CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 11 mei 2023, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor de realisatie van 9 woningen aan de Dennenlaan 75, 81 en 81a in Zwanenburg (7532387)19.725 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle

Dennenlaan 73-83 Concept 19078 19078.RO 11 mei 2022 B.E. Verbaan MSc drs. ing. M.L.W. Andela

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1 2

3

4

5

6

Inleiding Projectbeschrijving

4 5

Projectlocatie Projectplan Vigerend bestemmingsplan

5 6 8

Ruimtelijk beleid

9

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

9 12 14 16

Omgevingsaspecten

25

Stedenbouwkundige motivering / Landschappelijke inpassing Motivering behoefte / Ladder voor duurzame verstedelijking Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geluid Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling

25 27 28 29 30 31 33 35 39 41 44 46 48

Beschrijving uitvoerbaarheid

49

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49 49

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid

50

Bijlagen 1 2 3 4

Bijlage 1 - Akoestisch onderzoek en stikstofonderzoek (M+P, 2022) Bijlage 2 - Verkennend bodemonderzoek (BACK Milieu – advies en onderzoek B.V.,2018) Bijlage 3 – Nader bodemonderzoek (BACK Milieu – advies en onderzoek B.V., 2020) Bijlage 4 – Ecologische quickscan (de Bouwecoloog, 2022)

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 3

1

INLEIDING In opdracht van ONX Architecten B.V. heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van een 9 woningen waarvan 3 vrijstaand en 6 twee-onder-een-kap ter plaatse van de Dennenlaan 73-83 te Zwanenburg. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 4

2

PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan de Dennenlaan 73-83 te Zwanenburg. De projectlocatie wordt globaal begrensd door:  Ten noordenoosten van de projectlocatie bevinden zich nog een aantal woonhuizen aan de Dennenlaan, waarna de projectlocatie wordt begrensd door de Wilgenlaan aan de noordzijde.  Ten zuidoosten van de projectlocatie bevindt zich de Dennenlaan, waarbij aan de overkant van de straat woonhuizen zijn gelegen. De projectlocatie grenst direct aan de Dennenlaan.  Ten zuidenwesten van de projectlocatie bevinden zich nog enkele woonhuizen, waarbij een bedrijf is gevestigd kruisend op de hoek van de Dennenlaan en Olmenlaan. Tevens bevindt zich aan de zuidzijde van de projectlocatie de Olmenlaan.  Ten noordwesten van de projectlocatie bevinden zich een aantal bedrijven in het midden van het grotere perceel waar huidige projectlocatie deel vanuit maakt (zie figuur 1), met daarachter woningen en de Kerkhoflaan. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 5

Het projectgebied betreft de kadastrale percelen: 8472, 10551, 10704, 9819, 9613, 10705, 10550, 10008, 10013 en 8473, sectie A en behorende tot de kadastrale gemeente Haarlemmermeer (zie figuur 2). Figuur 2. : Kadastrale kaart projectlocatie (bron QGis).

PROJECTPLAN In de huidige situatie zijn binnen de projectlocatie aan de Dennenlaan woningen gelegen met daarachter in de tweede lijn een metaalbewerkingsbedrijf. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient de bebouwing van het metaal bedrijf inclusief de woning aan de Dennenlaan 81 te worden verwijderd. De woningen aan de Denenlaan 73, 77 en 83 blijven in de nieuwe situatie aanwezig. Binnen de projectlocatie worden in totaal 9 woningen gerealiseerd waarvan één in het gebied tussen de Dennenlaan 73 en 77. Dit betreft een vrijstaande woning. De overige woningen, 2 vrijstaande en 6 tweeonder-een-kapwoningen worden in de tweede lijn, ter plaatse van het metaalbewerkingsbedrijf beoogd. De woningen worden uitgevoerd met een kap waarbij de maximale bouw- en goothoogte respectievelijk 9,5 en 6 meter bedragen. Om de toegangswegen (een toegangsweg voor de auto en een aparte toegangsweg voor langzaam verkeer) naar deze woningen te kunnen aanleggen dient de bestaande woning aan de Dennenlaan 81 te worden gesloopt. Aan de toegangsweg zullen tevens de benodigde parkeervoorzieningen (16 stuks) worden gerealiseerd.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 6

Figuur 3. Impressies toekomstige situatie

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 7

VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan ““Zwanenburg” vigerend. Dit plan is op 13 augustus 2014 vastgesteld door de gemeenteraad van Haarlemmermeer. De projectlocatie heeft de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Bedrijf’ en een gebiedsaanduiding ‘Luchtvaartverkeerzone – lib’. Er geldt een bouwvlak, waarbinnen gebouwd mag worden met een maximale bouwhoogte van 7 meter ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijf’ en een maximale bouw en goothoogte van respectievelijk 9 en 4 meter ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’. Figuur 4 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Figuur 4. Uitsnede bestemmingsplankaart ((bron: Qgis en Ruimtelijkeplannen.nl)

Toets aan bestemmingsplan De ontwikkeling is op een aantal onderdelen in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De strijdigheden zijn gelegen in:  Woningen zijn ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijf’ niet toegestaan.  De Woningen ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijf’ overschrijden de maximaal toegestane bouwhoogte.  De woning die aan de Dennenlaan wordt beoogd valt buiten een bouwvlak en gedeeltelijk binnen de bestemming ‘Bedrijf’. Deze woning zal worden uitgevoerd met een maximale bouw en goothoogte van respectievelijk 9,5 en 6 meter. Dit wijkt iets af van de overige woningen aan de Dennenlaan die een maximale bouw- en goothoogte hebben van respectievelijk 9 en 4 meter. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’. Het betreft de uitgebreide voorbereidingsprocedure aangezien in het geldende bestemmingsplan geen binnenplanse mogelijkheden zijn opgenomen om de strijdigheden weg te nemen. Daarnaast biedt de ‘kruimtelregeling’ (bijlage II van het Besluit omgevingsrecht) eveneens geen uitkomst. Bij het doorlopen van de planologische procedure dient tevens rekening te worden gehouden met het bepaalde ten aanzien van de gebiedsaanduiding ‘Luchtvaartverkeerzone – lib’.

Voor dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.8 van voorliggende rapportage. Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 8

3

RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 5. Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie.

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 9

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling Voorliggend bestemmingsplan draagt bij aan de realisatie van sterke en gezonde steden en regio's. Het plan sluit daarbij aan bij het nationale belang 5 van de NOVI, waarbij de woningvoorraad aan moet sluiten op de provinciale en gemeentelijke woningbehoefte. Hiervoor wordt verwezen naar de paragrafen die het provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschrijven in deze ruimtelijke onderbouwing. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Nationale Omgevingsvisie.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling Binnen het plangebied komen geen onderwerpen voor die in Barro beschermd worden. Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, 2017) is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. De Ladder voor duurzame verstedelijking is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 en luidt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' De begrippen “bestaand stedelijk gebied” en “nieuwe stedelijke ontwikkeling” zijn opgenomen in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder h en i Bro. De 'behoefte' is de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar -looptijd van een bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 10

De Ladder bepaalt niet voor welke regio de behoefte in beeld moet worden gebracht. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De afbakening van het onderzoeksgebied is dus afhankelijk van het beoogde programma in het bestemmingsplan. De Ladder biedt de mogelijkheid om in geval van een globaal bestemmingsplan met uitwerkingplichten en/of wijzigingsbevoegdheden, in het moederplan te bepalen dat het Ladderonderzoek pas hoeft te worden verricht bij vaststelling van het uitwerkingsplan of het wijzigingsplan. 3.1.3.1 Relatie tot ontwikkeling De herontwikkeling van de Dennenlaan 73-83 is afgewogen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. De locatie voldoet hieraan. Zie hiervoor paragraaf 4.2 Ladder voor duurzame verstedelijking.

Luchthavenindelingbesluit Schiphol De ruimtelijke consequenties van het rijksbeleid voor Schiphol zijn geformuleerd in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB). In dit besluit is een beperkingengebied opgenomen waarbinnen beperkingen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en de bestemming van de grond voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op veiligheid en geluidsbelasting. De gemeente zorgt ervoor dat nieuwe inwoners in een zo vroegtijdig mogelijk stadium deugdelijk en objectief geïnformeerd worden over geluidsbelasting en mogelijke hinder door vliegtuiggeluid (of –uitstoot en kerosinegeur) door de aanwezigheid van de luchthaven Schiphol. 3.1.4.1 Relatie tot ontwikkeling Het plangebied maakt deel uit van verschillende beperkingengebieden. Het betreft beperkingen ten aanzien van het aantrekken van vogels en het plaatsen van windturbines en vaste laserinstallaties. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet voorziet in dergelijke activiteiten vormen deze beperkingen geen belemmering. Daarnaast zijn ter plaatse van het plangebied toetshoogte-vlakken van toepassing. Objecten mogen in beginsel niet door deze vlakken steken. Het laagste toetshoogte-vlak binnen het plangebied bedraagt 41 m NAP. Omdat de maximale bouwhoogte slechts 9,5 meter bedraagt vormt deze toetshoogte geen belemmering. In paragraaf 4.8 zal op de beperkingengebieden nader worden ingegaan.

Nationaal waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan (2015) geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Het Nationaal Waterplan gaat in op het robuust en toekomstgericht inrichten van het Nederlands watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. De volgende onderdelen komen in het plan naar voren:  De Deltabeslissingen (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie);  De Beleidsnota Noordzee;  De verankering van afspraken die betrekking hebben op water vanuit het Energieakkoord;  De Natuurvisie;  De Internationale Waterambitie;  De geactualiseerde plannen en maatregelenprogramma's om te voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 11

3.1.5.1 Relatie tot ontwikkeling Het plan omvat een integrale benadering door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. In paragraaf 4.13 van voorliggend bestemmingsplan is de waterparagraaf opgenomen. Hierin is beschreven hoe binnen het projectgebied wordt omgegaan met water. Zo zal binnen het plan minder verharding (woningen met tuinen) aanwezig zijn dan in de huidige situatie het geval is (geheel verhard).

PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en –doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich dus uit over het ‘waarom’ en ten dele over het ‘wat’. Onder de hoofdambitie, ‘balans tussen economische groei en leefbaarheid’, zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De omgevingsvisie laat in algemene zin zien wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving.

Daarnaast schetst de provincie vijf samenhangende bewegingen, die laten zien hoe wordt omgegaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. Deze bewegingen zijn niet overkoepelend en zijn locatie- of onderwerp specifiek. Het gaat om de onderwerpen: Dynamisch Schiereiland, Metropool in ontwikkeling, Sterke kernen, sterke regio’s, Nieuwe energie en Natuurlijk en Vitaal landelijke omgeving. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling In de eerste fase van de omgevingsvisie zijn verkenningen uitgevoerd. Deze verkenningen maken nu onderdeel uit van de omgevingsvisie. In de Verkenningen NH2050 zijn acht hoofdthema's van trends en ontwikkelingen, met hun kernopgaven, geformuleerd. Een van deze acht hoofdthema's is verstedelijking. Hierin wordt aangegeven dat de woningbehoefte voor Noord-Holland Noord en Noord-Holland Zuid in de toekomst nog steeds toeneemt. De prognoses laten ook in lage scenario's nog groei zien in de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Ook in Noord-Holland Noord is er een groei vergelijkbaar met het Nederlands gemiddelde, waarbij een deel van Noord-Holland Noord langzamerhand meer in beeld komt bij woningzoekenden in het zuidelijk deel van de provincie. Migratie, vooral van expats, heeft in toenemende mate invloed op de woningbehoefte.

Tegelijkertijd is er steeds meer structureel leegstaand vastgoed en kunnen er leefbaarheidsproblemen in verouderde nieuwbouwwijken ontstaan. De woningbehoefte op de korte termijn is groot, op de lange termijn neemt deze volgens de huidige inzichten af. De ambitie ten aanzien van woningbouw is dat vraag en aanbod van woon- en werklocatie, zowel kwantitatief als kwalitatief, beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de voornoemde ambitie van de provincie om woningbouw vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden in te plannen. De projectlocatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en er wordt voorzien in zowel een kwalitatieve als kwantitatieve behoefte, zoals ook zal blijken uit de beleidstoets in de navolgende paragrafen.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 12

Omgevingsverordening Noord-Holland De Omgevingsverordening NH2020 (OV NH2020) geldt vanaf 17 november 2020. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie zijn verankerd in de Omgevingsverordening Noord-Holland. Deze vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. In de OV NH2020 zijn gebieden benoemd waar uitgebreid omschreven staat welke activiteiten mogelijk zijn en onder welke condities. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling Artikel 6.24 is van toepassing op woningen die binnen de LIB 5 zone Schiphol zijn gelegen. In dit artikel is opgenomen dat wanneer een ruimtelijk plan nieuwe woningen toestaat op gronden die liggen ter plaatse van het werkingsgebied LIB 5 zone in de toelichting op dat plan rekenschap wordt gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op het LIB. Aan de regels zoals opgenomen in de OV NH2020 wordt, voor zover relevant in het kader van voorliggende ontwikkeling, voldaan.

Woonagenda 2020-2025 Eén van de belangrijkste speerpunten uit de provinciale Woonagenda is het aanjagen van de woningbouwproductie. Daarbij wordt ingezet op woningbouw op die plekken waar het ruimtelijk goed past en waar de voorzieningen goed geregeld zijn. Daarnaast moet worden gezorgd voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen. Actiepunten zijn:  Maatwerkafspraken in regionale woonakkoorden.  Bieden van kennis, meedenkkracht en hulp.  Versnellen woningbouwproductie.  Samenwerking stimuleren.  Verduurzaming wonen.  Meer flexibiliteit in de woningmarkt.  Stimuleren circulair bouwen.  Leveren van informatie en monitoring. Via 'woonakkoorden' worden afspraken met regio's en gemeenten gemaakt over woningbouw, programmering en fasering van woningbouwplannen. Uitgangspunt is de juiste balans tussen vraag en aanbod, zowel kwantitatief als kwalitatief. De woonakkoorden vervangen daarmee de Regionale Actieprogramma's Wonen (RAP's). De woonakkoorden dienen in overeenstemming te zijn met de provinciale Omgevingsvisie en de uitgangspunten, speerpunten, richtinggevende principes van de Woonagenda. Zoals opgenomen in de Omgevingsverordening is opname in de regionale programmering voorwaardelijk voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

3.2.3.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van de Dennenlaan draagt bij aan de productie van duurzame woningen op een locatie waar het ruimtelijk goed past. Hiermee is het plan in lijn met de Woonagenda.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 13

REGIONAAL BELEID Regionale woonvisie Uit het tweejaarlijkse regiobrede woononderzoek Wonen in de Metropoolregio Amsterdam (WiMRA) blijkt dat ondanks de bouw van ruim 30.000 woningen in de afgelopen twee jaar mensen met een laag en middeninkomen in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) weinig kans op een passende woning hebben. Hierdoor starten minder jonge mensen hun wooncarrière in de MRA en vertrekken meer gezinnen uit de MRA naar de rest van Nederland. De woningbehoefte in de MRA is groot en het tekort is toegenomen, ondanks de versnelling van de woningproductie naar rond de 16.000 woningen per jaar in de afgelopen twee jaar. De groei van de woningbehoefte is vooral toe te schrijven aan de grote instroom uit het buitenland naar deze regio en met name naar Amsterdam. Deze instroom is veel groter dan voorzien in de prognoses. In alle zeven deelregio’s van de MRA willen bovendien meer mensen verhuizen dan in 2017. Vooral jonge mensen ervaren de grote aantrekkingskracht van de metropool; dat is niet veranderd, maar nu heeft een groter deel een hoog inkomen. Hoewel de effecten van corona niet geheel te voorspellen zijn, zijn de woningmarktexperts het erover eens dat de grote woningbehoefte in de MRA niet zal verdwijnen.

Een deel van de woningzoekenden weet de woonwensen binnen de eigen gemeente of een andere gemeente binnen de MRA te realiseren, een groeiend deel (blijkbaar) niet; zij zoeken hun heil buiten de MRA. Het WiMRA-onderzoek laat zien dat in bijna alle prijsklassen en woonmilieus vraag is. De meeste huishoudens willen kopen (58%) of sociaal huren (32%) en een klein maar groeiend deel zoekt een woning met een huur in het middensegment (9%). Huurwoningen boven de €1.009 zijn nauwelijks gewenst. Het aanbod, bestaande uit nieuwbouw en vrijkomende woningen uit de bestaande voorraad, ziet er echter heel anders uit dan de vraag. Het aanbod is grotendeels duur en vooral de dure huur is sterk toegenomen door de groeiende particuliere vrije huursector. De vraag hiernaar is klein. Het aanbod van sociale huurwoningen is relatief klein (weinig dynamiek). Dit geldt ook voor de middeldure huur. Vooral in de sociale huur en de koop tot €279.000 is het tekort groot. Het zijn met name starters die in deze segmenten zoeken. Ook in de koop tussen €279.000 en €409.000 is het tekort groot, vooral door vraag van mensen die al een huis hebben (de ‘doorstromers’). Het WiMRA-onderzoek toont aan dat het vooral de starters en de huishoudens met een laag of middeninkomen zijn die het lastiger hebben gekregen op de woningmarkt in de MRA.

Juist in de categorie woningen die binnen hun bereik liggen, zijn de tekorten het grootst. Veel starters en jonge stellen (onder wie gezinnen) vertrekken uit de regio of komen terecht in woningen die nog wél worden aangeboden, namelijk de vrije sectorhuur met hoge aanvangshuren. 3.3.1.1 Relatie tot ontwikkeling Met de bouw van de beoogde woningen in het dure segment wordt doorstroming op gang gebracht waarbij de verwachting is dat met name woningen in het middeldure segment vrijkomen. Hiermee voorziet het beoogde plan in de behoefte aan deze woningen.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 14

Woonakkoord Amstelland - Meerlanden 2021-225 Het Woonakkoord Amstelland-Meerlanden 2021-2025 is een bestuurlijk akkoord tussen de Provincie NoordHolland en de zes gemeenten in de regio Amstelland-Meerlanden (afgekort 'AM'; gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn). De ambities en afspraken opgenomen in het Woonakkoord passen binnen het bestaand regionale beleid en sluiten aan op de eisen die gesteld worden aan de woonakkoorden in de Omgevingsregeling NH2020. De regio AM ligt onder Amsterdam, in een gebied waar de druk op de woningmarkt groot is. Volgens de indicatieve woningbehoefteprognose van de Provincie Noord-Holland zijn er in de periode 2019-2030 in de regio naast het huidige tekort nog 20.970 extra woningen nodig vanwege de toename van het aantal huishoudens. Dit maakt dat de regio een forse woningbouw opgave kent. Voor zover nu bekend voorzien de plannen van de gemeenten in een netto toename van de woningvoorraad in de regio tussen 2020 en 2030 met bijna 38.000 woningen. Dit betreft zowel harde als zachte plancapaciteit, waarbij een groot deel van de plannen aan te merken is als 'zacht'. De opgave ligt de komende jaren dan ook vooral op het 'hard' maken van de zachte plannen en uiteindelijk het daadwerkelijk realiseren van de voorgenomen plannen.

Naast het vergroten van het woningaanbod zet de regio nu stappen om de woonruimteverdeling aan te passen, zodat woningzoekenden met een dringende verhuiswens zoals starters/jongeren, spoedzoekers en kwetsbare groepen, meer kans op een woning maken. Het akkoord bevat afspraken over de volgende thema’s:  Samenwerking; door een nauwe samenwerking zijn de gemeenten in de regio en de provincie NoordHolland- sneller en efficiënter in staat om de ambities zoals opgenomen in het Woonakkoord, te realiseren.  Nieuwbouw; het versnellen van de woningbouwrealisatie met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woonaanbod voor verschillende doelgroepen. Dit om in te spelen op de woningbehoefte in de regio. Onder ‘betaalbare woningvoorraad’ wordt verstaan huurwoningen in de sociale sector, middeldure huurwoningen en betaalbare koopwoningen (met een koopprijs tot de NHG-grens, waarbij ook wordt geprobeerd om woningen met een koopprijs onder de € 200.000 te realiseren). De opgave ligt de komende jaren vooral op het ‘hard’ maken van de zachte woningbouwplannen van de gemeenten, en uiteindelijk het daadwerkelijk realiseren van de voorgenomen plannen en te zorgen dat wat wordt gebouwd ook goed aansluit bij de woningbehoefte.

 Optimaal benutten bestaande voorraad; de bestaande woningvoorraad optimaal benutten, om ook op die manier bij te dragen aan het voldoen aan de kwantitatieve- én kwalitatieve- woningbehoefte.  Duurzaam wonen; de gemeenten in de regio willen de transitie maken naar een volledig klimaatneutrale, klimaatadaptieve, natuurinclusieve en circulaire gebouwde omgeving. Er liggen hier grote uitdagingen die op landelijk en regionaal niveau moeten worden opgepakt. Vanuit wonen wordt waar mogelijk bijgedragen aan de transitie naar een meer duurzame gebouwde omgeving – zonder dat hierbij wordt vertraagd bij de benodigde woningbouw. 3.3.2.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde woningbouw voorziet in duurzame woningen conform de nieuwste eisen. Met de bouw van de beoogde woningen in het dure segment wordt doorstroming voorzien in het middeldure segment. Hiermee is het plan in lijn met het Woonakkoord Amstelland-Meerlanden 2021-2025.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 15

GEMEENTELIJK BELEID Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 (2012) In de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 (2012) worden de toekomstige ontwikkelingen van de gemeente beschreven. De Structuurvisie gaat over belangrijke structurerende zaken met ontwerpprincipes voor duurzaamheid, een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem, energie, netwerk- en ketenmobiliteit, de synergie met Schiphol, ruimte voor attracties, en de cultuurhistorie en diversiteit als drager van de ontwikkelingen. In de toekomst wil Haarlemmermeer de bestaande diversiteit aan woon- en werkmilieus – haar zogeheten atypische stedelijkheid - versterken. Haarlemmermeer wil een gemeente zijn die verbonden is en verbindt, een samenleving met samenhang. Dat betekent ook dat er samenhang moet zijn tussen alle ontwikkelingen die plaatsvinden, zowel de ruimtelijke als de sociale ontwikkelingen. Haarlemmermeer positioneert zich ook in de toekomst als een attractieve ontmoetings- en vestigingsplaats. Duurzaamheid en oog voor bestaande structuren zijn leidend bij de toekomstige ruimtelijke, economische en sociale ontwikkelingen. De ambities voor Haarlemmermeer in 2030 zijn als volgt benoemd:  sterk gevarieerd en de atypische stedelijkheid benuttend;  duurzaam en klimaatbestendig;  fysiek en sociaal verbonden met elkaar en met de omgeving;  blijvend gepositioneerd als aantrekkelijke ontmoetingsplaats.

De structuurvisie beschrijft daarnaast de grondslagen en ontwerpprincipes die als uitgangspunt worden gehanteerd bij de verdere ontwikkeling van Haarlemmermeer. Deze zijn samengevat in zes kernpunten: 1. Een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. 2. Energie als speerpunt. 3. Netwerk (keten)mobiliteit: de knopen benut. 4. Synergie met Schiphol. 5. Ontmoeten en verbinden: ruimte voor attracties. 6. Cultuurhistorie en diversiteit als drager. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling De structuurvisie voorziet niet in specifieke ontwikkelingen voor Zwanenburg. Het voorgenomen plan is in ieder geval niet in strijd met de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 16

Ontwerp omgevingsvisie Haarlemmermeer De Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040 is het samenhangende, strategische beleidskader voor de fysieke leefomgeving. De gemeente Haarlemmermeer gebruikt de omgevingsvisie als richtinggevend instrument om afwegingen en keuzes te maken, het helpt om de juiste afwegingen te maken en zuinig en zorgvuldig met de ruimte om te gaan. De visie wordt uitgewerkt in programma’s. In deze programma’s werkt de gemeente Haarlemmermeer uit wat ze willen uitvoeren, hoe ze het uitvoeren en hoe ze dit financieel dekken. Regels die nodig zijn voor het borgen van de visie worden in het omgevingsplan opgenomen. Figuur 6. Uitsnede Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040.

Wonen De toenemende druk op de beschikbare ruimte en de beperkingen van bouwen buiten de grenzen van dorpen en kernen maakt dat gemeente Haarlemmermeer haar blik op zogenaamd ‘binnenstedelijk gebied’ gaat richten. Zo wil gemeente Haarlemmermeer op plekken die zich er voor lenen stedelijke kwaliteiten, zoals horeca en nieuwe woonmilieus toevoegen door te ‘verdichten’. Bijvoorbeeld door woningen en andere functies toe te voegen op en rond knooppunten. Verdichting op zorgvuldig uitgekozen plekken maakt dat andere plekken open kunnen worden gehouden. Dit vraagt om zorgvuldig maatwerk per kern en per plek. Gemeente Haarlemmermeer wil meer diversiteit in woonmilieus bereiken door in de centrale kernen, met een meer regionale oriëntatie (Hoofddorp, Nieuw-Vennep en Badhoevedorp) bij transformatie op binnenstedelijke locaties te bouwen in het centrum-stedelijke woonmilieu.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 17

3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling Het beoogde plan vindt plaats in een dorps woonmilieu. De woningen die binnen het plan worden gerealiseerd, vrijstaand en twee-onder-een-kappers, passen bij dit milieu waardoor het de dorpse beleving versterkt. Hiermee is het voorgenomen plan in lijn met de Omgevingsvisie Haarlemmermeer.

Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer (2018.0005796) Het handboek en bijbehorende berekeningsblad zijn een instrument om voor benoemde situaties de parkeernorm op eenduidige wijze vast te stellen. De norm is afhankelijk van de betreffende functie, stedelijkheid, centrumligging, afstand tot HOV-halte of NS-station. Een parkeerbalans vergelijkt de verwachte parkeervraag van een ontwikkeling met het parkeeraanbod. Daarmee wordt beoordeeld of bij een ontwikkeling voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd. Bij het opstellen van een parkeerbalans wordt rekening gehouden met:  Bezoekersaandeel: minimaal het aantal parkeerplaatsen voor bezoekers moet voor bezoekers toegankelijk zijn.  Deelauto's: bij een deelautoverplichting kan er een correctie worden toegepast op de autonome parkeervraag voor bewoners.  Dubbelgebruik van parkeerplaatsen: dit wordt berekend op basis van aanwezigheidspercentages op verschillende dagdelen, niet alle functies pieken op hetzelfde moment in hun parkeervraag.  Correctie voor parkeren op eigen erf: niet alle parkeergelegenheid op eigen erf wordt altijd door de eigenaar gebruikt.

Als niet in voldoende parkeren kan worden voorzien op eigen terrein of indien van toepassing in het projectof plangebied, kan worden afgeweken van het benodigd aantal parkeerplaatsen wanneer parkeeronderzoek uitwijst dat in de directe omgeving voldoende parkeerruimte beschikbaar is voor de parkeerders van de ontwikkeling. In sommige gevallen kan een overeenkomst gesloten worden om de parkeerplekken op openbaar gebied buiten de plangrenzen te realiseren. De grondprijzennota bepaalt dat dit alleen kan tegen vergoeding van de daarmee gemoeide kosten. De gemeentelijke parkeernormen gelden voor nieuwe ontwikkelingen, nieuwe uitbreidingen of herinrichtingen. In bestaande situaties is uitgegaan van de normen die golden ten tijde van de realisering. Als er vanuit de bestaande situatie knelpunten liggen moeten er oplossingen komen, die gebaseerd zijn op onderzoek van de bestaande situatie. 3.4.3.1 Relatie tot ontwikkeling Het stedenbouwkundig plan is afgestemd op de parkeernormen van gemeente Haarlemmermeer. Bij de ontwikkeling van de Dennenlaan worden de parkeernormen uit het Handboek Gemeentelijke Parkeernormen gevolgd. Zwanenburg wordt beschouwd als matig stedelijk gebied. De hierbij geldende parkeernormen zijn van toepassing. Bezoekers en bewoners kunnen hun auto kwijt langs de aan te leggen toegangsweg.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 18

Woonbeleidsprogramma 2019-2025 De gemeentelijke ambities voor het woonbeleid van de komende vijf jaar komen voort uit de regionale bouwtaak, lokale omstandigheden en vraagaanbodverhoudingen op de woningmarkt. Het gemeentelijke woonbeleid gaat uit van eigenheid, verscheidenheid en doorstroming. Variatie in het woningaanbod zorgt voor gemengde dorpen en wijken, is toekomstbestendig en vergroot de mogelijkheden voor een wooncarrière binnen Haarlemmermeer. Wonen houdt in onze visie verband met een visie op groen, bereikbaarheid, werk en voorzieningen. Om die reden maken we verschil tussen de grote (centraal gelegen) dorpen Hoofddorp, Nieuw-Vennep en Badhoevedorp enerzijds en de kleinere kernen langs de Ringvaart anderzijds. Daarom willen we in Haarlemmermeer inzetten op de ontwikkeling van vier woonmilieu's:  landelijk tot circa 20 woningen per hectare;  centrum dorps tot circa 25 woningen per hectare;  stedelijk centrum tot circa 50 woningen per hectare;  stedelijk plus tot circa 80 woningen per hectare. Door demografische ontwikkelingen, het eenzijdige huidige woningaanbod in Haarlemmermeer (ruim 70% eengezinswoningen) en rijksbeleid is er een grote woningbehoefte onder starters en onder huishoudens die aangewezen zijn op ambulante zorg. Dit vraagt om een substantieel aanbod aan sociale huurwoningen.

In het centrum-stedelijke woonmilieu zijn dit met name kleine appartementen voor 1- en 2 persoonshuishoudens. Voor levensloopbestendige woningen die genoeg ruimte bieden voor het gebruik van een rolstoel is voor een appartement met 2 slaapkamers minimaal 70 m2 vloeroppervlakte nodig. Er is daarnaast een grote groep met een middeninkomen. Deze groep heeft geen toegang tot de sociale huur en wordt bij hun zoektocht naar een woning vaak voorbijgestreefd door kapitaalkrachtiger huishoudens of particuliere beleggers. Daarom is het belangrijk dat er veel betaalbare koop- en huurwoningen worden gebouwd. In het voorjaar van 2020 volgt een nader uitgewerkt programma middensegment. Zowel in het segment 'laag' als het segment 'midden' moet voldoende aanbod in nieuwbouwplannen komen. Daarom wordt voor alle ontwikkelingen met meer dan 30 woningen een aandeel 50% betaalbaar gerealiseerd, samengesteld uit bijvoorbeeld 30% sociale huur en 20% middensegment huur- en/ of koopwoningen. In het niet gereguleerde dure prijssegment (50% markt) bepalen de ontwikkelaars welk type woning zij bouwen. 3.4.4.1 Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling aan de Dennenlaan is gelegen in een centrum dorps milieu. Het beoogd aantal en type woningen in het dure segment sluiten goed aan bij een dergelijk milieu. Hiermee is het plan in overeenstemming met het Woonbeleidsprogramma 2019-2025.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 19

Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer (2020.0002340) In de welstandsnota van de gemeente Haarlemmermeer is de visie van de gemeente op de ruimtelijke kwaliteit opgenomen. De welstandsnota baseert zich op het ruimtelijk raamwerk van de Haarlemmermeer. De welstandsnota werkt aanvullend op het bestemmingsplan, waarmee de gemeente op een hoger detailniveau redelijke eisen van welstand kan stellen aan het uiterlijk van bouwwerken. Het gaat hierbij om eisen op het gebied van materiaalgebruik, kleurgebruik, vormgeving en ontwerpdetails. Binnen de gemeente zijn verschillende welstandsregimes bepaald. Toetsing van het bouwplan aan de uitgangspunten zoals opgenomen in de Welstandsnota vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw. Naast het welstandsbeleid krijgt het ruimtelijke kwaliteitsbeleid ook in andere beleidsdocumenten voldoende aandacht, waaronder bestemmingsplannen en beeldkwaliteitsplannen. Grotere herstructureringsplannen en nieuwbouwprojecten moeten plaatsvinden binnen het kader van een stedenbouwkundig plan en een beeldkwaliteitsplan. Wanneer er strijdigheid bestaat met de in de Welstandsnota opgenomen regels, prevaleren de eisen uit het beeldkwaliteitsplan. Hierbij is wel het uitgangspunt dat het hoogste welstandsregime op de plek van aanvraag geldt als minimale welstandseis.

3.4.5.1 Relatie tot ontwikkeling Voor de kleinschalige ontwikkeling aan de Dennenlaan is geen beeldkwaliteitsplan van toepassing. De ontwikkeling zal uitgewerkt worden conform de criteria uit de Welstandsnota.

Kaders klimaatbeleid 2009-2020 (2009.0006232) In deze nota zijn de kaders voor toekomstig klimaatbeleid vastgelegd. Algemene doelstelling van het klimaatbeleid is (1) een reductie van de CO2-uitstoot in 2020 van 30 procent ten opzichte van 1990 en (2) de realisatie van 20 procent duurzame energie in 2020. Bij de ontwikkeling en uitvoering van het klimaatbeleid/ energiebeleid wordt de trias energetica aangehouden als leidend principe:  Beperking van de energievraag;  Opwekking noodzakelijke energie door gebruikmaking van duurzame energiebronnen;  Indien nodig dient de opwekking van de resterende noodzakelijke energie door middel van gebruikmaking van fossiele brandstoffen, zo efficiënt en zo schoon mogelijk te geschieden. Het klimaatbeleid is uitgewerkt in tien thema's. Per thema is aangegeven wat de beoogde CO2-reductie of beoogde realisatie van duurzame energie binnen dat thema is. De thema's zijn:  Gemeentelijke gebouwen, bestaand en nieuwbouw;  Bestaande woningen;  Nieuwbouw woningen;  Bestaande bedrijven;  Agrarische bedrijven/ Glastuinbouw;  Nieuwe bedrijven;  Verkeer en vervoer;  Windenergie;  Overige duurzame energie;  Interne milieuzorg. 3.4.6.1 Relatie tot ontwikkeling De woningen worden gasloos opgeleverd. Voor de verwarming van woningen en warm water wordt gebruik gemaakt van het duurzame energieconcept warmte-koude-opslag (WKO).

Daarnaast worden tal van overige duurzaamheidsmaatregelen ingezet. Voorbeelden zijn dat door toepassing van LED-verlichting aan de toegangsweg en plaatsing van PV-panelen de energievraag zoveel mogelijk wordt beperkt. Hiermee wordt voldaan aan de kaders van het Klimaatbeleid 2009-2020.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 20

Uitvoeringsagenda klimaatadaptatie (2020.0003314) De uitvoeringsagenda klimaatadaptatie laat zien welke stappen er op het gebied van klimaatadaptatie al zijn genomen (zoals stresstesten, risicodialogen) en welke stappen er nog gezet moeten worden om tot klimaatadaptatiebeleid te komen (onder andere onderzoeken naar prioriteit en financiële dekking). Als onderdeel van de uitvoeringsagenda zijn drie klimaatambities vastgesteld:  Koele woon- en werkomgeving  Droogtegevoeligheid verminderen  Waterrobuuste leefomgeving Om tot deze ambities te komen, en daarmee een klimaatbestendig Haarlemmermeer, zijn er basisveiligheidsniveaus geformuleerd. Basisveiligheidsniveaus zijn de minimale normen waaraan ontwikkelingen moeten voldoen om klimaatbestendig te worden. 3.4.7.1 Relatie tot ontwikkeling Door de ruime opzet van de woningen vindt binnen een nu geheel verhard gebied ontharding van het gebied plaats. Hiermee wordt water langer vastgehouden in het gebied dat bijdraagt aan de vermindering van hittestress, wateroverlast en daarmee een waterrobuuste leefomgeving.

Natuurvisie Haarlemmermeer 2040 In de Natuurvisie staan de doelen en ambities van de gemeente Haarlemmermeer over natuur en biodiversiteit. Het grootste doel is de biodiversiteit binnen de gemeente te vergroten. Hiertoe zijn streefbeelden opgesteld voor de landschappelijke categorieën stedelijk, agrarisch en natuur- en recreatiegebied. Er is ook streefbeeld opgesteld voor het realiseren van een groen-blauwe structuur van ecologische verbindingen. Door uit te gaan van een aantal uitvoeringsprincipes wordt de komende decennia toegewerkt naar de streefbeelden. Deze beelden en principes geven ook handvatten voor samenwerking, educatie en participatie met gebiedspartners, -partijen en inwoners, ondernemers en instellingen. Met deze Natuurvisie wil de gemeente bereiken dat:  de biodiversiteit zichtbaar en beleefbaar is voor de inwoners en bezoekers van de gemeente;  iedereen in Haarlemmermeer zich mede-eigenaar voelt van de natuur en zich in wil zetten voor het behoud hiervan.

Dit geldt voor inwoners, ondernemers, bezoekers en voor de gemeente;  er een grote variatie aan biotopen aanwezig is met daarin vitale populaties van planten- en diersoorten en dat verbindingen tussen de leefgebieden aanwezig zijn;  waar zich mogelijkheden voordoen, kansen worden aangegrepen om de biodiversiteit te vergroten;  in al het gemeentelijk functioneren met zorg wordt omgegaan met de ecologische kwaliteiten van de stedelijke omgeving en het buitengebied;  de gemeente het beheer van het eigen areaal richt op versterking van de biodiversiteit. Waar mogelijk worden uitvoeringsprincipes gezamenlijk opgepakt met of in andere ruimtelijke processen zoals (herziening van) de Leidraad Duurzame Inrichting Openbare Ruimte (DIOR), bestemmingsplannen, projecten en het dagelijks beheer van de openbare ruimte. De uitvoeringsprincipes van de Natuurvisie worden hierbij afgewogen samen met en overeenkomstig de (toekomstige) visies Landschap en recreatie, Polderlinten en de andere onderwerpen die vallen onder de Omgevingsvisie en het ruimtelijk afwegingskader. Natuur wordt daarmee integraal onderdeel van het afwegingskader in omgevingsvraagstukken, zoals de Omgevingswet vereist.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 21

Figuur 7. Visiekaart: De groen-blauwe structuur van ecologische verbindingen door Haarlemmermeer

3.4.8.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in het bebouwde gebied binnen de gemeente Haarlemmermeer. Voor dit gebied is geen nadere de ambitie uitgesproken. De Natuurvisie Haarlemmermeer 2040 vormt hiermee geen belemmering voor de doorgang van de voorgenomen ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 22

Archeologiebeleid Haarlemmermeer 2020-2030 Met het 'Archeologiebeleid Haarlemmermeer 2020-2030' is beleid opgesteld voor het ondergrondse erfgoed. In dit beleid is een verwachtingskaart en een beleidskaart opgenomen. Op de verwachtingskaart is te zien wat de verwachting is op archeologische vondsten naar aanleiding van onderzoek van historische kaarten en eerdere vondsten. Als er nieuwe vondsten zijn gedaan wordt de kaart daarop bijgewerkt. De beleidskaart geeft aan wanneer er verder onderzoek gedaan moet worden als de bodem verstoord wordt. Naar aanleiding van de verwachtingen zijn zes regimes ingevoerd. De grootte van het plangebied en de diepte van de grondverstoring bepalen of er onderzoek gepleegd moet worden.

    

Waarde Archeologie 1 betreft een provinciaal monument, waarvoor de provincie Noord-Holland het bevoegd gezag is. Waarde Archeologie 2 betreft reeds vastgestelde archeologische vindplaatsen. Daarom is het van belang dat elke bodemingreep hier hetzij wordt voorkomen, hetzij wordt uitgevoerd in combinatie met archeologisch onderzoek. Waarde Archeologie 3 betreft gebieden waar een hoge archeologische verwachting geldt. Waarde Archeologie 4 en 5 betreffen gebieden waar een middelhoge archeologische verwachting geldt. Waarde Archeologie 6 betreft gebieden met een lage verwachting op archeologie. Hier hoeft alleen onderzoek te worden verricht als de bodemingreep van flinke omvang is (> 10.000 m2), omdat de trefkans beperkt is en de kosten van het onderzoek dan niet in verhouding zijn.

In de gebieden zonder archeologische verwachting is de archeologie reeds opgegraven of de bodem reeds verstoord en dus geen archeologische trefkans. Daarom hoeft ook hier geen onderzoek te worden uitgevoerd. Archeologisch onderzoek wordt gefaseerd uitgevoerd volgens een vaste methodiek, zoals beschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1). Het volgen van deze onderzoekscyclus is verplicht bij de voorbereiding van bodemverstoringen in gebieden waaraan op de beleidskaart een archeologische waarde is toegekend. Die verplichting is gekoppeld aan bestemmingsplannen (toekomstige omgevingsplannen) en omgevingsvergunningen. De kosten van het archeologisch onderzoek zijn voor de initiatiefnemer van de bodemverstoring. Vanzelfsprekend volgt het nieuwe archeologiebeleid alle uitgangspunten zoals verwoord in de KNA 4.1.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 23

Op basis van een archeologisch bureauonderzoek wordt een gespecificeerde archeologische verwachting gegeven en een advies over al dan geen vooronderzoek. Vooronderzoek kan bestaan uit een proefsleuvenonderzoek en/of booronderzoek. Na dit vooronderzoek vindt een inhoudelijke waardering plaats met weer een advies voor het vervolg. Hier adviseert de archeoloog op basis van een inhoudelijke waardering wat er moet gebeuren met de aangetroffen archeologie. Er zijn drie mogelijke uitkomsten:  behoud in situ (in de grond laten) en maatregelen voor bescherming  verder onderzoek en als laatste stap definitief opgraven  geen vervolg, het gebied wordt vrijgegeven Het besluit over elke volgende stap wordt genomen door de gemeente (bevoegd gezag). Bij ontgrondingen of provinciale projecten zoals wegaanleg en waterwerken ligt de beslissing over het wel of niet behouden van de archeologische waarden bij de provincie. Het Rijk neemt de besluiten voor rijksprojecten. 3.4.9.1 Relatie tot ontwikkeling De Dennenlaan valt binnen het gebied met 'Waarde-Archeologie 6 op de archeologisch beleidskaart. Figuur 8. Uitsnede archeologische beleidskaart.

Op basis van de beleidskaart is ter plaatse van de projectlocatie aan de Dennenlaan archeologisch onderzoek verplicht bij plannen met een oppervlakte van 10.000 m2 en groter en grondroering tot dieper dan 40 cm onder maaiveld (waarde - archeologie 6). In paragraaf 4.3 wordt nader op het aspect archeologie ingegaan.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 24

4

OMGEVINGSASPECTEN STEDENBOUWKUNDIGE MOTIVERING / LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Het plangebied is gelegen aan de Dennenlaan te Zwanenburg, een hoofdontsluiting in het centrum van het dorp, achter de woonhuizen ter hoogte van de nrs. 73-83 . De stedenbouwkundige morfologie ter plekke bestaat uit gesloten bouwblokken waarvan de randen zijn bezet met vrijstaande kleinschalige woningen (1 à 2 bouwlagen, meestal met een kap). De binnenzijde van het onderhavige bouwblok langs de Dennenlaan is in de loop der jaren bezet met kleinschalige bedrijvigheid, meestal behorend bij het woonhuis aan de rand. De binnenzijde van het blok is niet anders toegankelijk dan vanuit de omliggende straten. De bedrijvigheid vind plaats in laagwaardige loodsen en schuren resulterend in een rommelige sfeer. Met het oog op verbetering van de stedenbouwkundige kwaliteit en om milieutechnische redenen is het wenselijk dat - waar mogelijk- de bedrijvigheid wordt uit-gefaseerd opdat transformatie naar woningbouw plaats kan vinden. Figuur 9. Bestaande situatie plangebied

De familie De Vos heeft als eigenaar van de woningen Dennenlaan 73-83 met het daarachterliggende fijnstaalbedrijf “ De Vos” het initiatief genomen het bedrijf te verplaatsen naar een plek buiten de woonkern om vervolgens het bedrijvenkavel te transformeren naar een woongebiedje met 9 nieuwe eengezinswoningen. Voor het transformatieplan van de “ De Vos kavel” is een doorkijk gemaakt naar een mogelijk toekomstige doorontwikkeling van het binnen-gebied, zodat een totaalplan met maximaal 25 woningen ontstaat.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 25

Figuur 10. Toekomstig beoogd beeld

Het hoofdidee bij de ontwikkeling is dat het bestaande bouwblok doorsneden wordt door een nieuwe ontsluitingsstraat met aan weerszijden vrijstaande en twee-onder-een-kap grondgebonden woningen. Figuur 11. Nieuwe situatie plangebied

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 26

Het ontwikkelingsplan van De Vos vormt hier een 1e deel van. Een mogelijke doorontwikkeling is pas aan de orde wanneer de overige eigenaren in het gebied daar het initiatief toe nemen. Evengoed heeft het deelplan “De Vos” voldoende eigen ruimtelijke kwaliteit, met een parkeervoorziening en openbaar groen dat past binnen de geldende eisen. Aan de ontsluitingsweg bevinden zich de benodigde (openbare) parkeerplaatsen, en er wordt voorzien in een centraal “groentje” met plaats voor bomen en een speelplek. Om de ontsluiting met voldoende maat aan te laten sluiten op de Dennenlaan zal de woning Dennenlaan 81 worden gesloopt. Ter compensatie wordt in de bestaande opening tussen de nrs. 77 en 73 een nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd, passend in het karakteristieke korrelige karakter van de Dennenlaan. Alhoewel in het vigerende bestemmingsplan een bouw- en goothoogte van resp. 9 en 4 m van toepassing is, werden in de loop der tijd in de randen van het onderhavige bouwblok diverse vrijstaande of geschakelde bouwvolumes gerealiseerd met afwijkende maten, zoals 2- laagse woningen met kap en 2- laagse woningen met plat dak (Zie bijvoorbeeld Dennenlaan 67,77,83,85,107, Wilgenlaan 182, Kerkhoflaan 70,80,84 en Olmenlaan 84). Doordat de diverse kappen bovendien verschillende nokrichtingen hebben ontstaat een fijnkorrelig en afwisselend straatbeeld.

De nieuwe invulling van het binnengebied sluit hier op aan met vrijstaande en geschakelde losse korrels met kleinschalige kappen en nokken in diverse richtingen. Het nieuwe verkavelingsplan is in overleg met de gemeentelijke afdeling stedenbouw tot stand gekomen.

MOTIVERING BEHOEFTE / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen:  Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;  Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6 van het Bro:  Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 27

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling omvat de realisatie van 9 woningen en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, niet worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Voor wonen geldt namelijk, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Wel dient hierdoor nut en noodzaak aangetoond te worden om te kunnen spreken van goede ruimtelijke ordening. De nut en noodzaak is gebleken uit zowel het provinciale -, regionale – als gemeentelijk beleid. Hieruit blijk het enorme tekort aan woningen in deze regio.

Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing.

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Wet- en regelgeving Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt zes wetten op het gebied van cultureel erfgoed en sorteert hiermee voor op de komende Omgevingswet. Door de wetten te bundelen en een aantal regels te vernieuwen is de wetgeving minder versnipperd. In de Erfgoedwet staat onder andere wat cultureel erfgoed is, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt. De Erfgoedwet gaat over de bescherming van het cultureel erfgoed. Er is ook erfgoed in ruimtelijke ordening (de leefruimte om ons heen). Hoe Nederland daarmee omgaat staat in de Wabo. De erfgoedvisie met uitvoeringsprogramma van de Gemeente Haarlemmermeer voor de periode 2020 - 2030 stelt vast dat erfgoed bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving, de aantrekkelijkheid van de gemeente als bezoeklocatie en aan een aangenaam vestigingsklimaat. De basis van de visie is erfgoed als inspiratie en motor voor nieuwe ontwikkelingen. De archeologienota heeft tot doel een verantwoorde balans te vinden tussen goede omgang met het archeologische erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. In de nota zijn de verhaallijnen met de kernwaarden 'Water en pionieren' en 'Transport en Logistiek' leidend.

Om relevante keuzes te kunnen maken die in lijn zijn met de andere beleidsdoelen die de gemeente zich stelt, zal een integrale afweging plaatsvinden. De volgende speerpunten zijn van belang bij cultuurhistorische en/of archeologische waarden:  het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;  de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie;  de mogelijkheid van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen;  de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. De gemeente is verplicht om verwachte en aanwezige archeologische waarden mee te wegen bij ruimtelijke beslissingen. De wetgever geeft de gemeente de vrijheid om naar eigen inzicht vorm te geven aan de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrens. Deze beleidsnota geeft hier invulling aan.

Mees Ruimte & Milieu | 19078.RO

Pagina | 28

Relatie tot ontwikkeling Archeologie De Dennenlaan valt binnen het gebied met 'Waarde-Archeologie 6 op de archeologisch beleidskaart. Waarde Archeologie 6 betreft gebieden met een lage verwachting op archeologie. Hier hoeft alleen onderzoek te worden verricht als de bodemingreep van flinke omvang is (> 10.000 m2), omdat de trefkans beperkt is en de kosten van het onderzoek dan niet in verhouding zijn. Aangezien de projectlocatie aanzienlijk kleiner is dan 10.000 m2 is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Door de provincie aangewezen aardkundige monumenten en aardkundig waardevolle gebieden komen niet voor in de gemeente Haarlemmermeer. Er bevinden zich daarnaast geen door het rijk, de provincie of de gemeente beschermde archeologische monumenten of cultuurhistorische waarden.

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=3859fd52-c7a4-49a7-b499-c7e27ceafb03