Bestemmingsplan Meirstraat 51 Oud Gastel.pdf
Tekst van het document
Dit om dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te laten verplaatsen naar een schuilplaats buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden; Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijk ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en algemene amfibieënsoorten. Aan de feitelijke bebouwde situatie van Meirstraat 51a1 zal niets veranderen. Ook het groen wordt niet aangetast. De wijziging naar een burgerwoning levert geen belemmeringen voor flora en fauna. Conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied betreft de 'KrammerVolkerak' op circa 10 km ten westen. Uit AERIUS berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake
43/132
is van relevante stikstofdepositie (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000gebieden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op circa 600 m van de ontwikkeling ligt natuurgebied 'N16.04' dat behoort tot het Natuurnetwerk Brabant (figuur 4.3). Verder ligt het plangebied niet binnen een waterwin, grondwaterbeschermings of milieubeschermingsgebied. Geluids of lichtontrekkingseffecten zijn op deze afstand verwaarloosbaar. De Wnb en het beleid van de Provincie NoordBrabant staan de ontwikkeling niet in de weg. Soortenbescherming Uit nader onderzoek is gebleken dat er mogelijk negatieve effecten kunnen plaatsvinden op beschermde functies voor diverse vleermuissoorten. Indien binnen het broedseizoen gewerkt moet worden, dan moet voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie worden gedaan. Door het nemen van maatregelen zoals hiervoor genoemd en uitgebreid worden toegelicht in hoofdstuk 9 van bijlage 5 en hoofdstuk 6 van bijlage 6 zijn verder geen andere aanvullende onderzoeken noodzakelijk. Initiatiefnemer zal de noodzakelijke maatregelen treffen. Aan de feitelijke bebouwde situatie van Meirstraat 51a1 zal niets veranderen. Ook het groen wordt niet aangetast. Mogelijk aanwezige soorten worden niet verstoord. De wijziging van van bedrijfswoning naar burgerwoning heeft dan ook geen nadelige gevolgen voor beschermde soorten.
De Wnb en het beleid van de Provincie NoordBrabant staan de ontwikkeling niet in de weg.
4.4
Cultuurhistorie
Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie NoordBrabant In de provincie NoordBrabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
44/132
Figuur 4.4 Cultuurhistorische waardenkaart provincie NoordBrabant met het plangebied aangeduid als gele ster (Bron: CHW NoordBrabant) Gemeentelijke beleidsnota Halderberge 'Inspirerend verleden' De gemeente heeft op 22 september 2011 een beleid vastgesteld waarin is vastgelegd dat zorgvuldig omgegaan wordt met de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen de gemeente Halderberge. De beleidsnota stelt als visie dat cultuurhistorie een belangrijke drager van de identiteit van Halderberge is en integraal onderdeel uitmaakt
45/132
van de ruimtelijke ontwikkeling van Halderberge. Ontmoetingen van heden en verleden gelden als uitdaging en inspiratiebron voor de toekomst. Bij het ontwikkelen van nieuwe ruimtelijke plannen moet cultuurhistorie dan ook een volwaardige plaats én inbreng krijgen. Daarnaast dient kennis te bestaan over de aanwezige cultuurhistorische en monument waarden. Aanvullend is op het beleid per 6 februari 2014 een gemeentelijke Cultuurhistoriekaart beschikbaar (zie figuur 4.5). De informatie op deze kaart is vergelijkbaar met de provinciale CHW.
Figuur 4.5 Cultuurhistoriekaart van de gemeente Halderberge met het plangebied aangeduid als gele ster (Bron: gemeente Halderberge) Toetsing Het plangebied ligt op zowel de provinciale cultuurhistorische waardenkaart als de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart binnen een gebied van historische stedenbouw met een redelijke hoge waarde. Dit gebied betreft het buurtschap 'Stoof'. Het buurtschap 'Stoof' ligt op 1 kilometer van Oud Gastel en omvat naast de Meirstraat, de Stooftstraat, het Ommegangstraatje, de Vierschaarstraat, de Lagestraat, de Dulderstraat, het Bremwegje, de Pieterseweg en de Barlaqueseweg. Dusdanig aangewezen gebieden zijn nog goed herkenbare en relatief gave (delen van) steden, dorpen en buurtschappen. Ze zijn representatief voor de diverse soorten stedenbouwkundige structuren in NoordBrabant. De provincie en gemeente hebben geen specifiek beleid voor historische stedenbouw. De provincie wil deze structuren, net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristischrecreatief ontsluiten. Hierbij zet de provincie in op samenwerken en stimuleren.
46/132
Met onderhavig initiatief blijft de Meirstraat en de andere omliggende infrastructuur behouden en blijft de bebouwing direct aan de Meirstraat intact. De te slopen loods is niet opgenomen als cultuurhistorisch waardevol gebouw. De ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve invloed op cultuurhistorische elementen in de omgeving. De ligging van het plangebied binnen de kaartlaag Historische stedenbouw stelt derhalve geen belemmeringen aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Tot slot liggen er enkele gemeentelijke monumenten en overige historische bouwkunst aan de Meirstraat. Het betreft in geen gevallen echter de bebouwing binnen het plangebied. Van aantasting van monumenten is derhalve geen sprake. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen in de directe omgeving van het plangebied. Aan de feitelijke situatie van Meirstraat 51a1 zal niets veranderen. De woning blijft behouden waardoor er geen invloed is op de cultuurhistorische waarde. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden van binnen of in de omgeving van het plangebied.
4.5
Archeologie
Toetsingskader De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In deze paragraaf gaan we daarom in op het aspect archeologie en in paragraaf 4.4 wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie. Toetsing Beleidsnota archeologie gemeente Halderberge 'Ons ongeschreven verleden' In 2011 is de beleidsnota archeologie gemeente Halderberge ‘Ons ongeschreven verleden’ vastgesteld. Dit is een vervolg op de in 2005 vastgestelde Archeologische verwachtings en beleidsadvieskaart.
Op de archeologische verwachtingskaarten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied is onderscheid gemaakt in zones met een hoge, middelhoge, lage en onbekende archeologische verwachting. In algemene zin kan gesteld worden dat, indien bodemingrepen niet vermeden kunnen worden, het de voorkeur heeft deze zoveel mogelijk plaats te laten vinden in zones met een lage of een onbekende archeologische verwachting. Voor deze gebieden is feitelijk geen archeologisch onderzoek noodzakelijk en er gelden in principe geen restricties ten aanzien van de planvorming. Ten aanzien van de zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting geldt dat archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is bij ingrepen dieper dan 40 cm.
47/132
Het plangebied is in de vastgestelde Archeologische verwachtings en beleidskaart aangemerkt als 'bebouwd, wegen' en grenst aan een zone waar een lage archeologische verwachting uit één of meer onderscheiden perioden (LaatPaleolithicumNieuwe Tijd) geldt (figuur 4.6). Het plangebied ligt volgens de vastgestelde Archeologische advieskaart (figuur 4.7) in een gebied waar historische bebouwing aanwezig is, waar een archeologsiche verwachting is voor vindplaatsen en waar de grond verstoord is. Ten slotte ligt het plangebied volgens de Archeologische verwachtings en beleidskaart stedelijk gebied (figuur 4.8) in de kern en verspreide bebouwing waar de archeologische verwachting hoog is. Op basis van de gemeentelijke beleidsuitgangspunten uit de beleidsnota zou archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Echter, in het vigerende bestemmingsplan is het beschermingsregime ten aanzien van archeologie vertaald in dubbelbestemmingen.
Figuur 4.6 Uitsnede Archeologische verwachtingskaart Halderberge, het plangebied is rood omkaderd (Bron: gemeente Halderberge)
48/132
Figuur 4.7 Uitsnede Archeologische advieskaart Halderberge, het plangebied is rood omkaderd (Bron: gemeente Halderberge)
Figuur 4.8 Uitsnede Archeologische verwachtings en beleidsadvieskaart stedelijk gebied Halderberge, het plangebied is rood omkaderd (Bron: gemeente Halderberge)
49/132
Het plangebied valt deels binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’, in de regeling van deze dubbelbestemming is vastgelegd dat er geen omgevingsvergunning noodzakelijk is voor bodemingrepen welke een oppervlakte hebben van ten hoogte 500 m². Het plan behelst de sloop van een gebouw en de nieuwbouw van een woning. In het gedeelte waar de loods wordt gesloopt is in het verleden de grond al geroerd. In het gedeelte waar bodemingrepen worden gedaan voor de bouw van de woning, geven de verwachtingskaarten geen verwachting aan, en is daarbij geen schade van archeologische waarden te verwachten. Archeologisch onderzoek voor dit bestemmingsplan is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het plan schaadt geen archeologische waarden voor onderhavig plan (Meirstraat 51). Er vindt geen bodemverstoring plaats op het perceel van Meirstraat 51a1. Hierdoor is verder archeologisch onderzoek is niet van toepassing.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: y ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon en leefmilieu kan worden gegarandeerd; y rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorieindeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.
Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de milieugevoelige functie die volgens het bestemmingplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De afstanden zijn volgens de VNGbrochure algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt ook uit jurisprudentie. Toetsing Voor de beoordeling is het van belang om te weten of het gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt als volgt getypeerd: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven".
50/132
In de omgeving van het plangebied zijn woningen en andere functies gelegen zoals (agrarische) bedrijven en enkele winkels. Gelet op de diverse functies in de directe omgeving van het plangebied kan het gebied op dit moment (zie visie Toekomstbestendig gebruik agrarisch vastgoed gemeente Halderberge) getypeerd worden als 'gemengd gebied' waardoor met 1 afstandsstap kan worden afgeweken van de richtafstanden van de VNGpublicatie. In de directe omgeving van het plangebied is de volgende omliggende bedrijvigheid aanwezig. Op agrarische bedrijvigheid is separaat ingegaan in deze paragraaf en in de paragraaf geur. Tabel 4.1
Milieubeoordeling omliggende bedrijvigheid (uitgezonderd agrarische bedrijven)
functie
adres
milieu categorie
grootste richtafstand afstand tot plangebied in meter (gemengd in meters gebied)
loon en grondverzetbedrijf
Meirstraat 38
3.1
30 (geluid)
10
metaal constructiewerkplaats Meirstraat 42
3.2
50 (geluid)
23
groothandel papierrecyclingbedrijf
3.1
30 m
75 m
Meirstraat 46
Uit tabel 4.1 blijkt dat voor het aspect geluid niet aan de richtafstanden wordt voldaan ten opzichte van het loon en grondverzetbedrijf en het metaalconstructiebedrijf. Uitgaande van ligging in een gemengd gebied wordt voor deze bedrijven voldaan aan de overige richtafstanden voor geur, stof en gevaar. De afstanden zijn volgens de VNGbrochure algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt ook uit jurisprudentie. Zoals in het toetsingskader vermeld spelen bij het beoordelen van een ruimtelijk plan standaard de volgende vragen: 1. Worden omliggende bedrijven onevenredig in hun belangen geschaad? Van groot belang hierbij is dat in deze situatie geen sprake is van oprichting van een nieuw gevoelig object op kortere afstand van de hiervoor genoemde bedrijven. De nieuwe woning wordt op dezelfde afstand gerealiseerd als de bestaande woningen Meirstraat 51 en 51a. Deze woningen zijn in de bestaande situatie reeds een geur en geluidsgevoelig objecten waar omliggende bedrijven rekening mee moeten houden. Bij de toetsing van nieuwe ontwikkelingen van omliggende bedrijven gelden deze woningen als woning van derden, ongeacht de gebruiksfunctie van deze woning. De aanwezigheid van deze woningen bepaalt dus in de bestaande situatie al de ontwikkelruimte van de bedrijven gelegen aan de Meirstraat 38 en 42.
Zoals beschreven bij vraag 2 wordt daarnaast extra geluidwering in de gevel gerealiseerd waarmee voldaan kan worden aan de richtwaarde van 55 dB (A) voor de binnenwaarde in de nieuwe woning. Het voorgaande betekent dat de omliggende bedrijven niet nader worden belemmerd in hun huidige bedrijfsvoering en ook niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden door toevoeging van de nieuwe woning. De wijziging van de bedrijfswoning naar een burgerwoning levert geen belemmeringen op voor omliggende bedrijven. 2. Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon en verblijfsklimaat gegarandeerd? Op basis van een goede ruimtelijke ordening dient sprake te zijn van een acceptabel woon en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning. In de memo 'bedrijven en milieuzonering geluid' die is toegevoegd in bijlage 7 is nader
51/132
ingegaan op het aspect geluid ten aanzien van de bedrijven aan de Meirstraat 38 en 42. Uit de memo blijkt dat extra geluidwering in de gevel moet worden gerealiseerd. Hiermee kan worden voldaan aan de richtwaarde van 55 dB (A) voor de binnenwaarde in de nieuwe woning. Na realisatie van extra geluidwering in de gevel is sprake van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Ter plaatse van de bedrijfswoning blijft het woon en leefklimaat gelijk. Agrarische bedrijvigheid Ter plaatse van de Meirstraat 53 is een agrarisch bouwvlak gelegen waar hobbymatig agrarische gebruik en vollegrondteeltbedrijven zijn toegestaan. Dergelijke bedrijven kennen een maximale richtafstand van 10 meter waaraan wordt voldaan. Daarnaast wordt deze locatie al beperkt door woningen op kortere afstand (Meirstraat 51a, 55 en 61). Hiermee is ook geen sprake van nadere planologische beperking als gevolg van het voorgenomen initiatief. Op circa 40 meter ten westen van het plangebied (Meirstraat 47) is een grondgebonden veehouderijbedrijf gelegen. Uitgaande van ligging in gemengd gebied wordt voldaan aan de richtafstanden (maximaal 10 meter) voor geluid, stof en gevaar. Op het aspect geur wordt nader ingegaan in paragraaf 4.9.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woning, na realisatie van de benodigde geluidwering, sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het aspect milieuhinder en bedrijven staat de realisatie van het initiatief niet in de weg.
4.7
Watertoets
Aanleiding De voorgenomen ontwikkeling van een woning aan de Meirstraat past niet in het vigerende bestemmingsplan Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge uit 2017. Hiervoor is voorliggend bestemmingsplan. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Waterbeleid Waterschap Brabantse Delta Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Brabantse Delta. De doelen van het waterschap voor de periode van 2021 tot 2027 staan beschreven in het Waterbeheerplan 'Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap' en zijn erop gericht om: y het beheersen van risico's voor mensen, bedrijven en (water)milieu om zo de kwaliteit van leven te behouden en waar nodig te verbeteren voor huidige en toekomstige generaties; y duurzame ontwikkeling van de leefomgeving; y maatschappelijke verantwoording en vernieuwende ontwikkelingen; y streven naar effectiviteit en efficiëntie met betrekking tot kwaliteit en kosten. Om deze doelen te behalen zijn twee principes van belang, namelijk niet afwentelen en duurzaam ontwikkelen.
Het lokale handelen mag in principe niet tot problemen elders leiden, in ruimte of tijd of andere werkvelden. Het
52/132
waterschap beschermt het watermilieu, maar heeft ook oog voor effecten benedenstrooms van het watersysteem, maar het kan ook andersom, wanneer er bijvoorbeeld geen trekvissen meer stroomopwaarts kunnen zwemmen. De duurzame ontwikkeling wordt vormgegeven door kringlopen te sluiten en te stoppen met verspillen en vervuilen. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap een beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en de directe omgeving. Het streven is daarbij om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het Waterbeheerplan. Daarbij heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moet voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.
Binnen het plangebied zijn geen gebieden aangemerkt als beschermd gebied waterhuishouding, waarvoor beperkingen op basis van de Keur van toepassing zijn (figuur 4.9).
Figuur 4.9 Uitsnede keurkaart beschermde gebieden Brabantse Delta, plangebied is rood omcirkeld (Bron: Brabantse Delta) Sinds 25 maart 2021 is een Keur door de Brabantse Delta opgesteld. Op grond van de Keur zijn Algemene regels en een aantal beleidsregels opgesteld. Op grond van de Keur zijn Algemene regels en een aantal Beleidsregels opgesteld. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verhard oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de Keur het volgende opgenomen:
53/132
Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in de regels van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover: a. De waterparagraaf van het bestemmingsplan na 1 januari 2019 de schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd, of als niet wordt voldaan aan het gestelde onder lid a dan geldt de in de aanhef genoemde vrijstelling voor zover: b. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; c. De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; d. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. e. De toename van verhard oppervlak groter dan 500 m² tot en met 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform een rekenregel. De ontwikkeling betreft een afname van het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. De aanwezig loods van ca. 550 m2 wordt gesloopt en de beoogde woning van ca.165 m2 wordt gebouwd. De huidige bebouwing bestaat uit een loods. In de toekomstige situatie zal de loods gesloopt worden. Op de locatie waar de loods wordt gesloopt wordt een woning gerealiseerd waarbij parkeren op eigen terrein plaatsvindt.
Het plangebied heeft een oppervlakte van 803 m2. De totale verharding bedraagt in de huidige situatie reeds 653 m2. In de toekomstige situatie bedraagt de verharding circa 415 m2 (250 m2 + 165 m2 dakoppervlak). Het niet verhard oppervlak is in de huidige situatie 150 m2 en in de toekomstige situatie is het niet verhard oppervlak 553 m2. Omdat het verhard oppervlakte afneemt, zijn compenserende maatregelen niet nodig. Daarnaast is het plangebied niet gelegen in een beschermd waterhuishoudingsgebied, waardoor geen beperkingen op basis van de Keur gelden. Echter dient wel naar het gemeentelijk beleid worden gekeken. Gemeentelijk Rioleringsplan 20202023 Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Het gemeentelijk water en rioleringsbeleid van de gemeente Halderberge is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan 20202023 (GRP). Hierin wordt de invulling van de gemeentelijke zorgplichten ten aanzien van grond, hemel en afvalwater behandeld. Het rioleringsplan is opgesteld met de Waterkering West waarin de gemeenten Bergen op Zoom, Moerdijk, Roosendaal, Steenbergen, Woensdrecht en het Waterschap Delta en de waterbedrijven Brabant Water en Evides vertegenwoordigd zijn. In het GRP is ook beschreven hoe men om wil gaan met waterberging bij nieuwe ontwikkelingen.
De bergingseis voor ontwikkelingen is in onderstaande tabel weergegeven.
Tabel 4.2 Bergingseis nieuwe ontwikkelingen (Bron: Gemeente Halderberge)
54/132
Conform het GRP gaat de voorkeur bij retentievoorzieningen uit naar vasthouden. De gemeente Halderberge heeft een voorkeur voor retentievoorzieningen die infiltratie van regenwater bevorderen of realisatie van oppervlaktewater (sloten, greppels en vijvers). Slechts in het geval dat bovengrondse retentie niet mogelijk blijkt te zijn, worden maatregelen als ondergrondse bergingskelders (bergen) of verruimen van de (regenwater)riolering (afvoeren) toegepast. Situatie plangebied Bevoegd gezag Het perceel is momenteel volledig verhard. Zoals eerder in het stuk vermeld is zal het verhard oppervlak afnemen. Hierdoor zal de totale verharding nooit meer dan 2.000 m2 zijn. De gemeente Halderberge is dan ook bevoegd gezag. Grondwater De gemeten grondwaterstand ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek (bijlage 1 'juni' 2021') bedraagt 1,73 mmv. De gemiddelde hoogste grondwaterstand bedraagt, op basis van de Bodematlas NoordBrabant tussen de 0,40 tot 0,60 mmv. Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand en grondwaterstroming op de locatie. Oppervlaktewater Grenzend aan het perceel zijn geen watergangen aanwezig. Ten westen en zuiden van het perceel is een Awatergang aanwezig. Deze is in beheer en onderhoud van Waterschap Brabantse Delta.
Figuur 4.10 Legger waterkeringen, rood omkaderd het plangebied (Bron: Waterschap Brabantse Delta)
55/132
Waterbergingsopgave De beoogde woning wordt aangesloten op het rioolstelsel in de Meirstraat. Het hemelwater zal infiltreren in het niet verhard oppervlak. Het waterschap is in principe bevoegd gezag. Het waterschap hanteert ook een strengere eis dan de gemeente, waardoor de rekenregel van het waterschap dient te worden toegepast: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m). Op basis van deze rekenregel dient derhalve 0,007 m x 415 m2 = 2,90 m3 water op eigen terrein geborgen te worden. De initiatiefnemer dient deze berging in principe volledig op eigen terrein te realiseren. Deze berging wordt door middel van een wadi op eigen terrein gerealiseerd. Materiaalgebruik De afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen gebruikt mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, zoals uitlogende materialen, bijvoorbeeld zink, lood, koper en zacht PCV. In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet verstopt raakt of dicht gaat slibben na verloop van tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen.
Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat het systeem blijft functioneren. Ook dienen standleidingen op de juiste manier te worden toegepast zodat voldoende beluchting en ontluchting van de binnenriolering is gewaarborgd en mogelijk stankoverlast wordt voorkomen. Conclusie Het hemelwater dient op eigen terrein te worden verwerkt. Dit wordt gedaan door de aanleg van een wadi.
4.8
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer is er geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er in de gebruiksfase de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Het gemeentelijk beleid is gericht op het opvangen van de parkeerbehoefte op eigen terrein.
56/132
Voor nieuwe ruimtelijkefunctionele ontwikkelingen kunnen de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte worden berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen). Hiervan kan worden afgeweken mits dit goed kan worden gemotiveerd. Als de kencijfers van het CROW worden gehanteerd. dan zijn de stedelijkheidsgraad van de gemeente en de ligging van de locatie van belang. Het CROW onderscheidt volgens de systematiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vijfstedelijkheidsgraden aflopend van "zeer sterk stedelijk" tot “niet stedelijk". Binnen elke stedelijkheidsklasse wordt door het CROW onderscheid gemaakt in centrum, schil/overloopgebied en rest bebouwde kom. Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten door de Meirstraat. De weg sluit in westelijke richting aan op de Parallelweg Noord. Via de Parallelweg Noord kan in noordelijke richting op de provinciale weg N268 worden bereikt. De Meirstraat is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom en maakt onderdeel uit van een 50 km/uurgebied waar fietsers en voetgangers de rijbaan delen met het autoverkeer. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op de goede werking van de infrastructuur omdat een minimale toename van de verkeersbewegingen per etmaal wordt verwacht.
Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling CROWpublicatie 381 (2018) geeft kencijfers voor het berekenen van de verkeersgeneratie van een ontwikkeling. Voor vrijstaande koopwoningen is een maximaal kencijfer van 8,6 mvt/etmaal per woning opgenomen. De verkeerstoename ten behoeve van het toevoegen van één woning is dermate laag dat deze opgaat in het heersende verkeersbeeld van het omliggende wegennet. Deze minimale toename van het verkeer zal dan ook niet leiden tot een verminderde doorstroming op de wegvakken en de relevante punten. Parkeren Voor de beoogde ontwikkeling en de omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning wordt volledig op eigen terrein geparkeerd. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig. In de garage en op de oprit is ruimte voor drie auto's, hiermee wordt voldaan aan de gestelde norm. De norm voor een woning groter dan 90 m2, in deelgebied C is 2,3 parkeerplaatsen per woning. Dit houdt in dat bij beide woningen 3 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Ter verduidelijking is in figuur 4.11 een kaveltekening opgenomen met situering van het aantal parkeerplaatsen.
57/132
Figuur 4.11 Ook op achterliggend terrein van beide percelen is ruimte voor meerdere voertuigen (Bron: Bron: TVerd) Conclusie Door de ontwikkeling binnen het plangebied neemt de verkeersintensiteit op de ontsluitingswegen zeer beperkt toe, er zullen geen problemen op het gebied van de verkeersafwikkeling ontstaan. De toekomstige parkeerbehoefte wordt opgevangen binnen het plangebied. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
58/132
4.9
Geur
Toetsingskader Het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan door de gemeente medewerking verleend worden aan het voornemen indien veehouderijen door de voorgenomen planontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Daarnaast dient ter plaatse van het nieuw te realiseren geurgevoelige object (de woning) sprake te zijn van een acceptabel woon en leefklimaat. Toetsing De veehouderij Meirstraat 47 is gelegen op circa 40 meter ten westen van het plangebied. Hiermee wordt niet voldaan aan de vaste afstand (50 of 100 meter afhankelijk van ligging in het buitengebied en de bebouwde kom) die geldt op basis van het Activiteitenbesluit en de Wgv. Uit jurisprudentie blijkt dat de afstandsnorm door de Afdeling, niet meer zo hard wordt toegepast. Doorslaggevend is of ter plaatse een aanvaardbaar woon en leefklimaat mogelijk is en of de veehouderij niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaadt. Van belang is dat tussen de beoogde nieuwe woning en de bedrijfswoning en het veehouderijbedrijf reeds burgerwoningen zijn gelegen.
Gezien de ligging van de bestaande geurgevoelige objecten zijn er voor de het veehouderijbedrijf in de huidige situatie geen reële uitbreidingsmogelijkheden meer in oostelijke richting. Er is daarmee geen sprake van nadere beperking van het veehouderijbedrijf aan de Meirstraat 47 als gevolg van het voorgenomen initiatief. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat een bestaande veehouderij niet onevenredig in haar belangen mag worden geschaad. Desondanks dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Voor geur dient te worden gekeken naar de bestaande geurbelasting ter plaatse van het plangebied. In de directe omgeving is één bedrijf gevestigd met geuremissie (Meirstraat 47). Ook hiervoor is van belang is dat tussen de beoogde nieuwe woning en de bedrijfswoning en het veehouderijbedrijf reeds bestaande burgerwoningen zijn gelegen. Het veehouderijbedrijf dient op basis van milieuwetgeving (Activiteitenbesluit/Wgv) reeds ter plaatse van deze bestaande geurgevoelige objecten te voldoen aan de wettelijke geurnormen. Daarbij moet het veehouderijbedrijf ook bij toekomstige ontwikkelingen ter plaatse van de bestaande omliggende geurgevoelige objecten voldoen aan de wettelijke geurnormen. Hiermee wordt een aanvaardbaar woon en leefklimaat ter plaatse van het plangebied m.b.t.
agrarische geur afdoende geborgd. Conclusie Het aspect geur staat de vaststelling van dit plan niet in de weg. Bedrijven worden niet in hun belangen geschaad en er is voor de nieuwe woning en ter plaatse van de bedrijfswoning sprake van een aanvaardbaar woon en leefklimaat.
59/132
4.10 Geluid Toetsingskader Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien in een bestemmingsplan nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. Indien er sprake is van een geluidproducerende functie moet aangetoond worden dat voldaan wordt aan wettelijke geluidseisen. Eventueel dient dit aangetoond te worden door middel van akoestisch onderzoek en zijn geluidwerende maatregelen nodig. Toetsing en conclusie De locatie ligt binnen de wettelijke geluidzone van de N268 en de Meirstraat. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk voor de realisatie van de nieuwe woning. Tevens worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening relevante nietgezoneerde wegen (30 km/uwegen) meegenomen in het onderzoek. De situatie ter plaatse van de bedrijfswoning wijzigt niet, akoestisch onderzoek voor de wijziging naar burgerwoning is niet noodzakelijk. Op 27 mei 2021 is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 8.
Het volgende is geconcludeerd: Wet geluidhinder Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Meirstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden wordt. Het aanvragen van hogere grenswaarden is daardoor noodzakelijk. Als gevolg van de Meirstraat wordt ter plaatse van de nieuwe woning ten hoogste 53 dB berekend (inclusief aftrek van 5 dB). De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt hiermee niet overschreden. Het treffen van geluidreducerende maatregelen is vanuit financieel, stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt niet als reële maatregel te stellen. De gemeente Halderberge dient hiervoor hogere grenswaarden aan te vragen. Bouwbesluit 2012 Voor de geveldelen van de nieuwe woning waar sprake is van een geluidbelasting van > 48 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh), dient een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd te worden. Middels dit onderzoek dient per gevel bepaald te worden of mogelijk aanvullende isolerende maatregelen toegepast dienen te worden om aan het Bouwbesluit 2012 te kunnen voldoen.
60/132
Ruimtelijke ordening Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai varieert van 28 dB – 58 dB en is op grond van tabel 3.1 uit het rapport te kwalificeren als een zeer goed tot een matig leefklimaat. Om de toekomstige bewoners van de nieuwe woning voldoende te beschermen tegen geluid als gevolg van wegverkeerslawaai dient ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd te worden. Mogelijk blijkt uit dit onderzoek dat toepassing van aanvullende bouwkundige voorzieningen benodigd is om een acceptabel woon en leefklimaat te kunnen garanderen in de woning. Door het uitvoeren van het aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels, en indien noodzakelijk toepassen van aanvullende bouwkundige voorzieningen, kan in de nieuwe woning een acceptabel woon en leefklimaat gewaarborgd worden. Het aanvraagformulier hoger waarden is toegevoegd in bijlage 9. Nadat het aanvraagformulier is ingediend heeft het college besloten om als hogere grenswaarde voor de nieuwbouwwoning de waarde van maximaal 53 dB vast te stellen ten gevolge van de Meirstraat en N268 in Oud Gastel. De beschikking hogere waarden en Wet geluidhinder is toegevoegd in bijlage 10.
4.11 Externe veiligheid Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: y bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; y vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 105 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 106 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 106 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten,
61/132
en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 106 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid Vanuit de verantwoordelijkheid om burgers een veilige leefomgeving te bieden en vanuit het besef dat risico's onvermijdelijk zijn, heeft de gemeente Halderberge de beleidsvisie externe veiligheid opgesteld (20122015) over de omgang met externe veiligheid binnen de gemeentegrenzen.
De gemeente geeft daarmee op een gestructureerde wijze invulling aan de beleidsvrijheid die haar binnen de bestaande wettelijke kaders ter beschikking staat. Onderzoek
Figuur 4.12 Uitsnede risicokaart met plangebied groen omcirkeld (Bron: risicokaart.nl) Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen met een externe werking. Verder vindt er in de omgeving geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het water.
62/132
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten westen van het plangebied bevindt zich de N268 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De afstand tot het plangebied is circa 207 meter. Het invloedsgebied van de weg wordt bepaald door stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. De OMWB heeft in 2018 een inventarisatie gedaan naar transporten van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke en provinciale wegen. Volgens deze inventarisatie vidnen ter hoogte van het plangebied 17 transporten van brandbare gassen (stofgroep GF3) per jaar plaats over de N268. Op een afstand van circa 1,9 kilometer ten oosten van het plangebied bevindt zich de A17 met een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer door het vervoer van stofcategorie GT4. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van de N268 en de A17. Omdat de beoogde ontwikkeling voor de wegtrajecten op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven volgens het Basisnet in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het projecfgebied. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk. Omdat de afstand groter is dan 200 meter, kan er worden volstaan met de Standaard Verantwoording Groepsrisico van de gemeente Halderberge (bijlage 11) en het standaardadvies van de Veiligheidsregio (bijlage 12).
Deze zijn ook gebruikt bij het opstellen van de beknopte verantwoording, evenals de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Halderberge, zie bijlage 13. Voor verdere besluitvorming kan van dit standaardadvies gebruik gemaakt worden. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Op circa 3,6 kilometer ten oosten van het plangebied bevindt zich spoortraject Lage Zwaluwe Roosendaal. Over dit spoor vindt vervoer van de stofcategorieën B3 en D4 plaats. Het invloedsgebied bedraagt meer dan 4 kilometer. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied. Omdat de afstand groter is dan 200 meter tot het spoortraject, kan er worden volstaan met een beknopte verantwoording. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten oosten van het plangebied bevindt zich de buisleidingenstraat. De afstand tot het plangebied bedraagt minimaal 1,5 kilometer. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van de buisleidingenstraat. Een verantwoording van het groepsrisico voor de buisleidingen is derhalve niet noodzakelijk. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn.
De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Meirstraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Oud Gastel. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en het spoor geldt dat een toxische wolk
63/132
zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen bij: y een brand bij een inrichting met gevaarlijke stoffen (giftige verbrandingsproducten, rookwolk); y het lek raken van een container/tankwagen/etc. met gevaarlijke stoffen (door uitdamping verspreiding in de omgeving). Aanwezigen in het plangebied die worden blootgesteld aan de toxische wolk kunnen ernstige gezondheidsschade oplopen en kwetsbare groepen (longpatiënten) kunnen in het ‘worstcase scenario’ overlijden. Overige gevolgen zijn irritatie van de luchtwegen en branderige ogen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.
Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NLAlert en het gebruik van sociale media.Bronbestrijding bij een toxische vloeistof is mogelijk door de vloeist f te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N268, A17 en spoortraject Lage Zwaluwe Roosendaal waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig met een externe werking. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3. weergegeven.
64/132
Tabel 4.3. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof
toetsing van
grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
)
fijn stof (PM2,5)
NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: y een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); y een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Toetsing en conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect luchtkwaliteit te worden onderzocht. Het plan voorziet in een woningbouwontwikkeling en valt standaard onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan twee ontsluitingswegen en draagt daarom 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van één woning en de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning vallen niet aan de hierboven genoemde grenswaarden. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Figuur 4.13 Uitsnede NIBMtool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal
65/132
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de N268 (zie figuur 4.14). Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.4. Tabel 4.4 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof
grenswaarde
maximale waarden in jaar maximale waarden in jaar 2020 2030
stikstofdioxide (NO2)
40 µg/m³
17,5 µg/m³
13,6 µg/m³
fijn stof (PM10)
40 µg/m³
17,6 µg/m³
15,3 µg/m³
max. 35 keer p.j. meer dan 6,2 µg/m³ 50 µg/m³
6,0 µg/m³
25 µg/m³
8,6 µg/m³
Fijn stof (PM2,5)
10,7 µg/m³
Figuur 4.14 Luchtkwaliteit ten opzichte van het plangebied (bron: NSLmonitoringstool)
66/132
4.13 Duurzaamheid Toetsingskader Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Toetsing en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De beoogde woning wordt zonder gasaansluiting gebouwd. Rekening houdend met de nieuwe regelgeving en de wensen in de toekomst, is het de bedoeling om een energieneutrale woning te bouwen die tevens levensloopbestendig is. Daarnaast is het plan om de woning CO2neutraal te bouwen met de toepassing van duurzame materialen. Om dit te bereiken zal geprobeerd worden de woning te voorzien van de volgende voorzieningen: y Zonnepanelen op het dak; y Warmtepomp in combinatie met lage temperatuur (vloer)verwarming; y Mechanische luchtbehandeling met wtwunit; y Hoge isolatiewaarde voor thermische schil; y Domotica voor de aansturing van de elektrische elementen; y Gebruik van duurzame materialen; y Levensloopbestendige indeling van de woning.
4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatieuitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water, elektriciteit en gasleidingen, telefoonlijnen en olie en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Toetsing en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen of hoogspanningslijnen aanwezig.
Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien nietrelevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan.
67/132
4.15 Vormvrije m.e.r.beoordeling Toetsingskader In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmerplichtig, projectmerplichtig of merbeoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: y de kenmerken van de projecten; y de plaats van de projecten; y de kenmerken van de potentiële effecten. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aantal van 2.000 of meer. Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van slechts één woning en het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en is dus niet rechtstreeks planmer, projectmer of merbeoordelingsplichtig. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant.
Als een ontwikkeling aanzienlijke negatieve milieugevolgen heeft dan wijst dit op een stedelijk ontwikkelingsproject. Het ruimte beslag van de voorgenomen ontwikkeling is beperkt. Op basis van het geldende bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming 'Bedrijf' waarbinnen het mogelijk is om verschillende vormen te realiseren. De impact van dergelijke functies richting de omgeving is groter dan de beoogde woning. De ontwikkeling past naar zijn aard binnen de omgeving, het sluit aan op het bestaande bebouwingslint en wordt ontsloten door de Meirstraat, een belangrijke ontsluitingsweg. Ook de omvang vormt geen aanleiding om uit te gaan van een stedelijk ontwikkelingsproject. De verharde oppervlakten zal afnemen op het perceel en de bebouwing wordt op een verantwoorde wijze ingepast in de omgeving. De ruimtelijke uitstraling is beperkt. Daarnaast wordt in de vorige paragrafen de mogelijke milieugevolgen nader toegelicht. Hieruit blijkt dat er geen significante effecten ontstaan als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Met dit bestemmingsplan is sprake van een veranderend gebruik waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Voor de beoogde ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkeling zoals in het Besluit Milieueffectrapportage is beschreven.
Een 'vormvrije m.e.r.beoordeling' wordt daardoor niet noodzakelijk geacht. Ten slotte geldt dat één nieuwe woning en het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning niet als stedelijke ontwikkeling gezien worden waarvoor een m.e.r.beoordeling nodig zou zijn.
68/132
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Een bestemmingsplan bestaat uit planregels, een verbeelding, vergezeld met een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting is gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Voor de plansystematiek is aansluiting gezocht bij de standaard systematiek van de gemeente Halderberge en de vigerende regels van het bestemmingsplan “Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge” en van het nog vast te stellen bestemmingsplan "Parapluplan Halderberge 2021".
5.2
Algemene toelichting verbeelding
Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere overheden en samenwerkingspartners. Tevens maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen.
5.3
Algemene toelichting plangregels
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten: y Hoofdstuk 1 (inleidende regels), met daarin een aantal regels die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten; y Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels), met daarin per bestemming onder meer bestemmingsregels, bouwregels en afwijkingsmogelijkheden; y Hoofdstuk 3 (algemene regels), met daarin algemene afwijkings, bouw, gebruiks, aanduidings, afwijkings en wijzigingsregels; y Hoofdstuk 4 (overgangs en slotregels), met daarin de overgangsregels en de slotregel.
69/132
5.4
Toelichting bestemmingen
In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen en gebiedsaanduidingen voor: Artikel 3: Wonen Binnen de bestemming ‘Wonen’ is wonen toegestaan. Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn daarnaast ondergeschikte voorzieningen zoals groen, aanhuisverbonden beroepen of bedrijven, nuts, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Voor de toegestane bebouwing zijn bouwregels opgenomen. Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 Deze bestemming is opgenomen mede ter bescherming van ter plaats aanwezige (hoge) archeologische verwachtingswaarden. Dit overeenkomend de dubbelbestemming in het vigerende bestemmingsplan. Gebiedsaanduidingen overige zone bebouwingsconcentraties en gebiedsaanduiding overige zone gemengd geconcentreerd Conform de bestaande situatie worden de gebiedsaanduidingen 'overige zone bebouwingsconcentraties' en 'overige zone gemengd geconcentreerd' behouden.