CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Toelichting

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 18 juli 2024, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: SESSIEDEBAT 3- Heijezaal 19.00- 20.30 uur: RV Vaststelling bestemmingsplan Nieuw-Vennep IJweg 1457 en beeldkwaliteitsplan ‘Huis ter Lucht’ (11013374)21.820 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zij concluderen dat het beeldkwaliteitsplan in overeenstemming is met de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan Polderlinten Haarlemmermeer dat onderdeel is van de Visie Polderlinten. Het beeldkwaliteitsplan Huis ter Lucht is daarom integraal onderdeel van het bestemmingsplan gemaakt en ook als zodanig in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met de ambities zoals deze door de gemeente Haarlemmermeer zijn gesteld.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

27

4 Nieuwe situatie 4.1 Toekomstige ontwikkelingen in het plangebied Op de percelen aan de IJweg 1455 - 1457 te Nieuw-Vennep is een voormalig agrarisch bedrijf gevestigd. Met de plannen voor het achtergelegen gebied Nieuw-Vennep West is de bedrijfsvoering reeds geruime tijd gestopt. Het voornemen is de bestaande bedrijfsbebouwing en bijbehorende opstallen te slopen om vervolgens woningbouw op het perceel te realiseren. Om tot een goede inpassing van de woonhuizen te komen is door B+O Stedenbouw B.V. een stedenbouwkundige studie verricht dat heeft geleidt tot stedenbouwkundig plan Huis ter Lucht. Het stedenbouwkundige plan heeft een agrarische/boerderijachtige uitstraling, als verwijzing naar het voormalige gebruik van het perceel. Deze stedenbouwkundige studie is diverse keren met de stedenbouwkundigen van de gemeente Haarlemmermeer besproken. Naar aanleiding van deze besprekingen en de beoordeling van de Werkgroep Ruimtelijke kwaliteit zijn diverse wijzigingen in het plan doorgevoerd. Vervolgens is het plan verder uitgewerkt in een beeldkwaliteitsplan, dat inmiddels door de gemeente Haarlemmermeer akkoord is bevonden.

Afbeelding 4.1: Stedenbouwkundig plan 'Huis ter Lucht' (Bron: B+O Stedenbouw B.V.)

Nieuw-Vennep IJweg 1457

28

Tijdens de uitwerking van het plan heeft de gemeente Haarlemmermeer kenbaar gemaakt dat men voornemens is om een nieuwe ontsluitingsweg aan de noordzijde van het plangebied aan te leggen; de Parallelle IJweg. Om het plan Huis ter Lucht toekomstbestendig te maken is daarom in de stedenbouwkundige uitwerking rekening gehouden met deze toekomstige situatie. Als de nieuwe weg is aangelegd kan de hoofdontsluiting van/naar de IJweg worden afgesloten. Deze blijft enkel toegankelijk voor hulpdiensten, fietsverkeer en voetgangers. Het plan heeft een agrarische/boerderijachtige uitstraling en sluit aan op de Visie Polderlinten. De Visie polderlinten geeft voor de erven weer hoe de gemeente Haarlemmermeer de uitstraling van de erven aan de polderlinten beogen. Een belangrijk uitgangspunt is het behouden van het polderlint karakter door bijvoorbeeld behoudt van openheid, doorzichten, de karakteristieke landschappelijke inrichting en opzet van de bebouwing. Van oudsher kenden de erven langs de polderlinten een agrarische functie waarbij bebouwing deze functie diende en zich als losse elementen op het erf bevonden. De gemeente vraagt dan ook voor woonerven langs de polderlinten om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de kenmerkende uitstraling van de polderlinten.

4.2 Ruimtelijke structuur Het plan omvat een mix van verschillende woningtypologieën, met in totaal 26 nieuwe woningen. Aan het lint worden 2 nieuwe bouwvolumes toegevoegd. De volumes verspringen, dit is kenmerkend voor een polderlint waar wonen op eigen erf centraal staat. De twee-onder-éénkappers zijn vormgegeven als één bouwvolume en volgen daarbij het ritme van het lint. Het plan haakt dan ook aan op het concept uit de Visie Polderlinten. Aan de IJweg blijven twee vrijstaande woningen behouden. De woning binnen het plangebied kan in de toekomst vervangen worden door nieuwbouw, waarbij deze moet aansluiten op het karakter van het lint. Achter het polderlint ontstaat een riant woonerf met een mix van twee-onder-één-kappers en rijwoningen. Door een mix van typologiën ontstaat een variatie van bebouwingsvolume dat bijdraagt aan een speels en landelijk karakter. Voorkomen dient te worden dat een standaard uitbreidingswijk ontstaat. Voor de twee-onder-één-kappers geldt dat in plaats van een geschakeld bouwvolume ook twee vrijstaande woningen gerealiseerd mogen worden. In het deel van het plangebied waar wegens milieuzonering verband houdend met de agrarische activiteiten van het naastgelegen perceel geen woningen gerealiseerd kunnen worden, wordt een gemeenschappelijke moestuin, boomgaard en speelplaats ingepast.

Dit is tevens de plek waar een gemeenschappelijke parkeervoorziening is ingepast. Bewoners kunnen hun auto’s hier uit het zicht parkeren. Het parkeren wordt zo veel mogelijk aan de randen van het plangebied opgelost. Een andere centrale plek in het plangebied is gesitueerd in noodwestelijke hoek, in een zogenaamde ‘parkeerkoffer’. Het parkeren dient zo landschappelijk mogelijk te worden vormgegeven. Parkeren Nieuw-Vennep IJweg 1457

29

op eigen erf dient uit het zicht onttrokken te zijn, hier heeft het de voorkeur om de parkeerplaatsen te omhagen. Bij de transformatie van polderlinten van werken naar wonen, wordt door cluster Ruimte, Economie en Duurzaamheid (RED) geadviseerd om nieuwe woonerven in beheer (mandelig) bij de bewoners onder te brengen. De gemeente ziet het principe van een mandelig beheer ook als een middel om privaatrechtelijk extra regels toe te voegen voor zowel de gemeenschappelijke als private buitenruimten van de woningen. In een VvE kan bijvoorbeeld worden opgenomen dat het enkel is toegestaan om een lage groene erfafscheiding van <1m hoog rond het eigen terrein te situeren. Dit om de openheid en de gezamenlijke uitstraling van het erf zo veel mogelijk te behouden. Daarnaast draagt het gezamenlijk beheer bij aan de gezamenlijke leefstijl op deze erven. Mandeligheid wordt ook voor Huis ter Lucht als uitgangspunt gehanteerd. De massa van de bouwvolumes in het plan is gebaseerd op het principe van het ‘Hallenhuis’, waarvan bijvoorbeeld de stolpboerderij een afgeleide is. Dit is een van oorsprong, op gebintenstructuur gebaseerde, landelijke bebouwingstypologie en is voorzien van een hoofdbeuk met aan weerszijde een zijbeuk. Deze opzet vormt de basis voor elk woonhuis, waarbij gevarieerd kan worden in de mate waarin het volume wordt ingevuld.

Daarmee biedt het mogelijkheden om groter of kleiner te bouwen en blijft de typologie van het Hallenhuis altijd herkenbaar. De zijbeuk kan worden gebruikt als veranda of biedt plaats aan functies als bijkeuken, tuinkamer of berging. Hiermee blijven deze elementen, zoals gewenst, onderdeel van het hoofdgebouw.

Afbeelding 4.2: Het 'Hallenhuis'-principe (Bron: B+O Stedenbouw B.V.)

Nieuw-Vennep IJweg 1457

30

Aandachtspunten: • De openbare ruimte, zo ook de parkeerkoffers, dient zo landschappelijk mogelijk te worden vormgegeven, hierbij dient er gelet te worden op natuurlijke erfafscheidingen (zoals hagen); • Beslissingen betreffende de mandeligheid van de buitenruimte worden in de volgende fase nader uitgewerkt. De keuze voor een mix van hoofdhuizen en schuurvolumes geeft een natuurlijke verscheidenheid die zorgt voor luchtigheid in het erf en zorgt voor de “erf-uitstraling” die de gemeente Haarlemmermeer graag langs de polderlinten wil zien. De overgangen van openbaar-privé worden middels een Delftse stoep vormgegeven. Dit zorgt voor een zachte overgang en stimuleert gemeenschappelijk eigenaarschap van de aangrenzende openbare ruimte. Hiermee wordt bijgedragen aan een zoveel mogelijk “gemeenschappelijke” uitstraling. Het toevoegen van bijvoorbeeld schuttingen of hoge hagen past hier minder bij. Er is daarom zorgvuldig gekeken naar een inpassing van de hagen, waarbij deze afwisselend laag en hoog worden toegepast. Dit om meer geslotenheid bij privé-tuinen mogelijk te maken en meer openheid ter plaatse waar een directe relatie met de openbare ruimte gewenst is. De referentiebeelden zoals die zijn opgenomen in het beeldkwaliteitsplan geven hiervan een goed beeld.

Daarnaast is er in de erfinrichting rekening gehouden met dat de mogelijkheid voor een entree aan de toekomstige parallelle IJweg. Om het ervenconcept extra kracht bij te zetten worden waterlopen in het plangebied behouden en een nieuwe geïntroduceerd. Evenwel worden deze waterlopen ingezet als waterberging bij hevige regenval en het voorkomen van een versnelde hemelwaterafvoer, door water in het plangebied te kunnen vasthouden. Het toevoegen van een achterwatergang en enkele watergangen haaks op de IJweg vergroot het karakter van wonen op een eigen erf.

4.3 Functionele structuur Zoals aangegeven wordt in het deel van het plangebied waar wegens milieuzonering geen woningen kunnen worden gerealiseerd een gemeenschappelijke moestuin, boomgaard en speelplaats ingepast. De inrichting hiervan geschied volgens streekeigen beplantingssoorten, die aansluit op de agrarische karakteristiek. Tezamen met de erven zelf, wordt daarmee het overgrote gedeelte van het plangebied gemeenschappelijk ingericht.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

31

5 Onderzoeken en beperkingen Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuen omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt onder meer ingegaan op de thema’s geluid, water, luchtkwaliteit, MER, archeologie & cultuurhistorie, externe veiligheid, bodem en ecologie.

5.1 Bedrijven en milieuzoneringen Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient de invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid op de leefomgeving afgewogen te worden. Door middel van milieuzonering dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals wonen). De VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het ruimtelijk plan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In 2019 is de Milieuzonering nieuwe stijl opgesteld. Dit rapport is vooruitlopend op de Omgevingswet opgesteld en kan worden toegepast voor het reguleren van bedrijven in bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte, echter blijft de handreiking uit 2009 nog van kracht.

5.1.1 Onderzoek Ten zuidwesten van het plangebied is een agrarisch loonbedrijf gesitueerd. Dit is een bedrijf van maximaal categorie 3.1 bedrijven. Voor deze categorie bedrijven geldt een richtafstand van 50 meter. Deze radius van 50 meter is ook over het plangebied gelegen. Om geen belemmering voor dit bedrijf te vormen worden de nieuwe woonhuizen buiten deze milieucontour van het bedrijf gesitueerd. Binnen de contour is een bestaande woning aanwezig, op termijn zal hiervoor sloopnieuwbouw worden gerealiseerd passend bij de agrarische boerderij- en schuurtypen van het plan, maar gaat uit van dezelfde onderlinge afstand waardoor de milieukundige situatie hetzelfde blijft . Het overige deel van het terrein dat binnen de contour gelegen is zal worden ingericht ten behoeve van parkeren en gemeenschappelijke tuin en buitenruimte en als zodanig worden bestemd. Overige bedrijven zijn verder van het plangebied af gelegen, waardoor het plangebied buiten de richtafstanden valt. Voorgenomen ontwikkeling vormt daarom geen belemmering voor deze bedrijven. Ook hebben deze bedrijven geen invloed op voorgenomen ontwikkeling. De richtafstanden uit de VNG-brochure worden hierbij in acht genomen.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

32

Afbeelding 5.1: Milieuafstand belendend perceel

A

50 m richtafstand vanuit erfgrens

W

3

G

3

g]

[b

(p )

W

3

2

3

,5 10

3

,5 10

4

,5 10

W

5 4,

G

,5

10

W

A

10

R-

W

3

,5 4

W

3

, 10 3 5

3

, 10

V

)

W

3

(p

5

51

2

2

9

W

,5

10

9

5

4,

G

5 4, 5 , 10

1 4

T

T

Afbeelding 5.2 Milieuafstand belendend perceel geprojecteerd op verbeelding

Nieuw-Vennep IJweg 1457

33

5.1.2 Conclusie Voorgenomen ontwikkeling ontneemt een mogelijkheid tot het houden van een agrarisch bedrijf uit het gebied en daarmee verdwijnt een milieucontour uit het gebied. De ontwikkeling brengt zelf geen nieuwe milieucontour met zich mee. Ook houdt het plan rekening met externe milieuzoneringen van omliggende bedrijven, zodat het plan geen beperkende werking voor deze bedrijven vormt. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect milieuzoneringen geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Bodem Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een bestaand agrarisch perceel. Voor zover bekend hebben geen bodem-verontreinigende activiteiten plaatsgevonden op het betreffende perceel. Het is dus aannemelijk dat de bodem geschikt is voor de realisatie van woonhuizen. Ter toetsing van deze aanname is door EcoReest B.V. een verkennend bodemonderzoek verricht. Het gehele rapport is als bijlage van dit bestemmingsplan bijgevoegd. Hier volgen enkel de conclusies met betrekking tot voorgenomen initiatief.

5.2.1 Onderzoek Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde verdachte locatie(s), is hiermee met betrekking tot de onderzochte deellocaties A t/m D bevestigd. De onderzoekshypothese met betrekking tot deellocatie E, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve verworpen. In het indicatieve puinmonster van de aangetroffen verhardingslaag is geen asbest aangetoond. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de toekomstige woonbestemming van het terrein, concludeert EcoReest dat verhoogde risico’s voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn.

5.2.2 Conclusie De resultaten van het onderzoek vormen geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de toekomstige woonbestemming van het terrein.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

34

5.3 Cultuurhistorie en archeologie Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. In de gemeente Haarlemmermeer zijn op bescheiden schaal archeologische waarden aangetoond. Op een aantal plaatsen is bij nieuwe ontwikkelingen, vooral als deze grootschalig zijn, verkennend archeologisch onderzoek vereist. De gemeente voert dan ook een beleid dat in eerste instantie gericht is op behoud van waardevolle elementen en structuren. Voor het grondgebied van de gemeente wordt een beleid gevoerd waarbij de omvang van de bodemverstorende activiteit bepalend is. Dit betekent dat slechts bij werkzaamheden die een bepaalde maat te boven gaan rekening hoeft te worden gehouden met archeologische waarden. Daarbij wordt een indeling gehanteerd in verschillende categorieën “Archeologisch waardevol gebied”, elk met eigen criteria van ontheffing. Beneden de in de criteria genoemde omvang hoeft met archeologische waarden geen rekening te worden gehouden. In de Beleidsnota uit 2021 van de gemeente Haarlemmermeer is voor het plangebied opgenomen: Waarde Archeologie 6.

Dit betreft gebieden met een lage verwachting op archeologie. Hier hoeft alleen onderzoek te worden verricht als de bodemingreep van flinke omvang is (> 10.000 m2). Dit omdat de trefkans beperkt is en de kosten van het onderzoek dan niet in verhouding zijn. Om de situatie ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te maken is door RAAP Archeologie een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderoek uitgevoerd voor het plangebied. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt geadviseerd om de plannen voor de bodemingrepen zodanig op te stellen dat verstoring wordt voorkomen. Dat kan door bodemingrepen niet dieper te laten gaan dan 4,7 m -mv. Het aanbrengen van heipalen vormt hierop een uitzondering, mits de totaaloppervlakte van de palen maximaal 2% van de oppervlakte van het bouwoppervlak innemen. Afzonderlijk hiervan wordt geadviseerd om bij de vergunningaanvraag plannen in te dienen waaruit duidelijk en evident blijkt dat de bodemingrepen (inclusief tijdelijke hulpwerken tijdens de bouw) niet groter zullen zijn dan 10.000 m2.

Indien onomstreden kan worden aangetoond dat het totale oppervlak van de bodemingrepen onder de 10.000 m2 blijft, bestaat er vanuit het geldende bestemmingsplan geen archeologische onderzoeksplicht en adviseren wij dan ook geen verder archeologisch vervolgonderzoek. Indien de bodemingrepen meer dan 10.000 m2 beslaan en bovengenoemde planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

35

5.3.1 Conclusie Voorgaande benadering zoals voorgesteld door RAAP vormt het uitgangspunt voor de verdere uitwerking van het plan, zodat een archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk is. Bodemingrepen zullen niet dieper gaan dan 4,7 m -mv, met uitzondering van heipalen maximaal 2% van de oppervlakte van het bouwoppervlak. De resultaten van het onderzoek vormen geen aanleiding tot nader onderzoek en er zijn vanuit cultuurhistorie en/of archeologie geen belemmeringen in relatie tot de toekomstige woonbestemming van het terrein.

5.4 Explosieven In de Nederlandse bodem zitten nog veel conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Bij het opsporen en ruimen van ontplofbare oorlogsresten (OO's) is de openbare orde en veiligheid het bepalende uitgangspunt. De burgemeester is op grond van artikel 172 van de Gemeentewet belast met de handhaving daarvan. De beslissing om in een concrete situatie al dan niet over te gaan tot het opsporen en ruimen van een OO is dus de bevoegdheid van de burgemeester. In een OO-verdacht gebied is de grondroerende partij verplicht een explosieven opsporingsonderzoek uit te voeren in het kader van 'veilige werkomgeving en veiligheid voor derden en de omgeving' (op grond van de Arbo-wet), voorafgaand aan de grondroerende werkzaamheden. Op grond van het gemeentebeleid geldt een verplichting om eventuele verdachte objecten die vanuit het explosievenonderzoek zijn gedetecteerd, altijd te benaderen en te identificeren. Verder geldt de verplichting dat eventuele daadwerkelijke OO altijd worden geruimd.

5.4.1 Conclusie De gemeente Haarlemmermeer heeft voor haar gemeentegebied een bommenkaart opgesteld waarin de locaties zijn weergegeven waar op basis van verricht onderzoek ofwel bommen kunnen worden verwacht, ofwel bommen zijn aangetroffen. Explosieven zijn in het plangebied op basis van de beschikbare informatie niet aanwezig. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

5.5 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wro getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarden voor het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het groepsrisico is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) gedefinieerd als: "de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Nieuw-Vennep IJweg 1457

36

In het Bevi en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Denk hierbij aan risico’s van onder andere tankstations met LPG, opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen en ammoniakkoelinstallaties. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is gebaseerd op de Wet milieubeheer (Wm) en de Wro. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Bevi. Het vervoer van gevaarlijke stoffen is geregeld via de “Wet Basisnet”, een stelsel van wetten en regels. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. In de gemeente Haarlemmermeer zijn daarnaast routes voor het transport van gevaarlijke stoffen vastgesteld. In aanvulling op de landelijke wet- en regelgeving kent de gemeente Haarlemmermeer ook eigen externe veiligheidsbeleid. Specifiek gaat het om regels over de aanvaardbaarheid en verantwoording van het groepsrisico.

Een belangrijk richtsnoer is onder andere dat objecten met niet- of met beperkt zelfredzame personen buiten het invloedsgebied van een risicobron worden geprojecteerd. Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een gasleiding langs de Noordelijke Randweg. Deze is gesitueerd op ca. 200 meter van het plangebied en heeft een diameter van 320 mm en een werkdruk van 40,00 bar. Daarmee heeft de gasleiding een richtafstand van maximaal 20 meter. Het plangebied is ruim buiten deze risicogrens gelegen. Op ca. 480 meter ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een akkerbouw bedrijf met daarbij een opslag van vuurwerk. Deze opslag heeft een richtafstand van 160 meter. Het plangebied is ruim buiten deze risicogrens gelegen.

5.5.1 Conclusie Er bevinden zich in de directe omgeving geen risicobronnen van het plangebied. Daarnaast brengt voorgenomen ontwikkeling geen externe veiligheidsfactoren met zich mee. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. Nieuw-Vennep IJweg 1457

37

5.6 Flora en fauna 5.6.1 Wet- en regelgeving Sinds 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. Deze wet neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Dat is niet alleen van belang vanwege het feit dat Nederland is gehouden tot nakoming van zijn internationale verplichtingen, maar ook, omdat de Europese regelgeving een hoog beschermingsniveau van de natuur verzekert, hoger dan de bescherming die vóór de totstandbrenging van de Europese kaders werd geboden door de nationale wetgeving. De taken en verantwoordelijkheden worden in het wetsvoorstel zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd, overeenkomstig het uitgangspunt 'decentraal tenzij'. Eén van de verantwoordelijkheden van de provincie is het Natuurnetwerk Nederland, een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Een belangrijk criterium in de wet is ‘gunstige staat van instandhouding van een soort’.

Daarvan is sprake als: • uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en • het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en • er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

38

Het plangebied is op 29 september 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. In aanvulling van de Quickscan natuurwaarde is het onderzoeksgebied in 2023 onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van huismussen. Daarnaast is in februari 2023 onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De resultaten zijn hier beknopt weergegeven. Het gehele natuurwaarden-onderzoek en stikstofberekening is als bijlage bijgevoegd.

5.6.2 Soortenbescherming Het plangebied vormt een agrarisch erf en een deel van een siertuin en bestaat uit bebouwing, erfverharding, vijver, gazon en beplanting en is gelegen op de overgang van stedelijk naar landelijk gebied. Op basis van de uitgevoerde Quickscan is geconcludeerd dat de inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. In afstemming met de gemeentelijk ecoloog wordt momenteel een aanvullend onderzoek uitgevoerd voor vleermuizen en kleine marterachtigen, en mogelijk ook voor huismus en gierzwaluw. Afhankelijk van de periode in het jaar, waarin de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden, kunnen beschermde dieren gedood worden en vaste rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde dieren verstoord, beschadigd en vernield worden. Voor het doden van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie en het beschadigen/vernielen van een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling. Deze vrijstelling geldt niet voor het doden van een vogel of het verstoren, beschadigen of vernielen van een bezet vogelnest.

Conclusie soortenbescherming Op basis van de Quickscan wordt geconcludeerd dat, mits er geen vogel gedood wordt of bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield wordt, de voorgenomen activiteiten niet leiden tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. In afstemming met de gemeentelijk ecoloog is daarnaast in 2023 een aanvullend onderzoek uitgevoerd voor vleermuizen en kleine marterachtigen, en mogelijk ook voor huismus en gierzwaluw. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de daarvoor geldende protocollen en zijn volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld in de te slopen bebouwing en er zijn geen nestplaatsen van huismussen vastgesteld. Het slopen van de bebouwing leidt niet tot het verstoren of doden van vleermuizen of het beschadigen/vernielen van een verblijfplaats van vleermuizen. Ook leidt het niet tot het beschadigen/vernielen van de nestplaats van huismussen. Er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Nieuw-Vennep IJweg 1457

39

Om natuurwaarden te verbeteren is het daarnaast belangrijk om in de verdere uitwerking van het project invulling te geven aan de aanbevelingen zoals genoemd in de paragraaf ‘natuurinclusief’ in het BKP, in lijn met de Visie Polderlinten en de Natuurvisie Haarlemmermeer 2040. Daarnaast dient er, in het kader van de zorgplicht, rekening gehouden te worden met amfibieën in winterrust en wordt geadviseerd het plangebied ongeschikt te houden als vaste rust- en voortplantingsplaats voor de rugstreeppad.

5.6.3 Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege lokale invloedssfeer, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op het Natuurnetwerk Nederland en leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Holland. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging op 5,73 kilometer afstand van Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties in beeld te brengen is door de Natuurbank Overijssel een Aerius-calculatie uitgevoerd. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht, waarvan in februari 2023 een geactualiseerde aerius-calculator is gelanceerd. De activiteiten in de ontwikkelfase leiden gezamenlijk tot een NOx-emissie van 95,4 kg/jaar en een NH3-emissie van 1,0 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbeschermingvergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage toegevoegd.

De activiteit in de gebruikfase als gevolg van verkeer leidt tot een Nox-emissie van 4,0 kg NOx per jaar en 0,4 kg NH3 per jaar plaats. Deze emissie leidt echter niet tot toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. De rekenresultaten zijn als bijlage toegevoegd. Conclusie gebiedsbescherming Als gevolg van de ontwikkelfase en gebruiksfase vindt er geen toename van stikstofdepositie plaats in Natura 2000-gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

40

5.7 Geluid 5.7.1 Wet- en regelgeving Wegverkeer In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wgh vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting. Deze bedraagt 48 dB. Indien deze voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan de gemeente een hogere grenswaarde toestaan, de zogenaamde "Hogere waarde". De Hogere waarde mag enkel worden verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de Hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wgh.1 Op de IJweg geldt, ter hoogte van de ontwikkelingslocatie een snelheidsregime van 50 km/uur waarvoor de Wet geluidhinder grenswaarden zijn opgenomen.

Om de toekomstige geluidsbelasting op de woonhuizen inzichtelijk te maken heeft De Geluidmeesters een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat op 15 van de 26 te realiseren woningen de voorkeurswaarde van 48 dB Lden op één of meerdere bouwlagen wordt overschreden. De maximale wettelijke ontheffingswaarde van 63 dB Lden wordt niet overschreden. Redelijkerwijs zijn er geen doelmatige en/of effectieve maatregelen in de vorm van bron en overdracht mogelijk om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeurswaarde. Om de planvorming mogelijk te maken wordt een hogere waarde procedure doorlopen. De vast te stellen hogere waarden zijn opgenomen in tabel 4.1 van bijlage 7 en variëren van 49 en 59 dB. De gemeente heeft randvoorwaarden voor het vaststellen van een hogere waarden. Zo hanteert de gemeente als uitgangspunt dat een woning minimaal één gevel moet hebben met een geluidbelasting die niet hoger is dan de voorkeurswaarde 48 dB Lden. Er is nog geen definitief bouwplan van de te realiseren woningen. Op verzoek van de gemeente is in het rekenmodel uitgegaan van volledige bebouwing van de bouwvlakken. Hierop is op alle zijden de gevelbelasting

1

Conform artikel 110g Wgh mag een correctie worden toegepast op het berekende geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer.

Voor wegen waar 70 km/uur of harder gereden mag worden is de aftrek 2 dB en voor de overige wegen 5 dB. De wettelijk toegestane snelheid is hier van belang. Voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt geen aftrek aangezien deze wegen geen zone hebben en hierdoor niet onder de werkingssfeer van de Wgh vallen. Enkel bij toetsing in het kader van het aspect "goede ruimtelijke ordening" wordt ten behoeve van een goede beoordeling de aftrek wel toegepast.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

41

vastgesteld. Uit de resultaten blijkt dat drie woningen (01/ 19 / 21) geen volledige gevel hebben met een geluidbelasting lager of gelijk aan 48 dB Lden. Een uitzondering van het vereiste van een geluidluwe gevel is volgens de gemeentelijke akoestische randvoorwaarden mogelijk voor 15% van het aantal te realiseren woningen. Dit komt in onderhavige situatie neer op (15% van 26≈) 4 woningen. Met deze uitzonderingsregel kan worden voldaan aan de randvoorwaarde. Daarnaast stelt de gemeente als voorwaarde dat de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 66 dB mag bedragen. Uit de rapportage blijkt dat voor het plangebied de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 64 dB bedraagt. Dit is lager dan de gemeentelijke randvoorwaarde en aan deze randvoorwaarde wordt dan ook voldaan. Nadat een hogere waarde wordt vastgesteld dient middels een aanvullend geluidwering onderzoek aangetoond te worden dat aan de eis met betrekking tot het binnenniveau (33 dB) voldaan kan worden. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met de aftrek art. 110g van de Wet geluidhinder.

5.7.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling, mits de ontheffing voor een hogere waarde wordt vastgesteld. Ten behoeve hiervan is een hogere waarde procedure worden doorlopen.

5.8 Geur Het algemene uitgangspunt van het Nederlandse geurbeleid is het voorkomen van nieuwe hinder. Als er geen hinder is, hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. De mate van hinder die nog acceptabel is moet worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan op grond van de Wm.

5.8.1 Onderzoek De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; • Is ter plaats een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

42

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand vanuit het dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object binnen de bebouwde komen minimaal 100 meter zijn en buiten de bebouwde kom minimaal 50 meter zijn. Deze afstand wordt gemeten vanuit het emissiepunt van het dierenverblijf.

5.8.2 Conclusie In de nabijheid van het plangebied zijn geen agrarisch bedrijven gelegen en dus ligt het plangebied buiten de invloedssfeer van agrarische bedrijven. Geurhinder vormt daarom geen belemmering. Ook vormt de realisatie van woningbouw geen nieuwe beperkende factor voor omliggende woonbestemmingen, aangezien de ontwikkeling geen geurcontour met zich meebrengt. Geconcludeerd wordt daarom dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van het plan.

5.9 Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen. Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Binnen het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante leidingen. Conclusie Mogelijk zijn diverse niet-planologisch relevante leidingen (rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) aanwezig. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient hiermee rekening te worden gehouden. Er zijn geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.

5.10 Licht Strikte normen voor kunstmatige verlichting in de vorm van afstandsbepalingen zijn er niet. De regelgeving richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Specifiek voor bestemmingsplannen is voor sommige activiteiten Hoofdstuk 7 Milieueffectrapportage van de Wm van toepassing. Bijvoorbeeld voor grote projecten waarbij lichthinder kan ontstaan, is kunstmatige verlichting een van de milieuaspecten waarop het een en ander moet worden afgewogen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan (auto)wegen, grote oppervlakten met kassen, grote woningbouw projecten, stadsontwikkelingsprojecten of industriegebieden. De kern van het rijksbeleid ten aanzien van licht is dat donkerte hoort tot een van de kernkwaliteiten van het landschap onder het kopje belevingskwaliteit. Het rijksbeleid is gericht op het in beeld brengen, realiseren en veiligstellen van de gewenste leefomgevingkwaliteit door het terugdringen van verstoring door activiteiten op het platteland (geluid, licht, stank). Ook worden het gebruik van energiezuinige (straat)verlichting bij gemeenten en provincies bevorderd met behoud van kwaliteit en (verkeers)veiligheid.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

43

5.10.1 Onderzoek Kunstmatige verlichting in de vorm van lichtmasten bij de Hockeyvereniging aan de Fandago 19 komt in de directe nabijheid van de te realiseren woningbouw voor. De sportvelden liggen op meer dan 200 meter van het plangebied. Er treedt daarom geen onevenredige hinder op. In het plangebied zal gericht energiezuinige (straat)verlichting worden toegepast, om de kwaliteit en veiligheid van de openbare ruimte te waarborgen. Het plan heeft geen onevenredige toename van kunstlicht tot gevolg.

5.10.2 Conclusie Gelet op de ruimte afstand van het plangebied tot de sportvelden van de Hockeyvereniging en de constatering dat er veelvuldig woningbouw op kortere afstand tot de sportvelden gelegen zijn, wordt geconcludeerd dat het aspect licht geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

5.11 Lucht Bij de beoordeling van een ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot luchtkwaliteit gaat het: 1. Aan de ene kant om het effect van de functie op de aanwezige luchtkwaliteit. Draagt het initiatief wel of niet in betekende mate (NIMB) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit? 2. Aan de andere kant om het effect van de luchtkwaliteit op de aanwezige functie. Is er sprake van een gevoelige functie en hebben aanwezige bronvervuilers een negatief effect op de gezondheid van mensen?

5.11.1 Wet- en regelgeving De overheid heeft een zorgplicht voor een goede en gezonde fysieke leefomgeving. Dit blijkt onder andere uit Europese richtlijnen, de Grondwet (Gw), de nieuwe Omgevingswet (Ow) de Wet Milieubeheer (Wm) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze laatste twee wetten gaan op in de Omgevingswet. Wet milieubeheer (Wm) Het doel van titel 5.2 van de Wet Milieubeheer (Wm) is het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. Hier staan de belangrijkste regels over luchtkwaliteit en zijn de luchtkwaliteitsnormen opgenomen, die verder zijn uitgewerkt in een aantal AMvB's en Ministeriële Regelingen. Artikel 5.16 lid 1 van de Wm geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Grote projecten worden getoetst aan een programma. De effecten van projecten die nauwelijks (niet in betekenende mate) van invloed zijn op de luchtkwaliteit worden op macroniveau verdisconteerd in het programma. Bij besluitvorming is het dus van belang om te bepalen of een initiatief "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Het “Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit)” bepaalt dat luchtkwaliteitsonderzoek moet worden uitgevoerd als bepaalde type gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven en verzorgingstehuizen, gepland zijn binnen 50 meter van de rand van een provinciale weg en Nieuw-Vennep IJweg 1457

44

binnen 300 meter van de rand van een rijksweg. Hierbij mag het totaal aantal mensen in een gevoelige bestemming niet toenemen als de normen voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) overschreden (dreigen te) worden. Wet ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening (Wro) spreekt over het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om een belangenafweging en motiveringsplicht op alle relevante ‘ruimtelijke’ aspecten, zoals de luchtkwaliteit (in relatie tot gezondheid). Het uiteindelijk doel is om tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te komen. Het Besluit gevoelige bestemmingen benadrukt het belang van een ‘goede ruimtelijke ordening', maar is geen volledige invulling daarvan voor het aspect luchtkwaliteit. Het Besluit dekt niet alle gevoelige situaties. Zo gaat het Besluit niet over bijvoorbeeld woningen en drukke binnenstedelijke wegen. Ook zegt het Besluit niets over gezondheidseffecten beneden de grenswaarden. Daarom moet nog steeds de blootstelling aan luchtverontreiniging een plek krijgen in de onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening en een afweging worden gemaakt in relatie tot gezondheid. De jurisprudentie sluit hier op aan: het beginsel van een goede ruimtelijke ordening blijft onverkort van kracht, ook als het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing is.

5.11.2 Beleid

Gevoelige functies Een gevoelige functie is een locatie waar mensen verblijven en die een significante verblijftijd kent. Gevoelige functies zijn: • woningen, andere voor wonen bestemde gebouwen, woonboten • tuinen bij woningen en bij andere voor wonen bestemde gebouwen • kinderopvang (Kinderdagverblijf, Buitenschoolse opvang, Peuterspeelzaal) • basisscholen en scholen voor middelbaar en hoger onderwijs • verpleeg-, verzorgings- en bejaardentehuizen • revalidatie-instellingen • gebouwen waar personen langdurig verblijven (met uitzondering van werkplekken of kantoorgebouwen). Denk bijvoorbeeld aan recreatiewoningen en asielzoekerscentra Omgevingsvisie Haarlemmermeer In de gemeentelijke door de Raad vastgestelde Omgevingsvisie is opgenomen dat het GGD-advies, om nieuwe gevoelige functies te realiseren op voldoende een afstand van een ‘drukke’ weg, uitgangspunt is. De GGD hanteert hierbij de richtlijn om minimaal 50 meter afstand te houden tot een weg vanaf 10.000 motorvoertuigen per etmaal (werkdaggemiddelde wegintensiteit). Vanuit het gezondheidsperspectief verdient dit ook de voorkeur, maar vanuit de integrale beleidsinvalshoek verdient dit nuancering. Deze nuancering is vertaald in de onderstaande tabel.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

45

Beleidskaders: minimale afstand van de weg i.r.t. aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal Mvt/etmaal aantal meters 0-6.000 2 6.000-10.000 10 10.000-15.000 20 15.000-20.000 30 20.000-35.000 50 35.000-45.000 70 >45.000 100 Rijksweg

300

5.11.3 Afweging Vanuit gezondheidsbescherming prefereert afstand houden tot de weg boven toetsing aan concentraties (voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2)). Naarmate de afstand tussen een (vervuilende) bron en de blootgestelde(n) kleiner is, is de impact op de gezondheid groter. Zo nemen in de nabijheid van een drukke weg de gezondheidsrisico’s toe, ook op plekken waar ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Daarnaast heeft ultrafijnstof ook een aanvullend negatief effect op de gezondheid. In luchtkwaliteitsonderzoeken waarin wordt onderzocht of heersende concentraties aan de wettelijke grenswaarden voldoen, wordt ultrafijnstof niet meegenomen. Daarom wordt voor gevoelige bestemmingen (waaronder ook woningen) altijd aan de bovenvermelde afstandscriteria getoetst. In uitzonderlijke gevallen, om dringende redenen en in het belang van het vervullen van een maatschappelijke behoefte, kan worden afgeweken van de aangegeven afstanden. De noodzaak moet worden onderbouwd. Bij de afweging wordt altijd rekening gehouden met de WHOadvieswaarden 2021 en wordt onderzocht in hoeverre de luchtkwaliteit concentraties op de locatie van de advieswaarden afwijken. Bij de afweging wordt ook getoetst aan de op 26 oktober 2022 nieuwe voorgestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit[2].

Er worden ook andere factoren in acht genomen, zoals windrichting, beschikbare ruimte en mogelijkheid tot “schuiven” binnen de ruimte. De aanvaardbaarheid van nieuwe ontwikkeling is altijd een integrale afweging op wenselijkheid van de bestemming. Intensief verkeer zorgt niet alleen voor luchtverontreiningen maar ook voor wegverkeerslawaai. Naast de beoordeling op luchtkwaliteit moet er dus ook op andere aspecten, zoals geluid en verkeersveiligheid worden getoetst. Een perceel kan dus door meerdere omgevingsaspecten worden beïnvloed. De integrale afweging is niet alleen alle aspecten afvinken. Het gaat ook om de samenhang tussen deze aspecten. Er wordt altijd integraal afgewogen in hoeverre op de betreffende locatie nog sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

2 [1]

Op 26 oktober 2022 heeft de Europese Commissie een voorstel voor een herziening van de EU-richtlijn betreffende luchtkwaliteit gepresenteerd. Het betekent de aanscherping van de grenswaarden voor de meest luchtvervuilende stoffen. Zo moeten uiterlijk in 2030 de jaargemiddelde concentraties PM2,5 en PM10 gedaald zijn naar respectievelijk 10 en 20 μg/m3. Dit is nu 25 en 40 μg/m3. Voor NO2 wordt de nieuwe waarde 20 μg/m3. Dit is nu 40 μg/m3. Met de aanscherping van de grenswaarden worden de Europese luchtkwaliteitseisen meer in lijn gebracht met de advieswaarden van de WHO. Nieuw-Vennep IJweg 1457

46

5.11.4 Onderzoek Een plan voor 26 nieuwe woningen valt ruim binnen de getalsmatige grenzen die er zijn bepaald voor verschillende categorieën van projecten, die de luchtkwaliteit niet in betekenende mate (NIBM) verslechteren. Uit de AMvB ‘Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’ volgt dat bij de voorgenomen realisering van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, moet worden onderzocht of op die locaties sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en/of NO2. Het plangebied ligt buiten de betreffende zones van rijks- en provinciale wegen en hoeft daarom niet nader te worden onderzocht. Wel moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening het woon- en leefklimaat ter plaatse worden beoordeeld. Hierbij moet rekening worden gehouden met het aantal verkeersbewegingen langs het perceel en de afstand van de bebouwing tot deze weg. Uitgangspunt is dat er voldoende afstand van de weg wordt aangehouden.

5.11.5 Conclusie Gelet op het aantal verkeersbewegingen van 10.657 mvt/etmaal dient er een minimale afstand van 20 meter vanaf de weg voor de dichtstbij gelegen woningen moeten worden aangehouden. In het voorliggende plan wordt hier voor alle nieuwe woningen aan voldaan.

5.12 Luchtvaartverkeer Het Luchthavenindelingbesluit (LIB) bevat ruimtelijke maatregelen op rijksniveau die verband houden met de luchthaven Schiphol. Het Luchthavenverkeerbesluit is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchthavenluchtverkeer. Tezamen vormen deze besluiten een uitwerking van het hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart.

5.12.1 Hoogtebeperkingen Het voorliggende plan ligt in het beperkingengebied van de luchthaven Schiphol. Er zijn een aantal beperkingen van toepassing op deze locatie. Er geldt op deze locatie een maximale toetshoogte voor gebouwen van 131 meter boven NAP en in verband met radar 69 meter boven NAP. En geldt er een toetszone windturbines en laser.

5.12.2 Conclusie Met de beoogde realisatie van woningen wordt ruimschoots voldaan aan de maximal toetshoogte. Daarnaast is de toetszone windturbines en laser niet van belang. Het LIB staat deze ontwikkeling dan ook niet in de weg.

Nieuw-Vennep IJweg 1457

47

5.13 Milieueffectenrapportage De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is; Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor’ en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

In voorliggend geval is sprake van de realisatie van maximaal 26 nieuwe woningen. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer Nieuw-Vennep IJweg 1457

48

ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Ten behoeve hiervan is een Vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, zoals opgenomen in bijlage van dit bestemmingsplan. Conclusie projectgebied Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 5 Randvoorwaarden opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

Het college van burgemeester en wethouders heeft op 28 november 2023 besloten geen milieueffectrapportage op te stellen.

5.14 Trillingen In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Om aan te kunnen tonen of er voor een beoogd plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om mogelijke trillingshinder inzichtelijk te maken. Er is een aantal richtlijnen en beleidsregels die hiervoor worden gebruikt, namelijk: • SBR-richtlijn; • Beleidsregel trillingshinder spoor; • Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen; • Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor.

Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn. Nieuw-Vennep IJweg 1457

49

5.14.1 Onderzoek Het plangebied ligt niet binnen zone van 100 meter van een spoorlijn of industriegebied.

5.14.2 Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

5.15 Verkeer en parkeren 5.15.1 Verkeer De vuistregel is dat een weg 10.000 motorvoertuigen per rijbaan per etmaal kan verwerken. Verkeerskundig gezien zou de IJweg met een 2 x 1 profiel dus ongeveer 20.000 motorvoertuigen per etmaal kunnen verwerken. Bij wegen van een lagere orde, waaraan ook gewoond wordt, bestaat de functie van een weg niet alleen uit het faciliteren van het verkeer maar ook uit het garanderen van een veilig en prettig verblijfsklimaat. Omwille van de leefbaarheid heeft het CROW daarom plafonds gesteld aan de verkeersintensiteit. De hoogte van die plafonds hangt af van de wegcategorie. Het is niet heel duidelijk onder welke wegcategorie de IJweg valt te scharen. Aan de ene kant sluiten aangrenzende erven direct op het historische polderlint aan. Qua profiel is het daarom een erftoegangsweg (ETW), waarvoor het CROW een maximum verkeersintensiteit van 6.000 mvt/etmaal voorschrijft. Aan de andere kant is de IJweg echter ook een 50 km/u weg die Getsewoud-west naar het bovenliggend wegennet afwikkelt. Qua gebruik is het daarom een gebiedsontsluitingsweg (GOW), waarvoor binnen de bebouwde kom 10.000 mvt/etmaal gebruikelijk is. Op het gedeelte aan de IJweg waar dit initiatief geprojecteerd is, is de verkeersintensiteit 10.657 mvt/ etmaal in 2030, zoals is te zien in afbeelding 5.1 waarin de locatie van de beoogde ontwikkeling met de oranje stip is weergegeven.

Afbeelding 5.4: Verkeersintensiteit (Bron: Gemeente Haarlemmermeer)

Nieuw-Vennep IJweg 1457

50

Hoewel de IJweg in het wegcategoriseringsplan (nu nog) is aangemerkt als een gebiedsontsluitingsweg en het gebruik daarop aansluit, heeft de IJweg een smal profiel met erven die erop worden ontsloten, al is ook sprake van een vrij liggend fietspad. Tegelijkertijd lijkt het erop dat de IJweg de hoeveelheid verkeer goed kan verwerken, er doen zich qua doorstroming nog geen onaanvaardbare situaties voor. Wat betreft de verwerking van het verkeer doen zich vooralsnog geen problemen voor. Zo wordt het ook niet ervaren. In de toelichting/ruimtelijke onderbouwing moet worden gemotiveerd dat de verkeerssituatie geen belemmering vormt. Naast de doorstroming van het verkeer op de IJweg, is het van groot belang dat ook sprake is van een veilige verkeerssituatie. Daarbij wordt veelal aangesloten op richtlijnen van Duurzaam Veilig. Duurzaam Veilig (DV) Wegverkeer houdt in dat de verkeersomgeving zo is ingericht, dat er geen ernstige ongevallen kunnen gebeuren. En dat als er toch een ongeval plaatsvindt, de ernst van de afloop beperkt blijft. De mens wordt hierbij als ‘maat der dingen’ genomen: de mens die kwetsbaar is, fouten maakt en zich niet altijd aan regels houdt. De wegomgeving, voertuigen en technologie moeten de mens ondersteuning en bescherming bieden zodat de veiligheid van het verkeerssysteem zo min mogelijk afhankelijk is van individuele handelingen.

Tijdens de uitwerking van het plan heeft de gemeente Haarlemmermeer kenbaar gemaakt dat men voornemens heeft om een nieuwe ontsluitingsweg aan de noordzijde van het plangebied aan te leggen; de parallelle IJweg. Om het plan Huis ter Lucht toekomstbestendig te maken is daarom in de stedenbouwkundige uitwerking rekening gehouden met deze toekomstige situatie. Zodra de nieuwe weg is aangelegd kan de hoofdontsluiting van/naar de IJweg worden afgesloten. Deze blijft dan enkel toegankelijk voor hulpdiensten, fietsverkeer en voetgangers. De bestaande kavels worden via diverse inritten ontsloten op de IJweg. Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit maximaal 26 nieuwe woningen, welke circa 199 verkeersbewegingen per etmaal met lichte voertuigen met zich meebrengt (72.635 per jaar). De woningen aan de IJweg zullen rechtstreeks vanaf de IJweg worden ontsloten. De overige woningen zullen via een bestaande inrit worden ontsloten aan de IJweg worden ontsloten, en in de toekomst aan de parallelle IJweg. Deze bestaande inrit wordt getransformeerd conform de uitgangspunten van het DIOR, waardoor er eenvoudige en overzichtelijke opzet ontstaat voor de nieuwe bewoners. De verkeersbewegingen die door de nieuwe woningen worden gegenereerd zijn goed op te vangen binnen de bestaande capaciteit van de IJweg. Aan de noordzijde van het plangebied is een voetgangsverbinding van het woonerf naar de IJweg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=f5bfa756-04d1-410f-981d-2079a937f0b9