CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Meirstraat 51 Oud Gastel.pdf

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 6: Vaststellen bestemmingsplan Meirstraat 51 Oud Gastel21.438 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

MEIRSTRAAT 51 OUD GASTEL Halderberge Bestemmingsplan

1/2

DATUM KENMERK

18-04-2024 NL.IMRO.1655.BP6035-C001

PROJECT PROJECTLEIDER

Meirstraat 51 Oud Gastel Ir. H. Wenting

OPDRACHTGEVER De heer Ossenblok PROJECTNUMMER 20221394 AUTEUR STATUS

2/2

J. Dingemanse Vastgesteld

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1

Aanleiding

9

1.2

Plangebied

9

1.3

Geldend bestemmingsplan

10

1.4

Leeswijzer

13

Projectomschrijving

15

2.1

Huidige situatie

15

2.2

Beoogde ontwikkeling

16

Beleid

21

3.1

Rijksbeleid

21

3.2

Provinciaal beleid

23

3.3

Gemeentelijk beleid

27

Sectorale onderzoeken

35

4.1

Gezondheid

35

4.2

Bodemkwaliteit

36

4.3

Ecologie

39

4.4

Cultuurhistorie

44

4.5

Archeologie

47

4.6

Bedrijven en milieuzonering

50

4.7

Watertoets

52

4.8

Verkeer en parkeren

56

4.9

Geur

59

4.10

Geluid

60

4.11

Externe veiligheid

61

4.12

Luchtkwaliteit

64

4.13

Duurzaamheid

67

4.14

Kabels en leidingen

67

4.15

Vormvrije m.e.r.­beoordeling

68

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

3/132

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

69

5.1

Inleiding

69

5.2

Algemene toelichting verbeelding

69

5.3

Algemene toelichting plangregels

69

5.4

Toelichting bestemmingen

70

Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid

71

6.1

Economische uitvoerbaarheid

71

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

71

Hoofdstuk 6

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Verkennend bodem­ en asbestonderzoek

Bijlage 2

Memo stikstofberekening

Bijlage 3

Stikstofberekening aanlegfase

Bijlage 4

Stikstofberekening gebruiksfase

Bijlage 5

Quickscan flora en fauna

Bijlage 6

Aanvullend vleermuisonderzoek

Bijlage 7

Memo milieuzonering ­ geluid

Bijlage 8

Akoestisch onderzoek gevelbelasting wegverkeer

Bijlage 9

Aanvraagformulier hogere waarden

Bijlage 10

Beschikking hogere waarden Wet geluidhinder en Besluit geluidhinder

Bijlage 11

Standaard Verantwoording Groepsrisico gemeente Halderberge

Bijlage 12

Standaardadvies veiligheidsregio

Bijlage 13

Beleidsvisie EV gemeente Halderberge

Bijlage 14

Vooroverlegreactie Provincie Noord­Brabant

Bijlage 15

Vooroverlegreactie Waterschap Brabantse Delta

Bijlage 16

Omgevingsdialoog

4/132

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

109

Artikel 1

Begrippen

109

Artikel 2

Wijze van meten

118

Bestemmingsregels

121

Artikel 3

Wonen

121

Artikel 4

Waarde ­ Archeologie 2

125

Hoofdstuk 3

Algemene regels

127

Artikel 5

Anti­dubbeltelregel

127

Artikel 6

Algemene bouwregels

128

Artikel 7

Algemene gebruiksregels

130

Hoofdstuk 4

Overgangs­ en slotregels

131

Artikel 8

Overgangsrecht

131

Artikel 9

Slotregel

132

Hoofdstuk 2

Bijlagen regels Bijlage 1

Toetsingskader Humane Huisvesting Arbeidsmigranten

Bijlage 2

Kadernota Parkeren 2023­2027

5/132

6/132

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Meirstraat 51 in Oud Gastel is op dit moment een bedrijf met bedrijfswoning aanwezig. Het bedrijf voorziet momenteel als stalling voor campers en caravans. De initiatiefnemer wil graag de bedrijfsbestemming beëindigen teneinde een nieuwe woning te kunnen realiseren aan de Meirstraat 51 te Oud Gastel. De aanwezige loods wordt compleet verwijderd en hiervoor in de plaats wordt de woning gebouwd. De locatie aan de Meirstraat 51 in Oud Gastel heeft in het geldende bestemmingsplan 'Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge' de enkelbestemming 'Bedrijf'. Het bedrijf heeft een extra aanduiding voor de verhuur van transportmiddelen en ligt in een bebouwingsconcentratie. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuwe woning op het adres Meirstraat 51 te Oud Gastel. Waarbij de edrijfsopstallen worden gesloopt en vervolgens een nieuwe burgerwoning op nummer 51 wordt gerealiseerd. Hiermee wordt leegstand en verpaupering voorkomen. Daarnaast wordt de bedrijfswoning op het adres Meirstraat 51a1 te Oud Gastel omgezet naar een burgerwoning. Het voornemen past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Op 9 februari 2021 is hiertoe door Burgemeester en Wethouders in principe medewerking verleend.

1.2

Plangebied

De locatie ­ hierna ook aangegeven met plangebied ­ ligt in het oostelijke deel aan de rand van het dorp Oud Gastel in gebied De Stoof en is onderdeel van het bestaand stedelijk gebied volgens de Provincie Noord­Brabant. Het plangebied grenst aan de Meirstraat. De Meirstraat kent een divers straatbeeld door de aanwezigheid van verschillende functies, verspringende gevellijnen en afwisselde kaprichtingen. In paragraaf 2.1 is een uitgebreide beschrijving beschreven. De ligging van het plangebied is op figuur 1.1 weergegeven.

9/132

Figuur 1.1 Ligging plangebied in Oud Gastel (Bron: Rho Basisviewer)

1.3

Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is het op 14 december 2017 vastgestelde bestemmingsplan 'Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge'. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Bedrijf'. Gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn bestemd voor een bedrijf in milieucategorie 1 en 2, overeenkomstig met de Staat van Bedrijfsactiviteiten als opgenomen in Bijlage 1 van het bestemmingsplan 'Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge' van deze regels alsmede agrarisch verwante en agrarisch technische hulpbedrijven in categorie 3.1. Verder zijn gronden met de bestemming 'Bedrijf' bestemd voor één bedrijfswoning per bestemmingsvlak, aan­huis­verbonden beroepen of bedrijven, groenvoorzieningen, (onverharde) paden, wegen, parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige en nutsvoorzieningen, behoud, herstel en/of ontwikkelingen van de natuurwaarden, ecologische waarden en/of landschappelijke waarden en statische opslag met een maximale oppervlakte van 1000 m2. De bestemming 'Bedrijf' heeft een extra aanduiding voor de verhuur van ransportmiddelen ('specifieke vorm van bedrijf ­ verhuur van transportmiddelen'). Onterecht is er een bedrijfsbestemming gelegd op een kavel GTL02­G­559.

10/132

Op het perceel gelden de maximale bouw­ en goothoogte 8 meter en 5 meter en geldt de maximale oppervlakte van 640 m2 bebouwing ten behoeve van de bedrijfsactiviteit. Tot slot geldt op het plangebied de gebiedsaanduiding 'overige zone ­ bebouwingsconcentraties'. Een bebouwingsconcentratie is een kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. Verder geldt voor het plangebied deels de dubbelbestemming 'Waarde ­ Archeologie 2'. Ter plaatse van deze gronden geldt dat bij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden, waarin wordt aangetoond dat er geen archeologische waarden zullen worden geschaad door de ontwikkeling. In het geldend bestemmingsplan 'Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge' is in een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 6.5.2 om de huidige bestemming om te zetten naar 'Wonen'. Dit geldt alleen voor de bestaande bedrijfswoning en kan niet worden toegepast voor het realiseren van een extra woning. De beoogde woning zou eventueel wel te realiseren zijn als gebruik wordt gemaakt van de Ruimte­voor­Ruimte regeling waarbij een bouwtitel moet worden aangekocht.

De bijzondere situatie doet zich voor dat het perceel volgens de Interim omgevingsverordening Noord­Brabant (zie paragraaf 3.2.2), in het bestaand stedelijk gebied ligt en daarmee niet voor de Ruimte­voor­Ruimte regeling in aanmerking komt. Daarmee is de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 38.3 niet toepasbaar. Het voornemen past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

11/132

Figuur 1.2 Aanduiding plangebied in bestemmingsplan 'Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge' (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) Parapluplan Halderberge 2021 Op 7 december 2022 is het bestemmingsplan 'Parapluplan Halderberge 2021' vastgesteld. Het plangebied heeft hierin de gebiedsaanduiding 'overige zone ­ gemengd geconcentreerd'. Kamergewijze verhuur Op 15 september 2022 is het voorbereidingsbesluit 'Kamergewijze verhuur' vastgesteld. Het voorbereidingsbesluit ziet toe op het voorkomen van kamergewijze verhuur op alle gronden en gebouwen waar binnen de geldende bestemmingsplannen "wonen" is toegestaan of de functieaanduiding "horeca" is opgenomen. Deze regeling is geborgd in het nog vast te stellen bestemmingsplan 'Parapluplan Halderberge 2021'. Kamerverhuur is in voorliggend initiatief niet aan de orde.

12/132

1.4

Leeswijzer

De opbouw van de toelichting op dit bestemmingsplan is als volgt: y y y y y

Hoofdstuk 2 gaat in op de bestaande situatie van het plangebied en de beoogde ontwikkeling; Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de relatie met het beleidskader; Hoofdstuk 4 omvat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan de omgevingsaspecten; Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving; Hoofdstuk 6 gaat in op de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

13/132

14/132

Hoofdstuk 2

2.1

Projectomschrijving

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen ten westen van de dorpskern Oud Gastel, aan de Meirstraat. De gronden langs de Meirstraat zijn grotendeels bestemd als 'Wonen'en 'Bedrijf''. In de naaste omgeving van het plangebied zijn er naast diverse burgerwoningen ook diverse andere functies aanwezig. Het betreffen diverse bedrijfsmatige functies en enkele agrarische bedrijven. Op het huidige perceel aan de Meirstraat 51 in Oud Gastel staat een loods van ongeveer 550 m2 uit het bouwjaar 1965. Hierin is een kantoorgedeelte van 24 m2 aanwezig dat grenst aan de naastgelegen bedrijfswoning (Meirstraat 51a1), dat ook in eigendom is van de initiatiefnemer. Het overige deel van de loods wordt gebruikt als stalling voor caravans en campers. Het gebouw is voornamelijk opgebouwd met ongeïsoleerde gevels van metselwerk, aan de straatzijde voorzien van een elektrische roldeur, de vloer is een onafgewerkte betonvloer en het dak bestaat uit een houten balklaag afgewerkt met golfplaten van asbesthoudend materiaal. Van het voorste deel van de loods, aan de straatzijde, is in 2002 de gevel en het dak vernieuwd. Het overige deel is nog in de originele staat en is verouderd. Zo zijn er enkele gebreken zoals diverse scheuren in de gemetselde gevels. Het dak met de asbest beplating dient in de komende jaren volgens de regelgeving verwijderd of vervangen te worden.

De bedrijfswoning op het perceel Meirstraat 51a1 heeft een woonfunctie, maar is niet meer in gebruik als bedrijfswoning. De gronden waarop de te bouwen woning gerealiseerd wordt en waarop de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, staan kadastraal bekend als GTL02­G­556, 557 en 558.

15/132

Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied (Bron: Ruimtelijke Plannen)

2.2

Beoogde ontwikkeling

Ter plaatse van de Meirstraat 51 wordt de huidige bedrijfsloods compleet verwijderd en wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De bestaande loods met roldeur wordt gesloopt en op deze plaats zal een nieuwe woning worden gerealiseerd. De situering van de nieuwe woning is passend in de omgeving. Tussen de bestaande bebouwing van kavel GRL02­G­557 en de nieuwe woning is een pad vrijgehouden van ca. 4 meter breed. Aan de ander kant, kavel GTL02­G­560, is er een afstand van ca. 4,5 meter tot de bestaande bebouwing. Ter verduidelijking zijn de kadastrale nummers en begrenzingen in figuur 2.2 opgenomen. De bedrijfswoning wordt vervolgens omgezet naar burgerwoning zodat het feitelijk gebruik in overeenstemming is.

16/132

Figuur 2.2 Kadastrale percelen (Bron: kadastralekaart.com) De beoogde woning is een vrijstaande woning met een goot­ en bouwhoogte van 3,5 meter en 9,5 meter. De aangrenzende garagebox is 3,1 meter hoog. Er wordt volledig op eigen terrein geparkeerd (zie figuur 4.11). De woning inclusief garagebox en bijkeuken is 17 meter diep. Er is gekozen om de ruimte tussen het bouwvolume en de westelijke zijdelingse perceelgrens vrij te houden. Hierdoor is een ver doorzicht naar achteren ontstaan. Dit sluit aan bij het (oorspronkelijke) landelijke karakter van het bebouwingslint. Om het bouwvolume te laten passen in het karakter van het lint is gekozen voor een kap. Dit resulteert in een steilere dakhelling en een kloeker dakvlak, waardoor de vorm van de bouwmassa beter aansluit bij de basiskenmerken van landelijk­dorpse bebouwing in directe omgeving. Dit zonder dat de bruikbaarheid van ruimte op de 1e verdieping en onder de kap wezenlijk worden aangetast. Rekening houdend met de nieuwe regelgeving en de wensen in de toekomst, is het de bedoeling om een energie neutrale woning te bouwen die tevens levensloopbestendig is. Daarnaast is het plan om de woning CO2­neutraal en gasloos te bouwen met de toepassing van duurzame materialen (zie ook paragraaf 4.13).

17/132

Figuur 2.3 Ontwerp beoogde ontwikkeling (Bron: Algra & Marechal architecten b.v.)

18/132

Figuur 2.4 Artist impression beoogde ontwikkeling (Bron: Bron: TVerd) De bedrijfswoning op het perceel Meirstraat 51a1 is niet meer als zodanig in gebruik. Met dit bestemmingsplan wordt het gebruik als burgerwoning planologisch mogelijk gemaakt.

19/132

20/132

Hoofdstuk 3 3.1

Beleid

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: y dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; y met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; y waar het goed wonen en werken is.

Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; y met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; y waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; y dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; y waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; y dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

Voor dit project relevante nationale belangen zijn: y Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. y Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. y Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.

21/132

Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: y Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. y Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. y Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. y Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets­ en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing en conclusie Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van een vrijstaande woning en het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden.

In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De NOVI bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. Toetsing Voor het plangebied geldt dat bij de ontwikkeling van het voorgenomen plan geen nationale belangen uit het Barro in geding zijn.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking Samenvatting beleidskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuw stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De reden hiervoor is om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland te bevorderen. Een stedelijke ontwikkeling houdt in dat er nieuwe bebouwing wordt toegevoegd aan de huidige bebouwing. De ladder bestaat uit twee stappen: de eerste stap bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. De tweede stap omvat, indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

22/132

Toetsing en conclusie De ladderonderbouwing is op basis van jurisprudentie pas nodig vanaf 12 nieuwe woningen. De ontwikkeling betreft het realiseren van een woning in het buitengebied en de daarbij behorende juridische planologische vastlegging. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom in dit geval niet relevant. Desondanks kan in het algemeen worden geconstateerd dat er ruime vraag is naar woningen zoals beoogd. De locatie ligt in het stedelijk gebied, maar er wordt ter compensatie bebouwing gesloopt. Aangezien de loods wordt gesloopt is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet nodig. Ondanks dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is wordt er in hoofdstuk 4 ingegaan op de goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaarheid. Aangezien op het perceel Meirstraat 51a1 alleen sprake is van een omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en deze niet leidt tot een nieuwe woning, kan deze wijziging niet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is voor de beoogde ontwikkeling dan ook niet aan de orde.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord­Brabant In de Omgevingsvisie Noord­Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord­Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord­Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord­Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven te onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: y Werken aan de Brabantse energietransitie; y Werken aan een klimaatproof Brabant; y Werken aan de slimme netwerkstad; y Werken aan een concurrerende, duurzame economie.. Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. De realisatie van één woning en het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning op de bestaande locatie aan de Meirstraat past binnen de omgevingsvisie van de provincie. De realisatie vindt plaats binnen het bestaande stedelijk gebied en zorgt voor versterking van de bestaande woningvoorraad in het dorp.

Met de nieuwbouw wordt tevens aangesloten bij de laatste eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie neutraal bouwen, waarmee de ontwikkeling past binnen de visie van energietransitie (zie ook paragraaf 4.13). 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord­Brabant In de komende jaren treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening Noord­Brabant is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening.

23/132

De Interim omgevingsverordening Noord­Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie Nood­Brabant. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van de omgevingsverordening zijn zogenaamde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. De volgende artikelen zijn relevant voor de beoogde ontwikkeling. Stedelijk gebied, landelijke kern Nieuwe stedelijke ontwikkelingen dienen in principe plaats te vinden binnen het stedelijk gebied. Dit om zorgvuldig ruimtegebruik zoveel mogelijk te stimuleren. Binnen het als zodanig aangewezen stedelijk gebied is de gemeente vrij ­ binnen de grenzen van andere wetgeving ­ om te voorzien in een stedelijke ontwikkeling.

Het plangebied ligt binnen het gebied waar deze regels van toepassing zijn.

24/132

Figuur 3.1 Uitsnede themakaart regels stedelijk gebied, plangebied met rode marker aangegeven (Bron: Provincie Noord­Brabant)

25/132

Figuur 3.2 Uitsnede themakaart regels stedelijk landelijke kern, plangebied met rode marker aangegeven (Bron: Provincie Noord­Brabant) Algemene regels voor bevordering ruimtelijke kwaliteit Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is een belangrijk onderdeel binnen de verordening. Doel hiervan is om het bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. In de verordening is vastgelegd dat iedere ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gepaard moet gaan met een fysieke kwaliteitsverbetering. Hoe deze kwaliteitsverbetering er uit moet gaan zien en welke waarde deze moet vertegenwoordigen, hangt af van de impact van het plan op het landschap en de te verwachten grondwaardevermeerdering. Gelet op de ligging binnen het provinciaal stedelijk gebied is het afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap niet van toepassing en hoeft er geen landschappelijke inpassing plaats te vinden.

26/132

Toepassing planontwikkeling De begrenzing van het nieuwe woonperceel volgt de contour van het bestaand stedelijk gebied. Uitsluitend binnen dit woonperceel en dus binnen het bestaand stedelijk gebied, zijn nieuwe bouwmogelijkheden toegestaan. Daardoor is dit planvoornemen in overeenstemming met de verordening. Het omzetten van de bedrijfswoning op Meirstraat 51a1 is daarmee ook mogelijk binnen de Interim omgevingsvergunning Noord­Brabant. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Halderberge De Omgevingsvisie Halderberge is vastgesteld door de gemeenteraad van Halderberge op 10 februari 2022. In de omgevingsvisie zijn de waarden en opgaven beschreven per kern binnen de gemeente. Dit om bij te dragen aan het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving om Halderberge aantrekkelijk te houden en nog aantrekkelijker te maken. Op basis van de plankaart bij de visie is de planlocatie gelegen in een bebouwingsconcentratie, zie figuur 3.3. Het omzetten van een bedrijfsbestemming naar woonbestemming om vervolgens een nieuwe woning te realiseren past binnen de doelstelling van de visie. Deze bebouwingsconcentratie bestaande uit grotendeels de Meirstraat en Stoofstraat is eerder uitgebreid beschreven in de ‘Visie Toekomstbestendig gebruik agrarisch vastgoed, De Stoof en omgeving (zie paragraaf 3.3.2).

Figuur 3.3 Aanduiding plangebied (rood omkaderd)in de Omgevingsvisie Halderberge (Bron: gemeente Halderberge)

27/132

3.3.2 Toekomstbestendig gebruik agrarisch vastgoed De visie 'Toekomstbestendig gebruik agrarisch vastgoed' is vastgesteld door de gemeenteraad van Halderberge op 11 februari 2021.Door middel van deze visie wil de gemeente Halderberge leegstand van vrijkomende agrarisch bedrijven in het buitengebied voorkomen. Hierbij is leefbaarheid en veiligheid belangrijk. Door het mogelijk maken van innovaties, creativiteit en herstructurering zullen ondernemers en bewoners minder kwetsbaar zijn en wordt (ondermijnende) criminaliteit, verkrotting en verrommeling tegengegaan en blijft het buitengebied vitaal. Samen met inwoners en ondernemers is in 2019 en 2020 gewerkt deze een visie voor het pilotgebied ten oosten van Oud Gastel, De Stoof en omgeving. Op basis van deze visie is gekeken welke mogelijkheden en wensen het gebied heeft om te innoveren en herstructureren als het gaat om vrijkomend agrarisch vastgoed. Daarnaast is een agrarische kennisbank opgezet om agrarisch ondernemers te ondersteunen bij innovatie of bij het versterken van hun situatie. Het plangebied ligt binnen het gebied De Stoof. Gebied De Stoof is opgedeeld in drie functiezones. 'Zone Agrarisch', 'Zone gemengd ­ geconcentreerd' en 'Zone gemengd ­ verspreid'. Het plangebied ligt in 'Zone gemengd geconcentreerd' (zie figuur 3.4). De functies in dit gebied zijn sterk geconcentreerd en liggen dicht bij elkaar.

Deze zone bestaat uit een menging aan functies zoals wonen, werken en woonfunctie en is hier sterk vertegenwoordigd. In deze zone is ruimte voor een breed scala aan functies, waarbij het typische karakter van de lintbebouwing behouden blijft. Daarnaast biedt deze zone ruimte voor het toevoegen van kleinschalige landschapselementen en meer erfbeplanting.

28/132

Figuur 3.4 Aanduiding plangebied met ster in visie 'Toekomstbestendig gebruik agrarisch vastgoed' (Bron: gemeente Halderberge)

29/132

Randvoorwaarden voor herstructurering In de visie moet rekening gehouden worden met een aantal belangrijke randvoorwaarden voor herstructurering. Dat zijn: y Gezondheid & Veiligheid y Duurzaamheid y Omgevingsdialoog y Kwaliteitsverbetering van het landschap Conclusie Voorliggend initiatief behelst de sloop van een loods die bedrijfsmatig is bestemd maar thans in gebruik is als kantoor en stalling voor caravans en campers. De aanwezige loods wordt compleet verwijderd en hiervoor in de plaats wordt de woning gebouwd. De ontwikkeling draagt bij aan het tegengaan van leegstand van bedrijfsbebouwing, aangezien de loods gesloopt gaat worden. Daarnaast wordt de bedrijfswoning op het adres Meirstraat 51a1 te Oud Gastel omgezet naar een burgerwoning, aan de feitelijke bebouwde situatie verandert niets. De beoogde ontwikkeling voorziet in een aanvulling op de bestaande lintbebouwing en draagt daarnaast bij aan het benadrukken van het naastgelegen open doorzicht naar het achterliggende landschap. 3.3.3 Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Halderberge De gebiedsvisie bebouwingsconcentraties is door de gemeenteraad van de gemeente Halderberge op 24 september 2009 vastgesteld. In deze visie is aangegeven waar bebouwingsconcentraties zijn gelegen in het buitengebied van de gemeente Halderberge.

Om verdere verstening van het buitengebied tegen te gaan, biedt het beleid weinig mogelijkheden tot toevoeging van burgerwoningen. Er zijn drie uitzonderingen: woningbouw in het kader van de Ruimte­voor­Ruimte regeling (door verweving contingent), realisatie van nieuwe landgoederen of het toevoegen van woningen door middel van hergebruik van cultuurhistorische waardevolle bedrijfsbebouwing. Woningbouw in het kader van de Ruimte­voor­Ruimte regeling sluit het beste aan voor de beoogde ontwikkeling. Het bouwen van een Ruimte­voor­Ruimte woning in het buitengebied is onder voorwaarden mogelijk in een bebouwingsconcentratie, zoals een 'bebouwingscluster' of 'kernrandzone'. Deze gebieden zijn aangegeven in de gebiedsvisie en tevens opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge'. Het plangebied maakt onderdeel uit van bebouwingsconcentratie Stoof (zie figuur 3.5).Door de bijzondere positie in het landschap zet de visie in principe niet in op verdere verstedelijking van de bebouwingsconcentratie. Door het bieden van herschikkingsmogelijkheden kan overtollig bebouwing worden gesloopt en worden 'ingewisseld' voor ruimere hoofdbouwmassa's die dichter op de weg zijn gesitueerd. De bebouwingslinten worden hierdoor enigszins verdicht maar hier staat een open structuur van de achterpercelen tegenover.

Bij herschikking kan rekening worden gehouden met de landschappen door een voldoende grote maat van de zijdelingse perceelsgrens te hanteren op die locaties waar deze relaties sterk aanwezig zijn. In figuur 3.5 is met gele pijlen aangeven waar de aanwezige waardevolle zichtrelatie naar het achterliggend landschap behouden moet worden en waar mogelijk versterkt dient te worden. Dit gedeelte maakt dan ook geen onderdeel uit van de bebouwingsconcentratie zodat de zichtrelatie naar het achterliggend landschap behouden blijft (zie hiervoor de oranje contour uit figuur 3.5).

30/132

Figuur 3.5 Ruimtelijke visie bebouwingsconcentratie Stoof, plangebied rood omcirkeld (Bron: Gemeente Halderberge) Conclusie Het realiseren van de beoogde woning is mogelijk door gebruik te maken van de Ruimte­voor­Ruimte regeling waarbij in theorie een bouwtitel moet worden aangekocht. In de gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Halderberge is aangegeven dat de Ruimte­voor­Ruimte regeling op een herstructureringslocatie (met aankoop van een titel) mogelijk is als er meer dan 2.000 m2 wordt gesloopt. Ook doet de bijzondere situatie zich voor dat het perceel volgens de provinciale regelgeving, de Interim omgevingsverordening Noord­Brabant (zie paragraaf 3.2.2), in het bestaand stedelijk gebied is gelegen en daarmee niet voor de Ruimte­voor­Ruimte regeling in aanmerking komt. Voorliggende ontwikkeling is een herstructureringslocatie waar woningbouw mogelijk is, echter is hier geen formele Ruimte­voor­Ruimte nodig omdat er sprake is van stedelijk gebied. Woningbouw past, indien dit past in de woningbouwprogrammering (zie paragraaf 3.3.4). Met de ontwikkeling wordt leegstand en verloedering tegengegaan en wordt gezorgd zorgt voor ruimtelijke kwaliteitswinst. De ontwikkeling past zodoende binnen de gestelde kaders. De bedrijfswoning aan de Meirstraat 51a1 is al jaren aanwezig. Aan de feitelijke bebouwde situatie zal niets veranderen.

De wijziging van het gebruik als burgerwoning doet geen afbreuk aan het karakter van het landelijk gebied ter plaatse. 3.3.4 Woonvisie en woningbouwopgave Halderberge Op 7 oktober 2021 heeft de gemeenteraad de Woonvisie 2021­2025 vastgesteld. Halderberge is het groene hart van de regio West­Brabant. Halderberge is een woongemeente met een unieke diversiteit aan kernen, bijzonder cultuurhistorisch erfgoed en een recreatieve en toeristische trekpleister. De variatie en kwaliteit in woningen staat voorop. De gemeente Halderberge zorgt voor een ruime keuzevrijheid om te voorzien in de woonwens van (toekomstige) Halderbergenaren. Daarvoor wordt er voldoende woningaanbod gerealiseerd. Gedurende de periode van de Woonvisie wordt ingezet op toevoeging van 600 tot 900 woningen, een toename van 4 tot 7% ten opzichte van de huidige woningvoorraad.

31/132

Dit is een grote opgave en we dagen dan ook (toekomstig) inwoners en marktpartijen uit om, vergezeld van creatieve ideeën, deze klus met ons te klaren. Het woningaanbod past binnen de uitgangspunten van de woonvisie, het houdt voldoende rekening met de demografische ontwikkelingen van onze eigen inwoners, maar is ook aantrekkelijk voor huishoudens die zich in Halderberge willen gaan vestigen. Om voldoende woningen te kunnen realiseren stuurt de gemeente Halderberge, zo lang dat nodig is, op een overprogrammering van circa 130%. Het woningbouwprogramma draagt bij aan de gemeentelijke woonwaarden: 1. Goed wonen voor iedereen in een groen, veelzijdig en landelijk woonmilieu; 2. De vijf dorpen met unieke kernkwaliteiten; 3. Duurzame ontwikkeling in bouwen en wonen; 4. Ruimte voor initiatief en samenwerking. Met de uitvoering van het woningbouwprogramma wordt ingezet op het bouwen voor de actuele woningbehoeften, zowel kwantitatief waarbij de provinciale bevolkings­ en woningbehoefteprognose de richtlijn voor het woningbouwprogramma is als in kwalitatieve aspecten. De nieuwbouwwoningen en locaties die nog toegevoegd worden aan het woningbouwprogramma moeten een aantoonbare meerwaarde leveren. Woningbouwontwikkelingen moeten voldoen aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Per dorp wordt ingezet op het vergroten van de diversiteit van de woningen en woonsferen.

Er is aandacht voor kansen in het vergroenen van wijken en verduurzamen van woningen. De transformatie van leegstaand (religieus) vastgoed blijft een van de grootste opgaven komende periode waarvoor extra tijd en geld benodigd is. Om een versnelling van de woningbouw mogelijk te kunnen maken en te blijven aansluiten bij de acute vraag, zal ook buiten de bestaande bebouwingsgrenzen gezocht worden. Er wordt ingezet op: y Sturing van een minimale invulling van 25% door nieuwe woonvormen en (collectieve) zelfbouw bij nieuwbouwontwikkeling. Daarbij is expliciete aandacht voor de doelgroep starters. Daarnaast is zelfbouw een gewenste toevoeging aan de woningvoorraad om doorstromers de kans te geven hun eigen plek te ontwikkelen. y Samen met marktpartijen nieuwe woonvormen te onderzoeken. y Meer ruimte bieden voor flexibele woonvormen met een tijdelijk karakter om de toenemende vraag naar woningen te kunnen bedienen. y Meer ruimte via maatwerk voor kleinschalige, collectieve wooninitiatieven met meerwaarde in de dorpen en in (delen van) het buitengebied, onder voorwaarden (ja mits). Oud Gastel is een kern met een groen en dorps woonmilieu, een divers woningaanbod (type en prijs) en een goed voorzieningenniveau. De bereikbaarheid van Oud Gastel is goed. Oud Gastel heeft een hoge kerngebondenheid en de aantrekkingskracht op vestigers van buiten de gemeente is relatief groot.

Oud Gastel is ook in trek voor inwoners die terugkeren naar Halderberge. Op dit moment wordt aan de noordzijde ingezet op een gefaseerde uitbreiding van de kern. Daarnaast zijn er in het centrum diverse inbreidingslocaties waaronder vrijkomende schoollocaties waar de komende periode woningbouw wordt gerealiseerd.

32/132

In de Woonvisie worden de volgende kansen genoemd voor Oud Gastel: y Op nieuw te ontwikkelen locaties worden groene en ruime woonbuurten gerealiseerd waar dit past bij het woningtype; y In Oud Gastel is er een grote vraag naar betaalbare koopwoningen; y In het centrumgebied is vraag naar levensloopbestendige woningen. De vrijkomende schoollocaties worden hiervoor ingezet; y In Oud Gastel wordt door de gemeente ingezet op het behoud en het versterken van het groene en dorpse woonmilieu. Voorliggend initiatief, waarbij één woning wordt gerealiseerd en een bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, past binnen de hiervoor geformuleerde kansen en sluit aan bij het karakter van het woonmilieu ter plaatse. De realisatie van de woning vindt plaats op een passende locatie waarbij wordt aangesloten op de vraag in de woningmarkt. In de Woonvisie wordt (onder andere) ingezet op het benutten van mogelijkheden van het bestaand vastgoed. Dit initiatief gaat uit van de sloop van de aanwezige loods en de realisatie van een woning. Er wordt dus gebruik gemaakt van bestaand vastgoed. Dit geldt ook voor het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning. Conclusie Onderhavig plan betreft de bouw van één woning waarvoor in het woningbouwprogramma ruimte is gereserveerd in het buitengebied. Voor het overige is de Woonvisie niet van invloed op de voorliggende ontwikkeling.

Aangezien in de feitelijke situatie al sprake is van een woning aan de Meirstraat 51a1 hoeft deze niet worden opgenomen in de woningbouwopgave. Voorliggend plan maakt geen onderdeel uit van de (harde) plancapaciteit, maar draagt kwantitatief wel bij aan de ambities uit de gemeentelijke woonvisie, aangezien beide woningen voorzien in de specifieke woonbehoefte van initiatiefnemers. 3.3.5 Woningbouwprogramma 2018­2028 De nieuwbouwopgave voor de gemeente Halderberge is vastgelegd in het gemeentelijk woningbouwprogramma. Het huidige woningbouwprogramma 2018­2028 is gericht op de ambitie om ruim 1.000 woningen te realiseren. Het woningbouwprogramma is dynamisch en flexibel van opzet en is daarom niet integraal opgenomen in de woonvisie. De gemeenteraad heeft het college flexibiliteit gegeven in fasering, aantal en locaties binnen het totale woningbouwprogramma. Toetsing en conclusie In het vastgestelde woningbouwprogramma 2018­2018 is één nieuwe woning gereserveerd voor onderhavig plan. 3.3.6 Welstandsnota 2017 Gemeente Halderberge Het welstandsbeleid is op 24 mei 2017 vastgesteld vanuit het oogpunt dat het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving dient te worden behartigd. De welstandsnota omschrijft op welk niveau de welstand van een gebied of object getoetst mag worden. Dit om de architectonische kwaliteit bij verbouw of nieuwbouw te waarborgen.

33/132

Het doel van het welstandstoezicht is, om in alle openheid, een bijdrage te leveren aan die aantrekkelijkheid van de dagelijkse leefomgeving. Het welstandsbeleid is hierin uitgewerkt en biedt de basis om de huidige en kenmerkende kwaliteiten van de bebouwde omgeving in Halderberge te behouden en verder te ontwikkelen. Het plangebied bevindt zich in deelgebied 'Bebouwingslinten', voor dit deelgebied en andere deelgebieden zijn in deze nota welstandscriteria opgenomen waaraan een bouwvergunning voor de te bouwen woning getoetst zal gaan worden. Conclusie In het kader van de omgevingsvergunning voor bouw zal de formele aanvraag om de omgevingsvergunning definitief worden getoetst aan de eisen vanuit de welstandsnota. Het plangebied ligt binnen het welstandsgebied 'Bebouwingslinten', waardoor de daarbij behorende welstandsregels van toepassing zijn. De concept­aanvraag is op 27 juni 2021 getoetst aan de welstandsnota. Aan de eisen van welstand wordt voldaan.

34/132

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale onderzoeken

Gezondheid

In deze paragraaf wordt inzicht gegeven naar de gezondheidseffecten in de omgeving van geitenhouderijen en spuitzones. Geitenhouderijen Binnen 2,5 kilometer van het plangebied is één veehouderij gevestigd waar geiten worden gehouden. De VGO­onderzoeken zijn uitgevoerd voor geitenhouderijen waar 50 of meer geiten worden gehouden, vanaf dit aantal wordt gesproken over het bedrijfsmatig houden van geiten. In deze beoordeling is hierbij aangesloten. Op circa 2,5 kilometer van het plangebied wordt uitsluitend ter plaatse van de Opperstraat 13 meer dan 50 geiten gehouden. In totaal gaat het om 75 geiten. Bij de beoordeling van de potentiële gezondheidseffecten spelen onder andere de optredende concentraties fijn stof een rol. De bijdrage van geitenhouderijen aan de concentraties fijn stof zijn over het algemeen relatief laag, zeker in vergelijking tot bijvoorbeeld pluimveehouderijen. Er zijn vuistregels beschikbaar om te beoordelen of een veehouderij 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen (Handreiking fijn stof en veehouderijen). Ter illustratie: bij een fijn stof emissie van 581.000 gram per jaar draagt een veehouderij op 100 meter afstand mogelijk 'in betekende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

Voor de veehouderij aan de Opperstraat 13 is sprake van een fijnstofemissie van 16,60 kilogram per jaar en de afstand tot het plangebied bedraagt circa 2,5 kilometer. De bijdrage van de veehouderij aan de concentraties fijn stof binnen het plangebied zal verwaarloosbaar zijn. Datzelfde geldt waarschijnlijk voor de endotoxinewaarde. Gezien de bedrijfssituatie en de minimale afstand zal deze binnen het plangebied onder de advieswaarde van 30 EU/m3 liggen. In principe houdt de GGD de norm aan van geitenhouderijen binnen 2 km. Er kan geconstateerd worden dat er binnen 2 km geen geitenhouderijen aanwezig zijn waar bedrijfsmatig geiten worden gehouden voldoende en kan deze toets achterwege blijven. De conclusie moet dan zijn dat er geen gezondheidsrisico's zijn voor het oprichten van nieuwe gevoelige objecten gezien de afstand van meer dan 2 km (dit blijkt uit de VGO onderzoeken). Overige veehouderijen in de omgeving Bij de afweging van de gezondheidssituatie speelt ook de veedichtheid in de omgeving een rol. De GGD adviseert een gebiedsgerichte aanpak wanneer sprake is van meer dan 15 veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 kilometer (bedrijven met dieraantallen volgens VGO­criteria). De dichtheid van bedrijven is gerelateerd aan een toename van gezondheidsklachten bij omwonenden.

De GGD adviseert daarom het voorzorgsprincipe toe te passen en terughoudend te zijn met het plaatsen van nieuwe gevoelige bestemmingen in veedichte gebieden met meer dan vijftien bedrijven binnen een straal van 1 kilometer.

35/132

Uit de informatie die beschikbaar is via web­BVB blijkt dat er binnen een afstand van 1 km van het plangebied in totaal 16 veehouderijen aanwezig zijn. Een groot aantal van deze bedrijven heeft een zeer kleine omvang en kan daarom buiten beschouwing worden gelaten. Het risico op een longontsteking voor bewoners, als gevolg van een geitenhouderij, is groter indien de wind vanuit de geitenhouderij richting de woningen gaat. In Nederland zijn de windrichtingen zuidwest, west en noordwest de meest voorkomende windrichtingen. De geitenhouderijen bevinden zich aan de noord(oost) zijde van het perceel zodat bij de meest voorkomende windrichtingen de wind, gezien vanuit de veehouderijen, van de percelen Meirstraat 51 en 51a1 afgaat. Het risico op een longontsteking voor de bewoners van Meirstraat 51 en 51a1 wordt hierdoor nog kleiner. Spuitzones Er zijn geen wettelijke bepalingen inzake minimaal aan te houden afstanden. Een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, wordt in de rechtspraak niet onredelijk geacht. De omliggende gronden zijn momenteel (oktober 2021) in gebruik als grasland waar paarden op grazen. Graslanden worden niet of nauwelijks bespoten.

Planologisch gezien is het mogelijk op de omliggende gronden vollegrondsteelt, waarbij meer gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, toe te passen. Anders dan wanneer gewasbeschermingsmiddelen in de bomen­ of fruitteelt worden toegepast, is bij vollegrondsteelt nauwelijks sprake van een spuitnevel. Daarnaast is sinds 1 januari 2018 driftreductie van 75% verplicht op basis van het Activiteitenbesluit. Gezien het landschapsplan zal het plangebied daarnaast worden afgeschermd met o.a. een landschappelijke singel en haag, die eventuele resten van de gewasbeschermingsmiddelen kan tegenhouden. Gezien voorgaande is een kleinere afstand dan 50 meter in dit geval gerechtvaardigd. Desondanks wordt een afstand van circa 10 meter aangehouden vanaf de tuin tot aan omliggende percelen. Ter plaatse van de woningen zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat. Conclusie Gezien de beperkte vergunde dieraantallen en de daarmee samenhangende emissies zal de invloed op de milieubelasting (fijn stof en endotoxine) binnen het plangebied beperkt zijn. In de omgeving van het plangebied zijn weliswaar meer veehouderijen aanwezig, maar de veedichtheid is relatief laag. Ook hebben de bedrijven in de directe omgeving van het plangebied over het algemeen lage emissies. Een lagere veedichtheid leidt in principe tot lagere gezondheidsrisico's.

4.2

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

36/132

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Toetsing In opdracht van de familie Verdaas is op 16 juni 2021 een actualiserend bodemonderzoek door Moerdijk Bodemsanering B.V. uitgevoerd voor de locatie van de nieuw te bouwen woning. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 1. Het volgende is geconcludeerd: Het pand is in het verleden voornamelijk in gebruik geweest als opslag en stalling van landbouwwerktuigen, waarbij de voorzijde van het pand geregistreerd staat als werkplaats. Direct achter de werkplaats is een ondergrondse olietank aanwezig geweest, welke reeds verwijderd is (vermoedelijk voor 1993). Op de locatie is in 2004 een nulsituatie bodemonderzoek verricht door Wematech Bodem Adviseurs. Hierbij zijn ter plaatse van de voormalige werkplaats en voormalige ondergrondse olietank in de grond en het grondwater lichte verhogingen aan zware metalen, PAK en minerale olie aangetroffen.

Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie­inspectie) blijkt dat de locatie als heterogeen 'verdacht' beschouwd dient te worden ten aanzien van zwarte metalen, PAK, minerale olie en asbest in de grond. Als extra aandachtspunt wordt de voormalige tanklocatie aangemerkt, middels het plaatsen van een peilbuis ter plaatse. Uit de veld­ en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: y Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn plaatselijke bijmengingen met puin aangetroffen; y Er zijn visueel in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen; y In bovengrondmengmonser M01 zijn licht verhoogde gehalten aan kobalt en lood aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet benaderd; y In ondergrondmengmonster M02 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen; y In het grondwater (GW01) is een licht verhoogde concentratie aan molybdeen aangetroffen. Aangenomen wordt dat de licht verhoogde concentratie aan molybdeen een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde betreft; y In de bodem ter plaatse van AM01 is in de fijne fractie (<20 mm) geen verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese heterogeen 'verdachte' locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhogingen in de grond en het grondwater overschrijden de nader onderzoekswaarden echter niet.

Nader onderzoek en/of meerdere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De bedrijfswoning blijft in gebruik als woning. De functie en de bebouwing wijzigen niet. Uit het onderzoek ten behoeve van de nieuwe woning blijkt dat het perceel ter plaatse geschikt is voor een woonfunctie. Aangezien op het perceel waarop de bedrijfswoning zich bevindt geen bedrijfswerkzaamheden hebben plaatgevonden, kan ook hier worden geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor de woonfunctie. Een bodemonderzoek ter plaatse van de bedrijfswoning is niet aan de orde.

37/132

Niet­gesprongen explosieven De bodemroerende werkzaamheden vinden plaats in een verdacht gebied (zie figuur 4.1). De grond van het volledige kavel is geroerd geweest na de Tweede Wereldoorlog. De werkzaamheden kunnen op reguliere wijze worden uitgevoerd, nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Figuur 4.1 Meirstraat 51 (rood omkaderd) ligt gedeeltelijk in een verdacht gebied Conclusie De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek tonen aan dat de bodem is geschikt voor de beoogde functie wonen. Op de locatie staat nog bebouwing. Nadat de oude bebouwing gesloopt is, zal aangetoond worden dat er geen vermenging van sloopmateriaal heeft plaatsgevonden met de ondergrond. Hierbij zal een voorwaarde voor aanvullende werkzaamheden worden opgenomen in de omgevingsvergunning om niet voor de start van de (bouw)werkzaamheden, maar na de sloop, aan te tonen dat er geen vermenging heeft plaatsgevonden van sloopresten met de (boven)grond.

38/132

Dat kan middels: y het uitvoeren van bodemonderzoek conform NEN 5740 / NEN 5707 naar de bovengrond (tot 1,0 m­mv); y of door het aantonen dat de sloop plaatsvindt door een gecertificeerd bedrijf en het nemen van foto's van het maaiveld tijdens en na de sloop. In verband met grondroerende werkzaamheden na de Tweede Wereldoorlog vormt het aspect niet­gesprongen explosieven geen belemmering.

4.3

Ecologie

Ter voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier­ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat de vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Toetsingskader Bij de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier­ en plantsoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000­gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000­gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord­Brabant uitgewerkt in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten.

39/132

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord­Brabant In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000­gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000­gebied (zie figuur 4.2). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000­gebied is 'Krammer­Volkerak' op circa 10 kilometer ten westen van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. De memo met uitgangspunten en uitkomst is opgenomen in bijlage 2. Uit berekeningen voor de aanleg­ en gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000­gebied (zie bijlage 3 en 4). Dit betekent dat geen significante gevolgen optreden en dat de instandhoudingsdoelstelling van de omliggende Natura 2000­gebieden niet in gevaar komt. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de natuurwaarden Natura­2000 gebieden.

40/132

Figuur 4.2 Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000­gebied Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Brabant (BNZ). Het dichtstbijzijnde gebied is gelegen op ongeveer 600 meter. Dit is natuurgebied N16.04 Vochtig bos met productie. De geplande activiteit ligt op voldoende afstand van dit gebied. Het heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Brabant.

41/132

Figuur 4.3 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant (bron: Provincie Brabant) Soortenbescherming Om de functie van het plangebied voor beschermde soorten te onderzoeken is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (bijlage 5). De conclusies van deze quickscan worden hierna kort weergegeven: In verband met sloop wordt met betrekking tot algemene broedvogelsoorten wordt geadviseerd de werkzaamheden en het verwijderen van het groen uit te voeren buiten het broedseizoen. Hiermee kan een eventuele overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming ten aanzien van algemeen voorkomende broedvogels worden voorkomen. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt moet worden, dan moet voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie gedaan worden.

42/132

Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna dient voor de uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek meer duidelijkheid worden verkregen omtrent de aan­ of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Op 13 oktober 2021 is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. De conclusies van dit nader worden hierna kort weergegeven: Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat er aanvullende stappen genomen moeten worden in het kader van de essentiële foerageergebieden, essentiële vliegroutes en/of verblijfplaatsen vleermuizen. Het is voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met passerende en (opportunistisch) foeragerende vleermuizen, alsmede de aanwezigheid van vleermuisverblijven in de omgeving. Daarnaast zijn eventuele aanbevelingen vanuit de voorgaande onderzoeken van toepassing. Gezien het ontbreken van essentieel leefgebied en vaste rust­ en/of verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd, mits enkele maatregelen getroffen worden. Er hoeven geen andere vervolgstappen in het kader van een ontheffing genomen te worden.

Op basis van het aanvullende onderzoek dienen de volgende maatregelen uitgevoerd te worden: y Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen in de periode april t/m oktober. Dit geldt eveneens voor de aangetroffen verblijven op het perceel aan de oostzijde. Voorbeelden van juiste verlichting zijn: amber­/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren. Voor de aangetroffen verblijven dient te allen tijde voorkomen te worden dat strooilicht op de achtergevel schijnt; y In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten, zoals turkse tortel, merel en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, medio maart t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gestart/gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten; y Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (puin, takken, stronken) dienen gefaseerd te worden verwijderd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/577/documents/16841