I.e Advies van de commissie Besluit Begroting en Verantwoording aan de minister van Binnenlandse Zaken, 25 november 2025, Commissie BBV
Tekst van het document
22
6.4 Paragraaf financiële positie In de huidige opzet van het BBV is er geen paragraaf financiële positie. De commissie is van mening dat het toevoegen van deze paragraaf leidt tot een verbeterd inzicht voor de raad doordat op deze wijze de samenhang tussen verschillende (complexe) onderwerpen getoond wordt. Deze aanpassing heeft echter gevolgen voor de accountantscontrole. Er moet nader onderzoek worden gedaan over de reikwijdte van de voorgestelde wijziging. Vereenvoudiging In het kader van overzichtelijkheid en het ontdubbelen van informatieverstrekking in de verslaggeving kan het voorstel van de Waterschappen overgenomen worden dat het aantal paragrafen in het BBV kan worden verminderd als de onderwerpen weerstandsvermogen, financiering, EMU-saldo en mutaties van reserves en voorzieningen bij elkaar in één paragraaf worden gebracht. Deze onderwerpen vormen dan samen de ‘uiteenzetting van de financiële positie’. De plaats in de regelgeving In het BBV wordt de ‘uiteenzetting van de financiële positie’ gepositioneerd als pendant van de balans en toelichting in de jaarrekening. In het overleg tussen vertegenwoordigers van de Commissie Advies: De commissie BBV adviseert de minister om: 1. de paragraaf financiële positie op te nemen in het BBV en daartoe de artikelen 7 en 9 van het BBV aan te passen. 2.
aanpassen van de BBV voor het vervallen van de verplichting voor een aparte paragraaf ‘weerstandsvermogen en risicomanagement’; 3. aanpassen van de BBV voor het vervallen van de verplichting voor een aparte paragraaf ‘financiering’
en de Unie van Waterschappen ontstond het inzicht dat de ‘uiteenzetting van de financiële positie’ het best tot zijn recht komt als onderdeel van de beleidsbegroting. Deze plaats bevordert de bestuurlijke aandacht voor het onderwerp. Dit betekent dat artikel 7, lid 3 sub b wordt vervangen door een paragraaf in de begroting. In de volgende tabel is, ter illustratie, de inhoud van het nieuwe BBVW-artikel N-14 – Uiteenzetting van de financiële positie opgenomen. Voor het overzicht is een verwijzing naar de corresponderende BBV-bepalingen opgenomen, waarbij ‘≠’ wil zeggen dat de betreffende bepaling niet voorkomt. BBV artikel 1.
De paragraaf uiteenzetting van de financiële positie bevat ten minste een raming voor het begrotingsjaar van
20.1a
de financiële gevolgen van het bestaande en nieuw beleid dat in de programma’s is opgenomen.
2.
Afzonderlijke aandacht wordt ten minste besteed aan: 1.
20.2
de financiering, waarbij wordt ingegaan op in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien van
20.2c /
het risicobeheer van de financieringsportefeuille en geeft inzicht in de rentelasten, het
13
renteresultaat, de wijze waarop rente aan investeringen wordt toegerekend en de financieringsbehoefte;
23
2.
het weerstandsvermogen en de risicobeheersing; dit bevat ten minste:
11.2
1.
een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;
11.2a
2.
een inventarisatie van de risico’s;
11.2b
3.
het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s.
11.2c
3.
de stand en het gespecificeerde verloop van de bestemmingsreserves, waarbij wordt ingegaan op
20.2d
het beroep dat op de bestemmingsreserves, bedoeld in artikel N-50, eerste lid, onderdeel b, wordt gedaan in het kader van het begrotingsevenwicht in meerjarig perspectief;
4.
de stand en het gespecificeerde verloop van de voorzieningen, waarbij wordt ingegaan op de
20.2e
bedragen die rechtstreeks uit voorzieningen worden onttrokken alsmede op het beroep dat op de overige bestemmingsreserves, bedoeld in artikel N-50, eerste lid, onderdeel c, wordt gedaan;
5.
3.
de kengetallen; waarbij een beoordeling van de onderlinge verhouding tussen de kengetallen in
11.2d /
relatie tot de financiële positie plaatsvindt:
2e
1.
weerstandsvermogen;
11
2.
netto schuldquote;
11.2d 1a°
3.
EMU-saldo;
20.1c
4.
wendbaarheid van de begroting;
≠
5.
lastendruk.
≠
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kengetallen, genoemd in het tweede lid, onderdeel e, door waterschappen worden vastgesteld en in de begroting en het jaarverslag worden opgenomen.
6.5 Uitbreiding paragrafen Ook op andere gebieden wordt vanuit ministeries gekeken naar het verplicht uitbreiden van het aantal paragrafen over uiteenlopende onderwerpen. Zo is in het afgelopen jaar een verplichte paragraaf inzake de Wet Open Overheid (WOO) toegevoegd en zijn er ook trajecten gaande inzake ENSIA (Eenduidige Normatiek Single Information Audit), ESG (European Sustainability Goals) fraude en corruptie. De commissie is van mening dat het uitbreiden van het aantal verplichte paragrafen en/of onderwerpen een ontwikkeling is die aandacht nodig heeft. De commissie maakt zich zorgen dat de uitbreiding van de onderwerpen in de begroting en jaarstukken afbreuk doet aan de toegankelijkheid van deze stukken voor de raadsleden. Bovengenoemde onderwerpen passen binnen de bestaande paragrafen: denk daarbij aan de WOO (paragraaf bedrijfsvoering), ESG (onderhoud kapitaalgoederen of bedrijfsvoering) en fraude en corruptie (paragraaf bedrijfsvoering / rechtmatigheidsverantwoording college). 24
7. Waarderingsvraagstukken Het BBV is sinds 2004 op verschillende punten aangescherpt en gewijzigd. De commissie is niet altijd betrokken bij deze wijzigingen omdat deze soms voortkomen uit (inter)nationale afspraken en soms uit commissies en werkgroepen die niet direct bij het BBV betrokken zijn. De wijzigingen in het BBV zijn dan aanpassingen als gevolg van wijzigingen in andere wetgeving. Denk hierbij aan de Wet Open Overheid of de Omgevingswet. De commissie stelt vast dat het BBV op onderdelen termen of voorschriften bevat die kunnen vervallen. In dit hoofdstuk worden de onderwerpen die betrekking hebben op waarderingsvraagstukken benoemd en kort uitgewerkt.
7.1 Economisch en maatschappelijk nut Ten tijde van de introductie van het BBV is een onderscheid aangebracht voor wat betreft de materiele vaste activa met maatschappelijke versus economisch nut. Aanvankelijk hadden de gemeenten een keuze om activa met een maatschappelijk nut al dan niet te activeren. In het BBV van 2016 is artikel 59 aangepast en is de verplichting opgenomen dat alle investeringen geactiveerd moeten worden. De afwijking met boek 2 BW is daarmee opgeheven. In het verlengde hiervan is het de vraag welke toegevoegde waarde het onderscheid economisch of maatschappelijk nut dan nog heeft. In de praktijk blijkt dat de terminologie soms gebruikt wordt om in grondexploitaties en de bijbehorende kostensoortenlijst een houvast te zoeken voor investeringen die apart geactiveerd moeten worden. In de notitie grondexploitatie wordt deze casuïstiek nader uitgewerkt met als conclusie dat het onderscheid geen toegevoegde waarde heeft. Een reden om artikel 35 van het BBV te handhaven is dat investeringen met een economisch nut veelal zelfstandig vervreemdbaar zijn en daardoor hun actuele waarde kunnen opleveren. Daaraan verbonden stille reserves kunnen dan worden herkend. De commissie hecht meer waarde aan de maatschappelijke of economische functie van activa: dat raakt de waardering van deze activa voor de jaarrekening.
Activa met een maatschappelijke functie hoeft niet elk jaar op marktwaarde getoetst te worden, activa met een economische functie kent een jaarlijkse toetsing met marktwaarde. De commissie BBV adviseert de terminologie economisch en maatschappelijk nut te laten vervallen en uitsluitend onderscheid te maken tussen (bedrijfs)economische en maatschappelijke functie.
7.2 Bijdragen aan en van derden Rondom het onderwerp bijdrage derden zijn verschillende verbetervoorstellen gedaan. Deze worden in deze paragraaf per voorstel uitgewerkt. Afschrijven Het BBV schrijft voor dat bijdragen aan activa in eigendom van derden worden afgeschreven in lijn met de afschrijvingstermijnen die door deze derden worden gehanteerd. Als gevolg van het hanteren van het kasstelsel door het Rijk worden gemeenten gedwongen om bijdragen aan investeringen van 25
het Rijk in 1 keer af te schrijven. Dit kan om omvangrijke bedragen gaan. Door gemeenten dezelfde afschrijvingstermijnen te laten hanteren op zowel eigen activa als bijdragen aan activa van derden ontstaat er een consequent afschrijvingsregime. De motivatie dat door de huidige werkwijze wordt voorkomen dat gemeenten afschrijven op activa die door derden al zijn afgeschreven, wordt niet ondervangen door de huidige werkwijze. In dat geval zou er niet afgeschreven mogen worden op activa van derden. Feitelijk is dat een vorm van kasstelsel, welke niet in lijn is met de uitgangsprincipes van het BBV. Het kan voorkomen dat er rechten tot terugvordering zijn indien bepaalde voorwaarden voor de bijdragen aan activa in eigendom van derden niet zijn nagekomen. Eventuele terugvorderingen op derden op basis van artikel 61d BBV kunnen dan als niet uit de balans blijkende verplichtingen worden opgenomen. Concluderend is de commissie van mening dat niet de afschrijvingstermijn van een derde partij richtinggevend moet zijn voor het afschrijven van bijdragen in investeringen, maar de afschrijvingstermijnen van de gemeente zelf. De commissie BBV adviseert artikel 64 lid 6 te laten vervallen. Subsidies In de praktijk is het niet altijd duidelijk wanneer er sprake is van een subsidie5 en wanneer van een bijdrage van of aan derden.
Feitelijk is een subsidie een bijdrage van of aan een derde en moet deze ook verwerkt worden volgens de richtlijnen die hiervoor gegeven zijn. Met name de verwerking van bijdragen van derden als middelen van derden met een specifiek bestedingsdoel en bijdragen aan of van derden in de vorm van subsidies zijn zeer verschillend van aard en dienen toegelicht te worden. De commissie ziet geen aanleiding om de richtlijnen ten aanzien van bijdragen derden verder te duiden.
7.3 reserves en voorzieningen Vrijwel elk programma kent reserves en voorzieningen die onlosmakelijk met deze programma’s verbonden zijn. De meest herkenbare zijn de bestemmingsreserves die verbonden zijn met een specifiek doel dat in een programma opgenomen is. Er zijn ook reserves en voorzieningen die met meerdere programma’s verbonden zijn zoals de kapitaallasten reserve en de voorziening groot onderhoud. Jaarlijks zijn er veel mutaties voor zowel voorzieningen als reserves. Mutaties Vanuit de workshops verwonderpunten is de vraagstelling gekomen of de verplichting om al deze mutaties via het overzicht van baten en lasten / de exploitatie te laten lopen niet kan worden beperkt in geval de mutaties binnen een (1) programma plaatsvinden. Men is van mening dat er in dat geval geen sprake is van baten en lasten. Kern van de discussie is dat het huidige voorschrift dat alle reservemutaties over de exploitatie moeten lopen een onbedoeld opblazend effect kunnen hebben. De reden dat mutaties van de reserves over de exploitatie lopen is dat het instellen van bestemmingsreserves en ook de hoogte van toevoegingen en onttrekkingen in de begroting en rekening zijn voorbehouden aan de raad. De commissie stelt vast dat de problematiek voor de accountantscontrole inmiddels in samenspraak tussen de commissie Bado en de NBA is opgelost.
Voort is de commissie van mening dat het beperken van de verplichting afbreuk doet aan het
5
De term ‘subsidie’ is afkomstig uit de Algemene Wet Bestuursrecht.
26
budgetrecht van de raad op een zodanige wijze die niet geborgd wordt door andere maatregelen. De commissie stelt dan ook voor de verplichting intact te laten. Netto investering maatschappelijk nut Daarnaast zijn er vragen over de aanpassing van het BBV in 2016 dat leidde tot het verbod om reserves direct in mindering te brengen op investeringen met een maatschappelijk nut. Voor 2016 was dit wel toegestaan. De motivatie voor de aanpassing is het inzicht van de raad. Door reserves direct in mindering te brengen op het oorspronkelijk bedrag van de investering kan de raad een onjuist beeld krijgen van de omvang van de investering en de impact die deze heeft op de financiële positie. Het is zowel van belang dat de raad inzicht heeft op de bruto kapitaallasten, ook in kader vergelijkbaarheid, als dat voorkomen wordt dat reserves niet transparant worden ingezet. Onderhoudsvoorziening Voor groot onderhoud mag op grond van artikel 44c een voorziening worden gevormd. Op deze wijze kunnen lasten gelijkmatig worden verdeeld over een aantal boekjaren. De voorziening is een schattingspost met als basis een (recent) meerjaren onderhoudsplan. Het ontbreken van een dergelijk plan betekent dat het in de praktijk het niet mogelijk is om een (goed onderbouwde) schatting te maken van de toekomstige lasten. Het vormen van een voorziening is dan niet mogelijk.
Er zijn gemeenten die er voor kiezen om geen onderhoudsvoorziening te vormen en het groot onderhoud onttrekken aan een (onderhouds)reserve of direct aan de exploitatie toerekenen. Dit is soms ook een gevolg van het ontbreken van een toereikend meerjaren onderhoudsplan. De commissie is van mening dat deze situatie leidt tot onvoldoende inzicht in toekomstig onderhoud en daarmee majeure financiële risico’s met zich mee kan brengen. In de praktijk ontstaat tevens de situatie dat de ene gemeente vreemd vermogen “creëert” en de andere gemeente dit niet doet. Dit heeft vanzelfsprekend ook effect op kengetallen en vergelijkbaarheid. De commissie doet, in lijn met titel 9 van de RJ, het voorstel om slechts twee mogelijkheden toe te staan. Dat zijn of het vormen van een voorziening voor groot onderhoud of groot onderhoud als component activeren. Elke component van het actief wordt dan afgeschreven in de periode tot aan het moment van vervanging van die component of tot het moment van het uitvoeren van het betreffende groot onderhoud. Het direct ten laste van de exploitatie brengen van kosten groot onderhoud leidt tot onvoldoende matching van gebruik en bijbehorende lasten. De commissie is voornemens dit advies nader uit te werken in de notitie materiele vaste activa. Advies: De commissie BBV adviseert om slechts twee presentatiemogelijkheden voor groot onderhoud toe te staan.
Dat zijn of het vormen van een voorziening voor groot onderhoud of groot onderhoud als component activeren.
7.4 Kengetal weerstandsratio In de praktijk wordt in veel begrotingen en jaarstukken de weerstandscapaciteit uitgerekend en vervolgens vastgelegd in een ‘weerstandsratio’ als ware dit een kengetal. Uit de workshops blijkt dat er zowel behoefte is aan het nader duiden van dit kengetal als aan het niet opnemen van dit kengetal. Het BBV spreekt in artikel 11 van het BBV over weerstandscapaciteit als ‘de middelen en mogelijkheden waarover de provincie onderscheidenlijk gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken’. Het BBV spreekt nergens van een weerstandsratio en de commissie is hier ook geen voorstander van ondanks de duiding in de notitie meerjarig financieel inzicht voor de raad. De commissie is van mening dat het bij de weerstandsvermogen en weerstandscapaciteit met 27
name over de inhoud moet gaan, dus over de kwalitatieve toelichting in plaats van de kwantitatieve. De commissie stelt voor om in de paragraaf financiële positie de omvang van het weerstandsvermogen, dus niet als kengetal, op te nemen met een kwalitatieve toelichting. De commissie BBV adviseert om de omvang van het weerstandsvermogen toe te voegen aan de inhoud van de paragraaf financiële positie. Deze moet vergezeld gaan van een toelichting op het weerstandsvermogen en weerstandcapaciteit in kwalitatieve zin.
7.5 Niet uit de balans blijkende verplichtingen Vanuit de workshops zijn er voorstellen gedaan met betrekking tot het onderwerp aanbestedingen. Aanbestedingen zijn regelmatig onderwerp van gesprek als gevolg van onrechtmatigheden. Veel voorstellen hebben betrekking op het uitbreiden van de niet uit de balans blijkende verplichtingen met een overzicht van alle aanbestedingen die in een bepaald jaar hebben plaatsgevonden. De commissie begrijpt de aanleiding voor dit voorstel qua transparantie van de aanbestedingsprocessen. De commissie is echter niet van mening dat het inzicht van de raad gebaat is bij het opnemen van dit overzicht. De commissie kan zich voorstellen dat overzicht zich wel leent voor een commissie financiën van een gemeente of een rekenkameronderzoek. Voor wat betreft het BBV stelt de commissie vast dat alleen aanbestedingen die fout zijn gegaan qua onrechtmatigheid toegelicht moeten worden als onderdeel van de paragraaf bedrijfsvoering.
7.6 Stelselwijziging en foutherstel Vanuit de praktijk worden er regelmatig vragen gesteld over stelselwijzigingen en foutherstel. In de notities van de commissie worden deze onderwerpen geduid, maar uit de workshops in het land blijkt dat er behoefte is aan een nadere duiding om met name de raad beter te informeren. De commissie herkent dit onderwerp maar ziet geen noodzaak om hier nadere richtlijnen over te formuleren. De commissie is wel voornemens om hier in een notitie ‘hoofdlijnen van het BBV’ aandacht aan te geven en een structuur aan te bieden die gebruikt kan worden om de raad te informeren.
8. Overhead en rente In de programma’s is de afgelopen jaren vooral de nadruk gelegd op de kosten die direct samenhangen met de uitvoering van het programma zelf. In dit hoofdstuk gaat de commissie in op de onderwerpen overhead en rente. Zij kijkt met name terug op de wijzigingen die aangebracht zijn door de commissie Depla en stelt op onderdelen deze aanpassingen ter discussie. De commissie is van mening dat de argumentatie uit de memorie van toelichting van het BBV uit 2003 leidend moet zijn bij de informatie die de programma’s bevatten. Deze tekst luidt: “Omdat provinciale staten respectievelijk de raad de begroting vaststellen is het verwarrend indien het programmaplan baten en lasten zou bevatten die niet terugkomen in het overzicht van baten en lasten.”. Hiermee in lijn is Advies: De commissie adviseert om als uitgangspunt te hanteren dat de baten en lasten in een programma zo volledig mogelijk moeten zijn. 28
ook het opnemen van de mutaties in de reserves voor de programma’s6. Hierdoor wordt ook het bepalen van de integrale kostprijs meer transparant voor alle belanghebbenden. Ten aanzien van het overzicht overhead stelt de commissie voor om dit te handhaven als onderdeel van de paragraaf bedrijfsvoering en het onderwerp rente op een vergelijkbare wijze te behandelen in de paragraaf financiële positie. Ten tijde van de commissie Depla is er een gemengde keuze voor de presentatie van de onderwerpen overhead en rente gemaakt. De commissie is van mening dat beide wijzen van presentatie van toegevoegde waarde zijn. Advies: De commissie BBV adviseert het overzicht overhead te integreren in de paragraaf bedrijfsvoering en het overzicht rente te introduceren in de paragraaf financiële positie.
9. Toekomstbestendigheid, kennis en consultatie Zowel uit vergaderingen van de commissie, de vraag en antwoord rubriek als uit gesprekken in het land blijkt dat de toepassing van het BBV bij gemeenten tot discussies leidt. Dit zijn interne discussies met wethouders en raadsleden, maar ook externe discussies met accountant, toezichthouders en andere betrokkenen. De commissie beschouwt dit in de eerste plaats als een positief effect van ‘principle based’ wetgeving. Deze discussies zorgen voor een verdieping van de kennis en deskundigheid bij betrokkenen. Tegelijkertijd ziet de commissie ook dat discussies soms niet gevoerd worden om het inzicht in de begroting en/of jaarrekening te verbeteren, maar om risico’s en verantwoordelijkheden van betrokkenen af te dekken. Dit is inherent aan de functie van de betrokkenen en daarmee ook onderdeel van de uitvoering van het BBV. Succesvolle ontwikkeling en acceptatie van ‘principle based’ regelgeving vergt echter continue verbetering, gericht op verbeterde kwaliteit en beperking van de kwantiteit van regelgeving, binnen aanvaardbare kosten. Maar ook permanente educatie is noodzakelijk.
9.1 Werkzaamheden commissie en leden van de commissie Wat mag er verwacht worden van leden van de commissie en de commissie als collectief? 1. toegang tot een website met actuele vraagstukken en notities; 2. voorlichting op persoonlijke titel door de leden van de commissie op bijeenkomsten en congressen; 3. betrekken van belanghebbenden bij het opstellen en actualiseren van notities; 4. uiting geven aan het belang dat de commissie hecht aan regelmatige actualisatie van de kennis van het BBV bij controllers, financiële medewerkers en financieel managers.
6
Zie ook paragraaf 5.3
29
Ad 2: leden van de commissie verzorgen regelmatig workshops actualiteiten BBV tijdens congressen van de VNG, FAMO en BZK. Vanuit hun functie binnen de commissie worden sommige leden van de commissie uitgenodigd om in gesprek te gaan met individuele gemeenten over specifieke vraagstukken. Hier wordt terughoudend mee om gegaan omdat leden op persoonlijke titel zonder last lid zijn van de commissie. Ad 3: Voor nieuwe notities en notities die aangepast worden is afgesproken dat in de startnotitie een voorstel wordt gedaan hoe er om wordt gegaan met consultatie. Dit kan op verschillende manieren worden vorm gegeven. Binnen de commissie moet in overleg met BZK vastgesteld worden hoe en onder welke omstandigheden samengewerkt kan worden met externe organisaties.
9.2 Leden van de commissie Leden van de commissie nemen conform artikel 75 op persoonlijke titel zitting in de commissie en nemen deel aan de vergaderingen zonder last. Zij brengen een specifiek profiel mee om bij te dragen aan het collectief van de commissie. In onderstaande tabel worden per ‘stoel’ specifieke aandachtspunten benoemd. Voor leden van de commissie gelden geen zittingstermijnen. Het lidmaatschap van de commissie vervalt zodra een lid niet langer werkzaam is op het terrein, aangegeven in het artikel 75 derde lid, dan wel een instantie als genoemd in het zesde lid, onder a tot en met k, een andere persoon voordraagt als lid aan de voorzitter van de commissie. De voorzitter blijft te allen tijde bevoegd tot het al dan niet benoemen van leden van de commissie. Leden van de commissie nemen deel aan vergaderingen en kunnen daarnaast lid zijn van de redactieraad of werkgroepen. Leden commissie
Intern profiel
Benoeming /voordracht
BBV 2003
één onafhankelijk voorzitter
Bij voorkeur afgestudeerd RA en
Minister BZK benoemt en ontslaat Idem. Onafhankelijk
werkzaam (geweest) in publieke
de voorzitter
van het Rijk.
Deskundigheid BBV, voldoende
Benoeming door voorzitter,
Idem
mankracht
voordracht door de Minister van
sector. Breed netwerk en voldoende mankracht. b. één secretaris;
BZK c. drie leden werkzaam als financieel Deskundigheid BBV, voldoende
Benoeming door voorzitter,
ambtenaar bij gemeenten;
mankracht. Historisch een lid
voordracht door de Vereniging van
namens 100.000+ gemeente.
Nederlandse Gemeenten voor
idem
twee van de leden; de Vereniging Federatie van Algemene Middelenmanagers bij de Overheid voor één van de leden, d. twee leden werkzaam bij een
Deskundigheid BBV, voldoende
Benoeming door voorzitter,
provincie;
mankracht. Bij voorkeur één lid
voordracht door het
werkzaam in de provinciale
Interprovinciaal Overleg
idem
financiën en één lid werkzaam bij toezicht. e. twee leden werkzaam bij of voor de Deskundigheid BBV, voldoende
Benoeming door voorzitter,
waterschappen
voordracht door de Unie van
mankracht.
Waterschappen
30
n.v.t.
f. twee leden werkzaam bij het
Benoeming door voorzitter,
één lid werkzaam als
Ministerie van Binnenlandse Zaken en mankracht.
Deskundigheid BBV, voldoende
voordracht door de Minister van
inspecteur bij de
Koninkrijksrelaties
BZK
Inspectie Financiën Lokale en provinciale Overheden.
g. een lid werkzaam bij het Ministerie Affiniteit BBV, voldoende
Benoeming door voorzitter,
van Infrastructuur en Milieu
voordracht door Minister van
mankracht.
n.v.t.
Infrastructuur en Milieu h. één lid werkzaam bij het Ministerie Affiniteit BBV, betrokkenheid
Benoeming door voorzitter,
van Financiën;
nationale en internationale
voordracht door de Minister van
verslaggeving, voldoende
Financiën
idem
mankracht. i. één lid werkzaam bij het CBS;
Deskundigheid IV3, voldoende
Benoeming door voorzitter,
mankracht
voordracht door het CBS
idem
j. twee leden werkzaam in de
Afgestudeerd RA en werkzaam in Benoeming door voorzitter,
één lid werkzaam in
provinciale of gemeentelijke
of voor publieke sector. Uiterst
de provinciale of
voordracht door de Nederlandse
accountancy, waarvan één verbonden deskundigheid BBV en voldoende Beroepsorganisatie van
gemeentelijke
aan een van de vier grootste
mankracht.
Accountants
accountancy
k. één lid werkzaam als
Affiniteit BBV, voldoende
Benoeming door voorzitter,
Idem
gemeentesecretaris;
mankracht.
voordracht door de Vereniging van
gemeenten;
Gemeentesecretarissen l. één lid werkzaam als raadsgriffier of Affiniteit BBV, voldoende
Benoeming door voorzitter,
statengriffier;
voordracht door de Vereniging van
mankracht.
idem
Griffiers m. één lid werkzaam bij de Vereniging Affiniteit BBV, voldoende
Benoeming door voorzitter,
van Nederlandse Gemeenten;
voordracht door de Vereniging van
mankracht.
idem
Nederlandse Gemeenten
In de praktijk hebben leden gemiddeld 4 tot 5 jaar zitting in de commissie. Daar zitten uitschieters bij naar boven en onder. Leden beëindigen hun lidmaatschap van de commissie met name vanwege verandering van het werkterrein als gevolg van pensionering of een nieuwe baan. Een enkele keer treedt een lid terug vanwege het niet kunnen leveren van voldoende mankracht. Doordat er regelmatig nieuwe leden toetreden tot de commissie is er sprake van nieuwe inzichten en wisselingen in de dynamiek. Aandachtspunt binnen de commissie is de behoefte aan voldoende vertegenwoordiging vanuit de raad en lokale rekenkamers. Daarbij wordt gedacht aan het betrekken van leden vanuit de Vereniging voor Raadsleden c.q. de Nederlandse vereniging van rekenkamers en rekenkamercommissies (NVRR) in de vorm van een agenda lidmaatschap. Daarnaast is er behoefte aan uitbreiding van het aantal adviseurs vanwege de complexiteit van de onderwerpen. De omvang van de commissie neemt in dat geval toe tot 16 leden plus een of meerdere adviseurs. De commissie blijft kritisch kijken naar de omvang van en de balans binnen de commissie. Advies: De commissie BBV adviseert de minister om een onderzoek in te stellen naar de toetreding als agenda lid van leden vanuit de NVRR en/of de Vereniging voor Raadsleden. Advies: De commissie BBV adviseert de minister om het aantal adviseurs uit te breiden. 31
32
10. Voorgestelde wijzigingen artikelen BBV Adviezen Advies uit notitie
Verwijzing in gewijzigde wettekst Artikel 44
I.
De commissie BBV adviseert de minister om artikel 44, lid 3 BBV te laten vervallen en een overgangstermijn van vier (4) jaar te hanteren (paragraaf 4.1.1);
II.
De commissie BBV vraagt de minister van VWS om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden om het CAK een verplichting op te leggen om op jaareinde een statusoverzicht te verstrekken voor het opmaken van begroting en jaarstukken paragraaf 4.1.4.);
Niet van toepassing
III.
De commissie BBV adviseert de minister een vijfde (welke investeringsplannen en kredieten worden voorgesteld?) en zesde Wvraag (welke specifieke uitvoeringsrisico’s horen er bij dit programma?) toe te voegen aan de programmastructuur van de begroting en jaarstukken door middel van het uitbreiden van artikel 8 lid 3 (paragraaf 5.2);
Artikel 8
IV.
De commissie BBV adviseert de artikelen 17 en 27 aan te passen met een opsomming van de te onderscheiden elementen. De commissie BBV is voornemens dit nader uit te werken in de notitie Hoofdlijnen van het BBV. (paragraaf 5.3);
Artikel 17 Artikel 27
V.
De commissie BBV adviseert de minister de terminologie rondom de begrippen ‘resultaat’ en ‘saldo’ te vereenvoudigen en binnen de programma’s een integraal beeld te presenteren conform het voorbeeld in paragraaf 4.3 (paragraaf 5.3);
Artikel 17 Artikel 19a Artikel 25 Artikel 27
VI.
De commissie BBV adviseert artikel 8 lid 4 te laten vervallen (paragraaf 5.3);
Artikel 8
VII.
De commissie BBV adviseert de minister op termijn de huidige ministeriele regeling met betrekking tot beleidsindicatoren in overleg met andere overheden aan te passen en daarbij de SDG en brede welvaartsindicatoren als uitgangspunt te gebruiken. Hierbij kan
Geen aanpassing BBV – betreft een aanpassing van de ministeriële regeling.
33
worden volstaan met een beperkte set waarvan de kwaliteit en beschikbaarheid geborgd zijn (paragraaf 5.4); VIII.
De commissie BBV adviseert de minister om de Regeling vaststelling wijze waarop kengetallen worden vastgesteld en opgenomen in begroting en jaarverslag provincies en gemeenten aan te passen op de volgende onderdelen:
Geen aanpassing BBV – betreft een aanpassing van de ministeriële regeling.
1. het laten vervallen van de kengetallen ‘netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen’, ‘solvabiliteitsratio’, ‘grondexploitatie’, ‘structurele exploitatieruimte’ en ‘belastingcapaciteit’ in de paragraaf weerstandsvermogen en risicomanagement
Artikel 11
2. het toevoegen van de kengetallen voor ‘wendbaarheid van de begroting’, ‘grondexploitatie’, ‘solvabiliteit’ en ‘lastendruk’ in de paragraaf financiële positie;
Artikel 11a
3. aanpassen BBV voor wat betreft het verplaatsen van het kengetallen voor het EMU-saldo en netto schuld quote naar de paragraaf financiële positie;
Artikel 11a
4. Randvoorwaardelijk voor elk van deze kengetallen te stellen dat deze afgeleid moeten kunnen worden uit de IV3 (paragraaf 5.4);
Geen aanpassing BBV – betreft een voorschrift in de aanpassing van de ministeriële regeling.
IX.
De commissie BBV adviseert een onderscheid aan te brengen tussen uitvoerings- en financiële risico’s en deze op te nemen in de programma’s respectievelijk de paragraaf ‘financiële positie’ (paragraaf 6.1);
Artikel 15
X.
De commissie BBV adviseert artikel 8, lid 1 het bedrag voor onvoorzien, op nihil te stellen (paragraaf 6.1)
Geen aanpassing BBV – dit is een aanbeveling voor in de notities van de commissie BBV.
XI.
De commissie BBV adviseert de minister om in het BBV een nadere categorisering van verbonden partijen op te nemen en in de paragraaf verbonden partijen eisen op te nemen per categorie ten aanzien van de
Artikel 15
34
toelichting op deze verbonden partijen (paragraaf 6.1); XII.
De commissie BBV adviseert de minister om in de paragraaf verbonden partijen een verplichting op te nemen om voor verbonden partijen de geldstromen vanaf een bepaald bedrag inzichtelijk te maken met een toelichting over de reden van de transactie (paragraaf 6.2).
XIII.
De commissie BBV adviseert de minister om:
Artikel 15
4. de paragraaf financiële positie op te nemen in het BBV en daartoe de artikelen 7 en 9 van het BBV aan te passen.
Artikel 7 Artikel 9
5. aanpassen van de BBV voor het vervallen van de verplichting voor een aparte paragraaf ‘weerstandsvermogen en risicomanagement’;
Artikel 9
6. aanpassen van de BBV voor het vervallen van de verplichting voor een aparte paragraaf ‘financiering’ (paragraaf 6.3);
Artikel 9
XIV.
De commissie BBV adviseert de terminologie economisch en maatschappelijk nut te laten vervallen en uitsluitend onderscheid te maken tussen (bedrijfs)economische en maatschappelijke functie (paragraaf 7.1);
Artikel 1 Artikel 20 Artikel 35 Artikel 65
XV.
De commissie BBV adviseert artikel 64 lid 6 te laten vervallen (paragraaf 7.2);
Artikel 64
XVI.
De commissie BBV adviseert artikel 49, lid b te laten vervallen (paragraaf 7.2);
Artikel 49
XVII.
De commissie BBV adviseert om om slechts twee presentatiemogelijkheden voor groot onderhoud toe te staan. Dat zijn of het vormen van een voorziening voor groot onderhoud of groot onderhoud als component activeren (paragraaf 7.3);
Geen aanpassing BBV – dit is een aanbeveling voor in de notitie materiele vaste activa.
XVIII.
De commissie BBV adviseert om de omvang van het weerstandsvermogen toe te voegen aan de inhoud van de paragraaf financiële positie. Deze moet vergezeld gaan van een toelichting op het weerstandsvermogen en 35
weerstandcapaciteit in kwalitatieve zin (paragraaf 7.4); XIX.
De commissie adviseert om als uitgangspunt te hanteren dat de baten en lasten in een programma zo volledig mogelijk moeten zijn (hoofdstuk 8);
Artikel 17 Artikel 25
XX.
De commissie adviseert, in lijn met het voorgaande uitgangspunt, om de overhead toe te rekenen aan de programma’s (hoofdstuk 8);
Artikel 17 Artikel 25
XXI.
De commissie BBV adviseert het overzicht overhead te integreren in de paragraaf bedrijfsvoering en het overzicht rente te introduceren in de paragraaf financiële positie (hoofdstuk 8);
XXII.
De commissie BBV adviseert de toetreding als agenda lid van leden vanuit de NVRR en/of de Vereniging voor Raadsleden tot de commissie BBV (hoofdstuk 9);
Artikel 8 Artikel 14 Artikel 17 Artikel 25 Artikel 27 Artikel 11a Artikel 75
XXIII.
De commissie BBV adviseert een uitbreiding van het aantal adviseurs (hoofdstuk 9).
36
Artikel 75
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen 1. Artikel 1 1 In dit besluit wordt verstaan onder: o o
o
o o o o o
o o
o
o o
o
o o o
a. uitzettingen: alle uitgezette middelen; b. verbonden partij: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin de provincie onderscheidenlijk gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft; c. financieel belang: een aan de verbonden partij ter beschikking gesteld bedrag dat niet verhaalbaar is indien de verbonden partij failliet gaat onderscheidenlijk het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat indien de verbonden partij haar verplichtingen niet nakomt; d. bestuurlijk belang: zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit hoofde van stemrecht; e. deelneming: een participatie in een besloten of naamloze vennootschap, waarin de provincie onderscheidenlijk gemeente aandelen heeft; f. CBS: Centraal bureau voor de statistiek; g. rentetypische looptijd; als gedefinieerd in de Wet fido, artikel 1, onder b; h. vaste schuld: het gezamenlijk bedrag van: ▪ 1°. de schuld uit hoofde van geldleningen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer, en ▪ 2°. de voor een termijn van één jaar of langer ontvangen waarborgsommen; i. netto-vlottende schuld; als gedefinieerd in de Wet fido, artikel 1, onder e; j.
EMU-saldo: het geraamde onderscheidenlijk gerealiseerde saldo van de ontvangsten en uitgaven van een provincie onderscheidenlijk een gemeente, berekend op transactiebasis en overeenkomstig de voorschriften van het Europese systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie; k. niet-effectieve positie: situatie waarin de onderliggende waarde en looptijd van een financieel derivaat niet overeenkomt met de financieringsbehoefte waar het derivaat betrekking op heeft; l. overheadkosten: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces; m. bouwgrond in exploitatie: gronden in eigendom van een provincie onderscheidenlijk een gemeente, waarvoor provinciale staten onderscheidenlijk de raad een grondexploitatiepcomplex en een grondexploitatiebegroting heeft vastgesteld; n. taakvelden: eenheden waarin de programma’s, bedoeld in artikel 8, tweede lid, of de eenheden in overzichten en bedragen in het programmaplan, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen b tot en met e zijn onderverdeeld; o. economische categorieën: eenheden waarin de baten en lasten van activiteiten binnen een taakveld worden uitgedrukt; p. investeringen met economische functie nut: investeringen die verhandelbaar zijn en kunnen bijdragen aan het genereren van middelen.; q.
investeringen met maatschappelijke functie: investeringen die geen middelen genereren en/of verhandelbaar zijn.
37
2 In dit besluit wordt onder verbonden partij mede verstaan een Europese groepering voor territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PbEU L 210) waarin de provincie onderscheidenlijk gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft. 2. Artikel 2 1 Voor de begroting, de meerjarenraming, de jaarstukken en de uitvoeringsinformatie wordt een stelsel van baten en lasten gehanteerd. 2 De baten en de lasten van het begrotingsjaar worden in de begroting, de jaarstukken en de uitvoeringsinformatie opgenomen, onverschillig of zij tot inkomsten of uitgaven in dat jaar leiden, onderscheidenlijk hebben geleid. 3 De baten en lasten worden geraamd dan wel verantwoord tot hun brutobedrag. 4 Onder de baten en lasten worden ook begrepen de over het eigen vermogen en de voorzieningen berekende bespaarde rente. 5 Onder baten en lasten wordt ook begrepen de heffing van de vennootschapsbelasting. Deze heffing wordt geraamd en verantwoord op basis van de fiscale grondslag. 3.
Artikel 3 1 De begroting, de meerjarenraming, de jaarstukken en de uitvoeringsinformatie geven volgens normen die voor gemeenten en provincies als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten. In het bijzonder provinciale staten en de raad moeten in staat zijn zich een zodanig oordeel te vormen. 2 De begroting, de meerjarenraming en de uitvoeringsinformatie geven duidelijk en stelselmatig de omvang van alle geraamde baten en lasten, alsmede het saldo ervan weer. De begroting geeft tevens duidelijk en stelselmatig inzicht in de financiële positie. 3 De jaarstukken en de uitvoeringsinformatie geven getrouw, duidelijk en stelselmatig de baten en lasten van het begrotingsjaar, alsmede het saldo ervan weer. De jaarrekening geeft tevens een getrouw, duidelijk en stelselmatig inzicht in de financiële positie aan het einde van het begrotingsjaar. 4. Artikel 4 1 De indeling van de begroting en de jaarstukken is identiek. 2 Indien de indeling van de begroting, de meerjarenraming, de jaarstukken en de uitvoeringsinformatie afwijkt van die van het voorafgaande begrotingsjaar worden in de toelichting de verschillen aangegeven en worden de redenen die tot de afwijking hebben geleid uiteengezet. 5. Artikel 5 38
Verbonden partijen worden niet geconsolideerd in de begroting en jaarstukken. Artikel 6 [Vervallen per 19-03-2014]
Hoofdstuk II. De begroting en de toelichting Titel 2.1. Algemeen 6. Artikel 7 1 De begroting bestaat ten minste uit: o o
a. de beleidsbegroting; b. de financiële begroting.
2 De beleidsbegroting bestaat ten minste uit: o o
a. het programmaplan; b. de paragrafen.
3 De financiële begroting bestaat ten minste uit: o o o
a. het overzicht van baten en lasten en de toelichting; b. de uiteenzetting van de financiële positie en de toelichting; c. de bijlage met het overzicht van de geraamde baten en lasten per taakveld.
Titel 2.2. Het programmaplan 7. Artikel 8 1 Het programmaplan bevat: o o o o o
a. de te realiseren programma's; b. een overzicht van de algemene dekkingsmiddelen; c. een overzicht van de kosten van overhead; d. het bedrag voor de heffing voor de vennootschapsbelasting, en e. het bedrag voor onvoorzien.
2 Een programma is een samenhangend geheel van activiteiten. 3 Het programmaplan bevat per programma: o
o
a. de doelstelling, in het bijzonder de beoogde maatschappelijke effecten, ten minste toegelicht aan de hand van de bij ministeriële regeling vast te stellen beleidsindicatoren; b. de wijze waarop ernaar gestreefd zal worden die effecten te bereiken, en de betrokkenheid hierbij van verbonden partijen; 39
o o o
c. de raming van baten en lasten conform modelstaat A uit de ministeriele regeling; d. een toelichting op de investeringsplannen en -kredieten; e. een overzicht van de operationele risico’s.
4 De provincie onderscheidenlijk gemeente kan de baten en lasten per programma verdelen in de onderdelen baten en lasten voor prioriteiten en voor overig. 5 Het overzicht algemene dekkingsmiddelen bevat ten minste: o o o o o
a. lokale heffingen, waarvan de besteding niet gebonden is; b. algemene uitkeringen; c. dividend; d. saldo van de financieringsfunctie; e. overige algemene dekkingsmiddelen.
6 Het bedrag voor onvoorzien wordt geraamd voor de begroting in zijn geheel of per programma. Titel 2.3. De paragrafen 8. Artikel 9 1 In de begroting worden in afzonderlijke paragrafen de beleidslijnen vastgelegd met betrekking tot relevante beheersmatige aspecten, alsmede tot de lokale heffingen. 2 De begroting bevat ten minste de volgende paragrafen, tenzij het desbetreffende aspect bij de provincie onderscheidenlijk gemeente niet aan de orde is: o o o o o o o o
a. lokale heffingen; b. weerstandsvermogen en risicobeheersing; c. onderhoud kapitaalgoederen; d. financiering; e. bedrijfsvoering; f. verbonden partijen; g. grondbeleid h. uiteenzetting van de financiële positie.
9. Artikel 10 De paragraaf betreffende de lokale heffingen bevat ten minste: • • •
a. de geraamde inkomsten; b. het beleid ten aanzien van de lokale heffingen; c. een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen, waarin inzichtelijk wordt gemaakt hoe bij de berekening van tarieven van heffingen, die hoogstens kostendekkend mogen zijn, wordt bewerkstelligd dat de geraamde baten de ter zake geraamde lasten niet overschrijden, wat de beleidsuitgangspunten zijn die ten grondslag liggen aan deze berekeningen en hoe deze uitgangspunten bij de tariefstelling worden gehanteerd; 40
• •
d. een aanduiding van de lokale lastendruk; e. een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid.
10. Artikel 11 1 Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen: o
o
a. de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de provincie onderscheidenlijk gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken; b. alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.
2 De paragraaf betreffende het weerstandsvermogen en risicobeheersing bevat ten minste: o o o o
o
a. een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; b. een inventarisatie van de risico's; c. het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico's; d. een kengetal voor de: ▪ 1a°. netto schuldquote; ▪ 1b°. netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen; ▪ 2°. solvabiliteitsratio; ▪ 3°. grondexploitatie; ▪ 4°. structurele exploitatieruimte; en ▪ 5°. belastingcapaciteit. e. een beoordeling van de onderlinge verhouding tussen de kengetallen in relatie tot de financiële positie.
3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kengetallen, genoemd in het tweede lid, onderdeel d, door provincies en gemeenten worden vastgesteld en in de begroting en het jaarverslag worden opgenomen. 11. Artikel 11a 1 De paragraaf uiteenzetting van de financiële positie bevat ten minste een raming voor het begrotingsjaar van de financiële gevolgen van het bestaande en nieuw beleid dat in de programma’s is opgenomen. 2 Afzonderlijke aandacht wordt ten minste besteed aan:: a. de financiering, waarbij wordt ingegaan op in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille en geeft inzicht in de rentelasten, het renteresultaat, de wijze waarop rente aan investeringen wordt toegerekend en de financieringsbehoefte; b. het weerstandsvermogen en de risicobeheersing; dit bevat ten minste: o een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; o een inventarisatie van de strategische risico’s; 41
o het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s c. de stand en het gespecificeerde verloop van de bestemmingsreserves, waarbij wordt ingegaan op het beroep dat op de bestemmingsreserves, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel b, wordt gedaan in het kader van het begrotingsevenwicht in meerjarig perspectief; d. de stand en het gespecificeerde verloop van de voorzieningen, waarbij wordt ingegaan op de bedragen die rechtstreeks uit voorzieningen worden onttrokken alsmede op het beroep dat op de overige bestemmingsreserves, bedoeld in artikel 44, wordt gedaan; e. de kengetallen; waarbij een beoordeling van de onderlinge verhouding tussen de kengetallen in relatie tot de financiële positie plaatsvindt: 1.
weerstandsvermogen;
2.
netto schuldquote;
3.
EMU-saldo;
4.
wendbaarheid van de begroting;
5.
lastendruk;
6.
solvabiliteit;
7.
grondexploitatie
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kengetallen, genoemd in het tweede lid, onderdeel e, door de gemeente respectievelijk de provincie worden vastgesteld en in de begroting en het jaarverslag worden opgenomen.
12. Artikel 12 1 De paragraaf betreffende het onderhoud van kapitaalgoederen bevat ten minste de volgende kapitaalgoederen: o o o o o
a. wegen; b. riolering; c. water; d. groen; e. gebouwen.
2 Van de kapitaalgoederen, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven: o o
a. het beleidskader; b. de uit het beleidskader voortvloeiende financiële consequenties; 42
o
c. de vertaling van de financiële consequenties in de begroting.
13. Artikel 13 De paragraaf betreffende de financiering bevat in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille en geeft inzicht in de rentelasten, het renteresultaat, de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend en de financieringsbehoefte. 14. Artikel 14 De paragraaf betreffende de bedrijfsvoering geeft ten minste inzicht in de stand van zaken en de beleidsvoornemens ten aanzien van de bedrijfsvoering en een overzicht van de overhead. 15. Artikel 15 1 De paragraaf betreffende de verbonden partijen bevat ten minste: o o
o
a. de visie op en de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen; b. de lijst van verbonden partijen, die wordt onderverdeeld in: ▪ 1a.° gemeenschappelijke regelingen welke van rechtswege worden ingesteld; ▪ 1b.° overige gemeenschappelijke regelingen; ▪ 2°. vennootschappen en coöperaties; verbonden partijen die betrekking hebben op grondexploitaties; ▪ 3°. stichtingen en verenigingen, en, verbonden partijen waarbij de gemeente respectievelijk de provincie enig aandeelhouder is; ▪ 4°. overige verbonden partijen; c. de lijst van verbonden partijen.
2 In de lijst van verbonden partijen wordt ten minste de volgende informatie opgenomen: a. a. de wijze waarop de provincie onderscheidenlijk de gemeente een belang heeft in de verbonden partij en het openbaar belang dat ermee gediend wordt; b. b. het belang dat de provincie onderscheidenlijk de gemeente in de verbonden partij heeft aan het begin en de verwachte omvang aan het einde van het begrotingsjaar; c. c. de verwachte omvang van het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de verbonden partij aan het begin en aan het einde van het begrotingsjaar; d. d. de verwachte omvang van het financiële resultaat van de verbonden partij in het begrotingsjaar; e. e. de eventuele risico’s, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de verbonden partij voor de financiële positie van de provincie onderscheidenlijk gemeente. f. Een overzicht van de geldstromen met een toelichting over de reden van de transacties. 16. Artikel 16 De paragraaf betreffende het grondbeleid bevat ten minste: 43
a. een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie van de doelstellingen van de programma's die zijn opgenomen in de begroting; b. een aanduiding van de wijze waarop de provincie onderscheidenlijk gemeente het grondbeleid uitvoert; c. een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de totale grondexploitatie; d. een onderbouwing van de geraamde winstneming; e. de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken in relatie tot de risico's van de grondzaken. Titel 2.4. Het overzicht van baten en lasten en de toelichting 17. Artikel 17 Het overzicht van baten en lasten in de begroting bevat: a. per programma, of per programmaonderdeel als bedoeld in artikel 8, vierde lid, de raming van de baten en lasten inclusief de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma en het structureel saldo conform de modelstaat A uit de ministeriële regeling; b. het overzicht van de geraamde algemene dekkingsmiddelen, de geraamde kosten van de overhead, en het geraamde bedrag van de heffing voor de vennootschapsbelasting en het geraamde bedrag voor onvoorzien; c. het geraamde totaal saldo van baten en lasten inclusief de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves en het geraamde structureel totaal resultaat, volgend uit de onderdelen a en b conform de modelstaat A uit de ministeriële regeling; d.
de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma; e. het geraamde structureel totaal resultaat, volgend uit de onderdelen c en d. 18. Artikel 18 In de besluiten tot wijziging van de begroting wordt per programma en, indien aanwezig, per programmaonderdeel, de mutatie en het nieuwe geraamde bedrag vastgesteld. 19. Artikel 19 De toelichting op het overzicht van baten en lasten bevat ten minste: • •
a. het gerealiseerde bedrag van het voorvorig begrotingsjaar, het geraamde bedrag van het vorig begrotingsjaar na wijziging en het geraamde bedrag van het begrotingsjaar; b. de gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd en, in geval van aanmerkelijk verschil met de raming, respectievelijk de realisatie, van het vorig, respectievelijk voorvorig, begrotingsjaar de oorzaken van het verschil; 44
•
•
c. een overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten voor zover geen onderdeel vormen van een per programma, waarbij per programma ten minste de belangrijkste posten afzonderlijk worden gespecificeerd en de overige posten als een totaalbedrag kunnen worden opgenomen; d. een overzicht van de beoogde structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves voor zover deze geen onderdeel vormen van een programma.
20. Artikel 19a De toelichting op de raming van de baten en lasten per programma, of per programmaonderdeel als bedoeld in artikel 8, vierde lid, bevat ten minste: • •
•
a. het gerealiseerde bedrag van het voorvorig begrotingsjaar, het geraamde bedrag van het vorig begrotingsjaar na wijziging en het geraamde bedrag van het begrotingsjaar; b. een overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma, waarbij per programma ten minste de belangrijkste posten afzonderlijk worden gespecificeerd en de overige posten als een totaalbedrag kunnen worden opgenomen; d. een overzicht van de beoogde structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves.
Titel 2.5. De uiteenzetting van de financiële positie en de toelichting 21. Artikel 20 1 De uiteenzetting van de financiële positie bevat: o o o
a. een raming voor het begrotingsjaar van de financiële gevolgen van het bestaande en nieuw beleid dat in de programma’s is opgenomen; b. een geprognosticeerde begin- en eindbalans van het begrotingsjaar, die ten minste de posten bevat om het EMU-saldo te kunnen berekenen, en c. het EMU-saldo over het vorig begrotingsjaar en de berekening van het geraamde bedrag over het begrotingsjaar alsmede het jaar volgend op het begrotingsjaar.
2 Afzonderlijke aandacht wordt ten minste besteed aan: o o
o o o
a. de jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume; b. de investeringen; onderscheiden in investeringen met een economische nut functie en investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijke nut functie; c. de financiering; d. de stand en het gespecificeerde verloop van de reserves; e. de stand en het gespecificeerde verloop van de voorzieningen.
22. Artikel 21 De toelichting op de uiteenzetting van de financiële positie bevat ten minste de gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd en de motivering daarvan en een toelichting op 45
belangrijke ontwikkelingen ten opzichte van de uiteenzetting van de financiële positie van het vorig begrotingsjaar.
Hoofdstuk III. De meerjarenraming en de toelichting 23. Artikel 22 1 De meerjarenraming bevat voor de drie jaren volgend op het begrotingsjaar een geprognosticeerde begin- en eindbalans en een raming van de financiële gevolgen, waaronder de baten en de lasten van het bestaande en het nieuwe beleid dat in de programma's is opgenomen. 2 Artikel 20, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. 24. Artikel 23 De toelichting op de meerjarenraming bevat ten minste: •
•
• •
a. de gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd en de motivering daarvan, en een toelichting op belangrijke ontwikkelingen ten opzichte van de meerjarenraming van het vorig begrotingsjaar; b. een overzicht per jaar van de geraamde incidentele baten en lasten per programma, waarbij per programma ten minste de belangrijkste posten afzonderlijk worden gespecificeerd en de overige posten als een totaalbedrag kunnen worden opgenomen; c. een overzicht per jaar van de beoogde structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves; d. de ontwikkeling van het EMU-saldo voor de drie jaren volgend op het begrotingsjaar.
Hoofdstuk IV. De jaarstukken en de toelichting Titel 4.1. Algemeen 25. Artikel 24 1 De jaarstukken bestaan ten minste uit: o o
a. het jaarverslag; b. de jaarrekening.
2 Het jaarverslag bestaat ten minste uit: o o
a. de programmaverantwoording; b. de paragrafen.
3 De jaarrekening bestaat uit: o o
a. het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening en de toelichting; b. de balans en de toelichting; 46
o o
c. de bijlage met de verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen; d. een bijlage met het overzicht van de gerealiseerde baten en lasten per taakveld.
Titel 4.2. De programmaverantwoording 26. Artikel 25 1 De programmaverantwoording bestaat ten minste uit: o
o o
a. de verantwoording over de realisatie van de programma's conform de modelstaat B uit de ministeriële regelingen de overzichten van de algemene dekkingsmiddelen en de kosten van overhead; b. het bedrag voor de heffing voor de vennootschapsbelasting, en c. geeft daarnaast inzicht in het gebruik van het geraamde bedrag voor onvoorzien.
2 De programmaverantwoording biedt per programma inzicht in: o o o
a. de mate waarin de doelstellingen zijn gerealiseerd ten minste toegelicht aan de hand van de bij ministeriële regeling vast te stellen beleidsindicatoren; b. de wijze waarop getracht is de beoogde maatschappelijke effecten te bereiken; c. de gerealiseerde baten en lasten conform de modelstaat B uit de ministeriële regeling.
Titel 4.3. De paragrafen 27. Artikel 26 Het jaarverslag bevat de paragrafen die ingevolge artikel 9 in de begroting zijn opgenomen. Ze bevatten de verantwoording van hetgeen in de overeenkomstige paragrafen in de begroting is opgenomen. Titel 4.4. Het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening en de toelichting 28. Artikel 27 1 Het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening bevat: o
o
o
a. per programma, of per programmaonderdeel als bedoeld in artikel 8, vierde lid, de gerealiseerde baten en lasten inclusief de gerealiseerde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma en het structureel saldo daarvan conform de modelstaat B uit de ministeriële regeling en het saldo daarvan; b. het overzicht van de gerealiseerde algemene dekkingsmiddelen, de gerealiseerde kosten van de overhead en het bedrag van de heffing voor de vennootschapsbelasting; c. het gerealiseerde structureel totaal saldo van baten en lasten, inclusief de werkelijke toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves welke geen 47
o o
onderdeel uitmaken van een programma, volgend uit de onderdelen a en b conform de modelstaat B uit de ministeriële regeling; d. de werkelijke toevoegingen en onttrekkingen aan reserves; e. het gerealiseerde resultaat, volgend uit de onderdelen c en d.
2 Het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening bevat van de onderdelen genoemd in het eerste lid ook de ramingen uit de begroting voor en na wijziging. 29. Artikel 28 De toelichting op het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening bevat ten minste: • • •
• •
a. voor alle onderdelen van artikel 27, eerste lid, een analyse van de afwijkingen tussen de begroting na wijziging en de jaarstukken; b. een overzicht van de aanwending van het bedrag voor onvoorzien; c. een overzicht van de incidentele baten en lasten per programma, waarbij per programma ten minste de belangrijkste posten afzonderlijk worden gespecificeerd en de overige posten als een totaalbedrag kunnen worden opgenomen; d. een overzicht van de structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves; e. de informatie, bedoeld in de artikelen 4.1, eerste en tweede lid, en 4.2, eerste tot en met derde lid van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.
30. Artikel 29 Het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële positie op de balansdatum is gebleken tussen het moment van opmaken van de jaarstukken en het tijdstip van vaststelling daarvan, voor zover deze aanvullende informatie onontbeerlijk is voor het in artikel 3 bedoelde inzicht. Titel 4.5. De balans en de toelichting Paragraaf 4.5.1. Algemeen 31. Artikel 30 In de balans worden naast de cijfers per balansdatum tevens de cijfers van de balans van het vorige begrotingsjaar opgenomen. Paragraaf 4.5.2. Hoofdindeling van de balans 32. Artikel 31 Op de balans worden de activa onderscheiden in vaste en vlottende activa, al naar gelang zij zijn bestemd om de uitoefening van de werkzaamheid van de provincie onderscheidenlijk gemeente al dan niet duurzaam te dienen. 33. Artikel 32 Op de balans worden de passiva onderscheiden in vaste en vlottende passiva. 48
Paragraaf 4.5.3. Vaste activa 34. Artikel 33 Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële, de materiële en de financiële vaste activa. 35. Artikel 34 In de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen: • • •
a. kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio; b. kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; c. bijdragen aan activa in eigendom van derden.
36. Artikel 35 1 In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen: o o o
a. investeringen met een economische nut functie; b. investeringen met een economische nut functie, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; c. investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijke functie nut.
2 Van de materiële vaste activa wordt aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven. 37. Artikel 36 In de balans worden onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen: a. kapitaalverstrekkingen aan: o o o
1. deelnemingen; 2. gemeenschappelijke regelingen; 3. overige verbonden partijen;
b. leningen aan: o o o o
1. openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden; 2. woningbouwcorporaties; 3. deelnemingen; 4. overige verbonden partijen;
c. overige langlopende leningen; d. uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer; e. uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer; 49
f. overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer. Paragraaf 4.5.4. Vlottende activa 38. Artikel 37 Onder de vlottende activa worden afzonderlijk opgenomen de voorraden, de uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar, de liquide middelen en de overlopende activa. 39. Artikel 38 In de balans worden onder de voorraden afzonderlijk opgenomen: • • • •
a. grond- en hulpstoffen; b. onderhanden werk, waaronder bouwgronden in exploitatie; c. gereed product en handelsgoederen; d. vooruitbetalingen.
40. Artikel 39 In de balans worden onder de uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar afzonderlijk opgenomen: a. vorderingen op openbare lichamen; b. verstrekte kasgeldleningen aan openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden; c. overige verstrekte kasgeldleningen; d. uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd korter dan één jaar; e. rekening-courantverhouding met het Rijk; f. rekening-courantverhoudingen met niet-financiële instellingen; g. uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd korter dan één jaar; h. overige vorderingen; i. overige uitzettingen. 41. Artikel 40 In de balans worden onder de liquide middelen de kas- en banksaldi opgenomen. 42. Artikel 40a 1 In de balans worden onder de overlopende activa afzonderlijk opgenomen: 50