CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bij bestemmingsplan Domus Plus -Fuikvaartweg

gemeenteraad 28 maart 2024, gemeente HaarlemBij agendapunt: Bestemmingsplan Domus Plus - Fuikvaartweg vaststellen21.893 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

arbeidsmarkt, waaronder kwetsbare doelgroepen. Planspecifiek De voorliggende ontwikkeling zorgt voor huisvesting van kwetsbare doelgroepen, waarvoor aandacht is vanuit de strategische keuze met betrekking tot buurtgericht ontwikkelen. De groene inpassing zorgt daarbij voor een klimaatbestendige (vergroening) ontwikkeling. Het draagt door het opwaarderen van het boerenland en realiseren van extra water tevens bij aan de strategische keuzes 8 en 10. De planontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie Haarlem 2025. 3.4.2 Structuurvisie openbare ruimte Eind 2017 is door de gemeenteraad de Structuurvisie Openbare Ruimte (SOR) Haarlem 2040: Groen en Bereikbaar vastgesteld. De Structuurvisie Openbare Ruimte gaat in op een prioritering bij ingrepen in de openbare ruimte. De Structuurvisie openbare ruimte is een deelherziening van het Structuurplan uit 2005, en gaat alleen over de openbare ruimte en het buitengebied. De drie belangrijkste thema's uit de structuurvisie zijn: mooi, veerkrachtig en sterk. Uit deze thema's volgen de vier belangrijkste doelen van de structuurvisie: I. Aantrekkelijke stad II. Gezonde stad III. Metropolitane economie IV. Bereikbare stad De hoogste prioriteit wordt gegeven aan het beschermen en versterken van de groenstructuur gevolgd door het beschermen en versterken van de waterstructuur en het inpassen van benodigde extra klimaatadaptatiemaatregelen.

Daarnaast biedt het een afwegingskader voor mobiliteit waarbij binnen de stad het belang van de voetganger gaat boven opeenvolgend: het belang van de fiets, het openbaar vervoer en de auto. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de 'groenstructuur'. Prioriteit 1 uit de structuurvisie is het beschermen en versterken van de groenstructuur. Voorliggende ontwikkeling versterkt de groenstructuur. De bomen langs het voorliggende plangebied zijn aangeduid in de 'bomenstructuurkaart'. De bomen zijn van belang voor de leefbaarheid en klimaatbestendigheid van een gebied. De bomen blijven daarom ook behouden. De Nieuweweg is aangewezen als onderdeel van het regionaal fietsnetwerk. Het voorliggende initiatief heeft hier geen negatief effect op. 3.4.3 Stedenbouwkundig kader Het stedenbouwkundig kader voor de voorliggende ontwikkeling is vastgelegd in het Schetsplan en Functioneel programma van eisen. In paragraaf 2.6 is ingegaan op de eisen van dit kader. 36

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

3.4.4 Ruimtelijke kwaliteit In de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2012) wordt een integrale stadsbrede visie gegeven op ruimtelijke kwaliteit die voor ieder nieuw ruimtelijk plan de basis vormt. Met de visie wil Haarlem kernachtig uitdragen waar haar kracht en haar ambitie ligt. De relatie tussen duurzaamheid, in de zin van toekomstbestendigheid en de kwaliteit van de leefomgeving, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk thema van de visie. Er zijn tien gouden regels geformuleerd die een prioriteit voor ruimtelijke ontwikkeling in Haarlem uitspreken. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2012) bestaat uit twee delen. Het eerste deel is de Visie op Ruimtelijke Kwaliteit. Deel twee is het Beoordelingskader voor Ruimtelijke Kwaliteit. De in deel 2 opgenomen criteria hebben betrekking op alle vergunningplichtige plannen. Het plangebied is onderdeel van 'De lange lijnen' en specifiek aangeduid als onderdeel van de 'groene randen'. De lange lijnen hebben in de Beoordelingskaders Ruimtelijke Kwaliteit een ‘bijzondere regie’ die uitgaat van een verscherpte aandacht voor de zichtbaarheid aan de lange lijn of op de bijzondere plek, terwijl het bouwwerk tegelijkertijd een relatie houdt met de achterliggende buurt.

De overgang van bebouwing naar openbare ruimte is van groot belang, omdat de lange lijnen en bijzondere plekken en pleinen veel bezocht worden: er zijn veel ogen op gericht. De lange lijnen maken de stad herkenbaar. In de bijbehorende 'Gouden regels' is opgenomen dat zorgvuldig met de lange lijnen moet worden omgegaan, omdat ze zorgen voor de samenhang en herkenbaarheid van Haarlem. In de Beoordelingskaders Ruimtelijke Kwaliteit geldt voor dit gebied een 'bijzondere regie . Waterlopen en historische wegen zijn structuurbepalend in samenhang met de ondergrond. Het gebied heeft een groen, open karakter, met daarin boerderijen, arbeiderswoningen, forten en bunkers. Restant van het tuinbouwgebied aan de westelijke stadsrand. Open gebied met spaarzame, vrijstaande bebouwing: woonhuizen, kassen, schuren en enkele (restanten van) buitenplaatsen. Planspecifiek De voorliggende ontwikkeling heeft aandacht voor de inpassing van de nieuwe bebouwing. De groene inpassing heeft aandacht voor de overgang van de openbare ruimte naar het achterliggende park en doordat de rest van het plangebied grotendeels open blijft wordt er rekening gehouden met de lange lijnen.

37

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

3.4.5 Wonen 3.4.5.1 Woonvisie 2021-2025 In de Woonvisie Haarlem 2021 - 2025 'Samen Doorbouwen aan een Duurzaam (t)huis' geeft richting aan het woonbeleid op de lange termijn tot 2030 en handvatten voor de uitvoering ervan in de periode 2021-2025. Belangrijkste doel is een toegankelijke, diverse en inclusieve stad te zijn die een duurzaam (t)huis biedt aan een breed scala van doelgroepen. De komst van voldoende (betaalbare) woningen is hierbij een randvoorwaarde. De bouwambitie tot 2030 ligt hoog. Gelet op de resterende opgave van de ambitie 2016 tot en met 2025 (7.200 woningen 2020-2025), de actualisatie van de raming van de aanvullende woningbehoefte (8.000 woningen 2019-2030) en de beschikbare plancapaciteit waarvoor visies zijn vastgesteld, wordt de ambitie voor de periode 2020-2030 vastgesteld op 8.000-10.000 woningen. De ambitie is dat er 3.200 tot 4.000 sociale huurwoningen bij komen. Doorstroming moet worden gestimuleerd door naast het bouwen van middeldure woningen ook voorrang te geven aan doorstromers vanuit sociale huurwoningen. Haarlem wil een inclusieve stad zijn, een stad voor iedereen. Voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen is extra aandacht. Door de gemeente en partners worden woonvormen ontwikkeld voor Haarlemmers die uit de maatschappelijke opvang of een beschermde woonvorm komen.

Op het gebied van duurzaamheid wordt gestreefd naar het voorkomen van hittestress en wateroverlast. Planspecifiek De voorliggende ontwikkeling realiseert een maatschappelijk woonvorm waar behoefte aan is en zorgt voor een inclusieve stad met functies op de juiste plek. De groene inrichting zorgt voor een duurzame inpassing. Het plan is in lijn met de Woonvisie 2021-2025. 3.4.6 Maatschappelijk 3.4.6.1 Opvang, wonen & herstel Op basis van een intensief en interactief visievormingstraject in de eerste helft van 2016 in samenwerking met vele tientallen vertegenwoordigers van zorginstellingen, gemeenten, cliëntenorganisaties en woningcorporaties het beleidskader 'Opvang, wonen & herstel' opgesteld. Het is opgesteld voor drie belangrijke, nauw met elkaar samenhangende beleidsterreinen: maatschappelijke opvang; beschermd wonen en vrouwenopvang. De hoofdopgave luidt: Voor alle cliënten maatschappelijke opvang, beschermd wonen en vrouwenopvang willen we werken aan zo gewoon mogelijk wonen met herstelondersteuning gericht op inclusie, volwaardig burgerschap, participatie, zelfredzaamheid en informele steun in de lokale omgeving. In de regio Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer waren in 2015 circa 1600 inwoners die onvoldoende in staat waren om op eigen kracht 38

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

zelfstandig te wonen en in andere noodzakelijke bestaansvoorwaarden te voorzien. Voor hen is er een ondersteuningsaanbod beschikbaar vanuit de maatschappelijke opvang, beschermd wonen en vrouwenopvang. Voor een deel van deze kwetsbare inwoners volstaat ondersteuning door middel van kortdurende opvang. Voor een ander deel is langer durende opvang, beschermd wonen of begeleid wonen in de vrouwenopvang noodzakelijk, meestal in de vorm van ‘intramuraal wonen’. De visie betreft niet alleen kwetsbare inwoners die nu gebruik maken van intramurale voorzieningen van maatschappelijke opvang, beschermd wonen en de vrouwenopvang. De visie betreft ook inwoners die weliswaar over eigen huisvesting beschikken, maar door allerlei problemen het risico lopen maatschappelijk uit te vallen. Met andere woorden: het gaat ook om preventie en het voorkomen van verhuizingen naar een intramurale voorziening. Doorgaans is er sprake van meervoudige problematiek (ook wel multiproblematiek genoemd). Samenhangend met het niet zelfstandig kunnen wonen is er doorgaans meer aan de hand, zoals een psychische kwetsbaarheid, een licht verstandelijke beperking, verslaving, schulden, huiselijk geweld, werkloosheid, eenzaamheid of contacten met justitie. Al deze kwetsbare mede-inwoners behoeven een vorm van ondersteuning in het werken aan herstel: een leven met meer stabiliteit en kwaliteit.

Er is bij twee groepen cliënten sprake van langdurige zorgafhankelijkheid. In de eerste plaats zijn er in de regio zeer kwetsbare cliënten met multiproblematiek waardoor ondersteuning in een 24-uurs setting nodig is. Naar schatting gaat het om 10 tot 20% van de gehele doelgroep beschermd wonen. Een tweede groep bestaat uit langdurig zorgafhankelijken, cliënten die eigenlijk moeilijk te ondersteunen zijn in de reguliere 24-uursvoorzieningen, veelal door verslavingsgerelateerde problematiek. Deze cliënten moeten de zekerheid hebben dat ze veilig en stabiel kunnen blijven wonen in een 24-uurssetting. Ook voor hen is een thuis-gevoel en maatschappelijke participatie naar vermogen belangrijk. Planspecifiek Het voorliggende initiatief realiseert een maatschappelijke woonvoorziening voor cliënten die 24-uurs zorg nodig hebben in een stabiele en rustige setting. Het draagt bij aan de doelen die zijn gesteld in het beleidskader.

39

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

3.4.7 Duurzaamheid en energie Het Haarlems beleid ten aanzien van Duurzaamheid kent eisen en wensen. De Richtlijn Duurzaam Bouwen Haarlem (in ontwikkeling) vat dit beleid samen in concrete 'randvoorwaarden' en 'doeleinden' voor het bouwen. Randvoorwaarden zijn gebaseerd op het rijksbeleid of bestaande wetten zoals bijvoorbeeld aardgasvrij bouwen en compensatiemaatregelen voor water en ecologie. Doeleinden zijn ambities van de gemeente zoals natuurinclusief en circulair bouwen. Wanneer nieuw beleid wordt gemaakt of wordt aangescherpt wordt dat in de richtlijn toegevoegd. Bij elk project kan bepaald worden of er doeleinden zijn die als aanvullende randvoorwaarden gesteld worden. Bij elke stap van het ontwikkelproces wordt het pakket aan duurzaamheidsmaatregelen scherper geformuleerd: Initiatieffase: In de eerste fase worden de duurzaamheidskansen en -risico's van de locatie gesignaleerd en verwoord in de startnotitie. Het ambitieniveau ten aanzien van duurzaamheid wordt (zo specifiek mogelijk) vastgesteld. Er wordt beoordeeld of/welke doeleinden toegevoegd kunnen worden aan de randvoorwaarden. Definitiefase: Het pakket aan randvoorwaarden wordt op haalbaarheid onderzocht en opgenomen in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE). Door vaststelling in de Raad van dit stuk worden de randvoorwaarden bestendigd.

Daarnaast kan het vastgelegd worden in afspraken als: samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst. Ontwerpfase: De randvoorwaarden worden verwerkt in het ontwerp door de ontwikkelende partij in een Stedenbouwkundig Plan (SP) en Inrichtingsplan IP). De gemeente toetst het resultaat aan het eind van deze fase, vóór bestuurlijke vaststelling (college van BenW). Voorbereidingsfase: In het geval van een omgevingsplan kunnen de eisen vertaald worden in beleidsregels van het Omgevingsplan (OP) en worden de uitgangspunten juridisch geborgd. Randvoorwaarden en doeleinden: Energie en Warmte Randvoorwaarde: Aardgasvrij bouwen Aardgasvrij bouwen wordt reeds als voorwaarde bij het bouwen gesteld. Het Rijk heeft per 1 juli 2018 de gaswet gewijzigd waardoor nieuwe gebouwen in principe geen gasaansluiting meer krijgen. Gemeente heeft de 'routekaart naar aardgasvrij 2040' vastgesteld. Randvoorwaarde: Bijna energieneutraal bouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat alle aanvragen van omgevingsvergunningen moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG ). Deze vervangt de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De BENG is opgebouwd uit drie indicatoren: de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De BENG-eisen gelden alleen 40

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

voor nieuwbouw. Doeleinde: Energieneutraal en -leverend bouwen De BENG-eisen gaan niet uit van volledige energieneutraliteit. De 'versnelling Duurzaamheidsprogramma' (2017) zet in op een klimaatneutraal Haarlem in 2030. Bij nieuwe bouwontwikkelingen waar de gemeente de randvoorwaarden bepaald, zal maximaal op deze ambitie ingezet moeten worden door energieneutraliteit of energieleverende gebouwen te realiseren. Doeleinde: checklist Warmtebron Nieuwbouwprojecten kunnen bijdragen aan de energietransitie van omliggende bestaande bouw. De checklist geeft een indicatie of een ontwikkeling in theorie geschikt is voor een collectief warmtesysteem (Energiestrategie Haarlem, 2019). Doeleinde: Warmtevoorziening via bodemwarmte Om te voorzien in de benodigde warmtevraag wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bodemwarmtevoorziening. Indien in de omgeving al een warmtenet aanwezig is waar op kan worden aangesloten heeft dit de eerste voorkeur. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd. Bodemwarmtevoorzieningen moeten passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen. (Routekaart aardgasvrij 2040, en Routekaart Versnelling Duurzaamheidsprogramma). Klimaatadaptatie Randvoorwaarde: Watertoets en watercompensatie Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af-en aanvoer van water.

Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen / gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. De watertoets is een wettelijke verplichting bij planvorming en moet uitwijzen of/hoeveel gecompenseerd dient te worden. Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets. Doeleinde: Toekomstbestendig watersysteem Het extra hemelwater wordt zoveel bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij nieuwbouw wordt een toekomstbestendig watersysteem aangelegd met voldoende waterbergingscapaciteit. Dat houdt concreet in dat de ontwikkeling minimaal 70 mm water per m² moet kunnen bergen op eigen terrein gedurende in een etmaal. Doeleinde: Aanpak droogte en hittestress Een gebiedsontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied. Groen en Ecologie Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie 41

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Deze quickscan kan als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag. Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van de quickscan en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. (o.a. Wet natuurbescherming 2017 en Ecologisch Beleidsplan 2013-2030, gemeente Haarlem) Doeleinde: Natuurinclusief bouwen Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. Behoud en aansluiten op de bestaande ecologische waarden is uitgangspunt. Indien behoud niet mogelijk is, dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. Daarnaast liggen er grote kansen voor bevordering van natuur binnen bouwprojecten d.m.v natuurinclusief bouwen. Circulair bouwen en ontwikkelen Randvoorwaarde: Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouw dienen de waardes gehanteerd te worden conform Bouwbesluit 2021.

De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 0,8. (Bouwbesluit 2021) Doeleinde: Duurzame GWW De Aanpak Duurzaam GWW helpt om op een uniforme en systematische manier de juiste processtappen te zetten. Door duurzaamheid te verankeren in de bedrijfsprocessen geven partijen binnen de GWW-sector op een zelfde manier invulling aan duurzaamheid in projecten en zijn verwachtingen vooraf duidelijk. De aanpak Duurzaam GWW wordt gevolgd voor planvorming, aanleg, aanbesteding, beheer en onderhoud. Van de private partijen die GWW aanleggen wordt gevraagd mee te werken aan deze aanpak. (Grondstoffenakkoord, Green Deal Duurzaam GWW 2.0) Doeleinde: Registratie materialen De bestaande stad is de grondstoffenmijn van de toekomst. Het opstellen van een materialenpaspoort en de registratie daarvan in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem, draagt bij aan het hergebruik van materialen. Het betreft een relatief eenvoudig uitvoerbare maatregel omdat het in de ontwerpfase wordt toegepast en geen uitvoeringskosten betreft.

Doeleinde: Toekomstbestendig ontwerpen Flexibiliteit bieden voor functionele verandering op termijn kan hoge kosten en materiaalverspilling bij een herbestemming of woningaanpassing voorkomen. De woonvisie vraagt aandacht voor flexibiliteit en duurzaamheid. (Samen 42

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

Doorbouwen aan een Duurzaam (t)huis, Woonvisie Haarlem 2021 - 2025). Doeleinde: Afvalinzameling integreren in ontwerp De voorzieningen voor (gescheiden) inzameling van afval dienen bij de oplevering van nieuwbouwlocaties al op orde te zijn, zodat geen noodoplossingen worden ingezet. Daarom dienen voorzieningen zoals ondergrondse en inpandige containers in een vroege fase van het ontwerp geïntegreerd te worden. Mobiliteit Het college van B en W heeft op 24 augustus 2021 nieuw Mobiliteitsbeleid vastgesteld. Hiermee wil Haarlem een aantrekkelijke, gezonde en goed bereikbare stad blijven, terwijl de stad groeit. Dat betekent onder andere: De fiets en de voetganger krijgen voortaan prioriteit. Een snelheid van 30km uur wordt de norm in Haarlem en bij alle nieuwe wegontwerpen, wordt voortaan eerst gekeken naar de ruimte voor de fietser en de voetganger. Het Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) wordt evenwichtiger over de stad verdeeld en het autoverkeer wordt zoveel mogelijk gebundeld op de hoofdroutes. In heel Haarlem wordt tussen nu en 2030 gefaseerd gereguleerd parkeren ingevoerd. Het streven is dat in 2030 het merendeel van de korte afstanden binnen Haarlem per fiets of te voet afgelegd worden en dat meer dan de helft van de verplaatsingen vanuit of naar Haarlem met het openbaar vervoer (OV) of de fiets plaatsvinden.

Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de bebouwing Voor iedere nieuwe woning schrijft het Bouwbesluit 2012 voor om een eigen berging voor het stallen van fietsen en scootmobielen met een minimale oppervlakte te realiseren. Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling mag er op een andere manier aan worden voldaan dan is aangegeven. De "Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Haarlem 2018" geeft voorwaarden daar aan. Tevens wordt er bij woongebouwen rekening gehouden met levensloopbestendigheid (d.m.v. stalling voor scootmobielen). Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de openbare ruimte Het aantal autoritten moet gereduceerd worden en het is de bedoeling dat er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen. Ook bij (ver)bouwprojecten moet dit principe leidend zijn. Bijvoorbeeld met een aantrekkelijke looproute naar de dichtstbijzijnde HOV-halte of NS-station, autoparkeren op afstand en voldoende en comfortabele fietsenbergingen of -stallingen die gemakkelijker bereikbaar zijn dan de parkeerplaatsen voor auto's. Doeleinde: Duurzaam mobiliteitsplan Binnen de 'beleidsregels parkeernormen' is het mogelijk om gebruik te maken

43

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

van een mobiliteitsplan. Het uitwerken van een locatie specifiek mobiliteitsplan is een goede methode om bij te dragen aan de duurzame mobiliteitstransitie én te voorzien in voldoende ruimte voor parkeren. Het mobiliteitsplan wordt opgesteld door de initiatiefnemer en kan elementen bevatten over bijvoorbeeld deelauto's, goede fietsontsluiting i.c.m. nabijheid en OV etc. Doeleinde: Fietsparkeren in ontwerp In het ontwerp moet er aandacht zijn voor het fietsparkeren voor bewoners, maar ook voor bezoekers. Slimme locaties, goed bereikbaar en zeer comfortabel waardoor gebruikers verleid worden de fiets te verkiezen boven de auto. Een goede integratie van (voldoende) fietsparkeren in het ontwerp moet als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit vergroten én om het gebruik van de fiets te stimuleren. Doeleinde: Laadpunten auto Als onderdeel van de energiestransitie wordt elektrisch rijden gestimuleerd door het vergroten van de laadinfrastructuur (laadvoorzieningen). Bouwontwikkelingen moeten voldoende laadvoorzieningen realiseren. Het CROW heeft hiervoor een richtlijn opgesteld, dit kan als basis gebruikt worden. (CROW, publicatie 381, 2018). Doeleinde: Smart Mobility in ontwikkelzones De ontwikkelzones worden duurzame toekomstwijken, waarbij op het gebied van mobiliteitsconcepten geëxperimenteerd wordt en met zo efficiënt mogelijke ruimtebehoefte wordt gebouwd.

Initiatiefnemers worden uitgedaagd om te komen met een passend experiment voor een mobiliteitsconcept, waarbij ze ook oog hebben voor de bestaande omgeving. Planspecifiek In paragraaf 4.8 is nader toegelicht hoe duurzaamheid onderdeel is van voorliggende ontwikkeling.

44

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

Hoofdstuk 4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Dit hoofdstuk bevat een inventarisatie van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten en de resultaten van de verschillende milieuonderzoeken. Daarbij komen aspecten aan de orde zoals geluid, lucht- en bodemkwaliteit, natuurwaarden en externe veiligheid. Het gaat hier om zaken die kunnen leiden tot ruimtelijke beperkingen in het plangebied.

4.1

Bedrijven en milieuzonering

4.1.1 Inleiding Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.

Tabel: richtafstanden bedrijven en milieuzonering

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat 45

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. 4.1.2 Onderzoek De omgeving van het plangebied is aan te merken als het omgevingstype gemengd gebied. Er zijn (bedrijfs)woningen aanwezig ten oosten van de planlocatie. Ten zuiden loopt de N205. De verschillende functies en de aanwezigheid van een drukke ontsluitingsweg maken dat het plangebied en de omgeving te zien zijn als een gemengd gebied. Er worden in voorliggend geval gevoelige bestemming functies gerealiseerd ter plaatse van Domus Plus. Ter plaatse van de boerderij was reeds een bedrijfswoning aanwezig welke beperkend werkt op de omliggende milieubelastende functies. Door een andere functie aan de boerderij te geven verandert er daarom niets. Omliggende functies worden niet belemmerd als gevolg van de nieuwe functie. Domus Plus is gelegen op voldoende afstand van de bedrijfsfuncties die aanwezig zijn ten oosten van het plangebied. Ten zuiden is op circa 180 meter de rioolwaterzuiveringsinstallatie Haarlem Schalkwijk aanwezig. Deze is in het beheer bij waterschap Rijnland. Dit rioolgemaal heeft een capaciteit voor 80.000 inwoners.

Dit geeft de RWZI een milieucategorie 4.1 (SBI: 3700, A1). De richtafstand bedraagt voor gemengd gebied 100 meter voor geur. Hier wordt ruim aan voldaan. Er is daarom sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van Domus Plus en er is geen sprake van een beperking van de RWZI of andere milieubelastende functies. 4.1.3 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.2

Bodemparagraaf

4.2.1 Inleiding Op grond van de Wet bodembescherming wordt getoetst of de aanwezige bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de beoogde functies in het bestemmingsplangebied. Het bestemmingsplangebied wordt beoordeeld op basis van de bodemkwaliteitskaart en wordt beoordeeld op de aan/afwezigheid van locaties verdacht die verdacht worden van bodemverontreiniging. Ook worden eerder uitgevoerde onderzoeken in het bestemmingsplangebied beoordeeld. 4.2.2 Onderzoek Bij deze toelichting zijn verschillende bodemonderzoeken gevoegd: 46

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

I.

milieuonderzoek Tjaden (2 april 1993, Bijlage 1). Dit onderzoek besloeg onder meer de locatie van Domus Plus. Uit dit onderzoek komt naar voren dat er alleen lichte verontreinigingen geconstateerd werden. Het onderzoek is te oud om te gebruiken maar geeft wel inzicht in het feit dat er in het verleden geen zware verontreinigingen aanwezig waren. II. Verkennend bodemonderzoek AT Milieuadvies (september 2016, Bijlage 2). Dit onderzoek ging over het agrarische bedrijfsperceel. Er werden lichte verontreinigingen aangetoond in de grond en het grondwater. Voor nader onderzoek werd geen aanleiding gezien. III. Verkennend bodemonderzoek gemeente Haarlem (9 augustus 2017, Bijlage 3). Dit onderzoek ging onder meer over de locatie van Domus Plus en een deel van de agrarische gronden. Hoewel dit onderzoek is uitgevoerd met het oog op het gebruik als weiland komt naar voren dat er alleen enkele lichte verontreinigingen in het grondwater er de grond zijn aangetoond. Voor verder onderzoek werd geen aanleiding gezien. IV. Verkennend bodemonderzoek gemeente Haarlem (28 juni 2018, Bijlage 4). Het onderzoeksgebied besloeg de agrarische gronden met uitzondering van Domus Plus en het agrarisch bedrijfsperceel. Geconstateerd werd dat er matige verontreinigingen aanwezig waren maar dat deze geen belemmering opleveren voor de beoogde functie als wonen met tuin.

Uit de onderzoeken komt naar voren dat de bodem geschikt is voor de beoogde functies binnen dit bestemmingsplan. 4.2.3 Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.3

Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over risicobronnen (bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken of transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd) en risico-ontvangers (personen of objecten die risico lopen). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij risicovolle inrichtingen en leidingen gelden wettelijke afstanden, voor vervoer van gevaarlijke stoffen is dat voorlopig nog niet het geval. Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op iemand die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan weergegeven worden met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten 47

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

verbinden met eenzelfde PR. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt meestal begrensd door de 1% letaliteitsgrens. Dit is de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. 4.3.1 Onderzoek Het plangebied bevindt zich binnen 200 meter van de N205 waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Inzicht in de risico's op het gebied van externe veiligheid is daarom nodig. Door AVIV is een onderzoek gedaan waarin wordt ingegaan op het risico van de N205 op het plangebied. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 5. Over de N205 wordt brandbaar gas (GF3) vervoerd. Uit de rapportage volgt dat er geen sprake is van een PR-contour omdat het aantal transporten lager is dan 500. Het groepsrisico blijft als gevolg van het bestemmingsplan nagenoeg hetzelfde. Conform artikel 8 van het Bevt kan verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Wel dient conform artikel 7 van het Bevt de veiligheidsregio in gelegenheid te worden gebracht om advies uit te brengen.

4.3.2 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.4

Geluid

4.4.1 Inleiding In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Vervolgens kan worden bepaald of er sprake

48

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de geluidsgevoelige gebouwen. 4.4.2 Onderzoek Door de realisatie van Domus Plus wordt er een geluidgevoelige bestemming toegevoegd binnen de geluidszone van de N205. Op grond van de Wet geluidhinder dient naar de invloed van deze weg daarom akoestisch onderzoek te worden gedaan. Hierom is akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 6. In dit onderzoek zijn ook de Nieuweweg en de Fuikvaartweg betrokken. Dit zijn 30 km/u wegen en daarom niet wettelijk gezoneerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de invloed van deze wegen wel beoordeeld. Uit de resultaten volgt dat de maximale geluidsbelasting van de Nieuweweg/Fuikvaartweg (gezamenlijk beoordeeld) maximaal 37 dB is. Ten gevolge van deze bron is er daarom sprake van een goed woon- en leefklimaat. De maximale geluidsbelasting van de N205 bedraagt 63 dB. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en ook hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. In het onderzoek worden geluidsbeperkende maatregelen overwogen om het geluidsniveau op de gevel omlaag te krijgen. Bronmaatregelen Het toepassen van een geluidsreducerend wegdek ten behoeve van voorliggend plan is financieel niet haalbaar.

Bovendien zal de reductie van het geluid niet voldoende zijn om onder de maximale ontheffingswaarde uit te komen. Overdrachtsmaatregelen Als overdrachtsmaatregel kan worden gedacht aan een geluidswal of een geluidsscherm. Beoordeeld is dat over een afstand van 400 meter een scherm van 6 meter hoogte nodig is om onder de maximale ontheffingswaarde uit te komen. Om te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde is een scherm van 10 meter hoogte nodig, die ook nog eens aanzienlijk moet worden verlengd. Tegen een maatregel als deze bestaan bezwaren vanuit landschappelijk oogpunt. Bovendien is een dergelijk scherm financieel niet uitvoerbaar. Een geluidswal kan alleen op de gronden binnen het plangebied worden gerealiseerd. Daardoor is de benodigde lengte niet haalbaar en ook is er een ontzettend hoeveelheid grond nodig, wat weer bezwaren oplevert vanuit landschappelijk oogpunt en vanuit het aspect stikstofdepositie. Gebouwgebonden maatregelen De nieuwbouw kan worden voorzien van gebouwgebonden maatregelen zoals vliesgevels, dove gevels en/of afsluitbare loggia’s of balkons. Hiermee kan een goed woon- en leefklimaat worden gerealiseerd.

In het rapport is opgenomen dat het toepassen van dergelijke maatregelen, eventueel in combinatie met de vorm of opzet van het gebouw (zoals een u-vorm of doorzonwoningen) mogelijkheden biedt om de woningen te realiseren met een goed woon- en leefklimaat.

49

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

4.4.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Vermeld dient te worden dat in de rapportage genoemd wordt dat de maximale omvang van het gebouw 1.500 m2 wordt. Dit is na ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan 1.600 m2. Ook is het bouwvlak 2 meter opgeschoven naar het oosten. Dit is niet aangepast in de rapportage, omdat dit geen invloed heeft op de resultaten van het onderzoek. Het bouwvlak wordt immers niet dichter naar de N205 verschoven.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Inleiding In Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit. Om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarin de grenswaarden worden overschreden of bestaande overschrijdingen toenemen, moet bij het opstellen van ruimtelijke plannen getoetst worden aan de wettelijke grenswaarden. De gevolgen van een ruimtelijk besluit voor de luchtkwaliteit hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan dan wel de bestaande toestand. De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan bestaat er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.

Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. 4.5.2 Onderzoek Om te bepalen of een ontwikkeling in 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is de NIBM-tool ontwikkeld. Zoals in paragraaf 2.7 is verwoord, genereert voorliggend plan zeer weinig verkeer. Dit komt omdat de bewoners van Domus Plus geen auto bezitten. Hierna is de NIBM-tool ingevuld met een zwaar overschatte hoeveelheid verkeersbewegingen per dag (500), waarmee wordt aangetoond dat voorliggend project NIBM is.

50

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

Afbeelding: ingevulde NIBM-tool

4.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.

4.6

Archeologie

4.6.1 Inleiding In 1992 ondertekende onder andere Nederland het Verdrag van Valletta. Het doel van dit verdrag is het beschermen van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Het verdrag is verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en de Erfgoedwet. De gemeente is op basis van artikel 38a van die wet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten van de Wamz zijn: het behoud van archeologische waarden in de bodem; de initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek; het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beheert de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Deze kaart bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria en ingedeeld in diverse categorieën archeologische waarden. In aanvulling op de AMK is er de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). De IKAW geeft voor heel Nederland, inclusief de bodems van grote wateren, de kans aan op het aantreffen van archeologische resten bij werkzaamheden in de bodem.

Die trefkans is aangegeven in vier categorieën. De Haarlemse bodem Het huidige Haarlem ligt zowel op de oudste strandwal, 56 eeuwen geleden 51

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

ontstaan, als de op één na oudste strandwal van Nederland. Op deze strandwallen bouwden jagers en vissers in de nieuwe steentijd (vanaf 3600 v. Chr.) eenvoudige onderkomens. Vanaf de bronstijd (2000-800 v. Chr.) legden de mensen akkers aan en bouwden ze boerderijen. Vele eeuwen later, vanaf de Karolingische tijd, ontstond op een strategische plek aan het Spaarne de nederzetting Harulahem. Harulahem, wat huis(en) op een open plek in een op zandgrond gelegen bos betekent, is later verbasterd tot Haarlem. Haarlem ontwikkelde zich al snel tot een belangrijke stad in Holland en kreeg in 1245 stadsrechten. De resten van woningen, huisraad en andere sporen van vroegere bewoning zijn in de loop der eeuwen door natuurlijke processen en kunstmatige ophogingen verborgen geraakt in de Haarlemse bodem. Zo is de Haarlemse bodem een opeenstapeling geworden van diverse lagen van 56 eeuwen bewoningsgeschiedenis. Verwachtingswaarde plangebied Het plangebied ligt in categorie 2a en 5a met een vrijstellingsgrens van respectievelijk 50m2 en 2.500 m2 (en 30 cm beneden maaiveld). Er geldt een hoge archeologische verwachting voor het oostelijk deel van het plangebied en een lage verwachting voor het westelijk deel. De nieuwbouw voor Domus Plus komt in het westelijk deel met lage verwachting.

4.6.2 Onderzoek Door IDDS is een archeologisch bureauonderzoek & inventariserend veldonderzoek, verkennende fase uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 7. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied is gelegen op de overgang van een laag en nat gebied naar een zandrug. Voor het westelijke, lage deel van het landschap geldt een lage verwachting voor alle perioden. Hier wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Het oostelijke, hoge deel van het landschap heeft een hoge verwachting voor resten vanaf het Neolithicum tot het overgroeien met veen in de Late Bronstijd en een hoge verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd. Deze resten kunnen al vanaf het maaiveld worden aangetroffen. Daarom geldt voor het hoge deel wel het advies voor vervolgonderzoek. Dit advies geldt bij verstoringen die dieper reiken dan 30 cm -mv. Er wordt volstaan met een algemeen advies voor een proefsleuvenonderzoek. Een concrete strategie dient te worden vastgelegd in een PvE wanneer de ontwikkelplannen definitiever zijn. De navolgende afbeelding toont de verdeling van de verwachting voor het plangebied. Te zien is dat voor de locatie van Domus Plus (westelijke helft) een lage verwachting geldt. Voor het gebied waar een hoge verwachting geldt voorziet het bestemmingsplan niet in bebouwing.

Wel zullen sloten worden vergroot ten behoeve van de landschappelijke verbetering en de watercompensatie. Onderzoek hiernaar kan worden uitgevoerd wanneer de plannen definitief zijn. De opgenomen dubbelbestemming in voorliggend bestemmingsplan beschermt de eventueel aanwezige waarden.

52

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

Afbeelding: archeologische verwachting op basis van het uitgevoerde onderzoek

4.6.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.7

Cultuurhistorie

4.7.1 Inleiding Artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat in de toelichting van een bestemmingsplan moet worden opgenomen op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening wordt gehouden.

53

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

4.7.2 Beoordeling Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig met bijzondere cultuurhistorische waarden. De cultuurhistorische waarden die wel aanwezig zijn, zijn vooral landschappelijk. In paragraaf 3.2.2 is onderbouwd hoe wordt omgegaan met de landschappelijke waarden die gelden vanuit het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) en de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

4.8

Duurzaamheid en energie In paragraaf 3.4.7 is reeds ingegaan op welke zaken voor dit aspect relevant zijn en waar bij ontwikkelingen op gelet moet worden. Op het gebied van duurzaamheid worden er vergaande eisen gesteld aan de wijze van bouwen, de klimaatbestendige inrichting van het terrein waaronder het opvangen en afvoeren van hemelwater en het toepassen van groen. Er worden bijvoorbeel de volgende eisen gesteld aan de wijze van bouwen: Zoveel mogelijk aanpasbaar en flexibel bouwen. Uitvoeren in biobased materialen, waarbij minimaal wordt voldaan aan de omschrijving uit het Convenant Greendeal Houtbouw van de MRA. Daken maximaal benutten voor energiebesparing,- opwekking, ecologie, klimaatadaptatie. Verwarming middels bodemwarmte.

4.9

Groenparagraaf Het voorliggende plangebied bestaat in de bestaande situatie voornamelijk uit groen: grasland met langs de randen bomen. Middels een ecologische quick scan (Bijlage 8) is geïnventariseerd welke natuurwaarden en bijbehorende (beschermde) soorten aanwezig zijn binnen het plangebied. In ieder geval kan worden gesteld dat rekening wordt gehouden met de verblijfplaats van de wezel die is geconstateerd. Indien blijkt dat verstoring van de verblijfplaats nodig is, zal hiervoor een compensatieplan worden opgesteld waarmee een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit kan worden aangevraagd. Er zullen voldoende nieuwe structuren worden aangebracht die geschikt zijn als verblijfplaats voor de wezel. Op de beschermde soorten wordt nader op ingegaan in paragraaf 4.11. Uitgangspunt is om de aanwezige natuurwaarden te beschermen en te versterken door bijvoorbeeld het behouden van structuren of het toepassen van mitigerende maatregelen. Watergangen worden verbreed om de waterkwaliteit te verbeteren en ook worden ecologische oeverprofielen toegepast. Het beheer van de gronden wordt extensiever ten opzichte van de bestaande situatie waardoor de vegetatie diverser wordt, meer insecten worden aangetrokken en hiermee ook weer andere dieren voedsel wordt geboden zoals vleermuizen, spitsmuizen en amfibieën.

In de quick scan ecologie is tevens een inventarisatie opgenomen van de aanwezige bomen en de staat ervan in het plangebied. Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk bomen worden behouden, tenzij de boom door de staat ervan 54

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

niet te behouden is. Uitgangspunt is dat wordt onderzocht of bomen verplantbaar zijn. Aan de Fuikvaartweg en de Nieuweweg staan diverse beschermenswaardige bomen. Deze bomen krijgen een planologische bescherming in voorliggend bestemmingsplan. Er komt diverser groen terug in de nieuwe situatie waardoor de beeldkwaliteit sterk wordt verbeterd en de ecologische waarde toeneemt door het aanplanten van inheemse soorten. Het is van belang dat in de nieuwe situatie het leefgebied van fauna zo min mogelijk wordt verlicht. Daarvoor kan gebruik gemaakt worden van faunavriendelijke verlichting (amberkleurig en met een lichtbundel die omlaag gericht is en zo min mogelijk omliggend groen verlicht). Geconcludeerd wordt dat het plangebied ondanks het toevoegen van bebouwing vanuit het oogpunt van groen wordt verbeterd.

4.10 Kabels, leidingen, straalpaden en andere belemmeringen Er bevinden zich geen kabels en leidingen in het plangebied waarvoor een specifieke regeling nodig is. In dit licht zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

4.11 Natuurwaarden Inleiding Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het goed gaat met de natuur, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Er is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming.

Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk

55

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. 4.11.1

Beleid Het ecologisch beleidsplan Haarlem 2013-2030 beschrijft hoe de gemeente, in samenhang met het realiseren van de duurzaamheiddoelstelling en het bevorderen van groen participatie, de soortenrijkdom versterkt en zorgt voor een hogere ecologische waarde in de stad. Het doel is het kwalitatief verbeteren en verhogen van de ecologische waarden en de leefbaarheid. Bij een herontwikkeling moet worden bepaald of het project kansen biedt voor het ontwikkelen van nieuwe ecologische waarden en structuren. Zoals eerder is gesteld is het uitgangspunt van voorliggend plan dat er meer groen wordt teruggebracht dat er in de bestaande situatie aanwezig is. Dit verhoogd tevens de ecologische waarde door een verantwoorde inpassing van soorten bomen.

4.11.2

Soortenbescherming In 2022 is een quick scan Wet natuurbescherming uitgevoerd om te bepalen of er ecologische waarden in het plangebied aanwezig waren. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 8. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Het plangebied is beoordeeld op vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, vaatplanten, vogels, amfibieën en reptielen, vissen en overige beschermde soorten zoals libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden. Uit de quick scan komt naar voren dat er vervolgonderzoek nodig is naar de volgende soorten omdat deze niet kunnen worden uitgesloten: 1. Algemene broedvogels (controle nestlocaties) 2. Marterachtigen (verblijfplaatsen) 3. Gierzwaluw (nesten) 4. Huismus (nesten en functioneel leefgebied) 5. Rugstreeppad (voortplantingsbiotoop) 6. Vogels met jaarrond beschermde nesten (nesten) 7. Waterspitsmuis (leefgebied) 8. Noordse woelmuis (leefgebied) 9. Vleermuizen: a. zomer- en kraamverblijfplaatsen b. massawinterverblijfplaatsen c. paarverblijfplaatsen en zwemplaatsen 56

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

d. winterverblijfplaatsen (boomholtes en zolders) In 2023 is het benodigde vervolgonderzoek uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 9. Geconstateerd is dat er in de bestaande boerderij aan de Nieuweweg 2 een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig is. In principe zijn er geen werkzaamheden aan de boederij nodig, maar mocht dit wel het geval zijn en de zomerverblijfplaats wordt verstoord, dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit verleenbaar. Dit vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Ook is een wezel geconstateerd. Na overleg met de ecoloog is de verwachting dat als de wezel zou moeten worden verstoord, een eventuele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit verleenbaar is. In dat geval zal er compensatie worden aangebracht in de vorm van nieuwe geschikte structuren voor deze soort die gebruikt kunnen worden voor verblijfplaatsen. Een compensatieplan zal in dat geval worden opgesteld die benodigd is voor de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit. Dit vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Er zijn verder geen beschermde diersoorten aangetroffen. 4.11.3

Gebiedsbescherming In de quick scan ecologie is ook aandacht besteed aan de beschermde gebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn dusdanig ver gelegen dat directe effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door licht en geluid zijn uitgesloten. Het plangebied is niet aangewezen als NNN-gebied. Omdat NNN-gebied geen externe werking kent, is er geen sprake van negatieve invloed.

4.11.3.1 Stikstofdepositie Om te bepalen of er bij de ontwikkeling van voorliggend plan sprake is van een toename aan stikstofdepositie die de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar overschrijdt is een stikstofnotitie opgesteld aan de hand van berekeningen met de AERIUS-calculator. De berekeningen zijn uitgevoerd voor de aanlegfase en de gebruiksfase. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 10. Voor het onderzoek zijn aannames gedaan in het aantal verkeersbewegingen in de gebruiksfase. Voor Domus plus wordt uitgegaan van het gebruik van 12 parkeerplekken. Zie ook paragraaf 2.7. Voor de buurttuinderij wordt uitgegaan van 4 extra parkeerplekken. Gezien de verwachting dat niet veel parkeerplekken nodig zijn omdat veel bezoekers op de fiets zullen komen is dit een realistische aanname. Uit de resultaten volgt dat er geen verhoging van de stikstofdepositie plaatsvindt, hoger dan 0,00 mol/hectare/jaar. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig.

57

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

4.11.4

Houtopstanden De bomen in het plangebied vallen binnen de door de gemeenteraad van Haarlem vastgestelde bebouwde kom. De bepalingen vanuit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden zijn niet van toepassing op het kappen van een boom. Er wordt met grote zorg omgegaan met de aanwezige bomen en te beschermen bomen worden beschermd in voorliggend bestemmingsplan. Houtopstanden vormen daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.11.5

Conclusie Voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan worden vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen verwacht.

4.12 Vliegverkeer 4.12.1

Inleiding Met ingang van 1 februari 2003 is het zogenoemde Luchthavenindelingbesluit (LIB) van kracht. In het LIB, onderdeel van de gewijzigde Wet Luchtvaart (ofwel de "Schipholwet"), is rond de luchthaven Schiphol een beperkingengebied aangewezen. Hierbinnen gelden beperkingen van de maximale hoogte van objecten, en van vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik. De hoogtebeperkingen zijn opgelegd om ervoor te zorgen dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De beperkingen voor de vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik zijn opgelegd om te voorkomen dat zich in de nabijheid van de luchthaven concentraties vogels bevinden, die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen. Ook zijn er beperkingengebieden opgenomen voor het gebruik van gebouwen opgenomen. Dit zijn de LIB-zones. Er zijn 5 zones: LIB 1 tot en met 5. Deze zones beperken het gebruik voor (beperkt) kwetsbare objecten, geluidgevoelige gebouwen en kent een afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid.

4.12.2

Onderzoek Het voorliggende plangebied ligt niet in een van de LIB-zones of zones voor beperking van vogelaantrekkende bestemmingen. Daarnaast blijft het te realiseren woongebouw ruim onder de maatgevende toetshoogte van maximaal 41 meter.

4.12.3

Conclusie Het aspect vliegverkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

58

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

4.13 Waterparagraaf 4.13.1

Inleiding Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in deze waterparagraaf. Deze paragraaf benoemt de waterbeheerder, beschrijft het relevante beleid en het huidige watersysteem en gaat in op de effecten daarop van ruimtelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

4.13.2

Waterbeheerder Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.

4.13.3

Beleid

4.13.3.1 Rijksbeleid 4.13.3.1.1 Nationaal Water Programma 2022 - 2027 Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn omvangrijk en worden in de toekomst alleen maar groter. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreinigingen en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om infrastructuur zoals waterkeringen, bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. In het NWP stelt het kabinet drie hoofdambities voor 2050 en verder: I. Een veilige en klimaatbestendige delta. II. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. III. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

Het kabinet heeft de afgelopen jaren het waterbeleid en de uitvoering daarvan verder versterkt en het NWP bouwt hier voor de periode 2022-2027 op verder. Belangrijke relevante onderdelen van dit NWP zijn:

59

bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" (vastgesteld)

Werken aan klimaatadaptatie en zoetwaterbeschikbaarheid met stresstesten en adaptatiestrategieën, de impulsregeling klimaatadaptatie en het maatregelpakket zoetwater, een voorkeursvolgorde voor waterbeheer, de strategie klimaatbestendige zoetwatervoorziening hoofdwatersysteem en actief grondwatervoorraadbeheer. Voortzetting van het beleid voor waterveiligheid en de uitvoering daarvan via onder andere het Hoogwaterbeschermingsprogramma en het Kennisprogramma Zeespiegelstijging en het verstromingsrisicobeheerplan. Water en bodem als leidend principe bij ruimtelijke planvorming. Een nationale watersysteemverkenning waarin lopende analyses op het gebied van waterveiligheid, zoetwatervoorziening, ruimtelijke adaptatie, waterkwaliteit en scheepvaart in samenhang worden bezien, met als doel om voor het nationale watersysteem als geheel integraal afgewogen, lange termijn besluiten voor te bereiden. 4.13.3.2 Provinciaal beleid 4.13.3.2.1 Watervisie 2021 Met de Watervisie 2021 zoals vastgesteld op 16 november 2015 geeft de provincie Noord-Holland vervolg aan het Provinciaal Waterplan 2010-2015. De Watervisie is afgestemd met de Stroomgebiedbeheerplannen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW). De Watervisie is een strategisch beleidsdocument voor de periode 2016-2012 en beschrijft de ambitie en kaders voor het regionale waterbeheer in Noord-Holland richting 2021 met doorkijk naar 2040.

De Watervisie is integraal onderdeel van het strategisch omgevingsbeleid en heeft een directe relatie met de provinciale structuurvisie. In de Watervisie richt de provincie zich op de thema's veilig, schoon en voldoende water en werkt die uit in doelstellingen voor onder andere veilige dijken en duinen, robuuste inrichting van het achterland, rampenbeheersing bij overstromingen, kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, zoetwatervoorziening en het tegengaan van wateroverlast. 4.13.3.3 Beleid waterbeheerder 4.13.3.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2028 De Waterwet en straks de Omgevingswet vereisen dat waterschappen elke 6 jaar de aanpak van hun watertaken vastleggen in een waterbeheerprogramma. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. Als waterexpert ziet Hoogheemraadschap van Rijnland mogelijkheden zijn kerntaken te koppelen aan 5 maatschappelijke opgaves: I. bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; II. tegengaan van bodemdaling; III. versterking van de biodiversiteit; IV. energieneutraal werken; V. Nederland circulair in 2050 Rijnland gaat zich de komende jaren inzetten op het gebied van:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13960705/2