelingen en Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) van kracht geworden, waaronder de AMvB ‘Niet in Betekenende Mate’ (NIBM). Een belangrijk verschil met het oude Besluit luchtkwaliteit 2005 is een flexibele koppeling tussen ruimtelijke ontwikkelingen en luchtkwaliteit.
Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreinigingen hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen (in de vorm van grenswaarden). Het begrip NIBM is uitgewerkt in het Besluit ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ en de Regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’. In de Regeling NIBM is een lijst 55
met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In de aangegeven regelingen is verder aangegeven dat woningbouwlocaties met een netto toename van minder dan 500 woningen met één ontsluitingsweg niet nader hoeven te worden onderzocht en wanneer het verkeer zich gelijkmatig verdeelt over twee ontsluitingswegen hoeven woningbouwprojecten met een netto toename van minder dan 1.000 woningen niet nader te worden onderzocht. Onderhavige ontwikkeling betreft het binnen de bestaande bestemming “Wonen” creëren van een bouwmogelijkheid van 2 extra woningen. Dit aantal blijft ruim onder de norm waarvoor tot een nader onderzoek ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zou dienen te worden gekomen. Via de NIBM-rekentool is een worst-case berekening gemaakt waaruit blijkt dat bij een toename van het aantal verkeersbewegingen van 20 voertuigen per dag nog altijd sprake is van 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
In het kader van het aspect Luchtkwaliteit is het tevens van belang onderzoek te doen naar het te verwachten woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Verzekerd dient te zijn dat er vanuit de omgeving geen belemmeringen zijn om een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Voor het beoordelen van dit aspect is gebruik gemaakt van de gegevens zoals die opgenomen zijn op de Kaart Monitoring NSL 2019, zoals daarvan op de volgende pagina een uitsnede is weergegeven en waarop het plangebied nader is aangeduid.
56
Aanduiding plangebied Aanduiding rekenpunten Fig. 23 Kaart Monitoring NSL 2019
Fig. 24 Verklaringen aanduiding op Kaart Monitoring NSL 2019 57
Uit de op de kaart Monitoring NSL 2019 weergegeven informatie blijkt dat in de directe nabijheid van het plangebied 2 rekenpunten weergegeven zijn voor de NO-2 concentratie. De meetpunten zijn beiden gesitueerd aan de Provincialeweg-Noord welke is gelegen ten noordoosten van het plangebied. De afstand tussen het plangebied en de beide meetpunten bedraagt circa 400 meter. Uit de uitgevoerde metingen is gebleken dat de NO2-concentratie < 35 μg/m3 bedraagt. Verder is op het weergegeven kaartmateriaal aangegeven dat de verkeersintensiteit totaal ter plaatse van de Provincialeweg-Noord < 10.000 bedraagt. Op basis van de weergegeven informatie kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied geen belemmering vormt om een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Conclusie. De Wet luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor de gewenste bouw van 2 extra woningen. 5.10 Externe veiligheid. Onder externe veiligheid wordt begrepen het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij die activiteit betrokken personen. Het hierop gebaseerde beleid is er op gericht risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport van onder andere gevaarlijke stoffen te voorkomen en te beheersen.
De wettelijke regeling hiervoor is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes. Uit deze regelingen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen vervolgens te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop.
Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). 58
Risicobronnen kunnen vervolgens onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (bv lpg-stations), vervoer van gevaarlijke stoffen (per weg, water, rails of lucht) en (transport)leidingen (bv aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om de beoogde bescherming te kunnen bieden, is het vaak zaak om bepaalde afstanden in acht te nemen om zodoende voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen. Ook moet rekening worden gehouden met ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid. Risicovolle inrichtingen. Volgens de risicokaart van de Provincie Noord-Brabant zijn in de directe omgeving van het projectgebied geen bedrijven gevestigd die gevaarlijke stoffen transporteren of opslaan. Vervoer van gevaarlijke stoffen. In de directe omgeving van het projectgebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Aan de Koelestraat in Oud Gastel bevindt zich het bedrijf Jora. Dit bedrijf vervoert dieselolie. Er is echter geen sprake van opslag van dieselolie binnen de inrichting zelf. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft in het kader van de ontwikkeling van het bestemmingsplan “Oud Gastel Noord”, dat aangrenzend gelegen is aan onderhavig projectgebied, een notitie opgesteld ten aanzien van dit transport.
De conclusie daarvan is dat de omvang van het transport beperkt is en er geen sprake is van een relevant plaatsgebonden- of groepsrisico. Het transport leidt vanwege de aard en beperkte omvang niet tot relevantie risico’s voor de omgeving. De door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant opgestelde notitie is als bijlage bijgevoegd (bijlage 10). (Transport)leidingen. Ongeveer 140 meter ten westen van het plangebied ligt een aardgastransportleiding. Het gaat om een aardgasleiding met een diameter van 4,5 inch en een druk van 40 bar. De PR 10-6-contour ligt niet binnen het plangebied. De PR 10-6-contour heeft derhalve geen gevolgen voor het plan. Het plangebied bevindt zich daarnaast ook niet binnen het invloedsgebied van de leiding, aangezien dit slechts tot 45 meter aan weerszijden van de leiding ligt. Een berekening van het groepsrisico is daardoor niet noodzakelijk. Conclusie. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de gewenste bestemmingswijziging. 5.11 Parkeren en ontsluiting. Het projectgebied is gelegen aan de Oudendijk te Oud Gastel. Dit betreft een doorgaande weg die deels wordt gebruikt voor bestemmingsverkeer en deels voor hoofdzakelijk agrarisch bestemmingsverkeer van en naar de aanliggende agrarische percelen. 59
Ten behoeve van de ontsluiting van de beide te realiseren bouwkavels zal een directe aansluiting worden gerealiseerd op de Oudendijk. Nu dit geschiedt op een gedeelte van de Oudendijk dat voor het al aanwezige verkeer goed overzichtelijk is en ter plaatse van de beide te realiseren aansluitingen nog geen andere aansluitingen op de Oudendijk aanwezig zijn, levert het realiseren van 2 extra aansluitingen op dit gedeelte van de Oudendijk geen verkeerstechnische bezwaren op. In het kader van de voorgenomen bouw van 2 vrijstaande woningen zal verder op elk van de bij de woningen behorend perceel worden voorzien in de aanleg van 2 parkeerplaatsen die dienen voor eigen behoefte. Verder wordt bij elk van de te realiseren woningen een bijgebouw gerealiseerd o.a. dienende voor de stalling van één motorvoertuigen. Per woning wordt op deze wijze op eigen terrein voorzien in de mogelijkheid tot het stallen van 3 motorvoertuigen. Ter regulering van het parkeren heeft gemeente Halderberge beleid ontwikkeld in de vorm van de Kadernota Parkeren 2017-2021, hierna te noemen ‘nota’. Deze nota is door de gemeenteraad vastgesteld op 15 december 2016. De nota is de opvolger van de Kadernota Parkeren 2012-20016 zoals die vastgesteld was in 2011. Doel van de nieuwe nota is parkeren de aandacht geven die het verdient.