CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

210128 VR16 - Toelichting bp Kom Bosschenhoofd t NL.IMRO.1655.BP4000-C001 index.pdf

Gemeenteraad 11 februari 2021, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan Esdoornlaan Bosschenhoofd21.011 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Volksgezondheidsplan 2012 - 2015 Op grond van de Wet publieke gezondheid (Wpg) dient de gemeenteraad iedere 4 jaar een volksgezondheidsnota vast te stellen. Hierin geeft de raad aan hoe hij de gemeentelijke taken op het gebied van de openbare gezondheidszorg lokaal vorm wil geven. Op 9 februari 2012 heeft de gemeenteraad de Volksgezondheidsnota 2012 - 2015 vastgesteld. Hierin geeft de raad prioriteit aan de doelgroepen jeugd en kwetsbare burgers, aan meer afstemming en samenhang en wordt in de periode 2012-2015 vooral ingezet op het stimuleren van gezond gedrag onder jongeren (tegengaan overgewicht, roken, drugs- en overmatig alcoholgebruik) en het ‘succesvol ouder worden’. In de Wpg is verder bepaald, dat de gemeente de GGD om advies vraagt bij besluiten die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de publieke gezondheidszorg in de gemeente.

Beleid huisvesting arbeidsmigranten / kamerverhuur / pensions (april 2010) De komst van nieuwe groepen arbeidsmigranten leidt tot nieuwe situaties op de woningmarkt en kan ertoe leiden dat bewoners van de gemeente overlast ervaren. De beleidsnotitie gaat niet alleen in op het handhaven van deze overlast, maar zet ook in op het beperken van de overlastsituaties, het voorkomen van illegale huisvesting en de kwaliteit van huisvesting. In de beleidsnotitie wordt ingegaan op de verschillende instrumenten welke de gemeente ter beschikking staan om de huisvesting van arbeidsmigranten te reguleren, zoals de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Bouwverordening en het bestemmingsplan, en wordt aangegeven in welke gevallen er medewerking kan worden verleend aan de huisvesting van arbeidsmigranten. Voor deze huisvesting dient aan de onderstaande voorwaarden te worden voldaan: - Situeren in bestaand stedelijk gebied (niet op bedrijventerreinen of campings) - Alleen in straten met mix van functies (niet pure woonwijken) Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

29

-

Niet in straten met alleen een woonbestemming Geen onevenredige aantasting van het woonmilieu Voorkomen overconcentratie op straat- en buurtniveau (zekere spreiding) Rekening houden met aandachtswijken (geen kwetsbaar bij kwetsbaar) Voldoen aan de op het moment van het verzoek geldende parkeernorm (voor 2010: 0,2 – 0,6 parkeerplaats per wooneenheid ) maximaal 4 (afzonderlijke) personen (of 3 afzonderlijke personen plus een huishouding) op basis van kamerverhuur in een normale eengezinswoning huisvesten. Slechts in zeer bijzondere situaties kan gemotiveerd van dit aantal afgeweken worden.

In de op te stellen bestemmingsplannen voor de kernen binnen de gemeente Halderberge wordt dit beleid vertaald door locaties aan te duiden waar kamerverhuur plaatsvindt, deze worden hiermee positief bestemd. In de regels wordt opgenomen hoeveel bewoners ter plaatse van deze aanduiding zijn toegestaan. Om enige flexibiliteit in de bestemmingsplannen te bouwen is het mogelijk om door middel van een binnenplanse omgevingsvergunning af te wijken teneinde kamerverhuur toe te staan op locaties waar dit nu nog niet aanwezig is, danwel om op een bestaande locatie bewoning door meer bewoners mogelijk te maken, waarbij echter wel aan enkele randvoorwaarden voldaan dient te worden. Zo dient een minimale gebruiksvloeroppervlakte per bewoner aanwezig te zijn, er moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen en de brandweer dient positief te hebben geadviseerd.

Integraal handhavingsbeleid leefomgeving gemeente Halderberge 2012-2015 Voor een goede vergunningverlening zijn transparante richtlijnen nodig hoe om te gaan met bouwvergunningen, omgevingsvergunning voor het aanleggen, afwijkingen, wijzigingen en eventueel afwijkingen. Met name de laatste categorie is lastig te benoemen. Een algemene richtlijn is dat de eerste jaren er in principe niet afgeweken wordt van het nieuwe plan tenzij er een noodzaak aanwezig is vanuit maatwerk. Voor de vergunningverlening zijn verordeningen van andere overheden ook van belang. Denk hierbij aan het ontgrondingenbeleid en de landschapsverordening, waterverordening en milieuverordening van de provincie en het waterbeleid (de keur) van het Waterschap. Van geval tot geval dient de relevante wet- en regelgeving van deze overheden in beeld te worden gebracht. Het handhavingsbeleid van de gemeente is verwoord in eigen beleid. De beleidsvisie bevat het integrale handhavingsbeleid dat de gemeente Halderberge gaat voeren ten aanzien van de gemeentelijke handhavingstaken op het gebied van openbare orde en veiligheid, brandveiligheid, bouwen, milieu en ruimtelijke ordening. Aan de hand van de bestaande wet- en regelgeving is een inventarisatie gemaakt van alle gemeentelijke handhavingstaken.

Om te kunnen komen tot een adequate handhaving en een juiste prioritering is vervolgens een vertaalslag gemaakt aan de hand van het risicoafwegingsmodel ‘DBC-Risico’. DBC staat voor Diagnose Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

30

Behandel Combinatie. Dit risicomodel gaat er vanuit dat de prioriteit van een bepaalde handhavingstaak (ten opzichte van een andere handhavingstaak) wordt bepaald door de negatieve effecten die optreden indien op die overtreding niet of onvoldoende wordt gehandhaafd in combinatie met de kans dat een overtreding zal plaatsvinden. Hoe groter het negatieve effect van een overtreding en hoe groter de kans daarop, des te hoger komt de betreffende taak op de prioriteitenlijst te staan. Door op deze prioriterende wijze de uitvoering van de handhaving af te stemmen, kan doelmatig en kostenefficiënt worden gehandhaafd. De huidige wet- en regelgeving – en dan met name de Wabo en het Bor noodzaakt tot een integraal handhavingsbeleid en daarmee ook tot een integraal toezicht. Voor zover dat in praktijk nog niet of onvoldoende gebeurt, betekent dit dat de handhavende taken en het daarmee gepaard gaande toezicht van de verschillende handhavende instanties en vakdisciplines (nog beter) op elkaar dient te worden afgestemd. Dit vergt een hoge mate van coördinatie en het nastreven van eenduidigheid; zowel op het vlak van preventief als repressief toezicht. De gemeente Halderberge zal in de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s nader bepalen welke zaken preventief en repressief worden opgepakt en zo ja, in welke mate.

Deze keuze zal worden gemaakt op basis van: de mate waarin een (vermeende) overtreding zich leent voor repressief toezicht, zonder dat dit ten koste gaat van een adequaat handhavingsniveau c.q. uitvoerbaarheid van preventief toezicht en het rendement daarvan; de dan geldende politiek-maatschappelijke agenda; de beschikbare manuren (bij een tekort zullen er meer taken repressief worden opgepakt). Ongeacht de in het uitvoeringsprogramma te maken indeling in preventief en repressief toezicht, kan te allen tijde tegen een overtreding worden opgetreden. In het geval er bij controles strijdigheden/overtredingen zijn geconstateerd, dienen er vervolgstappen gezet te worden. Er wordt dan echter niet klakkeloos overgegaan tot een sanctietraject. Als eerste vervolgstap wordt namelijk onderzoek gedaan naar de vraag of er omstandigheden zijn die, ondanks het beginselprincipe tot handhaving, noodzaken om van handhaving af te zien. In dat kader wordt er onderzoek gedaan naar de vraag of de strijdigheid/overtreding direct of op termijn te legaliseren is of dat er zich dringende omstandigheden voordoen die noodzaken tot gedogen. Pas indien is vastgesteld dat de omstandigheden tot legalisering of gedogen zich niet voordoen, wordt een sanctietraject ingezet langs de lijn die beschreven is in hoofdstuk 5 van het handhavingsbeleid.

Daarbij dient overigens opgemerkt te worden dat de vraag of legalisering of gedogen aan de orde is opnieuw kan opspelen als er tijdens het sanctietraject gegevens bekend worden die de vraag om te legaliseren of gedogen tijdens het ingezette sanctietraject actueel maken.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

31

3.

KENSCHETS PLANGEBIED

In dit hoofdstuk wordt een kenschets van Bosschenhoofd gegeven. Bosschenhoofd is gelegen in de gemeente Halderberge (voorheen in de gemeente Hoeven) en ligt tussen Oudenbosch aan de noordzijde, Roosendaal aan de westzijde en Etten-Leur aan de oostzijde. Het dorp wordt doorkruisd door de spoorlijn Roosendaal – Tilburg en ligt ten noorden van het vliegveld Seppe. Bosschenhoofd telt circa 2100 inwoners en is daarmee de op één na kleinste kern binnen de gemeente Halderberge.

3.1. Historische ontwikkeling Geomorfologie Het westelijk deel van Noord-Brabant ligt op de noordelijke flank van het oude Massief van Brabant. Deze flank is in wezen een hellend vlak, met een dalende tendens in noordelijke richting, dat zelfs eindigt onder het zeeniveau. Bosschenhoofd ligt op de hoger gelegen zandgronden (de Pleistocene afzettingen: met een ouderdom van meer dan 10.000 jaar). Ontstaansgeschiedenis In het gebied ten zuiden van de kern Hoeven werd in vroeger tijden veel turf e gestoken. Daaraan kwam een einde in de 16 eeuw. Aan de noordzijde van Bosschenhoofd is in het bestaande landschap nog een voormalig turfhoofd (waar in vroeger tijden turven werden opgeslagen op andere schepen) herkenbaar. De turfstekers bleven in dit woeste gebied wonen en vormden aldus kleine e nederzettingen, de zogenaamde heidegehuchten. Medio 19 eeuw werd het gebied ontsloten en werden de heidegronden ontgonnen. Als gevolg daarvan groeide een van de kleine nederzettingen uit tot de dorpsgemeenschap Bosschenhoofd. Vooral de lange, rechte Pastoor van Breugelstraat met daaraan de belangrijkste openbare gebouwen is een typisch voorbeeld van een zogenaamd ontginningsdorp. In 1882 stichtte het gemeentebestuur van Hoeven in Bosschenhoofd een lagere school, vier jaren later gevolgd door een kerkgebouw.

Rond de eeuwwisseling was met name het ontginningsbedrijf Maple Farm werkzaam in het gebied, welk bedrijf de heidegronden omvormde in weidegronden en bouwland. De kern Bosschenhoofd kon door de werkverschaffing door dit ontginningsbedrijf uitgroeien tot een bloeiende gemeenschap. Ruimtelijke karakteristiek De woonbebouwing van Bosschenhoofd bevindt zich in hoofdzaak aan de westzijde van de Pastoor van Breugelstraat, de verbindingsweg tussen Oudenbosch en de A58. Omdat zich aan de oostzijde van de Pastoor van Breugelstraat slechts gedeeltelijk bebouwing bevindt is een goede relatie aanwezig met het aangrenzende recreatie-/bosgebied. Deze overgang tussen bebouwing en recreatief gebied is in Bosschenhoofd door deze losse bebouwingsvorm c.q. lage bebouwingsdichtheid min of meer geleidelijk. Beide gebieden zijn aan deze oostzijde van de kern dan ook grotendeels met elkaar verweven. Aan de westzijde wordt de bebouwde kom begrensd door de Bosschenhoofdsestraat en een oude turfvaart. Het gebied direct ten oosten daarvan heeft met name een agrarische functie of is geoccupeerd door enkele ruim opgezette villa-kavels. De Bosschenhoofdsestraat sluit aan de noordzijde van Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

32

de kern Bosschenhoofd gaffelvormig aan op de Pastoor van Breugelstraat; binnen deze twee wegen ligt de kern Bosschenhoofd besloten, met aan de zuidzijde de Margrietstraat en het spoortrace. Ten zuiden van de spoorlijn is aan de Pastoor van Breugelstraat en de Hoenderparkdreef nog enige woon- en bedrijfsbebouwing aanwezig. Het gebied tussen bovenstaande structuurlijnen is in de loop der jaren door successievelijke uitbreidingsplannen ingevuld, met aan de noordzijde van het plangebied, waar Bosschenhoofdsestraat en Pastoor van Breugelstraat elkaar naderen, een driehoek met daarin een concentratie van enkele bedrijven. De opzet van de uitbreidingwijken is nagenoeg orthogonaal qua oriëntering. De woningbouwplannen van de laatste jaren zijn meer opgebouwd langs interne structuurlijnen, met boogvormige straten en diagonalen als ruimtelijke exponenten daarvan. Aan de westzijde van voornoemde uitbreidingszone resteert tot aan de Bosschenhoofdsestraat een gebied met een ‘groene’ invulling, dat gereserveerd is voor toekomstige uitbreiding met woningbouw. De waterloop (de oude turfvaart) kan ter plaatse worden gezien als landschappelijke afscheidingslijn voor de woonuitbreiding.

3.2. Bijzondere bebouwingstypologie3 Historische dorpse bebouwingslinten

4

De Pastoor van Breugelstraat is het belangrijkste bebouwingslint binnen de kern. Langs dit bebouwingslint is de kern van Bosschenhoofd gegroeid. Verspreid over het bebouwingslint komen horecagelegenheden, winkels en bedrijven voor, maar de woonfunctie overheerst. Het lint bestaat voornamelijk uit vrijstaande bebouwing. Op enkele plaatsen is aaneengesloten gebouwd. Het aandeel van historische bebouwing is beperkt tot enkele eenvoudige gebouwen met een sobere detaillering. Door de relatief late groei van Bosschenhoofd is een grote variatie aan woningen ontstaan. Een groot deel van de woningen is naoorlogs. Een groot aantal bouwperioden is vertegenwoordigd langs de linten. De periode van realisering is hierbij vaak afleesbaar uit het architectonisch ontwerp. Juist de variatie van bouwstijlen is nu karakteristiek. Verder zijn in het straatbeeld de vele verspringingen in de rooilijn opvallend. De hoeveelheid groen in het straatprofiel is beperkt. Door het grotendeels ontbreken van bomen zijn de gevels sterk bepalend voor het straatbeeld. Het zuidelijke deel van de Pastoor van Breugelstraat heeft een redelijk dicht bebouwingsbeeld. Door de beperkte hoeveelheid groen ontstaat een stenig beeld. Ten noorden van het Sint Gerardushof is het straatbeeld groener, met name door de forse beplanting op de percelen aan de oostzijde van het bebouwingslint.

De gebouwen zijn ook in het noordelijke deel overwegend vrijstaand met enkele meters tussen de panden onderling. Bij de Uilenspiegelstraat komt een cluster voor van 2-onder-1 kapwoningen die rond 1950 in één bouwstroom zijn gerealiseerd. Deze woningen hebben nog een sterke eenheid in gevelbeeld met beperkte raamopeningen. Centraal in de kern grenzen enkele 3

De gebiedsindeling zoals beschreven in de hoofdstukken 3.2 t/m 3.5 is gebaseerd op een aantal aspecten: historische groei, functionele indeling en de huidige gebiedsafbakening in verschillende beleidsplannen (bestemmingsplannen, welstandnota, detailhandelstructuurvisie etc.) 4

Bron: Welstandsnota gemeente Halderberge

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

33

panden direct aan de openbare ruimte, maar het merendeel van de woningen heeft een voortuin. De Bosschenhoofdsestraat is een bebouwingslint aan de westzijde van de kern. Het deel dat binnen de bebouwde kom valt wordt gekenmerkt door een aantal van oorsprong identieke vrijstaande woningen op gelijke onderlinge afstand. Aan de overzijde van de straat is deels een vrij uitzicht over het aangrenzende beekdalenlandschap. Individuele woningbouw De woningen aan de zuidzijde van de Margrietstraat worden aangemerkt als ‘individuele woningbouw’. Individuele woningbouw komt voor in vele soorten en maten, veelal met een traditionele verschijningsvorm. Af ten toe is er een pand dat hiervan afwijkt, door kleur, materiaal, dakhelling, maatvoering, etc. Deze afwijkingen passen meestal in het gevarieerde beeld. Belangrijk is de individuele uitstraling van de woning. De vrijstaande panden zijn te beschouwen als afzonderlijke objecten met een grote variatie in vormen en bouwstijlen. Dit leidt tot een diversiteit aan gevelindeling, kapvormen, vensters, gootlijsten, schoorstenen e.d. De woningen zijn overwegend voorzien van een (ruime) voortuin. Daarbij zijn de woningen georiënteerd op de straat en aan de voorzijde vaak voorzien van een erfafscheiding of haag. De onderlinge afstand tussen de woningen varieert. Bij recente ontwikkelingen is de onderlinge afstand tussen de bebouwing vaak beperkt.

Op zichzelf staande bebouwing De op zichzelf staande gebouwen in de kern Bosschenhoofd vallen uiteen in twee gebieden. Ten oosten van de Pastoor van Breugelstraat ligt een gebied met onder meer de kerk en een hotel. De combinatie van historische bebouwing en een groene invulling van de voorterreinen zorgen voor een waardevolle straatwand. Centraal in de kern ligt een gebied met onder andere een basisschool en seniorenwoningen. Deze bebouwing heeft geen historische waarden en zal ook deels worden gesloopt in het kader van het centrumplan Bosschenhoofd. Het losse bebouwingsbeeld van dit gebied zorgt wel voor een groene ruimte in het centrum van Bosschenhoofd. De bebouwing en de directe omgeving zijn als geheel ontworpen, waarbij de open ruimte en het gebouw elkaar ruimtelijk en functioneel aanvullen. In Bosschenhoofd worden de volgende gebieden tot de op zichzelf staande bebouwing gerekend: - Basissichool H.Hart - Dorpshuis De Schakel - Woonzorggebied Bosschenhoofd - Kerk - Hotel en conferentieoord De Reiskoffer en tennis- en squashcentrum De architectuurstijl en uitstraling van deze bebouwing zijn verschillend, afhankelijk van de bouwperiode en van de functie. De gebouwen zijn overwegend individueel en vrijstaand. Incidenteel vallen appartementencomplexen of seniorencomplexen onder dit deelgebied.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

34

Woongebied Marijkestraat Na de verdichting van de bebouwingslinten is dit de eerste planmatig opgezette woonwijk van Bosschenhoofd. Het gebied kenmerkt zich door een rechtlijnig stratenpatroon en het straatgericht wonen. De straathoeken zijn open, waarbij de woningen veelal een duidelijk onderscheid hebben tussen voorgevel en zijgevel. De straten hebben een relatief breed profiel en lopen evenwijdig aan de Margrietstraat of haaks hierop. De voortuinen zijn beperkt van omvang, waardoor veel woningen een directe relatie met de straat hebben. Naast rijenwoningen komen aan de randen en verspreid over de wijk ook vrijstaande en dubbele woningen voor. Hierbij is een bepaald woningtype vaak een aantal keren herhaald, waardoor ook bij de vrijstaande en dubbele woningen een eenheid in het straatbeeld ontstaat. De woningen hebben vaak veel wijzigingen ondergaan, maar de eenheid is nog herkenbaar in de massa en de vorm van het hoofdgebouw. Woongebied Wilhelminastraat Het meest noordelijke woongebied van Bosschenhoofd is rond de jraen ’70 gerealiseerd. Tussen de Pastoor van Breugelstraat en de Wilhelminastraat lopen enkele bochtige straten. De straten hebben een eenvoudig profiel met een rijweg en een trottoir aan weerszijden. Het groen in het straatprofiel is beperkt. De losse bebouwingsstructuur en diepe voortuinen zorgen voor een ruim opgezet en groen straatbeeld.

Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door een mix van forse 2 onder 1 kapwoningen en vrijstaande woningen. In massa, materiaalgebruik en mate van detaillering is een grote mate van eenheid binnen het deelgebied. De woningen zijn georiënteerd op de straat. De rooilijn van de woningen verspringt sterk, waarbij het bochtige verloop van de straat wordt gevolgd. De rooilijn ligt niet altijd evenwijdig aan de straat. Het nassaupark ligt aan de rand van het deelgebied en heeft de opzet van een villapark. De openbare ruimte is beperkt tot een smalle straat en de groene uitstraling wordt bepaald door de ruime tuinen rondom de woning. De woningen zijn hier centraal op de kavel gelegen. De Seppedreef is van meer recente datum en vormt een uitzondering op het beeld van het deelgebied. Het bebouwingsbeeld is minder ruim doordat de woningen dicht op elkaar staan. Ook hier is minder eenheid tussen de bebouwing onderling. Woongebied Berkenlaan Het woongebied ‘Berkenlaan’ heeft een grillig stratenpatroon, waarbij rechte en gebogen straten elkaar afwisselen. Een deel van de straten is doodlopend. Het groen is geconcentreerd in enkele groene ruimten van beperkte omvang. De bouwrichtingen binnen het deelgebied varieren sterk, waarbij een eenduidige structuur ontbreekt. Het woongebied kent een sterke menging van woningtypen: rijenwoningen, 2-onder-1 kapwoningen en vrijstaande woningen.

Met name bij de vrijstaande woningen zijn verschillende architectonische stijlen te vinden. De vrijstaande woningen zijn met name aan de rand van de wijk gesitueerd. Vergeleken met de overige woonwijken van Bosschenhoofd heeft dit deelgebied een krappe opzet; de onderlinge afstand tussen de woningen is beperkt.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

35

Thematische inbreiding (Park Seppe) Centraal in dit woongebied staat de historisch waardevolle bebouwing van het voormalige retraitehuis. Dit gebouw heeft een vrijstaande ligging met veel openbare ruimte aan de voorzijde. De openbare ruimte heeft een groene invulling met enkele forse bomen. De overgang van de openbare ruimte naar de privéruimte is zorgvuldig vorm gegeven. Het woongebied grenst aan gebieden met opgaand groen en heeft een groene en rustieke uitstraling. Het groene karakter wordt ondersteund door de relatief diepe voortuinen grenzend aan de straat. Rond het voormalige retraitehuis zijn vrijstaande woningen gerealiseerd. Hierbij is sterk gestuurd op beeldkwaliteit. De 8 woningen grenzend aan het bebouwingslint hebben een gelijke architectuur en vormen gezamenlijk een architectonisch cluster. De onderlinge verspringing in de rooilijn zorgt voor een speels beeld, dat past bij het bebouwingslint. De overige woningen zijn gebouwd in een stijl die verwijst naar de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright (1867-1959). Deze woningen vormen het tweede architectonische cluster binnen het woongebied. De eenheid komt hier tot uiting in het materiaalgebruik, de dakhelling, het gebruik van overstekken en de geleding van de bouwmassa’s. De variatie ontstaat door de verschillende interpretaties van het thema. De onderlinge afstand tussen de relatief forse bouwmassa’s is beperkt.

De woningen die met hun achterzijden grenzen aan het voormalige retraitehuis hebben een van oorsprong identieke architectuur. Bedrijven Bosschenhoofdsestraat Aan de Bosschenhoofdsestraat zijn enkele bedrijven aanwezig met een beperkte omvang. Op enkele percelen zijn bedrijfswoningen gesitueerd, welke zijn georiënteerd op de straat. Het beeld van de woningen varieert van boerderijtype tot villabebouwing. Door de ligging tussen achterkanten van woningen is het zicht op de bedrijven beperkt. De bedrijvigheid is niet prominent aanwezig in de kern en de hoeveelheid bedrijfsbebouwing is beperkt. De onbebouwde ruimte heeft een functie voor opslag of is ingericht als tuin. De erfafscheidingen aan de voorzijde hebben overwegend een utilitair karakter en zijn niet op elkaar afgestemd. Voor het voormalige terrein van de Steenfabriek is inmiddels een planologische procedure doorlopen om ter plaatse woningbouw mogelijk te maken. Agrarisch buitengebied oude ontginningen Het lint langs de Bosschenhoofdsestraat is aan te merken als ‘agrarisch buitengebied oude ontginningen’. Het gebied is te kenmerken als een halfopen landschap met microreliëf en een kleinschalig patroon van weg- en erfbeplantingen. In het zandlandschap zijn de bebouwingslinten met woningen en (agrarische) bedrijfsgebouwen beeldbepalend.

Het gebied kent een vrij sterke dynamiek, wat heeft geleid tot een mix van functies en een hoge mate van verstedelijking. Het beeld wordt sterk bepaald door woningen voor burgers, waarbij de voortuin een groen invulling heeft. De linten worden vaak begeleidt door laanbeplanting. Bosgebied Binnen Bosschenhoofd zijn meerdere gebieden aanwezig die zich kenmerken door een sterke mate van bebossing. Ingesloten tussen de bossen liggen enkele meer open ruimten, vaak weilanden of akkers.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

36

3.3. Ontwikkelingsgebieden In het bestemmingsplan worden enkele recente ontwikkelingen binnen Bosschenhoofd meegenomen. Voor deze ontwikkelingen is in alle gevallen de planologische procedure (artikel 19 WRO) doorlopen, en wordt de (planologisch) bestaande toestand vastgelegd in het bestemmingsplan. Het betreft de volgende plannen: - appartementencomplex Pastoor van Breugelstraat - woningbouw Margrietstraat (fase 1 en 2) - woningbouw Steenfabriek (Pastoor van Breugelstraat 42) - woningbouw Pastoor van Breugelstraat 21-23 (voormalig glastuinbouwbedrijf) - woningbouw locatie ‘Topshot’ (fase 1) Daarnaast biedt dit bestemmingsplan het ruimtelijk kader voor 1 wijzigingsbevoegdheid, welke is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Het betreft de volgende ontwikkeling: Wijzigingsgebied 1 (Bosschenhoofdsestraat 16 / 16a) Binnen dit wijzigingsgebied is het mogelijk om de gronden te wijzigen van de bestemming ‘Wonen’ in de bestemming ‘Bedrijf’, ten behoeve van bedrijven uit categorie 1 en 2. In de wijzigingsregels zijn nadere voorwaarden opgenomen om de invloed op het omliggende gebied te begrenzen, zo dienen gebouwen minimaal op 5 m van de zijdelingse en achterste perceelsgrens te worden gebouwd en mag de goothoogte van een gebouw niet meer bedragen dan 4 m.

Wijziging van de gronden is uitsluitend mogelijk indien er in milieuhygienisch opzicht geen onaanvaardbare situatie ontstaat.

3.4. Groenstructuur Het groen in de woongebieden Hiervoor is al enigszins ingegaan op dit aspect. Naast de voor- en zijtuinen, die in veel wijken en buurten in belangrijke mate bijdragen aan het groene karakter, kennen de wijken grotere en kleinere groenstructuren. Deze groenstructuren kennen veelal een directe relatie met de stedenbouwkundige principes die in de tijd dat de wijk werd gebouwd gangbaar waren. Daarnaast dankt Bosschenhoofd zijn groene karakter voornamelijk aan de grootschalige bospercelen aan de noord- en westzijde van de kern. In het kader van de nota ‘Hoe groen is Halderberge, groenvisie 2012 – 2016’, welke in april 2012 door de gemeenteraad wordt behandeld, zullen de groenstructuren van alle dorpskernen in beeld worden gebracht.

3.5. Voorzieningenstructuur Bosschenhoofd heeft een zeer beperkt lokaal voorzieningenniveau. Nagenoeg alle detailhandel, horeca, bedrijven, kantoren, maatschappelijke- en dienstverlenende instellingen zijn gelegen aan de doorgaande weg Pastoor van Breugelstraat.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

37

Detailhandel Bosschenhoofd heeft een zeer beperkt dagelijks detailhandelaanbod, zonder een centrumgebied. Verspreid over het dorp ligt een beperkt aantal winkels, zoals genoemd uitsluitend langs de Pastoor van Breugelstraat. Een supermarkt is op dit moment niet meer aanwezig, hoewel er wel plannen zijn voor een supermarkt binnen het centrumplan Bosschenhoofd. De bewoners van Bosschenhoofd zijn voor de dagelijkse voorzieningen grotendeels aangewezen op de omliggende kernen. Horeca In de kern Bosschenhoofd zijn enkele horeca-bedrijven aanwezig, waarvan het hotel-restaurant de meest in het oog springende is. Maatschappelijke voorzieningen De maatschappelijke functies zijn geconcentreerd in een klein gebied rond de kerk. Ten noorden van de kerk zijn enkele clubgebouwtjes gelegen van plaatselijke verenigingen. In het kader van het centrumplan is het de bedoeling dat diverse maatschappelijke voorzieningen (basisschool, medische voorzieningen e.d.) geclusterd gaan worden in dit centrumplan. Sport- en recreatieve voorzieningen In het zuidoostelijke deel van Bosschenhoofd zijn de sportvelden gesitueerd. Voor de sportvelden wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen teneinde uitbreiding van de voetbalvelden toe te staan, evenals de vestiging van de tennisvereniging. Deze ontwikkeling is daarom buiten het komplan gehouden.

De locatie van het voormalige tennis- en squashcentrum heeft plaatsgemaakt voor nieuwbouwwoningen.

3.6. Verkeersstructuur Hoofdverkeersstructuur De hoofdontsluitingsweg van Bosschenhoofd voor het autoverkeer is de Pastoor van Breugelstraat. Via deze noord-zuidverbinding wordt veruit het meeste autoverkeer afgewikkeld, richting Oudenbosch in het noorden en richting rijksweg A58 in het zuiden. De Bosschenhoofdsestraat en de Margrietstraat vormen tezamen met de Pastoor van Breugelstraat een driehoek, waarbinnen het grootste deel van de kom Bosschenhoofd is gelegen; deze wegen zijn voor de ontsluiting van en verdeling binnen de woonbuurten van belang. Midden door bovengenoemde driehoek is de route Willeke JoostenstraatWilhelminastraat-Beatrixstraat in de noord-zuidrichting een belangrijke verzamelstraat, met op diverse plaatsen ‘doorsteken’ op de Pastoor van Breugelstraat. Deze route markeert tevens de scheidslijn tussen de ‘oude’ en ‘nieuwe’ uitbreidingswijken in de kern Bosschenhoofd. Dit is zichtbaar in het stratenpatroon ter weerszijden van deze route; strakke rooilijnenen en langere rechtstanden aan de oostzijde, kortere straten met een bochtig verloop aan de westzijde. Verbindingswegen naar Hoeven en naar recreatiegebieden ten oosten van Bosschenhoofd zijn de Uilenspiegelstraat en de Pagnevaartdreef. Aan de zuidzijde wordt het plangebied doorsneden door de spoorlijn RoosendaalBreda. Spoorwegovergangen die voor Bosschenhoofd van belang zijn, liggen ter

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

38

hoogte van de Bosschenhoofdsestraat, de Pastoor van Breugelstraat en de Oude Antwerpsepostbaan. Duurzaam Veilig Wegverkeer Uitgangspunt is een eenduidige wegcategorisering. Hierbij wordt binnen de bebouwde kom onderscheid gemaakt in erftoegangswegen B, erftoegangswegen A en gebiedsontsluitingswegen. Het is de opzet om de woonwijken in te richten als verblijfsgebied (30 km/h). De wegen worden ingericht als erftoegangsweg B. Dit betekent:  Geen markering in de lengtrerichting;  Geen rijbaanscheiding;  Gelijkwaardige kruispunten;  Menging fietsers en gemotoriseerd verkeer;  Zo nodig snelheidsremmers op kruispunten en wegvakken;  Bromfietsers op de rijbaan. De doorgaande routes in de bebouwde kom worden ingericht als potentieel verblijfsgebied. Dit betekent dat de maximumrijsnelheid voorlopig op 50 km/h blijft. Wel worden maatregelen getroffen op conflictpunten ten aanzien van ‘fietsers van rechts’. Openbaar vervoer Binnen het plangebied bevinden zich verscheidene bushaltes ten behoeve van busverbindingen met onder meer Oudenbosch. Hoewel Bosschenhoofd is gelegen aan de spoorlijn Roosendaal – Breda is er geen treinstation (meer) aanwezig. Langzaam verkeersroutes In het kader van duurzaam veilig zijn –of worden- maatregelen getroffen om de veiligheid van het langzaam verkeer te verbeteren.

De meest actuele maatregelen en plannen zijn terug te vinden via www.halderberge.nl

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

39

4.

MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN

In het voorgaande is op diverse plaatsen gesproken over milieuaspecten. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven en vindt een uitwerking plaats van enkele specifieke milieuaspecten.

4.1. Water De beheerder van het oppervlaktewater (zowel kwaliteit als kwantiteit) is het waterschap Brabantse Delta. Naast het waterschap zijn er nog andere waterbeheerders zoals de provincie en Rijkswaterstaat (rivieren). Voor het beheer van grondwater geldt dat de provincie een overkoepelende rol heeft in de vorm van strategisch grondwaterbeheer, voor grondwateronttrekkingen is het waterschap doorgaans het bevoegd gezag (m.u.v. het bepaalde in artikel 6.4 Waterwet). Voor gemeenten geldt een zorgplicht voor grondwater binnen de gemeentegrenzen. Op verschillende niveaus is beleid ten aanzien van water geformuleerd. Hier wordt het relevante beleid kort samengevat en de verantwoordelijkheden toegelicht. Nationaal Waterplan In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde nota Waterhuishouding uit 1998. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is een algemeen plan voor het op nationaal niveau te voeren waterhuishoudkundig beleid. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer.

Daarbij heeft het plan het karakter van een kapstokplan, waarop grote beleidsvelden zoals Stroomgebiedsbeheersplannen en WB21 als min of meer zelfstandige eenheden zijn aangehaakt. Provinciaal Waterplan Op 20 november 2009 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Waterplan 20102015 ‘Waar water werkt en leeft’ vastgesteld. Het Provinciaal Waterplan is op 22 december 2009 in werking getreden. Het waterplan heeft de status van structuurvisie. De hoofddoelen uit het beleid zijn:  schoon grond- en oppervlaktewater voor iedereen;  adequate bescherming van Noord-Brabant tegen overstromingen;  Noord-Brabant heeft de juiste hoeveelheden water (niet te veel en niet te weinig). Voor nieuw stedelijk gebied, dient rekening te worden gehouden met de eis voor het minimale wateroppervlak ten behoeve van de waterberging; dit moet 10% van het bruto stedelijk gebied worden (inclusief stadsrand). Dit beleid is niet van toepassing op het onderhavige consoliderend plan.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

40

Waterschapsbeleid Het beleid van het waterschap beweegt zich binnen de kaders die in het hoger (met name provinciaal) waterbeleid zijn aangegeven. Het waterschap Brabantse Delta heeft als haar beleidsplan het ‘Waterbeheerplan Brabantse Delta 2010-2015’ (van kracht m.i.v. 22 december 2009). Het plan is geldig tot en met 22 december 2015. Door het waterbeheerplan moet het watersysteem robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. In het waterbeheerplan staan de doelen en de noodzakelijke ingrepen. Bij de keuze daarvan heeft het waterschap een afweging gemaakt tussen belangen van boeren, bedrijven, burgers, natuurbeheerders en andere partijen. Wetgeving: de Waterwet De Waterwet (van kracht met ingang van 22 december 2009) voegt acht waterbeheerwetten samen en vervangt deze: - Wet op de waterhuishouding - Wet verontreiniging oppervlaktewateren - Wet verontreiniging zeewater - Grondwaterwet - Wet droogmakerijen en indijkingen - Wet op de waterkering - Wet beheer rijkswaterstaatswerken (de 'natte' delen daarvan) - Waterstaatswet 1900 (het 'natte' gedeelte ervan). Vanuit de Wet bodembescherming is de regeling voor waterbodems eveneens ondergebracht bij de Waterwet.

Voor bepaalde onderwerpen geldt dat deze nader worden uitgewerkt in onderliggende regelgeving: het Waterbesluit, de ministeriële Waterregeling en in verordeningen van waterschappen en provincies. Nieuwe eisen watersystemen De Waterwet vormt de basis voor normen die aan watersystemen kunnen worden gesteld. Voor primaire waterkeringen blijken de normen uit de wet zelf, andere normen voor rijkswateren worden opgenomen in het Waterbesluit of de Waterregeling. Voor de regionale wateren bevatten de verordeningen en plannen de normen. De Waterwet maakt het mogelijk om normen te stellen voor watersystemen ter voorkoming van onaanvaardbare wateroverlast. In situaties van watertekorten geeft de Waterwet de mogelijkheid de ene functie boven de andere te laten prevaleren (de 'verdringingsreeks'). Ook geeft de Waterwet normen voor de bergings- of afvoercapaciteit van regionale watersystemen. Het regionale watersysteem dient zo te worden ingericht dat bij hoog water voldoende water kan worden geborgen of afgevoerd. Verplichtingen waterbeheerders De waterbeheerders zijn verplicht te voldoen aan een aantal waterkwaliteitseisen: voor de oppervlaktewaterkwaliteit gelden chemische en ecologische kwaliteitsnormen, voor de grondwaterkwaliteit gelden alleen chemische kwaliteitsnormen. Voor waterkwaliteitsnormen verwijst de Waterwet naar

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

41

stoffenlijsten en normen die zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer, de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn. Instrumenten De Waterwet kent de volgende bestuurlijk-juridische instrumenten voor het uitvoeren van het waterbeleid:  Waterakkoorden en bestuurlijke afspraken: waterbeheerders kunnen via waterakkoorden afspraken maken met andere overheden over het te voeren waterbeheer.  Legger: de waterbeheerder dient leggers van waterstaatswerken op te stellen. Dit zijn registers waarin wordt aangegeven aan welke eisen de waterstaatswerken moeten voldoen voor wat betreft ligging, vorm, afmeting en constructie. In een legger worden ook de beheersgrenzen en de beschermingszones van waterstaatswerken duidelijk aangegeven.  Projectplan: een waterbeheerder kan een waterstaatswerk aanleggen of wijzigen door middel van een projectplan, dat een beschrijving geeft van het werk en de wijze waarop het aanleggen of wijzigen zal worden uitgevoerd.  Gedoog- en duldplichten: Rechthebbende burgers en bedrijven moeten sommige waterbeheeractiviteiten gedogen of dulden. Deze inbreuken op rechten, zoals het eigendomsrecht, worden gedoogplichten genoemd. Een voorbeeld is dat grondeigenaren kunnen worden geconfronteerd met een plicht om in een bergingsgebied de tijdelijke berging van water te dulden.

Of er sprake is van een bergingsgebied is vastgelegd in de leggers en in het bestemmingsplan.  Algemene regels en de integrale watervergunning: belangrijk uitgangspunt van de Waterwet is dat zoveel mogelijk activiteiten onder algemene regels vallen. Voor activiteiten in, op, onder of over watersystemen kent de Waterwet de integrale watervergunning, waarin zes vergunningen uit eerdere wetten zijn opgegaan. De watervergunning kan bij de gemeente, maar ook rechtstreeks bij het bevoegde gezag, worden aangevraagd. Als ook een omgevingsvergunning nodig is, kan die samen met de watervergunning, bij hetzelfde loket worden aangevraagd. Water in het bestemmingsplan Het bestaande oppervlaktewater wordt met name gevormd door vijvers en waterlopen. In het Gemeentelijk rioleringsplan wordt verwezen naar de kaart Gemeentelijk rioleringsplan, overzicht rioleringsgebieden. Een aantal van de op deze kaart voorkomende aspecten zullen als zodanig op de verbeelding worden weergeven. In het kader van het bestemmingsplan worden geen nieuwe gebouwen en voorzieningen mogelijk gemaakt, aangezien het plan een overwegend conserverend karakter heeft. Van nieuwe verhardingen zal dus vrijwel geen sprake zijn.

Evenwel dient bij het aanbrengen van verhardingen contact te worden opgenomen met de waterbeheerder, waarna in goed overleg bekeken kan worden of sprake is van uitbreiding van verharding, en zo ja, hoe deze verharding gecompenseerd kan worden door middel van bijvoorbeeld uitbreiding van het oppervlaktewater.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

42

Het beleid van de waterbeheerder is er op gericht waar mogelijk duikers te vervangen door open water. Voorts zal er gezorgd worden voor een adequate bestemming van het open water dat is gelegen in “groene” gebieden, als plantsoenen en bosschages. De gemeente Halderberge staat het beleid voor om te komen tot een scheiding van de afvalwaterstromen. Hierbij moet worden gedacht aan het afkoppelen van daken, waarbij het afgevangen regenwater direct op het aanwezige oppervlaktewater wordt geloosd, danwel via een retentievoorziening wordt geloosd op het oppervlaktewater. Uiteraard moet rekening worden gehouden met de beperkingen, die hieromtrent gesteld worden door de waterkwaliteitsbeheerder. Dit behelst onder andere het niet toepassen van bepaalde materialen (bijvoorbeeld lood, koper, zink en zacht PVC) voor o.m. standleidingen en/of dakgoten. Deze materialen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteite en ecologie. Ter zake zullen nadere afspraken worden gemaakt met het waterschap. Aan de westzijde van het plangebied loopt van noord naar zuid een A-watergang, welke is bestemd als ‘Water’. Op deze watergang is, evenals op de overige watergangen, de keur van toepassing. De Keur van het waterschap is een belangrijk document waarin het beleid van het waterschap concreet is weergegeven.

Hierin is opgenomen voor welke werken en werkzaamheden ontheffing van de Keur is vereist. Het plangebied valt verder deels binnen een waterwingebied en het daaromliggende grondwaterbeschermingsgebied. Deze gebieden zijn op de verbeelding aangeduid met de aanduiding ‘milieuzone – waterwingebied’ en ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. In paragraaf 2.2 is hier verder op in gegaan.

4.2. Natuur In het kader van de Flora- en faunawet dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met beschermde planten en dieren in het plangebied. Gezien het karakter van het plangebied, bestaand stedelijk gebied, is de aanwezigheid van bijzondere beschermde planten en dieren niet waarschijnlijk. Bij effectuering van een wijzigingsbevoegdheid zal zo nodig middels onderzoek moeten worden aangetoond dat de ontwikkeling geen schade toebrengt aan beschermde plant- en diersoorten ter plaatse. In het plangebied komen enkele percelen voor welke op grond van de provinciale verordening zijn aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Deze percelen zijn in het bestemmingsplan bestemd als ‘Bos’.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

43

4.3. Cultuurhistorie Algemeen In het plangebied bevinden zich enkele cultuurhistorisch waardevolle panden. Deze geven een verwijzing naar de ontstaansgeschiedenis van Bosschenhoofd.

Impressie karaktervol pand (Retraitehuis Pastoor van Breugelstraat 55)

Rijksmonumenten In het plangebied bevindt zich het volgende rijksmonument: Adres:

Oorspronkelijke functie:

Pastoor van Breugelstraat 138

Stationsgebouw

Dit pand is op basis van de Monumentenwet beschermd. Gemeentelijke monumenten In de gemeente is gekozen voor het beschermen van een deel van deze cultuurhistorisch waardevolle bebouwing door het opnemen van deze panden in een gemeentelijke monumentenlijst. Cultuurhistorische waarden mogen niet worden aangetast, tenzij het herstel van oorspronkelijke waarden betreft. De volgende panden zijn als gemeentelijk monument aangemerkt:

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

44

Adres: Bosschenhoofdsestraat 18 Majellahof Pastoor van Breugelstraat 49 Pastoor van Breugelstraat 51 Pastoor van Breugelstraat 78

Oorspronkelijke functie: Boerderij Retraitehuis Pastorie Kerk Woonhuis

De bovenstaande gemeentelijke monumenten zijn beschermd op basis van de erfgoedverordening van de gemeente Halderberge.

Archeologie Het centrale juridische beleidsinstrument in het nieuwe archeologiebestel is het bestemmingsplan. De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Bij deze plannen dient rekening gehouden te worden met de eventueel aanwezige archeologische resten. Echter, gedetailleerd bureauonderzoek, aangevuld met veldonderzoek is voorafgaand aan de vaststelling niet noodzakelijk aangezien er geen concrete bodemingrepen gepland zijn, omdat het hier een conserverend plan betreft. Wat in deze fase volstaat is het opnemen van een beschermingsregime in het bestemmingsplan. Dit betekent concreet dat de gebieden waar archeologische resten verwacht worden of zijn vastgesteld een plek krijgen op de verbeelding (dubbelbestemming). Aan deze dubbelbestemming worden vervolgen planregels gekoppeld waarin het een en ander ten aanzien van omgevingsvergunningen voor het bouwen en voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden geregeld wordt. De gebieden waar archeologische resten worden verwacht of zijn vastgesteld, zijn weergegeven op de archeologische advieskaarten die de raad op 23 juni 2005 heeft vastgesteld.

Het rapport (opgesteld door RAAP, maart 2005) geeft een zo gedetailleerd mogelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor het gemeentelijke grondgebied, waarbij onderscheid is gemaakt tussen buitengebied en stedelijk gebied. De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart geeft een vlakdekkend inzicht in de verschillende archeologische waarden en verwachtingen in de gemeente. Het betreft de bekende archeologische waarden en verwachtingen voor de periode Paleolithicum t/m de Nieuwe tijd. Inzicht in de archeologische waarden en verwachtingen van de gemeente is noodzakelijk; de verwachtingen worden in een regeling vertaald in het bestemmingsplan. Tevens wordt het rapport gebruikt om goed onderbouwde afwegingen te kunnen maken met betrekking tot de inpassing en accentuering van archeologische alsmede oude landschappelijke elementen. Voor de verwachtingskaart van het stedelijk gebied (bestaande uit de woonkernen Bosschenhoofd, Hoeven, Oudenbosch, Oud-Gastel en Stampersgat) is gebruik gemaakt van de kadastrale minuutkaart uit 1826. Uitgangspunt is dat eventueel aanwezige oudere bewoning ook binnen de begrenzingen van de bewoning uit 1826 ligt.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

45

Op de archeologische verwachtingskaarten is onderscheid gemaakt in zones met een hoge, middelhoge, lage en onbekende archeologische verwachting.

Archeologische beleidsadvieskaart stedelijk gebied

In zones met een hoge archeologische verwachting (oranje gebieden) wordt de grootste kwantiteit aan archeologische vindplaatsen (historische bebouwing) verwacht. In deze zones is voorafgaand aan bodemingrepen adequaat archeologisch onderzoek noodzakelijk. Deze gronden zijn voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie historische bebouwing’ waarvoor geldt dat voor bodemingrepen groter dan 30 m² archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. De onderzoeksplicht is echter niet van toepassing op grondroerende werkzaamheden tot 60 cm onder het bestaande maaiveld aangezien de gronden tot deze diepte veelal zijn verstoord. In zones met een lage archeologische verwachting (grijs gebied) wordt de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen (historische bebouwing) klein geacht. Voor deze zones gelden in principe geen restricties ten aanzien van de geplande ingrepen. Voor het komplan van Bosschenhoofd geldt dat deze zowel valt binnen het stedelijk als het landelijk gebied van de archeologische beleidskaart, derhalve zijn beide kaartdelen op het plan van toepassing (zie onderstaande figuur)

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

46

Archeologische beleidsadvieskaart buitengebied

Voor de oranje arcering geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde en voor het geel gearceerde gebied een middelhoge verwachtingswaarde. Voor beide gebieden geldt dat bij bodemingrepen groter dan 500 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk is, met dien verstande dat een uitzondering is gemaakt voor bodemroerende werkzaamheden tot 60 cm diep. Omdat voor beide gebieden vergelijkbare eisen gelden zijn zowel het gebied met een middelhoge waarde als het gebied met een hoge waarde voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Voor de lage archeologische verwachtingswaarde (groen) is geen dubbelbestemming opgenomen. Ter plaatse van de grijze arcering geldt dat de bodem is verstoord en dat archeologisch onderzoek derhalve niet noodzakelijk is. In het blauw omkaderde gebied is in het verleden onderzoek uitgevoerd en zijn geen sporen aangetroffen. Voor deze gebieden zijn geen dubbelbestemmingen opgenomen.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

47

4.4. Bedrijven en milieuzonering Middels milieuzonering wordt scheiding aangebracht tussen hinderveroorzakende functies en hindergevoelige functies. Hierbij geldt de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG, 2009) als richtinggevend. Per milieufactor (geur, stof, geluid en/of gevaar) wordt voor de verschillende bedrijven en voorzieningen een afstand genoemd, welke tot de dichtstbijzijnde woonbebouwing in acht moet worden genomen. De indeling in milieucategorieën, in zes mogelijke klassen, is afgeleid van de voor dat bedrijf of voorziening geldende "grootste afstand" tot woonbebouwing. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een tweetal gebiedstypen: omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en omgevingstype gemengd gebied. Wanneer middels wijziging hindergevoelige functies worden gerealiseerd, zal getoetst moeten worden of kan worden voldaan aan de betreffende richtafstanden. Zo niet dan zal middels onderzoek moeten worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de belangen van het nabijgelegen bedrijf niet worden geschaad.

4.5. Geluid Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat indien binnen de -wettelijke- zones langs wegen, nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bebouwing worden gepland, de geluidsbelasting op de gevels daarvan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) of de ten hoogste toegelaten grenswaarde niet mag overschrijden. Het voorliggend bestemmingsplan maakt geen aanleg van nieuwe woningen mogelijk. Wel is middels wijzigingsbevoegdheid wijziging van de bestemming ‘Gemengd’ naar ‘Wonen’ mogelijk. Alvorens deze wijziging kan worden geëffectueerd zal moeten worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde (48 dB). Zo niet, dan zal een hogere waarde procedure doorlopen moeten worden, waarbij ook zal moeten worden bekeken of bronmaatregelen of overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn. Railverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat indien binnen de -wettelijke- zones langs spoorlijnen, nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bebouwing worden gepland, de geluidsbelasting op de gevels daarvan de voorkeursgrenswaarde (55 dB) of de ten hoogste toegelaten grenswaarde niet mag overschrijden. Het voorliggend bestemmingsplan maakt geen aanleg van nieuwe woningen mogelijk. Wel is middels wijzigingsbevoegdheid wijziging van de bestemming ‘Gemengd’ naar ‘Wonen’ mogelijk.

Alvorens deze wijziging kan worden geëffectueerd zal moeten worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde (55 dB). Zo niet, dan zal een hogere waarde procedure doorlopen moeten worden, waarbij ook zal moeten worden bekeken of bronmaatregelen of overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

48

Vliegveld Seppe Seppe Airport behoort tot de groep luchthavens van regionale betekenis. Het vliegverkeer bestaat uit lesvluchten, zakelijk verkeer en recreatief verkeer. Er kunnen per jaar rond de 58.000 vluchten plaatsvinden met luchtvaartuigen met een maximale AUW (All Up Weight) kleiner dan 6.000kg. Op basis van gegevens van de Directie Luchthavens van het ministerie van Verkeer en Waterstaat zijn vooralsnog de relevante Bkl-contouren (geluidbelastingseenheden Besluit Kleine luchtvaart) bij Seppe opgenomen (47 – 57 Bkl berekeningsnummers 02- 05-02 110908). Deze zijn verwerkt als ‘geluidzone – luchtvaartverkeer 1 en 2’. De regelgeving met betrekking tot de Bkl contouren zoals opgenomen in het Besluit Kleine Luchtvaart is echter per 1 november 2009 vervallen en vervangen door de Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens (RBML). De provincie is hierin als bevoegd gezag aangewezen. Op basis van het RBML heeft de provincie Noord Brabant een beleidsnota luchtvaart Noord-Brabant opgesteld welke op 1 november 2011 in werking is getreden. Naast de toetsingsvlakken van de communicatie-, navigatie- en surveillanceapparatuur gelden er ook hoogtebeperkingen rond luchthavens. Deze hoogtebeperkingen zijn beschreven in de vorm van driedimensionale vlakken die gerelateerd zijn aan een start-en landingsbaan.

Doel hiervan is het luchtruim op en rond luchthavens vrij te houden van (hoge) objecten om zodoende de vliegtuigoperaties van en naar de luchthaven veilig te kunnen uitvoeren. Op grond van voorschriften van de International Civil Aviation Organisation (ICAO) gelden de volgende obstakelvlakken: — Strook: Rond een baan is een obstakelvrije rechthoek gesitueerd: de zogenaamde strook waarvan de afmetingen variëren. De obstakelvlakken sluiten aan op de strook. De strook heeft een breedte van 120 m. De lengte van de stook is de baanlengte plus 60 m aan beide baaneinden. — Landingsvlak: Het landingsvlak sluit aan op de korte zijde van de strook. Afmetingen: Lengte 2.500m, helling 4% oplopend van 0 tot 100 m, het vlak divergeert aan weerszijden met 10% (De afmetingen van het startvlak komen overeen met de afmetingen van het landingsvlak). — Zijvlak: Het zijvlak sluit aan op de lange zijden van de strook en op het landingsvlak. Afmetingen: De lengte aan de basis komt overeen met de lange zijde van de strook. De horizontale lengte haaks op de lange zijde van de strook bedraagt 225 m. De helling is 20%, oplopend van 0 tot 45 m. — Binnenste horizontaalvlak: Het binnenste horizontaalvlak ligt boven de luchthaven en de omgeving van de luchthaven. Het oplopende landingsen zijvlak sluiten aan op dit vlak.

Afmetingen: Het binnenste horizontaalvlak ligt op een hoogte van 45 m boven de landingsbanen. De grenzen van het binnenste horizontaalvlak worden bepaald door de omhullende van de omcirkelingen vanuit de baaneindes met een straal van 2.500 m. — Conische vlak: Het conische vlak sluit aan op de bovenste grens (rand) van het horizontaal vlak. Vanaf deze grens loopt het conische vlak over een afstand van 1.100 m op onder een helling van 5%. De hoogte loopt op van 45 tot 100 m. Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

49

— Buitenste horizontaalvlak: Het buitenste horizontaalvlak sluit aan op de bovenste grens (rand) van het conische vlak. Vanaf deze grens blijft het buitenste horizontaalvlak horizontaal over een afstand 1.500m. Dit vlak ligt op een hoogte van 100 m boven de landingsbanen. N.B.: Alle hoogtematen van de obstakelvlakken moeten worden gerelateerd aan de referentiehoogte van de luchthaven, voor vliegveld Seppe is dit 9,14 m.

Zones vliegveld Seppe (Bron: Inspectie Verkeer en Waterstaat, 2008)

De bovenstaande zones zijn door middel van de gebiedsaanduiding ‘Luchtvaartverkeerszone’ in het bestemmingsplan opgenomen onder de ‘algemene aanduidingsregels’, waarbij elke gebiedsaanduiding is gekoppeld aan een maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken ter plaatse.

4.6. Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ in werking getreden. Deze wet vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’ en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:  negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken,

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

50

mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De paragraaf luchtkwaliteit in de ‘Wet milieubeheer’ voorziet ondermeer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Per 1 augustus 2009 is het NSL van kracht geworden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe ‘Wet luchtkwaliteit’ geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde,  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde.  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend. In de AMvB ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) en de bijbehorende regeling zijn bestemmingen met bijbehorende grenzen opgenomen die per definitie niet bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ‘in betekenende mate’.

Deze grens staat voor woningbouw:  < 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg;  < 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen. Beoordeling De bestemmingsplanherziening richt zich primair op beheer en heeft niet ten doel dat het aantal woningen en/of bedrijven via een rechtstreekse bestemmingsregeling kan toenemen. Voor de kern Bosschenhoofd is via een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid de bestemming ‘Gemengd’ om te zetten naar de bestemming ‘wonen’. Een dergelijke wijziging valt binnen de NIBM regeling en behoeft geen nadere toetsing met betrekking tot luchtkwaliteit.

4.7. Bodemkwaliteit Bij het opstellen van bestemmingsplannen is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Wanneer middels wijziging een functieverandering van gronden optreedt, zal moeten worden aangetoond dat de bodemkwaliteit afdoende is voor de te realiseren functie.

Toelichting Kom Bosschenhoofd

015-023

11 oktober 2012

51

4.8. Externe veiligheid Wetgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB’s en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico’s, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen.

Dit is de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied). Voor de beoordeling van risico’s van transport van gevaarlijke stoffen is de circulaire ‘Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’ (RNVGS) van 4 augustus 2004 richtinggevend. In deze circulaire wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het beleid zoals verwoord in het Besluit externe veiligheid (Bevi) inrichtingen. Ook is op 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) inwerking getreden. Hierdoor is de circulaire “Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen” uit 1984 komen te vervallen. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten bedrijventerreinen, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is - op enkele onderdelen na - op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Bij het besluit is eveneens de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) in werking getreden. Dit besluit regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. -6

Binnen de 10 /jaar contour is realisering van kwetsbare objecten als woningen niet toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten kunnen onder voorwaarden wel worden -6 gerealiseerd binnen de 10 / jaar contour. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding, of de aanleg, bouw of vestiging van een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten, moet Toelichting Kom Bosschenhoofd

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/478/documents/14597