Bijlage 2 - Milieuscan Badhoevedorp van Antea Group
Tekst van het document
Uit het bestemmingsplan Badhoevedorp Schuilhoeve, 2018 (vernietigd) blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt (zowel voormalige als huidige wetgeving) en dat er bovendien geen overschrijdingen van de grenswaarden Wm (nu omgevingswaarden in Bkl) aan de orde zijn. In het kader van de Omgevingswet is het aspect ‘gezondheid’ een nieuw te beoordelen belang. Verwacht wordt dat de GGD hierover kan adviseren. Uit dit advies zullen de gevolgen voor (uitvoerbaarheid) van het plan moeten blijken. Er wordt in eerdere onderzoeken niet direct ingegaan op gevolgen voor de gezondheid in het plangebied, echter is dit wel indirect beschouwd in het kader van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Waarschijnlijk zal het onderzoek nog wel moeten worden geactualiseerd (actuele verkeersgegevens, andere zichtjaren) en ieder geval moeten worden aangevuld met inzicht en beschouwing van effecten voor de gezondheid en afweging in dit kader.
25 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
Trillingen Wettelijk kader In het Bkl zijn voorschriften voor trillingen door activiteiten op voor trillingen gevoelige gebouwen (waaronder woningen) opgenomen (paragraaf 5.1.4.4). De activiteiten verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn hierop uitgezonderd (artikel 5.79 lid 2d). Daarnaast kan vanuit optiek van evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet) en beoordeling van effecten op woon-/ leefkwaliteit en gezondheid noodzaak zijn om breder naar trillingen en hinderbeleving te kijken dan bovengenoemde kaders uit het Bkl. Tenslotte zijn er regels voor trillingen opgenomen voor bouwwerkzaamheden in het Bbl.
Beoordeling Onder de Wro (voormalige wetgeving) was er geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat trillingsgevoelige functies definieert. Bescherming ging via de Wro/Wabo (onder invulling van een "goede ruimtelijke ordening"). Voor rond het plangebied liggende wegen en spoor gelden op grond van het Bkl geen wettelijke eisen. Vanuit optiek van evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan het noodzaak zijn om aandacht te hebben voor verwachte trillingen van deze bronnen op het plangebied. Gezien de afstand tot het spoor is het voldoende aannemelijk dat geen sprake is van significant effect vanwege trillingen door het spoor. Ook voor omliggende wegen is, gezien de afstand ervan, geen aanleiding voor significant effect. Mogelijk dat er in de realisatie nog wel aandacht voor trillingen nodig is (heien, bouwverkeer). Ten gevolge van aan grondgeluid gebonden activiteiten kunnen trillingen in de beoogde woningen niet worden uitgesloten. TNO heeft onderzoek gedaan naar trillingen als gevolg van grondgeluid. Het moet worden vastgesteld in hoeverre aan de normstelling (artikel 5.78a) in 26 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
het Bkl (vliegverkeer wordt niet uitgezonderd) kan worden voldaan. En zo niet welke mogelijkheden er zijn om alsnog te voldoen. De uitkomsten van dit onderzoek zullen mede bepalen wat de gevolgen voor de ontwikkeling zijn (uitvoerbaarheid).
27 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
Geur Wettelijk kader (1/2) In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit is een invulling van een plicht die al geldt vanuit de Omgevingswet. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
Wettelijk kader (2/2) Bij het bepalen of de gemeente regels in het omgevingsplan vastlegt (en zo ja, welke), spelen de volgende aspecten een rol: • bestaande toetsingskaders, zoals het lokaal geurbeleid • geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen en locaties • aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt van de activiteit • historie van het bedrijf en het klachtenpatroon • bestaande en verwachte geurhinder van die activiteit • kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels 28 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
Beoordeling Uit de toelichting van het bestemmingsplan Badhoevedorp Schuilhoeve, 2018 (vernietigd) volgt dat uit eerder uitgevoerd onderzoek blijkt dat het plangebied volledig binnen de 0,5 ouE/m3 contour ligt van Schiphol (kerosinegeur), net als geheel Badhoevedorp. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een toename van de gevoelige bestemmingen binnen de contour en daarmee in potentie tot een toename van het aantal gehinderden. In de toelichting wordt aanbevolen om bij de verkoop van de woningen te communiceren over de mogelijke hinder door kerosinegeur. Daarmee werd het aspect geur niet als een belemmering geacht onder de voormalige wetgeving (Wet milieubeheer). Onder de Omgevingswet dient voldoende invulling te worden gegeven aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Er zijn nog geen uitspraken geweest hoe om te gaan met dit aspect onder de Omgevingswet. Geadviseerd wordt gerichter te onderzoeken wat de geurbelasting binnen het plangebied betreft en wat dit betekent voor het extra aantal gehinderden en hiermee samenhangende gevolgen voor de gezondheid. In het kader van de Omgevingswet is het aspect ‘gezondheid’ een nieuw te beoordelen belang. Verwacht wordt dat de GGD hierover kan adviseren.
Uit dit advies zullen de gevolgen voor (uitvoerbaarheid) van het plan moeten blijken.
29 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
Lichthinder Wettelijk kader In Nederland bestaat er geen overkoepelende wet over lichthinder zoals er wel is in het kader van geluid. Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Kunstmatige verlichting kan 4 soorten negatieve effecten veroorzaken. Het gaat daarbij om hinder voor de mens, hinder langs wegen, verstoring van de natuur en horizonvervuiling. De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting.
Beoordeling Het plangebied ligt in stedelijk gebied dat van zichzelf matig tot veel lichtemissie heeft. Aan de zuidoostkant van het plangebied zijn knooppunt Badhoevedorp en Schiphol gelegen. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor de hogere lichtemissie aan de die kant van het plangebied. De herontwikkeling en toevoeging van woningen zorgen niet voor een toename aan verlichting. Derhalve is onderzoek niet nodig. Daarbij zorgt de ontwikkeling ervoor dat de huidige sportvelden met bijhorende lichtmasten zullen verdwijnen. Dit zorgt voor een verwachte verbeterde situatie voor omwonenden.
30 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
Wateroverlast Wettelijk kader Klimaatadaptatiemaatregelen vallen onder het brede criterium van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies volgens de Omgevingswet. Door klimaatverandering neemt het aantal extreme buien toe, zowel in aantal als intensiteit. Het zal dus steeds vaker, steeds harder regenen in Nederland. Bovendien wordt open grond in steeds meer verhard door stenen en gebouwen. Dit brengt risico's met zich mee. Het overtollige regenwater kan niet verwerkt worden, waardoor de kans op wateroverlast stijgt. Dit bedreigt ons comfort en onze veiligheid en leidt tot materiële en immateriële schade. Om de kwetsbaarheid en risico’s voor wateroverlast van de beoogde situatie te beoordelen, zijn de waterdiepte bij kort heftige buien met een kans van 1 in de 100 jaar én met een kans van 1 in de 1.000 jaar inzichtelijk gebracht. De informatie is gebaseerd op open source gegevens vanuit de klimaateffectatlas.nl. De kaarten uit de atlas zijn bedoeld om een gevoel te krijgen bij de orde van grootte van klimaateffecten. Voor een diepere en uitgebreidere analyse dient nader onderzoek gedaan te worden.
Beoordeling Het plangebied is momenteel grotendeels groen en deels verhard/bebouwd. Ten gevolge van het voornemen neemt het aandeel verharding naar verwachting toe in het plangebied. Om een indicatie te geven van kwetsbaarheid en risico's voor wateroverlast is de waterdiepte bij kort heftige buien in beeld gebracht. Er valt een aantal zaken op. Voornamelijk de locaties waar in de huidige situatie verharding is (zoals de parkeerplaats), komt de waterdiepte (mogelijk) meer dan 30 cm te staan. Dit geldt voornamelijk bij intense neerslag die onder het huidige klimaat circa 1 keer in de 1000 jaar voorkomt. Geadviseerd wordt om bij de planontwikkeling hiermee rekening te houden.
31 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
Hittestress Wettelijk kader Klimaatadaptatiemaatregelen vallen onder het brede criterium van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies volgens de Omgevingswet. Het wordt warmer in Nederland. Het aantal tropische dagen en nachten, met een maximumtemperaturen van boven de 30 respectievelijk 20 graden, neemt toe. Bovendien warmt stedelijk gebied sneller op dan de omgeving, vanwege de hoeveelheid verhard oppervlak. Dit maakt dat het stedelijk gebied op een tropische dag tot 7 graden warmer kan zijn dan het buitengebied. Dit heeft negatieve gevolgen voor de gezondheid, de arbeidsproductiviteit en het comfort van mensen. Tevens hebben hete dagen negatieve effecten op de infrastructuur zoals bruggen, spoorrails en elektriciteitshuisjes en de drinkwaterlevering. Voor onderhavig onderzoek is de informatie gebaseerd op open source gegevens vanuit de klimaateffectatlas.nl. Daarbij wordt gekeken naar het aantal tropische dagen en het stedelijk hitte eiland effect om een inschatting te maken van de (mogelijk) hittestress binnen het plangebied. De kaarten uit de atlas zijn bedoeld om een gevoel te krijgen bij de orde van grootte van klimaateffecten. Voor een diepere en uitgebreidere analyse dient nader onderzoek gedaan te worden.
Beoordeling Het plangebied is momenteel grotendeels groen en deels verhard/bebouwd. Op dit moment is het aantal tropische dagen laag. Het stedelijk hitte eiland effect is tevens aan de lage kant. Dit komt voornamelijk doordat het plangebied deels onbebouwd is en er water aanwezig is. De ontwikkeling in het plangebied betekent een toename aan stenen en verharding. Naar verwachting zal daardoor een versterkend effect optreden op het aantal tropische dagen en het stedelijke hitte eiland effect. Gezien de verwachte toename aan verharding wordt geadviseerd dit aspect mee te nemen in de planontwikkeling.
32 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
Droogtestress Wettelijk kader Klimaatadaptatiemaatregelen vallen onder het brede criterium van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies volgens de Omgevingswet. Door het veranderde klimaat neemt de kans op langdurige droge periodes doe. Dit neerslagtekort heeft gevolgen voor de landbouw, het openbaar groen en de bodemgesteldheid. Naast de hoeveelheid water neemt ook de waterkwaliteit af. Dit uit zich in productieverlies, sterfte van bomen en een vergrote kans op natuurbranden. Bovendien neemt door de lage grondwaterstanden de kans op zettingen van de bodem toe. Met name bij ongelijkmatige zettingen kan dit grote gevolgen hebben voor de fundering van gebouwen en de infrastructuur, zoals wegen en riolen. Voor onderhavig onderzoek is de informatie gebaseerd op open source gegevens vanuit de klimaateffectatlas.nl. Daarbij wordt gekeken naar bodemdaling van heden tot 2050 en naar grondwaterstand bij extreem droge zomers om een inschatting te maken van de (mogelijk) droogte binnen het plangebied. De kaarten uit de atlas zijn bedoeld om een gevoel te krijgen bij de orde van grootte van klimaateffecten. Voor een diepere en uitgebreidere analyse dient nader onderzoek gedaan te worden.
Beoordeling Het plangebied is momenteel grotendeels groen en deels verhard/bebouwd. Ten gevolge van het voornemen neemt het aandeel verharding naar verwachting toe in het plangebied. Als gevolg van een lage grondwaterstand kunnen verzakkingen en beschadigingen plaatsvinden aan gebouwen en infrastructuur. De grondwaterstand in het plangebied kan in extreem droge zomers zakken tussen de 1,5 en 2 meter beneden maaiveld. Er is geen sprake van een bodemdaling binnen het plangebied. Geadviseerd wordt om deze aspecten mee te nemen in de planontwikkeling.
33 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
Overstromingsrisico Wettelijk kader Klimaatadaptatiemaatregelen vallen onder het brede criterium van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies volgens de Omgevingswet. In het Deltaplan Waterveiligheid staan alle onderzoeken, maatregelen en voorzieningen om Nederland te beschermen tegen overstromingen. In specifieke situaties, bijvoorbeeld waar dijkversterking heel duur of maatschappelijk zeer ingrijpend is, zijn ‘slimme combinaties’ met ruimtelijke inrichting en/of rampenbestrijding mogelijk om het beschermingsniveau te behalen. In dit programma werken gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en de betrokken ministeries in Veiligheidsregio’s samen om te komen tot plannen voor het beheersen van een crisis als gevolg van een overstroming, waaronder ook de inzet en beschikbaarheid van wegen. Voor onderhavig onderzoek is de informatie gebaseerd op open source gegevens vanuit de klimaateffectatlas.nl. Daarbij wordt gekeken naar overstromingsdiepte ten gevolge van primaire of regionale keringen en de plaatsgebonden overstromingskans in 2050 dat water circa 20 cm hoog komt te staan. De kaarten uit de atlas zijn bedoeld om een gevoel te krijgen bij de orde grootte van klimaateffecten. Voor een diepere en uitgebreidere analyse dient nader onderzoek gedaan te worden.
Beoordeling Het plangebied (rode contour) ligt niet in de buurt van grote rivieren. Er is geen kans op overstroming ten gevolge van het falen van een waterkering. Daarnaast is voor het plangebied de plaatsgebonden overstromingskans met water tot 20 cm beschouwd. Dit is de kans dat een overstroming zich voordoet én vervolgens water in het plangebied tot 20 cm hoog staat. Voor het plangebied is er een kleine overstromingskans. Aanbevolen wordt om dit mee te nemen in de ontwikkeling.
34 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
Vervolg Disclaimer •
•
•
De werkwijze van de milieuscan voldoet niet aan protocollen en/of richtlijnen die eventueel van toepassing zijn op gebiedsonderzoeken die dienen te worden aangeleverd voor een planologische procedure (bijvoorbeeld een omgevingsplan). Het vorenstaande betekent dat Antea Group op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Antea Group uitgevoerde milieuscan neemt. In een voorkomend geval adviseren wij u altijd contact op te nemen met uw aanspreekpunt binnen Antea Group; We merken op dat de voor de milieuscan geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Antea Group kan niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde informatie.
Conclusie Naar aanleiding van het voornemen hebben wij voor u een milieuscan uitgevoerd waarin de belangrijkste milieuaspecten aan bod zijn gekomen. Daarin hebben wij onderscheid gemaakt in de mate van onderzoek wat naar verwachting nodig is en in hoeverre het milieuaspect planvormend is. Met andere woorden of het milieuaspect mogelijk invloed heeft op aard en uitwerking van de ontwikkeling. Er is hierbij uitgegaan van open source data en waar nodig zijn de resultaten van de onderzoeken zoals beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan Badhoevedorp Schuilhoeve, 2018 (vernietigd) beschouwd. Uit de milieuscan komt naar voren dat met name de aspecten geluid, trillingen, geur en luchtkwaliteit grote aandachtspunten zijn. Deze aspecten zijn reeds beoordeeld als ‘-‘, een mogelijke showstopper. Echter is er een risico dat later in het proces blijkt dat deze aspecten een harde showstopper zijn. In vergelijking met de afgelopen jaren blijven de aspecten 35 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
geluid, trillingen, geur en luchtkwaliteit een groot aandachtspunt voor de planontwikkeling. Daarbij is er een aantal veranderingen bij de Omgevingswet. Voor het aspect geluid zal bijvoorbeeld van het gezamenlijk geluid moeten worden uitgegaan (= optelsom van geluidbronnen zonder toepassing van weging) om te waarborgen dat het geluidniveau in de woningen niet hoger is dan 33 dB. Bij meerdere bronnen is de toetsing van het geluid in de woningen strenger doordat het gezamenlijke geluid daarbij wordt gebruikt en niet een individuele bron. In het kader van de Omgevingswet zal moeten worden beoordeeld of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet) en beoordeling van effecten op woon-/ leefkwaliteit en gezondheid. Gezondheidsaspecten zullen dan integraal afgewogen moeten worden. In het kader van de Omgevingswet dient de gezonde fysieke leefomgeving meegenomen te worden in de overweging. Overheden moeten bij het ontwikkelen van gebieden zo vroeg mogelijk nadenken over het realiseren van een gezonde fysieke leefomgeving. Zij hebben de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsdoelstellingen vast te stellen en uitwerken in verschillende instrumenten van de Omgevingswet (bijvoorbeeld in de Omgevingsvisie). Vooral het aspect gezondheid is een groot aandachtspunt/issue.
Dit moet in een gezamenlijk perspectief bekeken worden onder de Omgevingswet. Vanuit de optiek van evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet) en beoordeling van effecten op woon-/ leefkwaliteit en gezondheid kan er de noodzaak zijn om breder naar de aspecten te kijken dan de kaders uit de Omgevingswet. Dit is afhankelijk van bijvoorbeeld nieuwe jurisprudentie. We zijn hierover met u in gesprek gegaan over eventuele vervolgstappen. Opgemerkt dient te worden dat uit de nadere onderzoeken mogelijk ook kaders komen die planvormend zijn. Vanuit wet- en regelgeving en beleid kunnen eveneens kaders volgen.
36 Samenvattingstabel
Milieuscan projectnummer 0487732.100 12 maart 2024 revisie 03 Gemeente Haarlemmermeer
Bijlage 1
37 Samenvattingstabel
Milieuscan ecologie Badhoevedorp
projectnummer 0487732 def revisie 1 11 september 2023
www.anteagroup.nl
Milieuscan ecologie Badhoevedorp projectnummer 0487732.100 definitief revisie 01 11 september 2023
Auteurs R. Keizer
Opdrachtgever Gemeente Haarlemmermeer Raadhuisplein 1 2132 TX HOOFDDORP
Gecontroleerd S. Rinzema
Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
datum 6august023
beschrijving definitief
vrijgave
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding & planvoornemen Doel Leeswijzer
4 4 4
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling
5
2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.4 2.5 2.6 2.7
Gebiedsbeschrijving: resultaat verkenning Street view/ kaartmateriaal Effectbepaling voornemen Soortbescherming Afbakening relevante soortgroepen Vogels Zoogdieren – vleermuizen Zoogdieren – overige zoogdieren Amfibieën Zorgplicht Natura 2000 Natuur Netwerk Nederland (NNN) Overig provinciaal beleid Noord-Holland Beschermde houtopstanden Wnb
5 6 6 6 6 12 16 18 19 20 21 22 23
3.
Conclusie & advies
25
3.1.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3
Zorgplicht Gebiedsbescherming Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden Wnb
27 27 27 27 28 28
Literatuurlijst
29
Bijlage 1 Wettelijk kader
31
Bijlage 2 Methodiek natuurtoets/ milieuscan ecologie
40
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding & planvoornemen De gemeente Haarlemmermeer heeft aan Antea Group gevraagd een haalbaarheidsstudie te doen naar woningbouwontwikkeling in het plangebied Schuilhoeve te Badhoevedorp (figuur 1.1). De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van ca. 700 woningen. In deze milieuscan ecologie wordt bekeken welke beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming (mogelijk) aanwezig zijn en welk effect dit kan hebben op voorgenomen ontwikkeling. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1. Globale ligging van het plangebied (rood gekleurd) ten opzichte van de omgeving (Antea Group, 2023)
1.2
Doel Het doel van deze milieuscan ecologie is om een goed beeld te krijgen van de (beschermde) natuurwaarden die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van een bureaustudie. Op basis hiervan wordt getoetst of in het kader van de Wnb als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.3
Leeswijzer De milieuscan ecologie is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de milieuscan ecologie en voorgenomen ontwikkeling; Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied en toetst de (in de omgeving) aanwezige beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden aan de natuurwetgeving en overige beleidskaders; Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en advies over de te nemen vervolgstappen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven. In bijlage 2 wordt de methodiek van voorliggende milieuscan ecologie beschreven.
blad 4 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling In paragraaf 2.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2 de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 wordt respectievelijk ingegaan op de aanwezigheid van en toetsing aan de Wnb van beschermde soorten, Natura 2000-gebieden, NNN, overig provinciaal beleid van de provincie Noord-Holland en beschermde houtopstanden. In paragraaf 2.8 worden kansen voor het verhogen van de natuurwaarden in het plangebied uiteengezet. Indien blijkt dat een onderdeel van paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 niet relevant is voor voorliggend planvoornemen, vindt er geen toetsing van het voornemen aan de Wnb (of ander relevant beleidskader) van dat onderdeel plaats.
2.1
Gebiedsbeschrijving: resultaat verkenning Street view/ kaartmateriaal Het plangebied is niet fysiek bezocht. Normaliter wordt er een veldbezoek aan het plangebied gebracht waarbij het terrein te voet geïnspecteerd wordt. Bomen worden dan met een verrekijker geïnspecteerd op de aanwezigheid van holtes, scheuren en grote nesten. Gebouwen worden met een verrekijker geïnspecteerd op aanwezigheid vogels en nesten en invliegopeningen voor vleermuizen. Daarnaast wordt de aanwezigheid van vogels, flora en (sporen van) fauna onderzocht en indien mogelijk (fotografisch) gedocumenteerd. Aangezien er geen veldbezoek kon plaatsvinden is met behulp van luchtfoto’s (Street Smart, 2022) en Google Street View (opnamedata juni 2018, november 2021 en april 2023) een zo goed mogelijke inschatting van mogelijk aanwezige biotopen en beschermde soorten gemaakt.
Figuur 2.1. Luchtfotokaart plangebied Schuilhoeve (rood omkaderd) (Street Smart, 2022)
Het plangebied Schuilhoeve bestaat voor een groot deel uit door bomenrijen en houtsingels omzoomde sportvelden ten zuidwesten van het oude tracé van de A9. Ten noorden van dit tracé ligt een watergang de Kromme Tocht met aansluitend een groene parkachtige strook langs de Groenezoom. In de uiterste westhoek liggen enkele gebouwen en woonhuizen (Lindberghstraat). Op het sportveldencomplex staan een aantal sportverenigingsgebouwen (clubhuis, kantine, kleedkamers). Langs de Rijstvogelstraat staan een leegstaand bedrijfspand en enkele woningen binnen het plangebied (zie luchtfoto figuur 2.1).
blad 5 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
2.2
Effectbepaling voornemen Het is nog niet precies duidelijk welke activiteiten waar precies uitgevoerd gaan worden. Het planvoornemen gaat uit van de ontwikkeling van een nieuwe woningbouwlocatie van ca. 700 woningen. De volgende activiteiten vinden (mogelijk) plaats als gevolg van dit planvoornemen die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: Bomen kunnen worden gekapt; Opgaande vegetatie wordt mogelijk verwijderd; De aanwezige bebouwing wordt mogelijk gesloopt; Er worden wegen aangepast of aangelegd; Er worden nieuwe woningen gebouwd; Terrein wordt geëgaliseerd; Er wordt (tijdelijke) verlichting geplaatst; Er is sprake van geluidsverstoring/optische verstoring gedurende de werkzaamheden.
2.3
Soortbescherming In de onderstaande paragrafen worden per soortgroep de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Indien soortgroepen op basis hiervan op voorhand kunnen worden uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop, zijn deze soortgroepen vermeld in paragraaf 2.3.1. Op basis van het bureauonderzoek wordt ingegaan op de mogelijk effecten die als gevolg van het planvoornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten kunnen optreden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd over de te nemen vervolgstappen.
2.3.1
Afbakening relevante soortgroepen Op basis van de bureaustudie en Street View lijkt de aanwezigheid van meerdere soortgroepen te kunnen worden uitgesloten. Gezien de afwezigheid van (geschikt) open (voortplantings)water in (de directe omgeving van) het plangebied én het bekende verspreidingsgebied lijkt de aanwezigheid van beschermde vissen, reptielen, kreeftachtigen, weekdieren, insecten en vaatplanten, varens en bladmossen in het plangebied uitgesloten te kunnen worden. Dit kan echter niet 100% afgedicht worden omdat er geen terreinbezoek heeft plaatsgevonden. Aanwezigheid van de overige soortgroepen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soortgroepen worden in de hiernavolgende paragrafen nader beschouwd.
2.3.2
Vogels Soorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4 ) Van een aantal vogelsoorten zijn de broedplaatsen jaarrond beschermd. Bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats van deze soorten dient altijd een ontheffing aangevraagd te worden. Dit zijn de zogenoemde categorie 1 tot en met 4-vogelsoorten (zie tabel 2.1). De categorieën zijn als volgt verklaard: Tabel 2.1. Verklaring categorieën van vogels met een jaarrond beschermd nest(locatie).
Categorie 1
Omschrijving Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
blad 6 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
2
3
4
Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).
In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.2. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Categorie Buizerd
4
Gierzwaluw
2
Grote gele kwikstaart
3
Havik
4
Huismus
2
Kerkuil
3
Ooievaar
3
Ransuil
4
Slechtvalk
3
Sperwer
4
Wespendief
4
Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal vogelsoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats, alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving, altijd ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (zoals buizerd, ransuil en sperwer), gebouwbroedende soorten (zoals huismus en gierzwaluw) en overige soorten (zoals grote gele kwikstaart). Tijdens de bureaustudie zijn met Street View de houtsingels en bomen in (de directe omgeving van) het plangebied zo goed als mogelijk bekeken. Daarbij werd minimaal één groot (takken)nest in de bomen langs de Schipholweg aangetroffen, dat zou kunnen toebehoren aan boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest (zoals buizerd, ransuil of sperwer). Daarnaast werden een aantal groenblijvende bomen (conifeer en/of grove den) aangetroffen langs de Lindberghstraat en Groenezoom (zie figuur 2.2). Van de ransuil en sperwer zijn nestindicerende waarnemingen of jongen bekend uit de directe omgeving van het plangebied (NDFF, 2023). De buizerd komt algemeen voor in de directe nabijheid van het plangebied.
De aanwezigheid van nestplaatsen van deze boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest of verblijfplaats (roestplaats) kan in (de directe omgeving van) het plangebied daarom niet op voorhand worden uitgesloten. De waarnemingen van de soorten havik en wespendief hebben betrekking op overvliegende exemplaren (NDFF, 2023) zonder binding met het plangebied. Vanwege ontbrekend geschikt broedbiotoop en de
blad 7 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
verstoringsgevoeligheid van deze soorten kunnen nestplaatsen van deze soorten binnen of in de directe nabijheid van het plangebied uitgesloten worden.
Figuur 2.2. Boven: Nest in houtsingel Schipholweg, onder potentiële (groenblijvende) nest/roestbomen (Bron: Google Street View).
blad 8 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
In het plangebied (en de directe omgeving) is bebouwing aanwezig. De daken van de sportverenigingen, garageloods en bedrijfsgebouwen zijn niet bedekt met dakpannen maar met plat bitumen dak. Dergelijke bebouwing is ongeschikt voor gebouwbroedende soorten, zoals de huismus en gierzwaluw. Aan de Lindberghstraat en Rijstvogelstraat staan echter ook een aantal (rijtjes)woningen met pannendaken welke potentieel geschikt zijn voor gebouwbroedende soorten (zie figuur 2.3). Hierdoor kunnen nestlocaties van de huismus en gierzwaluw in (de directe omgeving van) het plangebied niet worden uitgesloten. Tevens kunnen essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving voor de huismus binnen het plangebied voorkomen, waaronder de dichte houtsingels en bosschages rondom de sportvelden en de Groenezoom, welke kunnen dienen als schuil/overnachtings- en winterverblijfplaats.
Figuur 2.3. Rijtjeswoningen met pannendaken en open stootvoegen in plangebied (Bron: Google Street View)
Geschikt broedbiotoop voor de grote gele kwikstaart (nabij stromend water of nissen onder bruggen), slechtvalk (o.a. hoge (flat)gebouwen), ooievaar (nestpalen) en kerkuil (boerderijen/ schuren of nestkasten) kunnen zonder terreinbezoek niet met zekerheid worden uitgesloten.
blad 9 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
Concluderend kan de aanwezigheid van nestplaatsen en essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de boombroedende buizerd, ransuil en sperwer en gebouwbroedende soorten huismus en gierzwaluw in (de directe omgeving van) het plangebied niet worden uitgesloten. Nestplaatsen en essentieel leefgebied van overige soorten met een jaarrond beschermd nest in (de directe omgeving van) het plangebied (grote gele kwikstaart, ooievaar, slechtvalk, kerkuil) kunnen pas met zekerheid worden uitgesloten na een aanvullend terreinbezoek. De buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil en sperwer vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), welke is verwerkt in de Wnb. Indien er nestplaatsen van deze soorten aanwezig zijn, kunnen deze verloren gaan als gevolg van de eventuele kap van bomen of sloop van woningen bij de voorgenomen ontwikkeling. Dit is in overtreding met de gestelde verbodsbepalingen uit de Wnb. Indien bestaande houtsingels, bomen en bosschages gekapt gaan worden en/of woningen gesloopt gaan worden, dient om overtreding van de Wnb te voorkomen, de aan- of afwezigheid van deze soorten te worden vastgesteld middels nader onderzoek.
Voor de soorten grote gele kwikstaart, slechtvalk, ooievaar en kerkuil dient eerst een nader terreinbezoek plaats te vinden om te kunnen concluderen of er geschikte nestplaatsen en/of leefgebied aanwezig is in de (directe omgeving van) het plangebied. Het nader onderzoek naar de buizerd dient uitgevoerd te worden conform het Kennisdocument Buizerd (BIJ12, 2017a). De aanwezigheid van een nest- of rustplaats van een buizerd kan worden aangetoond door het uitvoeren van twee tot vier gerichte veldbezoeken na zonsopkomst in de periode maart tot en met half mei met tussenpozen van minimaal 10 dagen. Het aantonen van aanwezigheid in bosgebieden vraagt over het algemeen meer inspanning dan aanwezigheid in open landschappen. Het nader onderzoek naar gierzwaluw dient uitgevoerd te worden conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2023b). De aan/afwezigheid van nestplaatsen van de gierzwaluw kan worden aangetoond door het uitvoeren van 3 gerichte veldbezoeken in de periode 1 juni-15 juli, waarbij tussen eerste en laatste bezoek minimaal 10 dagen moeten zitten. Daarnaast dient minimaal één van de bezoeken voor en één bezoek na 1 juli te worden uitgevoerd. De bezoeken hebben een tijdsinspanning van 2 uur (tussen 1,5 uur voor zonsondergang tot 0,5 uur na zonsondergang) bij gunstige weersomstandigheden.
Het nader onderzoek naar de huismus dient uitgevoerd te worden conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023a). De aan/afwezigheid van nestplaatsen van de huismus kan worden aangetoond door het uitvoeren van 2 gerichte veldbezoeken in de optimale periode 1 april-15 mei, of 3 gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart-20 juni waarbij in elk geval 1 bezoek in de optimale periode. Tussen de bezoeken moeten minimaal 10 dagen zitten. De bezoeken hebben een tijdsinspanning van minimaal 1 uur bij gunstige weersomstandigheden en bij voorkeur enkele uren na zonsopkomst. Voor de sperwer kan het nader onderzoek uitgevoerd worden op basis van de telrichtlijnen van Sovon. Het aantonen van een broedgeval kan met 3-4 veldbezoeken tussen de datumgrenzen 25 februari en 10 juli. Het nader onderzoek naar de ransuil kan uitgevoerd worden op basis van de telrichtlijnen van Sovon. Het aantonen van een broedgeval kan tussen de datumgrenzen 15 februari en 15 juli.
Vervolgstappen Wanneer houtopstanden gekapt worden en/of gebouwen gesloopt, is om de aan- of afwezigheid van de buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil en sperwer aan te kunnen tonen, nader onderzoek noodzakelijk. Voor de buizerd bestaat dit nader onderzoek uit twee tot vier gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot en met 15 mei. Voor de gierzwaluw bestaat het nader onderzoek uit 3 gerichte veldbezoeken tussen 1 juni en 15 juli. Voor de huismus uit 2 of 3 bezoeken tussen 1 april-15 mei resp. 10 maart-20 juni. Voor de ransuil bestaat het nader onderzoek uit 3 tot 4 gerichte bezoeken in de periode half februari-half juli. Voor de sperwer bestaat het nader onderzoek uit 3 tot 4 gerichte veldbezoeken in de periode 25 februari -10 juli. Nader veldbezoek is noodzakelijk om nestplaatsen/ leefgebied van grote gele kwikstaart, slechtvalk, ooievaar en kerkuil te kunnen beoordelen
blad 10 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
Soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5) Voor catagorie 5 vogels gelden in principe de verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming uitsluitend tijdens het broedseizoen. Het betreffen nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Alleen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden rechtvaardigen een jaarronde bescherming van het nest of de nestlocatie. In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven.
Tabel 2.3. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1km) die in het NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 2018-2023). Soort Categorie Blauwe reiger Boerenzwaluw Boomklever Boomkruiper Bosuil Ekster Gekraagde roodstaart Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Huiszwaluw IJsvogel Koolmees Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Spreeuw Tapuit Torenvalk Zwarte kraai Zwarte roodstaart
5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5
Nesten van de categorie 5 vogelsoorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Van het binnen het plangebied aanwezige biotoop zijn in de omgeving ruimschoots voldoende en vergelijkbare biotopen aanwezig. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten en ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. Algemene broedvogels In het plangebied zijn algemene broedvogels waargenomen (NDFF, 2023). Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wnb (artikel 3.1). Indien nesten aanwezig zijn, mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele kap- en sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot
blad 11 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
en met juli1) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wnb aan de orde. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied, kunnen locatie-specifieke maatregelen worden voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is.
2.3.3
Zoogdieren – vleermuizen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.4 Overzicht van waargenomen vleermuizen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Wnb) Gewone dwergvleermuis X Laatvlieger X Rosse vleermuis X Ruige dwergvleermuis X
Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Foerageergebieden en vliegroutes zijn alleen beschermd als deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van de verblijfplaats, zogenaamde essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes. Deze drie onderdelen (verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) worden hieronder nader beschouwd. Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. In het plangebied is bebouwing aanwezig in de vorm van panden van de sportverenigingen, kantoorpanden en enkele woningen. Daarnaast zijn enkele (garage)loodsen aanwezig. Aangezien er geen veldbezoek heeft plaatsgevonden zijn de gebouwen niet gecontroleerd op verblijfsporen van vleermuizen (uitwerpselen). Middels Street View is gekeken of de aanwezige gebouwen in (de nabijheid van) het plangebied toegankelijk zijn voor vleermuizen middels aanwezigheid kieren, boeiborden, gevelbetimmering of open stootvoegen.
Zowel de sportlocaties als bedrijfspanden als woningen in het plangebied bevatten invliegopeningen voor gebouwbewonende vleermuizen in de vorm van boeiborden, daklijsten of open stootvoegen (zie figuur 2.3 en 2.4). De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (o.a. gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis) kan derhalve niet uitgesloten worden.
1
Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.
blad 12 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
Figuur 2.4. Gebouw Sportcombinatie Pancratius (boven) en bedrijfspand Schipholweg (onder) met potentiële inkruipopeningen vleermuizen onder boeibord en stootvoegen (Bron: Google Street View).
In het plangebied zijn veel grote en dikke bomen aanwezig met name in de houtsingels rond de sportvelden en in de parkachtige omgeving bij de Kromme Tocht en Groenezoom (zie figuur 2.5). Omdat er geen veldbezoek is uitgevoerd zijn de bomen niet geïnspecteerd op aanwezigheid van holtes, scheuren of loszittende bast waarin vleermuizen een verblijfplaats kunnen hebben. Gezien de afmeting en leeftijd van de bomen en de aanwezigheid van holtebroedende vogelsoorten zoals spechten, boomklever, bosuil (NDFF, 2023) kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten (o.a rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis) derhalve niet uitgesloten worden.
blad 13 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
Figuur 2.5. Potentiële verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen (boven: dikke bomen park Groenezoom), onder dikke bomen met grove schors en gekandelaberde bomen Kromme Tocht thv Rijstvogelstraat). Bron: Google Street View
Alle soorten vleermuizen zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5). De bebouwing in het plangebied kan als verblijfplaats dienen voor gebouwbewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis). De houtsingels bij de sportvelden en het parkachtige gebied met grote bomen langs de Kromme Tocht en Groenezoom bevatten waarschijnlijk natuurlijke holtes, spleten en loshangende schors welke kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis). Als gevolg van de voorgenomen woningbouwontwikkeling kan het zijn dat bomen worden gekapt en gebouwen worden gesloopt waarbij deze mogelijke verblijfplaatsen vernield kunnen worden. Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. Om het gebruik van de bebouwing, de houtsingels en de bomen langs de Kromme Tocht en Groenezoom als verblijfplaats door vleermuizen al dan niet vast te kunnen stellen, is allereerst een aanvullend veldbezoek nodig. Hierin kan het aantal potentiële verblijfplaatsen in gebouwen en bomen nader bepaald worden. Mocht uit het veldbezoek blijken dat er daadwerkelijk gebouwen en/of bomen geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen, dan is voor deze locaties nader onderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk.
Vleermuizen gebruiken hun verblijfplaats door het jaar heen op verschillende manieren. Daarom is het nodig om het plangebied meerdere malen (minimaal vijf keer) verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober) te bezoeken voor het vleermuisonderzoek. Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) aan te kunnen tonen, is eerst een nader veldbezoek nodig. Hierna is nader onderzoek conform het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk. Dit onderzoek bestaat uit minimaal vijf bezoeken verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober) (Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, BIJ12, 2017b).
blad 14 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
Essentiële vliegroutes Vliegroutes van vleermuizen betreffen (vaak) lijnvormige elementen in het landschap die als verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebied fungeren. De houtsingels en bomenrijen langs de sportvelden en de Schipholweg vormen een raamwerk van groene structuren (figuur 2.6). Ook de Kromme Tocht met begeleidende beplanting vormt een lijnvormig element dat uitermate geschikt is als vliegroute voor vleermuizen.
Figuur 2.6. Potentiële (essentiële) vliegroutes vleermuizen in plangebied
Door de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied (mogelijke kap bomen, toename bebouwing) kunnen de potentiële vliegroutes langs de houtsingels en langs de Kromme Tocht aangetast worden. Ook indien er extra lichtuitstraling op de vliegroutes plaatsvindt is er sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5). Indien er delen van de houtsingels langs de sportvelden of beplanting langs de Kromme Tocht verwijderd gaan worden, dient nader onderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol plaats te vinden om de functie van deze elementen inzichtelijk te maken. Bij het onderzoek naar vliegroutes dient het plangebied minstens 2 keer bezocht te worden in de periode van 15 mei – 15 augustus, waarbij één keer in de kraamperiode (15 mei-15 juli) en eventueel één keer in de ochtend. Dit kan gecombineerd worden met het onderzoek naar verblijfplaatsen. Vervolgstappen Om het gebruik van de houtsingels rondom de sportvelden en de Kromme Tocht als vliegroute voor vleermuizen in kaart te brengen is nader onderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk. Bij het onderzoek naar vliegroutes dient het plangebied minstens 2 keer bezocht te worden in de periode van 15 mei – 15 augustus, waarbij één keer in de kraamperiode (15 mei-15 juli) en eventueel één keer in de ochtend.
Essentieel foerageergebied Foerageergebied van vleermuizen betreft locaties waar vleermuizen hun voedsel verzamelen. Dit kunnen uiteenlopende gebieden zijn. In het plangebied is veel geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. Er is sprake van gevarieerde, structuurrijke landschapselementen met overgangen naar graslanden en begroeide oeverzones en watergangen. Daarnaast zijn veel geleidende structuren (o.a. houtsingels) aanwezig. Afhankelijk van de hoeveelheid te verwijderen houtsingels en bomen in de voorgenomen ontwikkeling blijft er mogelijk onvoldoende beschut en geschikt foerageergebied over in (de directe omgeving van) het plangebied. Het plangebied wordt grotendeels omgeven door bebouwde woonwijken, industrieterrein en open agrarisch gebied. Er is daardoor mogelijk sprake van essentieel foerageergebied in het plangebied, dat kan worden
blad 15 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
aangetast door de beoogde ontwikkeling. Eerst dient een aanvullend terreinbezoek te worden gedaan om de potentie als essentieel leefgebied nader te bepalen en om in de wijdere omgeving te onderzoeken of daar genoeg en ander geschikt leefgebied voorhanden is. Indien er geschikt (essentieel) leefgebied in het plangebied aanwezig is en niet daarbuiten, dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van het plangebied als foerageergebied door vleermuizen.
Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van essentieel leefgebied van gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) aan te kunnen tonen, is allereerst een aanvullend terreinbezoek noodzakelijk. Nader onderzoek conform het meest recente vleermuisprotocol is noodzakelijk indien het veldbezoek potentieel essentieel leefgebied aantoont. Dit onderzoek naar essentieel leefgebied bestaat uit minimaal 2 bezoeken in de periode van 15 mei – 15 augustus, waarbij één keer in de kraamperiode (15 mei-15 juli).
2.3.4
Zoogdieren – overige zoogdieren In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van overige soorten zoogdieren in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.5. Overzicht van waargenomen zoogdieren in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Wnb) Art. 3.10 Wnb Art. 3.10 Wnb Vrijgestelde zoogdieren Bosmuis X Bunzing X Egel X Haas X Huisspitsmuis X Konijn X Rosse woelmuis X Veldmuis X Vos X Wezel X
Zoals blijkt uit de bureaustudie is een groot aantal zoogdiersoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied. Voor de meeste soorten geldt dat ze in Noord-Holland zijn vrijgesteld. Dat geldt niet voor de kleine marterachtigen bunzing en wezel. Deze soorten worden hieronder besproken. Bunzing De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie, ook dorpen en buitenwijken van steden vormen geschikt leefgebied. Een bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das. Maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. Hij bekleedt zijn hol met gras en mos. In de winter maakt de bunzing zijn schuilplaats op warmere plaatsen, zoals onder stro- en hooibalen bij boerderijen. De bunzing graaft soms zelf een hol (Zoogdiervereniging, z.d.). Rondom het plangebied (1km) zijn 23 waarnemingen van de bunzing geregistreerd in de afgelopen 5 jaar (NDFF, 2023). De bunzing is een soort van kleinschalig landschap, dat rondom de sportvelden en de Kromme Tocht in het plangebied volop aanwezig is (zie figuur 2.7). Daarnaast zijn parken en grotere tuinen in delen van Badhoevedorp, ook in het urbane gedeelte, suboptimaal geschikt als habitat voor de bunzing.
Indien bosschages, houtsingels en/ of oeverzones van de Kromme Tocht worden aangetast door het planvoornemen, kunnen verblijfplaatsen van bunzing beschadigd danwel vernietigd worden. Geadviseerd wordt om eerst een aanvullend veldbezoek uit te voeren om vast te stellen of en welke delen van het plangebied geschikt zijn als leefgebied/ verblijfplaats voor bunzing. Indien er daadwerkelijk geschikt leefgebied/ verblijfplaatsen aanwezig zijn, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden.
blad 16 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
Vervolgstappen Aanvullend terreinbezoek: Daadwerkelijke vaststelling waar geschikt leefgebied en/of verblijfplaatsen voorkomen binnen het plangebied. Nader onderzoek: Het nader onderzoek naar bunzing dient uitgevoerd te worden in maart t/m augustus, de actieve periode van de bunzing. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden middels wildcamera’s, welke zes weken opgesteld worden. Dit onderzoek kan gecombineerd worden met het elders genoemde nader onderzoek naar de wezel.
Figuur 2.7. Dichte begroeiing met takken- en bladerhopen (Lindberghstraat) vormt geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen als bunzing en wezel. Bron: Google Street View
Wezel Wezels leven bij voorkeur in open, droog natuur- en cultuurlandschap maar verder voor in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland). Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden èn de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt (Zoogdiervereniging, z.d.). Rondom het plangebied zijn twee recente waarnemingen van de wezel gedaan in de noordelijke berm van de A9 thv de Sloterweg. Het voorkomen van verblijfplaatsen van de wezel binnen het plangebied is niet uit te sluiten. Dekking is aanwezig (zie bij bunzing) en het oude tracé van de A9 bestaat mogelijk uit muizenrijk grasland. Indien bosschages, houtsingels, oeverzones van de Kromme Tocht en/of grazige vegetaties worden aangetast door het planvoornemen, kunnen verblijfplaatsen van wezel beschadigd danwel vernietigd worden. Geadviseerd wordt om eerst een aanvullend veldbezoek uit te voeren om vast te stellen of en welke delen van het plangebied geschikt zijn als leefgebied/ verblijfplaats voor wezel.
Indien er daadwerkelijk geschikt leefgebied/ verblijfplaatsen aanwezig zijn, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden.
blad 17 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
Vervolgstappen Aanvullend terreinbezoek: Daadwerkelijke vaststelling waar geschikt leefgebied en/of verblijfplaatsen voorkomen binnen het plangebied Nader onderzoek: Geadviseerd wordt nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de wezel uit te voeren. Het nader onderzoek dient uitgevoerd te worden in maart t/m augustus, de actieve periode van de wezel. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden middels struikrovers, welke zes weken opgesteld worden. Dit onderzoek kan gecombineerd worden met het elders genoemde nader onderzoek naar bunzing.
Vrijgestelde soorten zoogdieren in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten zoals muizen, egel, haas en konijn. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Noord-Holland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in dat de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.6 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
2.3.5
Amfibieën In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van amfibieën in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.6 Overzicht van waargenomen amfibieën in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Wnb) Art. 3.10 Wnb Art. 3.10 Wnb Vrijgestelde amfibieën Bastaardkikker X Bruine kikker X Gewone pad X Kleine watersalamander X Meerkikker X
Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal amfibieënsoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied. Geen enkele soort hiervan is beschermd in de Provincie Noord-Holland. In het verleden (2005) zijn er in de directe omgeving van het plangebied rugstreeppadden waargenomen (NDFF, 2023). Als soort van pioniersituaties beschikt de rugstreeppad over een groot verbreidingsvermogen. Dispersie en het koloniseren van nieuwe voortplantingsgebieden door juvenielen kan plaatsvinden over 3-5 km afstand (ravon.nl). Een aanvullend terreinbezoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van rugstreeppad uit te kunnen sluiten.
Vervolgstappen Aanvullend terreinbezoek is noodzakelijk om potentiële aanwezigheid van rugstreeppad aan te tonen.
Vrijgestelde amfibieën in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als bruine kikker, gewone pad, groene kikker (spec.) en kleine watersalamander. Onder andere in een poel tussen de Kromme Tocht en de Groenezoom (zie ook figuur 2.5). Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de Provincie Noord-Holland geldt een vrijstelling voor
blad 18 van 42
datum 11 september 2023 projectnummer 0487732.100 betreft Milieuscan ecologie Badhoevedorp
deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.6 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
2.3.6
Zorgplicht In het plangebied is biotoop aanwezig voor soorten als egel, haas, konijn, vos, diverse soorten muizen, bruine en groene kikker (spec.), gewone pad, kleine watersalamander en algemene vissoorten als brasem, baars en blankvoorn. Deze soorten zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht voor de Wnb in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht (zie bijlage 1). Dit houdt in dat tijdens de werkzaamheden zo veel mogelijk negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden dienen te worden voorkomen dan wel te worden beperkt. Daarnaast geldt de zorgplicht voor alle andere algemenere in het wild levende dieren en planten. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten worden gegarandeerd. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 2.7. Tabel 2.7. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Zoogdieren (vos/konijn)
Grondgebonden zoogdieren (alle soorten)
Amfibieën Vissen Vlinders/ libellen Vaatplanten Algemeen – alle soorten
Maatregel • Werken buiten de kwetsbare periode van voortplanting (januari-juli) • Handmatig vrijgeven van de vossen/konijnenburcht • Werkwijze opnemen in ecologisch werkprotocol • Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort maaien • Werken in één richting, zodat dieren te allen tijde de mogelijkheid hebben om weg te vluchten • Te allen tijde opletten of er dieren aanwezig zijn, deze niet onnodig doden en verstoren en de gelegenheid geven om weg te vluchten • Afzetten van het werkgebied met een amfibie werend scherm • Indien water uit geschikt biotoop wordt opgezogen een fijnmazig filter voor de zuigmond plaatsen • Werken buiten periode van ei-afzetting • Kwetsbare gebieden afzetten • Zo min mogelijk vegetatie verwijderen • Te allen tijde zorgvuldig te werk gaan en opletten of er dieren aanwezig zijn, deze niet onnodig doden of verstoren en de gelegenheid geven om weg te vluchten • Aanhouden van vaste rijroutes en verkeersbewegingen plannen en minimaliseren, zodat zo min mogelijk bodemoppervlak en beplanting wordt aangetast • Bij grondverzet voor het uitgraven van waterlichamen dieren die in en op de grond verblijven (muizen, vogels, insecten, etc) de gelegenheid geven om te ontsnappen