CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - Bestemmingsplan Haarlemmerliede Liedeweg 9 - Toelichting

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 8 juni 2023, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: HOORZITTING: Heijezaal 20.30 – 21.00 uur RV Vaststelling bestemmingsplan Haarlemmerliede Liedeweg 9 (7705338) - GEANNULEERD. Er zijn geen aanmeldingen ontvangen.23.988 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2

Ruimtelijke structuur

De ruimtelijke structuur van het fort blijft na de functiewijziging behouden. Daarbij wordt het terrein bij het fort gerestaureerd en opgeknapt. De westzijde van het fort (zie figuur 4.1) wordt opgeknapt en toegankelijk gemaakt voor twee kleine terrassen.

Figuur 4.1: Huidige situatie achterzijde Fort bij de Liebrug (Juli, 2020) 35/75

4.3

Functionele structuur

Horeca Het fort ligt in het Recreatieschap Spaarnwoude, waar allerlei recreatieve activiteiten te doen zijn. Nabij het fort ligt hotel 'De Zoete Inval' waar solex verhuur mogelijk is. Het fort sluit aan bij de behoefte van toeristen en recreanten door de aanwezigheid van horeca. De toekomstige horeca in het fort is kleinschalig en is voornamelijk bedoeld voor recreanten/toeristen en passanten. Na of tijdens een dag fietsen, wandelen, varen of solex rijden kan er even bij het fort gestopt worden voor een hapje en een drankje. Het is van belang dat deze functie door de aard of wijze van bedrijfsvoering bijdraagt aan de instandhouding van het cultuurhistorische karakter van de locatie of hiermee in overeenstemming is. Bedrijvigheid In de huidige situatie heeft het fort de bestemming 'Bedrijf'. De huidige bedrijven maken onderdeel uit van het kleinschalige en ambachtelijke karakter van het fort. De functie 'bedrijf tot en met categorie 2' blijft behouden in dit bestemmingsplan. In het fort wordt ook ondergeschikte detailhandel toegestaan. Dit maakt het bijvoorbeeld voor de verschillende ambachtelijke bedrijven in het fort mogelijk om ondergeschikt aan de bedrijfsvoering producten te verkopen. Cultuur, ontspanning en zakelijk Eén van de uitgangspunten van het fort is het beleefbaar maken en het opstellen voor het publiek.

Middels de mogelijkheden voor vergaderaccommodatie, creativiteitscentra, musea, ateliers en cursusruimte wordt hier invulling aan gegeven. Deze functies kunnen op een kleinschalige manier worden ingepast in één van de ruimten binnen het fort. Hiermee worden diverse nieuwe doelgroepen aangetrokken. Kleinschaligheid Zoals eerder benoemd bestaat het fort uit 15 kleine ruimtes van circa 70 m2. Wegens de monumentale status van het fort is het niet mogelijk om het fort intern te verbouwen. Het kleinschalige karakter zal daardoor altijd behouden blijven. Om ervoor te zorgen dat niet alle ruimtes in het fort tot dezelfde vestiging behoren, waardoor de kleinschaligheid verloren zou gaan, zijn er in de bestemmingsregels een aantal beperkingen opgelegd. Per vestiging wordt een maximum oppervlakte van 300 m2 voorgeschreven en voor horeca geldt dat deze functie niet meer dan 50% van het fort mag innemen.

36/75

Hoofdstuk 5

5.1

Onderzoek en beperkingen

Bodem

5.1.1 Wet- en regelgeving Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek, eventueel aangevuld met een bodemonderzoek, bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld. Wet bodembescherming In de Wet bodembescherming (Wbb) zijn bepalingen opgenomen ter behoud en verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Bij bestemmingswijzigingen, verbouwingen of graafwerkzaamheden zal in veel gevallen een bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. De gemeente beoordeelt dat per geval. Met het bodemonderzoek kan bepaald worden of de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor de beoogde functie. De Wbb onderscheidt drie kwaliteiten grond: - sterk verontreinigde grond (boven interventiewaarden); - licht verontreinigde grond (boven achtergrondwaarden); - schone bodems (beneden achtergrondwaarden). Als gesaneerd moet worden, bestaan specifieke regels voor het bepalen van de terugsaneerwaarde (de te behalen kwaliteit) en de milieuhygiënische kwaliteit van een aan te brengen leeflaag.

Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Bbk staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Uitgangspunt in de bijbehorende normstelling is de directe relatie tussen de chemische bodemkwaliteit en het gebruik van de bodem, gebaseerd op een risicobenadering. In situaties met een gering risico gelden daarom beperkte regels en minder strenge normen dan in situaties met meer risico's. Gemeentelijke Nota Bodembeheer Haarlemmermeer probeert zoveel mogelijk een afweging te maken op basis van feitelijke risico's. De Nota Bodembeheer (2022) biedt een praktische richtlijn aan de gemeentemedewerkers, adviesbureaus, aannemers en andere bodemintermediairs hoe in Haarlemmermeer het beste met vrijkomende grond en baggerspecie kan worden omgesprongen, waarbij aan zaken als gezond verstand, kostenbesparing, milieuwinst en voldoen aan

37/75

geldende wet- en regelgeving veel aandacht is besteed. De bodemkwaliteitskaart (2022) van Haarlemmermeer geeft aan wat de gemiddelde kwaliteit van de grond op niet-verdachte locaties is in de gemeente. De bodemfunctiekaart geeft de (toekomstige) functieklasse van een gebied weer. In de Nota Bodembeheer zijn voor sommige gebieden Lokale Maximale Waarden vastgesteld. 5.1.2 Onderzoek Bij het toekennen van bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het bijzonder wanneer een nieuw ruimtelijk plan voorziet in nieuwe ontwikkelingen, is het van belang om bij de planvoorbereiding onderzoek naar de bodemkwaliteit te laten uitvoeren. Een bestemming kan pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is voor een nieuwe of aangepaste bestemming. Daarbij is wettelijk bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers en het milieu. Het bestemmingsplan voorziet in een bestemmingswijziging van 'Bedrijf' naar 'Gemengd'. Dat is noodzakelijk om in de toekomst nieuwe functies (horeca en cultuur en ontspanning) toe te staan. In bijlage 1 is een bodemonderzoek toegevoegd. Hieruit blijkt dat er lichte tot sterke verontreinigingen zijn aangetroffen binnen het plangebied.

De sterke verontreinigingen bevinden zich onder de huidige bestrating. Indien bij herinrichting de verharding wordt verwijderd, dienen de verontreinigingen in de bovengrond te worden gesaneerd 5.1.3 Conclusie Het bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging waarbij geen bodemroerende activiteiten plaatsvinden. De aangetroffen verontreiniging vormt geen risico voor het gebruik van het terrein zolang de bestrating niet wordt verwijderd. Bij verwijdering van de bestrating dienen de verontreinigingen in de bovengrond te worden gesaneerd. Het aspect bodem staat de vaststelling van het bestemmingsplan zodoende niet in de weg.

5.2

Cultuurhistorie en archeologie

5.2.1 Wet- en regelgeving Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt zes wetten op het gebied van cultureel erfgoed en sorteert hiermee voor op de komende Omgevingswet. Door de wetten te bundelen en een aantal regels te vernieuwen is de wetgeving minder versnipperd. In de Erfgoedwet staat onder andere wat cultureel erfgoed is, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt. De Erfgoedwet gaat over de bescherming van het cultureel erfgoed. Er is ook erfgoed in ruimtelijke ordening (de leefruimte om ons heen). Hoe Nederland daarmee omgaat staat in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De erfgoedvisie met uitvoeringsprogramma van de gemeente Haarlemmermeer voor de periode 2020 - 2030 stelt vast dat erfgoed bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving, de aantrekkelijkheid van de gemeente als bezoeklocatie en aan een aangenaam vestigingsklimaat. De basis van de visie is erfgoed als inspiratie en motor

38/75

voor nieuwe ontwikkelingen. De archeologienota heeft tot doel een verantwoorde balans te vinden tussen goede omgang met het archeologische erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. Voor de archeologienota zijn de verhaallijnen met de kernwaarden 'Water en pionieren' en 'Transport en Logistiek' leidend. De volgende speerpunten zijn van belang bij cultuurhistorische of archeologische waarden: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. De gemeente is verplicht om verwachte en aanwezige archeologische waarden mee te wegen bij ruimtelijke beslissingen. De wetgever geeft de gemeente de vrijheid om naar eigen inzicht vorm te geven aan de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrens. De archeologienota geeft hier invulling aan. 5.2.2

Onderzoek

Cultuurhistorie Het fort maakt onderdeel uit van de Stelling van Amsterdam. Het is een beschermd monument en tevens aangewezen als Unesco Werelderfgoed. Voor het hele gebied is een uitvoeringsprogramma opgesteld waarin de waarden van de verschillende onderdelen van de Stelling van Amsterdam worden beschreven en waarin ook informatie over behoud, ontwikkeling en o.a. subsidies is opgenomen. Herbestemmingsprojecten die een economische functie faciliteren dragen bij aan het behoud van de forten en de toegankelijkheid van het werelderfgoed. Dit soort ontwikkelingen worden gestimuleerd. De functiewijziging komt overeen met de doelstellingen om het fort te beschermen en het bekend maken van de universele waarde. Fort bij de Liebrug is in het 'Uitvoeringsprogramma Stelling van Amsterdam/Nieuwe Hollandse Waterlinie 2017-2020 Noord-Holland' expliciet aangewezen als economische herontwikkellocatie. De aanwezige cultuurhistorische waarden van het fort als onderdeel van de Stelling van Amsterdam zijn beschreven in paragraaf 3.2.2. In deze paragraaf is het bestemmingsplan getoetst aan het BPL en de kernkwaliteiten Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam. Er wordt geconcludeerd dat de aanwezige monumentale objecten van het fort niet worden aangetast. Ook leidt de ontwikkeling niet tot aantasting van het samenhangend systeem van overige functies zoals dijken, kanalen of inundatiekommen.

Juist voor het behoud van het werelderfgoed is het van belang een nieuwe functie in het fort onder te brengen, waarmee restauratie en behoud van de cultuurhistorische context in de toekomst geborgd is. Voor eventueel noodzakelijk (inpandige) bouwkundige aanpassingen wordt een monumentenvergunning gevraagd bij het bevoegd gezag: in dit geval de provincie Noord-Holland. Archeologie

39/75

Het plangebied is onderdeel van de Stelling van Amsterdam. De stelling van Amsterdam staat op de Wereld Erfgoed Lijst van de UNESCO. In Haarlemmermeer bestaat de Stelling van Amsterdam uit de Liniedijk en forten in Vijfhuizen, Hoofddorp en Rijsenhout. De Stelling van Amsterdam is opgenomen in de gemeentelijke beleidskaart als 'Waarde Archeologie 1'. Dit betekent dat bodemingrepen op basis van het 'Archeologiebeleid Haarlemmermeer 2020-2030' in beginsel verboden zijn zonder vergunning van de provincie Noord-Holland. Dit plan voorziet in een interne functiewijziging en heeft geen gevolgen voor de archeologische waarden binnen het plangebied. 5.2.3 Conclusie De uitbreiding van toegestane functies in het fort is in lijn met het geldende erfgoed en archeologiebeleid. Bij bodemingrepen dient er een vergunning aangevraagd te worden. De provincie Noord-Holland is hiervoor het bevoegd gezag.

5.3

Externe veiligheid

5.3.1 Wet- en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarden voor het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het groepsrisico is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) gedefinieerd als: "de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". In het Bevi en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Denk hierbij aan risico's van onder andere tankstations met LPG, opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen en ammoniakkoelinstallaties. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening.

Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Bevi. Het vervoer van gevaarlijke stoffen is geregeld via de Wet Basisnet, een stelsel van wetten en regels. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. In de gemeente Haarlemmermeer zijn daarnaast routes voor het transport van gevaarlijke stoffen vastgesteld. In aanvulling op de landelijke wet- en regelgeving kent de gemeente Haarlemmermeer ook eigen externe veiligheidsbeleid. Specifiek gaat het om regels over de aanvaardbaarheid en verantwoording van het

40/75

groepsrisico. Een belangrijk richtsnoer is onder andere dat objecten met niet- of met beperkt zelfredzame personen buiten het invloedsgebied van een risicobron worden geprojecteerd. Daarnaast biedt risicokaart.nl inzicht in risicosituaties in de leefomgeving. Dit instrument kan gebruikt worden als informatievoorziening om te helpen bij het voorkomen, bestrijden en beperken van de gevolgen van rampen en zware ongevallen. 5.3.2 Onderzoek Volgens de risicokaart is er in de omgeving van het plangebied sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen over de N200 en door een buisleiding. Langs de N200 is een benzine-servicestation gevestigd en op bedrijventerrein PolanenPark is een inrichting gevestigd waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt. Zie figuur 5.1.

Figuur 5.1 Uitsnede Risicokaart, plangebied paars omcirkeld (bron: www.risicokaart.nl) Inrichtingen Ten zuidoosten van het plangebied ligt het bedrijventerrein PolanenPark, hier is de risicovolle inrichting Air Products Nederland BV gevestigd. Uit berekeningen met het maatgevende scenario voor een toxische wolk blijkt dat de PR 10-6 contour nauwelijks buiten de inrichtingsgrens ligt en dat de inrichting geen relevant groepsrisico veroorzaakt. Een risicocontour (ofwel plaatsgebonden risico) geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied. Ten zuidwesten van het plangebied, langs de N200, is een benzine servicestation gelegen. De vergunde jaarlijkse doorzet LPG bedraagt maximaal 1000 m3. Rondom het LPG-vulpunt geldt een PR 10-6 contour van 40 meter en een invloedsgebied van 150 meter. Het plangebied ligt op ruim 380 meter en daarmee buiten het invloedsgebied. Transport door buisleiding

41/75

Ten noorden van het plangebied, op circa 450 meter, loopt het tracé van een aardgastransportleiding van GasUnie Grid Services. De leiding heeft een uitwendige diameter van 324 mm (12,7 inch) en een maximale werkdruk van 40 bar (4000 kPa). De PR 10-6 contour aan weerszijden van deze leiding komt overeen met de belemmeringenstrook van 5 meter. Op basis van diameter en werkdruk reikt het invloedsgebied van deze leiding (1%-letaliteitgrens) tot 140 meter. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied. Transport over de N200 Ten zuiden van plangebied, op circa 65 meter, worden gevaarlijke stoffen vervoerd over de N200 (wegvak N96: Haarlem – Knp. Rottepolderplein). De PR 10-6 contour van dit wegvak ligt niet buiten de weg. Er is een plasbrandaandachtsgebied (PAG) aangewezen langs de weg, dat is een zone van 30 meter aan weerszijden van het traject waarbinnen bouweisen voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het plangebied ligt op 65 meter van de N200 en daarmee buiten de PR 10-6 contour en het PAG. Binnen 200 meter van een Basisnetroute dient de gemeente het groepsrisico te bepalen en te verantwoorden. Beknopte verantwoording groepsrisico Uit bovenstaande analyse blijkt dat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de N200 en dat er een zeer klein risico is als gevolg van vliegverkeer. Het plangebied ligt namelijk in de LIB 5 zone.

In de omgeving van het plangebied zijn relatief weinig gebouwen waardoor de algehele personendichtheid in het gebied laag is. Dit plan maakt een functiewijziging mogelijk waarbij er publieksgerichte functies worden toegestaan zonder dat er extra gebruiksruimte wordt mogelijk gemaakt. Uit de berekening van de verkeersgeneratie blijkt dat er als gevolg van het plan 29 motorvoertuigbewegingen per etmaal meer worden gegenereerd. De functiewijziging maakt daarmee geen significante verandering van de personendichtheid ter plaatse van het plangebied mogelijk. Uit het geldende bestemmingsplan blijkt dat het groepsrisico in de huidige situatie als verantwoord wordt geacht. Omdat de personendichtheid nauwelijks verandert wordt de toekomstige situatie als verantwoord geacht. Er volgt een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen.

Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten door de Liedeweg. Deze weg sluit aan op de Oude Notweg en Haarlemmerstraatweg en het verdere wegennetwerk. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust en biedt het daarnaast vluchtmogelijkheden in meerdere richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal het plangebied bestaan uit gemengde functies, waaronder bedrijfsruimten en lichte horeca. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Als gevolg van een

42/75

incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. Een fort is in dit scenario uitermate geschikt om in te schuilen. De ramen en deuren kunnen volledig worden gesloten. Daarnaast kan de ventilatie (MV boxen) uit worden gezet en/of de afzuigsnelheid worden aangepast. 5.3.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N200 en binnen LIB 5 gebied. Vanwege de geringe omvang van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico echter niet aanzienlijk toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voldoende zijn. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor het bestemmingsplan.

5.4

Explosieven

In de Nederlandse bodem zitten nog veel ontplofbare oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog. Bij het opsporen en ruimen van OO's is de openbare orde en veiligheid het bepalende uitgangspunt. De burgemeester is op grond van artikel 172 van de Gemeentewet belast met de handhaving daarvan. De beslissing om in een concrete situatie al dan niet over te gaan tot het opsporen en ruimen van een OO is dus de bevoegdheid van de burgemeester. In een OO-verdacht gebied is de grondroerende partij verplicht een explosieven onderzoek uit te voeren in het kader van 'veilige werkomgeving en veiligheid voor derden en de omgeving' op grond van de Arbeidsomstandighedenwet. Afhankelijk van de aard van de geplande grondroerende werkzaamheden dient er opsporingsonderzoek (detectieonderzoek) plaats te vinden. Eenmaal gedetecteerde objecten die mogelijk een OO zijn (verdachte objecten), dienen benaderd te worden om vast te stellen of het wel of geen OO betreft. Wanneer is vastgesteld dat een object in de bodem een daadwerkelijke OO is, dient de OO altijd geruimd te worden. Dit is vastgelegd in het lokale beleid omtrent OO. 5.4.1 Onderzoek Het bestemmingsplan maakt alleen een interne functiewijziging mogelijk. Bodemroerende actitiviteiten zijn op basis van het bestemmingsplan niet toegestaan.

Daarbij is in het kader van de restauratie van het fort en herinrichting van de halve ringbeplanting op het forteiland is in 2017 en 2018 onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van OO's. Er zijn in dat kader geen OO's gevonden. 5.4.2 Conclusie In het kader van het bestemmingsplan is geen nader onderzoek OO's benodigd.

43/75

5.5

Flora en fauna

5.5.1 Wet- en regelgeving Sinds 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. Deze wet neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Dat is niet alleen van belang vanwege het feit dat Nederland is gehouden tot nakoming van zijn internationale verplichtingen, maar ook, omdat de Europese regelgeving een hoog beschermingsniveau van de natuur verzekert, hoger dan de bescherming die vóór de totstandbrenging van de Europese kaders werd geboden door de nationale wetgeving. De taken en verantwoordelijkheden worden in het wetsvoorstel zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd, overeenkomstig het uitgangspunt 'decentraal tenzij'. Eén van de verantwoordelijkheden van de provincie is het Natuurnetwerk Nederland (NNN), een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Een belangrijk criterium in de wet is 'gunstige staat van instandhouding van een soort'.

Daarvan is sprake als: uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. 5.5.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.1). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 5,8 km en betreft het gebied 'Kennemerland-Zuid'. Het plangebied ligt aan de rand van het NNN maar behoort er zelf niet toe. Het stroomgebied van de BinnenLiede, de Veerplas en het Weidevogelgebied ten oosten van de Liedeweg behoren wel tot het NNN (figuur 4.2). Het bestemmingsplan voorziet, afgezien van de aanleg van twee terrassen, niet in externe ontwikkelingen maar in een interne functiewijziging. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Het bestemmingsplan maakt nieuwe functies in het fort mogelijk.

Deze functies zorgen voor een andere verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie. Om de mogelijke gevolgen op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in beeld te brengen is er een AERIUS-berekening voor de gebruiksfase uitgevoerd (zie Bijlage 2). Het uitgangspunt voor deze berekening is de verkeersgeneratie zoals genoemd in paragraaf 5.14. Als gevolg van de functiewijziging van het fort wordt een toename van de verkeersgeneratie van 47 mvt per etmaal verwacht. Horeca in het fort is beperkt tot 150 m2 bvo. Voor de bevoorrading hiervan is rekening gehouden met 1 middelzware verkeersbeweging per etmaal. Uit de berekening blijkt dat de functiewijziging van het fort geen depositieresultaten oplevert boven 0,00 mol/ha/jr.

44/75

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk. Een AERIUS-berekening van de aanlegfase is hiermee niet aan de orde.

Figuur 5.2: Natura 2000

Figuur 5.3: Natuur Netwerk Nederland Soortenbescherming Dit bestemmingsplan voorziet in een interne functiewijziging. Het bestaande bouwwerk blijft onaangetast. Ook de inrichting van het gebied blijft grotendeels ongewijzigd. Aan de westzijde van het fort is de mogelijkheid voor twee terrassen opgenomen. Uit de in het kader van dit bestemmingsplan uitgevoerde quickscan (bijlage 3) blijkt dat in het fort mogelijk

45/75

vleermuizen kunnen verblijven. Om negatieve effecten als gevolg van verlichting van het terras op mogelijk aanwezige vleermuizen uit te sluiten is in het voor- en najaar van 2022 nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen verblijfplaatsen zijn waargenomen. Het gebouw is namelijk hermetisch afgesloten en bevat aan de keelzijde geen openingen waardoor vleermuizen in het gebouw kunnen komen. Het fort is bovendien verwarmd. De na het vervangen van de helft van de bomen in 2021 nog resterende oude abelen zijn als verblijfplaats (nog) ongeschikt zo blijkt uit inspectie. Wel wordt het fort-terrein en de Liede gebruikt om te foerageren. Aangegeven wordt in het nader onderzoek (pag. 13) dat: "De vleermuizen zullen dit deel van het foerageergebied mijden indien er geen mitigerende maatregelen worden genomen. Er is dan sprake van verstoring en verkleining van het habitat waardoor een ontheffing of verklaring van geen bedenkingen Nbw-2015 nodig is". Om deze reden dient voorkomen te worden dat er overmatig wordt verlicht. De voorgenomen activiteiten van gebruik van het terras in avonduren (tot 23:00) vallen ruwweg samen met de actieve perioden van vleermuizen.

Om verstoring te voorkomen worden mitigerende maatregelen genomen zoals het gebruik van aangepaste- en beperkte verlichting op het terreplein bij het terras. 5.5.3 Conclusie Als gevolg van de toename van verkeer door de verruiming van toegestane functies in het fort worden negatieve effecten op stikstofgevoelige natuurgebieden uitgesloten. Uit het nader onderzoek naar vleermuizen blijkt dat met toepassing van mitigerende maatregelen zoals het gebruik van aangepaste verlichting er geen significant negatieve effecten op de aanwezige populatie vleermuizen worden verwacht.

5.6

Geluid

5.6.1 Wet- en regelgeving In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wgh vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting. Deze bedraagt 48 dB. Indien deze voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan de gemeente een hogere grenswaarde toestaan, de zogenaamde hogere waarde. De hogere waarde mag enkel worden verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de Hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wgh.

46/75

5.6.2 Onderzoek Ten zuidoosten van het plangebied, aan de overzijde van de A200, is het bedrijventerrein PolanenPark gesitueerd. Rondom het oostelijk deel van dit terrein is een geluidzone vastgesteld. Het plangebied ligt buiten de geluidzone. Er worden in dit bestemmingsplan overigens ook geen (nieuwe) geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt waardoor geen verder onderzoek naar de geluidbelasting noodzakelijk is. Aan de westzijde van het fort is de mogelijkheid voor twee terrassen van 100 vierkante meter opgenomen. De terrassen dienen ten behoeve van lichte horeca tot en met categorie 2, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende woningen gelegen waarmee rekening moet worden gehouden. De dichtstbijzijnde woning (Liedeweg 5a) grenst met de tuin direct aan de noordoostzijde van het plangebied. Op basis van het geldende bestemmingsplan '1e herziening BP Buitengebied' zijn al bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. Door middel van de functiewijziging naar de bestemming 'Gemengd' is aanvullend horeca toegestaan waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt. Er wordt daarom, net zoals in de huidige situatie, formeel niet aan de richtafstand voldaan. Toch kan er worden aangenomen dat de terrassen niet zorgen voor een verslechtering van het akoestisch klimaat ter plaatse van de woningen.

De kortste afstand van het terras tot aan de dichtstbijzijnde woonbestemmingsgrens (Liedeweg 5a) is namelijk circa 50 meter. De terrassen liggen daarnaast achter het talud en achter de dijk van het fort, wat voor een afschermende werking zorgt ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning. Tevens ligt het plangebied naast het spoor en wordt er aangenomen dat het terras niet zorgt voor een hogere akoestische belasting op de omliggende woningen. Om het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woning te behouden, worden de mogelijkheden in dit bestemmingsplan voor de horeca-activiteiten beperkt tot 150 m2 met de mogelijkheid voor twee terrassen. Vanwege de ligging naast het spoor en de ligging van het terras aan de westzijde van het fort en tussenliggende begroeiing wordt er aangenomen dat het terras niet zorgt voor een verslechtering van de akoestische situatie ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning. Dit geldt tevens voor de woningen aan de overzijde van de Liedeweg die op circa 100 meter afstand liggen. In bijlage 5 is een akoestisch onderzoek opgenomen waarbij de akoestische gevolgen van het stemgeluid vanaf de twee terrassen, muziekgeluid, de verkeersaantrekkende werking en het stemgeluid bij parkerende personenwagens als gevolg van de bestemmingsplanwijziging zijn onderzocht.

Geconcludeerd wordt dat met de gekozen uitgangspunten de activiteiten inpasbaar zijn en het geluid voldoet aan de grenswaarden van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Het gecumuleerde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt ten hoogste 41 dB(A) in de dag- en 45 dB(A) in de avondperiode, waarmee wordt voldaan aan de grenswaarde. Aan de grenswaarde voor de maximale geluidniveaus LAmax wordt ook voldaan. Door het verkeer van en naar de inrichting kan ook voldaan worden aan de grenswaarde van 50 dB(A) in de dag - en 45 dB(A) in de avondperiode. Het gebruik van versterkte muziek op het terras kan alleen op het meest zuidelijke terras. Hierbij geldt dat de

47/75

boxen gericht naar het westen een maximaal opgesteld geluidvermogen van 95 dB(A) hebben en van 09:00 tot maximaal 23:00 uur in werking zijn. Deze voorwaarden zijn geborgd in de regels in artikel 3.3.1, sub e onder 3. 5.6.3 Conclusie De functieverruiming van het fort is ruimtelijk inpasbaar en het geluid voldoet aan de grenswaarden van de VNG-Brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Om het geluid in de avondperiode te beperken is in de regels geborgd dat akoestisch versterkte muziek van 09:00 tot uiterlijk 23:00 is toegestaan, een maximaal geluidvermogen van 95 dB(A) heeft en de boxen gericht naar het westen dienen te zijn. Het aspect geluid staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

5.7

Geur

5.7.1 Wet- en regelgeving Het algemene uitgangspunt van het Nederlandse geurbeleid is het voorkomen van nieuwe hinder. Als er geen hinder is, hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. De mate van hinder die nog acceptabel is, moet worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan op grond van de Wet milieubeheer. 5.7.2 Onderzoek Binnen het plangebied wordt horeca tot en met categorie 2 toegestaan. Op basis van de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering geldt voor een restaurant een richtafstand van 10 meter voor het aspect geur. De bestemming 'Gemengd' van dit bestemmingsplan grenst aan de noordzijde direct aan de naastgelegen woonbestemming. Er wordt daarmee niet aan de richtafstand voldaan. De gebruiksmogelijkheden voor horeca worden echter beperkt tot het fort en de terrassen aan de westzijde van het fort. De afstand van het terras tot de naastgelegen woonbestemming betreft circa 50 meter. Er wordt daarom aangenomen dat er voor het aspect geur geen hinder ontstaat als gevolg van dit bestemmingsplan. 5.7.3 Conclusie Voor het plangebied zijn geen beperkingen voor wat betreft geur.

5.8

Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties

In een ruimtelijk plan dienen planologisch relevante leidingen te worden opgenomen. Deze kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik in de omgeving. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals waterleidingen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen, afvalwaterleidingen, en dergelijke. Indien dergelijke leidingen in het plangebied voorkomen zullen deze als zodanig bestemd moeten worden, inclusief de afstand die vrijgehouden moet worden van bebouwing ter bescherming van de leiding. 5.8.1 Onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. 5.8.2 Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

48/75

5.9

Licht

5.9.1 Wet- en regelgeving Strikte normen voor kunstmatige verlichting in de vorm van afstandsbepalingen zijn er niet. De regelgeving richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Specifiek voor bestemmingsplannen is voor sommige activiteiten hoofdstuk 7 Milieueffectrapportage van de Wet milieubeheer van toepassing. Bijvoorbeeld voor grote projecten waarbij lichthinder kan ontstaan, is kunstmatige verlichting één van de milieuaspecten waarop het een en ander moet worden afgewogen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan (auto)wegen, grote oppervlakten met kassen, grote woningbouw projecten, stadsontwikkelingsprojecten of industriegebieden. De kern van het rijksbeleid ten aanzien van licht is dat donkerte hoort tot één van de kernkwaliteiten van het landschap onder het kopje belevingskwaliteit. Het rijksbeleid is gericht op het in beeld brengen, realiseren en veiligstellen van de gewenste leefomgevingskwaliteit door het terugdringen van verstoring door activiteiten op het platteland (geluid, licht, stank). Ook worden het gebruik van energiezuinige (straat)verlichting bij gemeenten en provincies bevorderd met behoud van kwaliteit en (verkeers)veiligheid. 5.9.2 Conclusie Als gevolg van de functieverruiming zijn er gelet op de afstand tot omliggende woningen geen beperkingen voor wat betreft lichthinder.

Eventuele verlichting van de terrassen wordt beperkt tot de openingstijden van de aanwezige horeca, maar dit is wel een uitvoeringsaspect van dit bestemmingsplan.

5.10 Lucht 5.10.1 Wet- en regelgeving Wet luchtkwaliteit De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in de Wet luchtkwaliteit. De hoofdlijnen van deze wet zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtregelgeving is uitgewerkt in een aantal AMvB's en Ministeriële Regelingen. Wet Milieubeheer In bijlage II van de Wm zijn voor de volgende stoffen grenswaarden voor de concentratie in de buitenlucht opgenomen: stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), koolmonoxide (CO). Uit metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en berekeningen van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat aan de grenswaarden voor benzeen, zwaveldioxide, lood en koolmonoxide al geruime tijd in (nagenoeg) geheel Nederland wordt voldaan. In de Nederlandse situatie leveren alleen de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) problemen op in relatie tot de wettelijke normen. De wijze waarop het aspect luchtkwaliteit in acht genomen dient te worden bij planvorming is geregeld in artikel 5.16 en 5.16a van de Wm. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Grenswaarden uit bijlage II van de Wm worden niet overschreden, of

49/75

Per saldo verbetert de luchtkwaliteit of blijft tenminste gelijk, of Het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit (aan concentratie PM10 en NO2)**, of Het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)***. In aanvulling op het bovenstaande toetsingskader stelt de AMvB 'Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' dat bij de voorgenomen realisering van gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, verzorgingshuizen en dergelijke, op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, moet worden onderzocht of op die locaties sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en/of NO2. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Als het echter gaat om de uitbreiding van een bestaand gebouw of een door het gebouw vervulde functie, dan is een eenmalige toename van ten hoogste tien procent van het rechtens toegestane aantal personen dat op de desbetreffende locatie verblijft, toegestaan. Het maakt voor de vestiging van gevoelige bestemmingen niet uit of het deel uitmaakt van 'niet in betekenende mate' projecten of 'in betekenende mate' projecten.

De AMvB 'Gevoelige Bestemmingen' moet in beide gevallen worden nageleefd. ** De AMvB 'Niet In Betekenende Mate bijdragen' legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3%-grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) of fijn stof (PM10). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide als fijn stof. Voor dergelijke projecten hoeft geen luchtkwaliteitonderzoek te worden uitgevoerd. Ook is toetsing aan normen niet nodig. *** Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Met het NSL is in 2005 gestart omdat Nederland niet tijdig aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit kon voldoen. Nederland heeft een plan gemaakt waaruit duidelijk wordt hoe de grenswaarden wel worden bereikt. In het NSL zijn allerlei grote projecten opgenomen die men wil uitvoeren samen met maatregelen die worden uitgevoerd om de concentratiebijdrages van deze grote projecten te compenseren. De concentratiebijdrage van NIBM-projecten wordt tevens gecompenseerd door deze maatregelen. Voor de projecten die in het NSL zijn opgenomen, hoeft geen luchtkwaliteitonderzoek te worden uitgevoerd.

Ook is toetsing aan de normen niet nodig. 5.10.2 Onderzoek Het bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging van 'Bedrijf' naar 'Gemengd'. Er worden in de toekomst nieuwe functies toegestaan die van invloed kunnen zijn op het aantal verkeersbewegingen van en naar het fort. Op basis van het beschreven scenario in paragraaf 5.14 is verkeerstoename berekend. De verkeerstoename bedraagt 47 mvt/etmaal. De maximale bijdragen als gevolg van deze verkeersgeneratie zijn berekend met behulp van de NIBM-tool (figuur 5.4). De maximale bijdrage voor NO2 bedraagt 0,08 µg/m³. Voor PM10 bedraagt de maximale bijdrage 0,01 µg/m³. Uit de berekening blijkt dat de beoogde ontwikkeling 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarde.

50/75

Figuur 5.4 Berekeningsresultaat NIBM-tool 5.10.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

5.11 Luchtvaartverkeer 5.11.1 Wet- en regelgeving Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bevat ruimtelijke maatregelen op rijksniveau die verband houden met de luchthaven Schiphol. Het Luchthavenverkeerbesluit is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchthavenluchtverkeer. Samen vormen deze besluiten een uitwerking van hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart. 5.11.2 Onderzoek Het LIB legt het beperkingengebied en het luchthavengebied vast. Indien het plangebied gelegen is binnen het beperkingengebied gelden beperkingen met het oog op veiligheid en geluid. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten in overeenstemming zijn met het LIB. Het gaat hierbij om afwegingen die moeten worden gemaakt met betrekking tot externe veiligheid, hoogtebeperkingen, beperkingen bij het toelaten van functies (bestemmingen), het voorkomen van geluidhinder en het voorkomen van het aantrekken van vogels. Zoals eerder in paragraaf 5.3 is beschreven ligt het plangebied binnen de LIB 5 zone. Daarnaast ligt het plangebied binnen de zone 'beperking aantrekken vogels', geldt een toetshoogte van minimaal 32 mter en het plangebied ligt in de toetszone voor windturbines en lasers. Beperking bebouwing: LIB 5 zone Het plangebied ligt binnen het beperkingengebied bebouwing LIB 5 zoals opgenomen in artikel 2.2.1d en 2.2.1.e.

Volgens de LIB 5 zone dient een bestemmingsplan te voorzien in een onderbouwing van de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de

51/75

grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Deze bestemmingsplanwijziging zorgt voor een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen naar het fort. Er worden als gevolg van de bestemmingsplanwijziging 47 meer motorvoertuigbewegingen per etmaal gegenereerd. Er wordt daarom aangenomen dat er geen sprake is van een significante toename van de personendichtheid ter plaatse van het plangebied. Enkel bij het in gebruik hebben van een vergaderruimte of druk bezoek van de terrassen neemt de personendichtheid incidenteel toe. Omdat de personendichtheid niet significant verandert wordt de toekomstige situatie als verantwoord geacht. Beperking vogels Het plangebied ligt in de zone 'Beperking vogels' zoals opgenomen in artikel 2.2.4 van het LIB. In deze zone is het toevoegen van nieuwe vogelaantrekkende functies niet toegestaan. De genoemde functies vogelaantrekkende functies in artikel 2.2.4 zijn niet toegestaan op basis van dit bestemmingsplan. Maatgevende toetshoogte De maximale toetshoogte binnen het bestemmingsplan is deels 32 en deels 33 meter volgens artikel 2.2.2. en bijlage 4 van het LIB. Binnen het bestemmingsplan zijn geen objecten op deze hoogte toegestaan. Ook gelden er nog hoogtebeperkingen op grond van artikel 2.2.2.a van het LIB en bijlage 4A.

Deze hoogtebeperkingen zijn ruimer dan de beperkingen op grond van artikel 2.2.2 waardoor ook hieraan wordt voldaan. Toetszone windturbines en lasers Op grond van artikel 2.2.4 van het LIB en de kaarten in bijlage 6 en 4 is er geen vaste laserinstallatie toegestaan, of een windturbine vanaf een bepaalde maat. Het bestemmingsplan maakt beide niet mogelijk en voldoet daarmee aan de regel van het LIB. 5.11.3 Conclusie Er is geen sprake van een significante toename van de personendichtheid ter plaatse het plangebied. Een beknopte verantwoording van het groepsrisico is opgenomen paragraaf 5.3. De ligging van het plangebied binnen het beperkingengebied van Schiphol vormt op grond van de regels van het LIB geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

5.12 Milieueffectrapportage Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen, waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit de C- en D-lijst geldt een m.e.r.-plicht respectievelijk m.e.r.-beoordelingsplicht. Als een voorgenomen ontwikkeling activiteiten bevat zoals opgenomen in de D-lijst van het besluit m.e.r. (kolom 1), maar beneden de drempelwaarden in deze lijst ligt (kolom 2), dan is er een vormvrije m.e.r.-beoordeling mogelijk. Er dient bij elke m.e.r.-vorm een aanmeldnotitie te worden opgesteld. In overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit wordt beoordeeld of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling

52/75

(als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Overigens moet daarnaast worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan hebben, waarbij naast de drempelwaarden ook de omstandigheden ter plaatse worden betrokken. Dit in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 15 oktober 2009 (C-225/08). 5.12.1 Onderzoek De functiewijziging van het fort voldoet niet aan de criteria zoals genoemd in de C- en D-lijst van Bijlage II bij het Besluit mer. Daarnaast wijzen de uiterlijke kenmerken (aard en omvang) van het project en de omgeving en anderzijds de milieueffecten van het project erop dat er geen sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' in de zin van artikel 11.2 tabel D bijlage II bij het Besluit mer. De bestemmingsplanwijziging maakt namelijk geen bouwwerkzaamheden mogelijk en de bestaande ruimte ten verhuurbare ruimte ten behoeve van (horeca)bedrijven wordt niet uitgebreid. De bestemmingsplanwijziging zorgt bovendien niet voor een significante toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het fort. De milieugevolgen als gevolg van de functiewijziging zijn in beeld gebracht in hoofdstuk 5.

5.12.2 Conclusie Voor de beoogde ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat er niet voldaan wordt aan de criteria zoals genoemd in de C- en D-lijst van Bijlage II bij het Besluit mer. Zodoende is er ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals in het Besluit m.e.r. is beschreven. Een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' wordt daardoor niet noodzakelijk geacht.

5.13 Milieuzonering Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient de invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid op de leefomgeving afgewogen te worden. Door middel van milieuzonering dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals wonen). De VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het ruimtelijk plan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. 5.13.1 Onderzoek Het bestemmingsplan voorziet in het wijzigen van de bestemming van 'Bedrijf' naar 'Gemengd' waardoor in de toekomst bedrijven, horeca, vergaderaccommodaties en diverse vormen van cultuur en ontspanning zijn toegestaan. Het fort zelf en de indeling (15 units variërend van 58-114m2) veranderen niet. Aan de westzijde van het fort komt de mogelijkheid voor twee keer een terras van maximaal 100 m2. De toekomstige functies worden volgens de VNG publicatie gezien als milieubelastend. Bedrijven zijn toegestaan tot en met milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk.

In de omgeving van het plangebied zijn naast de woonfunctie verschillende andere functies aanwezig, waaronder het fort zelf. Daarnaast is er aan de Liedeweg sprake van lintbebouwing. Er kan daarom worden aangesloten bij de richtafstand van 10 meter, behorende bij een 'gemengd gebied'. Ook voor horeca tot en met categorie 2 en een museum geldt deze richtafstand van 10 meter. Daarnaast geldt op basis van vergelijkbare functies voor vergaderaccommodaties, cursusruimte en praktijkruimte ook een richtafstand van 10

53/75

meter voor het aspect geluid. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende woningen gelegen waarmee rekening moet worden gehouden. De dichtstbijzijnde woning (Liedeweg 5a) grenst met de tuin direct aan de noordoostzijde van het plangebied. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn al bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. Door de functiewijziging naar de bestemming 'Gemengd' worden diverse functies mogelijk gemaakt waarvoor net zoals in de huidige situatie een richtafstand van 10 meter geldt. Er wordt daarom, net zoals in de huidige situatie, formeel niet aan de richtafstand voldaan. Vanwege de bouwtechnische eigenschappen van het fort wordt er vanuit het fort geen geluidhinder op omliggende woningen verwacht door de nieuwe functies in het fort. Door de toevoeging van de terrassen (buiten) wordt de functie horeca als maatgevend gezien. Horeca binnen het fort is vanwege de bouw van het fort realistisch alleen mogelijk binnen de poterne. Eén van de terrassen ligt dichterbij de dichtstbijzijnde woning dan de poterne en is daarmee maatgevend. Er wordt aangenomen dat de functiewijziging niet zorgt voor een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. De kortste afstand van het terras tot aan de dichtstbijzijnde woonbestemmingsgrens (Liedeweg 5a) is namelijk circa 50 meter.

De terrassen liggen daarnaast achter het talud en achter de dijk van het fort, wat voor een afschermde werking zorgt ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning. Ook ligt het plangebied naast het spoor en de autosnelweg A200 en wordt er aangenomen dat het terras niet zorgt voor een hogere geluidsbelasting op de omliggende woningen. In bijlage 5 is een akoestisch onderzoek opgenomen waarbij de akoestische gevolgen van het stemgeluid vanaf de twee terrassen, muziekgeluid, de verkeersaantrekkende werking en het stemgeluid bij parkerende personenwagens als gevolg van de bestemmingsplanwijziging zijn onderzocht.De resulaten van het onderzoek zijn opgenomen in paragraaf 5.6. 5.13.2 Conclusie Dit bestemmingsplan zorgt niet voor een verslechtering van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. Er wordt aangenomen dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening. Om het geluid in de avondperiode te beperken is in de regels geborgd dat akoestisch versterkte muziek tot uiterlijk 23:00 is toegestaan en een maximaal geluidvermogen van 95 dB(A) heeft.

5.14 Verkeer Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling wordt berekend aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen (Handboek parkeernormen, gemeente Haarlemmermeer 2018). Hierin zijn parkeernormen opgenomen voor de kern Haarlemmerliede (niet-stedelijk). De parkeernorm heeft een bandbreedte (minimum – gemiddelde – maximum). Op basis van de hemelsbrede afstand ten opzichte van het dichtstbijzijnde

54/75

treinstation of HOV-halte, wordt de gemiddelde parkeernorm aangehouden. Station Haarlem Spaarnwoude ligt namelijk tussen de 700 m – 1.200 m hemelsbrede afstand van het plangebied. Voor de beoogde ontwikkeling worden de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers van het CROW. Voor het juiste kencijfer wordt een ligging in de rest bebouwde kom aangehouden, Haarlemmerliede heeft een niet-stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. De gegeven kencijfers hebben een bandbreedte (minimum – maximum), er wordt net als bij de parkeernormen uitgegaan van de gemiddelde kencijfers. 5.14.1 Onderzoek Verkeersstructuur Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Liedeweg. In zuidelijke richting kan de Haarlemmerstraatweg worden bereikt, vanwaar in westelijke richting Haarlem Oost kan worden bereikt. Teven ligt hier een aansluiting op de A200/N200, vanwaar het hoofdwegennet kan worden bereikt. In oostelijke richting leidt de Haarlemmerstraatweg ook naar een aansluiting op de A200, evenals een aansluiting op de rijksweg A9. In noordelijke richting leidt de Liedeweg naar de kernen Haarlemmerliede en Penningsveer. De Liedeweg is gecategoriseerd als erftoegangsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/h. Fietsverkeer deelt de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Aan de westzijde van de Liedeweg ligt een smal voetpad.

Station Haarlem Spaarnwoude is het dichtstbijzijnde openbaarvervoerspunt en ligt op circa 1,5 km loop- en fietsafstand van het plangebied. Hier vertrekken stoptreinen en bussen in verschillende richtingen. De bereikbaarheid van het plangebied voor het gemotoriseerd verkeer is hiermee voldoende aangetoond. Parkeren Met het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt dat de bestaande ruimtes van het fort gebruikt kunnen worden ten behoeve van bedrijvigheid, horeca (tot en met categorie 2, met mogelijkheid voor twee terrassen), cultuur en ontspanning in diverse vormen en vergaderaccommodatie/cursusruimte. Wanneer deze functies zich in het fort vestigen, zorgt dit voor een parkeerbehoefte die binnen het plangebied dient te worden opgevangen. Parkeerbehoefte In het fort zijn in totaal 15 units aanwezig, met een gezamenlijk verhuurbaar vloeroppervlak van circa 1.100 m² (inclusief algemene ruimte). De oppervlakte per unit varieert. Omdat nog niet bekend is welke bedrijven zich uiteindelijk in het fort zullen gaan vestigen, is een worst-case in beeld gebracht op basis van de functies met de hoogste parkeerbehoefte. Er is daarom uitgegaan van drie verschillende functies binnen het fort: cursusruimte/vergaderaccommodatie van 300 m2 bvo, bedrijven t/m categorie 2 en horeca t/m categorie 2 van 150 m2 bvo.

Voor vergaderaccommodatie en cursusruimte is geen specifieke parkeernorm in het parkeerbeleid van de gemeente Haarlemmermeer opgenomen. Voor deze functies is daarom aangesloten bij de parkeernorm voor een cultureel centrum. Aangezien het fort als onderdeel van een recreatieve route gaat functioneren waarbij de horeca kleinschalig is en geen volwaardig restaurant betreft, wordt er voor de horecafunctie gerekend met een parkeernorm café/bar/cafetaria. Dit is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Hieronder wordt onder andere

55/75

verstaan: bierhuis, proeflokaal, koffiebar, lunchroom en broodjeszaak. De verhuurbare ruimtes in het fort lenen zich in de praktijk niet voor reguliere restaurants omdat het technisch niet mogelijk is om een keuken in het fort te realiseren. Er is daarom uitsluitend kleinschalige horeca aanwezig, bedoeld voor fietsende en wandelende recreanten. Daarmee ligt de daadwerkelijke parkeerbehoefte van de horeca naar verwachting lager dan de in het gemeentelijke beleid gehanteerde parkeernormen. Ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan gelden de parkeernormen zoals opgenomen in tabel 4.1. Tabel 4.1: Parkeerbehoefte plangebied Categorie parkeernorm Functie Cursusruimte/vergader Cultureel centrum accommodatie Bedrijven t/m categorie Bedrijf 2 arbeidsint./bezoekersext. Horeca t/m categorie 2 Café / bar /cafetaria Totaal

Parkeernorm Aantal 300 650 150 1.100

m2 bvo

3

Parkeerbehoef te

per 100 m2 bvo 9

m2 bvo 2,35 per 100 m2 bvo 15,28 m2 bvo 7 per 100 m2 bvo 10,5 m2 bvo 35

pp

De berekening in tabel 4.1 laat de parkeerbehoefte bij de maximaal planologische invulling van het fort zien. Dit zorgt voor een totale parkeerbehoefte van 35 parkeerplaatsen. Omdat de verschillende functies niet allemaal op hetzelfde moment worden gebruikt, kunnen de aanwezigheidspercentages uit het gemeentelijk parkeerbeleid zoals dat geldt ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan worden toegepast om de parkeerbehoefte op het maatgevende moment te bepalen. Tabel 4.2 toont deze berekening. Tabel 4.2: Aanwezigheidspercentages en mogelijke maatgevende parkeerbehoefte Werkdag Koop Werkdag Zaterdag ochtend middag avond avond nacht middag Sociaal cultureel 10% 40% 100% 100% 0% 60% Kantoor/bedrijf 100% 100% 5% 5% 0% 0% Café 30% 40% 90% 90% 0% 75%

Sociaal cultureel Kantoor/bedrijf Café Totaal

Werkdag ochtend 0,9 15,28 3,15 19,4

middag 3,6 15,28 4,2 23,1

avond 9 0,77 9,45 19,3

Koop avond 9 0,77 9,45 19,3

Werkdag nacht 0,0 0,0 0,0 0,0

Zaterdag middag 5,4 0,0 7,88 13,3

avond 90% 0% 100%

Zondag middag 25% 0% 45%

avond 8,1 0,0 10,5 18,6

Zondag middag 2,25 0,0 4,73 7,0

De berekening in tabel 4.2 laat zien dat een mogelijke invulling van het fort zorgt voor een maatgevende parkeerbehoefte van 24 parkeerplaatsen op de werkdag middag.

56/75

Het bestemmingsplan maakt tevens ondersteunende functies ten behoeve van de hoofdactiviteit mogelijk. Deze ondersteunende functies mogen niet meer bedragen dan 25% van de hoofdactiviteit met een maximum van 150 m2. Per vestiging geldt een limiet van 300 m2 waarbij het gedeelte voor ondersteunende functies dus maximaal 75 m2 per vestiging mag bedragen. De openingstijden van de ondersteunende functies vallen daarbij binnen die van de hoofdactiviteit. De ondersteunende functies zijn van een dermate kleine schaal dat er kan worden aangenomen dat deze niet zorgen voor een extra parkeerbehoefte ten opzichte van de hoofdactiviteit. Parkeeraanbod De parkeerbehoefte wordt binnen het plangebied opgevangen. In de huidige situatie wordt er aan de voorzijde van het fort geparkeerd, maar zijn er geen gemarkeerde parkeerplaatsen aanwezig. Wanneer alle mogelijke parkeerruimte bij elkaar wordt opgeteld, biedt het plangebied ruimte voor 32 parkeerplaatsen. Figuur 4.6 geeft hiervan een overzicht. Op het maatgevende moment werkdag middag zijn er volgens de parkeerberekening 8 parkeerplaatsen vrij en nog beschikbaar. Deze extra 8 parkeerplaatsen bieden een buffer voor onder andere de functie horeca als er extra drukte op het terras ontstaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=e23bbd2c-9ad8-4d88-99f8-af156806b744