3127050-W
Tekst van het document
POMPEN 90. ALGEMEEN Pompen dienen voorzien van alle toebehoren te worden geleverd en gemonteerd. Alvorens tot bestelling over te gaan, dient de aannemer alle technische gegevens ter goedkeuring aan de directie voor te leggen. 91. ALGEMEEN Het motorvermogen van elke pomp dient tenminste 1,2 x het berekende asvermogen te zijn. 92. ALGEMEEN De pompen dienen geschikt te zijn voor en bestand tegen de te verplaatsen vloeistof. De toe te passen elektromotoren dienen voor dit doel geschikt te zijn. Zij dienen van thermische beveiligingen en daar waar nodig van werkschakelaars te worden voorzien. 93. ALGEMEEN De elektromotoren van inbouwpompen in gekoeld watersystemen dienen bestand te zijn tegen condensvorming in de wikkelingen van de motoren. 94. ALGEMEEN Op de pompen dienen de ontwerpeisen ten aanzien van opbrengst en opvoerhoogte onuitwisbaar te zijn aangebracht. 95. MONTAGE De pompen dienen vrij van mechanische spanningen te worden aangesloten. 96. MONTAGE Inbouwpompen dienen zodanig te worden gemonteerd dat geen geluids- of trillingshinder kan ontstaan. Bij het transport van gekoeld water dient ervoor gezorgd te worden dat in de elektromotor geen condensvorming optreedt. Bij inbouwpompen dient de elektrische aansluiting aan de onderzijde te worden aangebracht. 97.
MONTAGE Fundatiepompen dienen compleet met motor, beschermde flexibele koppeling en mechanical seals te worden geleverd en op een fundatieplaat worden gemonteerd. 98. MONTAGE Ter voorkoming van geluidsoverdracht dienen flexibele aansluitingen te worden geïnstalleerd. Het leidingnet dient dicht bij deze overgang van een vast punt te worden voorzien. Afsluiters dienen in het leidingnet te worden opgenomen en zij mogen geen deel uitmaken van de pomp, noch daardoor in beweging worden gebracht. 99. IN BEDRIJF STELLEN Wanneer in de vloeistofcircuits geen filters zijn aangebracht, dienen voor het in bedrijf stellen van de pompen tijdelijk vlakke zeven te worden ingebouwd. Deze zeven dienen in een passtuk aan de zuigzijde van de pomp te worden aangebracht en mogen pas na diverse dagen pompbedrijf, wanneer er geen vuil meer in de leidingen kan worden verwacht, verwijderd worden.
Concept
09.01.26
APPENDAGES 90. APPENDAGES Alle appendages dienen geschikt te zijn voor de druk en temperatuur van de betreffende installatie en tevens bestand zijn tegen de voor die installatie geldende afpersdruk. De appendages tot en met een doorlaat van 40 mm mogen indien niet anders vermeld met een
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
91.
92.
93.
94.
95.
96.
09.01.27
18 02.02.2024
gasdraadverbinding zijn uitgevoerd. Alle overige appendages dienen met een flensverbinding te zijn uitgevoerd volgens DIN 2533. APPENDAGES De appendages dienen zodanig te worden gemonteerd dat er voldoende mogelijkheid is voor goede bedieningen en onderhoud. APPENDAGES Afsluiters dienen met de spindels horizontaal of naar beneden gericht aan te brengen om uitdroging van pakkingsmaterialen door aanwezigheid van lucht in het afsluitershuis te voorkomen. APPENDAGES Appendages en regelapparatuur zodanig inbouwen dat lekkende flenzen, koppelingen en pakkingsbussen geen schade aan apparatuur kunnen veroorzaken. APPENDAGES. Het meetbereik van de thermometers en de manometers dienen zodanig te worden gekozen dat de maximaal en minimaal te verwachten waarden nog juist binnen de schaal vallen. APPENDAGES Temperatuurmeters in watervoerende leidingen dienen met een losse zakbuis te zijn uitgevoerd. APPENDAGES Manometers dienen compleet met een manometerkraan met ontluchting te zijn uitgevoerd en bij hoge temperatuur met een sifon pijp zijn uitgevoerd.
LUCHTBEHANDELINGSINSTALLATIE 1 90. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: ALGEMEEN Alvorens tot bestelling over te gaan, dient de aannemer alle technische gegevens ter goedkeuring aan de directie voor te leggen. Hiertoe behoren onder meer de gegevens over (meng-) klepsamenstelling, de filterkwaliteit, de samenstelling en de capaciteit van luchtverwarmers en koelers, de uitvoering van de lekbak, bevochtigingssectie en druppelvanger, de ventilatorcapaciteit, het geluidsvermogen, het motorvermogen alsmede de ondersteuning of ophanging van het geheel. 91. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: ALGEMEEN Op elke sectie dient een witte naamplaat met zwarte tekst te worden aangebracht waarop vermeld de functie en capaciteiten van de sectie. Tevens dient de luchtrichting te worden aangegeven. Tussen alle onderdelen dienen afsluitbare meetpunten te worden opgenomen voor het meten van statische drukken en voor het meten van de temperatuur. Voor het signaleren van drukverschillen over de filters en de ventilatoren dienen eveneens meetpunten te zijn aangebracht. Alle aansluitingen, naamplaten en meetpunten dienen aan de bedieningszijde te zijn aangebracht. 92. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: ALGEMEEN Druppelvangers dienen uit corrosiebestendig materiaal (RVS, kunststof of dergelijke) te zijn vervaardigd. 93. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: ALGEMEEN Voor ventilatoren wordt verwezen naar art. 09.01.29.
Bij toepassing van regelbare inlaatschoepen dient tevens verlichting en patrijspoort te worden aangebracht, zoals onder art. 09.01.28 sub 95 is beschreven. 94. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: OMKASTING Met het oog op onderhoud dienen luchtbehandelingskasten van inspectiedeuren te worden voorzien. De inspectiedeur ten behoeve van een bevochtigingssectie dient van een patrijspoort te zijn voorzien. 95. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: OMKASTING De kasten dienen uit thermisch verzinkte staalplaat te worden vervaardigd van tenminste 1 mm dikte. Bij buitenopstelling dienen de kasten koudebrugvrij en (uitwendig) weersbestendig te zijn uitgevoerd. Het geheel dient strak, trillingvrij en luchtdicht te worden uitgevoerd. 96. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: LUCHTKLEPPEN Servomotoren en het bedieningsmechanisme van luchtkleppen, vorstbeveiligings- of
Concept
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
19 02.02.2024
regelthermostaten, regelvoelers, werkschakelaars, verlichting (24 V) met schakelaar en controlelamp en dergelijke dienen door de kastenfabrikant te worden aangebracht, bij binnenopstelling ten alle tijden buiten de kast, bij buitenopstelling in overleg met directie. 97. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: LUCHTKLEPPEN Luchtkleppen in mengsecties dienen zodanig te roteren dat een goede menging van buiten- en retourlucht wordt verkregen. Tevens dienen de afmetingen te worden geselecteerd afhankelijk van een autoriteit van 50%. De autoriteit dient middels berekeningen te worden overlegd. De lekluchthoeveelheid van luchtkleppen mag de grens van 900 m³/h per m² klepoppervlak bij een drukverschil van 1000 Pa niet overschrijden. Indien servomotorbediening wordt toegepast dient deze zoveel mogelijk buiten de luchtbehandelingskast te zijn aangebracht. De bedieningsas van de luchtklep dient te zijn voorzien van een klepstandaangever. De kleppenregisters dienen zoveel mogelijk buiten op de kast te zijn aangebracht. 98. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: FILTERS Filterelementen dienen op zodanige wijze in de daarvoor bestemde sectie te worden gemonteerd dat geen lekkage van ongefilterde lucht ontstaat en de filters aan de zijde van de luchtintrede op eenvoudige wijze kunnen worden verwisseld c.q. worden gereinigd. 99.
LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: FILTERS De luchtweerstand over de filters dient door middel van een manometer te worden aangegeven. De manometer dient van een schaalverdeling te worden voorzien passend bij de begin- en eindweerstand en voorzien zijn van een resopalplaatje waarop de eindweerstand staat aangegeven ter aanduiding wanneer de filter vervangen dient te worden. De bodem van de sectie onder de filters dient te worden beschermd met een rubberen inlage met opstaande kanten van tenminste 2 cm om als gevolg van afscheiding van agressief vocht, corrosie te voorkomen. 09.01.28
Concept
LUCHTBEHANDELINGSINSTALLATIE 2 90. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: KOELBATTERIJEN Indien een koelbatterij voor directe expansie is gespecificeerd dan dient per circuit twee gescheiden verdeelkoppen te worden opgenomen, namelijk 1 voor de vloeistof en 1 voor de hotgas by-pass. Na de verdeelkoppen dient de vloeistof en de hotgas by-pass per inspuiting te worden samengevoegd. De minimale toegestane verdampingstemperatuur is 5°C. 91. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: KOELBATTERIJEN Koelbatterijen dienen, tenzij anders is vermeld, te worden vervaardigd uit koperen pijp met aluminium lamellen. De batterijen dienen te worden voorzien van een ontluchtings- en aftapvoorziening. Tevens dient een condenswaterafvoerbak te worden geleverd. De condenswaterafvoerleiding dient te worden voorzien van een sifon die dient te zijn afgestemd op de te verwachten onder- of overdruk. 92. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: KOELBATTERIJEN In tegenstelling tot het onder art. 09.01.28 sub 91 bepaalde, dienen besproeiingskoelers uit koperen pijpen en koperen lamellen te worden vervaardigd. Batterijen met een hoogte groter dan 800 mm dienen te worden gedeeld en te worden uitgevoerd met een of meer lekgoten, die eveneens dienen te worden uitgevoerd zoals onder art. 09.01.28 sub 91 is beschreven. 93.
LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: VERWARMINGSBATTERIJEN Verwarmingsbatterijen dienen, tenzij anders is vermeld, te worden vervaardigd uit koperen pijp met aluminium lamellen. De batterijen dienen te worden voorzien van een ontluchtingsen aftapvoorziening. 94. LUCHTBEHANDELINGSKASTEN: BATTERIJEN Batterijen dienen in principe volgens het tegenstroomsysteem te worden aangesloten. Daar waar temperaturen onder het vriespunt kunnen worden verwacht, dienen de verwarmingsbatterijen volgens het gelijkstroomsysteem te worden aangesloten.
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
09.01.29
20 02.02.2024
LUCHTBEHANDELINGSINSTALLATIE 3 90. VENTILATOREN Ventilatoren dienen geleverd te worden met frame, trillingsdempers, contraframe en flexibele kanaalaansluitingen met contraflenzen. Alvorens tot bestelling over te gaan dient de aannemer eerst alle technische gegevens ter goedkeuring aan de directie voor te leggen. 91. VENTILATOREN Het motorvermogen van elke ventilator dient minimaal 1,2 x het berekende asvermogen te zijn. De aanlooptijd dient lager te zijn dan 8 seconden. 92. VENTILATOREN De ventilatoren dienen geschikt te zijn voor en bestand zijn tegen de te verplaatsen gassen. De toe te passen elektromotoren dienen voor dit doel geschikt te zijn en van thermische veiligheden en waar nodig van een werkschakelaar te worden voorzien. 93. VENTILATOREN Ventilatoren die niet direct aan de motor zijn gekoppeld, dienen te worden uitgerust met een motor op spanslede. De aandrijving wordt dan tot stand gebracht door middel van een Vsnarentransmissie en wel zodanig, dat het grootste koppel vrijwel geluidloos en zonder slippen wordt overgebracht. Indien een buitenopstelling dient te worden toegepast, dient de Vsnaaroverbrenging tegen weersinvloeden te worden beschermd. Over vrij opgestelde snaarverbindingen dienen op eenvoudige wijze te verwijderen kappen te worden aangebracht, die van openingen voor het meten van rotatiefrequenties zijn voorzien. 94.
VENTILATOREN Ventilatoren, al of niet direct gekoppeld met een elektromotor, dienen tezamen voldoende verend te worden opgesteld, opdat geen ongewenste trillingen op bouwkundige constructies of installatieonderdelen worden overgedragen. In verband met het geluidsvermogen van elke ventilator dient ervoor te worden gezorgd dat de maximaal toelaatbare geluidsdruk in een ruimte niet wordt overschreden. Hiertoe dient de aannemer de nodige voorzieningen te treffen in de vorm van geluidabsorptie in toe- en afvoerwegen. 95. VENTILATOREN De draaiende delen van een ventilator dienen statisch en dynamisch te zijn gebalanceerd. Metaaloppervlakken dienen tegen corrosie of roestvorming te zijn beschermd. 96. VENTILATOREN Indien pers- en/of aanzuigopeningen van ventilatoren niet zijn aangesloten op een kanaal, dienen te worden afgeschermd met stevig verzinkt draadgaas. Raam- en gevelventilatoren dienen te worden voorzien van regeninslag werende schoepen. 97. VENTILATOREN Ventilatoropeningen dienen bij toepassing van een luchtbehandelingskast of van luchtkanalen, via een flexibele verbinding hierop te worden aangebracht. De trillingdempers dienen zodanig te zijn geselecteerd dat maximaal 20% van de trillingen in de laagste frequentie wordt doorgegeven van de onderliggende constructie.
Concept
09.01.30
LUCHTBEHANDELINGSINSTALLATIE 4 90. LUCHTROOSTERS EN DIFFUSORS Inblaasroosters al dan niet met instelbare richtingschoepen uitgevoerd dienen, evenals afzuigroosters, zodanig op de kanalen te worden aangesloten, dat de doorstromende hoeveelheid lucht gelijkmatig over het gehele oppervlak is verdeeld. Roosterschoepen mogen niet voor volume-instelling worden gebruikt. 91. LUCHTROOSTERS EN DIFFUSORS Alvorens roosters, diffusors en afzuigrozetten te bestellen, dient de aannemer in overleg met de directie alle maten, aansluitingen en wijze van bevestigen nader te bepalen. De kleuren dienen eveneens in overleg met de directie te worden bepaald. 92. LUCHTROOSTERS EN DIFFUSORS Afzuigrozetten dienen te worden geleverd compleet met de nisbussen benodigd voor de bevestiging in plafond of wand, afzuigrozetten dienen voorzien te zijn van een borging. 93. LUCHTROOSTERS EN DIFFUSORS
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
94.
95.
96.
97.
98.
99.
09.01.31
21 02.02.2024
Buitenluchtroosters dienen regeninslag-vrij te zijn en dienen met vogelbeschermgaas te zijn uitgevoerd. Voor zover niet anders is vermeld, dient rekening te worden gehouden met een inbouw-of inmetselframe. Het geheel dient verzinkt te zijn uitgevoerd. BRANDKLEPPEN Brandkleppen dienen te voldoen aan de NEN 6077, de brandkleppen dienen aan beide zijden van flensaansluitprofielen of manchetten te zijn voorzien. De brandkleppen dienen te zijn goedgekeurd door een officiële instantie (TNO) en voorzien te zijn van een motor. Hiervan dient een certificaat te worden overlegd. BRANDKLEPPEN De brandkleppen dienen van lichtlopende lagerbussen of geleidingen zijn voorzien en dienen zodanig te zijn geconstrueerd dat klemlopen is uitgesloten en dat bij dichte stand een volkomen afdichting is verkregen. Het bewegingsmechanisme (assenstelsel, veren, pallen, e.d.) dient corrosiebestendig te zijn uitgevoerd. BRANDKLEPPEN De brandkleppen dienen zodanig in de kanalen te worden gemonteerd, dat het draaipunt van de klep in de brandwerende muur is gesitueerd. De vrije doorlaat van de brandklep in geopende stand dient minimaal gelijk te zijn aan de kanaalmaat waarin de klep is opgenomen. Brandklep dient hierdoor 20% groter gedimensioneerd te worden dan het betreffende kanaal. De bevestiging van de brandklep dient onafhankelijk van de kanalenophanging te zijn.
BRANDKLEPPEN Brandkleppen dienen zodanig te worden aangebracht dat het mechanisme vrij kan bewegen en dat het opnieuw instellen van de veer of het vervangen van de smeltpatroon via een inspectieluik of montagepaneel mogelijk is. Het bedieningsmechanisme dient buiten de luchtstroom zijn aangebracht. Op het bedieningsmechanisme dient een mechanische klepstandwijzer te zijn aangebracht. BRANDKLEPPEN De plaats en de uitvoering van de brandkleppen alsmede de montage ervan dienen te voldoen aan de eisen van de plaatselijke brandweer. BRANDKLEPPEN Indien, om de brandwerendheid van de doorvoering te waarborgen, aanvullende brandwerende isolatie om de brandkleppen en de daarop aangesloten kanalen dient te worden aangebracht, behoort dit eveneens tot de werkzaamheden van de aannemer.
Concept
LUCHTBEHANDELINGSINSTALLATIE 5 90. GELUIDDEMPERS Voordat de aannemer overgaat tot bestellen van geluiddempers dient het fabrikaat eerst ter goedkeuring aan de directie te worden voorgelegd. Er dient aandacht te worden besteed aan het zgn. eigen geluid dat door de demper wordt geproduceerd. Dempers voor het absorberen van machinegeluid dienen zoveel mogelijk in de technische ruimten te worden aangebracht, en wel zo dat omloopgeluid via kanaalwanden wordt voorkomen. 91. GELUIDDEMPERS Indien coulissendempers worden toegepast dan dienen de coulissen te bestaan uit sendzimir verzinkt plaatstalen frame waarin opgenomen erosievast absorptiemateriaal tot een luchtsnelheid van 20 m/s. 92. GELUIDDEMPERS Geluiddempende luchtroosters dienen zodanige eigenschappen te hebben dat geen storingen door machinegeluid voor de directe omgeving kunnen optreden. Dit geldt ook voor luchtgeluid tussen diverse vertrekken of gangen in verband met overspraak e.d. 93. GELUIDDEMPERS Indien zonder speciale voorzieningen de geluidsnormen van de Milieuvergunning worden overschreden, dient bij in de buitenlucht opgestelde apparatuur, zoals compressoren, luchtkoelbatterijen e.d. geluidabsorberende schermen of wanden toegepast. Deze schermen of wanden dienen te zijn vervaardigd uit gegalvaniseerde geperforeerde staalplaat met een
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
94.
95.
96. 97.
98.
09.01.32
22 02.02.2024
dichtheid van 70 kg/m³. De andere zijde dient te zijn afgewerkt met gesloten gegalvaniseerde staalplaat. Constructie, alsmede maatregelen ten aanzien van geluidsabsorptie en geluidwering dienen in overleg met de directie te worden getroffen. DAKKAPPEN Dakkappen al dan niet met een ventilator uitgevoerd, dienen te zijn vervaardigd uit weer- en corrosiebestendig materiaal. De constructie dient zodanig te zijn dat binnendringen van vocht of het doorlaten van hemel- of smeltwater wordt uitgesloten. DAKKAPPEN Indien een dakkap met toe- of afvoerventilator wordt geleverd, dient een werkschakelaar te worden gemonteerd. DAKKAPPEN Dakdoorvoerkokers behoren tot de levering volgens de TO. DAKKAPPEN Dakopstanden ten behoeve van aanzuig- of uitblaaskappen behoren tot de levering volgens deze TO, tenzij anders is vermeld. DAKKAPPEN Van de dakopstanden, die tot de levering van de aannemer behoren, dienen de detail- en sparingstekeningen tijdig ter goedkeuring aan de directie te worden aangeboden. Metalen dakopstanden, dakdoorvoerkokers en ravelingen dienen voor het aanbrengen van de dakisolatie te worden gemonteerd.
LUCHTBEHANDELINGSINSTALLATIES 6 90. TRILLINGSDEMPERS Trillingdempers dienen zodanig te worden geselecteerd dat maximaal 20% van de trillingen in de laagste frequentie doorgegeven aan de onderliggende constructie. 91. TRILLINGSDEMPERS Bij werkzaamheden aan of in de buurt van opgestelde apparatuur dienen de trillingsdempers te worden kortgesloten door middel van houten klossen, teneinde overbelasting deformatie te voorkomen.
Concept
09.02
LEIDINGEN
09.02.10
WARM WATER- EN KOELWATERLEIDINGEN 90. WARM WATER- EN KOELWATERLEIDINGEN Leidingen met een nominale middellijn tot en met 40 mm dienen te voldoen aan NEN-EN 10220 middelzware naadloos gelaste stalen draadpijp met de volgende maatvoeringen: Nom.mm uitwend. wanddikte (inch) mm mm 10 (3/8) 17,2 2,3 15 (1/2) 21,3 2,6 20 (1/4) 26,9 2,6 25 (1 ) 33,7 3,2 32 (1¼ ) 42,4 3,2 40 (1½ ) 48,3 3,2 91. WARM WATER- EN KOELWATERLEIDINGEN Leidingen met een nominale middellijn groter dan 40 mm dienen te voldoen aan NEN 2323 naadloze stalen draadpijp met de volgende maatvoeringen: Nom.mm uitwend. wanddikte (inch) mm mm 50 60,3 2,9 65 76,1 2,9
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
80 100 125 150 200 250 300 350 400 09.02.11
88,9 114,3 139,7 168,3 219,1 273,0 323,9 355,6 406,4
23 02.02.2024
3,2 3,6 4,0 4,5 6,3 6,3 7,1 8,0 8,8
STOOM- EN HEETWATERLEIDINGEN 90. STOOM- EN HEETWATERLEIDINGEN Art. 09.02.11 sub 91 geldt ook voor droge brandleidingen. 91. STOOM- EN HEETWATERLEIDINGEN Leidingen dienen te voldoen aan NEN 3257 zware naadloos gelaste stalen pijp met de volgende maatvoeringen: Nom.mm uitwend. wanddikte (inch) mm mm 10 (3/8) 17,2 2,9 15 (1/2) 21,3 3,2 20 (3/4) 26,9 3,2 25 ( 1 ) 33,7 4,0 32 (1¼ ) 42,4 4,0 40 (1½ ) 48,3 4,0 50 (2) 60,3 4,5 65 (2½) 76,1 4,5 80 (3) 88,9 4,8 100 (4) 114,3 5,4 125 (5) 139,7 5,4 150 (6) 165,1 5,4
Concept
09.02.13
TAPWATERLEIDINGEN 90. TAPWATERLEIDINGEN De leidingen tot en met een nominale middellijn van 54 mm dienen te worden uitgevoerd in naadloze koperen pijp volgens NEN-EN 1057 met de volgende afmetingen: nominaal wanddikte (=uitw.) mm mm 12 1,0 15 1,0 22 1,1 28 1,2 35 1,5 42 1,5 54 1,5 91. TAPWATERLEIDINGEN Leidingen met een nominale middellijn groter dan 54 mm dienen te worden uitgevoerd in naadloze koperen pijp volgens NEN-EN 1057 met de volgende afmetingen: nominaal wanddikte (=uitw.) mm mm 67 2,0 80 2,0 93 2,0 106 2,5 133 3,0 92. TAPWATERLEIDINGEN
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
24 02.02.2024
Terreinleidingen dienen te worden vervaardigd uit polyetheen KIWA gekeurd geschikt voor een werkdruk van 10 of 16 bar met de volgende afmetingen: nominaal 10 bar 16 bar (=uitw.) inw. inw. mm mm mm 40 32,6 29,0 50 40,8 36,2 63 51,4 45,8 75 61,2 54,4 90 73,6 65,4 110 90,0 79,8 125 102,2 90,8 160 130,8 116,2 09.02.14
AFVOERLEIDINGEN 90. AFVOERLEIDINGEN PVC leidingen dienen te voldoen aan NEN-EN 1401 en NEN-EN 1329 met KOMO-garantiemerk met de volgende afmetingen: Nominaal inwendig (=uitw.) mm mm 75,0 68,6 110,0 103,6 125,0 118,6 160,0 152,2 91. AFVOERLEIDINGEN HPE leidingen dienen te voldoen aan NEN-EN 1519 met KOMO-garantiemerk met de volgende afmetingen: nominaal inwendig (=uitw.) mm mm 40,0 34,0 50,0 44,0 63,0 57,0 75,0 69,0 90,0 83,0 110,0 101,4 125,0 115,4 160,0 147,6 250,0 234,4 92. AFVOERLEIDINGEN Mofloos gietijzeren afvoerpijpen dienen in en uitwendig geasfalteerd te worden uitgevoerd met de volgende afmetingen: nominaal uitwen- inwendig dig mm mm mm 50 58,0 51,0 70 78,0 70,6 100 110,0 102,0 125 135,0 126,0 150 160,0 150,0 93. AFVOERLEIDINGEN Volbad verzinkte stalen pijp inwendig gecoat dienen te worden toegepast volgens het fabrikaat Loromeij o.g. 94. AFVOERLEIDINGEN
Concept
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
25 02.02.2024
Leidingen voor de afvoer van agressieve stoffen dienen te zijn vervaardigd uit kunststof dat bestand is tegen de betreffende stof, damp of gas. 95. AFVOERLEIDINGEN Ontluchtings-, beluchtings-, overloop-, afblaas- en spuileidingen dienen te zijn vervaardigd uit in- en uitwendig verzinkte stalen draadpijp volgens NEN 3257 (licht). 96. AFVOERLEIDINGEN Condensafvoerleidingen van koelbatterijen en dergelijke dienen te worden uitgevoerd in naadloze koperen buis. Daar waar een constante stroming wordt verwacht, kunnen in overleg met de directie PVC-leidingen worden toegepast. 97. AFVOERLEIDINGEN Condensleidingen in stoomcircuits dienen te worden uitgevoerd in koperen pijp volgens NENEN 1057 of in gegalvaniseerde stalen pijp volgens NEN-EN 10220. 09.02.16
KOELMEDIUMLEIDINGEN 90. KOELMEDIUMLEIDINGEN Voor freonleidingen dienen naadloze koperen pijpen geschikt voor 28 bar te worden toegepast. Tot en met een nominale middellijn van 15 mm mogen zacht gegloeide pijpen (buis op rol) worden toegepast. Freonleidingen met een middellijn groter dan 15 mm dienen te zijn vervaardigd uit koud getrokken buis. Alle leidingen dienen inwendig schoon en gedroogd op het werk te worden aangevoerd. Zacht gegloeide buizen op een rol dienen met afgedichte einden te worden aangevoerd. Koud getrokken buizen dienen van goed sluitende afdekkappen te zijn voorzien. 91. KOELMEDIUMLEIDINGEN Leidingen voor pekel, NH3, CO2, SO2 en dergelijke dienen te zijn vervaardigd uit naadloze stalen pijp volgens NEN 3257 (zware wanddikte).
09.02.19
MONTAGE LEIDINGEN 1 90. ALGEMEEN De loop van de leidingen, de bevestigingen, de ondersteuningen en dergelijke dienen te worden aangepast aan de bouwkundige situatie en de bestemming van de desbetreffende ruimten. Ze dienen te worden bevestigd aan de dichtstbijzijnde constructie, wand, zoldering of dergelijke, mits de directie deze daarvoor geschikt acht. 91. ALGEMEEN Alle leidingen strak, te lood of onder de verlangde helling stellen. De in het zicht blijvende leidingen dienen een ordelijk en regelmatig geheel te vormen. 92. ALGEMEEN De onderlinge afstanden tussen evenwijdig aan elkaar lopende leidingen dienen overal gelijk te zijn, doch dienen minimaal 60 mm tussen de afgewerkte leidingen te bedragen. 93. ALGEMEEN Bij alle al dan niet geïsoleerde evenwijdig lopende leidingen dient de onderlinge afstand en de afstand tot andere afgewerkte oppervlakken zoals wanden, plafonds, balken, betimmeringen en dergelijke gelijk te zijn en minimaal 50 mm bedragen. Dit geldt ook voor elkaar kruisende leidingen. 94. ALGEMEEN De leidingen spanningsvrij monteren met voldoende mogelijkheid voor krimp en uitzetting. Zij dienen, in het bijzonder bij warmtetechnische installaties, vrij en geluidloos te kunnen uitzetten en krimpen. De leidingen dienen zodanig aangelegd te worden dat het aantal expansiebochten wordt beperkt tot het strikt noodzakelijke.
Toepassen van compensatoren is alleen toegestaan na goedkeuring van de directie. Daar waar door expansie of druk ongewenste bewegingen in de leidingen kunnen ontstaan dienen vastpunt constructies te worden gemaakt. Dit geldt zeker voor die plaatsen waar flexibele aansluitingen op apparatuur worden gemaakt. Tijdens de montage van de leidingen zal een passtuk op de plaats van een compensator dienen te worden ingebouwd. Een compensator mag niet eerder worden gemonteerd dan nadat alle leidingen gefixeerd zijn (gemonteerd, uitgelijnd en gebeugeld). 95. ALGEMEEN
TO: KUBUS/3127050-W
Concept
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
26 02.02.2024
De ophanging en ondersteuning van leidingen en toebehoren enerzijds en de ophanging, ondersteuning en fundatie van ketels, reservoirs, pompen, toestellen, verwarmingslichamen en dergelijke anderzijds, dienen zodanig te zijn, dat zij elkaar onderling niet belasten. 96. ALGEMEEN De directie is bevoegd een reeds gemaakte lasverbinding door de aannemer te doen uitnemen ter controle, in welk geval de aannemer de verbinding zonder verrekening vernieuwt. Bij afkeuring van de las worden de aannemer de controlekosten in rekening gebracht. 97. ALGEMEEN Ten behoeve van ophanging van geleide- en vastpuntcontructies dienen de benodigde staalconstructies te worden aangebracht, ook als deze niet op de tekeningen staan aangegeven. Het boren van de benodigde gaten in beton en dergelijke (tot en met een diameter van 20 mm) voor het bevestigen van beugels en deze behoort mede tot de werkzaamheden van de aannemer. 98. ALGEMEEN Alle genoemde constructies dienen in overleg met de directie te worden bepaald. Alle bevestigingsconstructies dienen volbad te worden verzinkt. 09.02.20
MONTAGE LEIDINGEN 2 90. BEUGELS Alle beugels dienen van metaal te zijn, het materiaal en de uitvoering van de beugels en de eventueel daarin liggende voering dienen zodanig te zijn, dat aantasting of beschadiging van de leiding is uitgesloten 91. VERTICALE LEIDINGEN Verticale leidingen dienen op gelijke hoogte en op afstand van ten hoogste 2 m door middel van pijpbeugels te worden bevestigd. Bij horizontale leidingen tot en met een diameter van 15 mm dienen de bevestigingsmiddelen, beugels en dergelijke om de 2 m te worden aangebracht. Leidingen met een grotere diameter kunnen op een afstand tot 3 m van bevestigingsmiddelen worden voorzien. 92. VERTICALE LEIDINGEN Verticale leidingen te bevestigen door middel van gegalvaniseerde solide beugels, met gevoerde inlaag. 93. BUIZEN EN FITTINGEN De scherpe kanten van alle buizen en fittingen worden zowel in- als uitwendig verwijderd. Voor het monteren van alle buizen uitkloppen en zonodig doorkogelen. Ter plaatse, waar de montage wordt onderbroken, alle open leidingen afdichten. 94. BUIZEN EN FITTINGEN Aan verzinkte buis mag nimmer worden gebogen of gelast. Indien genoemde handelingen toch noodzakelijk zijn, dan dient genoemde leiding na montage te worden gedemonteerd, gegalvaniseerd en opnieuw gemonteerd te worden. 95.
KOUDE VLOEISTOFLEIDINGEN Bij leidingen waar koude vloeistof doorheen vloeit en waarin schroefverbindingen worden toegepast, dient henneppakking met hesorietpasta B gifvrij te worden aangebracht. Bij gasleidingen en droge brandleidingen dienen de schroef- en/of flensverbindingen van pakkingsmateriaal met Giveg-keur te worden voorzien. Bij draadverbindingen boven 110°C dient locktite te worden toegepast. Het dichtingsmateriaal ten behoeve van flensverbindingen in andere soorten leidingen dient klingerit-pakking met grafietdekking overeenkomend materiaal (bijvoorbeeld Foliac J 166) te worden aangebracht. Overtollige dichtingsmaterialen dienen na de montage te worden verwijderd. 96. INBEDRIJFSTELLING Alvorens tot inbedrijfstelling wordt overgegaan, dienen de leidingen van de desbetreffende installaties te worden schoongespoeld met behulp van leidingwater. Hiertoe dienen op die plaatsen waar nodig voorzieningen te worden getroffen, dat het eventueel aanwezige vuil kan worden afgevoerd. 97. HORIZONTALE LEIDINGEN Horizontale leidingen t/m DN 200 te bevestigen door middel van gegalvaniseerde
Concept
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
27 02.02.2024
draadstangen en dubbel scharnierende gegalvaniseerde beugels met kogelgewricht. 98. HORIZONTALE LEIDINGEN Horizontale leidingen boven DN 200 te bevestigen door middel van gegalvaniseerde beugels in combinatie met gegalvaniseerde haken. 99. HORIZONTALE LEIDINGEN Horizontale koperen leidingen te bevestigen door middel van gegalvaniseerde draadstangen en koperen beugels, voor koudwaterleidingen zonder en voor warmwaterleidingen met scharnierend kogelgewricht. Voor bevestiging op wanden en dergelijke dienen Zamac muurbeugels te worden toegepast. 09.02.21
MONTAGE VAN WATERVOERENDE LEIDINGEN IN DE GROND 90. MONTAGE VAN WATERVOERENDE LEIDINGEN IN DE GROND Bij ligging van waterleidingen in de grond, waarin vorstgevaar kan optreden, dient een alzijdige gronddekking van tenminste een meter te worden toegepast. 91. MONTAGE VAN WATERVOERENDE LEIDINGEN IN DE GROND Aftakkingen van leidingen in de grond behoren flexibel te worden aangebracht, en te zijn voorzien van afsluiters met aftapkraan. De aftakkingen met bijbehorende afsluiters worden aangebracht in door derden te maken putten, tenzij deze TO anders aangeeft. 92. MONTAGE VAN WATERVOERENDE LEIDINGEN IN DE GROND Waar een in de grond liggende leiding door een muur van het gebouw of een ruimte daarvan wordt ingevoerd, dient de leiding te worden gelegd in een mantelbuis van een bij de leiding passende materiaalsoort. De ruimte tussen leiding en mantelbuis waterdicht afdichten. 93. MONTAGE VAN WATERVOERENDE LEIDINGEN IN DE GROND Bij kruising van leidingen dienen PVC-mantelbuizen te worden toegepast. 94. MONTAGE VAN WATERVOERENDE LEIDINGEN IN DE GROND Ter voorkoming van uitbuigen van de leidingen tijdens het afpersen, dienen de leidingen aan weerszijden te worden gesteund door piketpalen van een lengte van ca. 1 meter, en een diameter van ca. 60 mm. Gerekend dient te worden op het leveren en aanbrengen van 6 palen per leidinglengte van 10 m. De piketpalen behoren mede tot de levering.
Bochten dienen te worden afgesteund door een betonblok van ca. 500 x 500 mm. De betonblokken behoren mede tot de levering.
Concept
09.02.22
MONTAGE VAN TAPLEIDINGEN IN HET GEBOUW 90. MONTAGE VAN TAPLEIDINGEN IN HET GEBOUW De waterleidingen dienen vorstvrij te liggen. Alle stangafsluiters dienen te zijn gecombineerd met een aftapkraan. 91. MONTAGE VAN TAPLEIDINGEN IN HET GEBOUW Waterleidingen onder naadloze dekvloeren mogen uitsluitend worden uitgevoerd als uitneembare rechte oversteekleidingen. Zij dienen over de volle lengte te worden gevoerd door mantelbuizen met een diameter van tenminste drie maten boven de leidingdiameter. Deze mantelbuizen dienen uit te monden op open plaatsen, waar uitvloeiing door lekkage opvalt en van waaruit vervanging of herstelling van de leiding mogelijk is. 92. MONTAGE VAN TAPLEIDINGEN IN HET GEBOUW Indien een waterleiding wordt benut als aardleiding voor elektrische toestellen, dienen de nodige voorzieningen te worden aangebracht voor overbrugging in geval de in de waterleidinginstallatie opgenomen toestellen zouden worden verwijderd. 93. MONTAGE VAN TAPLEIDINGEN IN HET GEBOUW Alle toe te passen materialen dienen door de KIWA te zijn goedgekeurd en voldoen aan door het waterleverend bedrijf te stellen eisen. 94. MONTAGE VAN TAPLEIDINGEN IN HET GEBOUW Daar waar waterslag kan worden verwacht dienen waterslagdempers te worden toegepast. 95.
MONTAGE VAN TAPLEIDINGEN IN HET GEBOUW Alle tappunten dienen van een afzonderlijke stopkraan te worden voorzien met uitzondering van die welke reeds een aangebouwde stopkraan hebben zoals de drukspoelers, geisers, bandslanghaspels e.d.
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
28 02.02.2024
96. MONTAGE VAN TAPLEIDINGEN IN HET GEBOUW Draadverbindingen dienen te worden verpakt met hennep en hesoriet B (gifvrij). De flensverbindingen dienen te worden voorzien van rubber-kanvas pakkingen. 09.02.23
MONTAGE AFVOERLEIDINGEN 90. MONTAGE AFVOERLEIDINGEN De installaties dienen, voor wat betreft de toegepaste materialen, de montage en beproeving, te voldoen aan de eisen gesteld in het Bouwbesluit. Eveneens zijn van toepassing de in genoemde publicatie vermelde garantiekenmerken (KOMO, KIWA) en normalisatievoorschriften.
09.02.24
MONTAGE BUITENRIOLERING 90. MONTAGE BUITENRIOLERING Afhankelijk van de bodemsoort dient met de directie overleg te worden gepleegd over het graafwerk. Dit onder andere met het oog op te verwachten obstakels. De directie zal zo spoedig mogelijk alle beschikbare gegevens hierover verstrekken, waaronder die van de te verwachten grondwaterstand. 91. MONTAGE BUITENRIOLERING De sleuven dienen van voldoende afmetingen te zijn om in te graven onderdelen te kunnen plaatsen en de nodige verbindingen en dergelijke met de vereiste zorgvuldigheid tot stand te kunnen brengen. 92. MONTAGE BUITENRIOLERING De buislengten dienen zo te worden gekozen dat het aantal verbindingsstukken tot een minimum wordt beperkt. 93. MONTAGE BUITENRIOLERING De grondleidingen dienen vorstvrij te worden gelegd. Dit wil zeggen, zodanig dat het hoogst gelegen onderdeel van de leiding een gronddekking van ten minste 60 cm heeft. 94. MONTAGE BUITENRIOLERING Bodems van putten dienen met stroomprofielen te worden uitgevoerd. 95. MONTAGE BUITENRIOLERING Bij gebruik van hulpstukken dienen zoveel mogelijk stroomstukken te worden toegepast. 96. MONTAGE BUITENRIOLERING De riolering dient men een gelijkmatig verloop, zonder knikken, zakken en ruggen te worden aangelegd. Indien de bodemgesteldheid en de grondwaterstand dit noodzakelijk maken, dienen maatregelen te worden genomen om de geëiste aanleg te bewerkstelligen. 97.
MONTAGE BUITENRIOLERING Na het installeren dienen de onderdelen in fasen te worden doorgespoeld en dienen de verbindingen op dichtheid te worden beproefd. 98. MONTAGE BUITENRIOLERING Waar dit op tekening is aangegeven, dienen aansluitingen flexibel te worden aangebracht, bijvoorbeeld die van binnenrioleringen op terreinleidingen, putten en dergelijke. Waar nodig dienen de in de NPR 3218 en NEN-EN 1295 vervatte aanwijzingen te worden opgevolgd.
Concept
09.02.25
MONTAGE BINNENRIOLERING 1 90. ALGEMEEN Het aanbrengen dient te geschieden volgens voorschriften vermeld in de NEN 2672 en 2673. 91. ALGEMEEN Vooral bij de toepassing van PVC-, PE- en ABS-leidingen dienen voorzieningen te worden getroffen om uitzetting op te vangen. 92. ALGEMEEN Alvorens sanitaire toestellen en dergelijke op het leidingsysteem worden aangesloten, dient het leidingsysteem te worden doorgespoeld en op lekkage worden gecontroleerd. 93. ALGEMEEN Indien leidingen door gegalvaniseerde plaatstalen halfschalen worden ondersteund, dienen deze aaneengesloten te worden aangebracht en door middel van bijvoorbeeld Flamcobeugels
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
29 02.02.2024
worden opgehangen. 94. ALGEMEEN Alle horizontale en verticale gietijzeren leidingen dienen te worden bevestigd aan gegalvaniseerde plaatstalen beugels 20 x 5 mm en gegalvaniseerde draadstangen. Tevens de in alle verticale leidingen op te nemen ondersteuningsstukken als vastpuntconstructies uitvoeren. 95. ALGEMEEN De afvoerpijpen welke dienen te worden ingestort, vastzetten met gegalvaniseerde draad aan het bewapeningsstaal. 96. HORIZONTALE LEIDINGEN De horizontale leidingen dienen te worden aangebracht op een afschot van ca. 5 mm/m. De ingestorte leidingen dienen op een afschot te worden gelegd zoals op tekening staat aangegeven. 97. HORIZONTALE LEIDINGEN Valbochten van schachtleidingen op horizontale hoofdleidingen uit te voeren door middel van twee bochten. 98. ONT- EN BELUCHTING In het algemeen dienen de ont- en beluchtingsleidingen in hetzelfde materiaal en dezelfde diameter als de bijbehorende standleiding te worden uitgevoerd en te worden voorzien van ont- en beluchtingskappen. 99. ONTSTOPPINGSSTUKKEN Waar nodig en/of aangegeven dienen ontstoppingsstukken te worden aangebracht. 09.02.26
MONTAGE BINNENRIOLERING 2 90. OPENINGEN Openingen die niet onmiddellijk worden afgewerkt, dienen met sluitdoppen te worden gedicht. Alle maatregelen dienen te worden genomen om vervuiling tegen te gaan. Ontstoppingsstukken, schrobputten en andere onderdelen die gedeeltelijk boven vloeren uitsteken (zolang de afwerkvloer nog niet is aangebracht) dienen goed te worden afgedekt. 91. DILATATIEVOEGEN Leidingen die door diletatievoegen worden gevoerd, dienen ter plaatse van flexibele verbindingen te worden voorzien. 92. LEIDINGDOORVOERING DOOR GEVELS Leidingdoorvoeringen door gevels, funderingen en dergelijke dienen waterdicht te zijn afgewerkt met CSD-pluggen. Indien de van toepassing zijnde voorschriften geen bepalingen omtrent doorvoeringsconstructies bevatten, dienen deze constructies vooraf aan de directie ter goedkeuring te worden voorgelegd.
Concept
09.02.29
VERBINDEN VAN LEIDINGEN 1 90. ALGEMEEN De nominale middellijn van fittingen, koppelingen, flenzen en dergelijke dient overeen te stemmen met die van de aan te sluiten leidingen. 91. ALGEMEEN Het dichtvloeien van overmaatse verbindingen is niet toegestaan. 92. ALGEMEEN Scherpe kanten van leidingen dienen in- en uitwendig te worden verwijderd. 93. ALGEMEEN Alle draadeinden dienen zuiver passend te worden gesneden. Draadverbindingen mogen geen spanningen doen ontstaan. 94. ALGEMEEN Alle pompen, boilers, vaten, warmtewisselaars, regelafsluiters, compressoren, koelmachines en overige gelijkwaardige apparaten dienen door middel van flenzen met de leidingen te worden verbonden, tenzij anders aangegeven.
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
30 02.02.2024
09.02.30
VERBINDEN VAN LEIDINGEN 2 90. STALEN LEIDINGEN De stalen pijpen dienen te worden gelast, met dien verstande dat ze tot en met DN40 mogen worden gefit met behulp van malleabele fittingen. In doorgaand leidingwerk mogen géén koppelingen en knieën worden toegepast. Koppelingen zijn alleen toegestaan bij pompaansluitingen en bij afsluiters. Maatregelen die van deze voorschriften afwijken dienen ter goedkeuring aan de directie te worden voorgelegd. 91. STALEN LEIDINGEN Flensverbindingen dienen te worden aangebracht waar dit volgens deze TO of het stoombesluit is vereist, of waar dit algemeen gebruikelijk is, of waar dit naar het oordeel van de directie voor een goede uitvoering of ten behoeve van een gemakkelijke demontage noodzakelijk of gewenst is. 92. STALEN LEIDINGEN Flenzen bij afsluiters en toestellen behoren van gelijke diameters te zijn, ook indien wordt afgeweken van de handelsmaten. Alle flensbouten inkorten en bijvijlen tot op minimaal 2 en maximaal 5 gangen boven de moer boven de moerhoogte. 93. STALEN LEIDINGEN Bij flensverbindingen dienen te worden toegepast: voorlasflenzen, druktrap 16, bij afwijkende flenzen dienen voor de tegenflenzen gelijke diameter en dikte te worden aangehouden. 94. STALEN LEIDINGEN Indien mogelijk dienen bochten in pijpen een straal te hebben die het 3-voud is van die van de pijp.
Bij vlampijp is het toegestaan lasbochten, met een zelfde wanddikte en middellijn als die van de pijp, toe te passen. Knieverbindingen mogen niet worden gemonteerd. 95. STALEN LEIDINGEN Voorloopnippels mogen niet, verloopstukken mogen wel worden toegepast. Sokken in naast elkaar gemonteerd verticale leidingen dienen op dezelfde hoogte, juist boven de pijpbeugels, te worden gemonteerd.
09.02.31
VERBINDEN VAN LEIDINGEN 3 90. KOPEREN LEIDINGEN Koperen leidingen t/m 28 mm, bij waterleidingdrukken van 2,5 bar en lager, dienen met gebruikmaking van roodkoperen fittingen en zachtsoldeer L-Sn Ag 5 (DIN 1707) te worden verbonden. Koperen leidingen boven 28 mm dienen met hardsoldeer S-Cu80 AgP (NEN-EN 1044) verbonden te worden. E.e.a. volgens waterwerkblad blad 2.2. 91. KOPEREN LEIDINGEN Bij waterleidingdrukken hoger dan 25 bar dient hardsoldeer te worden gebruikt. 92. KOPEREN LEIDINGEN Ook is het toegestaan pijpen in doorgaande richting op te trompen. 93. KOPEREN LEIDINGEN Aftakkingen door uithalen van de doorgaande leiding zijn niet toegestaan mits de directie dit in overleg wenselijk acht. 94. KOPEREN LEIDINGEN De insteeklengte van de capillaire soldeerverbinding dient daarbij ca. 5 x de wanddikte van de betreffende pijp te bedragen, de spleetwijdte 0,1 tot max. 0,15 mm. 95. KOPEREN LEIDINGEN De toe te passen vloeimiddelen dienen zorgvuldig te worden gebruikt en nadat de verbinding tot stand is gekomen, worden verwijderd. Voor koper op koperverbindingen mag geen vloeimiddel worden toegepast, e.e.a. conform waterwerkbladen. 96. KOPEREN LEIDINGEN Klemkoppelingen en gegoten fittingen mogen uitsluitend na toestemming van de directie worden toegepast. 97. KOPEREN LEIDINGEN Bochten in leidingen tot en met een nominale middellijn van 25 mm dienen met een
TO: KUBUS/3127050-W
Concept
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
31 02.02.2024
buigmachine te worden gemaakt. Voor leidingen met grotere middellijn dienen in de handel zijnde langestraal bochten te worden gemonteerd met een minimale R/D verhouding van 1. 98. KOPEREN LEIDINGEN Uit pijpmateriaal vervaardigde fittingen mogen worden toegepast. 99. KOPEREN LEIDINGEN Bij toepassing van zachtkoperen leidingen ten behoeve van koeltechnische installaties mogen zogenaamde "flare" verbindingen worden gemonteerd. 09.02.32
VERBINDEN VAN LEIDINGEN 4 90. KUNSTSTOF LEIDINGEN Kunststof leidingen ten behoeve van perslucht bestemd voor regelinstallaties, dienen tussen de te verbinden aansluitingen uit één stuk te bestaan. De leidingen dienen in kabelgoten of installatiebuis te worden gelegd. Aftakkingen en aansluitingen dienen met koppelingen te worden uitgevoerd. 91. KUNSTSTOF LEIDINGEN Kunststof leidingen voor het transport van agressieve stoffen e.d. dienen zorgvuldig met de nodige hulpstukken te worden verbonden volgens de aanwijzingen of voorschriften van de leverancier. Standaard hulpstukken mogen niet worden ingekort of op andere wijze worden aangepast. 92. DROGE BRANDLEIDINGEN Droge brandleiding dienen door middel van gegalvaniseerde draadfittingen te worden verbonden. 93. SPRINKLERLEIDINGEN Pijpverbindingen door middel van zwarte gietijzeren pijpfittingen. Na het aanbrengen dienen de fittingen te worden behandeld met een gelijksoortige grondverf als bij bovengenoemde pijpen wordt toegepast. Pijpen met de maten DN 50 en groter mogen worden gelast of door middel van flenzen aan elkaar worden verbonden.
09.02.33
VERBINDEN VAN LEIDINGEN 5 90. AFVOERLEIDINGEN De verbindingen van Loro-X- afvoerpijpen dienen te worden uitgevoerd met de rubber xmanchet, welke bestaat uit Perbunan voor de maten 100, 125 en 150 mm, en met de rubber xmanchet, welke bestaat uit Neopreen voor de maten 40, 50 en 70 mm. Alvorens deze verbindingen te maken, dient elke mof en spie-eind te worden gereinigd en vervolgens inclusief dichtingsringen worden ingesmeerd met een hardend glijmiddel en centrerend in elkaar worden geschoven. 91. AFVOERLEIDINGEN Lijn mofverbindingen, welke voorkomen bij de aansluiting of gietijzeren afvoerleidingen dienen uitsluitend te worden uitgevoerd met een deugdelijk soort lijntouw, dat geen minerale olie mag bevatten en gietlood van zuivere kwaliteit, dat na het stollen dient te worden aangedreven, waarna afgewerkt met koud te verwerken asfalt-emulsie. Na 3 maanden gebruik de verbinding nalopen en indien nodig naslaan. 92. AFVOERLEIDINGEN De verbindingen van de mofloze gietijzeren pijpen dienen te worden uitgevoerd met een dichtingsmanchet, vervaardigd uit EPDM en een klemband van roestvrij chroomstaal, type CNV. Eventuele verschillende afvoerleidingen mogen worden afgedicht door middel van een dichtingsmanchet, vervaardigd uit EPDM en klemband van roestvrij chroomnikkelstaal. 93.
AFVOERLEIDINGEN De verbindingen in PE-leidingen dienen te worden uitgevoerd volgens het polyfusielassysteem, of met lasmoffen. Voor aftakkingen dienen, voor zover mogelijk, fittingen te worden toegepast. Het gehele systeem dient te worden gemonteerd volgens voorschrift van de leverancier. 94. AFVOERLEIDINGEN Aansluitingen van PE op gietijzer dienen te worden uitgevoerd met een PE-flens aan te brengen in de gietijzeren mof, en met een lijnverbinding afgedicht. Een en ander met gebruikmaking van een niet verhardende kitsoort dat geen oplosmiddelen mag bevatten. Het in de gietijzeren mof
TO: KUBUS/3127050-W
Concept
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
32 02.02.2024
stekende HPE-deel dient met zand te worden behandeld. 95. AFVOERLEIDINGEN De verbindingen van PVC- afvoerleidingen dienen te worden uitgevoerd als lijmverbinding. Voor het maken van een goede lijmverbinding de leiding haaks afzagen, spie-eind en mof reinigen met Tri, MEK of Tetra, hierna spei- eind en mof gelijkmatig instrijken met vullijm (voorzien van KOMO- keur), buis in hulpstuk schuiven, waarna de overtollige lijmkraag weggeveegd dient te worden. 96. AFVOERLEIDINGEN Ter plaatse van de vloeraansluitingen van alle sanitaire toestellen dienen steekmoffen te worden gebruikt. 97. AFVOERLEIDINGEN De bovenkant van bovengenoemde manchetten dienen op gelijke hoogte te liggen met de bovenkant van de afgewerkte vloer. De vloerbuis van het sanitair dient op bovengenoemd pijpstuk te worden aangesloten door middel van respectievelijk een rubber steekverbinding of closetverbinding. De flens van deze verbinding dient goed op de afgewerkte vloer aan te sluiten. 98. AFVOERLEIDINGEN Voor vloeraansluitingen van wastafels en closets op de Loro-X- afvoerpijp dient deze pijp op gelijke hoogte te liggen met de bovenkant van de afgewerkte vloer. De vloerbuis van het sanitair op bovengenoemd pijpstuk wordt aangesloten door middel van xmanchetten. De uiteinden van de ingestorte afvoerbuizen dienen tegen corrosie te worden beschermd door middel van het ontwikkelen met densoband. 09.02.34
ONTLUCHTEN EN AFTAPPEN 90. ONTLUCHTEN EN AFTAPPEN Ten behoeve van het ontluchten dienen in het leidingnet de benodigde luchtpotten te worden aangebracht in de stromingsrichting, stromend aan te sluiten, daar waar het medium van stromingsrichting verandert. Deze luchtpotten dienen een diameter te hebben die gelijk is aan die van het desbetreffende leidingdeel (met een minimum van 50 mm) en een hoogte van 25 x de diameter van die leiding (met een minimum van 125 mm). Indien deze afmetingen door plaatselijke omstandigheden niet toepasbaar blijken te zijn, kan in overleg met de directie hiervan worden afgeweken. De luchtpotten dienen in de stromingsrichting stromend te worden gemonteerd, te worden voorzien van een boven op de luchtpot aan te sluiten ontluchtingsleiding welke binnen handbereik dient te eindigen en te worden voorzien van een naar beneden gerichte ontluchtingskraan. 91. ONTLUCHTEN EN AFTAPPEN Ten behoeve van het aftappen dienen in het leidingnet de benodigde vul- en aftapkranen te worden opgenomen. 92. ONTLUCHTEN EN AFTAPPEN De kranen dienen zodanig te worden geplaatst, dat elk leidingdeel afzonderlijk kan worden afgetapt. 93. ONTLUCHTEN EN AFTAPPEN Bij de oplevering dienen ten behoeve van de vul- en aftapkranen twee bijpassende sleutels van elk soort aan de directie te worden overhandigd.
Concept
09.02.35
VLOER- EN WANDDOORVOERINGEN 90. VLOER- EN WANDDOORVOERINGEN Alle hulzen voor leidingdoorvoeringen dienen tenminste 5 mm door de afgewerkte muur, kolom, vloer of balk te steken en zo ruim te worden gekozen dat tussen pijp en huls rondom een speling ontstaat van minimaal 10 mm. Deze ruimte dient geheel met steenwol te worden opgevuld, de beide einden dienen over een lengte van tenminste 10 mm te worden opgevuld met koord en afgedicht met een laag FD-plast met een dikte van circa 5 mm. Het geheel dient te worden afgewerkt met plastic rozetten. Doorvoerhulzen om geïsoleerde leidingen dienen dusdanig ruim te zijn dat de isolatie door de huls heen doorgezet kan worden. 91. VLOER- EN WANDDOORVOERINGEN
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
33 02.02.2024
Afzonderlijke plafond- en vloerhulzen dienen te worden toegepast indien de doorvoeringen ten opzicht van elkaar verspringen. 92. VLOER- EN WANDDOORVOERINGEN In zogenaamde natte ruimte, keukens en dergelijke, dienen stalen hulzen te worden toegepast. Deze dienen na montage van de doorgaande leiding te worden dichtgeklopt om de leiding, waarna het geheel dient te worden afgelast. De hoogte van de huls boven de vloer dient 80 mm te bedragen. 93. VLOER- EN WANDDOORVOERINGEN Doorvoeringen door daken of buitenmuren dienen tussen leiding en omringende huls waterdicht te worden afgewerkt.
09.03
LUCHTKANALEN
09.03.10
ALGEMEEN 90. ALGEMEEN Luchtkanalen dienen tenminste te voldoen aan de "Kwaliteitsnormen metalen luchtkanalen" (kortweg LUKA-norm) een uitgave van de Nederlandse Vereniging van Luchtkanalenfabrikanten. Levering en montage conform het Luka-kwaliteitshandboek & kwaliteitsborging. Tevens dient een geldig TNO-kwaliteitscertificaat overlegd te worden. Hierop zijn de hieronder genoemde wijzigingen c.q. aanvullingen van toepassing. 91. ALGEMEEN De luchtkanalen dienen zo te worden gemonteerd dat de luchtdichtheid is gewaarborgd. Scherpen kanten of uitsteeksels dienen te worden voorkomen in verband met geluidsoverlast en luchtweerstand. De ophangconstructie voor de kanalen dient in overleg met de directie in het werk te worden bepaald. Alvorens tot bestelling (productie) van de luchtkanalen mag worden overgegaan, dienen de uitvoeringstekeningen door de directie te zijn goedgekeurd en de maten op het werk door de aannemer te zijn gecontroleerd. De luchtkanalen dienen te worden voorzien van meetpuntopeningen die in overleg met de directie nader dienen te worden vastgesteld. 92. ALGEMEEN Voor alle in metalen kanalen te verwerken of aan te brengen onderdelen, zoals geleidingsschoepen, kleppen, tussenschotten en dergelijke, dient materiaal te worden toegepast dat tenminste voldoet aan de eisen die worden gesteld aan het materiaal waaruit de kanaalwanden worden vervaardigd. 93.
ALGEMEEN In het zicht aan te brengen kanalen dienen een strak geheel te vormen. De kanaalstukken dienen te worden uitgevoerd met gladde binnenwanden, afgeronde bochten en stromend verlopende splitsingen en aftakkingen, tenzij dit op de tekeningen anders is aangegeven. Indien niet uitdrukkelijk anders is bepaald, dienen bochtstukken te worden uitgevoerd met een binnenbocht waarvan de straal tenminste gelijk is aan de halve breedte van het kanaal, gemeten in het vlak van de bocht. Indien hieraan niet kan worden voldaan, dienen geleidingsschoepen te worden toegepast. Bij flensverbindingen in rechthoekige kanalen dient de flens in de hoek te worden doorgetrokken. 94. ALGEMEEN Luchtkanalen dienen een rookwerendheid van tenminste 30 minuten te hebben. Dit ter goedkeuring van de directie en brandweer. 95. ALGEMEEN Daar waar de montage van luchtkanalen dient te worden onderbroken dienen alle openingen te worden afgeplakt. Tevens kan worden geëist dat voor uitblaasornamenten (roosters, diffusors e.d.) kaasdoek wordt aangebracht ter voorkoming van verspreiding van ongewenste grove stofdeeltjes. 96. ALGEMEEN
Concept
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
34 02.02.2024
Wordt in deze TO of op de tekeningen aangegeven dat op de kanaalbinnenwanden een beschermende laag of bekleding dient te worden aangebracht, dan dient het oppervlak daarvan glad en vlak te zijn. 97. ALGEMEEN Indien kanalen inwendig dienen te worden geïsoleerd, zullen de inwendige afmetingen van de kanalen vergroot dienen te worden met 2x de dikte van de isolatielaag opdat de netto doorlaat overeenkomt met de op de tekening aangegeven afmetingen. Het materiaal van de inwendige behandeling dient te voldoen aan vlamuitbreidingsklasse I volgens NEN 6065, 6066 en 6068. 98. ALGEMEEN Alle aftakkingen en splitsingen dienen te worden voorzien van een solide instelklep met kwadrant op de as, zodanig dat de stand van de klep duidelijk buiten het kanaal kan worden waargenomen. Aftakkingen ten behoeve van uitblaasroosters dienen zonodig met schoepen te worden uitgevoerd opdat een gelijkmatige luchtverdeling over het rooster is verzekerd. Dit is in het algemeen het geval wanneer de lengte van de aftakking, gemeten van het kanaal tot aan de volumeregelaar van het rooster, minder bedraagt dan 2x de breedte van het rooster. De schoepen kunnen eveneens als volumeregelaar dienen mits zij onderling zijn gekoppeld en zonder het rooster te verwijderen kunnen worden versteld. Verstelbare richtingsschoepen van roosters mogen nimmer als volumeregelaar worden aangewend.
Servomotorbediende luchtkleppen dienen te zijn uitgevoerd met lichtlopende lagers en dienen volkomen te zijn uitgebalanceerd. Bij elke brandklep dient een afsluitbaar inspectiegat met een middellijn van 150 mm in het kanaal te worden aangebracht. 99. ALGEMEEN De aannemer dient, voordat de kanalen enz. worden uitgevoerd, complete werktekeningen met maten e.d. aan de directie te zenden. Eerst nadat goedkeuring hierop is verkregen, mag tot fabricage worden overgegaan. Verleende goedkeuring vermindert niet de verantwoordelijkheid van de aannemer voor de goede werking en de maatvoering van de installatie. De keuze van de fabrikant van de kanalen behoeft de goedkeuring van de directie. De aannemer dient alle nodige roosters, kleppenregisters, difussers e.d. te leveren en te monteren voor zover zij aan het kanaalstelsel worden verbonden.
Concept
09.03.11
MATERIALEN VOOR KANALEN 90. PLAATSTALEN KANALEN Plaatstalen luchtkanalen, compleet met vormstukken, verbindingen, verstijvingen en ondersteuningen dienen, indien niet anders is voorgeschreven, te worden geleverd in continu thermisch verzinkte uitvoering met minimum zinklaagdikte van 20 micrometer. Alle zijden van de kanalen dienen van dezelfde plaatdikte te zijn. 91. PLAATSTALEN KANALEN Verstijvings- en constructieprofielen en andere onderdelen welke niet uit continu thermisch verzinkt staal zijn vervaardigd dienen thermisch te worden verzinkt volgens NEN-EN-ISO 1461. 92. ALUMINIUM KANALEN Aluminium kanalen dienen te worden uitgevoerd in kwaliteit H99-F11 volgens DIN 1712-3 en 1745-1. Dit geldt ook voor de hulpstukken, verbindingsmoffen en verstijvingen.
09.03.12
MONTAGE VAN KANALEN 90. MONTAGE VAN KANALEN Luchtkanalen dienen deugdelijk te worden opgehangen door middel van beugels en bevestigingsmiddelen. Deze constructie dient een rookwerendheid te hebben van tenminste 30 minuten; een en ander ter goedkeuring van de directie en brandweer. Het aantal beugels dient zo te worden gekozen dat doorhangen van de kanalen wordt voorkomen. 91. MONTAGE VAN KANALEN Om overdracht van trillingen op de bouwconstructie te voorkomen, dienen tussen de kanaalwand en de ophanging rubber of viltstroken van 10 mm dikte te worden aangebracht over de gehele lengte van het dragende gedeelte van de beugel. Het vilt dient aan de beugel te worden gelijmd opdat verschuivingen worden voorkomen. 92. MONTAGE VAN KANALEN
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
35 02.02.2024
Voor aansluitingen van kanalen op aan trilling onderhevige apparatuur, alsmede daar waar voorgeschreven, dienen flexible verbindingen te worden toegepast van een door de directie goed te keuren materiaal. Deze flexibele verbindingen dienen een nuttige lengte van tenminste 100 mm te hebben en zij mogen niet strak worden geïnstalleerd. De verbindingen dienen zo te worden uitgevoerd dat geen merkbare trillingen op het kanaal worden overgedragen. De flexibele verbindingen met rechthoekige kanalen dienen steeds flensverbindingen te zijn. 93. MONTAGE VAN KANALEN Om geluidsoverdracht tussen vertrekken te reduceren dient bij muur- en vloerdoorvoeringen de ruimte tussen de sparing en het kanaal te worden opgevuld met steenwol van voldoende dichtheid. Aan beide zijden van de doorvoering dienen verzinkt stalen profielen op het kanaal te worden aangebracht, enigszins vrij van de scheiding. De ruimte tussen profiel en scheiding dient met een plastische kit te worden opgevuld om overdracht van trillingen te voorkomen.
09.04
ISOLATIE
09.04.10
ALGEMEEN 1 90. ALGEMEEN Wanneer dit in deze TO of op de daarbij behorende tekening(en) is aangegeven dienen leidingen en/of kanalen te worden geïsoleerd. 91. ALGEMEEN Voor zover technische eisen en veiligheidseisen zich niet daartegen verzetten, mag de isolatie pas worden aangebracht, nadat is voldaan aan alle te treffen maatregelen tegen corrosie en het desbetreffende installatiegedeelte naar het oordeel van de directie met goed gevolg op dichtheid is beproefd. 92. ALGEMEEN De isolatie dient te worden aangebracht volgens de richtlijnen van de fabrikant. 93. ALGEMEEN Het isolatiemateriaal en de te isoleren oppervlakken dienen droog en schoon te zijn. 94. ALGEMEEN Schalen, stroken of segmenten dienen goed sluitend te worden aangebracht en voor zover mogelijk in steensverband. Bij het bevestigen van de isolatie, mag de isolatie nimmer zodanig worden vervormd dat zij minder goed aansluit op de te isoleren vlakken. Indien de bevestiging geschiedt met binddraad dient dit draad van koper te zijn en dienen de draadeinden in de isolatie te worden gedrukt. De schalen dienen elk met twee binddraden te worden vastgezet. 95. ALGEMEEN Pakkingdrukkers van afsluiters, meetnippels, ontluchtingskraantjes e.d. dienen bereikbaar te blijven. 96. ALGEMEEN Bij flenzen dient voldoende ruimte te worden vrijgehouden voor het lossen van de flensbouten. 97.
ALGEMEEN Dampdichte isolatie van leidingen en kanalen dient bij doorvoeringen door bouwconstructies, zoals muren, wanden, blaken, vloeren, bordessen en plafonds te worden doorgezet. Geïsoleerde doorvoeringen dienen door een metalen omkleding te worden beschermd. 98. ALGEMEEN In de beugels van leidingen en kanalen met dampdichte isolatie mogen geen koudebruggen vormen. Hiertoe dienen draagschalen te worden toegepast om indrukking van de isolatie te voorkomen.
Concept
09.04.11
ALGEMEEN 2 90. ALGEMEEN De inwendige isolatie van kanalen dient voldoende vlak en glad te zijn. De isolatie dient zo te zijn uitgevoerd, dat de vereiste kanaaldoorlaat overal behouden blijft. De isolatie dient te zijn
TO: KUBUS/3127050-W
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. Werktuigbouwkundige installaEes
36 02.02.2024
voorzien van een oppervlaktelaag waardoor het loslaten van het isolatiemateriaal (b.v. van vezels) ook bij hoge luchtsnelheden wordt voorkomen. Hiertoe dient de isolatie aan de randen en uiteinden zorgvuldig worden opgesloten en stevig te worden vastgezet. De isolatie van luchtkanalen dient met lijm als hechtmiddel te worden aangebracht. Indien deze TO dit aangeeft mag uitwendige isolatie ook middels zogenaamde plakpennen worden aangebracht. 91. ALGEMEEN De isolaties van leidingen en kanalen dienen zowel ten opzichte van elkaar als onderling overal volkomen te worden gescheiden. 92. ALGEMEEN De isolatie dient te voldoen aan vlamuitbreidingsklasse I volgens NEN 6065, 6066 en 6068. Tijdens het isoleren dienen de nodige maatregelen te worden genomen om verontreiniging van toestellen, apparaten, wanden, vloeren, etc. te voorkomen. Na het gereedkomen van de isolatiewerkzaamheden of een gedeelte daarvan, dienen verontreinigingen die ondanks de genomen maatregelen toch zijn ontstaan, te worden verwijderd. Op koelmachines dient op koude delen eventueel aanvullende isolatie te worden aangebracht. Daar waar het voor handprotectie noodzakelijk is dienen installatieonderdelen te worden geïsoleerd. 09.04.12