Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Pagina | 29
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Relatie tot ontwikkeling Rondom het plan zijn aan de westzijde bedrijfsbestemmingen gelegen, aangeduid met categorie ‘2’. In het gebied direct om het plan zijn woningen aanwezig, een drukke woonstraat en meerdere bedrijven. Het gebied is daarmee te typeren als ‘gemengd’. De richtafstand volgens de handreiking Bedrijven en milieuzonering van VNG voor deze categorie is 10 m. De nieuwe woningen bevinden zich alle buiten deze 10 m afstand, uitgezonderd één woning aan de westzijde. Het perceel daarvan bevindt zich direct aan het perceel Kerkhoflaan 80A, waar een witgoedhandel is gevestigd en binnen de richtafstand van het bedrijf achter Kerkhoflaan 74. Door M+P is onderzoek gedaan naar deze twee bedrijven (bijlage 1, kenmerk: M+P.ONX.22.01.1, datum 15 maart 2022). De detailhandel Kerkhoflaan 80A is categorie ‘1’ volgens de handreiking Bedrijven en milieuzonering en heeft een richtafstand van 0 m. Het bedrijf heeft een hal die grenst aan het bouwplan, waarin geen geluidproducerende activiteiten plaatsvinden, noch dakinstallaties aanwezig zijn die geluid maken. Geconcludeerd wordt dat het bedrijf aan de Kerkhoflaan 80A niet belemmerd wordt in hetuitvoeren van de bedrijfsactiviteiten als gevolg van de nieuwe woningbouw. Het perceel achter de Kerkhoflaan 74 wordt deels gebruikt ten behoeve van de bovenstaande witgoedhandel.
Dit betreft het achterdeel van het terrein aan de zijde van de nieuwe woningen. De verder gelegen loods is in gebruik voor opslag en het voorliggende terrein wordt gebruikt voor stalling van bestelautos en toegang tot de loods. Direct tegen het perceel bevinden zich aan de voorzijde op Kerkhoflaan 74 en 78 woningen. Deze zijn op dit moment beperkend voor de geluidsemissie. Op hetperceel vinden geen noemenswaardige geluidsproducerende activiteiten plaats. Geconcludeerd wordt dat de bedrijvigheid op het perceel aan de Kerkhoflaan 74 niet belemmerd wordt in het uitvoeren van de bestaande bedrijfsactiviteiten als gevolg van de nieuwe woningbouw.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 30
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door BACK Milieu – advies en onderzoek B.V.(bijlage 2, projectnummer BM3201, datum 21 december 2018). In de kleiige ondergrond en in het grondwater is respectievelijk een lichte en matige verontreiniging met minerale olie aangetroffen. De keiige boven- en ondergrond is daarnaast licht verontreinigd met enkele zware metalen De zandige bovengrond daarentegen is niet verontreinigd. Tot slot is in de zandige en kleiige bovengrond geen asbest aangetroffen. Alleen de matige verontreiniging met minerale olie in het grondwater is aanleiding voor nader onderzoek. Dit onderzoek is eveneens door BACK Milieu – advies en onderzoek B.V. uitgevoerd (bijlage 2, projectnummer BM3902, datum 27 maart 2020). Uit het nader bodemonderzoek blijkt dat sprake is van een plaatselijke ernstige bodemverontreiniging met minerale olie in grond en grondwater. Voor het geschikt maken van het terrein voor woningbouw wordt geadviseerd de verontreiniging met minerale olie te saneren.
Conclusie Nadat de bodem gesaneerd is vormt het aspect bodem geen belemmering meer voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.
Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 31
Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.
Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 12. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl).
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 32
GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Wegverkeer In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wgh vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.
Deze bedraagt 48 dB. Indien deze voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan de gemeente een hogere grenswaarde toestaan, de zogenaamde "Hogere waarde". De Hogere waarde mag enkel worden verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de Hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wgh. Spoorweglawaai In artikel 105 van de Wgh staat dat landelijke spoorwegen een zone hebben. In artikel 106 en verder van de Wgh staan grenswaarden voor het geluid dat geluidgevoelige bebouwing mag ondervinden van railverkeerslawaai. Voor woningen in nieuwe situaties is de voorkeursgrenswaarde Lden = 55 dB. Het gemotiveerd vaststellen van een hogere waarde is mogelijk. De maximaal hogere waarde is afhankelijk van de situatie. Zij is 68 dB voor spoorweglawaai bij nieuwe woningen in stedelijk gebied. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wgh kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens.
Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wgh en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen - vastgelegd in eerder genomen besluiten - blijven gelden.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 33
Luchtverkeerslawaai Op grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast. Die heeft betrekking op de geluidsbelasting (hele dag (Lden) en 's nachts (Lnight) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.
Relatie tot ontwikkeling Door M+P is onderzoek gedaan naar wegverkeers- en vliegverkeerslawaai (bijlage 1, kenmerk: M+P.ONX.22.01.1, datum 15 maart 2022). Wegverkeer Het plangebied ligt aan een (drukke) woonstraat in een 30 km/u-gebied. Wegen in een dergelijk gebied zijn uitgesloten van toetsing aan de grenswaarden voor de geluidsbelasting volgens de Wet Geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting van de maatgevende woning aan de Dennenlaan alsnog indicatief bepaald (zie Bijlage A). Daarvoor zijn de gegevens gebruikt uit het Akoestisch onderzoek bij het recent vastgestelde Bestemmingsplan Zwanenburg Dennenlaan 135 (vastgesteld 27 januari 2022). De geluidsbelasting vanwege de Dennenlaan is circa 55 dB Lden (na aftrek van 5 dB) en is daarmee hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB die normaliter voor gezoneerde wegen worden aangehouden en lager dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor stedelijke situaties. De geluidsbelasting van de tweedelijns gelegen woningen is vanwege afscherming en afstand lager dan de voorkeursgrenswaarde. Aangezien slechts één woning een verhoogde geluidsbelasting heeft, zijn aan de bron of in de overdracht redelijkerwijs geen maatregelen te treffen om de geluidsbelasting te verminderen.
Wij adviseren om bij de woning Dennenlaan 75 maatregelen te treffen om het binnenniveau te beperken tot 33 dB, zoals bij nieuwbouw in het kader van een hogere grenswaarde het geval zou zijn. Wenselijk is een karakteristieke geluidswering van ten minste 27 dB(A). Luchtvaart Het plangebied ligt binnen het beperkingengebied geluidgevoelige gebouwen (LIB-4) en afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid (LIB-5) van het luchthaven indelingsbesluit. Dat heeft voor geluid de volgende consequenties: 1. geluid van luchtvaart wordt meegenomen bij een afweging voor een besluit tot hogere grenswaarde Wet Geluidhinder vanwege een andere geluidbron, zoals wegverkeer. 2. er gelden extra eisen ten aanzien van de geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructie volgens het Bouwbesluit 2012. De geluidsbelasting vanwege luchtvaart is bepaald aan de hand van de Geluidkaart 2016 voor Schiphol die in het kader van de Regeling omgevingslawaai is opgesteld. Met deze geluidkaart wordt invulling gegeven aan de eisen uit de Wet Luchtvaart die voortvloeien uit de Europese Richtlijn Omgevingslawaai. Uit de geluidskaart blijkt de geluidsbelasting te liggen tussen 55 en 60 dB Lden-contouren. Op basis van interpolatie is bepaald dat het plangebied een geluidsbelasting van 57 dB ondervindt.
Aangezien er geen hogere waarden procedure is vanwege een andere geluidsbron, wordt geluid vanwege luchtvaart verder niet beoordeeld. Wel zijn er aanvullende eisen voor de karakteristieke geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructie conform het Bouwbesluit 2012. De minimaal vereiste karakteristieke geluidswering van alle woningen bedraagt 24 dB(A).
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Wel is een minimale geluidwering noodzakelijk om aan het Bouwbesluit te kunnen voldoen wat betreft het binnenniveau.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 34
LUCHTHAVENINDELINGSBESLUIT SCHIPHOL (LIB) Algemeen Op 1 november 2002 heeft het kabinet de nieuwe milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het Luchthavenindelingbesluit (LIB, geconsolideerd januari 2018) waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. De nieuwe regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik nam. Deze regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij bestemmingsplannen en bij omgevingsvergunningen. In het LIB zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Het luchthavengebied betreft de gronden behorende tot de luchthaven. Het beperkingengebied omvat een zone daaromheen, waarbinnen verschillende regimes gelden voor de gebieden die hierbinnen liggen. Hoe groter de afstand tot de start- en landingsbanen en de vliegroutes, hoe minder beperkingen er gelden. Binnen het beperkingengebied dient te worden getoetst aan de maatgevende toetshoogtes. Naast de maatgevende toetshoogtes binnen het beperkingengebied zijn deelgebieden (zones) te onderscheiden met specifieke regels, te weten beperkingen voor bebouwing, beperkingen voor vogelaantrekkende werking en beperkingen voor windturbines en lasers.
De beperkingengebieden LIB 1 t/m 5 beogen het aantal personen dat geluidhinder van de luchtvaart ondervindt, of het aantal slachtoffers op de grond ten gevolge van een luchtvaartverkeersongeluk (externe veiligheid), gering te houden, door beperkingen te stellen aan de gebruiksfuncties van het gebied rond Schiphol. De beperkingen voor de gronden binnen de zones LIB 1 t/m 5 zijn daarom gericht op de gebruiksfunctie van het plan/object.
Relatie tot ontwikkeling Middels een door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu ontwikkelde webapplicatie kan worden beoordeeld of een plan binnen een relevant gebied in het kader van het LIB gelegen is en of een gepland object de aldaar geldende maatgevende toetshoogten overschrijdt. Figuur 13. Uitsnede kaartmateriaal LIB (bron: lib-schiphol.nl).
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 35
De projectlocatie is gelegen binnen verschillende beperkingengebieden. Hierdoor dient het plan rekening te houden met de maatgevende toetshoogtes. Ter plaatse van de projectlocatie bedraagt deze hoogte 30 meter voor alle toetshoogtes exclusief de toetsing in verband met de werking van radarapparatuur. Voor die laatste categorie geldt een toetshoogte van 52 meter. Aangezien de maximale bouwhoogte van de te realiseren woningen niet meer dan 10 meter bedraagt, worden deze toetshoogtes niet doorkruist. Voor het plan is onder andere het beperkingengebied geluidgevoelige gebouwen (LIB 4) van toepassing. Op de gronden die als LIB 4 zijn aangewezen, zijn met het oog op geluidbelasting geen geluidgevoelige gebouwen toegestaan.
Uitzondering hierop vormen: Bestaand gebruik van een geluidgevoelig gebouw; Toevoeging binnen bestaand stedelijk gebied van niet meer dan 25 woningen per bouwplan of binnen lintbebouwing van niet meer dan 3 woningen per bouwplan; Een geluidgevoelig gebouw ter vervanging van een bestaand geluidgevoelig gebouw, mits van gelijke aard en gelijke schaal en onder de voorwaarde dat het te vervangen gebouw wordt verwijderd of dat de functie en bestemming van het te vervangen gebouw wordt omgezet naar niet-geluidgevoelig; Herstructurering van een bestaand stedelijk gebied, indien dit niet leidt tot een toename met meer dan 25 woningen en indien dit niet leidt tot een toename van de capaciteit van andere geluidgevoelige gebouwen binnen dit gebied; Nieuwbouw van een bedrijfswoning, voor zover de noodzaak daarvan is aangetoond. Aangezien hier minder dan 25 woningen worden gerealiseerd vormt LIB 4 geen belemmering. Tevens geldt het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid (LIB 5) ter plaatse van de projectlocatie. Op de gronden die als LIB 5 zijn aangewezen, zijn buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan.
Gemeenten motiveren in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. In paragraaf 4.7 is reeds onderzoek gedaan naar luchtvaarverkeerslawaai, waardoor in deze paragraaf uitsluitend volstaan wordt met een beschouwing externe veiligheid. Externe veiligheid Ingevolge artikel 2.2.1d, tweede lid Lib moet voor gronden die onderdeel uit maken van het Lib-5 gebied in de toelichting van het bestemmingsplan gemotiveerd worden op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt deels binnen Lib-5, maar buiten de gebieden waarvoor vanwege externe veiligheid ruimtelijke beperkingen gelden. Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is daarom een integrale, beleidsmatige toelichting nodig op het omgaan met het risico op een vliegtuigongeval. In de Nota van Toelichting van het Lib (Stb. 2017, 402) is ten aanzien van deze motiveringsplicht het volgende aangegeven: Lokaal kunnen de locatiekeuze, de risico’s en de eventueel te nemen maatregelen het best worden afgewogen met de bijbehorende maatschappelijke kosten en baten.
Integrale beleidsmatige toelichting op het omgaan met risico’s. Geen groepsrisicoberekening. Aanwezigheid van gevaarlijke of ontplofbare stoffen (kettingreacties-dominoeffecten). Mitigerende maatregelen. Bestrijdbaarheid van gevolgen van een ongeluk bevorderen: o Vluchtwegen. o Bereikbaarheid voor hulpdiensten. o Inrichtingsmaatregelen om de zelfredzaamheid van personen te bevorderen. o Training van bestuurlijke crisismanagement. o Voorlichting. o Rampenbestrijdingsplannen oefenen.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 36
Hieronder wordt conform het Stappenplan Lib-5 voor externe veiligheid (Stappenplan LIB 5 voor externe veiligheid, Royal Haskoning DHV, 2 oktober 2019) een motivering van het plan opgenomen en een analyse met betrekking tot externe veiligheid. Locatiekeuze De projectlocatie betreft een bedrijfsbestemming met daaromheen woningen. Overeenkomstig het gemeentelijk beleid betreft het een binnenstedelijke ontwikkeling. Risico’s Het gehele plangebied Dennenlaan 73-83 voorziet in de bouw van 9 nieuwe woningen. Deze woningen komen ter plaatse van bedrijfsbebouwing en een bestaande woning. Netto komen dus 8 woningen in de plaats van de bedrijfsbebouwing. Voor woningen wordt uitgegaan van de aanwezigheid van 1,2 personen in de dagperiode en 2,4 personen in de nachtperiode. Het maximale aantal aanwezige personen bedraagt 10 in de dagperiode en 20 in de nachtperiode. In de huidige situatie zijn op basis van de BAG populatieservice 4 personen in de dagperiode en 2 in de nachtperiode aanwezig. Als de locatie getroffen wordt door een neerstortend vliegtuig wordt de bebouwing geheel of gedeeltelijk verwoest. De aanwezige personen kunnen hierdoor (dodelijk) slachtoffer worden. De kans dat een vliegtuig neerstort op een bepaalde locatie rond de luchthaven Schiphol is klein.
Hetzelfde geldt voor de kans om als persoon op een bepaalde locatie rond de luchthaven te overlijden door een neerstortend vliegtuig. Dichtbij Schiphol is de kans wat groter dan verder van de luchthaven af. Buiten het Lib-3 gebied is dit plaatsgebonden risico kleiner dan 10-6 per jaar (oftewel eens per miljoen jaar). De kans dat een persoon komt te overlijden als gevolg van bijvoorbeeld een verkeersongeval is vele malen groter. De maatschappelijke impact van een ongeval met een vliegtuig is uiteraard groter. Buiten het Lib-3 gebied is de kans dat personen zich in een ongeval gevolggebied bevinden, dus betrokken raken bij een vliegtuigongeval, lager dan ongeveer 3,6 per miljoen jaar (oftewel eens per 278.000 jaar). Het plangebied is voorts niet gelegen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen. Ook is de afstand tot snelwegen waarover vervoer plaatsvindt van gevaarlijke stoffen dermate groot dat de ontwikkeling geen effect op de hoogte van het groepsrisico alsmede de aanwezigheid van 2 buisleidingen op meer dan 450 meter afstand van het plangebied. Domino-effecten zijn daarom niet aan de orde. Maatregelen en zelfredzaamheid Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen om de kans op meerdere slachtoffers op de grond te beperken. Bij vliegtuigen zijn dat maatregelen die de kans dat zich een ongeval voordoet verkleinen.
Hiervoor gelden internationale regels waar de sector aan moet voldoen. In het kader van de planontwikkeling zijn geen realistische maatregelen te treffen die de effecten van een vliegtuigongeval beperken. Vanuit het Bouwbesluit 2012 gelden strenge eisen in verband met de bestrijdbaarheid van een ramp nabij een bouwwerk. Toch is de realiteit dat er voor de personen in het getroffen gebouw weinig mogelijkheden zullen zijn om zichzelf in veiligheid te brengen. Voor vluchten is immers geen tijd en gewone gebouwen bieden nu eenmaal onvoldoende bescherming tegen de risico’s van een daarop neerstortend vliegtuig. Dit betekent dat de aandacht vooral uitgaat naar een goede bereikbaarheid van de projectlocatie, vluchtroutes voor omstanders en een adequate hulpverlening. De eisen vanuit het Bouwbesluit 2012 zijn wel van belang voor de mogelijkheden voor personen die zich in de directe nabijheid van de ramplocatie bevinden om te schuilen voor secundaire branden. Vanwege de nabijheid van luchthaven Schiphol is de veiligheidsregio voorbereid op een vliegtuigongeval. De veiligheidsregio beschikt over een “Calamiteitenplan Vliegtuigongevallen”. Zodra zich een ongeluk voordoet treedt dit plan in werking. De werkwijze, taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken instanties zijn hierin nauwkeurig beschreven.
Het calamiteitenplan wordt voortdurend aangepast naar aanleiding van de evaluatie van daadwerkelijke optredens bij incidenten en oefeningen. De veiligheidsregio is voorbereid op het crisistype luchtvaartincidenten. De Wet Veiligheidsregio’s verplicht veiligheidsregio’s tot het beschikken over een crisisorganisatie (artikel 16).
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 37
Deze crisisorganisatie – die wordt beschreven in een crisisplan – moet voorbereid zijn op de bestrijding van branden, rampen en crises die zich volgens het door de veiligheidsregio (ook verplicht) opgestelde regionaal risicoprofiel kunnen voordoen. In het kort bestaat zo’n crisisorganisatie uit multidisciplinaire teams van politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening en gemeenten die zich richten op bronbestrijding, redding, hulpverlening, opvang en nazorg. Dit risicoprofiel wordt eens per 4 jaar geactualiseerd. Op basis van dit risicoprofiel stelt de veiligheidsregio een beleidsplan op om de crisisorganisatie zo goed als mogelijk voorbereid te houden. Het crisistype luchtvaartongeval is een van de typen die worden genoemd in het regionaal risicoprofiel van de veiligheidsregio. Naast de generieke voorbereiding van de crisisorganisatie, bestaat er ook specifieke voorbereiding voor luchtvaartongevallen. Die bestaat met name uit een (multidisciplinair) calamiteitenplan luchtvaartongevallen en veel gezamenlijke trainingen en oefeningen van de brandweer. Daarnaast is de beperking 'aantrekken vogels' van toepassing.
Dit houdt in dat in dit gebied een grondgebruik of een bestemming binnen de volgende categorieën niet is toegestaan: industrie in de voedingssector met extramurale opslag of overslag; viskwekerijen met extramurale bassins; opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking; natuurreservaten en vogelreservaten; moerasgebieden en oppervlaktewateren groter dan 3 hectare. Aangezien woningen worden gerealiseerd vormt dit beperkingengebied geen probleem. Tot slot geldt de toetszone windturbines en lasers ter plaatse van het plangebied. Binnen de toetszone gelden er beperkingen voor windturbines en vaste laserinstallaties. Aangezien het plan hier niet in voorziet vormt de toetszone geen belemmering.
Conclusie Het Luchthavenindelingsbesluit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. De projectlocatie is verantwoord in het gemeentelijke beleid. Daarnaast is er, gelet op de maatschappelijke en economisch-ruimtelijke belangen die met de beoogde ontwikkeling zijn gemoeid en de zeer kleine kans dat aanwezigen in het plangebied betrokken raken bij een vliegtuigongeval (lager dan ongeveer 3,6 per miljoen jaar), geen aanleiding om van de beoogde ontwikkeling af te zien. Tot slot zijn maatregelen getroffen in relatie tot rampenbestrijding in de vorm van het “Calamiteitenplan Vliegtuigongevallen” om de rampomvang tot een minimum te beperken.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 38
LUCHTKWALITEIT Algemeen Wet luchtkwaliteit De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in de Wet luchtkwaliteit. De hoofdlijnen van deze wet zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De luchtregelgeving is uitgewerkt in een aantal AMvB's en Ministeriële Regelingen. Wet Milieubeheer In bijlage II van de Wet milieubeheer zijn voor de volgende stoffen grenswaarden voor de concentratie in de buitenlucht opgenomen: stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), koolmonoxide (CO). Uit metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en berekeningen van het Milieu en Natuur Planbureau blijkt dat aan de grenswaarden voor benzeen, zwaveldioxide, lood en koolmonoxide al geruime tijd in (nagenoeg) geheel Nederland wordt voldaan. In de Nederlandse situatie leveren alleen de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) problemen op in relatie tot de wettelijke normen. De wijze waarop het aspect luchtkwaliteit in acht genomen dient te worden bij planvorming is geregeld in artikel 5.16 en 5.16a van de Wet milieubeheer. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Grenswaarden uit bijlage II van de Wet milieubeheer worden niet overschreden, of 2.
Per saldo verbetert de luchtkwaliteit of blijft tenminste gelijk, of 3. Het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit (aan concentratie PM10 en NO2)'', of; 4. Het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) In aanvulling op het bovenstaande toetsingskader stelt de AMvB 'Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' dat bij de voorgenomen realisering van gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, verzorgingshuizen en dergelijke, op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, moet worden onderzocht of op die locaties sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en/of NO2. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Als het echter gaat om de uitbreiding van een bestaand gebouw of een door het gebouw vervulde functie, dan is een eenmalige toename van ten hoogste tien procent van het rechtens toegestane aantal personen dat op de desbetreffende locatie verblijft, toegestaan.
Het maakt voor de vestiging van gevoelige bestemmingen niet uit of het deel uitmaakt van 'niet in betekenende mate' projecten of 'in betekenende mate' projecten. De AMvB 'Gevoelige Bestemmingen' moet in beide gevallen worden nageleefd. Omgevingswet De Omgevingswet (Ow) bepaalt dat bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Ow). Of een locatie vanuit luchtkwaliteit geschikt is voor bepaalde functies (zoals woningbouw en scholen), hangt af van de ligging. Locaties naast een drukke weg zijn vanuit een gezondheidsoogpunt minder geschikt voor gevoelige functies. Het is beter de gevoelige functies op afstand hiervan te realiseren. Maar om andere redenen kan het toch een wenselijke ontwikkeling zijn. Het zijn afstandsmaten die een beleidsmatige afweging behelzen tussen gezondheidsbelangen aan de ene kant en de belangen ter vervulling van maatschappelijke behoeften aan de andere kant (artikel 1.3 Ow).
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 39
Visie luchtkwaliteit Haarlemmermeer De gemeente heeft een zorgplicht voor een goede en gezonde fysieke leefomgeving. Dit blijkt onder andere uit Europese richtlijnen, de Grondwet (Gw), de Omgevingswet (Ow), de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet Milieubeheer (Wm). Bij het realiseren van een gevoelige functie in de buurt van een gemeentelijke 'drukke weg', een provinciale weg of een snelweg, worden minimale afstanden in acht genomen. Om te bepalen of er sprake is van een drukke weg en welke afstand in acht moet worden genomen, wordt gekeken naar de verkeersintensiteit. Er wordt daarom niet apart onderscheid gemaakt tussen een gemeentelijke weg en een provinciale weg. Bij het bepalen van de afstand wordt gemeten van de rand van de weg tot de grens waar de gevoelige functie begint (de verblijfsfunctie). Dit is doorgaans de (voor)gevel van het gebouw. Er wordt dan gemeten vanaf de buitenkant van de gevel. Wanneer de buitenruimte echter een wezenlijke verblijfsfunctie heeft dan wordt gerekend tot de grens van dit verblijfsgebied. Denk hierbij aan schoolpleinen en (achter)tuinen van woningen.
Hardheidsclausule In uitzonderlijke gevallen, om dringende redenen en in het belang van het vervullen van een maatschappelijke behoefte, kan worden afgeweken van de in deze nota aangegeven kaders. Enkel de financiële haalbaarheid van een plan is niet voldoende reden. De noodzaak moet worden onderbouw om af te wijken en het college weegt dit zelfstandig af. Een luchtkwaliteitsonderzoek zal moeten worden ingediend, waarbij gereflecteerd wordt aan de WHO-advieswaarden 2021. De windrichting kan hierbij ook een rol spelen (in Nederland komt deze overwegend uit het zuid-westen). Ook kan het college nadere eisen stellen. Bijvoorbeeld, via een voorwaardelijke verplichting, opnemen dat er een groen afscheiding moet worden aangebracht. Uiteraard moet er ten alle tijden worden voldaan aan de Rijksomgevingswaarden. Het gaat hier om uitzonderingsgevallen en het is dus absoluut geen automatisch recht. Voldoende afstand houden tot de weg blijft uitgangspunt.
Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw van 9 woningen. Dit aantal woningen ligt ruim onder de grens van 1.500 woningen waarboven een project 'in betekende mate' bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee draagt de realisatie van de Dennenlaan 73-83 niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 40
Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 28 maart 2022) met bijbehorende grenswaarden. Tabel 1. Jaar
Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Totale concentratie rekenpunt 150967 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
2020
16,0
16,5
8,4
2030
11,3
14,7
7,1
Grenswaarden
40
40
25
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is. In het kader van gezondheid is daarnaast getoetst aan de Visie luchtkwaliteit Haarlemmermeer. Uit het geluidsonderzoek van M+P blijkt dat in de toekomstige situatie over de Dennenlaan circa 4.607 motorvoertuigen per etmaal zullen rijden. Hiermee dienen de bouwblokken op basis van het gemeentelijk beleid minimaal 2 meter van de Dennenlaan te zijn. De dichtstbijzijnde woning is op circa 8 meter van de Dennenlaan gelegen. Hiermee geldt voor heel de voorgenomen dat wordt voldaan aan het gezondheidsaspect zoals opgenomen in Visie luchtkwaliteit Haarlemmermeer.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 41
Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door de Bouwecoloog is een quickscan ecologie (zie bijlage 4, projectnummer: 21046 en datum 11 maart 2022) uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Op basis van het bronnenonderzoek en het oriënterend locatiebezoek kan niet worden uitgesloten dat vleermuizen en gierzwaluwen gebruik maken van het plangebied (de te slopen woning). Andere vaste rust- of verblijfplaatsen of essentiële leefgebieden van beschermde soorten zondervrijstelling worden niet verwacht. Met deze quickscan wordt daarom geconcludeerd dat in het kader van soortenbescherming met een nader onderzoek naar vleermuizen en gierzwaluwen bepaald zal moeten worden of een ontheffing op de Wet natuurbescherming nodig is. Verder moet bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd voldoende rekening gehouden worden met het broedseizoen en de zorgplicht. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt op circa 850 meter, op circa 325 van het plangebied loopt tevens een natuurverbinding van het NNN.
Het plangebied bevindt zich op circa 6,75 km buiten het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (‘Polder Westzaan’) en op respectievelijk circa 9,5 km en 10,25 km van twee andere Natura 2000-gebieden (‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’). NNN Het plangebied ligt op voldoende afstand van het NNN, waardoor geen directe effecten of externe werking op de verbindende functie op zullen treden. De ecologische verbindingszone betreft de ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, hierop worden tevens geen directe of indirecte effecten verwacht.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 42
Natura 2000 Met de Effectenindicator van het ministerie van LNV is te bepalen welke storingsfactoren op kunnen treden op de habitattypen en habitatsoorten van een Natura 2000-gebied. Aan de hand van de Effectenindicator wordt voor de activiteit ‘woningbouw’10 beoordeeld of een voortoets in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk wordt geacht. De mogelijke storingsfactoren betreffen voor de drie Natura 2000-gebieden in de omgeving: 1. Oppervlakteverlies 2. Versnippering 7. Verontreiniging 8. Verdroging 13. Verstoring door geluid 14. Verstoring door licht 15. Verstoring door trilling 16. Optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten Beknopte bepaling te verwachten effecten Het plangebied ligt niet in het Natura 2000-gebied. Tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden ligt meer dan 6 km, waarbij in de directe omgeving onder andere snelwegen, stedelijk gebied en een vliegveld (Schiphol) liggen. Door de ligging van het plangebied is op voorhand uit te sluiten dat de storingsfactoren 1 – Oppervlakteverlies en 2 – Versnippering op zullen treden. Door de tussenliggende afstand is tevens niet aannemelijk dat effecten op het Natura 2000-gebied op kunnen treden door de storingsfactoren 13 Verstoring door geluid, 14 - Verstoring door licht, 15 – Verstoring door trilling, 16 - Optische verstoring en 17 - Verstoring door mechanische effecten.
Met betrekking tot storingsfactor 7 – Verontreiniging geldt dat hier sprake van is als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied gaan komen, die onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Hierbij is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen die inwerken op de bodem, grondwater en/of lucht, waaronder: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling, geneesmiddelen en bestrijdingsmiddelen. De voorgenomen werkzaamheden betreffen woningbouw in een dorpskern. Aangezien bij deze werkzaamheden tevens andere wet- en regelgeving van toepassing is die toeziet op het tegengaan van verontreiniging, worden tijdens deze werkzaamheden en met het toekomstig gebruik geen effecten door verontreiniging verwacht. De storingsfactor 8 – Verdroging betreft een effect door verandering van de grondwaterstand. De voorgenomen werkzaamheden en het toekomstig gebruik zullen geen effect op de grondwaterstand hebben, waardoor verdroging van het Natura 2000- gebied niet van toepassing is. Afhankelijk van de wijze van uitvoering van werkzaamheden (aanlegfase) en het toekomstig gebruik (gebruiksfase) zal nader bepaald moeten worden of berekeningen in het kader van stikstofuitstoot en/of depositie moeten worden uitgevoerd.
Met de betreffende berekeningen wordt bepaald of sprake is van effecten door storingsfactoren 3 - Verzuring door stikstof uit de lucht en 4 - Vermesting door stikstof uit de lucht. Deze storingsfactoren zijn niet genoemd in de effectenindicator, maar deze kunnen wel van toepassing zijn aangezien enkele stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000- gebieden aanwezig zijn. Door M+P is onderzoek gedaan naar stikstofdepositie (bijlage 1, kenmerk: M+P.ONX.22.01.1, datum 15 maart 2022). Omdat de nieuwe woningen gerealiseerd worden zonder aardgasaansluiting is de enige uitstoot in de gebruiksfase de ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking. De te verwachten verkeersgeneratie is ingeschat op 6 voertuigbewegingen per woning per etmaal. De voertuigbewegingen zijn gemodelleerd als wegverkeer binnen de bebouwde kom en geprojecteerd op de Dennenlaan tussen de Troelstralaan en de Zwanenburgerdijk. Vanaf de kruisingen met die wegen worden de voertuigen opgenomen in het heersende verkeersbeeld.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 43
De totale emissie vanwege de voertuigbewegingen betreft 4,2 kg NOX per jaar. Voor de gebruiksfase hebben we gerekend met het rekenjaar 2023. Dit is een worst-case benadering, omdat de stikstofemissie van wegverkeersbronnnen in de toekomst zal afnemen. In 2023 is in de gebruiksfase nergens een hogere depositie berekend dan 0,00 mol per hectare per jaar. Hiermee is het project niet vergunningsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming.
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Nader onderzoek is wel noodzakelijk voordat de woning gesloopt kan worden.
VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Relatie tot ontwikkeling Parkeren Auto Bij de toetsing van nieuwe ontwikkelingen in Haarlemmermeer wordt beoordeeld of er in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. De Beleidsregel 'Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018' is hiervoor veelal het toetsingskader, dat op 6 februari 2018 door burgemeester en wethouders is vastgesteld. De gemeente Haarlemmermeer heeft het Handboek Parkeernormen Haarlemmermeer opgesteld, waarin zij met betrekking tot parkeren uitgaat van de CROW kencijfers (publicatie 317), aangevuld met ervaringen vanuit de Haarlemmermeerse praktijk of onderzoek. Net als de parkeerkencijfers van de CROW, is de normentabel opgebouwd uit bandbreedtes. Een combinatie van stedelijkheidsgraad en centrumligging bepalen de bandbreedte. Voor de functie 'wonen' maakt de gemeente Haarlemmermeer een onderscheid in diverse typen woningen. Zo zijn er aparte parkeernormen voor vrijstaande - en twee-onder-een-kap koopwoningen. De projectlocatie is in de schil van het centrum van Zwanenburg gelegen. Zwanenburg behoort op basis van het Handboek Parkeernormen Haarlemmermeer tot een matig stedelijk gebied.
Voor de 3 vrijstaande - en 6 twee-onder-een-kapwoningen zijn hierdoor minimaal 13 parkeerplaatsen waarvan 3 voor de bezoekers van de woningen nodig.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 44
Fiets Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. Het aantal fietsparkeerplaatsen wordt, zolang de gemeente Haarlemmermeer nog geen eigen normen heeft, bepaald aan de hand van de norm conform Fietsberaad CROW fietsparkeercijfers 2020.
De woningen beschikken allen over een berging in de tuin waar de benodigde fietsen gestald kunnen worden. Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW-rekentool / publicatie 381 geraadpleegd. Hierbij hebben de volgende invoergegevens als uitgangspunt gediend: hoofdgroep wonen – schil centrumZwanenburg (matig stedelijk).
3 x koop vrijstaand, maximale verkeersgeneratie per woning 8,4 mvt/etmaal; 6 x koop twee-onder-een-kap, maximale verkeersgeneratie per woning 8,0 mvt/etmaal.
De maximale verkeersgeneratie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling bedraagt 74 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In de huidige situatie is een vrijstaande woningen en circa 1.850 m2 aan werkplaats aanwezig. De maximale verkeersgeneratie van een dergelijk bedrijf in de schil van het centrum van Zwanenburg bedraagt per 100 m2 bvo 9,4 mvt/etmaal. De maximale verkeersgeneratie ten gevolge van de huidige bestemmingen komt hiermee op 183 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Geconcludeerd kan worden dat de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie afneemt ten opzicht van het huidige gebruik. De wegen zijn derhalve voldoende uitgerust om een afname van ca. 110 mvt/etmaal te kunnen afwikkelen. Deze berekende afname leidt daarom niet tot noodzakelijke infrastructurele aanpassingen. Ontsluiting De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats op de Dennenlaan. Wel is deze iets verschoven worden t.o.v. de huidige situatie. Om de toegangsweg naar de woningen te kunnen realiseren zal de woning aan de Dennenlaan 81 worden gesloopt.
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 45
WATER Algemeen Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water richt zich op de bescherming van water in alle wateren. Hiermee wordt beoogd vervuiling te voorkomen en te beperken, duurzaam gebruik van water te bevorderen, het aquatische milieu te beschermen en te verbeteren en de effecten van overstromingen en droogte in te perken. De algemene doelstelling is om een goede milieutoestand te bereiken voor alle wateren. Waterwet (Ww) De Ww regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook is via de Invoeringswet Ww de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming overgebracht naar de Waterwet. Naast de Ww blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan. Met de Ww zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem.
Waterbeheerplan 5 2016-2021 In het "Waterbeheerplan 5 2016 - 2021" opgesteld door het Hoogheemraadschap van Rijnland staat samen werken aan water centraal, opdat nu en in de toekomst in dit deel van Nederland onder zeeniveau gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden. Het Hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Die toekomst wordt mede bepaald door trends in klimaat en maatschappij en de noodzaak om op duurzame wijze met onze omgeving om te gaan. De verwachte toename van neerslag en droogte, bodemdaling, verzilting, zeespiegelrijzing en de verdergaande verstedelijking, leggen een steeds grotere druk op het watersysteem. De hoofdambitie is schoon water en droge voeten. Dit wordt bereikt door: Beschermen tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem door een aanpak in drie lagen (meerlaagse veiligheid): preventie, adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking), en voorbereiden op een calamiteit. Zorgen voor schoon en gezond water dat past bij de verschillende functies in een gebied. Optimaliseren van de verwerking van het afvalwater en hergebruiken van de grondstoffen uit afvalwater. Zorgen voor voldoende water: niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik.
Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afval- en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Keur Rijnland 2020 De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden.
Maar ook voor onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 46
Het uitgangspunt van de Keur Rijnland 2020 is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen, is dit nader uitgewerkt. Waterplan Haarlemmermeer 2015-2030 De Strategische Samenwerkingsagenda Haarlemmermeer-Rijnland (verder Waterplan) is een samenwerkingsdocument tussen de gemeente en het hoogheemraadschap. Het geeft de situatie en problemen weer van het hele watersysteem (oppervlaktewater, hemelwater, grondwater en afvalwater) in Haarlemmermeer. Het stelt doelen met betrekking tot de riolering, het oplossen van infrastructurele knelpunten en nemen van maatregelen. Het Waterplan heeft onder andere als ambitie: het scheiden van vuil afvalwater en schoon regenwater; het tijdelijk bergen van water om extreme neerslag op te vangen; afvalwater als bron te gebruiken waaruit afvalstoffen en energie gewonnen kunnen worden. Haarlemmermeer past bijvoorbeeld innovatieve ontwikkelingen toe bij het inzamelen van afvalwater zoals riothermie, het winnen van warmte uit afvalwater.
In het Waterplan worden ook grondwatermaatregelen beschreven, omdat deze een belangrijke link hebben met de rest van het watersysteem, zoals oppervlaktewater en de ruimtelijke inrichting. Daarnaast is er in het verleden onvoldoende aandacht besteed aan grondwater, waardoor een inhaalslag nodig is om aan de zorgplicht te voldoen. De maatregelen die genomen moeten worden om de doelstellingen voor het watersysteem te bereiken zijn verzameld in het uitvoeringsprogramma van het Waterplan. De financiering van deze maatregelen komt uit verschillende bronnen, waaronder het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2023 De gemeente is op grond van de Wm verplicht periodiek een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) vast te stellen om invulling te geven aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het GRP bevat rioleringsbeleid en een overzicht van alle aanwezige rioleringsvoorzieningen, inclusief de actuele toestand ervan en de te verwachten vervangingsperioden. Ook geeft het plan inzicht in de wijze waarop de riolering wordt beheerd, welke effecten er zijn voor het milieu en hoe het beheer wordt gefinancierd.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk vermeden / niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 9 woningen ter plaatse waar nu bedrijvigheid en een woning is gelegen. Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van Hoogheemraadschap van Rijnland waarin geldt dat bij een toename van meer dan 500 m2 verhard oppervlak dient 15% gecompenseerd te worden in de vorm van open water in hetzelfde peilgebied. In de huidige situatie is het gehele terrein verhard. In de toekomstige situatie zal in het openbaar gebied groen en bij de woningen tuin aanwezig zijn. Hiermee zal binnen het plangebied meer onverhard terrein aanwezig zijn.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 47
Beschermde gebieden De projectlocatie is niet binnen een beschermingszone van een waterkering of watergang gelegen. Hiermee gelden geen beperkingen op dit ter plaatse van de projectlocatie. Riolering Binnen het plangebied zal een gescheiden rioolstelsel te worden aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Hiermee wordt de rioolzuiveringsinstallatie niet onnodig belast met schoon hemelwater.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van 9 woningen. Een dergelijke ontwikkeling kan gezien de aard en omvang van het project niet worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Zo vindt minder ruimtebeslag en milieubelasting plaats in vergelijking met de huidige situatie. Ook andere categorieën die vermeld staan op de C of D lijst zijn in onderhavige situatie niet aan de orde. Er geldt derhalve geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.
Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO
Pagina | 48
5
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan de Dennenlaan 73-83 is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Haarlemmermeer en de ontwikkelaar.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.