2021.0001380 b17 vaststelling reikwijdte 2017.pdf
Tekst van het document
OPLEGNOTITIE Onderwerp: Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21
Nummer Versie Thema Indieners Steller Verzoek portefeuillehouder Beslispunten voor de raad
Overwegingen portefeuillehouder m.b.t. proces Proces formele besluitvorming afronden vóór (wettelijk vereiste termijn)
0031976 1 Ruimtelijke ordening, grootschalig groen, recreatie en water dr. Tom Horn, John Nederstigt, Adam Elzakalai S. Hafkenscheid, H. Grootveld - Teune De raad voor te stellen dit raadsvoorstel ter bespreking en besluitvorming te agenderen. 1. in te stemmen met: a) de beantwoording van de bestuurlijke reacties, zoals verwoord in de Nota van adviezen; b) de beantwoording van de zienswijzen, zoals verwoord in de Nota van zienswijzen; c) de reactie op het advies van de commissie voor de m.e.r., zoals verwoord in dit raadsvoorstel; 2. de reikwijdte en het detailniveau voor het MER PARK21 vast te stellen op basis van: a) de eerder ter visie gelegde concept NRD; b) de aanpassingen van de reikwijdte en het detailniveau, voortvloeiend uit de beslispunten 1a, 1b en 1c. Aan de raad voorstellen dit te betrekken bij de bespreking van de voortgangsrapportage + kredietvoorstel 2017 van PARK21 (2017.0030236) in de raad.
Historie:
Planning proces Thema: Stap Datum Sessie 20-7-2017 Stemming 7-9-2017
Doel Voorbereiden stemming
Gewenste rol college Verdedigen van het voorstel
"
#
$
%
&
'
(
(
)
&
#
*
7
(
#
@
:
(
8
:
9
*
9
8
:
8
:
'
'
+
4
8
,
+
;
-
<
=
-
&
'
;
>
.
/
0
?
0
.
1
-
+
5
.
6
,
2
3
!
<
8
A
B
C
L
D
M
E
N
F
O
P
G
Q
Q
H
R
D
I
S
I
J
O
G
K
R
T
R
U
R
P
V
R
S
W
X
5
Y
+
+
f
e
b
2
3
]
^
_
0
6
Y
0
0
0
Y
Y
b
Y
c
+
6
Y
a
-
+
Y
+
a
0
`
_
Y
^
]
.
Y
\
a
3
3
[
0
+
Z
Y
Y
0
Y
0
0
c
d
Y
!
\
f
a
[
c
2
2
Z
e
e
3
b
Y
Y
a
+
Y
0
Y
0
Y
!
3
0
e
2
+
0
0
g
3
1
a
b
1
a
c
h
b
a
Y
3
c
i
3
3
.
1
3
3
h
a
Y
0
0
3
Y
j
.
k
l
k
m
k
i
1
h
3
-
0
0
Y
j
k
l
k
m
k
i
n
j
k
l
k
m
k
h
a
1
L
M
N
o
3
M
M
+
b
0
~
U
S
6
1
a
z
3
{
z
|
b
z
y
0
3
3
n
}
3
+
+
x
s
s
t
0
.
t
!
0
a
s
t
a
c
b
3
j
k
l
k
m
g
k
2
.
a
+
e
0
c
a
1
.
w
+
v
u
+
W
1
Y
R
b
c
r
p
3
U
r
0
1
r
.
q
M
0
3
3
.
a
M
a
e
p
R
2
1
O
e
S
3
0
e
2
#
(
8
9
(
!
;
L
M
N
a
P
a
S
a
[
S
R
]
§
¨
©
«
°
±
x
¼
U
_
³
I
w
U
S
U
p
R
¡
Q
¢
2
P
£
V
e
c
2
0
Y
Y
!
s
s
+
s
s
s
.
6
+
R
r
Y
r
U
N
o
M
q
0
p
3
U
W
R
¡
q
0
r
2
p
M
-
M
e
r
+
U
0
R
p
+
r
Y
Q
3
c
O
2
3
N
t
M
M
e
6
w
R
¤
+
0
R
s
0
s
r
+
q
+
s
F
´
W
0
U
S
+
r
S
²
r
u
R
d
¬
²
q
«
±
^
ª
¯
R
!
R
\
0
N
s
U
Z
M
r
b
M
V
p
M
L
b
R
N
P
R
!
L
o
M
Y
o
r
O
S
U
p
R
,
o
R
¥
S
+
0
S
¦
r
U
R
R
U
p
0
W
Y
+
+
®
²
µ
±
¶
·
¸
¹
²
º
»
0
Y
0
g
½
¾
Y
g
Y
.
3
1
¿
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Ä
Æ
Ç
È
Y
3
3
.
3
1
3
3
i
¿
É
Ì
0
j
k
l
k
m
k
Ë
3
Ê
i
Í
¾
0
0
e
1
2
a
!
Y
g
i
¿
È
0
.
¿
Y
Î
B
Ø
Ï
G
®
Ð
F
J
Ñ
Ò
J
G
Ú
Û
ì
Ü
Ü
ì
Ð
Ö
Y
+
Ý
Ü
ì
!
è
á
ç
â
ê
ã
è
.
!
e
à
õ
0
ß
é
Þ
ó
Y
!
+
×
a
3
Û
è
Õ
K
ê
Ô
Ó
Ù
2
ä
å
æ
æ
ç
Ý
è
0
Y
ç
Y
é
ç
ê
Ý
ë
ì
ì
í
+
è
x
è
0
Ý
ç
ê
+
+
ç
+
6
î
ì
Ý
ï
Û
ç
ð
ñ
ò
Ý
Ý
ç
!
î
ó
0
ç
ç
Y
0
å
ä
ô
å
è
Û
Y
Û
Ü
ç
+
Û
Ý
ê
õ
æ
6
å
ö
Z
[
å
å
\
ä
3
ê
ä
+
í
+
g
]
^
_
d
+
ê
÷
î
ø
õ
Ý
Ü
ê
ç
Ý
æ
Û
æ
#
(
8
9
(
!
ù
1
ú
û
ü
3
ý
þ
3
n
ÿ
0
e
2
F
-
¨
]
G
3
Î
0
Y
6
0
Y
1
Y
+
a
a
c
t
b
s
Y
3
3
0
0
e
®
F
K
J
s
G
!
t
+
0
s
s
0
Y
t
v
u
s
s
t
w
!
c
!
.
t
u
0
0
6
1
a
t
+
x
n
3
3
j
k
l
0
k
m
k
0
Y
0
Y
e
2
+
a
3
3
0
3
+
.
.
3
+
K
2
1
.
s
!
u
1
Y
+
Y
3
.
0
.
-
0
Y
«
«
0
e
b
3
1
2
6
-
Y
Y
0
0
Y
0
+
0
0
a
3
e
2
+
F
`
a
3
!
3
u
Y
!
Y
0
s
0
!
u
.
0
1
a
6
Y
!
0
0
a
1
s
3
3
t
s
0
0
3
Y
a
+
0
a
Y
n
3
4
u
.
+
b
+
Y
a
a
x
4
3
3
Y
.
c
Y
3
0
3
3
Y
3
3
0
.
e
Y
2
Z
0
3
\
j
[
+
k
]
^
0
l
k
_
`
m
k
3
0
3
Y
Y
0
Y
0
+
6
1
a
0
+
3
u
3
0
!
1
Y
.
+
6
0
s
Y
Y
_
t
Ù
,
+
^
Y
]
¬
!
\
[
3
H
!
Z
u
!
s
s
.
+
3
a
2
x
Y
.
+
6
.
a
0
e
3
1
t
1
Y
6
0
3
Ù
6
Y
n
G
B
F
0
0
k
0
0
3
3
D
3
D
a
0
3
0
+
+
0
3
+
Y
k
J
Y
a
m
+
¬
F
c
0
b
Y
a
Y
`
k
J
0
_
F
+
1
^
J
l
®
k
0
6
©
3
Y
\
¬
[
Z
¢
6
j
0
6
I
6
+
Y
!
Y
Y
a
Y
0
a
1
0
B
Y
+
Y
3
-
+
0
+
a
1
6
+
3
a
A
0
Y
a
ý
#
(
8
9
(
"
#
!
$
4
e
2
+
*
&
)
*
*
3
/
1
a
J
/
"
6
"
Y
,
#
'
3
"
+
+
&
'
3
3
+
(
"
)
3
#
/
"
)
/
"
2
)
3
g
*
Y
"
"
'
+
#
*
#
*
Y
%
Y
-
"
Y
0
&
Y
#
+
3
)
Y
#
&
)
"
8
%
@
I
A
H
.
D
!
5
6
b
6
7
c
'
'
'
>
«
@
&
#
'
#
"
*
/
)
'
#
Y
"
0
)
"
"
#
%
&
/
"
"
'
/
"
"
i
)
%
&
#
'
"
Y
3
0
4
"
.
0
&
,
Y
3
)
Y
#
4
"
)
%
"
&
Z
#
)
[
\
]
^
_
d
i
"
#
F
@
3
&
"
I
+
'
Y
*
3
"
"
/
"
)
0
"
)
'
;
'
0
+
"
%
"
#
&
'
#
"
)
"
+
3
"
0
G
&
Y
'
4
0
"
%
'
2
"
Y
Y
Y
#
#
"
3
"
B
&
&
i
#
G
%
F
&
%
Y
#
)
d
"
#
_
0
'
"
^
Y
Y
/
0
#
3
"
*
J
"
3
*
%
"
'
"
)
]
#
2
#
&
'
)
'
.
\
"
&
%
%
.
"
«
?
'
"
Y
.
"
[
'
Z
3
#
)
Y
"
#
0
>
&
=
"
'
#
*
"
Y
#
"
'
G
¼
F
&
2
"
K
G
Y
0
-
4
%
&
"
K
'
J
,
Y
"
e
)
'
"
%
#
#
&
&
Y
/
:
%
#
)
0
Y
"
i
Y
+
'
'
"
&
.
/
0
"
,
%
'
&
Y
"
*
n
"
)
)
&
'
2
'
"
'
"
9
'
)
#
"
J
&
0
/
+
%
,
Y
1
<
#
0
2
e
C
"
D
E
#
/
F
"
)
*
#
'
%
"
&
#
'
n
"
%
&
'
#
/
"
4
"
G
"
G
8
G
)
+
½
'
"
)
&
6
1
a
%
#
&
,
2
2
"
9
"
3
'
§
#
Y
&
Y
Ì
"
'
&
#
/
"
"
:
)
%
%
+
&
&
a
/
"
Y
0
#
#
0
Y
#
!
Y
&
)
:
&
3
%
!
'
&
&
#
#
3
3
.
Y
"
3
"
/
0
.
0
"
2
Y
:
#
#
)
2
*
3
2
3
%
&
#
i
Í
*
#
/
w
+
*
#
)
;
H
/
K
"
"
I
9
&
,
Y
)
;
H
I
9
&
&
,
Y
&
#
&
/
&
"
#
Y
)
'
&
"
'
'
#
*
&
J
)
'
#
%
J
*
"
)
&
'
%
#
6
/
e
#
"
&
"
6
)
1
a
1
:
#
0
i
a
Y
2
:
2
a
#
4
0
0
i
L
*
#
/
!
+
*
#
"
'
;
I
9
&
,
Y
H
"
)
6
1
n
"
'
&
#
J
%
3
*
&
)
'
#
%
&
Y
'
"
#
"
'
"
G
G
8
a
:
0
G
1
"
6
4
*
2
0
0
#
#
i
)
*
"
#
)
3
2
)
'
Y
"
.
'
*
"
'
3
"
M
"
M
'
Y
3
0
#
a
2
+
&
&
'
Y
"
'
"
)
4
"
%
"
)
3
&
#
Y
#
0
"
0
/
"
)
Y
&
,
Y
+
'
*
"
+
'
;
"
0
"
2
)
/
4
"
)
"
#
)
'
"
%
"
)
"
&
#
'
2
3
"
"
'
0
*
#
Y
Y
0
%
Y
&
0
#
+
'
"
#
(
8
9
(
!
N
M
x
P
Q
L
M
N
e
M
M
S
R
O
3
0
M
Y
Y
p
M
M
U
q
r
r
U
Y
0
Y
L
3
M
N
a
P
p
r
R
.
S
a
[
§
M
U
R
U
R
_
d
a
e
0
b
e
2
c
+
-
e
2
+
+
Y
+
6
6
M
¡
S
M
p
M
Q
2
£
Y
V
Y
+
3
p
0
Y
Y
!
s
s
+
s
s
s
.
6
+
r
Y
r
U
N
o
M
q
R
c
2
0
U
e
W
R
0
q
r
p
P
R
M
p
-
M
e
U
U
r
+
R
0
r
¡
O
Y
2
2
Q
3
0
¢
N
+
e
c
0
+
U
¤
t
R
R
0
+
w
r
+
s
q
W
3
S
S
w
U
^
s
r
R
s
r
q
N
R
]
+
S
\
M
Z
b
S
+
W
u
r
!
M
p
V
s
0
N
b
P
R
R
a
!
L
o
L
M
0
+
M
R
o
S
a O
o
Y
U
p
R
+
,
o
R
¥
S
0
r
O
S
S
¦
r
U
R
R
U
p
0
W
Y
+
+
X
4
Y
a
Y
U
R
W
U
P
X
-
R
U
Z
R
[
R
[
¬
0
I
F
S
¦
r
U
3
3
M
N
P
0
0
6
-
c
3
0
0
0
+
Y
-
¡
0
Y
3
G
.
G
K
J
.
F
P
R
N
S
3
M
0
-
0
Y
0
4
3
+
Y
a
3
+
R
_
F
q
^
6
]
Ù
Q
\
3
G
a
Y
a
.
0
Y
B
0
a
`
o
a
1
X
b
T
q
V
0
a
Y
0
Y
!
+
0
Y
Y
Y
+
0
Y
+
b
c
d
e
f
g
d
h
i
j
k
l
m
n
o
p
q
r
s
n
1
a
3
h
1
3
h
1
3
3
h
h
n
!
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a Adviezennota NRD PARK21 nr. 1
wie
subnr.
wat
reactie
Gemeente Haarlemmerliede
1.1
Betreft grootschalige ontwikkeling. Inkleuring bestemmingen en gebruik is betrekkelijk vaag en wordt in belangrijke mate aan de markt overgelaten. Naar mening Haarlemmerliede zou gemeente zelf meer richting moeten geven aan welke functies wel/niet toegelaten zullen worden.
Het is correct dat het toekomstig gebruik in belangrijke mate aan private partijen wordt overgelaten. De gemeente kiest bewust voor een organische ontwikkeling, maar stelt wel randvoorwaarden.
1.2
Tegenwoordige tendens tot bouwen outletcenters. Er wordt gewezen op Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020. In Haarlemmermeer is interesse getoond voor factory outlet, evenals in Zoetermeer en Velsen. Er wordt in overweging gegeven duidelijker positie te kiezen in aanvaardbaarheid van functies.
In de in januari 2016 vastgestelde nota commerciële voorzieningen is het kader weergegeven voor retail in PARK21. Commerciële voorzieningen zijn onderdeel van het integrale programma voor de leisurezone en geen op zich zelf staande perifere detailhandelsontwikkeling. Dit is passend bij het provinciale detailhandelsbeleid Noord-Holland. Zie ook de reactie op 1.1.
1
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a 2
Vervoerregio Amsterdam
2.1
De Vervoerregio staat positief tegenover de ontwikkeling van een metropolitaan park. Algemeen: De Vervoerregio stelt graag haar expertise ter beschikking voor het beoordelen van de verschillende scenario's van zijn investeringsagenda's. Van belang is alle modaliteiten volwaardig en op integrale wijze mee te nemen. Zo onderzoekt de Vervoerregio nu toekomstige ontwikkelingen in het (H)OV-netwerk (R-net) met een duidelijke link met ruimtelijke ontwikkelingen en fysieke inrichting van Park21. Onduidelijk is of sprake is van 1 voorkeursvariant of dat er een meer organische ontwikkeling gaat plaatsvinden. Een degelijk verkeeren vervoernetwerk is een randvoorwaarde voor het slagen van het project. Diverse projecten moeten klaar zijn voordat ontwikkelingen op gang kunnen komen. De vervoerregio definieert graag samen met de gemeente welke verbindingen dat zijn en welke ontwikkelingen hierin cruciaal zijn. Uitgangspunt hierbij: al bestaande netwerken en 'zekere' lopende projecten optimaal benutten, alvorens nieuwe projecten te realiseren. De infra-projecten genoemd in par. 3.3 worden herkend, maar hierover is nog geen definitieve besluitvorming en deze mogen daarom niet per definitie uitgangspunt zijn in de referentiesituatie.
Monitoren van ruimtelijke ontwikkelingen en verkeer- en vervoerstromen alsmede van het functioneren van netwerken is van belang voor het tijdig bijsturen of het zetten van stappen met een volgend noodzakelijk bereikbaarheidsproject.
2
Zie de reactie op 1.2 van de zienswijzennota. De verwachting is dat het gebied zich organisch zal ontwikkelen. Daarbij hoort ook een organische ontwikkeling van de infrastructuur. Het monitoren en waar nodig bijsturen van de ontwikkelingen is voorzien.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a 2.2
2.3
3
Provincie NoordHolland
3.1
De Vervoerregio ziet graag de volgende onderwerpen in ieder geval terugkomen in de MER: - Inzicht in de mobiliteitsconsequenties, ook bij grootschalige evenementen; - Aantal werknemers en bezoekers; (H)OV ontsluiting; - Verkeersstromen (grootte en routes van de verschillende mobiliteiten; - Toegankelijkheid; - Uitstoot (CO2, NOx , fijnstof); - Relatie met routes gevaarlijke stoffen ((Nieuwe) Bennebroekerweg) - Relatie met Duinpolderweg; - Robuustheid t.a.v. de toekomstige verlegging van de Bennebroekerweg tussen Spoorlaan en A4. Financiering: De Vervoerregio is bereid na te gaan of er voor het verkeer- en vervoernetwerk aangrijpingspunten zijn om op onderdelen te financieren.
De genoemde onderwerpen komen aan bod in het MER. Zie ook reactie 2.1 en van de zienswijzennota reactie 1.2.
Reclamant merkt op dat in de NRD op blz. 14 en 15 onder de kop infrastructuur/mobiliteit een aantal “ autonome” ontwikkelingen genoemd zijn die in de context van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau niet allemaal als autonome ontwikkeling zijn te beschouwen. Het gaat daarbij in ieder geval om de volgende punten: - aanleg ontbrekende deel HOV deel op lijn NoordwijkSchiphol; - aanleg Duinpolderweg. Formele plan MER procedure is nog niet gestart, zeven alternatieven zijn nog in onderzoek. Er zijn geen besluiten genomen die maken dat de aanleg van de Duinpolderweg als autonome ontwikkeling is te beschouwen; - Nieuwe Bennebroekerweg tussen Spoorlaan en A4; - Gewenste ingrepen in de infrastructuur conform de gemeentelijke Structuurvisie zijn op regionale en provinciale
Zie de reactie op 4.2 van de zienswijzennota.
3
Graag wordt gebruik gemaakt van dit aanbod.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a schaal niet als autonome ontwikkelingen te beschouwen. Niet alle hierin beschreven ingrepen zijn in overeenstemming met provinciaal beleid. De eerste twee ontwikkelingen zijn mogelijke toekomstige ontwikkelingen waarover besluitvorming nog moet plaatsvinden en dienen naar de mening van reclamant bij de varianten zoals beschreven in paragraaf 3.5 ook als zodanig beschouwd te worden.
4
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a 4
GGD en Brandweer
4.1
Advies op gebied van gezondheid. - MER Park21. Opgemerkt wordt dat de aandacht voor gezondheid in een MER vaak indirect is. Vaak is onderzoek gericht op het voldoen aan grenswaarden. Dit zegt niet alles over de gevolgen van de ontwikkeling voor de gezondheid. Het is belangrijk daar al in een vroeg stadium rekening mee te houden. - Welke informatie in MER? De in het Mer op te nemen informatie hangt af van de gezondheidsrisico's van het plan en het detailniveau van de besluitvorming. Van verschillende milieuaspecten is het effect bekend, van andere is dat minder duidelijk maar is de maatschappelijke onrust soms groot. - Onderzoek alternatieven en maatregelen. Geadviseerd wordt om onderzoek te laten doen naar alternatieven en maatregelen waarmee gezondheidseffecten kunnen worden voorkomen of beperkt. - Met welke methoden kunnen gezondheidseffecten worden beschreven? Belangrijk is na te gaan welke van de verschillende methoden het meest geschikt is voor het in beeld brengen van gezondheidsrisico's. - Handreiking Gezondheid in m.e.r. De website Handreiking Gezondheid (http://gezondheid.commissiemer.nl) helpt bij het kiezen van de juiste methode, het detailniveau van de informatie en van gezonde alternatieven en maatregelen. - Relevante milieuaspecten voor de gezondheid.
De gezondheid in het plangebied kan positief worden beïnvloed door in de ruimtelijke ordening aandacht te besteden aan het bevorderen van bewegen, lopen en fietsen en aan groen, ruimte voor recreatie en sport, stilte en rust. Park21 kan daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan de verbetering van het woon- en leefklimaat in Haarlemmermeer. - Mogelijkheden op het gebied van gezondheidsbeschermende
5
In het MER wordt aandacht besteed aan de effecten van het plan voor de gezondheid, zowel mogelijke negatieve effecten (door bv. geluidhinder), als mogelijke positieve effecten (doordat het park uitnodigt meer te bewegen). De adviezen worden meegenomen bij de verdere plan- en besluitvorming.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a maatregelen. Beschrijven van gezondheidseffecten in een MER biedt kansen om gezondheid te betrekken bij de besluitvorming en het plan te optimaliseren. Het is ook van belang voor het creëren van draagvlak en het voorkomen van negatieve effecten. Als voorbeelden van onderwerpen in een MER worden genoemd: . Woningbouw. Alleen in de zuidwestpunt van het gebied is woningbouw toegestaan, terwijl voor bebouwing in gebied tussen spoor en A4 een verklaring van geen bezwaar nodig is. in de kern van het gebied moeten grote concentraties mensen worden voorkomen. . Luchtkwaliteit. Aanbevolen wordt geen nieuwe gevoelige bestemmingen aan een drukke weg toe te staan. . Geluid. Over het gebied loopt de uitvliegroute van Schiphol. Langs A4, N205 en andere grote wegen gelden geluidhindernormen. . Electromagnetische velden rond 150 kV HaarlemmermeerSassenheim. De magnetische velden van de hoogspanningsleiding kunnen invloed hebben op de gezondheid (indicatieve zone is 2 x 80 meter). Geadviseerd wordt nieuwe situaties te vermijden waarbij kinderen langdurig (14-18 uur per dag gedurende minimaal 1 jaar) verblijven in de magneetveldzone. - Mogelijkheden op gebied van gezondheidsbevordering.
De groenfuncties in het gebied kunnen worden versterkt door het aantrekkelijk te maken er te verblijven, elkaar te ontmoeten en meer te bewegen. . Groen bevordert bewegen. Geadviseerd wordt een deel van het park zo in te richten dat dit uitnodigt tot bewegen (b.v. door de aanleg van fietspaden of beweegtoestellen). . Groen draagt bij aan de ontwikkeling van kinderen. Geadviseerd wordt een deel van de omgeving zo in te richten dat dit
6
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a een positieve invloed heeft op motorische ontwikkeling, speelgedrag, lichamelijke activiteit en preventie van overgewicht. . Groen bevordert sociale contacten. Een levendig park is een ontmoetingsplek voor bewoners waardoor sociaal isolement en eenzaamheid doorbroken kunnen worden. . Allergeenarm groen. Bij nieuwe aanplant in verblijfsgebied bij voorkeur allergeenarm groen inplanten. . Participatie publieke en private partijen bij de inrichting van het park. Bewonersbetrokkenheid bevordert sociale cohesie.
7
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a 4.2
Advies op het gebied van openbare veiligheid. Het plan Park21 is op de volgende (externe) veiligheidsaspecten beoordeeld. Risicobronnen In het plangebied zijn bestaande risicobronnen aanwezig, waarbij transport of verwerking van gevaarlijke stoffen een relevant gevaar vormt voor de aanwezigen in het plangebied. Deze zijn: 1. Rijksweg A4 (transport gevaarlijke stoffen met een invloedsgebied van ca. 200 m.) 2. Transportleidingen kerosine parallel aan de A4 3. Tankstations langs de A4 4. Hoge druk aardgasleidingen (12 inch, 40 bar) langs de Nieuwerkerkertocht met aftakking langs de Noordelijke Randweg 5. Uitvliegroute Schiphol (Kaagbaan) Ten aanzien van bron 1 t/m 3 wordt geadviseerd geen ontwikkeling die veel mensen aantrekt toe te staan binnen 200 meter van de A4 en de tankstations en binnen 30 meter van de kerosineleiding. Binnen de genoemde zones wordt ook geadviseerd geen bebouwing toe te staan, hetgeen betekent dat aangeraden wordt de invulling van deelgebied 4 te heroverwegen. Wenselijker zou zijn om daar te kiezen voor een minder intensief gebruik en het aanleggen van open water in de deelgebieden 4 en 5 dat kan dienen als bluswater. Binnen het invloedsgebied van 140 meter rond bron 4 (hoge druk gasleidingen) is een ontwikkeling die veel mensen aantrekt niet wenselijk. Geadviseerd wordt het open water hier zo aan te leggen dat het als bluswater gebruikt kan worden.
Ten aanzien van bron 5 (Schiphol) wordt geadviseerd geen ontwikkelingen toe te staan die een gevaar opleveren voor het luchtverkeer (drones, ballonnen, modelvliegtuigen. lasers, lichtshows, vuurwerk). Ter zake wordt verwezen naar het advies van de Luchtverkeersleiding van Schiphol. Bereikbaarheid voor de hulpdiensten.
8
In het MER wordt aandacht besteed aan de genoemde veiligheidsaspecten. De adviezen worden meegenomen in de verdere plan- en besluitvorming.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a Een goede bereikbaarheid van de drukbezochte delen van het Park is belangrijk. De geprojecteerde primaire infrastructuur biedt goede mogelijkheden voor een tweezijdige bereikbaarheid, waarbij een goede fundering en voldoende wegbreedte noodzakelijk is. Geadviseerd wordt bij de ontwikkeling daarvan in overleg te treden met de brandweer Kennemerland. Bluswater en VDS. Het plangebied biedt goede mogelijkheden om bluswater te creëren, die er nu nog niet zijn. De gemeente wordt daarom geadviseerd bij het ontwikkelen van open water in overleg te treden met de brandweer Kennemerland om te bezien waar het VDS de behoefte aan bluswater kan oplossen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid van de aanwezigen in het plangebied. Geadviseerd wordt te voorzien in voldoende schuilmogelijkheden waar veel mensen in de openlucht verblijven, ingeval van extreme neerslag of ongevallen. Voor het ontvluchten van het gebied zijn voldoende wegen belangrijk, waartoe de primaire hoofdstructuur goede mogelijkheden biedt.
9
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a 5
Hoogheemraadschap van Rijnland
5.1
Rijnland heeft met de gemeente afgesproken dat Partk21 wordt ingericht met een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem, mogelijk te maken door introductie van VDS. Het MER is een kans om de positieve effecten van een duurzaam en klimaat bestendig watersysteem aan het licht te brengen.
De inhoud van deze reactie wordt beaamd.
5.2
Besluitvorming Park21. Bij het overzicht van de historische besluitvorming over Park21 mist de bestuursovereenkomst inzake watersysteem Park21 (18-2-2014)
Dit is een terecht punt. De bestuursovereenkomst zal worden genoemd in het MER.
10
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a 5.3
Autonome ontwikkelingen. In paragraaf 3.3. worden de volgende ontwikkelingen gemist. Klimaatverandering. Drogere en nattere perioden hebben een weerslag op landgebruik en watersysteem. Hier komen juist de voordelen van een duurzaam watersysteem (VDS) goed in beeld. Bodem. Op welke opgave wordt gedoeld als het gaat om de 'doorgaande verzilting in relatie tot wellen? Het beperken van nieuwe of het terugdringen van de huidige? VDS. Volgens afspraak wordt VDS alleen ingevoerd bij functiewijziging, deze nuance dient in de NRD te worden aangebracht.
Klimaatverandering en de mogelijke effecten daarvan zijn inderdaad autonome ontwikkelingen die van belang zijn. In het MER zal hiermee rekening worden gehouden. Doorgaande verzilting in relatie tot wellen is niet genoemd als opgave, maar als autonome ontwikkeling waar rekening mee wordt gehouden in het MER. De kanttekening t.a.v. VDS (alleen ingevoerd bij functiewijziging) is terecht.
5.4
Beoordelingskader. Niet duidelijk blijkt uit tabel 3.2.of de problematiek van opbarsten, wellen en verzilting bij Bodem of bij Water wordt uitgewerkt. Geadviseerd wordt dit expliciet te maken.
Opbarsting, wellen en verzilting komen aan bod bij Water.
5.5
Randvoorwaarden. Ter uitvoering van de bestuursovereenkomst wil Rijnland graag ook het watersysteem als randvoorwaarde in paragraaf 3.7 terugzien.
VDS geldt als randvoorwaarde voor de ontwikkeling van het gebied voor wat betreft de parklaag en de parkkamers. Een uitzondering geldt voor de gebieden waar de landbouw blijft bestaan, daar kunnen de
11
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1a agrariërs op vrijwillige basis beslissen of ze wel of niet wensen te participeren in het VDS.
5.6
Rijnland spreekt de hoop uit dat water en de gezamenlijke ambitie voor een duurzaam watersysteem met de voorgestelde aanpassingen in het NRD meer bestendigd wordt in het MER, mede met het oog op het draagvlak bij huidige en toekomstige gebruikers van Park21.
12
Dit punt wordt voor kennisgeving aangenomen.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b Zienswijzennota NRD PARK21 Reclamant nr. 1
subnr.
wat
reactie
1.1
Nut en noodzaak PARK21: nieuwe situatie door samengaan met Haarlemmerliede. Hiermee Spaarnwoude recreatiepark onderdeel H'meer. Verder Groene Weelde, H'meerse bos, A'damse bos, bollenvelden, strand, diverse kleinschalige leisure in de regio. Waarom een megalomaan park?
Nut en noodzaak en verantwoording locatiekeuze worden in het MER behandeld.
1.2
Infrastructuur: ligging park ongelukkig. Niet aangegeven hoe 3-10 miljoen bezoekers het gebied bereiken en verlaten. Bennebroekerweg, Rijnlanderweg, Spoorlaan en A4 lopen nog verder vol. Ook spoor kan dit niet verwerken. Normaal woon-werkverkeer op deze wijze onmogelijk. Rijnlanderweg als verkeersluw aangeduid, dat is burgers vals voorlichten. Streven naar een compacter park met beter inpasbare afwikkeling van bezoekers en normaal te financieren.
De verkeerseffecten van het park komen aan bod in het MER. Daarbij zal aandacht worden besteed aan alle modaliteiten (auto, OV, langzaam verkeer). Bereikbaarheid en congestievorming vormen onderwerp van de studie.
1
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 1.3
Transitie slibdepot naar PARK21: Dit dreigt stukje niemandsland te worden, onderbouwing ontbreekt. Enige reden is opruimen van een onrendabel slibdepot waar partners MeerGrond van af willen. Groot deel slib is zwaar vervuild. Er ontstaat een berg van 21 meter hoog, 5 hectare groot. Argument dat dit dient voor oversteek langzaam verkeersroute over spoor, maar aan de overzijde van het spoor is geen enkele aansluitende vorming van een aardlichaam aanwezig. Ook goedkeuring Spoorwegen is onduidelijk.
1.4
Door de berg ontstaat een levensgevaarlijke situatie waarbij door vorming zoute kwel vervuiling van oppervlaktewater ontstaat. Medewerking Hoogheemraadschap is verbazingwekkend: heeft opruimen depot prioriteit boven waterkwaliteit? Belendende agrarische functies vragen om goed grond- en oppervlaktewater.
2
Het amoveren van het slibdepot geschiedt mede op aangeven de buurt. Daarnaast is ook in het kader van het ontwikkelen van Park21 het amoveren van het slibdepot wenselijk. De te creëren heuvel kent een dubbelfunctie: zowel aardlichaam voor de oversteek van langzaam verkeer over het spoor (noodzakelijke hoogte circa 10 meter) als een recreatiedoelstelling, waaronder een uitzichtspiek van 18 meter. Er wordt geen zwaar vervuild slib verwerkt in de heuvel, de kern hiervan bestaat uit industriegrondkwaliteit met een afdeklaag van schone grond. De op het slibdepot aanwezige grond die vuiler is dan industriekwaliteit wordt afgevoerd. Voor de aanleg van de heuvel zijn, in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag al diverse onderzoeken verricht. De effecten van de aanleg van de heuvel komen tevens aan bod in het MER. Er is uitvoerig onderzoek gedaan naar de mogelijk effecten op de waterkwaliteit van de omvorming van het baggerdepot naar een deel van Park21. Hieruit is niet gebleken dat de aanleg negatieve effecten heeft op kwel en welvorming, mits het proces goed wordt gemonitord en desgewenst tijdig kan worden ingegrepen. In het kader van de
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b circulaire economie, het streven om een economisch systeem te hanteren waarin hergebruik van producten en grondstoffen worden gemaximaliseerd en waarde vernietiging wordt geminimaliseerd, sluit deze toepassing heel goed aan. Alle zaken betreffende zakking, klink een verzilting worden/zijn vastgelegd in een uitvoeringsplan. Een onderdeel van dit uitvoeringsplan is het monitoringsplan. In dit monitoringsplan worden alle kentallen opgenomen betreffende zakking, verzilting (grond)waterpeilen e.d. Dit uitvoeringsplan is een onderdeel van de aanvraag i.h.k.v. een omgevingsvergunning voor het realiseren van de zichtheuvel. Ook is er al een gedetailleerd plan gemaakt ten behoeve van de uitvoering van de zichtheuvel. Het uitvoeringsplan en het concept gedetailleerde uitvoeringsplan zijn met de bewoners en belanghebbenden besproken. Zie ook de reactie op 1.3.
3
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b
3
1.5
Argument dat omwonenden het depot weg wilden hebben klopt deels. Dit heeft te maken met het handelen van het depot buiten de vergunning en de eerdere verkeersbewegingen over de Rijnlanderweg, dat nu is opgelost via de achterontsluiting langs het spoor. Als depot binnen vergunningen werkt hebben de bewoners geen bezwaar. Het betreft een polder en een zinloze berg is een ondoordacht en slecht voornemen.
Zie de reactie op 1.3.
2.1
Reclamant geeft aan dat de maatschap een akkerbouwbedrijf exploiteert aan IJweg. Reclamant benadrukt de vrijblijvendheid met betrekking tot PARK21. Voor het huidige en toekomstige agrarische gebruik c.q. exploitatie van het bedrijf mag geen beperking of hinder ontstaan in welke vorm dan ook.
In het MER wordt aandacht besteed aan de effecten op het landbouwkundig gebruik van het gebied. De basis daarvoor wordt gevormd door de LER uit 2011. Deze LER uit 2011 wordt geactualiseerd/aangevuld.
2.2
Reclamant geeft aan dat er mogelijk sprake kan zijn van waardedaling van landbouwgronden en bedrijfsgebouwen als gevolg van het wijzigen van het bestemmingsplan en de aanleg van PARK21. Indien dit optreedt bij huidige of toekomstige eigenaren/opvolgers van het bedrijf dient de gemeente Haarlemmermeer dit volgens reclamant te compenseren.
Zie de reactie op 2.1.
4
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 4
3.1
Reclamant heeft aan de Rijnlanderweg en Venneperweg in NieuwVennep landbouwgrond in eigendom en gebruik. De zienswijze van LTO onderschrijft reclamant als lid volledig.
Zie de reactie op 11.1 t/m 11.10.
3.2
De inhoud van de NRD vindt reclamant te vaag als basis voor de MER. Het gegarandeerd agrarisch gebruik wordt niet vermeld maar is essentieel. Belangrijk is dat voldoende agrarische activiteit overblijft zodat afnemers en toeleveranciers Haarlemmermeer als werkgebied blijven bezoeken.
Zie de reactie op 2.1
3.3
Hoe wordt ingespeeld op de mogelijke toename van verkeersdruk op de Rijnlanderweg is onduidelijk. Deze weg, waaraan veel actieve agrariërs zijn gevestigd, moet te allen tijde bereikbaar zijn voor landbouwverkeer. Na de aansluiting van de Bennebroekerweg op de A4 kan er niet veel verkeer op de Rijnlanderweg meer bijkomen.
Zie de reactie op 1.2.
3.4
Er is aangegeven dat er 3 varianten in de MER worden onderzocht, maar door de onduidelijkheden daarin waarbij alles in onderzoek is, kunnen daarvan onmogelijk milieueffecten worden vastgesteld.
In afwijking van hetgeen in de NRD staat zal in het MER met scenario’s en alternatieven worden gewerkt. Zie hiervoor het advies van de Commissie voor de m.e.r.
5
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 3.5
De NRD is niet concreet over het baggerdepot aan de Rijnlanderweg en over de eventuele verplaatsing daarvan (tabel 3.1 pagina 17/18). Er ligt zwaar vervuilde grond van klasse IV. De hoeveelheid overschrijdt de limieten van de vergunning en ook de kadehoogtes voldoen daar niet meer aan. Reclamant maakt zich grote zorgen over de kwaliteit van water en zetting van de bodem. Nu is er nog geen zoute kwel op reclamants perceel, maar er is nooit een nulmeting gedaan. Het belang van een goede waterkwaliteit voor agrarisch gebruik is evident. Meer druk op de bodem is onverantwoord; zoute kwel raak je niet zomaar kwijt leert de ervaring in Haarlemmermeer. De plaats van monitorlocaties is onbekend, evenals de bepaling van criteria daarvoor. Gegeven de complexe structuur van de bodemonderlagen kunnen effecten zich op grote afstand voordoen, wellicht ook op reclamants perceel. De vorming van een grote onnatuurlijke berg op het baggerdepot aan de Rijnlanderweg is onmogelijk door de grote kans op onherstelbare milieueffecten.
De aanwezige hoeveelheid slib op het depot overschrijdt niet de limiet van de milieuvergunning. Over de hoogte van de kades is een uitspraak gedaan door de Raad van State. Bij Meergrond ligt klasse IV baggerspecie op het terrein. Deze specie wordt bewerkt tot hergebruikgrond ten behoeve van de heuvel. Hiervoor wordt de bewerkte baggerspecie na afloop van het reinigingsproces gekeurd overeenkomstig het Besluit Bodem Kwaliteit (eis van de rijksoverheid) alvorens het toegepast mag worden als hergebruikgrond in een werk zoals de zichtheuvel. Alle partijen grond welke ter bewerking aangeboden zijn en weer als hergebruik grond afgevoerd en toegepast zijn worden gemeld in het LMA (Landelijk Meldpunt Afvalstoffen) en deze gegevens worden weer aan de plaatselijke Omgevingsdienst ter beschikking gesteld. Als het gaat om monitoringslocaties zijn de peilbuizen en andere monitorlocaties op de kaart vastgelegd, zowel op als buiten het terrein van het baggerdepot. Er zijn al diverse metingen gedaan met diverse instrumenten (o.a. peilbuizen, grondradar) die als een
6
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b nulmeting beschouwd kunnen worden. Het voornemen is de nulmetingen nog uit te breiden, zodat het definitieve monitoringsplan vastgesteld kan worden. De criteria zijn vastgelegd in de reeds verrichte onderzoeken en eerste metingen, een verdere optimalisatie zal in de uitvoering plaats vinden. De milieueffecten van de heuvel worden meegenomen in het MER. Wanneer tot aanleg van de heuvel wordt overgegaan worden tijdens deze aanleg de effecten op de omgeving gemonitord en kan direct worden ingegrepen in geval van onverwachte calamiteiten. Zie daarnaast de reactie op 1.3 en 1.4.
7
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b
5.
3.6
Door de samenvoeging met de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude krijgt Haarlemmermeer het recreatiegebied Spaarnwoude ter beschikking. Dit staat niet in de NRD maar is volgens reclamant van invloed op de bepaling van de noodzaak van nog een parkachtig recreatiegebied in de gemeente.
Zie de reactie op 1.1.
3.7
Conclusie: NRD is te onduidelijk om goede MER te kunnen uitvoeren.
4.1
NRD is te vaag als basis voor de MER. De bestemming van gronden, inclusief infrastructuur, en het gebruik daarvan is onvoldoende duidelijk. Er ontstaat onduidelijkheid doordat het Chwbestemmingsplan het mogelijk maakt om meer dan een bestemming te geven; tegelijkertijd beperkt de Chw de mogelijkheden voor inspraak en wederhoor, hetgeen eufemistisch wordt uitgedrukt als 'procedurele versnellingen'. De Stichting maakt zich daar bezorgd over, te meer omdat de inbreng van bewoners in de NRD niet wordt herkend.
De concept-NRD is bedoeld als basis voor de besluitvorming over de gewenste reikwijdte en het detailniveau van het MER. Mede op basis van de zienswijzen en ingebrachte adviezen (o.a. het advies van de Commissie voor de m.e.r.) kan de reikwijdte en het detailniveau van het MER worden bepaald. Zie de reactie op 3.7. Het is overigens onjuist dat de aanwijzing tot CHW-bestemmingsplan de mogelijkheden voor inspraak beperkt.
8
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 4.2
De genoemde autonome ontwikkelingen (par. 3.3, Referentiesituatie) leiden veelal tot ingrijpende veranderingen in de verkeersstromen. Op welke wijze, in welke visie, in welk bestemmingsplan wordt hierop geanticipeerd? Vanwege onduidelijkheid daarover acht reclamant het onmogelijk om daarnaast de effecten te bepalen van de grootschalige "Leisure" in deelgebied 4. Gevreesd wordt voor onderschatting daarvan, met als gevolg een enorme toename van verkeersdruk langs de Rijnlanderweg. Het gedeelte tussen Bennebroekerweg en Venneperweg is 'verkeersluw'. Dat is niet merkbaar, integendeel, de overlast van zwaar vrachtverkeer is daar sinds de aansluiting van de Bennebroekerweg op de A4 alleen maar groter geworden.
9
Voor het MER zal nog een nauwkeurige selectie van autonome ontwikkelingen plaatsvinden. De effecten van de geselecteerde autonome ontwikkelingen zullen in de referentiesituatie worden meegenomen. Zie verder de reactie op 1.2.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 4.3
Ten aanzien van de 3 te onderzoeken varianten: welke programma's, incl. bezoekersaantallen, horen bij variant 1, waarbij de bestaande infrastructuur niet wordt gewijzigd? Dit is in het geheel niet duidelijk, nu lijkt het of de MER dit moet definiëren. Bij variant 2 worden de benodigde infrastructurele voorzieningen onderzocht. Volgens reclamant moet niet de MER die informatie opleveren, maar moet dit input voor de MER zijn. Informatie hierover ontbreekt in de NRD. Reclamant vindt ook de term 'aanvaardbare congestie' zorgelijk. Geen enkele vorm van congestie is aanvaardbaar; voor de bewoners van de Rijnlanderweg, die nu al zwaar belast is, geldt dat zeker. Ook variant 3 mist een gedefinieerd programma. Voor alle varianten geldt dat reclamant hecht aan de verkeersluwe status van de Rijnlandweg. Is het sowieso mogelijk de Bennebroekerweg te verbreden ter hoogte van de onderdoorgang met de Schipholspoorlijn?
10
Zie voor de varianten de reactie op 3.4 en voor de verkeerseffecten de reactie op 1.2.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 4.4
4.5.
De NRD is niet concreet over het baggerdepot aan de Rijnlanderweg en over de eventuele verplaatsing daarvan (tabel 3.1 pagina 17/18). Er ligt zwaar vervuilde grond van klasse IV. Alleen radioactief afval wordt als vervuilender beschouwd. De hoeveelheid overschrijdt de limieten van de vergunning en ook de kadehoogtes voldoen daar niet meer aan. In tabel 3.1 wordt de bagger als industriegrond benoemd; de bedoeling is deze te gebruiken voor de aanleg van een 21 meter hoge berg met als doel een oversteek over de spoorlijnen en de Spoorlaan te realiseren. Reclamant maakt zich zorgen over de effecten van de baggerverplaatsing naar de nieuwe locatie, op een veel kleinere oppervlakte. Dat creëert een specifiek drukpunt op kwetsbare onderlagen. Dat kan niet zonder gevolgen blijven, er is nu op veel locaties al zoute kwel. Er is geen nulmeting gedaan op basis waarvan de grondwaterstand en -kwaliteit gemonitord kan worden. De monitorlocaties en de criteria daarvoor zijn onbekend. Gezien de complexe structuur van de onderlagen kunnen de effecten zich op grote afstand van depot of berg voordoen
Er zijn al diverse metingen gedaan met diverse instrumenten (o.a. peilbuizen, grondradar) die als een nulmeting beschouwd kunnen worden. Hierbij zijn ook de interventie- en signaleringswaarden vastgelegd, zodat tijdens de aanleg van dit deel van Park21 zo nodig snel ingegrepen kan worden. Het voornemen is de nulmetingen nog uit te breiden, zodat ook een definitief monitoringsplan vastgesteld kan worden.
Conclusie: NRD is te onduidelijk en kan onmogelijk gebruikt worden voor bepaling van milieueffecten in MER.
Zie de reactie op 3.7.
11
Zie ook de reactie op 1.3, 1.4 en 3.5.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 6.
5.1
Reclamant is ingezetene en ondernemer van het gebied Park21. Als belanghebbende had hij graag direct schriftelijk geinformeerd willen worden over het verzoek het bestemmingsplan voor Park21 als Chwbestemmingsplan aan te merken. Hij is van mening dat het doel van de Chw - het versneld doorvoeren van procedures - voor Park21, een niet concreet project waarvan de uitvoerbaarheid onduidelijk is en het draagvlak gering, wordt misbruikt. De inspraakmogelijkheden worden beperkt.
12
De doelstelling van het Chwbestemmingsplan is niet het versnellen van procedures. Hier is geen sprake van. Het doel is het kunnen creëren van een passend planologisch kader voor organische gebiedsontwikkeling. Er wordt een klankbordgroep van belanghebbenden geïnstalleerd waarmee driemaandelijks de stand van zaken wordt besproken en waar conceptstukken ter advisering worden voorgelegd. Deze adviezen van de klankbordgroep worden meegewogen bij de definitieve totstandkoming van deze stukken waaronder MER en bestemmingsplan. Het is overigens onjuist dat de aanwijzing tot CHWbestemmingsplan de mogelijkheden voor inspraak beperkt.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 5.2
Een heldere visie en een stabiel planologisch kader met toereikende ontwikkelingsmogelijkheden zijn essentieel voor een agrarisch ondernemer. De planvorming voor Park21 hangt als zwaard van Damocles boven zijn bedrijf en zet zijn toekomstbestendigheid onder druk. Nu de modulaire aanpak plaats heeft gemaakt voor een kavelsgewijze uitvoeringsstrategie op basis van uitnodigingsplanologie met een planhorizon van 20 jaar zal de onzekerheid voor het bedrijf alleen maar toenemen. Uitnodigingsplanologie werkt niet bij de inrichting van een parkachtige omgeving, het eindbeeld is volstrekt niet realistisch. In de NRD staat ook al dat er een kans is dat het eindbeeld niet gerealiseerd zal worden. Er is echter niet verwoord wat dit betekent voor het toekomstperspectief van agrarische bedrijven en welke invloed een diffuus en inefficiënt onaf landschap heeft. Reclamant verzoekt de kansen en risico's van uitnodigingsplanologie te analyseren. Het risico op uitsluitend verliezers is zeer groot. Waarom streeft de gemeente niet naar een realistisch en compacter plan dat binnen 10 jaar gerealiseerd kan worden? De gemeente wordt verzocht een einde aan de benarde en onzekere situatie van agrarische bedrijven te maken. De door de plandiscussie geleden en nog te lijden schade dient helder gemaakt te worden. Verwezen wordt naar het Stivasonderzoek uit 2013.
Er moeten financiële middelen gereserveerd worden om de gebiedsontwikkeling (incl. kavelruil en bedrijfsverplaatsing tegen volledige schadeloosstelling) te faciliteren.
13
De gemeente kiest voor een planhorizon van 20 jaar omdat de ontwikkeling van het park naar verwachting een lange periode vergt. Organische gebiedsontwikkeling laat zich niet hard plannen. Het Chw-bestemmingsplan gaat ruimte bieden voor andere functies. Deze mogen echter niet de aanwezige agrarische functies belemmeren. Het Chwbestemmingsplan gaat dit borgen. Zie voor de effecten op de landbouw ook de reactie op 2.1.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 5.3
De NRD spreekt van een uit te voeren LER. Reclamant gaat er van uit dat daarbij rekening wordt gehouden met de flexibele planvorming en realisatie op vrijwillige basis. De NRD aangegeven 3 varianten zullen onvoldoende duidelijk maken wat de consequenties voor het bedrijf zijn. Kavelgerichte uitvoering vraagt kavelgericht onderzoek. De LER dient het effect van het verdwijnen van een groot deel van de landbouw op de gronddruk en het steeds kleiner wordende areaal landbouw, evenals het effect op het verdwijnen van toeleverende bedrijven, mee te nemen.
Er wordt geen nieuwe LER uitgevoerd. Gebruik wordt gemaakt van de LER uit 2011 als basis. Deze LER wordt geactualiseerd/aangevuld. Zie ook de reactie op 2.1.
5.4
Volgens de NRD staat flexibiliteit staat voorop voor MER en bestemmingsplan. Inhoud en gevolgen van dit begrip zijn onduidelijk. Reclamant wenst daarover voorafgaand aan de formele procedures geïnformeerd te worden. Als voorbeeld van onduidelijkheid wordt de planvorming voor de percelen 'Achter Van Zanten' genoemd. Reclamant stelt dat planning en uitvoering daarvan onmogelijk gelijk kunnen lopen met NRD, LER, MER en bestemmingsplan. Reclamant gaat er van uit dat het op de informatieavond hierover gestelde, dat geen ontwikkelingen zullen plaatsvinden alvorens de MER is afgerond, in acht wordt genomen.
Reclamant kan zich via de belangenorganisaties aanmelden bij de klankbordgroep. Zie reactie 5.1. Daarnaast zal er jaarlijks een bredere informatiebijeenkomst over de ontwikkeling van Park21 worden georganiseerd. Daarnaast zijn er de formele procedures voor MER en bestemmingsplan waarbij reclamant de mogelijkheid krijgt om geïnformeerd te worden en om zienswijzen in te dienen. Gemeentelijke ontwikkelingen die passen binnen de vigerende bestemmingsplanmogelijkheden zullen uitgevoerd kunnen worden. Overige ontwikkelingen kunnen tot op zekere hoogte worden voorbereid, maar zullen vervolgens
14
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b
5.5
Op blz. 10 van de NRD staat dat de vraag naar groen- en recreatiegebieden/leisure zal toenemen. De gemeente noemt in verschillende beleidsstukken uiteenlopende getallen hiervoor. Gevraagd wordt duidelijk aan te geven welke positie Park21 binnen deze vraag inneemt.
5.6
Uit de stukken blijkt niet waarom het VDS wordt toegepast in relatie tot de verzilting. Het systeem is niet beproefd en het effect op teelten, bij loslating van het uitgangspunt 'peil volgt functie', is onduidelijk. Gezien de risico's wenst reclamant alleen een beproefd systeem. Hij wenst informatie over de keuze voor het VDS en de gemaakte afweging in relatie tot alternatieven. LTO Noord en het Hoogheemraadschap werken samen aan onderzoekstrajecten en alternatieven. Alle werkzaamheden die een negatieve uitwerking kunnen hebben op verzilting en bodemkwaliteit, dienen vermeden te worden. De berg op het voormalig baggerdepot is een hoogst omtreden plan in een zeer kwetsbaar gebied. Verzocht wordt om een nulmeting op elke risicovolle water/bodemgerelateerde situatie/ontwikkeling uit te voeren.
eerst moeten worden getoetst aan MER en Chw-bestemmingsplan en zullen qua vergunningverlening en realisatie moeten wachten hierop. Zie de reactie op 1.1. De vraag naar groen maakt onderdeel uit van de onderbouwing van Nut en Noodzaak.
De basis voor het VDS is gelegd in de Waterstructuurvisie uit 2010. VDS heeft meerdere doelen: beperken wateroverlast, beperken kosten operationeel waterbeheer, beperken faalrisico’s, verbeteren waterkwaliteit door beperken kwel, beperken verzilting en opbarstrisico’s, beperken watervraag, verbeteren waterkwaliteit door beperken inlaat, beperken afwenteling naar andere gebieden. Verzilting is hier dus maar een onderdeel van en voor het gebied van PARK21 gelden ook op de andere thema’s belangrijke voordelen. VDS in combinatie met blijvend agrarisch gebruik is inderdaad nog niet beproefd. Gemeente en Rijnland willen graag zo snel mogelijk een praktijkproef starten om de gevolgen
15
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b van VDS voor het agrarisch gebruik in beeld te brengen en te onderzoeken welke compenserende maatregelen mogelijk en nodig zijn. Het doen van aanvullende metingen is hierbij integraal onderdeel van de praktijkproef evenals betrokkenheid van agrarische ondernemers. Zie ook reactie 1.3, 1.4, 3.5 en 4.4 voor de omgang met het baggerdepot.
5.7
Aandachtspunten op detailniveau aan de Rijnlanderweg: - Hoe wordt omgegaan met de bestaande bebouwing en onze bestemming. Toename zoute kwel door bouwactiviteiten rond het bedrijf en dus beperkingen in de bedrijfsvoering. - Toename verkeersdrukte in relatie tot veiligheid. - Hoe wordt omgegaan met ons huidige woongenot.
16
In het MER wordt aandacht besteed aan verkeer (zie ook de reactie op 1.2) en het woon- en leefmilieu (zie tabel 3.1 van de concept-NRD).
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 7.
6.1 t/m 6.6
De zienswijze van reclamant is gelijkluidend aan de punten 5.1 tot en met 5.6. van reclamant genoemd onder 5.
Zie de reacties op de punten 5.1 t/m 5.6.
9
7.1
Benadrukt wordt dat de uitvoering van een (aparte) LER heel belangrijk wordt gevonden in verband met de te verwachten grote nadelige gevolgen voor de agrarische bedrijven in het gebied. Daarnaast moet ook gekeken worden naar de extra druk die de plannen geven op de beschikbaarheid van landbouwgronden in de rest van de Haarlemmermeer. Onderzocht moet worden wat voor invloed een Chwbestemmingsplan heeft op de omgevingsvergunning van agrarische bedrijven in het Park. Past de agrarische bestemming binnen het Chwbestemmingsplan of wordt het daarbinnen gedoogd?
Zie de reactie op 2.1.
7.2
7.3
7.4
Erg belangrijk is dat de toekomstige bereikbaarheid van agrarische bedrijven onderzocht wordt, ook in relatie tot de geschiktheid daarvan voor groter en breder landbouwverkeer. Als er maar een paar agrariers in het gebied resteren, blijven die dan interessant voor afnemers en toeleveranciers? Wat betekent de invoering van het VDS in (gedeelten van) het Park voor aangrenzende agrarische kavels in het plangebied?
17
Een Chw-bestemmingsplan heeft op zichzelf geen invloed op de omgevingsvergunning van agrarische bedrijven. Doel van het Chw bestemmingsplan Park21 is het mogelijk maken van organische transformatie van het gebied naar nieuwe functies. Dit bestemmingsplan zal tevens de huidige functies borgen. Zie tevens reactie 5.2. Zie de reactie op 1.2.
De op recreatie en groen gerichte parklaag en parkkamers dienen op basis van VDS te worden uitgevoerd. Dit geschiedt op zodanige wijze dat dit geen effect heeft op het belendend agrarisch gebied. Het gebied dat agrarisch blijft behoudt het huidige peilvakniveau, tenzij de betreffende agrariër wenst te
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b
10
participeren in VDS. Hierover worden gesprekken gevoerd met de agrariërs in het gebied. Daarnaast komen de effecten van de invoering van VDS komen in het MER aan bod. Zie de reactie op 2.1.
7.5
Welke invloed heeft de jarenlange onzekerheid over de planontwikkeling op de bedrijfsvoering, uitbreidingsmogelijkheden en bouwvergunningen voor agrarische bedrijven?
8.1
In algemene zin merken reclamanten op dat de opgestelde NRD globaal is opgesteld en geen duidelijkheid geeft over wat er precies onderzocht wordt.
Zie de reactie op 3.7.
8.2
In de NRD zijn volgens reclamant onterecht ontwikkelingen opgenomen als autonome situatie. Deze ontwikkelingen zijn namelijk nog niet opgenomen in bestemmingsplannen. Het gaat bijvoorbeeld om de verbreding van de Bennebroekerweg en de aansluiting van de A4 en de Duinpolderweg. Voor de Duinpolderweg is zelfs nog sprake van verschillende varianten. Bovendien is het de vraag of dit project daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Bij autonome situatie moet uitgegaan worden van vastgestelde bestemmingsplannen voor infrastructuur.
Zie de reactie op 4.2. Van autonome ontwikkelingen kan ook sprake zijn wanneer op een hoger planniveau al besluiten zijn genomen en er voor de realisatie van de betreffende ontwikkelingen geld is gereserveerd.
8.3
Ten aanzien van de verdere groei van vliegverkeer over PARK21 en Haarlemmermeer moet volgens reclamant uitgegaan worden van de meest recente mer die in 2017 wordt vastgesteld en niet van speculaties over de toekomstverwachting van Schiphol.
In het MER voor Park21 wordt aandacht besteed aan Schiphol.
8.4
Onduidelijk is welke specifieke milieueffecten afgewogen worden en op welke wijze. Reclamant vraagt zich af of bijvoorbeeld het aantal gehinderden als gevolg van wegverkeerverkeer en evenementen in beeld gebracht wordt. Vraag is ook of bij externe veiligheid wordt uitgegaan van risico’s ten gevolge van de omgeving (Schiphol) of van
Zoals in de NRD staat aangegeven wordt in het MER de geluidbelastingen vanwege verkeer en evenementen berekend. Indien zinvol wordt ook het aantal
18
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b risico’s door de plannen op de bestaande omgeving.
8.5
Reclamant merkt op dat het aspect gezondheid ontbreekt in het NRD.
8.6
Ten aanzien van water en bodem wordt genoemd dat er randvoorwaarden moeten worden gesteld. Bij specifieke ontwikkelingen (waterpartij, heuvel) ligt “het ontwerp” volgens opgave van de gemeente vast waardoor volgens reclamant het effect van die ontwikkelingen op de omgeving in kaart kan worden gebracht.
8.7
Reclamant merkt op dat het VDS voor hem als agrariër van invloed is op zijn huidige bedrijfsvoering. Dit aspect behoeft daardoor zeker aandacht in het MER. VDS kan volgens de gemeente kavelgewijs plaatsvinden. Onduidelijk is hoe omgegaan wordt met het systeem in de autonome situatie en in de plansituatie. Volgens reclamant is het logisch dat de effecten van het kavelgewijs invoeren van VDS in beeld moeten worden gebracht voor de omgeving. En dan niet alleen voor bewoners maar ook voor agrarische bedrijven.
8.8
Wat het studiegebied betreft merkt reclamant op dat effecten binnen het park beoordeeld worden, maar dat effecten op het gebied van verzilting, geluid, luchtkwaliteit, water, flora en fauna en stikstofdepositie ook buiten het studiegebied optreden.
19
gehinderden in beeld gebracht. Bij externe veiligheid wordt rekening gehouden met beide genoemde risico’s. Deze constatering is niet terecht. In tabel 3.1 wordt gezondheid genoemd als een van de aspecten die onderzocht worden. Daar waar het ontwerp vastligt worden de effecten in het MER in beeld gebracht. Daar waar het ontwerp nog niet vastligt kunnen mogelijke effecten ook in beeld worden gebracht, door scenario’s te onderzoeken. Deze verkenning van effecten kan leiden tot randvoorwaarden voor ontwikkelingen. Zie tevens reactie 3.5. Zie reacties 7.4 en 5.1.
Het studiegebied hangt af van de reikwijdte van eventuele effecten. Deze kan groter zijn dan het plangebied. Zoals in 3.2 van de NRD staat aangegeven wordt het studiegebied per milieuaspect
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b bepaald.
8.9
Voor de aanleg van het park is veel grondverzet noodzakelijk. Onduidelijk is of de milieueffecten van zowel transportbewegingen als ook het toepassen van vervuilde grond in het MER beschouwd worden.
8.10
Er wordt in het NRD verwezen naar het LER (net als het MER Structuurvisie 2030). Reclamant gaat er van uit dat deze geactualiseerd wordt voor het MER.
8.11
Reclamant gaat er vanuit dat zijn eerdere zienswijzen tegen het baggerdepot en de heuvel betrokken worden bij het MER.
Het gestelde door reclamant klopt.
8.12
Onduidelijk is wat in de NRD bedoeld wordt met het vaststellen van randvoorwaarden. In een project-MER gaat het om het vaststellen van milieueffecten. Ook de methode om te komen tot drie varianten duidt erop dat het MER randvoorwaarden gaat bepalen. De huidige infrastructuur als basis voor een variant is afhankelijk van de genoemde twijfels over de infrastructurele aanpassingen die in de autonome situatie worden gehanteerd. Onduidelijk is hoe de eerste variant wordt beoordeeld en vervolgens de twee andere varianten.
Zie de reactie op 8.6.
8.13
Figuur 3-2 is volgens reclamant niet leesbaar en interpreteerbaar.
In het MER zullen heldere figuren worden opgenomen.
20
De milieueffecten van transportbewegingen en de effecten van het toepassen van industriegrond en eventuele vervuilde grond worden in het MER beschouwd. Zie de reactie op 2.1.
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 11
9.1 t/m 9.6
De zienswijze van reclamant is gelijkluidend aan de punten 5.1 tot en met 5.6. van reclamant genoemd onder 5.
Zie de reactie op 5.1 t/m 5.6.
12
10.1
Könst Research BV, gelegen in deelgebied 3 van het Masterplan Park21, is werkzaam in de aardappelveredelingssector. Het ontwikkelt nieuwe rassen middels dure processen, die 10 tot 15 jaar duren en waarbij de beproeving op het veld het belangrijkste onderdeel vormt. Het bedrijf behoort tot de Topsector Agri&Food van het ministerie van EZ. Naast de productie van duurzame en hoogwaardige voeding gaat het om de ontwikkeling van duurzame voedselketens waarin mens en dier centraal staan. De door het bedrijf ontwikkelde aardappelrassen worden wereldwijd uitgezet. Van belang is dat de continuïteit van het bedrijf voor de toekomst wordt gewaarborgd.
Zie de reactie op 2.1 voor zover het landbouw betreft.
21
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b 10.2
Het toekomstige Park21 geeft geen aanknopingspunten tot participatie voor het bedrijf. De grondkavels van het bedrijf worden niet gebruikt als productiemiddel maar als selectiemedium, dat in ongeveer 12 jaar tijd tot stand is gekomen. Het huidige bestemmingsplan geeft geen belemmeringen voor de bedrijfsuitoefening. Voor voortzetting van het bedrijf in Park21 worden de volgende voorwaarden genoemd.
Zie de reacties op 10.3 t/m 10.7.
10.3
Het watersysteem. Het VDS heeft een negatief effect op de bedrijfsvoering. Een peilvaksysteem waarmee het grond- en waterpeil geregeld kan worden is, desnoods op bedrijfsniveau, van essentieel belang.
Zie de reactie op 5.6 en 7.4.
10.4
Infrastructuur. De (huidige uitstekende) bereikbaarheid van het bedrijf mag niet worden geschaad. Dat geldt ook voor infrastructuur op gebied van ICT, gezondheidszorg, kennis en waterbeheer.
Zie de reactie op 1.2 (verkeer).
10.5
Deelgebied 3/Belendende kavels. Activiteiten in het gebied of op belendende kavels mogen de bedrijfsvoering niet schaden. Dat geldt ook voor het onttrekken of doorsnijden van de bedrijfsgronden. Van belang is gebruik te kunnen blijven maken van gangbare en duurzame landbouwtechnieken voor bemesting en gewasbescherming.
Zie de reactie op 2.1.
22
Behoort bij Raadsvoorstelnr. 2017.0031976 Vaststelling reikwijdte en detailniveau milieueffectrapport PARK21, onderdeel 1b
13
10.6
Uitbreidingsplannen. Om de ontwikkeling van het bedrijf naar de toekomst te kunnen waarborgen zijn uitbreidingsmogelijkheden, met name voor bebouwing (bedrijfspand en kas), van belang.
In het kader van bestemmingsplanvoorbereiding wordt afgewogen hoeveel ruimte beschikbaar is voor eventuele uitbreidingsplannen.
10.7
Werkmilieu. Gewezen wordt op de toegenomen geluidbelasting door vliegtuigen ter plaatse als ook op de luchtkwaliteit in verband daarmee. Dit in verband met de uitvoering van werkzaamheden door medewerkers op het veld.
Geluid en luchtverontreiniging, o.a. van vliegverkeer, worden onderzocht in het MER. Bedrijven zijn overigens geen gevoelige objecten.
11.1
Reclamant verzoekt de gemeente de betrokken ondernemers in het plangebied adequaat te informeren. De gebrekkige manier van communiceren zoals het geval was bij de publicatie over de planvorming onder de Crisis en Herstelwet draagt niet bij aan het draagvlak voor de planvorming.