CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

2021.0001380 b17 vaststelling reikwijdte 2017.pdf

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 8 juli 2021, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: SESSIE 3. 19.00 - 20.30 uur (Heijezaal) Nota Vaststelling voorontwerpbestemmingsplan en concept-MER Park 21 (2021.0001380) - geheime bijlagen24.955 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

11.2

Reclamant is van mening dat de Crisis en Herstelwet, bedoeld om projecten versneld te kunnen doorvoeren, in relatie tot Park21 wordt misbruikt. Het heeft er de schijn van dat de gemeente de wet toepast om Park21, een project met onduidelijke uitvoerbaarheid, gering draagvlak, en gebrekkige financiële grondslag in een planvorm te gieten. Met de weg van de minste weerstand en met beperking van inspraak.

De gemeente zal een ieder over de plannen informeren conform de wettelijke vereisten. De communicatie over de Crisis- en Herstelwet was primair de verantwoordelijkheid van het Ministerie van I&M. Zie tevens reactie 5.1. Zie de reactie op 5.1.

11.3

Planvorming van Park21 en de daarbij horende onzekerheid beïnvloedt de marktpositie van agrarische bedrijven in negatieve zin en frustreert de ontwikkelingsmogelijkheden. Het beeld dat in de NRD geschetst wordt maakt dit niet anders. Agrariërs worden verrast met een kavelgewijze ontwikkelstrategie,

23

Zie de reactie op 2.1.

Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b uitnodigingsplanologie en een planhorizon van 20 jaar. Conclusie van reclamant is dat de onzekerheid voor bedrijven zal blijven bestaan en zelfs zal toenemen. 11.4

Reclamant betoogt dat het eindbeeld niet realistisch is. Uitnodigingsplanologie als strategie werkt niet bij de inrichting van een parkachtige omgeving. In het NRD is aangegeven dat de kans aanwezig is dat het eindbeeld niet gerealiseerd wordt. Consequenties van deze onzekerheid voor de bedrijfsvoering of van een onafgemaakt landschap worden niet benoemd. Reclamant verzoekt de gemeenteraad kansen en risico’s van uitnodigingsplanologie in beeld te brengen alvorens een besluit te nemen.

In het MER zal worden gewerkt met scenario’s, o.a. gericht op het in beeld brengen van effecten van een beperkte invulling van het gebied.

11.5

Reclamant pleit voor een realistisch en compacter plan dat binnen 10 jaar gerealiseerd kan worden.

Bij de aanleg van Park21 wordt ingezet op organische gebiedsontwikkeling. Dit betekent dat de ontwikkeling van het gebied naar nieuwe functies voor een belangrijk deel wordt overgelaten aan huidige en toekomstige eigenaren binnen het gebied die zelf kunnen kiezen of zij tot initiatieven wensen te ontplooien ten aanzien van deze nieuwe functies. Anticiperend op de nieuwe Omgevingswet wordt een Chwbestemmingsplan opgesteld die enerzijds planologisch ruimte biedt aan deze initiatiefnemers en anderzijds de huidige functies niet belemmert. Zie ook de reactie op 1.1 van de adviezennota en de reacties 5.1 en 5.2.

24

Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 11.6

Reclamant verzoekt de gemeente helder te maken welke schade bedrijven reeds ondervonden hebben als gevolg van plandiscussie en welke schade zij zullen leiden bij (gedeeltelijke) planuitvoering. Reclamant verwijst hierbij naar het Stivasonderzoek uit 2013 waaruit blijkt dat schade niet ondervangen kan worden met kavelruil. Financiële middelen zijn nodig om de gebiedsontwikkeling te faciliteren.

Zie de reactie op 2.1.

11.7

In het in de NRD aangekondigde LER zal inzichtelijk gemaakt moeten worden wat de consequenties zijn van een kavelgerichte uitvoering van Park21. De drie varianten uit de NRD maken de consequenties onvoldoende inzichtelijk. In het LER zal voorts meegenomen moeten worden wat het verdwijnen van een groot deel van de landbouw voor effect zal hebben op de gronddruk en het steeds kleiner wordende areaal landbouw in de polder, evenals het effect op het verdwijnen van toeleverende bedrijven.

Zie de reactie op 2.1.

11.8

De NRD geeft aan dat flexibiliteit voorop staat bij MER en bestemmingsplan. Onduidelijk is wat de gevolgen hiervan zijn voor agrarische bedrijven. Reclamant wil graag tijdig en vooraf geïnformeerd worden over de flexibiliteit in relatie tot het planologisch kader. Voorbeeld van onduidelijkheid betreft de planvorming van de percelen ‘ Achter van Zanten’. Tijdspad en planning van deze ontwikkeling stroken niet met de NRD, LER en MER. Reclamant gaat er van uit dat er geen ontwikkelingen zullen plaatsvinden voordat het MER is afgerond. In de NRD staat op blz. 10 dat de vraag naar groen- en recreatiegebieden/leisure zal toenemen. In verschillende gemeentelijke beleidsstukken worden hiertoe uiteenlopende getallen genoemd. Reclamant verzoekt om dit nader te duiden/te concretiseren en ook helder te maken welke positie Park21 binnen deze vraag inneemt.

Zie de reactie op 2.1.

11.9

25

De vraag naar groen- en recreatiegebieden is een vraag die betrekking heeft op nut en noodzaak van het park. Zie hiervoor de reactie op 1.1.

Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b

14

11.10

In de NRD, blz. 11, staat dat in verband met verzilting ingezet wordt op VDS. Niet aangegeven is waarom dit systeem wordt toegepast. Reclamant benadrukt dat VDS tot nu toe onbeproefd is en dat de effecten op teelten niet duidelijk zijn. Reclamant betoogt dat gezien de risico’s slechts een beproefd systeem kan worden toegepast. Reclamant wil informatie ontvangen omtrent de keuze voor het gemaakte systeem en over de afweging in relatie tot de alternatieven. Los van de onderzoeken die in het kader van het MER worden uitgevoerd, verzoekt reclamant om een nulmeting op elke risicovolle water/bodemgerelateerde situatie/ontwikkeling uit te voeren.

Zie de reactie op 5.6. en 7.4.

12.1

De voorgenomen ontwikkeling van Park21 leidt tot onzekerheid voor reclamant als ondernemer en bewoner. Om te beginnen heeft de gemeente nooit verteld wat de Crisis en herstelwet inhoudt, dat deze wet van toepassing is op het gebied van reclamant en dat er een mogelijkheid was om een zienswijze in te dienen. Vanwege de onzekerheid die de ChW met zich meebrengt voor de onderneming van reclamant en vanwege de manier waarop dit traject is verlopen, verzoekt reclamant het ongedaan te maken dat de ChW van toepassing is op zijn gebied. Reclamant verzoekt dit traject opnieuw te doorlopen, en wel met informatie en toelichting aan bewoners en ondernemers die het aangaat.

De Crisis- en herstelwet geldt algemeen in Nederland en niet slechts voor specifieke gebieden.

12.2

Op blz. 11 staat dat tussen het spoor en de A4 ruimte is voor grootschalige leisure. In dit gebied woont reclamant en heeft hij zijn onderneming. Op blz. 15 staat aangegeven wat de referentiesituatie in 2037 is. Het bevreemdt reclamant dat zijn bedrijf niet is meegenomen aangezien de gemeente voor de ontwikkeling van Park21 uitgaat van uitnodigingsplanologie. Reclamant verzoekt niet alleen zijn bedrijf, maar landbouw in zijn geheel mee te nemen bij de referentiesituatie. Dit verzoek geldt expliciet ook voor de woning van reclamant aangezien hij door de geplande uitrit van het recreatiegebied tegenover zijn woonkamer, veel hinder zal ondervinden. Dit zal zijn woongenot in sterke mate beperken.

Zie de reactie op 2.1. In het onderzoek naar geluid en luchtkwaliteit zal aandacht worden besteed aan het effect op het woongenot.

26

Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 12.3

De berg die gepland is op het voormalig baggerdepot is voor reclamant ook een belangrijk onderdeel van het plan dat meegenomen moet worden in het project MER. Deze berg komt te liggen in een gebied met hoge zoute kweldruk van onderaf en een niet al te dikke ondoordringbare laag. De kans is groot dat deze laag open barst door toenemende kweldruk. Verzilting en een negatieve zo niet desastreuze invloed op teelten zou dan het gevolg zijn. Verzoek van reclamant is om bij de onderzoeken naar deze berg minimaal een uitgebreide nulmeting uit te voeren en de meetwaarden c.q. resultaten met hem te delen.

Zie de reactie op 1.3, 1.4, 3.5 en 4.4.

12.4

Het huidige watersysteem (met als uitgangspunt peil volgt functie) functioneert naar de mening van reclamant prima. Of dit systeem in de verre toekomst houdbaar blijft is nooit met zekerheid te zeggen. Om aanspraak op de zoetwatervoorziening te beperken doet reclamant mee aan diverse projecten. Monitoren van verzilting en het project “slimmer doorspelen” zijn voorbeelden hiervan. `het VDS is ook een systeem dat voorsorteert op vermindering van aanspraak op zoetwater. Bij VDS wordt het principe peil volgt functie losgelaten terwijl dat juist essentieel is voor de teelten van reclamant. Onder water staan van wortels en een hoge ziektedruk zullen het gevolg van VDS zijn. Minimale gevolgen daarvan zijn een lagere productie en een toename van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen. Reclamant verzoekt het huidige watersysteem te respecteren en toekomstige aanpassingen te laten volgen uit de resultaten die voortkomen uit de eerder genoemde projecten. Reclamant verzoekt het niet beproefde VDS niet toe te passen in het landelijk gebied. Mocht VDS doorgedrukt worden dan verzoekt reclamant de redenen hiervoor te omschrijven en de eventuele gevolgen op zijn bedrijf mee te nemen in het project MER.

De gevolgen van de introductie van VDS zullen worden behandeld in het MER.

27

Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 16

13.1 t/m 13.6

De zienswijze van reclamant is gelijkluidend aan de punten 5.1 tot en met 5.6. van reclamant genoemd onder 5.

Zie de reactie op 5.1 t/m 5.6.

17

14.1

Reclamant geeft aan dat het bestemmingsplan dat ter inzage ligt een belemmering is voor de uitoefening van haar onderneming. Reclamant wil de volledige ruimte hebben om de huidige manege te kunnen uitbreiden, zonder belemmering van bouwblokken. Reclamant verzoekt ten alle tijden de mogelijkheid te hebben om uit te breiden binnen de bestemming sport en recreatie.

Uitbreiding van de huidige manege is een mogelijke invulling van Park21 en zal als zodanig in tenminste één van de alternatieven van het MER worden beoordeeld op effecten.

18

15.1

15.2

Reclamant wil in verband met het welzijn van de paarden en nieuwe richtlijnen daaromtrent de paardenboxen vergroten. Dit vraagt om extra ruimte. Daarnaast wil reclamant een hal verbreden in verband met trainingen. Reclamant heeft inmiddels al veel overleg met de gemeente en de Omgevingsdienst gehad over een verleende maar nog niet gebruikte vergunning en over (de procedure voor) een nieuw aan te vragen vergunning. Reclamant is verrast over het gebrek aan detailniveau met betrekking tot de daadwerkelijke invulling van Park21. Het lijkt daardoor onmogelijk om op basis van het NRD te komen tot een MERprocedure. In algemene zin geeft de NRD veel informatie over autonome ontwikkelingen. Geen enkele informatie is daarentegen beschikbaar over hoe de gemeente daarop anticipeert met visie, beleid en uitvoering. Niet duidelijk is waarom voor deelgebied 4 (“internationale grootschalige leisure en een festivalterrein”) ingezoomd wordt op drie varianten. De gemeente moet niet de MER-commissie vragen welke ontwikkelingen daar in relatie tot infrastructuur passen, maar zij moet zelf met een plan komen dat getoetst moet worden. Zonder plan geen toetsing. Daarbij opgemerkt dat Haarlemmermeer ten aanzien van

28

Zie de reacties op 3.7 en 4.2.

Zie de reactie op 3.4.

Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b infrastructuur een negatief trackrecord heeft. 15.3

15.4

19

16.1

Het baggerdepot wordt in de NRD niet behandeld. Dit depot bevat o.a. zwaar vervuilde grond (klasse IV). De gemeente wil deze bagger gebruiken om een oversteek over de HSL- en NS spoorlijn en de Spoorlaan te realiseren. Hiervoor is het volgens reclamant nodig honderdduizenden tonnen zwaar vervuilde bagger te verplaatsen. “Toepassing van industriegrond” zoals vermeld in tabel 3-1 is volgens reclamant iets heel anders dan Klasse VI baggerspecie. Reclamant maakt zich grote zorgen over het verplaatsen van zwaar vervuilde grond en het aanleggen van een berg op een andere plek. Veranderen van drukpunten kan desastreuze gevolgen hebben in een polder die al last heeft van zout kwelwater Een nulmeting is niet voorhanden waardoor effecten niet kunnen worden gemonitord. De gemeente heeft toegezegd effecten in de gaten te houden maar locaties van peilstations zijn niet onderbouwd en zijn beperkt tot de naaste omgeving van het baggerdepot. Effecten op grondlagen kunnen zich echter over een groot gebied uitstrekken.

Zie de reactie op 1.3, 1.4, 3.5 en 4.4.

Reclamant leest onvoldoende terug in de concept NRD dat zij sinds oktober 2016 in gesprek zijn met de gemeente over de aanplant in Park21 van 'kwaliteitscoulissen', klimaatbos, hetgeen naadloos aansluit bij het gestelde op pagina 32 van het Masterplan Park21. Reclamant wil zo een wezenlijke bijdrage leveren aan de instandhouding van de leefomgeving en aan het tegengaan van effecten van klimaatverandering.

Het klimaatbos is een mogelijke invulling van een deel van Park21 en zal als zodanig in tenminste één van de alternatieven van het MER worden beoordeeld, ondermeer op de effecten op het klimaat.

29

Zie de reactie op 1.3, 1.4, 3.5 en 4.4.

Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 20

17.1

Reclamant is agrarisch ondernemer buiten Park21, maar bezorgd over de toekomst van zijn medeondernemers in het Park en over de communicatie van hen met de gemeente. Hij vraagt een einde te maken aan hun onzekerheid over het veel te ambitieuze plan, waarvoor geen financieel draagvlak is.

Zie de reactie op 2.1.

17.2

De noodzaak van het plan is niet aangetoond; er zijn al veel (matig onderhouden) recreatie- en natuurgebieden in Haarlemmermeer, die matig bezocht worden. Als die worden opgeknapt en ingericht worden op optimaal gebruik is Park21 niet nodig.

Zie de reactie op 1.1.

30

Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau MER PARK21, onderdeel 1c

Park21, gemeente Haarlemmermeer Advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport 6 april 2017 / projectnummer: 3169

1.

Hoofdpunten van het MER De gemeente Haarlemmermeer wil circa 1.000 hectare buitengebied tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep omvormen naar een groen en recreatief metropolitaan parkgebied, PARK21, gericht op lokale, regionale en (inter)nationale bezoekers. De ontwikkeling van PARK21 vindt plaats door middel van vrijwillige, organische gebiedsontwikkeling op basis van uitnodigingsplanologie. Dit betekent dat het initiatief voor de invulling van het gebied bij private partijen ligt, en dat de gemeente deze initiatieven faciliteert. De gemeente heeft ervoor gekozen om het project aan te melden als Crisis- en herstelwetproject, zodat een bestemmingsplan kan worden opgesteld met een zogenoemde verbrede reikwijdte en een flexibel kostenverhaal.1 Omdat het bestemmingsplan een landrichtingsproject mogelijk maakt, heeft de gemeente ervoor gekozen om een project-MER op te stellen. De gemeente heeft de Commissie voor de m.e.r. (hierna ‘de Commissie’)2 gevraagd te adviseren welke informatie in het MER moet worden opgenomen. De Commissie beschouwt de volgende punten als essentiële informatie in het milieueffectrapport (MER). Dat wil zeggen dat voor het meewegen van het milieubelang in de besluitvorming het MER in ieder geval onderstaande informatie moet bevatten: 

Informatie over de historie van de plan- en besluitvorming over PARK21 vanaf 1998 tot het opstellen van het MER, ter onderbouwing van de gekozen doelstelling(en) van het project;

Een zo concreet mogelijke beschrijving van de hoofddoelstelling en de nevendoelstellingen van PARK21, waarbij duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen doelstellingen zelf en middelen om aan die doelstellingen te voldoen;

Een bepaling van de milieugebruiksruimte van het plangebied voor de ontwikkeling van nieuwe activiteiten, op basis waarvan een toetsingskader voor het toestaan van initiatieven kan worden opgesteld;

De ontwikkeling en vergelijking van alternatieven voor de invulling van PARK21, waaruit blijkt dat de verschillende doelen van het project zich met elkaar verdragen dan wel passen binnen de milieugebruiksruimte;

De beschrijving van een monitoringssysteem waarbij systematisch zowel informatie over de invulling van het plangebied wordt vastgelegd, als de optredende effecten daarvan en de mate waarin de doelstellingen worden bereikt.

Besluitvormers en insprekers lezen in de eerste plaats de samenvatting van het MER. Daarom verdient dit onderdeel bijzondere aandacht. De samenvatting moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER.

1

Dit betekent bijvoorbeeld dat de looptijd van het plan 20 in plaats van 10 jaar is. Verder kan het plan regels bevatten die de zorg van de fysieke leefomgeving betreffen en tot nog toe in gemeentelijke verordeningen stonden. Dit is ruimer dan de ‘goede ruimtelijke ordening’ van een normaal bestemmingsplan. Bovendien kan het plan flexibele bestemmingen bevatten. Het kostenverhaal kan niet alleen aan bouwactiviteiten maar ook aan gebruiksactiviteiten met functieverandering worden gekoppeld. Bovendien hoeft het exploitatieplan pas bij de vergunningverlening te worden vastgesteld.

2

De samenstelling en werkwijze van de werkgroep van de Commissie m.e.r. en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, via de link 3169 of door dit nummer op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

-1-

In de volgende hoofdstukken beschrijft de Commissie in meer detail welke informatie het MER moet bevatten. De Commissie bouwt in haar advies voort op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD).3 Dat wil zeggen dat ze in dit advies niet ingaat op de punten die naar haar mening in de NRD voldoende aan de orde komen. Pilot omgevingswet Dit advies is tot stand gekomen in het kader van één van de m.e.r.-pilotprojecten, die in overleg met het Ministerie van I&M en het bevoegd gezag zijn geselecteerd om vooruitlopend op de Omgevingswet te experimenteren met het nieuwe instrumentarium. De advieslijn zoals verwoord in dit advies zal zich de komende tijd blijven ontwikkelen en waar nodig worden aangepast.

2.

Achtergrond en besluitvorming

2.1

Achtergrond en probleemstelling Achtergrond De NRD maakt duidelijk dat het plan om recreatieve ontwikkelingen in PARK21 mogelijk te maken, al dateert uit 1998. Geef in het MER aan welke besluiten al zijn genomen voor PARK21. Beschrijf ook welke ontwikkelingen zich in de afgelopen 19 jaar in dit kader hebben voorgedaan en in hoeverre deze hebben geleid tot aanpassing van het plan. Zo heeft de bestuursovereenkomst over het watersysteem van PARK21 uit 2014 ertoe geleid dat - in tegenstelling tot het Masterplan uit 2011 - geen zandwinning zal plaatsvinden in de waterplas. Maak duidelijk in hoeverre het Masterplan uit 2011 nog actueel is. Ga hierbij ook in op de ontwikkelingen ten aanzien van het baggerdepot Meergrond. Geef ook aan hoe de omgeving van PARK21 (waaronder de infrastructuur, bedrijventerreinen, woningbouw en Schiphol) zich in deze periode heeft ontwikkeld, en maak inzichtelijk in hoeverre de keuze voor recreatieve ontwikkelingen in dit gebied nog steeds voldoende onderbouwd is. Probleemstelling Om de doelstellingen van PARK21 te kunnen onderbouwen, is het noodzakelijk om duidelijk te maken welke problemen het park moet oplossen.

Geef zo concreet mogelijk aan welke problemen het betreft, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de beperkte aanwezigheid van groen en recreatiemogelijkheden in zowel de Haarlemmermeer als de metropoolregio Amsterdam.4 Zo blijkt uit de NRD dat in Haarlemmermeer, gelet op de bestaande situatie en de woningbouwopgave, bij elkaar nog 1.500 ha aan groengebieden moet worden gerealiseerd. Het plangebied moet voorzien in zowel de lokale, regionale als nationale behoefte aan recreatiemogelijkheden. Daarbij moet PARK21 vooral fungeren als overloopgebied van de overbelaste toeristische sector van (de metropoolregio) Amsterdam. Geef in het MER zo concreet mogelijk aan welk type recreatieve ontwikkeling behoefte bestaat, vanuit lokaal, regionaal en (inter)nationaal perspectief.

3

PARK21 Haarlemmermeer, Notitie Reikwijdte en Detailniveau, Sweco, 30 november 2016.

4

In de zienswijze van het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt ook nog gewezen op de gevolgen van de klimaatverandering voor het landgebruik en het watersysteem.

-2-

2.2

Doelstelling De centrale doelstelling van PARK21 is om circa 1.000 hectare buitengebied tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep om te vormen naar een groen en recreatief metropolitaan parkgebied, gericht op lokale, regionale en (inter)nationale bezoekers, waarbij verbrede landbouw een kernthema is.5 Maak in het MER duidelijk wanneer deze centrale doelstelling geslaagd is. Het feit dat een grootschalige ontwikkeling als PARK21 in een zwaar milieu-belast gebied als de omgeving van Schiphol wordt gerealiseerd, vraagt erom dat expliciet wordt aangegeven welke doelen/(milieu)ambities bestaan ten aanzien van omgevingskwaliteit voor zowel recreanten in het park als bewoners in en rondom het park. Locatiekeuze en onderverdeling in deelgebieden Onderbouw in het MER de locatiekeuze voor PARK21 die al in eerder stadium heeft plaatsgevonden. PARK21 wordt onderverdeeld in vijf deelgebieden. Maak duidelijk welke (milieu)argumenten zowel bij de locatiekeuze als bij de onderverdeling in deelgebieden een rol hebben gespeeld, zoals de aan/uitvliegroute van de luchthaven Schiphol en de ligging tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep. Lagen Voor de inrichting van het park gaat het Masterplan uit van drie lagen: een polderlaag (met verbrede landbouw), een parklaag (met diverse activiteiten in de parkkamers), en een leisurelaag (met een parkhart en grootschalige leisure tussen spoor en A4).

Omdat het onderscheid tussen leisure in de parkkamers van de parklaag enerzijds en de grootschalige leisure in de leisurelaag anderzijds niet geheel duidelijk is6, adviseert de Commissie om de beoogde vormen van leisure voor de verschillende lagen concreet te benoemen en af te bakenen. Maak duidelijk hoe de nadere doelstellingen van PARK21 zoals deze op blz. 10 van de NRD zijn beschreven, passen binnen deze lagenbenadering. De Commissie wijst hierbij expliciet op de volgende nadere doelstellingen: 

Op dit moment is het plangebied (op enkele al gerealiseerde projecten zoals het honkbalstadion na) niet toegankelijk voor recreatief gebruik. Een harde doelstelling van het project is om zodanige infrastructuur aan te leggen dat het gebied recreatief gebruikt kan worden. Geef aan wanneer deze doelstelling wordt bereikt. Maak daarbij onderscheid tussen verschillende typen bezoekersverkeer (wandelaars, fietsers, motorvoertuigen, openbaar vervoerreizigers) zowel in het plangebied als naar het plangebied toe. Door de wijze waarop de mobiliteit in een gebied wordt gefaciliteerd, kunnen ontwikkelingen worden gestuurd. Zo zal bijvoorbeeld de aanleg en uitbreiding van een snel, frequent en comfortabel openbaar vervoer leiden tot meer reizigers in het openbaar vervoer en zal de aanleg van ruime (snel)fietspaden en wandelpaden het fietsen en wandelen stimuleren.

De recreatieve ontwikkelingen moeten een ‘metropolitaan’ karakter krijgen. Geef aan wat hieronder wordt verstaan.

De typen recreatieve ontwikkelingen die in PARK21 zullen worden toegestaan, kunnen zeer uiteenlopend van aard zijn. Een deel van de recreatieve ontwikkelingen zal ook overdekt kunnen plaatsvinden. Maak duidelijk welke verhouding bebouwd-onbebouwd wordt beoogd en in hoeverre de bebouwing zich kan of juist moet concentreren op bepaalde plekken.

5

Zie het kader op blz. 10 NRD.

6

Zo wordt de klimmuur in de opsomming van blz. 11 van de NRD zowel bij de parklaag als de leisurelaag genoemd.

-3-

Geef aan hoe de nevendoelstelling voor het verstevigen van de identiteit van de Haarlemmermeer en de beleving van het open polderlandschap kan worden bereikt.

Doelstellingen uit ander beleid Naast de centrale doelstellingen blijkt uit de NRD dat met PARK21 ook doelstellingen die voortkomen uit ander (gemeentelijk) beleid moeten worden gerealiseerd. Het realiseren van een ecologische verbinding is bijvoorbeeld niet direct noodzakelijk voor het creëren van een groen en recreatief metropolitaan parkgebied, maar levert wel een belangrijke bijdrage aan het behalen van ecologische doelstellingen.7 Maak deze additionele doelstellingen, die niet direct uit de centrale doelstelling voortvloeien, zo concreet mogelijk. Maak inzichtelijk wat de natuurambitie is voor PARK21 en geef aan welke natuurwaarden in PARK21 moeten worden gerealiseerd. Uitnodigingsplanologie Het merendeel van het plangebied is niet in handen van de gemeente of andere overheden. Het doelbereik van PARK21 is dan ook voor een groot deel afhankelijk van private initiatieven. Om ervoor te zorgen dat met de private initiatieven de doelen van de gemeente zoals beschreven in hoofdstuk 2.1 van de NRD8 worden bereikt, zullen de doelstellingen en ambities van de gemeente moeten worden vertaald naar een (zowel kwantitatief als kwalitatief) toetsingskader om te beoordelen of en in hoeverre deze doelstellingen worden bereikt.

Vooral in een situatie als die van PARK21, waarin op voorhand nog niet duidelijk is welke concrete ontwikkelingen zullen worden gerealiseerd, is het van belang om de doelstellingen van het project zo concreet mogelijk te maken, zodat het speelveld aan oplossingsmogelijkheden zoveel mogelijk wordt ingekaderd. Maak hierbij ook duidelijk onderscheid tussen doelstellingen zelf en middelen om aan die doelstellingen te voldoen. Zo is het zogenoemde Verbeterd Droogmakerij Systeem (VDS) een middel om aan de doelstelling van het tegengaan van verzilting te voldoen.

2.3

Beleidskader De beleidsmogelijkheden in het bestemmingsplan worden deels bepaald door de lokale en bovenlokale context, zoals (de ontwikkelingen in) provinciaal en landelijk beleid en regelgeving. De NRD geeft een overzicht van de relevante kaders. Benoem de eisen en randvoorwaarden die daar voor PARK21 uit voortkomen. Maak daarbij onderscheid tussen: 1.

beleid (ruimtelijk, water, milieu, groen) dat voor een deel door PARK21 kan worden gerealiseerd, en

2.

beleid dat beperkingen oplegt aan verwezenlijking van de doelen van PARK21 (zoals de ruimtelijke beperkingen die de luchthaven Schiphol met zich brengt).

Ga in het MER in ieder geval in op: 

Gemeentelijke beleidsdoelen op het gebied van duurzaamheid en klimaatbestendigheid. Ga specifiek in op de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit, lokale opwekking van duurzame energie en andere mogelijkheden voor CO2-reductie. Beschrijf specifiek de mogelijkheden van functieschakeling. Dat wil zeggen de mogelijkheden om restenergie

7

Masterplan, blz. 10.

8

Zie blz. 10 NRD.

-4-

en –warmte van bedrijven door te geven aan andere functies (woningen en andere bedrijven) in het gebied; 

Het Verbeterd Droogmakerij Systeem (VDS) zoals dat is opgenomen in de Waterstructuurvisie van het Hoogheemraadschap Rijnland.9 Doel van dit systeem is om verzilting in de polder tegen te gaan door (zoet) regenwater in de polder vast te houden. De gemeente wil in het plan voor PARK21 VDS verplichten voor de percelen waar grootschalige recreatieve ontwikkelingen plaatsvinden.10 Voor de percelen waar agrarische activiteiten worden voortgezet, kan op basis van vrijwilligheid worden overgestapt op VDS;

Bestuursakkoord Water;

Gemeentelijk en provinciaal verkeers- en vervoerbeleid;

(Europese) regelgeving inzake luchtvaart.

Te nemen besluit(en) De m.e.r.-procedure wordt doorlopen voor het bestemmingsplan. Daarnaast zullen vervolgbesluiten genomen worden voor de realisatie van het voornemen, zoals voor de introductie van het Verbeterd Droogmakerij Systeem (VDS). Geef aan welke besluiten dit zijn, wie daarvoor het bevoegde gezag is en wat globaal de tijdsplanning is.

3.

Organische gebiedsontwikkeling

3.1

Milieugebruiksruimte en alternatieven Het bestemmingsplan PARK21 zal uiteenlopende typen van recreatieve ontwikkelingen in het plangebied mogelijk maken. Het is echter nog niet duidelijk welke ontwikkelingen precies zullen plaatsvinden. De gemeente zet in op organische gebiedsontwikkeling op basis van uitnodigingsplanologie. Daarom zal het MER duidelijk moeten maken welke kansen en beperkingen de huidige en te verwachten kwaliteit van de leefomgeving met zich brengt voor het toestaan van nieuwe ontwikkelingen. In het MER zal deze zogenoemde milieugebruiksruimte moeten worden bepaald. Deze milieugebruiksruimte kan vervolgens worden vertaald in randvoorwaarden en criteria voor het toestaan van ontwikkelingen in de verschillende deelgebieden. Daarbij kan ook worden gedacht aan het bevorderen van initiatieven die kansen benutten en een meerwaarde voor het gebied hebben. Het verdient bovendien de voorkeur om binnen de randvoorwaarden een prioritering aan te brengen. De Commissie adviseert om hiertoe de volgende systematiek te hanteren: 1.

Breng de feitelijke situatie in beeld, inclusief de autonome ontwikkelingen.

2.

Geef op basis hiervan de omvang aan van de ruimte die er is voor een toename van de belasting op de leefomgeving (de zogenoemde milieugebruiksruimte). Deze ruimte wordt niet alleen bepaald door wet- en regelgeving en beleid van verschillende overheden voor

9

Deze is vastgesteld door de Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap van Rijnland op 22 september 2010, en vervolgens in paragraaf 5.2 van de gemeentelijke structuurvisie opgenomen. Dit besluit over VDS wordt in het bestemmingsplan voor PARK21 verder uitgewerkt. Deze uitwerking is daarom geen onderdeel van de autonome ontwikkeling van PARK21.

10

In de zienswijze van het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt genuanceerd dat is afgesproken dat VDS alleen moet worden ingevoerd bij functiewijzigingen.

-5-

onder andere externe veiligheid, natuur, landschap en geluid en door de heersende milieubelasting. Neem ook mee welke kwaliteit van de leefomgeving in het plangebied moet worden gerealiseerd. Deze gewenste toekomstige kwaliteit van de leefomgeving kan namelijk ook invloed hebben op de milieugebruiksruimte.11 3.

Geef aan wat de behoefte is aan ontwikkelingen op het vlak van groen, recreatie, grootschalige leisure en de daarvoor benodigde infrastructuur.

4.

Beoordeel in hoeverre de gewenste ontwikkelingen passen binnen de milieugebruiksruimte.

5.

Wanneer blijkt dat de milieugebruiksruimte onvoldoende is om te voorzien in de ontwikkelbehoefte, maak dan inzichtelijk welke maatregelen kunnen worden genomen om deze ruimte te vergroten. Als dat niet of onvoldoende mogelijk blijkt, geef dan aan of doelstellingen moeten worden bijgesteld en welke prioriteiten of voorwaarden worden gesteld.

De milieugebruiksruimte is ook van belang voor toekomstige bestemmingsplanuitwerkingen: nieuwe ontwikkelingen kunnen dan individueel getoetst worden aan de voor dit bestemmingsplan reeds in beeld gebrachte ontwikkelingsruimte. Daarbij moet worden bedacht dat gedurende de looptijd van het plan (20 jaar) deze ruimte door de ontwikkelingen in het plangebied en door externe factoren als nieuw beleid of regelgeving aan verandering onderhevig is. Daarom is een ‘levend informatiesysteem’ noodzakelijk om dit in de gaten te houden (zie paragraaf 3.3). Besteed bij het bepalen van de ontwikkelingsruimte en het volgen van de omvang van deze ruimte in de tijd in ieder geval aandacht aan: a)

de intensiteit en capaciteit van de bestaande en nog te ontwikkelen infrastructuur (inclusief parkeermogelijkheden);

b)

de draagkracht van de beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied;

c)

de afstand tot geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en het crematorium;

d)

de eigen ambities voor leefomgevingskwaliteit van het plangebied en de omgeving daar-van12;

e)

de beperkingen als gevolg van de luchthaven Schiphol voor de voorgestane ontwikkeling van het gebied;

f)

de bestaande cultuurhistorische waarden, waaronder de leesbaarheid van het polderlandschap;

g)

de ontwikkeling in en verspreiding van de recreatiedruk in het gebied;

h)

de beperkingen aan het watergebruik vanwege de toenemende verzilting en eventuele limieten in de aan- en afvoer van water;

i)

11

de mogelijkheden voor het voortbestaan van bestaande agrarische bedrijven.13

Het kan bijvoorbeeld zijn dat een zekere geur- of geluidbelasting (tijdelijk) kan worden geaccepteerd. Het is ook mogelijk dat gemeentelijke ambities bestaan voor een gezonde en veilige leefomgeving. Omdat dergelijke ambities invloed hebben op de milieugebruiksruimte, moeten ze aan de voorkant worden meegenomen.

12

In de zienswijze van de GGD Kennemerland wordt ook aandacht gevraagd voor een gezonde leefomgeving.

13

In zienswijzen van bestaande agrarische ondernemingen in het plangebied wordt hier ook expliciet aandacht voor gevraagd.

-6-

Alternatieven De milieugebruiksruimte zoals die volgens voorgaande methodiek is bepaald kan op gespannen voet staan met de doelen en ambities voor PARK21. Ook kan de vraag aan de orde blijken in hoeverre de gestelde doelstellingen met elkaar verenigbaar zijn. Ten slotte kan de uitwerking van ontwikkelingsscenario’s duidelijk maken dat een ongewenst eindbeeld ontstaat (zie paragraaf 3.2 over deze scenario’s). Wanneer deze situaties zich voordoen, dan liggen er dilemma’s voor waarop gekozen moet worden. Op dit moment is nog niet exact aan te geven hoe deze dilemma’s eruit komen te zien, maar de Commissie kan zich voorstellen dat deze bijvoorbeeld betrekking hebben op: 

ambities voor metropolitaan parkgebied versus behoud polderlandschap;

gewenste bereikbaarheid van grootschalige leisure versus bereikbaarheid van Schiphol en bijhorende bedrijvigheid;

de vraag naar voldoende water van goede kwaliteit vanuit de recreatieve ambities versus de beschikbaarheid ervan.

Dergelijke typen dilemma’s kunnen naar de mening van de Commissie de basis vormen voor te ontwikkelen alternatieven.14 Eén van de aspecten die de uitwerking van PARK21 het meeste zal bepalen, is de mate van sturing die de gemeente wil toepassen. Er bestaat een verband tussen de mate van sturing, de mate van beïnvloeding van de milieugebruiksruimte door sturing en het bereiken van gestelde ambities/doelen. Afhankelijk van de prioritering van de doelen kan er ook voor worden gekozen om een alternatief uit te werken waarbij meer wordt gestuurd op het bereiken van een prioritair doel. Wanneer de ontwikkelingen in PARK21 met zich kunnen brengen dat nabijgelegen Natura 2000-gebieden worden aangetast, neem dan in het MER een alternatief op waarin deze aantasting wordt voorkomen.

3.2

Scenario’s invulling PARK21 Onderdeel van het MER is om redelijke alternatieven om de doelstelling van het project te bereiken, in beeld te brengen en met elkaar te vergelijken (zie hierover verder in paragraaf 3.1). Anders dan bij alternatieven gaat het bij scenario’s om situaties waar de gemeente geen invloed op heeft. De toegevoegde waarde van een beschrijving van scenario’s ligt in het benoemen van de onzekerheden die samenhangen met de ontwikkelingen van PARK21 in de tijd. Door ontwikkelingsscenario’s te beschrijven kan de bandbreedte aan omgevingskwaliteit die hiervan het gevolg kan zijn, worden verkend. De beoordeling van deze scenario’s in het licht van de doelstelling(en) van het project worden ook wel botsproeven genoemd. De uitkomsten van deze botsproeven kunnen aanleiding geven tot aanpassing van de doelstellingen of tot de beschrijving van een alternatief met meer sturing door de gemeente. Beperkte invulling Omdat de ontwikkeling van PARK21 plaatsvindt door middel van vrijwillige, organische gebiedsontwikkeling bestaat de mogelijkheid dat een groot deel van het plangebied niet zal

14

Blz. 16 van de NRD maakt duidelijk dat drie ontwikkelvarianten worden onderzocht die vooral op verwachte bezoekersaantallen van PARK21 zijn gebaseerd. De Commissie ziet het maximale laadvermogen van het gebied ten aanzien van de bestaande infrastructuur (variant 1 in de NRD) als onderdeel van het bepalen van de milieugebruiksruimte van het gebied. Variant 3 betreft een scenario waarbij de grootschalige leisure-ontwikkeling niet wordt gerealiseerd.

-7-

worden gewijzigd. Dat betekent dat een lappendeken aan ontwikkelde en niet-ontwikkelde delen kan ontstaan. Werk daarom in het MER naast de maximale mogelijkheden van het plan ook een scenario uit waarbij enkel op een aantal plekken recreatieve ontwikkelingen plaatsvinden, de grootschalige leisurelocatie niet wordt ontwikkeld en in het overige gebied het parklandschap niet wordt aangelegd, waardoor het polderlandschap daar behouden blijft. Beoordeel of dit scenario een gewenst eindbeeld oplevert. Bepaal op basis daarvan of aanvullende regels nodig zijn binnen het toetsingskader voor ontwikkelingen (zie paragraaf 3.1) of dat het onderzoeken van een alternatief met extra sturing vanuit de gemeente nodig is. Wie het eerst komt, het eerst maalt De ontwikkeling van PARK21 is sterk afhankelijk van de private initiatieven die zich zullen aandienen. De volgorde van deze initiatieven kan een grote invloed hebben op het eindbeeld van het park. Als de eerste initiatieven intensieve recreatieve ontwikkelingen zijn met grote effecten op de omgeving, dan zal dat de komst van initiatieven die meer geluidgevoelig zijn (zoals zorgboerderijen en wellnesscentra) beperken. Andersom geldt hetzelfde.

De Commissie adviseert om beide scenario’s van invulling van PARK21 uit te werken, zowel om te bepalen of meer sturing vooraf gewenst is, maar ook om inzichtelijk te maken op welke aspecten monitoring zal moeten plaatsvinden gedurende de looptijd van het plan (zie het vinger-aande-pols-systeem in de volgende paragraaf).

3.3

Monitoring en actualisatie Gegeven de sturingsfilosofie van de gemeente (organische gebiedsontwikkeling), de lange looptijd van het plan en de onzekerheid in toekomstige ontwikkelingen adviseert de Commissie per deelgebied regelmatig te controleren in welke mate de daadwerkelijke ontwikkelingen bijdragen aan het realiseren van de ambities van de gemeente, welke milieueffecten zijn opgetreden, en hoe deze zich verhouden tot de wet- en regelgeving en de actuele milieugebruiksruimte. Afhankelijk van de initiatieven die zich als eerste zullen aandienen, zullen andere initiatieven mogelijk niet meer kunnen plaatsvinden. Zo zal de vestiging van een geluidgevoelige bestemming ertoe leiden dat geen lawaaimakers in de directe omgeving kunnen worden gevestigd. Daarnaast kunnen ontwikkelingen in de omgeving van PARK21 maken dat de milieugebruiksruimte kleiner of groter is geworden dan vooraf was gedefinieerd. Het plan zal worden opgesteld met een looptijd van 20 jaar. Een ‘vinger-aan-de-pols-systeem’ kan inzichtelijk maken of de verschillende deeldoelstellingen van PARK21 gedurende de looptijd van het plan nog bereikt kunnen worden. Dit biedt bestuurders een basis om in de loop van de tijd, indien nodig, de ontwikkeling van PARK21 bij te sturen. De Commissie adviseert om de opzet van dit ‘levende’ informatiesysteem in het MER op te nemen, en aan te geven wat de toetsmomenten zullen zijn.

Daarbij kan worden gedacht aan de momenten dat zich nieuwe initiatieven aandienen voor de effecten van deze initiatieven, en jaarlijks voor toetsing aan het doelbereik en aanpassing aan nieuwe wet- en regelgeving en beleid. Vragen die aan de hand van het monitoringsprogramma kunnen worden beantwoord, zijn: 

welke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden sinds de vorige check, welk effecten op de leefomgeving hebben deze ontwikkelingen met zich meegebracht, en hoe verhouden deze effecten zich tot de milieugebruiksruimte die vooraf is gedefinieerd?

in hoeverre worden de doelstellingen en (milieu)ambities van de gemeente gehaald?

in hoeverre is de milieugebruiksruimte gewijzigd, dan wel behoeft deze aanpassing?

voldoen de gestelde kaders nog?

is meer of minder sturing van de gemeente gewenst?

-8-

in hoeverre hebben ontwikkelingen in het ene deelgebied invloed (gehad) op die in aangrenzende deelgebieden? Zijn er nieuwe instructieregels of omgevingswaarden waarmee rekening moet worden gehouden? Zijn er grote wijzigingen die bijstelling van ander gemeentelijk beleid noodzakelijk maken zoals de gemeentelijke omgevingsvisie, omgevingsplannen en programma’s met uitstraling op PARK21?

3.4

Specifieke ontwikkelingen Uit de NRD blijkt dat wordt beoogd om een aantal ontwikkelingen in het gebied in ieder geval mogelijk te maken. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van grootschalige leisure tussen het spoor en de A4, de aanleg van een parklaag, en een waterplas met bijbehorende recreatie. Deze ontwikkelingen worden in deze paragraaf apart behandeld. Het is wellicht niet mogelijk om al deze ontwikkelingen te realiseren. Hierbij moet namelijk rekening worden gehouden met het feit dat de invulling van PARK21 zal plaatsvinden op basis van een ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’-aanpak. Het toestaan van een ontwikkeling kan dan betekenen dat een andere ontwikkeling niet meer (volledig) kan plaatsvinden. Gelet hierop is het van belang om aan te geven in hoeverre sprake is van een hiërarchie van gewenste ontwikkelingen. Dit kan voorkomen dat milieugebruiksruimte gereserveerd blijft voor minder gewenste ontwikkelingen ten koste van meer gewenste ontwikkelingen.

Grootschalige leisure De realisatie van een grootschalige leisure-locatie lijkt een aparte doelstelling in het MER. Geef aan wanneer precies sprake is van grootschalige leisure. Aan welke kenmerken moet zijn voldaan om de doelstelling van grootschalige leisure te bereiken? Dat klemt temeer daar de verscheidenheid aan mogelijke invullingen van grootschalige leisure het onderzoek naar de milieueffecten beïnvloedt. Hoe concreter wordt aangegeven binnen welke randvoorwaarden de grootschalige leisure-locatie moet worden ontwikkeld, des te beperkter kan het onderzoek naar de effecten blijven. Vanuit de leefomgeving is vooral de omvang van het verwachte verkeer (gemiddeld en maximaal in piekperiodes), mate van verharding van het gebied en de mogelijke geluidhinder relevant. Maak ook duidelijk welke beperkingen vanuit de luchthaven Schiphol gelden voor de ontwikkeling van grootschalige leisure in dit gebied. Geef aan of en wanneer een invulling van het plangebied zonder grootschalige leisure mogelijk is.

Parklaag Het doel is om een nieuw landschap aan te leggen. Daarvoor wordt op de bestaande polderstructuur een zogenoemde parklaag aangelegd die bestaat uit een golvend, groen parklandschap waarvoor de bodem met 1 á 3 meter wordt opgehoogd. De initiatiefnemer heeft aangegeven de ophoging waarschijnlijk met zogenaamde industriegrond15 te realiseren. De ophoging lijkt ook te zijn ingegeven door de stelling dat deze noodzakelijk is om natuurwaarden te kunnen creëren. Het is echter de vraag of dat lukt met industriegrond. Voor het creëren van meer natuurwaarden, zal moeten worden gevarieerd met de samenstelling van de op te brengen grond (fijn/grof, meer/minder organisch en/of voedselrijk e.d.).

15

In enkele zienswijzen wordt aandacht gevraagd voor het vervuilde baggerslib afkomstig uit het bestaande baggerdepot Meergrond dat zich in deelgebied 4 van het plangebied bevindt. Uit de NRD wordt niet duidelijk of dit baggerslib ook valt onder de te gebruiken industriegrond.

-9-

Geef daarom aan of ophoging voor de realisatie van de parklaag noodzakelijk is voor het bereiken van de doelen, welke mate van ophoging is vereist, en welke bodemkwaliteitseisen vanuit de beoogde functies worden gesteld. Onderzoek of de doelen van de parklaag ook zonder ophoging (of met minder ophoging) te realiseren zijn. Indien er redelijkerwijs alternatieven mogelijk zijn, dan dienen deze in het MER te worden onderzocht.

Waterplas en bijbehorende recreatie Onderdeel van de recreatieve ontwikkelingen is de aanleg van een waterplas in het plangebied om waterrecreatie mogelijk te maken. Geef in het MER aan hoe groot en diep deze waterplas moet zijn. Dit is van belang om te kunnen toetsen of de plas groot en diep genoeg is voor de gewenste activiteiten, maar ook om te bepalen of deze uitvoerbaar is gelet op de gevolgen van daardoor aangetrokken vogels op het vliegverkeer van en naar Schiphol en gelet op het opbarstingsgevaar16 van matig doorlatende bodemlagen in de polder.

3.5

Referentie Om de effecten van PARK21 inzichtelijk te maken, worden deze vergeleken met de toekomstige situatie zonder dat PARK21 (of een variant daarvan) wordt gerealiseerd. Deze zogenoemde referentiesituatie bestaat uit bestaande milieusituatie en autonome ontwikkelingen waarover al is besloten. De NRD geeft een overzicht van deze ontwikkelingen.17 Geef in het MER aan welke invloed deze ontwikkelingen zullen hebben op het plangebied en omgeving. Vanwege de grootte van het plangebied en de verschillende ontwikkelingen die al in gang zijn gezet, adviseert de Commissie om een kaart te maken waarop deze autonome ontwikkelingen worden opgenomen.

4.

Bestaande milieusituatie en milieugevolgen

4.1

Bodem en water Bodem De bodem van het plangebied heeft een complexe en gelaagde opbouw. Door de hoge kweldruk kan de grond bij te diep of te breed graven op veel plaatsen de druk niet weerstaan en barst deze op. Dit opbarstingsgevaar brengt met zich dat bij het realiseren van meer open water uitgraven beperkt en zorgvuldig moet gebeuren.18 Geef aan in hoeverre sprake is van opbarstingsgevaar bij de aanleg van de waterplas, en welke eisen hieruit volgen. Voor de aanleg van de parklaag is het de bedoeling om de grond met 1 á 3 meter op te hogen, met ten dele industriegrond. Geef aan welke gevolgen deze ophoging met dit type grond zal hebben op de bodem van het plangebied. Denk hierbij aan zetting, uitspoeling van

16

Zie hiervoor verder paragraaf 4.1 van dit advies.

17

Zie NRD, blz. 15. In meerdere zienswijzen, waaronder die van de Vervoerregio Amsterdam, wordt erop gewezen dat over een aantal van de genoemde ontwikkelingen nog geen definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden. De Commissie adviseert om nader te onderbouwen dat definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden, dan wel te motiveren waarom ontwikkelingen desondanks toch worden gezien als autonome ontwikkeling.

18

Zie Structuurvisie Haarlemmermeer, blz. 60-61.

-10-

verontreinigingen naar het grondwater of opbarsten van bodemlagen met een toename van verzilting tot gevolg.19 Zorg bij kans op effecten ook tijdig voor een nulmeting. Besteed specifiek aandacht aan de risico’s van ophoging bij het slibdepot Meergrond.20 De ophoging brengt tijdens aanleg ook omvangrijk grondtransport met zich. Schets scenario’s voor dit grondtransport, afhankelijk van de mate van ophoging en het tempo van realisatie, en ga na wat de gevolgen zijn voor het aantal transportbewegingen. Water Door de diepe ligging van de polder en druk van de hoger gelegen gebieden wordt grondwater richting de polder gedrukt. Het zoute grondwater dat is ontstaan in de periode dat de zee het gebied overspoelde, stroomt daardoor langzaam omhoog. Op plekken waar dit zoute water het oppervlaktewater raakt of dicht aan de oppervlakte komt, zorgt dit voor problemen met de waterkwaliteit. Naar verwachting neemt het zoutgehalte in het kwelwater door zogenaamde interne verzilting de komende vijftig jaar met 25 procent toe.21 Om de toenemende verzilting in de polder tegen te gaan, wordt bij nieuwe ontwikkelingen in PARK21 VDS ingevoerd (zie paragraaf 2.3). Geef aan welke effecten VDS met zich brengt in de verschillende hydrologische situaties, nu en op termijn wanneer de verzilting toeneemt.

Besteed daarbij niet alleen aandacht aan de gevolgen op de percelen waarbij VDS wordt toegepast, maar ook aan de gevolgen op de omringende percelen, inclusief de maatregelen die nodig zijn om gebieden met en zonder VDS naast elkaar te laten functioneren. Breng de gevolgen in beeld voor de grondwaterstanden en de aan- en afvoer van water uit het gebied onder verschillende omstandigheden.

4.2

Natuur Gebiedsbescherming In de omgeving van de PARK21 liggen onder andere de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid en Coepelduynen. Geef aan welke effecten de recreatieve ontwikkelingen op deze gebieden kunnen hebben, zoals verstoring als gevolg van geluid en vermesting en verzuring door een toename van stikstofdepositie als gevolg van onder andere de verkeersaantrekkende werking van PARK21. Geef voorts aan hoe het plangebied is gelegen ten opzichte van het Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Beschrijf in hoeverre de uitwerking van doelen van PARK21 kan bijdragen aan de invulling van het NNN. Soortenbescherming Beschrijf de beschermde (en, indien relevant, overige relevante) soorten die in het studiegebied voorkomen voor zover die door het voornemen kunnen worden beïnvloed. Beschrijf de ecologische relatie en het relatieve belang van het studiegebied voor deze soorten en breng in beeld wat de gevolgen van het voornemen voor deze soorten kunnen zijn. Geef vervolgens aan wat a) de gevolgen zijn voor de (lokale) staat van instandhouding van deze soorten en b)

19

Hier wordt ook in verschillende zienswijzen, waaronder die van de Stichting bewoners Rijnlanderweg en omstreken, op gewezen.

20

Ook verschillende zienswijzen van omwonenden vragen hier aandacht voor.

21

Zie Structuurvisie Haarlemmermeer, blz. 60.

-11-

of werkzaamheden plaats vinden die conflicteren met het bepaalde in de Wet natuurbescherming. Als daarvan sprake is, geef dan in het MER aan hoe hiermee wordt omgegaan. Geef voorts aan in hoeverre de inrichting van (delen van) PARK21 kan bijdragen aan het vergroten van de verscheidenheid aan milieucondities in het gebied en daarmee ook kansen kan bieden voor de vestiging en ontwikkeling van nieuwe populaties beschermde soorten.

4.3

Woon- en leefmilieu Het plangebied wordt op dit moment vooral gebruikt voor landbouw. PARK21 zal voor een deel een nieuw leefmilieu creëren. Geef voor dit gebied aan wat de gewenste kwaliteit van het te ontwikkelen woon- en leefmilieu is. Besteed daarbij ook aandacht aan de gevolgen van het wegverkeer voor dit gebied.

4.3.1 Lucht Voer de luchtkwaliteitsberekeningen uit conform titel 5.2 uit de Wet milieubeheer en de daaraan gerelateerde uitvoeringsregelingen.

4.3.2 Geluid en trillingen Beschrijf de toetsingskaders voor de beoordeling van de geluiduitstraling van PARK21. Geef in het MER de activiteiten aan die relevant bijdragen aan de geluidbelasting, waaronder evenementen. Ga tevens in op de cumulatie van geluid van de verschillende geluidsbronnen in het plangebied. Maak onderscheid tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. Voer berekeningen in ieder geval uit voor de situatie met een maximaal aantal bezoekers. Presenteer voor de huidige situatie, referentiesituatie en de situatie na realisatie: 

de mogelijke geluidreducerende maatregelen voor die situaties waar verbetering gewenst is vanuit de doelstelling en/of vereist is vanuit de wetgeving, en de effecten daarvan;

in welke mate voldaan wordt aan de vigerende geluidproductieplafonds (GPP’s). Geef, indien sprake is van een overschrijding, aan welke maatregelen genomen kunnen worden om deze overschrijding teniet te doen;

een kwalitatieve omschrijving van de mogelijke hinder door trillingen.

4.3.3 Externe veiligheid Geef in het MER aan in hoeverre externe risicobronnen zoals de luchthaven Schiphol en eventueel vervoer van gevaarlijke stoffen over nabijgelegen (spoor)wegen van invloed zijn op het plaatsgebonden risico en groepsrisico, en in hoeverre maatregelen kunnen worden genomen om deze invloed te beperken.22 Geef in het MER aan of de ontsluiting van het plangebied voldoende is voor hulpverlening en ontruiming in geval van calamiteiten. Geef aan in hoeverre aanwezigen zich ingeval van een calamiteit op eigen kracht in veiligheid zullen kunnen brengen (zelfredzaamheid) en in hoe-

22

De zienswijze van de GGD Kennemerland en de Brandweer Kennemerland vraagt specifiek om heroverweging van de locatie voor grootschalige leisure en een evenemententerrein vanwege de aanwezigheid van meerdere risicobronnen.

-12-

verre hulpdiensten in staat zullen zijn verdere escalatie van een incident te voorkomen (beheersbaarheid). Deze factoren kunnen van groot belang zijn voor de daadwerkelijke gevolgen van een calamiteit. Geef in het MER aan welke risicovolle activiteiten er mogelijk zijn binnen de recreatieve ontwikkelingen (zoals vuurwerkshows) en hoe met deze risico’s zal worden omgegaan.

4.3.4 Gezondheid De NRD geeft aan dat gezondheidseffecten kwalitatief worden behandeld in het MER. Breng ook de positieve effecten van PARK21 in beeld voor enerzijds bezoekers en anderzijds omwonenden van het park. Door het bevorderen van recreatie, het bevorderen van bewegen en de aanleg van groen kan PARK21 de gezondheid ook positief beïnvloeden.

4.4

Mobiliteit en infrastructuur In de NRD is de beoogde toekomstige infrastructuur in en rond PARK21 geschetst. Naast de huidige rechthoekige wegenstructuur wordt een verbindende autoroute door het gebied geprojecteerd. Door de wijze waarop de mobiliteit in het gebied wordt gefaciliteerd, kunnen ontwikkelingen worden gestuurd in de richting van de ambities rond afwikkeling, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. De Commissie adviseert in het eerste deel van het verkeersonderzoek de beoogde structuren voor het autoverkeer (inclusief parkeervoorzieningen), het fietsverkeer, het openbaar vervoer en de belangrijkste looproutes in hun samenhang in beeld te brengen (aanbodzijde). Beschrijf dan de wegencategorisering en maak duidelijk welke profielen/wegkenmerken de verschillende wegen/routes hebben. Vervolgens zal in het verkeerskundig onderzoek moeten worden onderzocht wat het te verwachten toekomstig gebruik zal zijn (vraagzijde). Wat gaan de park- en (grootschalige) leisure-voorzieningen aan extra verkeersbewegingen opleveren? Hiervoor zal in eerste instantie beschouwd moeten worden hoeveel bezoekers worden verwacht (per tijdseenheid en per deelgebied) en welke verdeling over de verschillende vervoerwijzen zal plaatsvinden. Geef in het MER welke aantallen bezoekers door de infrastructuur in de autonome situatie kunnen worden opgevangen.

Beschrijf voor die situatie de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op de netwerken. Onderzoek vervolgens welke voorzieningen in beeld komen en uitgevoerd moeten worden om grotere aantallen bezoekers te kunnen verwerken. Ga daarbij ook in op de invloed die dit kan hebben op de bereikbaarheid van andere locaties in de regio en met name die van de luchthaven Schiphol. Naar verwachting zullen in PARK21 ook regelmatig evenementen worden georganiseerd, bijvoorbeeld sportwedstrijden, muziekconcerten, beurzen, etc. Dit soort evenementen heeft verschillende patronen van aankomsten en vertrekken; gaat het om verkeer dat vooral overdag of juist ’s avonds plaatsvindt? Ga bij de beschrijving hiervan in de verkeersonderzoeken in op de specifieke kenmerken van evenementenlogistiek en hoe de gemeente die vorm van evenementenmanagement wil (laten) organiseren Geef aan in hoeverre sprake is van samenloop van reguliere en specifieke bezoekersstromen en hoe risico’s van overbelasting worden beheerst. Voor een goed functionerend verkeers- en vervoervoersysteem is naast het rijdende verkeer ook ruime aandacht nodig voor het parkeren. Het parkeren is immers ook een instrument om te sturen in de richting van het gewenste verkeersgebruik en de ruimtelijke inrichting. De Commissie adviseert om in het MER voor de verschillende delen van het plangebied inzicht te

-13-

geven in de wijze van parkeerregulering en de vertaling daarvan in de ruimtelijke spreiding en vormgeving (onder de grond, een laag, gestapeld) van de parkeeraccommodaties.

4.5

Klimaat Uit de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 blijkt een ambitie om de gemeente duurzaam en klimaatbestendig in te richten. Zo is daarin opgenomen dat alle nieuw in te richten gebieden CO2-neutraal moeten zijn. Geef aan hoe het gebied CO2-neutraal wordt.

4.6

Landschap en cultuurhistorie In het Masterplan PARK21 uit 2011 is als doelstelling opgenomen dat een nieuw landschap binnen de metropool Amsterdam wordt gecreëerd waarin de beleving van de polder centraal staat. Daarbij moet het PARK21 een plek maken dat het verhaal van de polder vertelt.23 Uit de verbeeldingen in de NRD valt op dat de aanleg van een nieuwe parklaag negatieve effecten heeft op de beleving van de polder: de strakke lijnen en het open karakter van de polderlaag valt immers voor een groot deel weg door de nieuwe parklaag. De grootschalige openheid van de polder, die vooral beleefbaar is vanwege het bestaande grootschalige gebruik door de landbouw, is nu primair te zien vanaf de polderwegen. De profielopbouw van de polderwegen wordt gekenmerkt door een smalle rijbaan, geflankeerd door een sloot aan een of twee kanten. Tussen rijbaan en sloot staat aan een kant een rij bomen met een ruime onderlinge afstand, bij voorkeur aan de zuidoostzijde, zodat de schaduw het grootste deel van de dag op de weg valt en niet op het land. Beschrijf in het MER hoe veranderingen in de mogelijkheden voor grondgebruik door de landbouw als gevolg van PARK21 leiden tot een andere beleving van het polderlandschap. Maak voorts in het MER duidelijk hoe PARK21 zich verhoudt tot het bestaande welstandsbeleid van de gemeente.

Volgens de Structuurvisie maken de noodzakelijke waterbreedte en de enorme lengte de Hoofdvaart tot een ruimtelijk element van formaat. Samen met de populieren langs de oevers is de Hoofdvaart het grootste, langste en een van de meest ‘kathedrale’ landschappelijke elementen van ons land. Het beperkte aantal bruggen heeft ervoor gezorgd dat de wegen aan beide kanten van de Hoofdvaart lange tijd vrijwel gelijkwaardig zijn gebleven en een hoge mate van symmetrie is blijven bestaan.24 Verder geeft de Structuurvisie aan dat de polderlinten verkeerskundig worden afgewaardeerd tot het laagste niveau van verkeersafwikkeling (erftoegangswegen). Dit versterkt de lokale functie van deze wegen. Ze worden gezien als de mooiste fietsroutes langs de cultuurhistorie van Haarlemmermeer.25 Geef in het MER aan welke effecten het plan zal hebben voor de Hoofdvaart en de polderlinten en in hoeverre negatieve effecten kunnen worden voorkomen.

23

Masterplan, blz. 10.

24

Zie de Structuurvisie, blz. 98.

25

Zie de Structuurvisie, blz. 100.

-14-

5.

Overige aspecten Voor de onderdelen ‘vergelijking van alternatieven’, ‘leemten in milieu-informatie’ en ‘samenvatting van het MER’ heeft de Commissie geen aanbevelingen naast de wettelijke voorschriften.

5.1

Vorm en presentatie Bijzondere aandacht verdient de presentatie van de vergelijkende beoordeling van de alternatieven. Presenteer de vergelijking bij voorkeur met behulp van tabellen, figuren en kaarten. Zorg ervoor dat: 

het MER zo beknopt mogelijk is, onder andere door achtergrondgegevens niet in de hoofdtekst zelf te vermelden, maar in een bijlage op te nemen;

een verklarende woordenlijst, een lijst van gebruikte afkortingen en een literatuurlijst zijn opgenomen;

recent, goed leesbaar kaartmateriaal is gebruikt, met duidelijke legenda.

Samenvatting van het MER De samenvatting is het deel van het MER dat vooral wordt gelezen door besluitvormers en insprekers en het verdient daarom bijzondere aandacht. Het moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER. Daarbij moeten de belangrijkste zaken zijn weergegeven, zoals: 

de voorgenomen activiteit en de alternatieven daarvoor;

de belangrijkste effecten voor het milieu bij het uitvoeren van de voorgenomen activiteit en de alternatieven, de onzekerheden en leemten in kennis die daarbij aan de orde zijn;

de vergelijking van de alternatieven en de argumenten voor de selectie van het voorkeursalternatief.

-15-

BIJLAGE 1: Projectgegevens reikwijdte en detailniveau MER Initiatiefnemer: Gemeente Haarlemmermeer Bevoegd gezag: Gemeente Haarlemmermeer Besluit: vaststellen van het bestemmingsplan Categorie Besluit m.e.r.: D09 Activiteit: De gemeente Haarlemmermeer wil het agrarische buitengebied tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep omvormen naar een groen en recreatief metropolitaan gebied, PARK21, gericht op de regionale en (inter)nationale bezoekers. Naast nieuwe leisure-ontwikkelingen wordt ook ingezet op transformatie van het agrarisch gebruik naar verbrede (stads)landbouw. De ontwikkeling van PARK21 vindt plaats op basis van vrijwilligheid door middel van organische gebiedsontwikkeling waarbij het primaat ligt bij het private initiatief en de gemeente faciliteert. Procedurele gegevens: Adviesaanvraag bij de Commissie m.e.r.: 15 december 2016 Aankondiging start procedure: 25 januari 2017 Ter inzage legging van de informatie over het voornemen: 26 januari 2017 t/m 8 maart 2017 Advies reikwijdte en detailniveau uitgebracht: 6 april 2017 Samenstelling van de werkgroep: Per project stelt de Commissie een werkgroep samen bestaande uit enkele deskundigen, een voorzitter en een werkgroepsecretaris. Bij dit project bestaat de werkgroep uit: dhr. ir. J.J. Bakker dhr. ir. D.L.J. Heikens dhr. mr.drs. G.A.J.M. Hoevenaars (secretaris) dhr. ing. B.P.A. Peters mw. M.A.J. van der Tas (voorzitter) mw. ir.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=57a84e11-b834-4157-9488-075a3a60bf12