CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Havendijk Kom Noord, Oudenbosch vastgesteld 1 Toelichting.pdf

Gemeenteraad 8 februari 2024, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 7: Vaststelling bestemmingsplan Havendijk Kom Noord, deelgebieden 3, 4 en 5, Oudenbosch22.596 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Figuur 4.7 Uitsnede kaart Kernregistratie Dierverblijven (KRD)

Op de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is de cumulatieve (bij elkaar opgetelde) geurbelasting van alle veehouderijen weergegeven. Op deze kaart is de achtergrondbelasting, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen, opgenomen in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Op basis van onderstaande uitsnede is er voor onderhavig plangebied sprake van een geurbelasting van veehouderijen van 0 tot 3 ouE/m3. Hiermee kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving.

51

Figuur 4.8 Uitsnede Zuidoost-Brabant)

kaart

'Achtergrondbelasting

geur'

(bron:

Omgevingsdienst

Conclusie Op basis van de bovenstaande beoordeling wordt er ter plaatse van het plangebied geen geurhinder van veehouderijen verwacht, er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geurhinder veehouderijen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.9.2

Rioolgemaal

Ter plaatse van de Havendijk 10a is een rioolgemaal gelegen op circa 100 meter afstand tot het plangebied. Zoals aangegeven in paragraaf 4.8 Bedrijven en milieuzonering geldt hiervoor een VNG-richtafstand van 30 meter tot een rustige woonwijk. Ten behoeve van de ontwikkelingen van deelgebieden 2 en 6, welke dichterbij zijn gelegen, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een geuronderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het geuronderzoek is aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 13.

Beoordeling Middels het geuronderzoek is de geuremissie en -immissie vanuit het rioolgemaal onderzocht. Hierbij is de geuremissie bepaald aan de hand van geurkengetallen uit de Activiteitenregeling en is de geuremissie bepaald middels berekeningen. De berekende geurimmissie is vervolgens getoetst aan het acceptabele geurhinderniveau zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit. In de Activiteitenregeling milieubeheer zijn onderbouwde emissiekengetallen opgenomen voor diverse procesonderdelen van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Het rioolgemaal valt onder het onderdeel ontvangwerk. Hieronder worden namelijk onderdelen verstaan zoals putten, vijzels en dergelijke die overeenkomen met een rioolgemaal. De emissiekengetallen voor een ontvangwerk bedragen volgens bijlage 5 van de Activiteitenregeling milieubeheer 65 ou/s per m2 voor een percentage aanvoer vrij verval van 0-25% en 9,5 ou/s per m2 voor een percentage aanvoer vrij verval van 76-100%. Het rioolstelsel van de gemeente Halderberge betreft een stelsel onder vrij verval. Derhalve wordt gerekend met een emissiekengetal van 9,5 ou/s per m2, hetgeen met een

52

oppervlakte van 10,5 m2 resulteert in een emissie van 100 ou/s. Het rioolgemaal is voorzien van een geurreducerend filter waarmee de geuremissie voor 50% wordt gereduceerd. Op basis van het bovenstaande is voor het rioolgemaal uitgegaan van een continue geuremissie van (100 x 50%) 50 ou/s, oftewel 1,8 MouE/uur gedurende het gehele etmaal en jaar. Bij het vollopen van het bassin ontstaat geurende verdringingslucht die via een buis door het geurreducerend filter wordt geleid. Het filtermateriaal wordt jaarlijks beoordeeld op kleur en vervangen. In het onderzoek zijn rekenpunten opgenomen ter plaatse van de gevels van de beoogde nieuwe woningen in deelgebieden 2 en 6. Op basis van de rekenresultaten wordt de grenswaarde van 0,5 ouE/m3 bij 98-percentiel voor geurgevoelige objecten niet overschreden. Derhalve wordt er voldaan aan de gewenste geurnorm. Hiermee kan geconcludeerd worden dat er ter plaatse van deelgebieden 2 en 6 sprake is van een aanvaardbaar hinderniveau.

Conclusie Uit het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat ter plaatse van deelgebieden 2 en 6 sprake is van een aanvaardbaar hinderniveau. Onderhavig plangebied, bestaande uit deelgebieden 3, 4 en 5 van Havendijk Kom Noord, is gelegen op een grotere afstand van het rioolgemaal. Voor deze deelgebieden kan dan ook geconcludeerd dat er minimaal sprake is van een aanvaardbaar hinderniveau.

4.9.3

Conclusie geur

Vanuit de omliggende veehouderijen en het rioolgemaal aan de Havendijk 10a wordt in onderhavig plangebied geen onevenredige geurhinder verwacht. Het aspect geur vorm derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.10

Luchtkwaliteit

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. De inwerkingtreding van het NSL heeft gevolgen voor het NIBM. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. Voor woningbouw is in de NIBM-regeling een grens opgenomen van 1.500 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen met twee ontsluitingswegen.

Plannen voor woningbouw met een omvang onder deze grens beschouwt de Wet luchtkwaliteit als ‘niet in betekenende mate’. Deze plannen mogen zonder verdere toetsing worden gerealiseerd.

Beoordeling

53

De ontwikkeling van de Havendijk Kom Noord voorziet in de realisatie van 58 woningen, waarvan 28 in onderhavig plangebied. Het aantal te ontwikkelen woningen ligt daarmee ruim onder de hiervoor genoemde grenzen. Volledigheidshalve is er wel met behulp van de NIBM-tool onderzocht of het extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling een 'niet in betekenende mate' bijdrage heeft op de luchtkwaliteit.

Figuur 4.9 Berekening NIBM-tool voor bijdrage extra verkeer op luchtkwaliteit

Zoals op figuur 4.9 is af te lezen behoort onderhavig plan vanwege de relatief beperkte omvang tot de categorie van gevallen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3% (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan derhalve achterwege blijven. De blootstelling aan luchtverontreiniging (lokale luchtkwaliteit) dient echter wel in kaarten worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen. Met de NSL-monitoringstool zijn de concentraties van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) voor de jaren 2020 en 2030 af te lezen op de dichtstbijzijnde rekenpunten aan de Zandeweg te Oudenbosch. De concentraties zijn hieronder in de tabel weergegeven. Hieruit blijkt dat de grenswaarden niet worden overschreden.

Tabel 4.4 Resultaten NSL-monitoringstool aan de Zandeweg, Oudenbosch

Naast de NSL-monitoringstool zijn ook de Schone lucht Kaarten van het RIVM geraadpleegd op de Atlas Leefomgeving. Op deze kaarten is te zien dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden van roet (EC), fijnstof en stikstofdioxide. Aan de hand van de resultaten van de NSL-monitoringstool en de Schone lucht Kaarten van de Atlas Leefomgeving kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van onderhavig plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van de luchtkwaliteit.

54

Figuur 4.10 Uitsneden Schone lucht Kaarten (RIVM, Atlas Leefomgeving)

Conclusie Uit bovenstaande beoordeling blijkt dat de bijdrage van de het initiatief 'niet in betekende mate' is en derhalve geen nader onderzoek benodigd is. Tevens kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.11

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is met name gebruik gemaakt van de "Risicokaart Nederland".

55

Figuur 4.11 Uitsnede Risicokaart Nederland (plangebied is blauw omlijnd)

Beoordeling Bevi-inrichting Zoals op bovenstaande kaart is te zien zijn er nabij het plangebied geen inrichtingen met gevaarlijke stoffen aanwezig. De dichtstbijzijnde inrichting met gevaarlijke stoffen is gelegen op een afstand van circa 1,8 kilometer tot het plangebied. Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van dit bedrijf. Op circa 5 kilometer is Shell Nederland Chemie BV gelegen. Het invloedsgebied hiervan bedraagt 10,5 kilometer en is derhalve over het plangebied gelegen. Het groepsrisico van Shell Moerdijk overschrijdt de oriëntatiewaarde. Er is sprake van een verantwoording van het groepsrisico. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies. Deze zijn als Bijlage 14 en Bijlage 15 toegevoegd aan het bestemmingsplan.

Transportroute rijksweg A17 De rijksweg A17 maakt deel uit van het Basisnet waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd en ligt op circa 1,8 kilometer ten westen van het plangebied. Omdat het plangebied niet is gelegen binnen het verantwoordingsgebied van 200 meter van deze transportroute is een berekening van het groepsrisico niet aan de orde. Als gevolg van de stofcategorie LT3 die over de A17 wordt vervoerd bedraagt de maximale effectafstand echter wel 4 kilometer. Dat betekent dat bij een calamiteit iedereen en/of de gebouwen binnen 4 kilometer van de rijksweg gevolgen van kan hebben. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is dan ook noodzakelijk.

Transportroute spoorlijn Roosendaal - Lage Zwaluwe De spoorlijn die door de kern Oudenbosch loopt is gelegen op een afstand van 1 kilometer van het plangebied. Voor de trajecten van het doorgaande spoor, ter hoogte van het plangebied, geldt op grond van het Basisnet Spoor, dat er sprake is van een plaatsgebonden risicocontour van 10-6

56

per jaar van 18 meter vanaf het hart van het doorgaand spoor. Het plaatsgebonden risico reikt niet tot aan het plangebied. Het plangebied is eveneens niet gelegen in het plasbrandaandachtsgebied (PAG), dat zich uitstrekt tot 30 meter vanaf het doorgaande spoor. Wanneer een locatie is gelegen op meer dan 200 meter van een transportroute is een berekening van het groepsrisico niet nodig aangezien de toevoeging van personen op deze afstand niet meer van invloed is op de hoogte van het groepsrisico. Als gevolg van de stofcategorie zeer toxische gassen (B3) en vloeistoffen (D4) bedraagt de maximale effectafstand echter wel 4 kilometer. Dat betekent dat bij een calamiteit iedereen en/of de gebouwen binnen 4 kilometer van het spoor hier gevolgen van kan hebben. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is dan ook noodzakelijk.

Transportroute Havendijk Onderhavig plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het transport van gevaarlijke stoffen over de Havendijk. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) heeft in 2018 een inventarisatie gedaan naar transporten van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke en provinciale wegen. Volgens deze inventarisatie vinden er ter hoogte van het plangebied 42 transporten van brandbare gassen (stofcategorie GF3) per jaar plaats over deze weg. Het plangebied ligt binnen 200 meter van deze transportroute. Er dient derhalve getoetst te worden aan de artikelen 7 en 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes. Hiervoor kunnen de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) gebruikt worden. Routetype: weg buiten de bebouwde kom (80 km/uur) Plaatsvonden risico Vuistregel 1:

Er is geen sprake van een 10-5-contour

Een weg buiten de bebouwde kom heeft geen 10-5-contour Vuistregel 2: Er is sprake van 42 GF3 transporten per jaar. Er is Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar lager is dan derhalve geen sprake van een 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6-contour 10-6-contour Vuistregel 3: N.v.t. Wanneer het aantal GR3 transporten per jaar groter is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6-contour als 0.0003*(GF3+0.2*LF2+LF1+LT1+Lt2+3*LT3+GT4+GT5)<1 Groepsrisico Toetsing oriëntatiewaarde Vuistregel 1:

Er is enkel sprake van GF3. RBMII is niet van toepassing.

Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.

57

Vuistregel 2:

Als kengetal ten aanzien van personendichtheid per ha voor een rustige Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de woonwijk kan 25 pers/ha aangehouden drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige worden. Uitgaande van een worst case bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in benadering wordt in dit geval 30 Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt de aangehouden. oriëntatiewaarde Het dichtstbijzijnde woongebied is gelegen op 15 meter. Uitgaande van een worst case benadering wordt uitgegaan van 10 meter. Er is sprake van een tweezijdige bebouwing. De drempelwaarde bedraagt 2170. 42 transporten is minder dan 10* 2170. De oriëntatiewaarde wordt derhalve niet overschreden. Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde Vuistregel 1:

Er is enkel sprake van GF3. RBMII is niet van toepassing.

Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: 42 is kleiner dan 2170. De 10% oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-6 (een-zijdige bebouwing) of in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden. Buisleidingen Op circa 1,9 km afstand ten zuiden van het plangebied is een buisleidingenstraat aanwezig. Deze straat bestaat enerzijds uit een aardgastransportleiding en anderzijds de brandstofpijpleiding Rotterdam - Antwerpen. De aardgastransportleiding kent de volgende kenmerken: Uitwendig diameter Maximale werkdruk Z-529-27 16 inch

66,2 bar

100% letaliteitsgrens 100 meter

1% letaliteitsgrens 210 meter

Hieruit is op te maken dat het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de aardgastransportleiding. De brandstofleiding Rotterdam-Antwerpen betreft een leiding waardoor petroleum getransporteerd wordt. Deze leiding kent de volgende kenmerken Stofnaam

PR 10-6

RAPL maatschappij Petroleum

34 meter

1% letaliteitsgrens Diameter Max. werkdruk 45 meter 34 inch 52 bar

De leiding heeft een PR 10-6 contour van 34 meter. Het invloedsgebied van leidingen waardoor aardolieproducten worden vervoerd is beperkt (45 meter) en reikt niet tot het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. De leiding is derhalve niet relevant voor de

58

beoogde ontwikkeling in het plangebied.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12

M.e.r.-beoordeling

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het betreft de volgende drie stappen: 1. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Hiermee wordt getoetst of het plan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig.

Voor een plan als bedoeld in kolom 3 ‘plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c. Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er moet beoordeeld worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. 2. In het geval van een plan: toetsing of het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en). In dat geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig. 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Door Provinciale Staten kunnen hierin aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Beoordeling en conclusie De activiteit die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is de realisatie van 28 grondgebonden woningen. Deze activiteit valt binnen onderdeel D.

(D11.2 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Er is geen definitie gegeven voor een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. De activiteit blijft ruimschoots onder de drempelwaarde: Oppervlakte van 100 hectare of meer; Aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; of Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

59

De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. zijn indicatieve waarden. Dit betekent dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Dit kan middels een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op grond van de stappen 2 en 3 is geen directe aanleiding voor een m.e.r.-plicht.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van een aanmeldnotitie heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. De aanmeldnotitie is bijgevoegd als Bijlage 16 bij deze toelichting. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Het m.e.r-beoordelingsbesluit is bijgevoegd als Bijlage 17 bij deze toelichting.

60

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Dit bestemmingsplan heeft tot doel een adequaat juridisch-planologische regeling te scheppen voor onderhavige ontwikkeling. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Het bestemmingsplan biedt een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad. Het bestemmingsplan bestaat uit: de toelichting; de planregels; de verbeelding. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de bestemmingen en de aanduidingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.

5.2

Opzet regels

De indeling van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangsregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen

61

Deze bestemming is toegekend aan gronden waarop uitsluitend groenvoorzieningen, paden, sport- en spelvoorzieningen, water e.d. zijn toegestaan. Het onderscheid met de bestemming ‘Verkeer’ is gelegen in het feit dat groenvoorzieningen een daadwerkelijk structureel groen karakter hebben en behouden.

Artikel 4 Maatschappelijk Deze bestemming is toegekend aan gronden waarop een maatschappelijke voorziening is gevestigd. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' is een begraafplaats toegestaan.

Artikel 5 Verkeer Deze bestemming is toegekend aan gronden met een verkeersfunctie. Binnen de bestemming zijn ook groenvoorzieningen mogelijk waardoor het openbare gebied eenvoudig in te richten is.

Artikel 6 Woongebied - 1, Artikel 7 Woongebied - 2 en Artikel 8 Woongebied - 3 Deze bestemmingen zijn toegekend aan de nieuw te bouwen woningen. Omdat de uiteindelijke stedenbouwkundige invulling van het plangebied nog niet vast staat, is er gekozen voor het toepassen van de bestemming 'Woongebied'. Hierin zijn de bouwvlakken en bouwpercelen niet vastgelegd. Een aantal zaken is wel juridisch ingekaderd onder andere: toegestane typologieën woningen; maximaal toegestane aantal woningen; maximale maatvoeringen van de woningen. Artikel 9 Leiding - Riool In het plangebied is een ondergrondse rioolwatertransportleiding van het waterschap aanwezig, welke is beschermd door middel van de dubbelbestemming 'Leiding – Riool'. Binnen de beschermingszone zijn uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de leiding toegestaan, het bevoegd gezag kan echter een omgevingsvergunning verlenen teneinde ook bouwwerken ten behoeve van de onderliggende bestemmingen toe te staan. Ook het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden welke de leiding kunnen schaden is aan beperkingen gebonden, namelijk door een omgevingsvergunningstelsel.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 2 Gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde zijn voorzien van deze dubbelbestemming. De mogelijk aanwezige archeologische waarden worden beschermd doordat archeologisch onderzoek vereist is voordat mag worden gebouwd of werken mogen worden uitgevoerd, tenzij is aangetoond dat de bodem al dusdanig is geroerd dat er geen waarden meer aanwezig kunnen zijn.

Artikel 11 Waterstaat - Waterkering Deze bestemming betreft gronden waaraan tevens een andere bestemming is toegekend, maar waarvoor ten behoeve van de dijk een beschermingsregime geldt. Ingevolge deze bestemming zijn slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming toegestaan. Via een omgevingsvergunning kunnen bouwwerken worden toegestaan, die ingevolge de andere aan de gronden toegekende bestemming zijn

62

toegestaan, onder de voorwaarde dat het belang van de waterkering niet onevenredig wordt aangetast. Vooraf dient advies van de beheerder van de waterkering te worden ingewonnen. Een omgevingsvergunning als hier bedoeld wordt geacht te zijn verleend voor bouwwerken die aanwezig zijn op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan, of die gebouwd kunnen worden krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning. In aanvulling op het voorgaande geldt voor bepaalde werken dat het ook noodzakelijk is om een watervergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag (doorgaans het waterschap).

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 12 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Artikel 13 Algemene bouwregels Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing, ondergronds bouwen en vervangende nieuwbouw van woningen.

Artikel 14 Algemene gebruiksregels In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt.

Artikel 15 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de gebiedsaanduiding naar aanleiding van de luchtvaartverkeerzone opgenomen alsmede de milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied.

Artikel 16 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten en afmetingen.

Artikel 17 Overige regels In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van het voorzien in voldoende parkeerplaatsen alsmede bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 18 Overgangsrecht Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Artikel 19 Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

63

5.3

Verbeelding

De verbeelding is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit uit zich met name in de structuur en opmaak van de regels en verbeelding. De verbeelding opgebouwd en gecodeerd volgens IMRO 2012 en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012. Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke richtlijn voor het benoemen van de bestemmingen, het bijbehoren kleurgebruik, het gebruik en de vorm van aanduidingen en dergelijken. Op de planverbeelding zijn de volgende onderdelen opgenomen: de plangrens; de bestemming; bouwvlakken; maatvoeringsvlakken; functie- en bouwaanduidingen; De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. De kleuraanduiding op de planverbeelding geeft aan om welke bestemming het gaat. Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen gebouwen mogen worden opgericht. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte regeling is opgenomen.

64

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Financiële-economische uitvoerbaarheid

Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen die zijn doorlopen voor het zekerstellen van de financiële-economische uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke/anterieure overeenkomst met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. In onderhavige situatie is het kostenverhaal anderszins verzekerd.

De gemeente is eigenaar van de gronden en heeft hiervoor een grondexploitatie opgesteld waarmee het kostenverhaal is verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Omgevingsdialoog

Participatie wordt een belangrijke pijler onder de toekomstige Omgevingswet. Derden (waaronder omwonenden) moeten in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding van beleids- en besluitvorming. Van belang is dat de buurt betrokken wordt bij het planvoornemen. Als initiatiefnemer moet kennis worden genomen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden.

Omgevingsdialoog Voor het project Havendijk Kom Noord is gekozen om in een vroeg stadium de gelegenheid te geven aan omwonenden en belangstellenden om opmerkingen en suggesties te leveren. Zo is er een digitale informatiebijeenkomst georganiseerd op dinsdag 18 januari 2022, een fysieke bijeenkomst was toen nog niet toegestaan wegens de coronamaatregelen. Deze digitale bijeenkomst is georganiseerd via Microsoft teams. Circa 30 tot 40 belangstellenden hebben gebruik gemaakt van die uitnodiging en hebben in die sessie vragen gesteld aan medewerkers van de gemeente. Later in het jaar, op 11 juli 2022, is ook een fysieke bijeenkomst georganiseerd in Cafetaria 't Schuitje. Bij deze bijeenkomst is verteld hoe ver de gemeente was met de uitwerking van de plannen en wat er gedaan gaat worden de komende tijd. De bijeenkomst is gestart met een presentatie en daarna was er gelegenheid voor het stellen en beantwoorden van vragen. Circa 30 tot 40 belangstellenden hebben gebruik gemaakt van deze tweede bijeenkomst. Alle reacties van deze bijeenkomsten zijn per thema verzameld in een verslag en voorzien van een antwoord met uitleg in hoeverre de reactie tot een aanpassing van het bestemmingsplan heeft geleid. Zie daarvoor Bijlage 18 van de toelichting van het

65

bestemmingsplan. De presentaties die tijdens de bijeenkomsten zijn gepresenteerd, zijn terug te vinden op de website van de gemeente via: https://www.halderberge.nl/oudenbosch-havendijk-kom-noord

6.2.2

Vooroverleg

In artikel 3.1.1 van het Bro is vastgelegd dat tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet worden gepleegd met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarbij zijn met name genoemd het waterschappen en diensten van provincie en Rijk. Ten aanzien van bekendmaking van het plan is artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Voorts is in artikel 3.1.6 van het Bro bepaald dat de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg in de toelichting van het plan moeten worden beschreven. In het kader van het vooroverleg is het voorontwerp-bestemmingsplan naar de volgende instanties gestuurd: Provincie Noord-Brabant; Brandweer Midden- en West-Brabant; N.V. Nederlandse Gasunie; Rijkswaterstaat Zuid-Nederland; en Waterschap Brabantse Delta. De ingekomen vooroverlegreactie hebben geleid tot tekstuele aanpassingen in de toelichting van het bestemmingsplan. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de provincie zijn op het onderdeel landschappelijke inpassing en de verkaveling van woongebied 2 (deelgebied 5) en de regels en de verbeelding aangepast. De overige vooroverlegreacties hebben niet geleid tot aanpassingen. De volledige vooroverlegreacties en de Nota vooroverleg zijn aan dit bestemmingsplan toegevoegd in Bijlage 19 en Bijlage 20.

6.2.3

Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

Na het wettelijk vooroverleg wordt dit bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegd als ontwerpbestemmingsplan. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid om zienswijzen op het plan in te dienen. De zienswijzen worden samengevat en van commentaar voorzien. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college de raad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 25 mei 2023 gedurende zes weken, tot en met 5 juli 2023 voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is door de provincie Noord-Brabant een zienswijze ingediend. Naar aanleiding van de zienswijze is het landschappelijk inpassingsplan en de bijbehorende berekening van de kwaliteitsverbetering aangepast. Naar aanleiding van recente ontwikkelingen op de woningmarkt, de onzekere verwachting voor de komende jaren en daarmee de verkoopbaarheid van de bouwkavels binnen het gemeentelijk deelgebied Havendijk Kom Noord, heeft marktconsulatie plaatsgevonden. De conclusie hieruit is dat een mate van flexibiliteit wordt voorgestaan. Als gevolg hiervan is de woningbouwprogrammering voor de beoogde ontwikkeling middels een ambtshalve wijziging aangepast.

Hierdoor is het toegestane aantal woningen binnen het plangebied verruimd van 22 naar 28 woningen, hieronder worden ook ter plaatse van deelgebied 4 vier tiny houses mogelijk gemaakt. De ingekomen zienswijze is samengevat en beantwoord in de Nota van zienswijzen. Daarnaast zijn in de nota de ambsthalve wijzigingen beschreven. De Nota van zienswijzen is in Bijlage 21 van dit bestemmingsplan opgenomen.

66

6.2.4

Beroep

Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbende én geen belanghebbenden die kunnen aantonen dat hij/zij niet in staat was een zienswijze af te geven én (niet) belanghebbenden indien het beroep betrekking heeft op een wijziging die is aangebracht t.o.v. het ontwerpbestemmingsplan tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

67

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/572/documents/16696