Bijlage 1 - Toelichting
Tekst van het document
27
merken als een geluidgevoelig object. Derhalve is ook getoetst aan de richtafstanden ten opzichte van omliggende bedrijven. Dit betreffen de volgende bedrijven: - het agrarisch bedrijf aan de IJweg 1615 (aan de overzijde van het plangebied) - het bedrijf aan de IJweg 1754 (aan de noordoostzijde van het plangebied) - de Venneper Lodge (aan de zuidwestzijde van het plangebied) De bedrijven met bijbehorende richtafstanden zijn op onderstaand figuur weergegeven. Vervolgens vindt een nadere toetsing aan de richtafstand plaats. Figuur 7. Richtafstand gemeten vanuit bestemmingsgrens omliggende bedrijven t.o.v. gevel (bouwvlak) beoogde ontwikkeling (bron: QGIS, eigen bewerking)
IJweg 1615 Aan de overzijde van de IJweg is er een agrarisch bedrijf (SBI-2008: 0113, worst case scenario) in de akkerbouw en fruitteelt, waar een minimale afstand van 50 meter in verband met stankoverlast moet worden aangehouden. Uit figuur 7 valt op te maken dat het beoogd bouwvlak buiten de richtafstand is gelegen. IJweg 1754 Op basis van het geldende bestemmingsplan is ter plaatse van de IJweg 1754 een agrarisch loonbedrijf toegestaan. Voor een agrarisch loonbedrijf met een bedrijfsoppervlak groter dan 500 m2 geldt op basis van de VNG-handreiking milieucategorie 3.1. Voor deze milieucategorie wordt binnen gemengd gebied een richtafstand van 30 meter gehanteerd. Aan deze richtafstand kan Nieuw-Vennep IJweg 1762
28
(net) niet worden voldaan. Derhalve dient gemotiveerd te worden afgeweken van de richtafstand. In dat kader is van belang dat de locatie aan de IJweg 1754 aan weerszijden reeds wordt begrensd door een woonfunctie. Van een (eventuele) belemmering in de bedrijfsvoering is derhalve reeds sprake. De beoogde ontwikkeling komt niet op een kortere afstand van de IJweg 1754 dan deze woonfuncties te liggen. Daarnaast is van belang dat in de feitelijke situatie ter plaatse van de IJweg 1754 een hoveniersbedrijf is gevestigd (bron: KvK). Een hoveniersbedrijf valt in milieucategorie 2, waarvoor binnen gemengd gebied een richtafstand van 10 meter geldt. Uit figuur 7 valt af te leiden dat aan deze richtafstand (ruimschoots) wordt voldaan. Gelet op voorgaande kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstand en is van een belemmering van de bedrijfsvoering ter plaatse van de IJweg 1754 als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, geen sprake. Venneper Lodge Op het naastgelegen perceel is horeca, De Venneper Lodge, gevestigd. Conform het wijzigingsplan "Nieuw-Vennep Getsewoud 1e wijziging" is horeca in categorie 1 en 2 toegestaan. Dit zijn volgens de Staat van horeca-activiteiten bijvoorbeeld een ijssalon, lunchroom, snackbar, koffie/theehuis, bar en restaurant.
Zowel een bar als restaurant behoren tot categorie 2 van de Staat van horecaactiviteiten, waarvoor binnen gemengd gebied een richtafstand van 10 meter geldt. Uit figuur 7 valt af te leiden dat aan deze richtafstand (ruimschoots) wordt voldaan.
5.1.2 Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering staat, door middel van het gemotiveerd afwijken van de richtafstanden voor de woning aan de IJweg 1760 en het bedrijf aan de IJweg 1754, niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
5.2 Bodem 5.2.1 Wet- en regelgeving
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek, eventueel aangevuld met een bodemonderzoek, bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld. Wet bodembescherming (Wbb) In de Wbb zijn bepalingen opgenomen ter behoud en verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Bij bestemmingswijzigingen, verbouwingen of graafwerkzaamheden zal in veel gevallen een bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. De gemeente beoordeelt dat per geval. Met het bodemonderzoek kan bepaald worden of de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor de beoogde functie.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
29
De Wbb onderscheidt drie kwaliteiten grond: - sterk verontreinigde grond (boven interventiewaarden); - licht verontreinigde grond (boven achtergrondwaarden); - schone bodems (beneden achtergrondwaarden). Indien gesaneerd moet worden, bestaan specifieke regels voor het bepalen van de terugsaneerwaarde (te behalen kwaliteit) en de milieu hygiënische kwaliteit van een aan te brengen leeflaag. Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. In het besluit worden vier kwaliteiten gehanteerd, namelijk Achtergrondwaarde, Wonen, Industrie en Niet toepasbaar. Het besluit hanteert voor het toepassen van grond en bagger een toets op de kwaliteit van de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. Gemeentelijke Nota Bodembeheer Haarlemmermeer probeert zoveel mogelijk een afweging te maken op basis van feitelijke risico's.
De Nota Bodembeheer (2020) biedt een praktische richtlijn aan de gemeentemedewerkers, adviesbureaus, aannemers en andere bodemintermediairs hoe in Haarlemmermeer het beste met vrijkomende grond en baggerspecie kan worden omgesprongen, waarbij aan zaken als gezond verstand, kostenbesparing, milieuwinst en voldoen aan geldende wet- en regelgeving veel aandacht is besteed. De bodemkwaliteitskaart (2020) van Haarlemmermeer geeft aan wat de gemiddelde kwaliteit van de grond op niet-verdachte locaties is in de gemeente. De bodemfunctiekaart is tegelijk met de bodemkwaliteitskaart vastgesteld en geeft de (toekomstige) functieklasse van een gebied weer. In de Nota Bodembeheer Gemeente Haarlemmermeer zijn voor sommige gebieden Lokale Maximale Waarden vastgesteld.
5.2.2 Onderzoek Bij het toekennen van bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het bijzonder wanneer een nieuw ruimtelijk plan voorziet in nieuwe ontwikkelingen, is het van belang om bij de planvoorbereiding onderzoek naar de bodemkwaliteit te laten uitvoeren. Een bestemming kan pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is voor een nieuwe of aangepaste bestemming. Daarbij is wettelijk bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers en het milieu. Derhalve is er door Grondslag een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage d.d. 22 november 2021 is bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting. Naast de chemische kwaliteit van de bodem is tevens de aanwezigheid van asbest in de bodem onderzocht.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
30
Resultaten verkennend bodemonderzoek Chemische kwaliteit De gestelde hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht is niet bevestigd. Ter plaatse van boring 05 is in de bovengrond een sterke verhoging aan PAK gemeten. Daarnaast is het gehalte aan zink matig verhoogd. Ter plaatse van boring 08 zijn sterk verhoogde gehalten aan koper en zink gemeten. Daarnaast zijn er verschillende licht verhoogde gehalten gemeten aan zware metalen, minerale olie, PAK en PCB in de boven- en ondergrond. In het grondwater van peilbuis 01 is een matig verhoogde concentratie aan minerale olie gemeten. Daarnaast zijn er licht verhoogde concentraties aan naftaleen en xylenen gemeten. In het grondwater van peilbuis 05 is een licht verhoogde concentratie aan bariumgemeten. Deze matige en sterke verhogingen vormen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Middels dit nader onderzoek dienen de omvang, ernst en spoedeisendheid van eventuele sanering van de verschillende verontreinigingen in kaart te worden gebracht. Asbest De gestelde hypothese dat de bovengrond van het noordwestelijke deel van het perceel verdacht is op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Op het maaiveld ter plaatse van boring 12 is wel een stukje asbestverdacht materiaal aangetroffen, dit betreft hoogstwaarschijnlijk zwerfasbest.
Het stukje is van het perceel verwijderd. In het mengmonster van de puinhoudende laag onder de klinkerverharding ter plaatse van de boringen 16 en 17 is analytisch geen asbest aangetoond. In het opgeboorde materiaal is zintuiglijk geen asbest waargenomen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek naar asbest. Asfalt In de aanwezige asfaltverharding op het perceel is geen PAK aangetoond. Het asfalt is daarmee geschikt voor warm hergebruik. Wanneer de asfaltverharding wordt verwijderd kan de rapportage worden gebruikt bij het aanbieden van het materiaal bij een asfaltcentrale. Bij een eventuele verwijdering van het asfalt komt een geschatte hoeveelheid van circa 80 ton asfalt vrij. Nader bodemonderzoek Het nader onderzoek wordt in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen uitgevoerd. Op voorhand is er geen aanleiding om aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan te twijfelen. Mocht sanering aan de orde zijn, kan initiatiefnemer de kosten hiervoor dragen.
5.2.3 Conclusie
Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
31
5.3 Cultuurhistorie en archeologie 5.3.1 Wet- en regelgeving Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt zes wetten op het gebied van cultureel erfgoed en sorteert hiermee voor op de komende Omgevingswet. Door de wetten te bundelen en een aantal regels te vernieuwen is de wetgeving minder versnipperd. In de Erfgoedwet staat onder andere wat cultureel erfgoed is, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt. De Erfgoedwet gaat over de bescherming van het cultureel erfgoed. Er is ook erfgoed in ruimtelijke ordening (de leefruimte om ons heen). Hoe Nederland daarmee omgaat staat in de Wabo. De erfgoedvisie met uitvoeringsprogramma van de Gemeente Haarlemmermeer voor de periode 2020 - 2030 stelt vast dat erfgoed bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving, de aantrekkelijkheid van de gemeente als bezoeklocatie en aan een aangenaam vestigingsklimaat. De basis van de visie is erfgoed als inspiratie en motor voor nieuwe ontwikkelingen. De archeologienota heeft tot doel een verantwoorde balans te vinden tussen goede omgang met het archeologische erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. In de nota zijn de verhaallijnen met de kernwaarden 'Water en pionieren' en 'Transport en Logistiek' leidend.
Om relevante keuzes te kunnen maken die in lijn zijn met de andere beleidsdoelen die de gemeente zich stelt, zal een integrale afweging plaatsvinden. De volgende speerpunten zijn van belang bij cultuurhistorische en/of archeologische waarden: • het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; • de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. De gemeente is verplicht om verwachte en aanwezige archeologische waarden mee te wegen bij ruimtelijke beslissingen. De wetgever geeft de gemeente de vrijheid om naar eigen inzicht vorm te geven aan de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrens. Deze beleidsnota geeft hier invulling aan.
5.3.2 Onderzoek Cultuurhistorie De landschapswaarden en bebouwing binnen het plangebied zijn niet aangewezen als monument. Wel is het gebied aangewezen als militaire structuur, behorend tot de Stelling van Amsterdam. Specifiek is het gebied gekenmerkt als inundatiegebied. Het deel ten zuiden van de Geniedijk is
Nieuw-Vennep IJweg 1762
32
aangewezen als inundatiegebied. Dit gebied moest bij een vijandelijke aanval onder water gezet kunnen worden. De gehele Stelling van Amsterdam (UNESCO-werelderfgoed) bevindt zich in de Stellingzone. De Stellingzone vormt het samenhangend geheel tussen de verdedigingswerken en het landschap. Ook voormalige inundatiegebieden maken deel uit van de Stellingzone. Voor deze Stellingzone geldt: Behoud van nog bestaande zichtlijnen tussen de forten en doorzichten op de forten; Openhouden van schootscirkels rond de forten in de nog open landschappen; Behoud van bestaande accessen. Dit zijn de plaatsen waar de hoofdverdedigingslijn werd doorsneden door dijken, kanalen, spoorlijnen en wegen. Het plangebied is niet gelegen in de nabije omgeving van een fort of acces en derhalve ook niet in de buurt van een schootscirkel (1.000 meter rondom een fort). Derhalve dient voor voorliggend project enkel rekening gehouden te worden met bovenstaande criteria. Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat bestaande zichtlijnen en openheid als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet wijzigen. De bebouwing wordt namelijk op dezelfde plaats teruggebouwd in een volume van gelijke grootte. Tot slot zijn in de Erfgoedvisie "Erfgoed omarmen en beleven" de polderlinten benoemd als erfgoed.
Het erfgoed dient in stand te worden gehouden en waar nodig beschermd te worden, zodat het verhaal van Haarlemmermeer ook in de toekomst voor zoveel mogelijk mensen goed zichtbaar, beleefbaar en toegankelijk blijft. De Visie polderlinten (behandeld in paragraaf 3.4.3 van deze toelichting) geeft hier een nadere uitwerking aan. Uit de toets aan deze Visie in paragraaf 3.4.3 volgt dat de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk doet aan de IJweg, het polderlint waar het plangebied aan grenst. Archeologie Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Haarlemmermeer kent het plangebied een lage archeologische verwachting met een indicatieve historische vaarroute. De archeologische verwachtingskaart behoort tot Archeologiebeleid Haarlemmermeer 2020-2030. Conform dit beleid zijn de 'Waarde Archeologie 6' gebieden met een lage verwachting op archeologie. Hier hoeft alleen onderzoek te worden verricht als de bodemingreep van flinke omvang is (> 10.000 m²), omdat de trefkans beperkt is en de kosten van het onderzoek dan niet in verhouding zijn. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 4.300 m², waardoor het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet nodig is. Er vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats ter plaatse van de op de archeologische verwachtingskaart aangewezen 'historische vaarroutes'.
In het gemeentelijk beleid is hieraan ook geen specifiek beschermingsregime toegekend. De grondroerende werkzaamheden vinden plaats ter hoogte van de bestaande bebouwing binnen het plangebied en thans buiten de blauw gestreepte lijn uit figuur 8.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
33
Figuur 8. Uitsnede archeologische verwachtingskaart, plangebied rood omlijnd
5.3.3 Conclusie
Het aspect cultuurhistorie en archeologie staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Wet- en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wro getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarden voor het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het groepsrisico is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) gedefinieerd als: "de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". In het Bevi en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Denk hierbij aan risico’s van onder andere tankstations met LPG, opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen en ammoniakkoelinstallaties. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is gebaseerd op de Wet milieubeheer (Wm) en de Wro.
Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Bevi.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
34
Het vervoer van gevaarlijke stoffen is geregeld via de “Wet Basisnet”, een stelsel van wetten en regels. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. In de gemeente Haarlemmermeer zijn daarnaast routes voor het transport van gevaarlijke stoffen vastgesteld. In aanvulling op de landelijke wet- en regelgeving kent de gemeente Haarlemmermeer ook eigen externe veiligheidsbeleid. Specifiek gaat het om regels over de aanvaardbaarheid en verantwoording van het groepsrisico. Een belangrijk richtsnoer is onder andere dat objecten met niet- of met beperkt zelfredzame personen buiten het invloedsgebied van een risicobron worden geprojecteerd. Daarnaast biedt risicokaart.nl inzicht in risicosituaties in de leefomgeving. Dit instrument kan gebruikt worden als informatievoorziening om te helpen bij het voorkomen, bestrijden en beperken van de gevolgen van rampen en zware ongevallen.
5.4.2 Onderzoek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de risicokaart geraadpleegd. In figuur 9 is het plangebied ten opzichte van de risicobronnen weergegeven. Figuur 9. Uitsnede Risicokaart, plangebied aangewezen middels blauwe 'i' (bron: Atlaleefomgeving.nl).
Hieronder wordt op de ligging in de nabijheid van deze risicobronnen in gegaan. Frigo Nieuw Vennep Aan de IJweg 1640 bevindt zich Frigo Nieuw Vennep. De hoofdactiviteit van de inrichting betreft opslag in koelhuizen e.d. middels een ammoniak koelinstallatie. Het plaatsgebonden risico 10-6 bedraagt 0 meter. Er is geen invloedsgebied voor wat betreft het groepsrisico dat aangehouden
Nieuw-Vennep IJweg 1762
35
dient te worden. Het plangebied is op circa 450 meter gelegen van deze Bevi-inrichting en derhalve vormt de inrichting geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. Leidingen Ter hoogte van de Zuidtak Zuidtangent/Nieuwerkerktocht zijn twee CO2-leidingen en twee aardgasleidingen gelegen. De CO2-leiding is in beheer van Ocap. Rond deze leiding geldt een risicocontour (ofwel een plaatsgebonden risico) van 5 meter aan weerszijden van het hart van de leiding. De buisleidingen betreffen nummers 276474 en 276477. De buisleiding met de grootste diameter (OCAP) kent een diameter van 660 millimeter en een maximale werkdruk van 22 bar. Een buisleiding met een diameter van 660 millimeter en een maximale werkdruk van 40 bar kent een invloedsgebied van 280 meter. Het plangebied is op ruim 850 meter van de leidingen gelegen. Derhalve vormen de leidingen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De twee gasleidingen zijn in het beheer van de Gasunie onder de namen W-532-09 en W-532-17. Buisleiding W-532-09 heeft een uitwendige diameter van 168 mm en een maximale werkdruk van 40 bar, terwijl buisleiding W-532-17 een uitwendige diameter van 219 mm heeft een een maximale werkdruk van 40 bar. Het invloedsgebied van deze buisleidingen betreft respectievelijk 70 en 95 meter. Het plangebied is op ruim 850 meter van de leidingen gelegen.
Derhalve vormen de leidingen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Vervoer gevaarlijke stoffen Over de N207 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats, te weten LPG (GF3). De N207 is op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied gelegen. De N207 heeft geen plaatsgebonden risico contour (bron: bestemmingsplan “Nieuw-Vennep”, vastgesteld op 23 mei 2013). Voor de verantwoording van het groepsrisico is de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) geraadpleegd. Daarnaast is het groepsrisico zeer laag (bron: bestemmingsplan “Nieuw-Vennep”, vastgesteld op 23 mei 2013) en met de voorgenomen ontwikkeling zal geen sprake zijn van het overschrijden van deze oriëntatiewaarde. Op basis van de vuistregels van het Hart is daarnaast geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde met 10%. Gelet op voorgaande is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Wel dient aandacht te bestaan voor de aspecten zelfredzaamheid en hulpverlening. In het Scenarioboek Externe Veiligheid is het scenario BLEVE in kaart gebracht (een incident met een tankwagen kan leiden tot een BLEVE). De effecten van een warme BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. In het scenarioboek is het handelingsperspectief bij een dergelijk scenario weergegeven.
Voor personen binnen, op grotere afstand van de bron (daar waar gebouwen niet ontbranden of instorten) is het handelingsperspectief binnenblijven. Het plangebied is gelegen tegen de grens van de zogeheten ‘grens tweede ring’ aan (afstand van 245 meter). Het handelingsperspectief binnenblijven lijkt daarmee het voor de hand liggende scenario. Dat neemt niet weg dat zorg wordt gedragen voor een goede informatievoorziening voor het personeel van de beoogde maatschappelijke zorginstelling, teneinde voorbereid te zijn op een scenario ‘ontruimen en vluchten’. De inrichting van de huidige infrastructuur maakt ontvluchting bij calamiteiten goed mogelijk. Tot slot wordt opgemerkt dat de Veiligheidsregio in hun wettelijke vooroverlegreactie op dit bestemmingsplan kenbaar heeft gemaakt dat het niet noodzakelijk is om maatregelen te treffen om de risico’s te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en hulpverlening te vergroten, gelet op de afstand van het plangebied tot de beschouwde risicobron (de N207).
Nieuw-Vennep IJweg 1762
36
5.4.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
5.5 Explosieven In de Nederlandse bodem zitten nog veel conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Bij het opsporen en ruimen van conventionele explosieven (CE’s) is de openbare orde en veiligheid het bepalende uitgangspunt. De burgemeester is op grond van artikel 172 van de Gemeentewet belast met de handhaving daarvan. De beslissing om in een concrete situatie al dan niet over te gaan tot het opsporen en ruimen van een CE is dus de bevoegdheid van de burgemeester. In een CE-verdacht gebied is grondroerende partij verplicht een explosieven onderzoek uit te voeren in het kader van 'veilige werkomgeving en veiligheid voor derden en de omgeving'. Er geldt geen verplichting om over te gaan tot opsporing en ruiming. Dit hangt af van het concrete geval en dat wordt vooral beoordeeld in relatie tot het huidige en toekomstige gebruik van het gebied.
5.5.1 Onderzoek
Het plangebied ligt in verdere mate van Schiphol, dat in de Tweede Wereldoorlog diverse malen gebombardeerd. Alle (mogelijke) inslagen zijn geregistreerd in het digitale systeem waarin ook de bodemgegevens vastliggen. Op de bommenkaart is te zien dat er ter plaatse van het plangebied geen bominslagen bekend zijn en wel vooronderzoek is uitgevoerd door T&A Survey. T&A Survey heeft ook een overzichtskaart opgesteld. Deze overzichtskaart maakt onderdeel uit van het Beleidsplan Conventionele Explosieven van gemeente Haarlemmermeer. Op basis van deze kaart is het plangebied gelegen in een onverdacht gebied. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
5.5.2 Conclusie
Voor het bestemmingsplan vormt het aspect 'explosieven' geen beperking.
5.6 Flora en fauna 5.6.1 Wet- en regelgeving
Sinds 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. Deze wet neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Dat is niet alleen van belang vanwege het feit dat Nederland is gehouden tot nakoming van zijn internationale verplichtingen, maar ook, omdat de Europese regelgeving een hoog beschermingsniveau van de natuur verzekert, hoger dan de bescherming die vóór de totstandbrenging van de Europese kaders werd geboden door de nationale wetgeving. De taken en verantwoordelijkheden worden in het wetsvoorstel zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd, overeenkomstig het uitgangspunt 'decentraal tenzij'. Eén van de verantwoordelijkheden van de provincie is het Natuurnetwerk Nederland, een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
37
Een belangrijk criterium in de wet is ‘gunstige staat van instandhouding van een soort’. Daarvan is sprake als: uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.
5.6.2 Onderzoek
Ten behoeve van de ontwikkeling is door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden en een aanvullend onderzoek naar vleermuizen en vogels. Ook is door M+P een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De rapportages zijn als bijlagen bij deze toelichting opgenomen. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Uit de quickscan volgt dat de bebouwing in het projectgebied geschikte verblijfplaatsen biedt voor gebouwbewonende vleermuizen. De groenstructuren in het projectgebied kunnen door vleermuizen als foerageergebied worden gebruikt. De bomenrijen en de watergang direct buiten het projectgebied, maken mogelijk deel uit van essentiële vliegroutes van vleermuizen. Onder het pannendak van de bebouwing in het projectgebied zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aanwezig. De groenstructuren in het projectgebied kunnen dienen als functioneel leefgebied van de huismus en bieden geschikt broedbiotoop voor algemene soorten vogels. Binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden is een potentieel jaarrond beschermd nest van vogels aanwezig in de houtopstanden ten zuidoosten van het projectgebied.
Wanneer de geplande werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart - 31 augustus), kan dit mogelijk leiden tot negatieve effecten op de functionaliteit van een jaarrond beschermd nesten het verstoren van broedvogels. Onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en functioneel leefgebied van de huismus wordt noodzakelijk geacht alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient gericht te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Indien de werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen van vogels, is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en de sperwer noodzakelijk alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
38
Het nader onderzoek is afgerond. In het projectgebied zijn twee zomerverblijfplaatsen en een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn geen vaste vliegroutes of essentiële foerageergebieden vastgesteld binnen het projectgebied. Binnen het projectgebied zijn geen nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aangetroffen. Aangrenzend aan het projectgebied is een essentieel foerageergebied van de huismus vastgesteld. In de directe omgeving van het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermd nest waargenomen dat dit jaar echter niet in gebruik is genomen door broedvogels. Tijdens de geplande werkzaamheden zullen verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis verloren gaan en worden verbodsbepalingen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming overtreden. Derhalve is het noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen voor verbodsbepalingen uit artikel 3.5. Aan een ontheffing kunnen bepaalde voorwaarden verbonden zijn, zoals het treffen van maatregelen. Het is in het algemeen wenselijk om de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (globaal maart - augustus), om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Deze periode is niet leidend. Mochten broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn in het projectgebied, dan mogen deze niet worden verstoord of vernietigd.
Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden, dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens eventueel grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren, zoals de gewone pad en de veldmuis, worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord-Holland, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van dieren te voorkomen. Gebiedsbescherming Het projectgebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het NNN. Derhalve zijn er geen negatieve effecten te verwachten op het NNN. Directe effecten op Natura 2000-gebieden worden niet verwacht, gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de Natura 2000-gebieden. Indirecte effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. De dichtst bijgelegen Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstof zijn Kennemerland-Zuid op circa 6 kilometer afstand en Nieuwkoopse Plassen & De Haes op circa 18 kilometer afstand. Derhalve is door M+P een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van deze toelichting.
Uit de resultaten van de berekening blijkt dat in 2024 in de aanleg- en gebruiksfase nergens een hogere depositie is berekend dan 0,00 mol per hectare per jaar. Hiermee is het project niet vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming.
5.6.3 Conclusie
De verwachting is dat de benodigde ontheffing voor de aangetroffen verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis kan worden verkregen. Indien ontheffing wordt verkregen voor de aangetroffen verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de benodigde mitigerende en compenserende maatregelen worden toegepast in het planvoornemen staat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. Nieuw-Vennep IJweg 1762
39
5.7 Geluid 5.7.1 Wet- en regelgeving Wegverkeer In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wgh vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting. Deze bedraagt 48 dB. Indien deze voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan de gemeente een hogere grenswaarde toestaan, de zogenaamde "Hogere waarde". De Hogere waarde mag enkel worden verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de Hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wgh.1 Spoorweglawaai In artikel 105 van de Wgh staat dat landelijke spoorwegen een zone hebben. In artikel 106 en verder van de Wgh staan grenswaarden voor het geluid dat geluidgevoelige bebouwing mag ondervinden van railverkeerslawaai.
Voor woningen in nieuwe situaties is de voorkeursgrenswaarde Lden = 55 dB. Het gemotiveerd vaststellen van een hogere waarde is mogelijk. De maximaal hogere waarde is afhankelijk van de situatie. Zij is 68 dB voor spoorweglawaai bij nieuwe woningen in stedelijk gebied. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wgh kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wgh en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden.
1
Conform artikel 110g Wgh mag een correctie worden toegepast op het berekende geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer.
Voor wegen waar 70 km/uur of harder gereden mag worden is de aftrek 2 dB en voor de overige wegen 5 dB. De wettelijk toegestane snelheid is hier van belang. Voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt geen aftrek aangezien deze wegen geen zone hebben en hierdoor niet onder de werkingssfeer van de Wgh vallen. Enkel bij toetsing in het kader van het aspect "goede ruimtelijke ordening" wordt ten behoeve van een goede beoordeling de aftrek wel toegepast.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
40
Luchtverkeerslawaai Op grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast. Die heeft betrekking op de geluidsbelasting (hele dag (Lden) en ‘s nachts (Lnight) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.
5.7.2 Onderzoek Spoorweglawaai Het plangebied is niet in de nabijheid van / in het invloedsgebied van het spoor gelegen. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is derhalve niet aan de orde. Wegverkeerslawaai en industrielawaai De locatie is gelegen binnen het invloedsgebied van de N207, IJweg en Getsewoudweg. Derhalve is er door M+P een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. In datzelfde onderzoek is ook de geluidsbelasting bepaald op de naastgelegen woning aan de IJweg 1760, vanwege de verkeersbewegingen van en naar de zorgappartementen en de dakinstallaties van de beoogde ontwikkeling. Wegverkeerslawaai Uit de berekeningen blijkt dat er sprake is van een overschrijding van de grenswaarde afkomstig van de N207. De geluidsbelasting bedraagt maximaal Lden = 49 dB na aftrek op de westgevel van het noordelijke bouwblok en maximaal Lden = 51 dB na aftrek op de zuidgevels van het zuidelijke bouwblok. Vanwege de N207 zijn daarom hogere waarden nodig. Vanwege de IJweg en de Getsewoudweg is de geluidsbelasting overal lager dan de grenswaarde. Voor een aantal kamers aan de zuidelijke gevel van het zuidelijke bouwblok is geen sprake van een geluidsluwe gevel. Dit is conform het informele geluidsbeleid toegestaan voor 15% van de kamers binnen het bouwplan.
Bij definitieve invulling van het plan dient hiermee rekening gehouden te worden. Bron- en overdrachtsmaatregelen worden niet doelmatig geacht. Er wordt voldaan aan alle verdere vereisten uit het informele geluidsbeleid en daarmee zijn er geen obstakels om een hogere waarde te kunnen verlenen. Industrielawaai Het zorgcomplex voldoet aan de standaard grenswaarden uit het Activiteitenbesluit met uitzondering van de maximaal optredende geluidsniveaus in de nachtperiode. De overschrijding wordt veroorzaakt door het dichtslaan van portieren van personenwagens. Indien een geluidsscherm van 1,8 meter hoog en 25 meter lang wordt geplaatst kan er ook voor de maximaal optredende geluidspieken worden voldaan. Omdat er inclusief het geluidsscherm kan worden voldaan aan de richtwaarden voor gemengd gebied uit de VNG handreiking kan worden gesteld dat de realisatie van het zorgcomplex bij de bestaande woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geeft. Gelet op voorgaande is het realiseren van het geluidscherm als voorwaardelijke verplichting in de Regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Nieuw-Vennep IJweg 1762
41
Tot slot zijn nabij het plangebied zijn geen grote lawaaimakers gevestigd zoals genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Luchtverkeerlawaai Conform het Luchthavenindelingbesluit Schiphol gelden er geen beperkingen als gevolg van de geluidbelasting van luchtvaartlawaai binnen het plangebied. De overige beperkingen welke zijn opgenomen in het Luchthavenindelingbesluit zijn voor onderhavig bestemmingsplan niet relevant, het bouwplan ligt tevens buiten LIB 1 tot en met LIB 5. Er gelden geen beperkingen voor het bestemmingsplan ten gevolge van luchtvaartlawaai. Figuur 10. 50 dB-contour i.r.t. het plangebied ter plaatse van de rode cirkel
5.7.3 Conclusie Vanwege de N207 zijn hogere waarden nodig: een hogere waarde van Lden = 49 dB voor de westgevel van het noordelijke bouwblok en een hogere waarde van Lden = 51 dB voor de zuidgevels van het zuidelijke bouwblok. Het college van burgermeester en wethouders dient een hogere waarde besluit te nemen, conform artikel 110a lid 1 van de Wgh. Verder vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling indien een geluidsscherm wordt gerealiseerd.
5.8 Geur Het algemene uitgangspunt van het Nederlandse geurbeleid is het voorkomen van nieuwe hinder. Als er geen hinder is, hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. De mate van hinder die nog acceptabel is moet worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan op grond van de Wm.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
42
5.8.1 Onderzoek In de buurt van het plangebied zijn geen bedrijven actief waarvoor een minimale afstand tot een geurgevoelig object aangehouden dient te worden.
5.8.2 Conclusie
Het aspect geur staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
5.9 Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties In een ruimtelijk plan dienen planologisch relevante leidingen te worden opgenomen. Deze kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik in de omgeving. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals waterleidingen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen, afvalwaterleidingen, en dergelijke. Indien dergelijke leidingen in het plangebied voorkomen zullen deze als zodanig bestemd moeten worden, inclusief de afstand die vrijgehouden moet worden van bebouwing ter bescherming van de leiding. Haarlemmermeer wil dat vergunningplichtige antenne-installaties op een stedenbouwkundig en maatschappelijk verantwoorde wijze ingepast worden in het landschap en de bebouwde omgeving. Daarom stelt Haarlemmermeer beleidsregels vast voor de plaatsing van antenneinstallaties. De belangrijkste uitgangspunten voor deze beleidsregels zijn: 1. Haarlemmermeer verleent medewerking aan het opbouwen van netwerken voor mobiele telecommunicatie; 2. Met de stedenbouwkundige beleidsregels waarborgen we dat de antenne-installaties op een maatschappelijk aanvaardbare wijze worden geplaatst; 3. Plaatsing van antenne-installaties vindt op planologisch en landschappelijk verantwoorde wijze plaats zodat de aantasting van landschap en horizon zoveel mogelijk wordt beperkt.
5.9.1 Onderzoek Binnen het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen. Mogelijk zijn diverse niet-planologisch relevante leidingen aanwezig zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen en/of drainageleidingen. Deze kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/in combinatie met aanwezige weginfrastructuur. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient hiermee rekening te worden gehouden. Daarnaast bevindt zich in de nabije omgeving van het plangebied twee hoogspanningslijnen, namelijk de 380 kV Vijfhuizen - Bleiswijk en de 150 kV Haarlemmermeer - Sassenheim, beide in het beheer van TenneT. De 380 kV lijn betreft een Wintrackmast, waarbij de magneetveldzone maximaal 100 meter bedraagt. Voor de 150 kV lijn bedraagt de magneetveldzone maximaal 80 meter vanaf het punt midden onder de hoogspanningslijn. Het plangebied is gelegen op circa 300 meter, waardoor de locatie niet binnen de magneetveldzone van hoogspanningslijnen is gelegen.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
43
Figuur 11. Uitsnede Hoogspanningsnetkaart, plangebied geel omlijnd
5.9.2 Conclusie
Het aspect Kabels, leidingen en telecommunicatie staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
5.10 Licht Strikte normen voor kunstmatige verlichting in de vorm van afstandsbepalingen zijn er niet. De regelgeving richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Specifiek voor bestemmingsplannen is voor sommige activiteiten Hoofdstuk 7 Milieueffectrapportage van de Wm van toepassing. Bijvoorbeeld voor grote projecten waarbij lichthinder kan ontstaan, is kunstmatige verlichting een van de milieuaspecten waarop het een en ander moet worden afgewogen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan (auto)wegen, grote oppervlakten met kassen, grote woningbouw projecten, stadsontwikkelingsprojecten of industriegebieden. De kern van het rijksbeleid ten aanzien van licht is dat donkerte hoort tot een van de kernkwaliteiten van het landschap onder het kopje belevingskwaliteit. Het rijksbeleid is gericht op het in beeld brengen, realiseren en veiligstellen van de gewenste leefomgevingkwaliteit door het terugdringen van verstoring door activiteiten op het platteland (geluid, licht, stank). Ook worden het gebruik van energiezuinige (straat)verlichting bij gemeenten en provincies bevorderd met behoud van kwaliteit en (verkeers)veiligheid.
5.10.1 Onderzoek
Het verzorgingshuis wordt gebouwd in een al verlichte omgeving, als gevolg van de bestaande woning, en zal daarom geen extra ongewenst effect hebben op de leefomgevingskwaliteit.
5.10.2 Conclusie Het aspect licht staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
44
5.11 Lucht 5.11.1 Wet- en regelgeving Wet luchtkwaliteit De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in de Wet luchtkwaliteit. De hoofdlijnen van deze wet zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wm. De luchtregelgeving is uitgewerkt in een aantal AMvB's en Ministeriële Regelingen. Wet milieubeheer (Wm) In bijlage II van de Wm zijn voor de volgende stoffen grenswaarden voor de concentratie in de buitenlucht opgenomen: stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), koolmonoxide (CO). Uit metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en berekeningen van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat aan de grenswaarden voor benzeen, zwaveldioxide, lood en koolmonoxide al geruime tijd in (nagenoeg) geheel Nederland wordt voldaan. In de Nederlandse situatie leveren alleen de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) problemen op in relatie tot de wettelijke normen. De wijze waarop het aspect luchtkwaliteit in acht genomen dient te worden bij planvorming is geregeld in artikel 5.16 en 5.16a van de Wm.
Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijkeconomische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Grenswaarden uit bijlage II van de Wm worden niet overschreden, of Per saldo verbetert de luchtkwaliteit of blijft tenminste gelijk, of Het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit (aan concentratie PM10 en NO2)2, of Het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)3. In aanvulling op het bovenstaande toetsingskader stelt de AMvB ‘Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’ dat bij de voorgenomen realisering van gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, verzorgingshuizen en dergelijke, op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, moet 2 De AMvB ‘Niet In Betekenende Mate bijdragen’ legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de
concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3%-grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) of fijn stof (PM10). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide als fijn stof. Voor dergelijke projecten hoeft geen luchtkwaliteitonderzoek te worden uitgevoerd. Ook is toetsing aan normen niet nodig. 3 Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Met het NSL is in 2005 gestart
omdat Nederland niet tijdig aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit kon voldoen. Nederland heeft een plan gemaakt waaruit duidelijk wordt hoe de grenswaarden wel worden bereikt. In het NSL zijn allerlei grote projecten opgenomen die men wil uitvoeren samen met maatregelen die worden uitgevoerd om de concentratiebijdrages van deze grote projecten te compenseren. De concentratiebijdrage van NIBM-projecten wordt tevens gecompenseerd door deze maatregelen. Voor de projecten die in het NSL zijn opgenomen, hoeft geen luchtkwaliteitonderzoek te worden uitgevoerd. Ook is toetsing aan de normen niet nodig.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
45
worden onderzocht of op die locaties sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en/of NO2. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo’n (dreigende) overschrijding, dan mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Als het echter gaat om de uitbreiding van een bestaand gebouw of een door het gebouw vervulde functie, dan is een eenmalige toename van ten hoogste tien procent van het rechtens toegestane aantal personen dat op de desbetreffende locatie verblijft, toegestaan. Het maakt voor de vestiging van gevoelige bestemmingen niet uit of het deel uitmaakt van ‘niet in betekenende mate’ projecten of ‘in betekenende mate’ projecten. De AMvB ‘Gevoelige Bestemmingen’ moet in beide gevallen worden nageleefd.
5.11.2 Onderzoek
Een plan voor een verzorgingstehuis met 40 kamers valt ruim binnen de getalsmatige grenzen die er zijn bepaald voor verschillende categorieën van projecten, die de luchtkwaliteit niet in betekenende mate (NIBM) verslechteren Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 5.14 Verkeer) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Figuur 12. NIBM-rekentool, geraadpleegd 2 maart 2023
In aanvulling op bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen het plangebied een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen wordt mogelijk gemaakt. Dit besluit beoogt extra bescherming te bieden aan groepen mensen met een verhoogde gevoeligheid voor luchtverontreinigende stoffen (zijnde kinderen, jongeren, zieken en ouderen). Er gelden onder meer beperkingen voor het ontwikkelen van gevoelige bestemmingen binnen 50 m vanaf de rand van een provinciale weg. De afstand tussen het beoogde verzorgingshuis en de provinciale weg N207 is ruim 200 m en levert derhalve geen beperkingen op in de zin van het Bgb. De gemeente hanteert daarnaast nog minimale afstanden van een gevoelige functie tot een 'drukke weg'. Deze afstanden worden hieronder weergegeven. Nieuw-Vennep IJweg 1762
46
Figuur 13. Afstanden tussen gevoelige functie en drukke weg
Om te bepalen of sprake is van een drukke weg en welke afstand in acht moet worden genomen, wordt gekeken naar de verkeersintensiteit. Er wordt daarom niet apart onderscheid gemaakt tussen een gemeentelijke weg en een provinciale weg. Bij het bepalen van de afstand wordt gemeten van de rand van de weg tot de grens waar de gevoelige functie begint (verblijfsfunctie). Dit is doorgaans de (voor)gevel van het gebouw. Er wordt dan gemeten vanaf de buitenkant van de gevel. Wanneer de buitenruimte echter een wezenlijke verblijfsfunctie heeft dan wordt gerekend tot de grens van dit verblijfsgebied. Hierbij te denken aan schoolpleinen en (achter)tuinen van woningen. De verkeersintensiteit op het gedeelte van de N207 dat op ruim 200 meter afstand ten zuiden van de projectlocatie ligt, bedraagt tussen de 10.000 en 20.000 mvt/etmaal. Conform de afstanden in figuur 13 dient derhalve sprake te zijn van minimaal 30 meter afstand tussen de gevoelige functie en de N207. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Verder is ten noordwesten van de projectlocatie de IJweg gelegen. De verkeersintensiteit op deze weg ligt niet hoger dan 10.000 mvt/etmaal. De afstand tussen de gevoelige functie en de weg dient derhalve tien meter te bedragen. Het plangebied grenst hier echter direct aan, de verblijfsfunctie ligt echter op een afstand van ruim 50 meter.
Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
47
Figuur 14. Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van plangebied
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.
5.11.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
5.12 Luchtvaartverkeer 5.12.1 Wet- en regelgeving Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bevat ruimtelijke maatregelen op rijksniveau die verband houden met de luchthaven Schiphol. Het Luchthavenverkeerbesluit is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchthavenluchtverkeer. Samen vormen deze besluiten een uitwerking van hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart.
5.12.2 Onderzoek Het voorliggende plan ligt in het beperkingengebied van de luchthaven Schiphol. Er zijn een aantal beperkingen van toepassing op deze locatie. Op deze locatie ligt een maximale toetshoogte voor gebouwen van 146 meter boven NAP en in verband met radar 78 meter boven NAP. En geldt er een toetszone windturbines en laser. Met de beoogde realisatie van "De Hofstede Hermanshoeve" is de toetszone windturbines en laser niet van belang en aan de maximale toetshoogte wordt ruimschoots voldaan. Het bestemmingsplan staat immers slechts een hoogte van 9,5 meter toe. De beperking betreffende vogel aantrekkende werking speelt niet. Wel is de beperking voor windturbines en lasers van kracht maar gezien het planvoornemen vormt dit geen probleem. Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol vormt geen beperking voor het planvoornemen.
5.12.3 Conclusie
Het aspect luchtvaartverkeer staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
5.13 Milieueffectrapportage Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wm en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen, waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden Nieuw-Vennep IJweg 1762
48
beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit de C- en D-lijst geldt een m.e.r.-plicht respectievelijk m.e.r.-beoordelingsplicht. Als een voorgenomen ontwikkeling activiteiten bevat zoals opgenomen in de D-lijst van het besluit m.e.r. (kolom 1), maar beneden de drempelwaarden in deze lijst ligt (kolom 2), dan is er een vormvrije m.e.r.-beoordeling mogelijk. Er dient bij elke m.e.r.-vorm een aanmeldnotitie te worden opgesteld. In overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit wordt beoordeeld of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Overigens moet daarnaast worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan hebben, waarbij naast de drempelwaarden ook de omstandigheden ter plaatse worden betrokken. Dit in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 15 oktober 2009 (C-225/08). Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden en bij een m.e.r.beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart zal moeten worden.
5.13.1 Onderzoek
De ontwikkeling omvat de realisatie van een verzorgingshuis met maximaal 40 kamers. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling van 14 juli 2023 is toegevoegd aan de bijlagen bij dit bestemmingsplan. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit. M.e.r.-beoordelingsbesluit Op [datum] heeft het college een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen, waaruit volgt dat het doorlopen van een MER niet noodzakelijk is.
5.13.2 Conclusie
Op basis van de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de herontwikkeling van het plangebied niet leidt tot belangrijke negatieve milieugevolgen. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
Nieuw-Vennep IJweg 1762
49
5.14 Verkeer Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
5.14.1 Onderzoek Parkeren De gemeente Haarlemmermeer heeft op 4 oktober 2018 het paraplubestemmingsplan “Parapluplan parkeerregels” vastgesteld. Met het verdwijnen van de grondslag voor het toetsen aan stedenbouwkundige aspecten in de gemeentelijke bouwverordeningen, is het wenselijk op een andere wijze te voorzien in een toetsingskader voor parkeren. Met het parapluplan wordt voor het gehele gemeentelijke grondgebied voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. Het parapluplan legt de koppeling met de gemeentelijke “Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018 ”. Een nieuwe ontwikkeling dient aan de regels uit deze uitvoeringsnota te voldoen. Met het parkeerbeleid wil de gemeente Haarlemmermeer de parkeerbehoefte faciliteren, maar wel binnen bepaalde grenzen. Parkeren voor een voorziening of functie moet bij die voorziening worden opgelost, zoveel mogelijk op eigen terrein of binnen de plangrenzen van een ontwikkeling. Er moet voldoende parkeeraanbod gerealiseerd worden om de reguliere parkeervraag te kunnen faciliteren.
Het parkeerbeleid heeft tot doel: - het bevorderen van de bereikbaarheid van voorzieningen: o toepassen van geschikte parkeernormen voor de diverse woon- en werkgebieden; o zorgen voor een acceptabele parkeerdruk (verhouding vraag en aanbod); o helder informeren over de parkeermogelijkheden (parkeerverwijzing). - het terugdringen van objectieve parkeeroverlast in woonwijken om de leefbaarheid te bevorderen: o niet teveel blik op straat (aanzicht); o geen ongewenst (illegaal) parkeergedrag. Binnen het plangebied worden 40 kamers toegevoegd in de categorie verpleeg- en verzorgingstehuis in de rest bebouwde kom met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. De locatie is gelegen op meer dan 750 meter van een station of HOV-halte, waardoor de bandbreedte maximaal wordt aangehouden. Dit komt neer op een parkeernorm van 0,7 parkeerplaatsen per kamer, waarvan 60% voor bezoekers is. De autonome parkeervraag bedraagt 28 parkeerplaatsen. Het plan bevat 31 parkeerplaatsen, waarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Het uitgangspunt van de gemeente is om zo min mogelijk auto's op het 'erf' te parkeren, zodat er sprake blijft van een 'open erf'. Hierdoor is het de bedoeling dat de 7 noordelijke parkeerplaatsen, hoewel van een groene omzooming voorzien, zo min mogelijk worden gebruikt omdat deze het Nieuw-Vennep IJweg 1762
50
meest afbreuk doen aan de uitstraling van het erf. Om te bewerkstelligen dat deze parkeerplaatsen in beginsel niet worden gebruikt, worden deze parkeerplaatsen nog niet van een markering voorzien. Mocht uit monitoring blijken dat deze parkeerplaatsen toch gebruikt (moeten) worden, zal de markering worden aangebracht. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ook bij gebruik van deze parkeerplaatsen, de achtergelegen gebouwen in het geval van calamiteiten te allen tijde bereikbaar blijven. Figuur 15. Situatietekening parkeren
Verkeersgeneratie Het CROW kent voor verpleeg- en verzorgingshuizen geen kengetallen voor de verkeersgeneratie. Derhalve is er een inschatting gemaakt op basis van de volgende aannames. De toekomstige bewoners zullen niet in staat zijn om zelf met de auto te rijden. De initiatiefnemer is in gesprek met een partij die woonruimte biedt aan mensen met dementie en/of ouderenzorg in de laatste fase van hun leven. Derhalve zullen de bewoners geen auto bezitten. Op de locatie zal 24-uurs zorg aanwezig zijn, verdeeld over 3 personeelsshifts op 1 dag. De verwachting is dat er 1 verzorgende op 8 personen zal werken, dus circa 5 personen in één shift zijn. Daarnaast zal er mogelijk nog één persoon aanwezig zijn ten behoeve van de receptie en het eten. In totaal zijn er per shift 6 personen aanwezig. Deze personen dienen naar de locatie toe te rijden en weer weg, wat resulteert in 36 mvt/etmaal voor personeel. Hierbij is uitgegaan van een worstcase scenario, omdat personeel ook lopend, met de fiets, scooter of openbaar vervoer kan komen. De was zal waarschijnlijk in het pand worden gedaan, waardoor daar geen vervoersstromen aan zijn te wijden. Wel worden eten, drinken en andere goederen geleverd. In een worstcase scenario is er 3 keer per dag een levering van goederen, met een heen- en terugweg. Derhalve zijn er 6 mvt/etmaal als gevolg van het leveren van goederen.