CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Havendijk Kom Noord, Oudenbosch vastgesteld 1 Toelichting.pdf

Gemeenteraad 8 februari 2024, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 7: Vaststelling bestemmingsplan Havendijk Kom Noord, deelgebieden 3, 4 en 5, Oudenbosch22.596 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Verder mogen reclame uitingen niet worden aangebracht op bouwlagen met een woonbestemming. Permanent mechanisch bewegende delen, lichtkranten of lichtreclame met veranderlijk of intermitterend licht mogen niet worden toegepast. Bij de uitwerking van de gebiedsvisie van Havendijk Kom Noord naar een stedenbouwkundig plan wordt aanvullend op de Welstandsnota een beeldkwaliteitsplan opgesteld en vastgesteld door de raad voor de borging van de bebouwingskarakteristiek van het plangebied. Het beeldkwaliteitsplan is als Bijlage 1 bij de regels toegevoegd aan het bestemmingsplan.

28

Hoofdstuk 4

Planologisch relevante aspecten

Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieuhygiënische aspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht.

4.1

Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een milieutechnisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De doelstelling van het onderzoek is als volgt: asfalt: bepalen hergebruiksmogelijkheden van het vrijkomende asfalt op de locatie (bepalen teergehalte); fundering: indicatief bepalen van de hergebruiksmogelijkheden (inclusief asbest); bodem: het vaststellen van de milieuhychiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de voorgenoen herontwikkeling en een uitspraak doen over het asbestgehalte in de bodem.

Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende deellocaties onderscheiden: Deellocatie A: gehele locatie; verdacht; Deellocatie B: voormalige (gedempte) watergangen; verdacht; Deellocatie C: zijdzijde Strijmondlaan 74; Deellocatie D: locatiegrens nabij voormalige slibdroogbedden. Het volledige rapport van het milieutechnisch onderzoek is als Bijlage 3 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. Hieronder volgt een samenvatting met de belangrijkste resultaten en conclusie uit het onderzoek.

Milieutechnisch onderzoek Zintuiglijke waarnemingen Zintuiglijk zijn sporen tot volledig puin, sporen kolengruis, zwak slib, sporen plastic, stortmateriaal, huisvuil en een zwakke oliegeur waargenomen.

Verkennend- en nader bodemonderzoek Deellocatie A: gehele locatie Uit de analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bovengrond overwegend licht verontreinigd is met koper, kwik, lood, zink en PAK. De ondergrond is licht verontreinigd met kobalt, koper, kwik, lood, zink en PAK. De grond ter plaatse van de aangetroffen stortlaag met zwakke oliegeur in de bodem blijkt matig verontreinigd te zijn met lood en licht met koper, kwik, zink, minerale olie en PAK. Uit het nader onderzoek ter plaatse blijkt dat geen sprake is van een sterke verontreiniging met lood. Het grondwater

29

ter plaatse van SL01 (zwakke oliegeur) blijkt niet verontreinigd te zijn met minerale olie of PAK. Het grondwater op het overige deel van de locatie is hooguit licht verontreinigd met barium, naftaleen en xylenen. Zowel in de grond als in het grondwater zijn geen verontreinigingen met OCB aangetoond. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat (aanvullend) nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.

Deellocatie B: voormalige (gedempte) watergangen Ter plaatse van de gedempte watergang zijn in de ondergrond sporen puin en zwakke bijmengingen met slib waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat er hooguit lichte verontreinigingen met kwik, lood en minerale olie aanwezig zijn. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.

Deellocatie C: zuidzijde Strijmondlaan 74 Op het terrein van Strijmondlaan 74, waar mogelijk verontreinigingen met koper aanwezig zouden zijn, is plaatselijk sprake van een sterke verontreiniging met koper in de ondergrond. Deze sterke verontreiniging bleek op basis van het nader onderzoek beperkt van omvang te zijn (< 25 m3). Er is derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De boringen die tijdens een eerder uitgevoerd onderzoek [1] als mengmonster onderzocht waren en toen sterk verontreinigd waren met koper, waren individueel hooguit licht verontreinigd.

Deellocatie D: locatiegrens nabij voormalige slibdroogbedden In het verleden zijn buiten de locatiegrens ten westen van Strijmonlaan 74 slibdroogbedden aanwezig geweest. Bekend is dat ter plaatse een grond en grondwaterverontreiniging met zink aanwezig is of is geweest. Uit de resultaten van onderhavig onderzoek blijkt dat in de grond en het grondwater op de perceelsgrens met de voormalige slibdroogbedden maximaal lichte verontreinigingen aanwezig zijn met zware metalen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de verontreinigingen met zink ter plaatse van de voormalige slibdroogbedden zich niet hebben verspreid naar de onderhavige onderzoekslocatie.

PFAS Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond in mengmonster PFAS1 (ondergrond) en PFAS2 (bovengrond westzijde locatie) landelijk gezien geclassificeerd kan worden onder de categorie landbouw/ natuur. Monster PFAS3 (bovengrond oostzijde locatie) kan geclassificeerd worden onder de categorie wonen/ industrie. Op basis van provinciaal beleid blijkt dat de grond van PFAS3 niet voldoet voor hergebruik binnen de deelnemende gemeenten. De overige grond komt wel in aanmerking voor hergebruik binnen de deelnemende gemeenten. In het grondwater worden de humane risicogrenzen voor PFOA of PFOS in grondwater (scenario 'wonen met tuin') niet overschreden.

Verkennend- en nader asbestonderzoek In de bovengrond is een maximaal gewogen asbestgehalte aangetoond van 4 mg/kg d.s. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatief gehalte.

30

Omdat het aangetoonde gehalte kleiner is dan helft van de interventiewaarde, mag worden aangenomen dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In de ondergrond is indicatief (edelmanboor o 12cm) 23 mg/kg d.s. aan asbest aangetoond. Derhalve dient de puinhoudende ondergrond als verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest te worden beschouwd en is direct een nader asbestonderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten van het nader asbestonderzoek blijkt dat in de puinhoudende ondergrond een maximaal gewogen asbestgehalte van 77 mg/kg d.s. is aangetoond. Omdat de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) niet wordt overschreden kan worden afgeleid dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging met asbest.

Asfaltonderzoek De asfaltverharding aan de oostzijde van de locatie is opgebouwd uit een deklaag met daaronder grindasfaltbeton. De deklaag tot 0,30 meter blijkt teerhoudend te zijn en de volledige laag daaronder teervrij. De asfaltverharding tot 0,30 meter dient afgevoerd te worden als teerhoudend asfalt naar een erkend verwerker. De asfaltverharding in de laag van 0,30 tot 0,86 meter komt volledig in aanmerking voor hergebruik. De asfaltverharding aan de westzijde van de locatie is opgebouwd uit een deklaag met daaronder open asfaltbeton. Alle asfaltlagen blijken teervrij te zijn. De asfaltverharding komt volledig in aanmerking komt voor hergebruik.

Onderzoek fundering Onder het asfalt aan de westzijde van de locatie is een puinfundering aanwezig. In de puinfundering is geen asbest aangetoond. Uit het uitloogonderzoek blijkt dat het puin geclassificeerd kan worden als N- bouwstof. De funderingslaag komt volledig in aanmerking voor hergebruik

Conclusie De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen derhalve ook geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling.

4.2

Geluid

In de Wet geluidhinder is bepaald, dat bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan waarbij mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe geluidgevoelige bebouwing binnen geluidzones van (spoor)wegen, middels een akoestisch onderzoek dient te worden aangetoond of ter plaatse de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient namelijk te worden voorkomen. Woningen zijn geluidsgevoelige functies. De locatie is gelegen binnen de geluidzone van de Havendijk, waar een maximumsnelheid van 80 km/uur geldt. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek gevelbelasting wegverkeer uitgevoerd. De volledige rapportage van het onderzoek is als Bijlage 4 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan, hieronder volgen de belangrijkste conclusies.

Akoestisch onderzoek gevelbelasting wegverkeer

31

Wet geluidhinder (Wgh) Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Havendijk (80 km/uur) de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden wordt voor een gedeelte van de nieuwe bestemming 'Woongebied - 1' (deelgebied 5). Het aanvragen van hogere grenswaarden voor deze weg is daardoor noodzakelijk. In het onderzoeksrapport is een geluidcontourenkaart opgenomen met een 48 dB contour (beoordelingshoogte 4,5 meter maatgevend) welke aangeeft voor welk gebied de hogere waarden aangevraagd dient te worden. De geluidcontourenkaart is als Bijlage 5 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. De hogere waarde in onderhavige situatie bedraagt 53 dB. In de kaart op Bijlage 5 wordt echter ook een grindpunt met 54 dB (incl. aftrek art. 110 Wgh) berekent maar dit komt omdat met een aftrek van 2 dB is gerekend. Bij een geluidbelasting van 56 dB mag conform art. 110g Wgh een aftrek van 3 dB worden toegepast. Derhalve bedraagt de aan te vragen hogere waarde 53 dB. De maximaal aan te vragen hogere waarde van 63 dB wordt nergens overschreden en is derhalve geen 63 dB aangegeven. Als gevolg van deze weg wordt ter plaatse van de bestemming 'Woongebied -1' ten hoogste 53 dB berekend (inclusief aftrek art. 110 Wgh). De ten hoogt toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt hiermee niet overschreden.

Het treffen van geluidreducerende maatregelen is vanuit financieel en verkeerskundig oogpunt niet als reële maatregel te stellen. De gemeente Halderberge dient hiervoor hogere grenswaarden aan te vragen voor het gebied waar de voorkeursgrenswaarde overschreden wordt. De hogere waarde betreft 53 dB.

Bouwbesluit 2012 Op grond van artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 dient een gevel van een nieuwe woning een geluidwering van ten minste 20 dB te hebben. Aangezien het vaststellen van hogere grenswaarden niet aan de orde is, worden op grond van het Bouwbesluit, behoudens de minimale isolatie van 20 dB, geen aanvullende eisen gesteld aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie.

Cumulatieve geluidbelasting Uit de rekenresultaten van de cumulatieve geluidbelasting (alle wegen samen) blijkt dat ter plaatse van de woongebieden <56 dB als gevolg van de cumulatieve geluidbelasting berekent wordt en derhalve is te kwalificeren als een matig tot redelijk woon- en leefklimaat. Hierbij wordt opgemerkt dat 56 dB berekend wordt op enkel één gridpunt op de grens van het perceel. Dit betekend dat op de rest van het gebied een geluidbelasting van 55 dB of lager berekend wordt. Dit houdt in dat een redelijk en daarmee acceptabel woonen leefklimaat wordt gewaarborgd. Voor elk woongebied waar op minimaal de helft van het gebied <50 dB (excl. aftrek art. 110 Wgh) berekend wordt geldt dat deze is te kwalificeren als een goed woon- en leefklimaat.

Beschouwing wegverkeerslawaai Als gevolg van de planontwikkeling van Havendijk Kom Noord zullen de verkeersintensiteiten toenemen ter plaatse van de bestaande omliggende wegen. Deze toename in verkeersintensiteiten zorgt voor een hogere geluidbelasting ter plaatse van de thans aanwezige woningen. In opdracht van de gemeente Halderberge is daarom een akoestische beschouwing van het wegverkeerslawaai opgesteld. Het volledige onderzoeksrapport is als Bijlage 6 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. In de huidige situatie bedraagt de geluidsbelasting op de omliggende woningen 45,5 dB tot maximaal 56,9 dB. Dit is te kwalificeren als een goed tot matig woon- en leefklimaat. Als gevolg van de ontwikkeling van Havendijk Kom Noord, zal de geluidsbelasting op de omliggende woningen toenemen met maximaal 1,6 dB. De hoogst berekende

32

geluidbelasting bedraagt 57,9 dB. Het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen zal ook in de nieuwe situatie te kwalificeren zijn als goed tot matig. De maximale toename van 1,6 dB kan daarnaast niet als hinderlijk worden gekwalificeerd. Een verschil van maximaal 3 dB is immers in de praktijk niet hoorbaar.

Conclusie Uit de rekenresultaten blijkt dat er ter plaatse van deelgebied 5 sprake is van een overschrijden van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge heeft voor de beoogde woningen ter plaatse van deelgebied 5 derhalve een hogere grenswaarde van maximaal 53 dB vastgesteld, ten gevolge van het wegverkeerslawaai over de Havendijk. Het besluit hogere waarde is als Bijlage 7 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. Het besluit hogere waarde is niet van toepassing op de beoogde woningen binnen deelgebieden 3 en 4, aangezien ter plaatse geen sprake is van een overtreding van de grenswaarden en een goed woon- en leefklimaat als gevolg van de geluidbelasting kan worden gegarandeerd.

4.3

Watertoets

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een sturende factor in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen dan ook verplicht. Ten behoeve van de gehele ontwikkeling van het gebied Havendijk Kom Noord, waar onderhavig planvoornemen deel van uitmaakt, is een waterparagraaf opgesteld waarin de effecten van de beoogde ontwikkeling aan bod komen. De volledige rapportage van de waterparagraaf is als Bijlage 8 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. Hieronder volgen de meest relevante aspecten en conclusies uit de waterparagraaf.

Watertoets Maaiveld De maaiveldhoogte van het plangebied varieert aanzienlijk, met name vanwege de hoger gelegen Havendijk. De meeste ontwikkellocaties kennen globaal een maaiveldhoogte tussen de NAP+0,80 en NAP+1,30 meter. De noordelijke ontwikkellocatie, ten westen van de begraafplaats, ligt lager en kent een gemiddelde maaiveldhoogte van circa NAP+0,30 meter. De Havendijk zelf ligt over het algemeen aanzienlijk hoger met een maaiveldpeil van ruim NAP+3,00.

Waterkering Zoals de naam al aanduidt, is de Havendijk een waterkering voor het naastgelegen kanaal, de Mark. De Havendijk is ook als zodanig opgenomen in de vastgestelde legger van Waterschap Brabantse Delta, zijnde een regionale waterkering, onderdeel rivieren.

33

Figuur 4.1 Beschermingszones regionale waterkering (plangebied is rood omlijnd)

Met de aanduiding waterkering worden er tevens beschermingszones rondom de kering aangeduid. Binnen deze beschermingszones gelden restricties ten aanzien van het uitvoeren van activiteiten en/of realiseren van bouwwerken. Deze restricties zijn ook van toepassing op de ontwikkellocaties Havendijk Kom Noord. Binnen beschermingszone A, zijnde de waterkeringszone zelf en het 'profiel van vrije ruimte', mogen geen bouwwerken worden opgericht. Deze ruimte moet beschikbaar blijven om eventuele dijkverzwaring te kunnen uitvoeren. Er worden binnen dit profiel dan ook geen nieuwe woningen gerealiseerd in het kader van de realisatie van Havendijk Kom Noord. Eventueel noodzakelijke werkzaamheden, bijvoorbeeld aan ondergrondse infrastructuur, moeten in een vergunningentraject met het waterschap worden afgestemd. Voor werkzaamheden in beschermingszone B is, afhankelijk van de aard van de werkzaamheden, een melding of een vergunning noodzakelijk. Werkzaamheden in het kader van de ontwikkellocaties Havendijk Kom Noord worden vooraf onderzocht en afgestemd met specialisten van waterschap Brabantse Delta om tot eenduidige afspraken hierover te komen. In verband met de waterkering wordt er in voorliggend bestemmingsplan rekening gehouden met de situering van de woonkavels in deelgebied 5 (bestemming: 'Woongebied - 1'). Deze zijn nu gesitueerd buiten het 'profiel van vrije ruimte'.

Hieromtrent heeft in een voorstadium overleg plaatsgevonden tussen de gemeente Halderberge en het Waterschap Brabantse Delta. Het verslag van het overleg tussen de gemeente en het waterschap is in Bijlage 9 van voorliggend bestemmingsplan toegevoegd.

Oppervlaktewatersysteem Rondom het plangebied is relatief veel oppervlaktewater aanwezig. Dit in de vorm van A- en B- waterlopen, maar ook in de vorm van de nieuw gerealiseerde retentievoorziening aan de

34

noordzijde van de Strijmondlaan.

Figuur 4.2 Oppervlaktewatersysteem rondom plangebied

De waterlopen, evenals de afvoer vanuit de retentievoorziening, voeren het water af in westelijke richting om uiteindelijk via een duikervoorziening onderdoor de Havendijk te lozen op het kanaal. Voor de A-waterloop ten noorden van de noordelijke ontwikkellocatie is met het waterschap afgesproken dat de huidige onderhoudsafspraken gehandhaafd blijven. Onderhoud vindt plaats vanaf een obstakelvrije onderhoudsstrook van minimaal 5 meter breedte. Bij werkzaamheden voor het bouw- en woonrijpmaken en de realisatie van de woningen dient afstemming plaats te vinden met het waterschap over de toegankelijkheid van het perceel in relatie tot het kruisen van de betreffende A-waterloop onderlangs de Havendijk. Dit geldt voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Vooralsnog wordt er van uitgegaan dat gebruik wordt gemaakt van de bestaande toegang en dat er geen wijzigingen aan de waterloop noodzakelijk zijn. Indien dat wel het geval is, en aanpassing of verplaatsing noodzakelijk wordt geacht, wordt dit vooraf afgestemd met waterschap Brabantse Delta.

Waterberging De gemeente Halderberge voert het beleid dat nieuwe ontwikkelingen worden benut voor het aanvullen van het grondwater en dat zorg gedragen wordt dat het stedelijk watersysteem niet zwaarder wordt belast dan daarvoor. Waar nodig worden daarvoor compenserende waterbergingsvoorzieningen aangelegd. Als maat voor het bepalen van de omvang van deze waterbergingsvoorzieningen wordt het verhard oppervlak gebruikt. De gemeente Halderberge stelt in haar Gemeentelijk Rioleringsplan: 'Voor iedere ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding, ongeacht de omvang van deze ontwikkeling, geldt een bergingseis van 7 mm voor de eerste 1.000 m2. Voor verharding meer dan 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm voor het totale (toekomstige) verharde oppervlak, conform de Keur. Voor ontwikk elingen op bestaande verharde locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m2

35

geldt een bergingseis van 60 mm over het totale verharde oppervlak.' Voor het gebied Havendijk Kom Noord zijn beide situaties aan de orde en is er sprake van zowel inbreidingen waar bestaande verharding aanwezig is als nieuwe uitbreidingen. Uitgangspunt voor alle ontwikkellocaties binnen het gebied is dat zij zoveel als mogelijk zelf voldoen aan de gestelde bergingseis voor hun eigen locatie. Voor de noordelijke ontwikkellocatie en de locatie tussen de Drimmelaarstraat en de Schuitevaarstraat betreft dit circa 200 m3 per locatie. De ontwikkellocatie langs de Drimmelaarstraat/Strijmondlaan circa 130 m3. En voor het gebied ten zuiden van de Schuitevaarstraat geldt een bergingseis van circa 50 m3. Aan de noordzijde van de Strijmondlaan is een nieuwe retentievoorziening gerealiseerd. Deze voorziening is mede gebaseerd op een onderzoek naar het stedelijk watersysteem van heel de noordkant van de kern Oudenbosch en bedoeld voor grootschalige afkoppelwerkzaamheden die gedurende langere periode in dit gebied hebben plaatsgevonden en nog zullen gaan plaatsvinden. Voor de realisatie van de voorziening is een vergunning afgegeven door waterschap Brabantse Delta. Deze vergunning is gebaseerd op het afkoppelen van 4,5 ha verharding, het realiseren van 1,4 ha nieuwe verharding en een minimale omvang van de retentievoorziening van 1.515 m3.

De ontwikkellocatie voor het gebied Havendijk Kom Noord maakte mede onderdeel uit van het oorspronkelijke onderzoek en ontwerp van de genoemde retentievoorziening. Door fasering in de tijd, aanpassingen in het ontwerp, en externe invloeden is het proces iets gewijzigd, evenals de vormgeving van de retentievoorziening. Deze kent nu een capaciteit van 1.987 m3. Ondanks dat de voorziening in zichzelf ruim voldoende omvang heeft om overtollig water uit de ontwikkellocaties te kunnen ontvangen, houdt de gemeente Halderberge vast aan haar uitgangspunt dat iedere ontwikkeling moet streven naar het zelfstandig voldoen aan de bergingseisen, in lijn met het beleid uit haar Gemeentelijk Rioleringsplan. Daar waar dit fysiek niet mogelijk is kan de retentievoorziening als vangnet dienen. Overtollig regenwater kan via de regenwaterriolering hier naartoe worden afgevoerd.

Toekomstige riolering De ontwikkellocaties dienen voor de afvoer van afvalwater en regenwater te worden voorzien van een rioolstelsel dat aansluit bij het toekomstige rioleringssysteem in Oudenbosch Noord: een gescheiden rioolstelsel. Het afvalwater wordt zoveel als mogelijk aangesloten via een vuilwaterstelsel op de vuilwaterriolering in de omgeving. Daar waar deze niet aanwezig is, kan voor wat betreft de vuilwaterafvoer aangesloten worden op de bestaande gemengde riolering. De aansluitingen vanaf de ontwikkellocaties die aan de Havendijk grenzen, worden in nauw overleg met specialisten van waterschap Brabantse Delta uitgewerkt. Voor de noordelijke ontwikkellocatie zijn verschillende alternatieven voor aansluiting mogelijk: 1. nieuwe vrij verval riolering parallel onderlangs de Havendijk; 2. via een bestaand drukrioleringsgemaal; of 3. inprikken op de (nieuwe) persleiding vanaf de begraafplaats. Voor de locatie ten zuiden van de Schuitevaarstraat geldt alleen de optie van vrij verval riolering gezien de oriëntatie van de woningen. De overige ontwikkellocaties kunnen vuilwaterriolering buiten de beschermingszone realiseren die in oostelijke richting naar de kern afvoert. Het regenwater vanuit de ontwikkellocaties wordt bij voorkeur lokaal geborgen en waar mogelijk in de ondergrond geïnfiltreerd. Gezien de bodemsamenstelling is dit echter beperkt mogelijk.

Afvoer van regenwater vindt dan plaats via een buffervoorziening, waarna het overtollige regenwater gedoseerd afgevoerd kan worden naar oppervlaktewater of naar

36

de regen-waterriolering. Via deze laatste route wordt indirect gebruik gemaakt van de retentievoorziening zoals in de voorgaande paragraaf beschreven. De gedoseerde afvoer op het oppervlaktewater-systeem bedraagt maximaal 2 liter/sec/ha. Met name in de noordelijke en centrale ontwikkellocaties is voldoende ruimte voor een buffer-voorziening. Ook het gebruik van 'groene' of doorlatende verharding draagt bij aan het beperken van de regenwater-afvoer vanuit het gebied. Met name parkeervoorzieningen zijn geschikt voor het toepassen hiervan. Indien er onverhoopt water op straat optreedt, ligt de prioriteit bij het voorkomen dat water vanaf de openbare ruimte woningen instroomt. Om die reden wordt vanuit de gemeente voorgeschreven dat bij nieuwe ontwikkelingen het bouwpeil circa 20 tot 30 cm boven het straatpeil ligt.

Bodem- en grondwatersysteem Volgens het Dinoloket en gegevens uit het onderzoek naar de retentievoorziening bestaat het freatisch pakket uit een mix van klei en zavel en fijne tot matig fijne zanden. De samenstelling van de bodem is gedifferentieerd en per ontwikkellocatie dient te worden vastgesteld wat de eventuele infiltratiemogelijkheden zijn in combinatie met een buffervoorziening voor het vasthouden van regenwater. In het plangebied zijn door de gemeente drie peilbuizen geplaatst. De metingen vanuit die peilbuizen zijn echter nog beperkt beschikbaar. Vooralsnog lijkt de grondwaterstand zich ruim beneden het maaiveld te bevinden (meer dan 1,00 meter), hoewel de beschikbare metingen in de droge periode hebben plaatsgevonden. Het eerdere onderzoek naar de retentievoorziening uit 2020 bevestigt dit beeld, waarbij destijds is uitgegaan van een gemiddeld hoogste grondwaterstand van NAP-0,20 meter in het westelijk gedeelte van het plangebied. In het algemeen geldt dat ten aanzien van het grondwater koppeling of vermenging met het grondwater van de naastgelegen begraafplaats voorkomen moet worden. Deze heeft, gezien de eisen die daaraan worden gesteld, een eigen drainagesysteem dat het grondwater gedeeltelijk onder vrijverval en gedeeltelijk via een drainagegemaal afvoert naar de vuilwaterriolering.

De ontwikkellocaties zijn niet in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen of in een gebied met specifieke milieubescherming. Ook is er op de betreffende locaties geen grondwateroverlast bekend in de huidige situatie.

Conclusie In de watertoets zijn de te verwachten effecten en bergingsopgaven van de beoogde ontwikkeling van Havendijk Kom Noord berekend. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het waterbeleid van de gemeente Halderberge en het Waterschap Brabantse Delta.

4.4

Flora- en fauna

Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna.

Natura 2000-gebieden Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle

37

gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Ook alle grote wateren en de gehele Noordzee behoren tot het NNN. Voor deze gebieden is het Rijk verantwoordelijk. De provincies zijn verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. Het Natuurnetwerk Brabant maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland.

Ecologische quickscan Om inzicht te krijgen in de projecteffecten op natuurgebieden en de mogelijke aanwezigheid van beschermde dier- en plantsoorten in het plangebied is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 10 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Natura 2000-gebieden welke het dichtst bij het plangebied liggen zijn 'Hollands Diep' en 'Krammer-Volkerak'. Deze gebieden liggen op een afstand van meer dan 9 kilometer van het plangebied. Door de afstand tussen het plangebied en deze beschermde natuurgebieden zijn negatieve effecten door geluidverstoring, visuele verstoring of verdroging als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op Natura 2000-gebieden uitgesloten.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)/ Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het gedeelte van het NNB dat zich het dichtste bij bevindt ligt op een afstand van ongeveer 350 meter verwijderd van de grens van het plangebied. De afstand tussen het plangebied en het NNB is groot en er zijn woningen en wegen in het tussengebied aanwezig. De voorgenomen ingreep leidt niet tot effecten die uitstralen tot in het NNB, en heeft daarmee geen externe werking op het NNB. Aantasting van wezenlijke waarden of kenmerken van het NNB is daarmee op voorhand uitgesloten. Nadere toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot het NNN is hierdoor niet noodzakelijk.

Houtopstanden Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Halderberge. De gemeente heeft de in de bebouwde kom beschermde houtopstanden gelijkgesteld aan de reguliere bebouwde kom. Hierdoor vallen bomen binnen het plangebied ook binnen de bebouwde kom beschermde houtopstanden. Hierdoor is er bij de ingreep ook geen sprake van effecten op bomen welke vallen onder het gedeelte beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is hierdoor niet van toepassing.

Soortenbescherming Planten Uit de directe omgeving van het plangebied zijn geen beschermde vaatplanten bekend.

38

Oude bebouwing of muren welke kunnen fungeren als groeiplaats voor beschermde muurplanten zijn geheel afwezig in het plangebied. Alle overige beschermde vaatplanten stellen zeer specifieke eisen aan hun standplaats. Deze zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Doordat de aanwezigheid van beschermde vaatplanten in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.

Vogels Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen beschermde functies van broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4 te verwachten. Daarmee zijn negatieve effecten op deze soorten ook uitgesloten. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit categorie 5, zoals ekster, koolmees en pimpelmees zijn voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1 en 2. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli. Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het in dat geval aan te raden het afval dat vrijkomt in het plangebied (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken.

Het is voor de voorgenomen ingreep niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland zijn gekomen.

Vleermuizen In beide gebouwen binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen niet uitgesloten worden op basis van de quickscan. Bij het slopen van de gebouwen verdwijnen deze verblijfplaatsen als ze aanwezig zijn. Daarnaast kunnen vleermuizen worden verstoord, verwond en gedood. Afhankelijk van de toekomstige groenstructuren in het gebied en de aan te brengen verlichting kan de ingreep leiden tot het verslechteren en het ongeschikt raken van vaste vliegroutes van vleermuizen. Deze effecten kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Derhalve is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk.

Kleine marterachtigen Binnen het plangebied zijn mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig. Daarnaast kan het plangebied onderdeel uitmaken van het functioneel leefgebied van deze soorten. De ingreep kan leiden tot het verdwijnen van deze verblijfplaatsen en aantasting van het functioneel leefgebied. Daarom is het noodzakelijk nader onderzoek te doen naar deze marterachtigen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.

Overige soorten Overige beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen

39

zijn in het plangebied niet te verwachten. De ingrepen leiden dan ook niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten.

Reptielen Gedurende het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied ligt ver buiten het bekende verspreidingsgebied van muurhagedis. Op grond van het ontbreken van voor overige reptielen geschikte ecotopen in het plangebied (zoals schrale vegetatie met voldoende rustige, zonnige plekken) kan de aanwezigheid daarvan eveneens uitgesloten worden. Doordat de aanwezigheid van reptielen in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.

Amfibieën Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan ligt geen water dat geschikt is als voortplantingswater voor strik beschermde amfibieën. De watergangen rondom de paardenweide hebben steile oevers, worden intensief beheerd en bevatten naar verwachting vis. Hierdoor zijn deze niet aantrekkelijk voor strikt beschermde amfibieën. Uit de ruimte omgeving van het plangebied (500 m) zijn dan ook geen waarnemingen van strikt beschermde amfibieën bekend. De aanwezigheid van beschermde amfibieën is in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uitgesloten. De kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en meerkikker zijn door alle provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Doordat de aanwezigheid van beschermde amfibieën in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.

Vissen Doordat in het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is zijn beschermde vissen niet aanwezig binnen het plangebied. Doordat in het plangebied geen water aanwezig is en er geen aanpassingen aan wateren plaatsvinden als onderdeel van de ingreep leidt de ingreep niet tot een negatief effect op beschermde vissen.

Vlinders en libellen In het plangebied komen geen voedselarme wateren of vegetaties met waardplanten voor die geschikt zijn als leefgebied voor beschermde libellen en dagvlinders. Ook zijn er geen recente waarnemingen van beschermde vlinders of libellen bekend uit de NDFF de directe omgeving van het plangebied. De aanwezigheid van beschermde libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten.

Effectbeoordeling vlinders en libellen Doordat de aanwezigheid van beschermde vlinders en libellen in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.

Overige ongewervelden Uit het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen overige beschermde ongewervelden bekend (NDFF). Op basis van de gebiedskenmerken en de ligging van het plangebied in en tegen het stedelijk gebied worden overige beschermde ongewervelden ook

40

niet verwacht. Doordat de aanwezigheid van overige beschermde ongewervelden in het plangebied redelijkerwijs uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.

Conclusie Op grond van de mogelijke effecten die op kunnen treden ten gevolge van de ingreep blijkt dat deze niet door de wet natuurbescherming wordt verhinderd. Het is wel noodzakelijk tijdig aanvullend onderzoek uit te voeren naar vleermuizen en kleine marterachtigen. In artikel 17.4 van de bij voorliggend bestemmingsplan behorende planregels is derhalve een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de uitvoering van de noodzakelijke onderzoeken is geborgd. Afhankelijk van de resultaten van het nader onderzoek kan het opstellen en uitvoeren van een mitigatieplan een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. De ingreep heeft geen significant negatief effect op gebieden welke onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ook worden bij de ingreep geen bomen gekapt welke vallen onder beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Voor Natura 2000-gebieden is de kans op negatieve effecten nihil. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van onderhavige ontwikkeling.

4.5

Stikstofdepositie

Op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen uit te voeren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De juridische basis voor de Wet natuurbescherming zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Per gebied zijn voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelen bepaald. Het grootste gedeelte van de Nederlandse natuurgebieden heeft te lijden onder verzuring, vermesting en verdroging. Hierdoor gaan kwetsbare en vaak bijzondere planten- en diersoorten achteruit en maken plaats voor meer algemene soorten. Een teveel aan stikstof, in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak, is hier voor een groot deel debet aan. Voor wat betreft stikstofdepositie dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Met behulp van een rekenprogramma (Aerius Calculator) moet worden bepaald of een plan een bijdrage (>0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie veroorzaakt ter plaatse van Natura 2000-gebieden.

Indien een bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een bijdrage en daarmee het initiatief niet tot significante negatieve effecten kan leiden.

Beoordeling Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden waar stikstofgevoelige habitattypen aanwezig zijn betreffen het 'Hollands Diep' en 'Krammer Volkerak', gelegen op circa 9 en 12 km afstand. Ten behoeve van de gehele gebiedsontwikkeling van Havendijk Kom Noord (deelgebieden 1 t/m 6) is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd naar de emissies in zowel de aanlegfase als de nieuwe gebruiksfase. Daarnaast is in het onderzoek de maximale (cumulatieve) effect van stikstofemissie in zowel de aanlegfase als de nieuwe gebruiksfase

41

berekend door de zes deelgebieden bij elkaar op te tellen. De volledige berekeningen en bijbehorende rapportage is aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 11. Hieronder volgt een korte samenvatting met de belangrijkste resultaten en conclusies. Uit de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat zowel gedurende de aanlegfase als de gebruiksfase van de Havendijk Kom Noord de stikstofbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierdoor kan de gebiedsontwikkeling van Havendijk Kom Noord niet tot significante negatieve effecten leiden ter plaatse van de Natura 2000-gebieden.

Conclusie Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Het aspect stikstofdepositie staat de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan derhalve niet in de weg.

4.6

Cultureel erfgoed

Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden. Het doel hiervan is om het 'bodemarchief' zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.

4.6.1

Cultuurhistorie

Provincie Noord-Brabant Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat er geen monumenten van cultuurhistorische waarde in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

Figuur 4.3 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant (plangebied is blauw omlijnd)

42

De Havendijk, gelegen ten westen van het plangebied, is aangeduid als historisch geografische lijn met een hoge waarde. De beoogde ontwikkeling wijzigt niets aan de Havendijk. De cultuurhistorische waarden blijven daarmee ook behouden en worden niet aangetast. Binnen het plangebied bevinden zicht verder geen elementen van specifieke cultuurhistorische waarden.

Gemeente Halderberge Het gemeentebestuur van Halderberge wil met de Beleidsnota cultureel erfgoed Halderberge "Inspirerend Verleden" naar een beleid waarin sprake is van zorgvuldig omgaan met de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen Halderberge. De gemeente heeft de cultuurhistorische waarden vastgelegd in de 'Cultuurhistoriekaart Halderberge'. De gemeentelijke kaart is een verfijning van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart.

Figuur 4.4 Uitsnede Cultuurhistoriekaart gemeente Halderberge (plangebied is rood omlijnd)

Op basis van de Cultuurhistoriekaart Halderberge maakt het plangebied deel uit van het inundatiegebied 'Zuider Frontier'. Een inundatiegebied is een gebied dat ten behoeve van de verdediging onder enkele decimeter water kon worden gezet. Het onder water zetten van het land, bijvoorbeeld door een dijk door te steken, was eeuwenlang een veel toegepaste tactiek in tijden van oorlog. Het doel was een onbegaanbaar en onbevaarbaar terrein te creëren om de vijand tegen te houden. Het inundatiegebied bestrijkt vrijwel het gehele noordelijk grondgebied van Halderberge. Voor dit gebied geldt op basis van de Cultuurhistoriekaart Halderberge geen concreet beleidsadvies. De begraafplaats is daarnaast ook op de gemeentelijke cultuurhistoriekaart aangeduid. Vanwege de aanleg, ligging, staat van onderhoud en/of aanwezigheid van bijzondere grafmonumenten mogen begraafplaatsen als cultuurhistorisch waardevol gelden.

Conclusie In onderhavig planvoornemen worden er geen elementen van cultuurhistorische waarden

43

aangetast. Hoewel de begraafplaats wel gedeeltelijk onderdeel uitmaakt van onderhavig bestemmingsplan, zal er ter plaatse enkel een herstructurering plaatsvinden van de bebouwing, entree en inrichting. De bestaande graven blijven gehandhaafd in de nieuwe situatie en daarmee ook de cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling derhalve ook niet in de weg.

4.6.2

Archeologie

Beleidsnota archeologie gemeente Halderberge 'Ons ongeschreven verleden' Het archeologiebeleid van de gemeente Halderberge heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Bij alle ruimtelijke plannen en ruimtelijke ontwikkelingen, op structuur-, bestemmings- en vergunningsniveau, dienen de archeologische waarden volwaardig te worden meegewogen.

Figuur 4.5 Uitsnede archeologische advieskaart gemeente Halderberge (plangebied is rood omlijnd)

Op basis van de archeologische advieskaart van de gemeente Halderberge zijn deelgebieden 3 en 4 van onderhavig plangebied niet voorzien van een archeologische verwachtingswaarde. Voor deelgebied 5 geldt dat deze grotendeels is voorzien van een onbekende archeologische verwachting voor vindplaatsen van late landbouwers, geen verwachtingswaarde voor vindplaatsen van vroege landbouwers en een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen van jagers-verzamelaars. Plaatselijk is deelgebied 5 wel voorzien van een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jagers en verzamelaars. Deze hoge verwachtingswaarde is in het vigerend bestemmingsplan vertaald naar een archeologische dubbelbestemming. In onderhavig planvoornemen zijn er ter plaatse van de dubbelbestemming echter geen grondroerende werkzaamheden voorzien. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De dubbelbestemming wordt in voorliggend bestemmingsplan overgenomen.

44

Conclusie Onderhavig planvoornemen is niet in strijd met de beleidsnota archeologie van de gemeente Halderberge. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Verkeer en parkeren

4.7.1

Verkeer

De ontwikkeling van Havendijk Kom Noord naar een woongebied zorgt ook voor een toename van het verkeer in en rondom het gebied. De gemeente Halderberge heeft daarom een verkeersanalyse laten uitvoeren waarin antwoord wordt gegeven op de volgende vier vragen: 1. 2. 3. 4.

Hoeveel verkeer genereert de nieuwe ontwikkeling? Kunnen de wegen in het plangebied de nieuwe verdeling van het verkeer aan? Hoe is het verkeer vanuit deelgebied 5/ begraafplaats het beste te ontsluiten? Vraagt de ontwikkeling wel of geen doorsteek tussen deelgebied 2-6 en 3?

In de verkeersanalyse wordt antwoord gegeven op de gestelde onderzoeksvragen en wordt er vervolgens advies gegeven voor het verkeerskundig meest geschikte scenario. De volledige verkeersanalyse is aan dit bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 12, hieronder volgen enkel de conclusies.

Beoordeling en conclusie verkeer De volledige ontwikkeling van alle deelgebieden van Havendijk Kom Noord zal maximaal 495 extra voertuigbewegingen per etmaal genereren. In de verkeersanalyse wordt geconcludeerd dat de toename aan verkeer niet zal leiden tot een negatief effect op de verkeersveiligheid en afwikkeling. Het verkeerskundig meest geschikte scenario is te creëren door deelgebied 5 en de begraafplaats ieder een eigen aansluiting te geven op de parallelstructuur en richting het zuiden te ontsluiten op de bestaande verharde parallelstructuur. Hiervoor dient de bestaande onverharde parallelweg vanaf de nieuwe aansluiting van deelgebied 5 te worden verhard. Geadviseerd wordt om het profiel van de nieuwe verharding in te richten volgens de optimale CROW-richtlijnen voor een erftoegangsweg type 2. Daarnaast zal de bestaande fysieke afsluiting van de parallelstructuur ter hoogte van de Havendijk 10 noordwaarts worden verplaatst ter hoogte van de Havendijk 12a. Vanaf de nieuwe fysieke afsluiting zal de paralellstructuur richting het noorden worden verhard voor langzaam verkeer. Deelgebieden 2 en 6 worden ontsloten via de bestaande parallelstructuur. Deelgebieden 4 en 3 worden ontsloten via de bestaande infrastructuur aan de Strijmondlaan. Een doorsteek tussen deelgebied 2-6 en 3 is verkeerskundig mogelijk, maar niet noodzakelijk.

4.7.2

Parkeren

Het benodigde aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied wordt berekend op basis van de 'Kadernota Parkeren 2023-2027' van de gemeente Halderberge. De locatie van het plangebied is in de kadernota parkeren gelegen in 'Gebied B'. In het plangebied worden 28 woningen gerealiseerd en een nieuwe ontmoetingsruimte voor de begraafplaats. De totale parkeerbehoefte van het plangebied is afhankelijk van het type woning en/of functie, conform de parkeernota geldt: voor vrijstaande koopwoningen een parkeernorm van 2,3; voor twee-onder-één-kapwoningen, tussen- en hoekwoningen een parkeernorm van 1,9; voor begraafplaatsen een parkeernorm van 30 parkeerplaatsen per gelijktijdige uitvaart.

45

Ten aanzien van tiny houses zijn er in de kadernota geen specifieke parkeernormen opgenomen, dit zal bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een tiny house met de gemeente worden afgestemd. De nota stelt dat de benodigde parkeerplaatsen binnen het plangebied dienen gerealiseerd te worden. Om te voorkomen dat bezoekers van het gebied geen gebruik zullen maken van de private parkeerplaatsen zal een deel van de gerealiseerde parkeerplaatsen openbaar toegankelijk moeten zijn. In de gestelde parkeernormen is daarom een minimaal aandeel van 0,3 per woning gereserveerd voor openbare parkeerplaatsen. Van de te realiseren parkeerplaatsen dienen er derhalve minimaal 9 (28 x 0,3 = 8,4) parkeerplaatsen openbaar toegankelijk te zijn binnen de acceptabele loopafstand. De parkeercapaciteit van een parkeervoorziening komt in de werkelijke situatie niet altijd overeen met de theoretische berekening. Grote auto's en scheef parkeren zijn voorbeelden van factoren die van invloed zijn op de werkelijke parkeercapaciteit. Daarnaast blijkt in de praktijk dat een garage ook niet altijd voor het stallen van een auto gebruikt te worden. In de parkeernota zijn derhalve de onderstaande rekenfactoren opgenomen waarmee de werkelijke parkeercapaciteit per parkeervoorziening kan worden berekend.

Tabel 4.1 Rekenfactoren parkeervoorzieningen bij woningen (Kadernota Parkeren 2023-2027

Conclusie parkeren Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen zal getoetst worden aan de dan geldende parkeernormen. Om dit te kunnen waarborgen is hiervoor in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

46

4.8

Bedrijven en milieuzonering

In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) wordt informatie gegeven over de gemiddelde milieubelasting van de verschillende typen bedrijven en instellingen. De milieucategorie geeft daarbij een indicatie over de afstand, die tussen de diverse bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een milieugevoelig object dient te worden aangehouden, om hinder uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen is echter sprake van een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een ontsluitingsweg ligt of een gebied in het buitengebied met meerdere functies. De afstanden tot de milieucategorieën zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Milieu categorie

Richtafstand tot "rustige woonwijk" 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1000 6 15000 Tabel 4.2 Richtafstanden VNG-publicatie

Richtafstand tot "gemengd gebied" 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000

Beoordeling Havendijk Kom Noord is gelegen in aan de noordelijke rand van de kern Oudenbosch, aan de grens tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Binnen het gebied en de nabije omgeving zijn op dit moment meerdere bedrijven gevestigd, waaronder ook in onderhavig plangebied. Havendijk Kom Noord kan derhalve op dit moment worden getypeerd als een 'gemengd gebied'. De beoogde ontwikkeling van Havendijk Kom Noord voorziet echter in de transformatie van het gebied naar een samenhangend woongebied met circa 58 koopwoningen, waarvan 28 in onderhavig plangebied. In de toekomstige situatie zullen de bedrijfsbestemmingen binnen het gebied grotendeels verdwijnen. Hiervan uitgaande wordt er voor de beoordeling van onderhavig plangebied uitgegaan van de VNG-richtafstanden tot een 'rustige woonwijk'.

47

Figuur 4.6 Weergave omliggende bedrijven met bijbehorende VNG-richtafstanden

Bepalend zijn:

1. Havendijk 10d (De Kroon Salades) Ter plaatse van de Havendijk 10d zijn de gronden bestemd als 'Bedrijf' en aangeduid met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bereiden salades'. Voorheen was op deze locatie het bedrijf De Kroon Salades gevestigd. Op de locatie werden kant-en-klaar maaltijden bereidt, wat valt in een milieucategorie 3.1. In de huidige situatie is De Kroon Salades niet meer gevestigd binnen het perceel en wordt er van deze milieuactiviteit ook geen gebruik meer gemaakt. In de gebiedsvisie van Havendijk Kom Noord is deze locatie gelegen binnen deelgebied 6 en zal het gebied worden getransformeerd tot woonlocatie, waarmee de bedrijvigheid definitief wordt gestopt. De transformatie van deelgebied 6 doorloopt echter een separate procedure. Zolang deze procedure niet afgerond is dient te worden uitgegaan van de bedrijfsfunctie die tot dan toe mogelijk is. Voor de Havendijk 10d geldt een richtafstand van 50 meter op een rustige woonwijk. De kortste afstand tussen het bedrijf en de beoogde nieuwe woningen bedraagt circa 35 meter, waarmee er niet wordt voldaan aan de richtafstand. In de bestaande situatie zijn er echter al 3 burgerwoningen (Havendijk 10c, Strijmondlaan 70 en 76) op eenzelfde of kortere afstand gelegen. Er is derhalve al sprake van een bestaande woonomgeving waar al woningen op kortere afstand aanwezig zijn.

Op basis hiervan kan er voor onderhavig plangebied worden uitgegaan dat er geen onevenredige milieuoverlast wordt verwacht vanuit het bedrijf en dat de ontwikkeling van onderhavig plangebied ook geen belemmering zal vormen voor de bedrijfsuitvoering.

2. Schuitevaartstraat 4a (sportschool) Aan de Schuitevaartstraat 4a is een sportschool gevestigd. Een sportschool is een

48

categorie 2 inrichting met een richtafstand van 30 meter tot een 'rustige woonwijk'. De kortste afstand van de sportschool tot de beoogde woningen binnen het plangebied bedraagt circa 50 meter. Aangezien de beoogde woningen binnen het plangebied niet zijn gelegen binnen de richtafstand van de sportschool wordt er geen onevenredige milieuoverlast verwacht van de sportschool. De ontwikkeling van het plangebied zal daarnaast de bedrijfsuitvoering ook niet belemmeren.

3. Drimmelaarstraat 40 (cafetaria) Aan de Drimmelaarstraat 40 is een cafetaria gevestigd. Dit betreft een categorie 1 inrichting met een richtafstand van 10 meter tot een 'rustige woonwijk'. De afstand tussen de cafetaria en de woningen binnen het plangebied bedraagt minstens circa 30 meter. De cafetaria vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied.

4. Havendijk 5 (betonreparatiebedrijf) Ter hoogte van de Havendijk 5 is de mogelijkheid tot een betonreparatiebedrijf bestemd. Deze bestemming valt onder milieucategorie 3.2, waarbij een richtafstand van 100 meter geldt. Onderhavig plangebied is gelegen op circa 30 meter afstand, waarmee er niet kan worden voldaan aan de richtafstand. Aan de Havendijk zijn echter al bestaande woningen zijn gelegen op een kortere afstand tot dit bedrijfsperceel is er sprake van een al bestaande woonomgeving waar al woningen op kortere afstand aanwezig zijn. Op basis hiervan kan er voor onderhavig plangebied worden uitgegaan dat er geen onevenredige milieuoverlast wordt verwacht vanuit het bedrijf aan de Havendijk 5 en dat de ontwikkeling van onderhavig plangebied ook geen belemmering zal vormen voor de bedrijfsuitvoering.

5. Havendijk 7 (timmermansbedrijf) Ter hoogte van de havendijk 7 is een timmernmansbedrijf met een maximum oppervlakte van 340 m2 toegestaan. Deze bestemming valt onder milieucategorie 3.2, waarbij een richtafstand van 100 meter geldt. Onderhavig plangebied is gelegen op circa 40 meter afstand, waarmee er niet kan worden voldaan aan de richtafstand. Aan de Havendijk zijn echter al bestaande woningen zijn gelegen op een kortere afstand tot dit bedrijfsperceel is er sprake van een al bestaande woonomgeving waar al woningen op kortere afstand aanwezig zijn. Op basis hiervan kan er voor onderhavig plangebied worden uitgegaan dat er geen onevenredige milieuoverlast wordt verwacht vanuit het bedrijf aan de Havendijk 7 en dat de ontwikkeling van onderhavig plangebied ook geen belemmering zal vormen voor de bedrijfsuitvoering.

6. Rioolgemaal Havendijk Aan de Havendijk 10b is een rioolgemaal gelegen van het Waterschap Brabantse Delta. Het rioolgemaal betreft een categorie 2 inrichting en met een richtafstand van 30 meter. Bij het gemaal zijn door het waterschap geurbeperkende maatregelen getroffen of overlast te beperken. De afstand van het rioolgemaal tot de beoogde woningen binnen het plangebied bedraagt circa 90 meter. Ten behoeve van de ontwikkeling van deelgebied 6 is er een geuronderzoek uitgevoerd om te bepalen in welke mate er overlast kan worden verwacht van het rioolgemaal en of er maatregelen genomen dienen te worden. Het geuronderzoek wordt nader toegelicht in paragraaf 4.9. Gezien er in de bestaande situatie al meerdere woningen zijn gelegen tussen het rioolgemaal en de beoogde woningen binnen het plangebied wordt er geen onevenredige milieuoverlast verwacht vanuit het rioolgemaal.

7. Bedrijventerrein Havendijk 9 - 23 Ten noordwesten van het plangebied liggen een aantal bedrijfsbestemmingen aan de

49

Havendijk. Op basis van het daar geldende bestemmingsplan zijn ter plaatse bedrijven toegestaan in milieucategorie 1 en 2, alsmede agrarisch verwante en agrarisch technische hulobedrijven in categorie 3.1. Hievoor geldt een maximale VNG-richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 80 meter, waarmee er voldaan wordt aan de richtafstand.

Conclusie De bedrijven in de omgeving van het plangebied vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Andersom zal de ontwikkeling van het plangebied ook geen belemmerende werking hebben op de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan derhalve niet in de weg.

4.9

Geur

4.9.1

Veehouderijen

Bij ontwikkelingen van geurgevoelige objecten, zoals woningen, in of nabij het buitengebied, moet er aangetoond kunnen worden dat ter plaatse van de geurgevoelige objecten sprake is van onevenredige geurhinder vanuit veehouderijen. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld. De Wgv heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt 'omgekeerde werking' genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd?

voor

De Wgv maakt onderscheidt tussen dieren mét een door ministeriële regeling vastgestelde geuremissiefactor en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Conform artikel 4 van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder vastgestelde geuremissiefactor en een geurgevoelig object: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor veehouderijen waar dieren worden gehouden met een vastgestelde geuremissiefactor zijn in artikel 3 lid 1 van de Wgv normen vastgelegd voor de maximaal toegestane geurbelasting: Geurgevoelig object gelegen in:

Maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) Concentratiegebied binnen bebouwde kom 3,0 ouE/m3 Concentratiegebied buiten bebouwde kom 14,0 ouE/m3 Niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom 2,0 ouE/m3 Niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom 8, ouE/m3 Tabel 4.3 Maximaal toegestane geurbelasting conform art. 3, lid 1, Wgv

50

Beoordeling De Kernregistratie Dierverblijven (KRD) bevat informatie uit Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Twente met daarin de omgevingsvergunningen en meldingen van veehouderijen. Op basis van de webapplicate van de KRD wordt geconcludeerd dat in de omgeving van het plangebied geen veehouderijen aanwezig zijn waar dieren worden gehouden met een vastgestelde geuremissiefactor. Aan de Bornhemweg 138 is wel een veehouderij is gevestigd waar vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar worden gehouden. Voor deze diercategorieën zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld. De afstand tussen het plangebied en de veehouderij aan de Bornhemweg 139 bedraagt circa 500 meter, derhalve wordt er voldaan aan de minimaal aan te houden afstand. Ter plaatse van het plangebied wordt geen geurhinder van deze veehouderij verwacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/572/documents/16696